Tag: wijn

  • De reusachtige wijnkelders van Moldavië

    De reusachtige wijnkelders van Moldavië

    Miljoenen flessen wijn liggen opgeslagen in de immense ondergrondse tunnels van Cricova en Mileștii Mici, de twee grootste wijnkelders ter wereld. Het Moldavische ministerie van Cultuur vindt dat het tijd wordt om ze op te nemen in de werelderfgoedlijst van UNESCO.

    De immense wijnkelders van Moldavië, in Cricova en Mileștii Mici, strekken zich uit over honderden kilometers, herbergen miljoenen flessen en spreken zeer tot de verbeelding van toeristen die in een soort kleine treintjes door de tunnels rijden. Deze tunnels vertellen het verhaal van de hoofdstad van Chișinău, die is verwoest en vervolgens herbouwd. Dat is een van de redenen dat het Moldavië van nu beschikt over zo’n unieke onderaardse wereld.

    De gidsen in Cricova en Mileștii Mici vertellen dat de toeristen veel geïnteresseerder zijn in de wijn dan in de geschiedenis van de mijnen of in de wederopbouw van Chișinău na de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van het verhaal van de immense wijnkelders van Moldavië blijft dan ook onbekend, als een geheim dat de kelders verborgen hebben gehouden.

    Het Moldavische ministerie van Cultuur is daarom begonnen aan een traject om de twee grootste onderaardse wijnkelders ter wereld – die van Cricova en die van Mileștii Mici – op de werelderfgoedlijst van de UNESCO te krijgen. Het doel is om dat voor 2030 voor elkaar te krijgen.

    Mileștii Mici wordt nu al wereldwijd erkend als de grootste wijncollectie. De wijnkelder staat in het Guinness Book of Records vermeld met anderhalf miljoen flessen. Cricova komt daar niet ver achteraan. Alleen al de kelder van Cricova bestaat uit een tunnelstelsel van 7 kilometer, dat vol ligt met mousserende wijn. De zeven vrouwen die er werken draaien dagelijks 35 duizend flessen mousserende wijn, geproduceerd in de stijl van traditionele champagne. 

    Momenteel is er slechts één locatie in Moldavië die op de werelderfgoedlijst staat: de geodetische boog van Struve in het noorden van het land. Astronoom Friedrich Georg Wilhelm von Struve wist als eerste nauwkeurig een lange meridiaan in kaart te brengen, wat hielp bij het vaststellen van de grootte en de vorm van de aarde. Vierendertig van Struves UNESCO-punten zijn verspreid over tien landen, en een daarvan bevindt zich in Moldavië.

    Prodan heeft een werkgroep samengesteld bestaande uit historici, archeologen, projectontwikkelaars en lokale inwoners, met aan het hoofd erfgoedspecialist professor Sergiu Musteață. Ondergrondse wijnkelders van deze omvang zijn uniek, zowel in Europa als wereldwijd, zegt Musteață. Het proces om dat te bewijzen is nu in gang gezet.

    Verwoesting

    Het verhaal van de Moldavische wijnkelders is nauw verweven met de verwoestingen ten tijde van oorlog en bezetting, en met de snelle innovatie die men wel vaker ziet in moeilijke tijden. Chișinău werd zwaar gebombardeerd in de strijd tussen de nazi’s en de Sovjets. Toen de Sovjets in 1944 als overwinnaar uit de strijd kwamen, lag de stad in puin.

    ‘In augustus 1944 was meer dan twee derde van alle gebouwen in Chișinău verwoest,’ legt Musteață uit. Er stond nog maar weinig overeind en aan het begin van de Sovjetbezetting woonden er nog maar twintigduizend mensen in de stad. Chișinău moest weer worden opgebouwd en daarvoor was materiaal nodig,’ voegt Musteață eraan toe.

    Sinds het einde van de negentiende eeuw was kalksteen het voornaamste bouwmateriaal in Moldavië. Vanaf het begin van de Sovjetbezetting werd de ontginning geïntensiveerd.

    ‘Men gebruikte witte kalksteen om huizen te bouwen. De meeste huizen zijn gebouwd na de jaren 1950, ’60, ’70 en ’80,’ vertelt professor Musteață. Vanaf dat tijd werd Chișinău ook wel de witte stad genoemd.

    Wetenschapper Doina-Cezara Albu schrijft in haar onderzoek dat Moldavië in de jaren 1950 is begonnen met het op grote schaal gebruiken van blokken kalksteen voor de bouw. De Sovjets gebruikten blokken kalksteen om kleuterscholen, gewone scholen en appartementengebouwen neer te zetten, die Stalinkas en Khrushchyovkas werden genoemd.

    In de Sovjetperiode produceerde Moldavië jaarlijks maar liefst 1,25 miljoen kubieke meter kalksteen, vergelijkbaar met zo’n vijfhonderd olympische zwembaden. In 2000 was de productie teruggevallen tot ongeveer een kwart van wat hij ooit was geweest.

    Hoewel Moldavië geen kustlijn heeft, zie je overal in het land sporen van de zee

    Hoewel Moldavië geen kustlijn heeft, zie je overal in het land sporen van de zee. Kalksteen is een van die sporen. Wie door de hoofdstad loopt zal zien dat een groot deel van de stad is opgetrokken uit kleine zeewezens. Het landschap lijkt te golven, alsof de zee het heeft opgestuwd tot heuvels en vervolgens is stilgevallen.

    Miljoenen jaren geleden werd een groot stuk land, van Centraal-Europa tot aan Centraal-Azië, bedekt door de Paratethyszee. Op enig moment strekte die zich maar liefst uit over onder meer het huidige Oekraïne, Moldavië, Roemenië, Bulgarije en Servië. 

