Tag: Wereldwijd nieuws

  • GoFundMe stopt campagne voor Canadese truckers na berichten van geweld

    GoFundMe stopt campagne voor Canadese truckers na berichten van geweld

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » In Singapore zijn vooral kinderen besmet met omikron

    » Italië schaft mondkapjesplicht buiten af

    ‘Vreedzaam protest werd bezetting’

    GoFundMe, het Amerikaanse crowdfundplatform waarmee geld kan worden opgehaald voor allerlei projecten en doeleinden, gaat automatisch alle donaties terugbetalen die zijn gedaan aan de protestcampagne van Canadese vrachtwagenchauffeurs, berichtte Buzzfeed vorige week. De truckers protesteren tegen coronabeperkingen en verplichte vaccinaties voor truckers die tussen Canada en de Verenigde Staten rijden, en houden al dagenlang het centrum van Ottawa bezet. De teruggave gaat om miljoenen dollars.

    Het besluit om de campagnepagina van het platform te verwijderen werd vorige week vrijdag genomen nadat GoFundMe vaststelde dat de demonstraties die door de campagne werden gefinancierd uit de hand zijn gelopen.

    ‘We hebben nu bewijs in handen, afkomstig van de autoriteiten, dat de voorheen vreedzame demonstratie een bezetting is geworden; politierapporten spreken van geweld en andere illegale activiteiten’, aldus het bedrijf. GoFundMe had al 1 miljoen dollar van het gedoneerde geld aan de organisatoren overgemaakt, maar stort de rest van het bedrag, naar verluidt zo’n 9 miljoen dollar, terug aan de donateurs.

    Lees ook:

  • In Singapore zijn vooral kinderen besmet met omikron

    In Singapore zijn vooral kinderen besmet met omikron

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » GoFundMe stopt campagne voor Canadese truckers na berichten van geweld

    » Italië schaft mondkapjesplicht buiten af

    Meeste besmettingen onder kinderen

    ‘Kinderen van vijf tot elf jaar hebben momenteel het hoogste percentage covid-19-infecties’, aldus de Singaporese minister van Volksgezondheid, Ong Ye Kung, afgelopen dinsdag. Volgens Ong zorgt de omikronvariant voor meer besmettingen bij kinderen dan de deltavariant, schrijft AsiaOne.

    Het infectiepercentage voor kinderen van vijf tot elf jaar is momenteel ongeveer 67 per 100.000 inwoners; de daaropvolgende groep, van twaalf tot negentien jaar, heeft het op een na hoogste infectiepercentage, ongeveer 55 per 100.000. ‘Dit is wezenlijk anders dan tijdens de deltagolf, die vooral oudere volwassenen besmette’, zei Ong. Hij voegde eraan toe dat het besmettingspercentage onder oudere leeftijdsgroepen nu lager ligt dan tijdens delta.

    Lees ook:

  • Omwenteling in de mondiale gezondheidszorg

    Omwenteling in de mondiale gezondheidszorg

    In dit medische dossier over wereldwijde gezondheidsproblemen vindt u artikelen uit The Lancet, The Economist, Down to Earth en Laodong Bao.

    Tekeningen van Tomasz Walenta
    Tekeningen van Tomasz Walenta

    De naderende omwenteling

    The Lancet

    Na vele tientallen jaren van volstrekte afhankelijkheid beginnen ontwikkelingslanden langzaamaan de gezondheidszorg in eigen hand te nemen. En dat wordt tijd, want ook zij krijgen last van ziekten die voorheen aan het Westen leken voorbehouden, zoals kanker en diabetes. De naderende omwenteling wordt beschreven in het boek When People Come First.