    Zo’n vijf miljoen jaar geleden slonk de zee, om uiteindelijk helemaal te verdwijnen, maar ze liet wel sporen achter van haar bestaan, sporen die je vandaag de dag nog door heel Moldavië aantreft. Dit is tevens de reden dat Moldavië rijk is aan kalksteen en kalksteengroeven.

    Een van de werkende mijnen bevindt zich niet ver van het centrum van Chișinău. Wie de tunnel in de wijk Râşcani binnengaat, kan ondergronds zo’n vier kilometer lopen naar Cricova. Daar ligt nog een andere mijn, niet ver van de Cricova-wijnkelders.

    De mijn in Chișinău is nog altijd in bedrijf. Er worden kalksteenblokken opgeslagen om te worden vervoerd naar bouwplaatsen elders in Moldavië. Sergiu Lungu, de beheerder van de mijn, roemt de kwaliteit van het Moldavische kalksteen. Onderzoek bevestigt dat de blokken kalksteen uit Moldavië bestand zijn tegen verwoestende aardbevingen, tot 8 op de schaal van Richter.

    Kalksteengroeven

    Lungu heeft dertig jaar in de mijnen gewerkt. ‘De mijnbouw heeft zich ontwikkeld in de Sovjetperiode,’ zegt hij, waarna hij laat zien hoe ontginningsmachines blokken uit de kalkstenen wand hakken. 

    Hij vertelt dat er op zeker moment wel honderd mijnen in Moldavië waren. Volgens de Moldavische denktank EXPERT-GRUP zijn er in de Republiek Moldavië 166 kalksteengroeven, en in 59 van die groeven worden blokken uitgehakt.

    Voor vele wijnkelders in het land, en zeker voor de grootste wijnkelders ter wereld, die in Cricova en Mileștii Mici, geldt dat het ooit gewoon kalksteengroeven waren.

    ‘Het winnen van het kalksteen, waarmee in de jaren 1950 was begonnen, gebeurde op steeds grotere schaal, zoals wel blijkt uit de 200 kilometer aan tunnels,’ zegt Petru Tataru, een gids in Mileștii Mici.

    Parallel aan de explosieve groei van de kalksteenindustrie gingen de Sovjets ook op zoek naar manieren om de wijnproductie op te voeren. Moldavië stond bekend om zijn druiven.

    ‘Sinds het einde van de jaren ’50 werd erover gepraat om wijn te produceren in industriële hoeveelheden en door de hele Sovjet-Unie te verkopen. Daartoe was het noodzakelijk om een groot gebied aan te wijzen voor de productie en de opslag van al die wijn,’ vervolgt Sergiu Musteață. Zo kwam men op het idee om te experimenteren met de verlaten mijngebieden rond de hoofdstad.

    ‘Het is uniek hoe de industriële ruimtes een geheel nieuwe toepassing hebben gekregen binnen een totaal andere bedrijfstak’

    ‘De temperatuur is hier een constante 12 tot 14 graden,’ aldus Veaceslav Dogari, een gids bij de Cricova-wijngaard. ‘Er zijn geen extra investeringen nodig om die condities in stand te houden – het is puur natuur.’ ‘Het is uniek hoe de industriële ruimtes, nadat het steen is gewonnen, een geheel nieuwe toepassing hebben gekregen binnen een totaal andere bedrijfstak,’ zegt Musteață, die alleen al daarom vindt dat de wijnkelders een plek op de werelderfgoedlijst verdienen.

    Na een paar jaar experimenteren met het produceren van wijn, werd de Cricova-wijnkelder in 1952 officieel geopend. Eind jaren vijftig waren de Moldaviërs begonnen met de wijnproductie. De Moldavische wijnen werden een groot succes in de Sovjet-Unie.

    Het land is momenteel bezig de eigen geschiedenis te herontdekken en alle puzzelstukken in elkaar te passen, met als uiteindelijke doel dat Moldavië niet alleen bekendheid geniet vanwege de wijnen, maar ook om de achtergrond daarvan. Want onder de Moldavische aarde liggen vele verhalen verborgen. 

  • Amerikaanse druif moet Franse wijn redden

    Amerikaanse druif moet Franse wijn redden

    De Franse autoriteiten hebben zevenentachtig jaar lang geprobeerd om winterharde Amerikaanse hybriden te verbieden. Klimaatverandering en de natuurwijnbeweging brengen daar verandering in.

    De wijnstokken waren ooit verboden omdat ze gekte en blindheid zouden veroorzaken. Zwaaiend met geld en sancties had de Franse overheid ze bijna uitgeroeid.

    Maar daar zijn ze. Op een heuvelflank langs een kronkelend bergweggetje in een vergeten uithoek van Zuid-Frankrijk blaken de verboden vruchten van gezondheid. Aan het begin van een avond niet lang geleden inspecteert Hervé Garnier opgelucht zijn wijngaard. In een jaar waarin aprilvorst en ziekte de totale Franse wijnproductie hebben gedecimeerd, kleuren zijn druiven, een Amerikaanse hybridevariëteit genaamd jacquez die sinds 1934 door de Franse regering is verboden, al rood. Als het in de vroege herfst niet plotseling koud wordt staat niets een nieuwe oogst meer in de weg.