    Het begin van de eenentwintigste eeuw betekende een ommekeer in de mondiale gezondheidszorg: voor sommige van de meest kwetsbare mensen op aarde kwam een hiv-behandeling beschikbaar. Dat gebeurde ondanks twee decennia van neoliberale politiek waarin kwetsbare groepen steeds minder toegang kregen tot de zorg. Door te blijven betogen dat er een spectrum van levensreddende en levensbevorderende interventies kan en moet worden geboden aan mensen die in armoede leven, hebben voorstanders van een universelere benadering van de gezondheidszorg sindsdien de mondiale gezondheid op een hoger plan getild. When People Come First, een indrukwekkend boek onder redactie van João Biehl en Adriana Petryna, probeert te doorgronden welke sociale overwegingen een rol hebben gespeeld bij deze belangrijke morele verschuivingen.

    Om te beginnen worden in het boek veranderingen in de wereldgezondheid zelf onderzocht. In de negentiende en twintigste eeuw had de ‘tropengeneeskunde’ voornamelijk tot doel ervoor te zorgen dat ziekten niet via de handelsroutes tot de westerse machtscentra zouden doordringen, dat kolonisten hun wereldwijde bezigheden konden overleven en de infrastructuur konden opbouwen die nodig was voor de internationale handel. Dit veranderde na de Tweede Wereldoorlog. Omdat Europa verzwakt was en in macht afnam, werden koloniale onderdanen voor wie gezondheidszorg tot dan toe niet nodig was geacht het brandpunt van een postkoloniaal bestuurssysteem. Instellingen als de Wereldgezondheidsorganisatie (who) en Unicef zagen het licht. Als gevolg van de Sovjetexpansie en het idee dat technologische oplossingen slechte sociale omstandigheden zouden verbeteren, schakelde het Westen deskundigen in om de armen van de wereld kennis te laten maken met de moderne geneeskunde.

    In de tweede plaats toont dit boek aan de hand van sociografische voorbeelden aan hoe mensen in lagelonenlanden niet langer genoegen namen met hun slechte gezondheidssituatie. Ondanks het feit dat de Verklaring van Alma Ata in 1978 ‘gezondheid voor allen in het jaar 2000’ beloofde, ging de globale gezondheidssituatie in de jaren tachtig ernstig achteruit. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (imf) hadden vele jaren lang de grondslag gelegd voor een neoliberale wereldorde, die de vrije markt als de economische manifestatie van politieke vrijheid beschouwde, en als een voorloper van politieke democratie. In de jaren tachtig boden de Wereldbank en het imf alleen hulp aan schuldenlanden als ze een structureel aanpassingsbeleid voerden, en dat vereiste dat ze hun economie privatiseerden en dereguleerden en sociale uitgaven reduceerden. Deze instellingen, gesteund door bilaterale en multilaterale donoren en beleidsmakers, ontwikkelden een gezondheidsagenda voor lagelonenlanden die grotendeels was gebaseerd op een zo laag mogelijk budget voor gezondheidszorg. Met deze agenda werd de enigszins ambitieuze droom van eerstelijnsgezondheidszorg voor allen veranderd in selectieve eerstelijnsgezondheidszorg: discrete, doelbewuste en goedkope ‘verticale’ interventies.

    Maar nu lijkt de situatie te veranderen. Het boek laat zien hoe verticale gezondheidsprogramma’s steeds meer op de proef zijn gesteld, dikwijls juist door de ontvangers van dergelijke interventies. Zo lieten Ghanezen die waterfilters kregen om de overdracht tegen te gaan van de parasiet die de guineawormziekte (dracunculiasis) veroorzaakt, hun verbazing blijken over het feit dat er zo veel geld werd besteed aan een situatie die door de plaatselijke bevolking niet als kritiek werd beschouwd. Sommigen opperden dat het programma zich beter op hiv en aids kon richten, anderen vroegen of het niet mogelijk zou zijn hen van waterputten te voorzien om ook andere via water overgebrachte ziekten, variërend van polio tot cholera, te voorkomen.

    Elders begonnen mensen via advocaten en rechters de vruchten op te eisen van dikwijls moeizaam verkregen politieke rechten. Brazilianen daagden hun regering voor het gerecht om onmiddellijke toegang te krijgen tot een levensreddend geneesmiddel (een enzymenvervangingstherapie voor mucopolysaccharidose, een zogeheten stapelingsziekte die een normale groei belemmert en de gewrichten aantast) zonder te wachten tot het patent van de westerse markten was verlopen en het middel dus goedkoper zou worden. Er is momenteel een groeiend bewustzijn dat gezondheid dikwijls een wettelijk afdwingbaar onderdeel is van het sociaal contract, en dat wereldwijd de aansprakelijkheid van instellingen in de publieke sector moet worden uitgebreid.

    De lezer van het boek wordt geconfronteerd met de uitdagingen die inherent zijn aan pogingen om hoogkwalitatieve zorg te verlenen in de nasleep van jarenlange verwaarlozing. Dit is misschien nergens duidelijker zichtbaar dan in het debat over hiv-behandeling in Afrika. Geconfronteerd met een van de grootste plagen van onze tijd bood pepfar, het anti-aidsplan van de Amerikaanse president George W. Bush, behandeling aan mensen in enkele van de armste landen ter wereld. Deze actie heeft meer dan vijf miljoen levens gered. Door de ziekte en de dodelijke gevolgen als een noodsituatie te kwalificeren, werd pepfar voor velen een morele oproep om in actie te komen. Het was een keerpunt voor de wereldgezondheid en, politiek cynisme daargelaten, een overwinning voor de menselijke waardigheid.

    Toch laat het etnografische materiaal uit Mozambique een andere kant zien: door met gecontracteerde non-gouvernementele organisaties te werken en lokale staatsmechanismen te passeren, ging de kans verloren op een synergie tussen de hiv-programma’s en het versterken van het algehele gezondheidsstelsel. Maar elke wereldgezondheidswerker, zelfs degene die gelooft dat regeringen het best in staat zijn om de zorg voor de armen en gemarginaliseerden op de vereiste schaal ter hand te nemen, zal moeten stilstaan bij het aantal levens dat verloren zou zijn gegaan wanneer pepfar alleen had moeten werken via staatsmechanismen, die door jaren van slecht economisch beleid waren verzwakt.

    Natuurlijk heeft het feit dat men zich alleen tot markten en ngo’s wendde als primaire (of zelfs enige) oplossing voor de kwalen van verzwakte staatsstructuren aan het eind van de twintigste eeuw veel negatieve gevolgen gehad voor de gezondheid van de armen. Tegelijkertijd benadrukt When People Come First de positieve rol die sommige niet-statelijke organisaties in diezelfde periode bij de zorgverlening hebben gespeeld. Het boek behandelt een voorbeeld uit begin jaren negentig, toen een farmaceutisch bedrijf in India een educatieve rol speelde op het moment dat de publieke sector daar niet in staat bleek tuberculose op een effectieve manier aan te pakken.

    Om tuberculose te bestrijden hanteerde India in die tijd de dotsstrategie (een kortdurende behandeling onder direct toezicht van de who). Het boek beschrijft hoe deze behandeling – die door sommigen bekritiseerd wordt omdat ze de financiële voordelen zwaarder laat wegen dan belangrijke morele en gezondheidsfactoren – bepaalde groepen over het hoofd zag, zoals mensen die met resistente tbc waren besmet, kinderen en mensen met een vergevorderde hiv-infectie of open tbc. De uitgesloten patiënten kregen maar moeilijk toegang tot de tbc-klinieken van de regering. In plaats daarvan wendden sommigen zich tot de particuliere gezondheidsmarkt, waar ze een behandeling konden kopen. Uit de fascinerende beschrijving van de activiteiten van de verkoopafdeling van een bepaalde fabrikant blijkt dat er overeenkomstige belangen speelden bij de noodzaak om te verkopen, de noodzaak om hulp te zoeken en de noodzaak om te behandelen, waarbij vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie particuliere artsen aanspoorden om op de juiste wijze te diagnosticeren en de behandelingsprotocollen van de westerse landen te volgen.

    Dit voorbeeld roept de algemenere vraag op waarom in een land als India, waar meer dan 70 procent van de patiënten door de niet al te streng gereguleerde particuliere sector wordt behandeld, niet-statelijke instellingen geen rol zouden kunnen spelen bij de hoogwaardige behandeling van vele ziekten, waaronder tuberculose, hiv, hepatitis C, diabetes en hartkwalen.