    ‘Er is echt geen reden voor een verbod,’ zegt Garnier. ‘Ik zou niet weten waarom, het is nergens op gebaseerd.’ Garnier is een van de laatste der Mohikanen in een langdurige strijd tegen het Franse wijnestablishment en zijn bondgenoten in Parijs. De Franse regering probeert al zevenentachtig jaar lang de jacquez en vijf andere Amerikaanse druivensoorten uit de Franse bodem te rukken, met als argument dat ze slecht zijn voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mens en ook nog eens slechte wijn opleveren.

    Klimaatverandering

    Maar de afgelopen jaren, waarin de oprukkende klimaatverandering overal in Europa funeste gevolgen heeft voor de wijnoogst en natuurwijnen waaraan geen pesticiden te pas komen steeds populairder worden, heeft de robuustheid van de Amerikaanse soorten de guerrilla van wijnmakers als Garnier een duwtje in de rug gegeven.

    Hoewel Frankrijk al in 2008 toezegde het gebruik van pesticiden te zullen halveren, is het de afgelopen tien jaar alleen maar toegenomen. Wijngaarden beslaan iets meer dan vier procent van het Franse landbouwareaal maar waren in 2019 goed voor vijftien procent van het totale pesticidegebruik in het land, aldus het Franse ministerie van Landbouw.

    ‘Deze wijngaarden leveren een overvloedige oogst op zonder irrigatie, zonder kunstmest en zonder andere behandelingen,’ zegt Christian Sunt, lid van ‘Fruits Oubliés’ (Vergeten Vruchten), een groep die zich inzet voor de legalisering van de Amerikaanse druivensoorten. Terwijl hij in zijn wijngaard in het zuiden van de Cevennen, in de buurt van het stadje Anduze, trots op zijn verboden wijnstokken wijst met onder andere de clinton en de isabelle, voegt hij eraan toe: ‘Deze soorten zijn ideaal voor het maken van natuurwijn.’

    Amerikaanse druiven spelen al lange tijd een belangrijke rol in het tumultueuze en emotionele Frans-Amerikaanse wijnverleden en hebben de Franse productie beurtelings bedreigd en nieuw leven ingeblazen. Het begon allemaal halverwege de negentiende eeuw, toen Amerikaanse wijnstokken naar Europa werden getransporteerd en er een druifluis meeliftte die bekendstaat als fylloxera. Waar Amerikaanse druivenstokken bestand waren tegen deze plaag, hadden hun Europese tegenhangers geen schijn van kans. De vraatzuchtige luizen vielen hun wortels aan zodat de rest van de plant geen voedingsstoffen meer kreeg en veroorzaakten de grootste crisis in de geschiedenis van de Franse wijn. De luis vernielde miljoenen hectares, luidde de doodsklok voor talloze wijngaarden en joeg werkloze Fransen naar hun kolonie Algerije.

    ‘Het was de enige keer dat de Amerikanen, onze Amerikaanse vrienden, Frankrijk zijn komen redden’

    Na een kwart eeuw lijdzaam te hebben toegezien hoe de traditionele wijncultuur van Europa instortte, kregen de knapste wijnkoppen van de wereld een goddelijke openbaring. De genezing school in het gif: de Amerikaanse wijnstokken.

    Sommige wijnboeren entten Europese wingerds op resistente Amerikaanse wortelstokken. Andere kruisten Amerikaanse en Europese wingerds en produceerden soorten die Amerikaanse hybriden gingen heten, zoals de jacquez. De met de ondergang bedreigde Franse wijnindustrie leefde weer op.

    ‘Dat maakt tot op de dag van vandaag indruk,’ zegt Thierry Lacombe, docent ampelografie, oftewel wijnstokkunde, aan Montpellier SupAgro, een Franse landbouwuniversiteit. ‘Het was de enige keer dat de Amerikanen, onze Amerikaanse vrienden, Frankrijk zijn komen redden.’

    Vossenurine

    De Franse wijnwereld raakte verdeeld in twee kampen, aanhangers van geënte en aanhangers van hybride druiven. De enters bleven wijn produceren van de pinot, merlot, cabernet sauvignon en andere klassieke Europese druivensoorten. De Amerikaanse hybriden, zeiden ze vaak, roken naar vossenurine. Toch waren de Amerikaanse hybriden overal in Frankrijk in trek. Omdat ze sterker waren en makkelijker te verbouwen, waren ze vooral populair in rurale gebieden als de Cevennen. Families plantten ze op heuvelflanken waar niets anders wilde gedijen. Ze lieten ze op priëlen groeien, met aardappelbedden eronder, om iedere vierkante centimeter grond productief te maken. Dorpelingen werkten samen bij het oogsten en wijn maken en gebruikten een gemeenschappelijke kelder.

    Waar de pinot noir bij de identiteit van de Bourgogne hoort, ging de jacquez bij de folklore van de noordelijke Cevennen horen, waaronder het dorp Beaumont. En in de zuidelijke Cevennen heerste de clinton (spreek uit clèn-ton). ‘Als je hier in een café een glas clinton serveert, wordt erom gevochten,’ zegt Christian Sunt, een zeventigjarige gepensioneerde houtvester. ‘Als de clinton niet langer verboden zou zijn, zou een wijnmaker die “clinton” op zijn fles zette tien keer meer verkopen dan als hij er “syrah” of “cabernet sauvignon” op zou zetten.’

    Vandaag de dag hebben de Amerikaanse soorten nog maar een miniem aandeel in de totale Franse wijnproductie. Maar aan het begin van de vorige eeuw was dat aandeel door al het enten en de hybriden enorm.