    En When People Come First roept nog veel meer vragen op. Waarom wordt pijnbestrijding bij de armen, ondanks de lage kosten van opiaten, als een ‘overbodige luxe’ beschouwd door beleidsmakers, behandelaars en patiënten? Zorgt een ‘industrieel ngo-complex’, dat therapeutische behandelingen die gemeengoed zijn in westerse landen opnieuw wil testen in lagelonenlanden, ervoor dat gezondheidszorg meer een researchvraagstuk wordt dan een morele kwestie? Waarom beperken de vormen van kennis op het gebied van gezondheidsinterventie zich voornamelijk tot een sociale structuur waarin overdreven veel nadruk wordt gelegd op individuele risicofactoren ten koste van een inzicht in de biosociale complexiteit? Tegen welke kosten hebben de verantwoordelijken voor de wereldgezondheidszorg de klinische zorg en de concentratie op zieken laten prevaleren boven het belang van brede gezondheidsinterventies?

    De nieuwe wereldgezondheidszorg in de eenentwintigste eeuw vereist dat we de dingen anders doen en de morele fouten uit het verleden niet herhalen. De recente geschiedenis heeft ons heel wat belangrijke lessen geleerd: fragmentarische en verticale benaderingen zullen alleen bijdragen aan de versterking van gezondheidsstelsels wanneer daar een bewuste poging toe wordt gedaan. Technologische vindingen kunnen alleen in zorg worden omgezet wanneer ze op de juiste plekken worden toegepast. En het recht op gezondheid vereist vaak een aanpak van de sociale, politieke en economische factoren die een structurele hindernis voor de zorg vormen.

    Maar in alle gevallen moeten de mensen op de eerste plaats komen.

    Auteur: Salmaan Keshavjee
    Keshavjee doceert aan de faculteit voor Global Health and Social Medicine van de Harvard Medical School.

    The Lancet
    Verenigd Koninkrijk, weekblad, 40.000
    Een van de meest prestigieuze onder de internationale medische tijdschriften en voorloper als het aankomt op kennis over de nieuwste onderzoeken, met veel aandacht voor debatten daaromtrent. De onlineversie biedt enkele artikelen gratis, maar vooral het betaald archief, dat teruggaat tot 1996, wordt veel geraadpleegd.

    *João Biehl & Adriana Petryna (editors): When People Come First: Critical Studies in Global Health. Princeton University Press.

    bcinh1224p038 c tomasz walenta

    Erger dan aids: kanker in ontwikkelingslanden

    The Economist

    Naarmate de relatieve welvaart in ontwikkelingslanden toeneemt, stijgt ook de prevalentie van ‘welvaartsziekten’. Kanker is daarvan een voorbeeld; de gezondheidszorg staat daar vaak nog machteloos tegenover.

    Sara Stulac is kinderarts, maar dokters in Rwanda moeten breed inzetbaar zijn. Toen Stulac in 2005 vanuit de Verenigde Staten naar Rwanda kwam, was een van haar eerste patiënten een meisje met een tumor op haar gezicht ter grootte van een bloemkool. De vader van het meisje, een keuterboertje, had traditionele genezers en plaatselijke artsen geraadpleegd, maar de tumor was blijven groeien, evenals zijn uitgaven. Er was een oncoloog nodig. Alleen, was die er maar in het land… Uiteindelijk belde Stulac een specialist in de VS, die haar op afstand door de behandeling leidde waarmee het leven van het meisje werd gered.

    Wat dit verhaal ongebruikelijk maakt, is de goede afloop. Volgens het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC), onderdeel van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waren landen met lage en middeninkomens in 2012 goed voor 57 procent van de 14 miljoen wereldwijd gediagnosticeerde kankergevallen – maar ook voor 65 procent van de sterfgevallen. Kanker doodt meer mensen in arme landen dan aids, malaria en tuberculose bij elkaar.

    Inwoners van arme landen lijden al lange tijd aan vormen van kanker die verband houden met infecties, zoals lever- en baarmoederhalskanker. Maar naarmate deze landen rijker worden, leiden drinken, roken en vet eten tot meer borst-, darm- en longkanker. Vrouwen die vroeger in het kraambed overleden, leven nu lang genoeg om borstkanker te ontwikkelen. Aidspatiënten die aidsremmers gebruiken, sterven alsnog, maar dan aan andere oorzaken.

    Mensen die het glas als halfvol beschouwen, zien dit als een succes. Maar de medische zorg heeft geen gelijke tred gehouden met de ontwikkeling van het kankerprobleem. Veel ontwikkelingslanden hebben geen echte oncologen, laat staan behandelcentra. Zelfs wanneer zorg voorhanden is, melden de zieken zich vaak te laat, omdat ze arm zijn of niet weten dat behandeling dringend nodig is. In sommige talen bestaat er geen woord voor kanker.

    Arme kankerpatiënten hebben niet alleen een grotere kans op overlijden, maar ook een grotere kans op pijn en financiële nood. Toen onderzoekers Keniaanse en Schotse patiënten met terminale kanker naar hun ervaringen vroegen, spraken de Schotten over emotionele angst en de Kenianen over ernstige fysieke pijn en financiële zorgen. Hoewel morfine relatief goedkoop is, is het in veel arme landen een schaars goed, omdat de regeringen daar bang zijn dat het tot verslaving zal leiden of gebruikt zal worden voor de productie van heroïne.

    Hoewel kanker meer slachtoffers maakt, gaat er naar de bestrijding daarvan maar een fractie van het geld dat wordt besteed aan de bestrijding van hiv, malaria en tuberculose. Drie van de millenniumdoelstellingen van de VN betroffen gezondheid, maar kanker werd er niet in genoemd. De modernste kankergeneesmiddelen worden maar zelden van essentieel belang geacht door de WHO. Julio Frenk, decaan van de Harvard School of Public Health, zegt dat deze houding vergelijkbaar is met de houding tegenover aids in de jaren tachtig, toen het behandelen van arme patiënten onuitvoerbaar of onbetaalbaar werd geacht.

    Maatregelen tegen kanker zijn hun geld meer dan waard, zegt Christopher Wild, directeur van het IARC. Wereldwijd wordt jaarlijks 320 miljard dollar aan kankerbehandeling en -preventie uitgegeven, maar het agentschap schat dat de helft van de kankerdoden te vermijden zou zijn als het geld verstandiger werd besteed. Tachtig procent van deze vermijdbare sterfgevallen doet zich voor in landen met lage en middeninkomens.

    De bestrijding van longkanker, een ziekte waaraan in 2012 1,6 miljoen mensen stierven, biedt de grootste kansen. Het meeste geld dat aan kanker wordt besteed gaat dan ook op aan campagnes tegen het roken. Maar veel ontwikkelingslanden zijn tegen strengere regels en hogere tabaksaccijnzen. Meer dan de helft van de mannen in China, Indonesië en Rusland rookt. De Chinese overheid begint eindelijk oog te krijgen voor de torenhoge kosten van de volksgezondheid.

    Een geringer voordeel kan worden behaald uit het aanpakken van vormen van kanker waardoor voornamelijk de armen worden getroffen. Artsen schatten dat grofweg 80 procent van de gevallen van leverkanker en 70 procent van de gevallen van baarmoederhalskanker kan worden voorkomen door inenting tegen hepatitis B en het humaan papillomavirus (HPV), twee virussen die de mens ontvankelijk maken voor beide vormen van kanker. De kosten zijn laag: 0,54 dollar voor een volledig hepatitis B-vaccin, en 13,50 dollar voor HPV. Voor het Burkitt-lymfoom, de meest voorkomende vorm van kanker bij kinderen in de Afrikaanse landen rond de evenaar, bestaat geen vaccin. Maar de middelen die worden gebruikt om de aandoening te behandelen zijn goedkoop, effectief en relatief gemakkelijk toe te dienen.