    Om de overproductie te verminderen werden de zes Amerikaanse soorten bij wet verboden

    Ook Algerije werd een belangrijke wijnexporteur naar het Franse moederland. Omdat Frankrijk inmiddels overspoeld werd door wijn, werd rond Kerstmis 1934 in allerijl een wetswijziging doorgevoerd. Om de overproductie te verminderen werden de zes Amerikaanse soorten, waaronder hybriden zoals de jacquez en zuivere Amerikaanse druiven zoals de isabelle, bij wet verboden, met als voornaamste reden dat ze slechte wijn zouden opleveren. Productie voor privéconsumptie werd toegestaan, maar niet voor commerciële doeleinden.

    Volgens Lacombe had de regering nog meer hybriden willen verbieden maar werd daarvan afgezien vanwege de gevolgen van het eerste verbod. Daarna zorgde de oorlog voor verder uitstel. Pas in 1950, toen er op een derde van alle Franse wijngaarden nog hybriden werden verbouwd, begon de regering de zes verboden druiven echt de nek om te draaien, zegt Lacombe. Eerst kwamen er premies op het uitrukken van de verboden wijnstokken, daarna werden de wijnboeren met boetes bedreigd. Vervolgens haalde de Franse regering, die haar greep op de situatie begon te verliezen, oneigenlijke argumenten van stal, zoals dat Amerikaanse druiven schadelijk zouden zijn voor lichaam, en geest, aldus Lacombe. Hij voegt eraan toe dat de huidige verdedigers van deze wijnsoorten terecht op de inconsistente houding wijzen waaraan de Franse overheid zich in het verleden heeft schuldig gemaakt.

    De clinton en de jacquez zouden een kalme dood gestorven zijn als er begin jaren zeventig geen ‘terug-naar-het-plattelandbeweging’ was ontstaan die mensen als Hervé Garnier naar de Cevennen bracht. De inmiddels 68-jarige Garnier, afkomstig uit Noordwest-Frankrijk, was ooit een langharige middelbare scholier die stad en land afreisde om Jimi Hendrix, The Who en Janis Joplin te zien optreden. Een halve eeuw later vertelt hij vrolijk hoe hij onder de militaire dienstplicht uitkwam na slechts zeven uur op een basis te hebben verbleven waar hij om een gesprek met een psycholoog had verzocht, had geweigerd samen met anderen te eten en voor allerlei andere overlast had gezorgd. Toen hij een week na zijn ontslag in 1973 zomaar wat aan het liften was, kwam hij in het dorp Beaumont in de Cevennen terecht waar hij onmiddellijk besloot een verlaten perceel te kopen, dat hij voornamelijk afbetaalde met het repareren van daken in de regio en elders. Enkele jaren later belandde hij bijna toevallig in de wijnmakerij. Twee broers op leeftijd vroegen hem hun jacquezdruiven te oogsten in ruil voor de helft van de wijnproductie. Hij hoorde de geschiedenis van de verboden wijnranken en kocht uiteindelijk de wijngaarden van de broers.

    ‘Frankrijk is een geweldig wijnland. Om dat te blijven moeten we ons openstellen’

    Tegenwoordig produceert hij 3400 flessen per jaar van zijn donkergekleurde, fruitige ‘Cuvée des vignes d’antan’ (Oogst van wijnstokken van weleer). Hij omzeilde het verbod met de  oprichting van een culturele, niet-commerciële vereniging, ‘Association Mémoire de la vigne’ (Vereniging ter herdenking van de wijnstok) genaamd. Een lidmaatschap van tien euro levert een fles op.

    Gezien de toenemende gevolgen van de klimaatverandering en de weerstand tegen het gebruik van pesticiden hoopt Garnier dat de verboden druiven gelegaliseerd zullen worden en dat de Franse wijnindustrie zich zal openstellen voor een nieuwe generatie hybriden, zoals Duitsland, Zwitserland en andere Europese landen al hebben gedaan. ‘Frankrijk is een geweldig wijnland,’ zegt hij. ‘Om dat te blijven moeten we ons openstellen. We kunnen niet blijven hangen in wat we al weten.’

  • Aanbevolen door de redactie. Fotografie voor de toekomst & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Fotografie voor de toekomst & Meer

    De Ghanees-Britse ‘Black Lifestyle‘-fotograaf James Barnor is een inspiratiebron voor velen. Verder: Een podcast die je alles leert over alcohol, zoals waarom je wijn eerst moet decanteren & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires en fotoreportages die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    Alles over alcohol

    A Good Drop: All About Alcohol is de podcast die ik eigenlijk zelf wilde maken. Samen met een vriend wijn proeven, er een beetje over praten, wat achtergrondinformatie verschaffen’, aldus hoofdredacteur Laura Weeda. Deze twee Australiërs kwamen op het idee. Het onderwerp en de indeling lopen sterk uiteen – zoals alcohol nou eenmaal met onderwerpen en indelingen doet. Soms is een hele aflevering aan één fles gewijd, soms spitsen ze zich toe op de toepassingen van bijvoorbeeld een enkel cocktailingrediënt of een historisch verbod.

    Deze sessie gaat over de deugden van het decanteren van wijn voordat je hem drinkt. Naast enige wetenschappelijke achtergrondinformatie, doen ze ook een on-airsmaaktest om te bepalen of decanteren de smaak van een glas wijn echt verbetert.

    Wat ze nog meer te vertellen hebben is bijvoorbeeld dat echte kurk tegenwoordig vooral een statement is, hoewel (met name Franse) boeren niet lang geleden nog beweerden niet zonder te kunnen. Maar ja, Franse boeren en kenners deden toen Australische wijn zijn opgang maakte ook een minderwaardig namaaksel was, zoals dan weer te zien is in deze mooie documentaire van de BBC: Chateau Chunder: How Australian Wines changed the World.’


    Vrouwelijke blik

    ‘Honderd vrouwelijke straatfotografen leggen het buitengewone alledaagse vast’ is de titel boven een beeldartikel op de Amerikaanse cultuursite Hyperallergic. Het artikel besteedt aandacht aan het zojuist verschenen boek Women Street Photographers, dat niet-geënsceneerde foto’s bevat van 100 fotografen uit 31 landen, ‘van Ghana tot Iran’. Een tip van redacteur IJsbrand van Veelen.

    9783791387406

    Het boek is ontstaan uit het Instagram-account @WomenStreetPhotographers van fotografe Gulnara Samoilova, die eerder werkte als fotograaf voor Associated Press. ‘Straatfotografie is misschien wel de meest toegankelijke vorm van fotografie die er bestaat,’ aldus de in Rusland geboren Samoilova, die nu in New York woont. Waarbij ze gelijk aantekent dat de straat voor vrouwen een andere plek is dan voor mannen. Dat kan ook zo zijn voordelen hebben. ‘Het kan zijn dat vrouwen niet snel als professionele fotografen worden gezien waardoor ze eerder toestemming krijgen voor het maken van foto’s’, aldus Samoilova, zeker als het gaat om foto’s van kinderen, voegt ze daaraan toe.

    Hoe dan ook, er staat prachtig werk op Hyperallergic en er is nog meer te zien op de site van This is Colossal, die ook aandacht besteedt aan het boek.


    Gids voor de toekomst

    Op 31 maart gaan vooraanstaande fotografen en kunstcritici in gesprek over het werk van de de visionaire fotograaf James Barnor om te onderzoeken hoe zijn visie een cruciale gids voor de toekomst kan zijn. En u kunt vanaf 20.00 uur online gratis meekijken.

    James Barnor Mike Eghan at Piccadilly Circus London 1967 Courtesy Autograph 2 1
    © James Barnor, Mike Eghan at Piccadilly Circus, London, 1967, Courtesy Autograph

    ‘Black Lifestyle’-fotograaf James Barnor richtte begin jaren vijftig zijn beroemde studio Ever Young op in Accra. In 1959 kwam hij naar Londen, waar hij ging werken voor het Zuid-Afrikaanse tijdschrift Drum, dat de geest van die tijd en de ervaringen van de ontluikende Afrikaanse diaspora in Londen weerspiegelde. Begin jaren zeventig keerde hij terug naar Ghana om het eerste kleurenlaboratorium van het land op te zetten, terwijl hij zijn werk als portretfotograaf voortzette en zich in de muziekscene inwerkte. Zijn werk inspireert generaties fotografen.

    James Barnor Sick Hagemeyer shop assistant Accra c. 1957 Courtesy Autograph 1
    © James Barnor, Sick Hagemeyer shop assistant, Accra, c. 1957, Courtesy Autograph

    Tijdens het evenement gaat Barnor onder andere in gesprek met fotograaf Tyler Mitchell en kunstcriticus Hans Ulrich Obrist. ‘Een verbluffende line-up’, volgens art director Majel van der Meulen.


    Helder dromen

    Aristoteles schreef er al in 350 v.Chr. over, boeddhisten gebruiken het al eeuwen in de beoefening van yoga, en het plot van verschillende boeken en films als Alice in Wonderland en Inception draait erom: lucide dromen.

    Het bewust beïnvloeden van dromen is een soort van sport geworden, schrijft New York Times-redacteur Dorie Chevlen. Reddit-fora worden erover volgeschreven en ook op Tiktok en YouTube is lucide dromen de laatste tijd een populair onderwerp. Zelfs een wetenschapper van de Radboud Universiteit doet er onderzoek naar.

    Ook Chevlen probeert zich te bekwamen in de kunst van het lucide dromen. Ze blijkt er een persoonlijke reden voor te hebben: een goed gesprek – zonder mondkapje – met haar terminaal zieke opa. In het artikel deelt ze een paar bruikbare tips om zelf de touwtjes in handen te krijgen in dromenland. Een aanrader van redacteur Joep Harmsen.

  • China heft exorbitante belastingen op wijn

    China heft exorbitante belastingen op wijn

    China, Australië, ruzie, handel, wijn: het zijn de ingrediënten van een handelsoorlog die steeds ernstiger vormen begint aan te nemen. 

    Zondag publiceerde South China Morning Post uit Hongkong een artikel met als kop ‘Ruzie China-Australië: van handel naar coronavirus en buitenlandse inmenging’. Een dag eerder kwam de Australische The Sydney Morning Herald met een artikel waarvan de kop luidde: ‘Britse dorst kan Australische wijn redden van Chinese tarieven.’

    De Chinese frustraties over Australië begonnen volgens South China Morning Post enkele jaren geleden, toen Canberra de Chinese techgigant Huawei Technologies verbood te participeren in de uitrol van een nieuw 5G-netwerk. Hand-in-hand met dat verbod werd een nieuwe wet aangenomen die expliciet buitenlandse inmenging in de binnenlandse politiek van Australië verbiedt. Vorig jaar wees een onderzoek van het Lowy Institute uit dat het vertrouwen van het Australische publiek in China om ‘verantwoord te handelen’ op het laagste punt stond sinds Lowy de enquête in 2004 begon.