    Ook het vroeger opsporen van kankergevallen zou helpen. Bij circa 90 procent van de patiënten van het Oegandese Kankerinstituut was de ziekte tijdens het eerste bezoek al zo ver gevorderd dat behandeling overal moeilijk zou zijn geweest, zegt Corey Casper, een in Oeganda werkzame Amerikaanse oncoloog.

    Vroegere behandeling zou het sterftecijfer kunnen halveren, meent Casper. Eenvoudige opsporingsmethoden kunnen daarbij helpen. In sommige landen, zoals India en Thailand, wordt in plaats van uitstrijkjes azijn gebruikt voor het testen op baarmoederhalskanker, en wordt voor het verwijderen van beschadigingen in het voorstadium van kanker vloeibare stikstof gebruikt in plaats van duurdere opties. Zulke successen hebben ook een onverwacht voordeel: hoe meer kanker als niet-dodelijk wordt gezien, des te vaker patiënten bereid zullen zijn zich tijdig te laten behandelen.

    Een grote zorg is of gezondheidsstelsels die zijn ontworpen om acute ziekten te behandelen de grotere toevloed aankunnen. Rwanda vervult hier een modelfunctie. Het land behandelt nu diverse chronische ziekten, waaronder kanker, op basis van het systeem dat het heeft ontwikkeld voor hiv – dat inmiddels zelf een chronische ziekte is. Plaatselijke gezondheidswerkers bieden gedecentraliseerde zorg, en dat houdt de kosten laag. Jonge meisjes worden ingeënt tegen HPV, gegevens over kankergevallen worden centraal geregistreerd en artsen kunnen zo nodig oncologen in de VS raadplegen. In 2012 werd in Rwanda het eerste moderne kankercentrum geopend. Het gevolg is dat meer jonge meisjes met tumoren in leven blijven.

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk, weekblad, oplage 1.337.180
    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

    Een voorbeeldig succes: India is poliovrij

    DowntoEarth.org.in

    Nadat India zichzelf onverwacht van polio wist te bevrijden, lijkt de in 1988 geformuleerde doelstelling om deze slopende ziekte van de aardbodem te vagen tot de mogelijkheden te behoren.

    India werd dit jaar door de WHO officieel poliovrij verklaard, nadat er drie opeenvolgende jaren geen nieuwe gevallen waren gemeld. Dat is een prestatie die tot enkele jaren geleden als een luchtkasteel werd beschouwd, vooral vanwege het grote aantal nieuwe gevallen dat continu in India werd vastgesteld.
    In 2009 was India nog goed voor 741 van de in totaal 1604 poliogevallen die wereldwijd werden gemeld. Sommige deskundigen verwachtten dat India het laatste land zou zijn dat poliovrij zou worden verklaard; anderen achtten zelfs dat een onmogelijke opgave.

    Het uitroeien van de ziekte in India leek het moeilijkste deel van de wereldwijde campagne tegen polio. Daar waren tal van redenen voor: de grote bevolkingsdichtheid, de slechte sanitaire voorzieningen, het hoge geboortecijfer, de lage inentingsgraad, de wijdverbreide diarree, het moeilijk begaanbare terrein, het hoge migratiecijfer en het verzet tegen inenting van sommige bevolkingsgroepen. Margaret Chan, directeur-generaal van de WHO, verklaarde onlangs dat veel critici meenden dat het poliovirus zich te diep in India had ingegraven en dat het land nooit poliovrij zou worden.

    Maar het gevaar is nog niet geweken. De poliovrije status van ieder land wordt bedreigd zolang het virus nog ergens ter wereld rondwaart. Volgens de Bill & Melinda Gates Foundation hebben sinds 2008 meer dan twintig landen een uitbraak van polio gekend – sommige zelfs meerdere malen – nadat het virus uit een ander land was geïmporteerd.

    Er blijven nu nog twee regio’s over die geen aanspraak op de status ‘poliovrij’ kunnen maken: het oostelijke Middellandse Zeegebied en Afrika. De andere drie WHO regio’s zijn Noord en Zuid-Amerika (in 1994 poliovrij verklaard), Europa (2002) en het westelijke gebied van de Grote Oceaan (2000).

    Na het onverwachte succes van India lijkt de in 1988 geformuleerde doelstelling om polio van de aardbodem te vagen tot de mogelijkheden te behoren. Naar verwachting zullen de andere twee regio’s minder problemen opleveren dan India. Bovendien staat India andere landen bij, waaronder Pakistan, Afghanistan (het oostelijke Middellandse Zeegebied) en Nigeria (Afrika). Dit zal de opgave vermoedelijk minder moeilijk maken.

    In de strijd tegen polio zag India zich voor verschillende uitdagingen gesteld, zoals een problematisch toezicht, verwarring over verschillende infectiehaarden, infrastructurele kwesties, logistieke beperkingen en moeizaam contact met gemarginaliseerde groepen. India’s samenwerking met internationale instellingen als de WHO, Rotary International en Unicef hebben het succes mogelijk gemaakt.

    Toen India zich in 1997 voor de problematische taak zag gesteld kinderen aan te wijzen die inenting nodig hadden, werd begonnen met het Nationale Poliosurveillance Project, waarbij de regering de hulp inschakelde van leiders van plaatselijke gemeenschappen. In een interview met Down to Earth verklaart Poonam Khetrapal Singh, WHO-directeur voor de regio Zuidoost-Azië: ‘Het uitroeien van polio is een succes geworden dankzij de grote betrokkenheid van de plaatselijke gemeenschappen. Samenwerking met lokale, traditionele en religieuze leiders bij het propageren van inenting helpt om misvattingen te bestrijden en vertrouwen te kweken in vaccinatie.’ Het is algemeen bekend dat ook Bollywood-ster Amitabh Bachan bij de inentingscampagne werd betrokken vanwege zijn grote populariteit.

    Om de verborgen infectiehaarden te bereiken werden plaatselijke gezondheidswerkers ingeschakeld. Dit hielp zelfs bij het opsporen van kinderen die nooit aan enig ander gezondheidsprogramma hadden deelgenomen. Het opsporen van zulke groepen hielp niet alleen bij het uitroeien van polio, maar kan ook nuttig zijn bij andere toekomstige gezondheidscampagnes.

    Khetrapal meent dat andere landen die nog steeds door polio worden geplaagd veel kunnen leren van de ervaringen in India, zoals de verantwoordelijkheid die elke bestuurslaag kreeg voor het verlenen van diensten aan de gemeenschap. Ook opperde zij dat het belangrijk is zich te richten op het vinden van lokale oplossingen voor lokale problemen. Om de migrantengemeenschappen in kaart te brengen die inenting behoeven, zijn wellicht nieuwe technologieën nodig.

    Auteur: Kundan Pandey

    DowntoEarth.org.in
    _India, tweemaandelijks, oplage 15.000 _
    In 1992 opgericht door een van de beste onderzoeksjournalisten van India: Anil Agarwal, om aandacht te vestigen op milieuproblemen en ontwikkelingsproblemen in met name Zuid-India. Het blad heeft een supplement dat op kinderen en adolescenten is gericht, Gobar genaamd, waarin speels wordt ingegaan op vragen zoals de hergebruik van regenwater, opwarming van de aarde en het recyclen van banden.

    China wordt geteisterd door diabetes

    Laodong Bao

    114 miljoen Chinezen lijden aan diabetes, ruim 11 procent van de volwassen bevolking. Maar campagnes om de aandoening in te dammen ontbreken. Zonder preventieve gezondheidszorg lijkt de ziekte onstuitbaar.

    Als China geen maatregelen neemt, dreigt de schade die door diabetes wordt aangericht uit de hand te lopen, waarschuwen medisch specialisten. Zij benadrukken dat het Chinese beleid op het gebied van ziektekostenverzekering en volksgezondheid tekortschiet voor de aanpak van dit probleem, en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om diabetes tijdig op te sporen en te voorkomen.