    Niet veel later sprak de Australische regering zijn steun uit voor demonstranten in Hongkong die protesteerden tegen de toenemende invloed van Beijing op hun stadsstaat. Toen Australië, wijzend naar China, begin dit jaar ook nog eens opriep tot een internationaal onderzoek naar de oorsprong van de coronapandemie, waren de rapen gaar. China omschreef die oproep als ‘vergiftiging van bilaterale betrekkingen’ en begon met het blokkeren van Australische exportproducten ter waarde van miljarden dollars. Het begon met een importblokkade van Australische kreeften en daarna volgden onder meer koper en steenkool dat Australië in enorme hoeveelheden naar China exporteert, aldus de BBC. En toen was Australische wijn aan de beurt. 

    Met ingang van december is China begonnen met het heffen van belastingen op de import van Australische wijnen, die oplopen tot maar liefst 212 procent. 

    ‘Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout’

    Volgens het Chinese ministerie van Handel gaat het om tijdelijke antidumpingmaatregelen die zijn bedoeld om de gesubsidieerde invoer van Australische wijn te stoppen. Het ministerie beweert dat Australië subsidies verstrekt die ervoor zorgen dat Australische wijnen goedkoper kunnen worden verkocht in China dan op de thuismarkt, en dat er dus sprake is van ongeoorloofde dumping. De China Daily, eigendom van de Chinese Communistische Partij, laat in een hoofdredactioneel commentaar weten het daar volledig mee eens te zijn. Daarom is de belastingheffing dan ook een gerechtvaardigde stap, die niet verkeerd moet worden uitgelegd: ‘Het recente besluit van China om voorlopige antidumpingmaatregelen op Australische wijn in te stellen, mag niet ten onrechte worden geïnterpreteerd als een teken van een handelsoorlog, aangezien het volledig in overeenstemming is met de Chinese wet- en regelgeving en de internationale praktijk.’

    ‘Toegegeven’, aldus het commentaar, ‘de handelsbetrekkingen tussen China en Australië zijn dit jaar verslechterd. China heeft al antidumpingrechten ingesteld op Australische gerst en het heeft de invoer van rundvlees van enkele grote Australische producenten opgeschort. Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout. Maar China is niet van plan een handelsoorlog met Australië te beginnen, aangezien niemand daar voordeel van heeft.’

    De aap uit de mouw

    En dan komt de aap uit de hoofdredactionele mouw: ‘Het is Canberra dat serieus onderzoek moet gaan doen naar zijn vijandige gedrag en houding ten opzichte van zijn grootste handelspartner. Canberra heeft zich bemoeid met kwesties betreffende de kernbelangen van China en heeft China ongegrond beschuldigd van deelname aan “interventie- en infiltratie”-activiteiten in Australië. Er werd zelfs een zogenaamd “onafhankelijk internationaal onderzoek” voorgesteld naar de uitbraak van het coronavirus, dat algemeen werd gezien als een poging om China te belasteren.’ De importbelastingen op wijn zijn ingesteld ‘uit een gevoel van verantwoordelijkheid voor de binnenlandse industrie en de Chinese consumenten’, zo citeert de krant een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

    De exorbitante importbelastingen op Australische wijn betekenen een behoorlijke dreun voor de wijnboeren down under, zo schrijft de BBC. Bijna 40 procent van de Australische wijnexport ging de afgelopen jaren naar China. Vorig jaar kocht China zelfs meer gebottelde wijn van Australië dan van Frankrijk. Maar door de verslechterde politieke betrekkingen lijkt de liefdesrelatie met Australische wijnboeren voorbij. De importheffingen leggen op pijnlijke wijze bloot hoe groot de Australische economische afhankelijkheid van China is. Met zo’n 240 miljard Australische dollars is China veruit de grootste handelspartner; nummer 2 Japan volgt op grote afstand met een volume van nog geen 100 miljard.

    Dorstige Britten

    Volgens The Sydney Morning Herald is de hoop nu gevestigd op dorstige Britten. Tegenover de wijnexport naar China van 40 procent staan weliswaar slechts een schamele 15 en 14 procent naar respectievelijk de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, zo schrijft de krant. Maar de Britse dorst naar Australische wijn is groeiende: 22 procent van de verkochte wijn in Groot-Brittannië komt uit Australië en dat is bijna het dubbele van de hoeveelheid die de Britten kopen in Italië, het tweede land op de lijst. En de Britse interesse blijft toenemen. Volgens marktonderzoekbureau IRI groeide de verkoop van Australische wijn in Groot-Brittannië de afgelopen twaalf maanden met 10 procent naar 1,3 miljard Australische dollar, zo’n 800 miljoen Euro.

    En er daagt nog meer hulp voor de Australische wijnboeren. Parlementariërs van over de hele wereld figureren sinds vorige week in een video waarin ze mensen aansporen Australische wijn te kopen ‘om het hoofd te bieden aan de intimidatie door China’. Deze #SolidarityWithAustralia-campagne is gestart door de onlangs gevormde Interparlementaire Alliantie tegen China, bestaande uit een groep van 200 parlementsleden uit 19 landen, die bekendstaan om hun onverzettelijke houding ten opzichte van China. Een Australische senator in de video, Kimberley Kitching, stelt onomwonden dat China de export van Australië heeft geblokkeerd vanwege kritiek op de mensenrechten. ‘Dit is niet alleen een aanval op Australië’, zo zegt Kitching. ‘Dit is een aanval op vrije landen overal in de wereld.’

  • Hoe alcohol mijn leven overnam

    Hoe alcohol mijn leven overnam

    Journalist William Leith stopte elk jaar van 1 januari tot zijn verjaardag op 30 april met drinken, maar de overige maanden had hij nooit genoeg. Tot hij vijf jaar geleden onverwacht besloot ‘toch maar niet’ opnieuw te beginnen. Sindsdien probeert hij de magische aantrekkingskracht van zijn lievelingsdrug te doorgronden.

    Keuze uit het archief

    Journalist William Leith is een expert in Dry January – gedurende de hele maand januari geen alcohol nuttigen. Sinds 2013 drinkt hij zelfs helemaal niet meer. In dit essay lees je hoe hij het volhoudt en wat hij van zijn geheelonthouderschap heeft geleerd.

    Mijn laatste glas alcohol heb ik vijf jaar geleden genomen, in de heel vroege ochtend van 1 januari 2013. Het zal om een uur of twee zijn geweest. Ik zou mezelf toen niet dronken genoemd hebben. Ik zou zeggen dat ik er een paar op had. Maar ik was dronken. Als ik had geprobeerd auto te rijden of te schrijven of een praatje voor publiek te houden, had ik het er heel slecht vanaf gebracht. Niet gelukkig, maar ook niet verdrietig, hief ik het glas en slikte de drank door. Het was een soort vruchtenbowl.

    Op dat moment wist ik niet dat het echt mijn allerlaatste drankje zou zijn. Ik dacht dat ik niet meer zou drinken tot mijn verjaardag op 30 april. Tien jaar lang had ik ieder jaar de eerste vier maanden doorgebracht als geheelonthouder, op twee uitzonderingen na: ik ben een keer op 27 april begonnen, omdat ik op een woonboot was in een haven waar ik een glas wijn aangeboden kreeg. Ik haatte mezelf vanwege die drie dagen. Ook ben ik een keer pas in maart gestopt, maar toen heb ik mezelf gestraft door acht maanden droog te staan in plaats van vier.

    Maar misschien was dat droogstaan niet echt een straf, heb ik vaak gedacht. Ik vond het wel prettig. Ik sliep beter. Ik viel af. Mijn huid werd frisser. Ik voelde me echt fitter. Ik kon me beter concentreren, kon in een paar uur een boek uitlezen, mijn geest was scherper. Ik voelde me lichter, gelukkiger. Ik kwam niet meer zweterig en naar de drank ruikend te laat op afspraken. Ik had meer tijd. Ik herinner me een gesprek dat ik had na vijftien weken geheelonthouding; de man met wie ik sprak zei dat hij niet kon geloven hoe jong ik eruitzag. En dat meende hij echt. Droogstaan is de beste verjongingskuur.

    En dan kwam mijn verjaardag weer, mijn drankdag. Van tevoren was ik al zenuwachtig, een vervelend gevoel omdat ik eigenlijk niet meer wilde gaan drinken, gecombineerd met het vervelende gevoel dat ik toch weer begon. In ieder geval voelde ik een drang om weer te gaan drinken; dat behoorde tot de afspraak die ik met mezelf had gemaakt, want ik wilde heel graag drinken. Ik wilde drinken om precies dezelfde reden dat ik niet wilde drinken: omdat ik een drankprobleem had. Drank leek een vreemde, verstandsverbijsterende macht over me te hebben. Op mijn verjaardag werd ik altijd wakker met het soort onrust in me dat je ook hebt voor een date of een feest. Ik zou weer gaan drinken. Vanavond zou ik in een andere wereld zijn.

    Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde

    Als ik mijn drankprobleem probeer uit te leggen, gaat dat als volgt: naar mijn idee was ik een matige drinker, maar als ik er een op had, was ik dat niet meer. Hoe meer ik dronk, hoe meer ik wilde drinken. Drinken vergrootte mijn dorst. Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde. Mijn dorst nam in de loop van een avond altijd toe, maar op een subtielere manier ook in de loop van een maand, een jaar, een decennium. Drank voegde iets toe, maar leek ook altijd meer weg te halen dan toe te voegen, dus om alles weer normaal te krijgen moest ik meer drinken, en al die drank begon mijn geest aan te tasten. En dan stopte ik en was ik honderdtwintig dagen nuchter. En in die tijd voelde ik me altijd geweldig. Waarom begon ik dan altijd weer met drinken?

    De eerste dagen zonder drank gaven wel een begin van een antwoord op die vraag. De eerste dag werd ik wakker met een kater. De tweede dag werd ik wakker met een fantoomkater. En de dag daarna werd ik wakker en hield mijn hoofd onder het dekbed, in afwachting van de pijn en de misselijkheid. Even schoten mijn gedachten dan razendsnel heen en weer. Wat heb ik gisteravond gedronken? En zonder de waas van de kater voelde mijn geest zich vreemd weerloos; iedere emotie kon maar bij me binnendringen en urenlang in mij ronddenderen. Op die momenten begreep ik iets van mijn drankprobleem.

    Op slot

    In de tijden dat ik niet dronk, was ik me er niet van bewust dat ik wilde drinken. Ik snakte er niet naar en dronk ook niet stiekem. Het deed me denken aan kettingrokers die tijdens een lange vliegreis ook niet naar een sigaret snakken. Ze weten dat ze niet kunnen roken, dus zetten ze het ook uit hun hoofd.

    Marc Lewis, neuroloog en verslavingsdeskundige, legde me uit dat het net zoiets was als wanneer je een stuk vlees in de koelkast legt en je hond probeert jankend met zijn poot de deur open te krijgen. Maar als je de hond ervan overtuigt dat de deur op slot zit, houdt hij op met janken en loopt hij weg.