    China kent momenteel geen gezondheidsnetwerk om prediabetes [de kans om op korte termijn diabetes te ontwikkelen] op te sporen, af te remmen en te volgen. Het hoofd van het centrum voor diabetologie van de Universiteit van Peking, Ji Linong, legt uit dat elk jaar 6 à 7 procent van de mensen die als prediabetisch worden gediagnosticeerd, de ziekte daadwerkelijk krijgt. Als we niet méér doen om deze groep te helpen, kan het aantal diabetici in China bliksemsnel toenemen, zegt Ji Linong.

    Bovendien dekt de ziektekostenverzekering alleen de gevallen waarbij ziekenhuisopname noodzakelijk is, en niet die waarbij het risico van diabetes is geconstateerd. Dat werkt een goede preventie niet in de hand. Het feit dat in sommige regio’s de ziektekostenverzekering alleen ziekenhuisopname vergoedt, toont aan hoe weinig belang er aan preventie wordt gehecht, zegt Guo Xiaohui, hoofd van de afdeling Endocrinologie van Ziekenhuis Nummer 1 van de Universiteit van Peking.

    ‘Een dergelijk beleid zorgt ervoor dat patiënten zich pas melden als de eerste symptomen zich voordoen, en dat is in het geval van diabetici te laat’, legt ze uit. Het prediabetische stadium is inderdaad vrijwel asymptomatisch. Zonder goede preventieve maatregelen dreigen de mogelijkheden om diabetes en de complicaties ervan te behandelen, evenals de mogelijkheden voor de maatschappij om de kosten te dragen, volledig te worden voorbijgestreefd door de omvang van de ziekte.

    ‘Het voorkomen van diabetes is niet alleen de taak van ziekenhuizen’, zegt Ji Linong. ‘China moet absoluut op grote schaal maatregelen nemen op het gebied van preventie en gezondheidsvoorlichting, en zich ontfermen over de risicogroepen, zodat de tol die deze ziekte eist wordt verlicht.’

    Het veelvuldig voorkomen van chronische ziekten, waaronder diabetes, is niet enkel voorbehouden aan China. De economische en sociale ontwikkeling gaat in de meeste landen gepaard met een hausse van chronische ziekten. Andere landen hebben vanaf de jaren zestig en zeventig maatregelen genomen om hier het hoofd aan te bieden, met overtuigend resultaat. Zo was Finland in de jaren zestig het land met het grootste aantal sterfgevallen door kransslagaderaandoeningen ter wereld. In 1972 lanceerde de staat een nationaal plan ter voorkoming van cardiovasculaire aandoeningen, waarbij met name een beroep werd gedaan op de landbouwwereld om meer groenten te verbouwen en op de voedingsmiddelenindustrie om de grondstoffen op een andere manier te behandelen, terwijl de bevolking werd aangemoedigd op een gezondere manier te leven. Twintig jaar later kon Finland een forse afname noteren van het aantal doden als gevolg van kransslagaderaandoeningen.

    ‘China moet zich sterk laten inspireren door de voorbeelden uit het buitenland’, bevestigt Kong Lingzhi, specialist op het gebied van de preventie van chronische ziekten. De ervaring leert dat preventie en behandeling van chronische ziekten moeten toenemen. Terwijl er nu nog voornamelijk sprake is van klinische zorg, moet er een preventiebeleid komen, waarbij niet alleen de gezondheidszorg betrokken is maar de hele maatschappij, in een campagne die niet meer alleen op specialisten is gericht maar ook op het grote publiek.

    In 2014 leden 114 miljoen Chinezen aan diabetes, oftewel 11,4 procent van de volwassen Chinezen; zij vormden een derde van alle diabetici ter wereld. Tussen 2007 en 2013 werden in China 22 miljoen nieuwe gevallen gemeld.

    Laodong Bao
    China, dagblad, oplage onbekend
    Deze ‘Zakenkrant’ is in 1989 opgericht en voorziet de lezer van financieel, zakelijk en maatschappelijk nieuws, vooral nationaal.

    Vertalingen: Peter Bergsma