    Ieder jaar stopte ik met janken en liep ik weg. Ik bezocht cafés en bars en dronk bronwater. ’s Avonds dronk ik thee. Ik merkte dat het de meeste mensen, bijna iedereen eigenlijk, niet kon schelen of ik nu wel of niet dronk op hun feestje. Sommige mensen viel het niet eens op. Ik zei: ‘Ik ben van de drank af.’ Mensen zeiden dan alleen: ‘Cool.’ In een vliegtuig hoefde ik niet de kleine wijnflesjes te drinken. Ook geen zwak alcoholische dranken. Ik nam geen slokjes van het een of ander. Ik wist dat ik niet ging drinken en daardoor wilde ik ook niet drinken. Ik had alles onder controle. Ik wist dat ik op mijn verjaardag weer zou drinken. Ik maakte mezelf steeds weer wijs dat het allemaal veel beter zou gaan als ik straks weer ging drinken.

    Dat ging het nooit. Ik kon nooit met mate drinken. Ik kon er nooit eentje nemen, of een paar. Ik wilde altijd meer. Ik kon nooit maathouden, alsof mijn hersenen waren aangetast. Ergens voelde ik dat het verkeerd was, en dat gevoel werd sterker naarmate het jaar vorderde – ’s zomers sterker dan in de lente, in de herfst sterker dan in de zomer. In de periodes dat ik dronk kwam er ook steeds een fantasiebeeld in me op: een stevig, groot bekerglas met supersterke wodka, glinsterend onder een laag ijs, zo sterk dat het bijna naar benzine rook. De ideale borrel. Dat was mijn fantasie als ik dronk en dat was het nog steeds op de dag dat ik mijn laatste borrel achteroversloeg, een vruchtenbowl, in de vroege uurtjes van 1 januari 2013. Over honderdtwintig dagen staat dat stevige, grote glas wodka in een of andere hippe, minimalistisch ingerichte bar op me te wachten.

    In de vijf jaar daarna heb ik niet gedronken en heb ik er ook niet naar getaald. Mijn drankperiode lijkt ver weg, bijna als een leven geleid door iemand anders. Drank – alleen het idee al – lijkt me smerig. Zuur of scherp smakende vloeistoffen achteroverslaan, alleen maar om mezelf dommer te maken. Belachelijk! Ik heb dezelfde mening over alcohol als toen ik tien was. Het is gevaarlijk, het is smerig, het veroorzaakt kanker, het verziekt je lever en zorgt ervoor dat je eruitziet en ruikt als een veel ouder en zieker iemand. Toch heb ik me er altijd over verbaasd waarom ik zo stevig in de greep van de drank zat en zo lang, waarom ik delen van mijn leven heb laten verwoesten, delen die ik nooit meer terugkrijg. Wat had drank me te bieden dat zo veel beter was dan een leven zonder drank? Welke magische kracht had drank precies?

    Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky

    In het begin dronk ik omdat ik angstig was en omdat ik op een kostschool zat. Dat is het verhaal dat ik mezelf vertel en dat ik Colin Drummond vertelde, een psychiater bij het National Addiction Centre van King’s College in Londen. Ik zocht Drummond eind november 2017 op omdat ik de mening van een ter zake kundige wilde horen over mijn drinkgedrag. Hij luisterde en maakte aantekeningen in zijn werkkamer op de campus Denmark Hill van het King’s College. Op de kostschool, zo vertelde ik hem, word je voortdurend in de gaten gehouden; soms kun je er stiekem tussenuit glippen. Ik dronk vanaf mijn vijftiende. Extra sterk bier uit blik en wodka in kwartliterflesjes, verstopt in de stortbakken van het toilet, 
of pils in het café. Ik wilde voortdurend ontsnappen. Drank was geen echte ontsnapping, maar het leek er wel op.

    Op school voelde ik me vaak gevangen en kwetsbaar; met drank verbeterde mijn stemming een poosje. In mijn geest begon zich een patroon te vormen, een soort leerproces. Niet het leerproces dat je op school zou moeten doormaken, maar desalniettemin een leerproces. Drank bezorgde me ook slechte momenten: misselijkheid en hoofdpijn na afloop. Maar het goede begon het te winnen van het slechte. Ik herinner me de moutachtige smaak van extra sterk bier, het gevoel van het blikje in mijn hand, de belletjes 
in mijn neus, en ik herinner me de gouden kleur van het bier in cafés, hoe koud dat was als ik de eerste slok nam, hoe helder en vrolijk ik me voelde als het indaalde. Ooit nam ik als zestienjarige in een café een slok pils uit een groot glas en was alles perfect; die perfectie stond in mijn geheugen gegrift en tientallen jaren bestelde ik grote glazen bier en dronk daaruit om weer even dat draadje te voelen dat me verbond met mijn jongere ik.

    Na een tijdje, vertelde ik Drummond, ontstond er een patroon, een patroon dat me nu eigenlijk pas opviel. Mijn drankgebruik ontwikkelde zich in vlagen. Veel op school. Veel in mijn tussenjaar. Niet zo veel op de universiteit. Toen verhuisde ik naar Londen om er te gaan werken als freelancejournalist en begon ik zwaarder te drinken. Drie jaar later vertrok ik uit Londen en dronk ik veel minder, na zes jaar verhuisde ik weer naar Londen en begon weer veel meer te drinken. Mijn hele sociale leven speelde zich af in cafés en bars en bij mensen thuis die graag dronken. De drank had zich stevig in mijn leven genesteld. Eigenlijk kende ik niemand die niet dronk. Dat was de tijd dat ik pogingen ondernam om te stoppen.

    Al pratend tegen Drummond dacht ik na over dat patroon. Er waren drie periodes van zwaar drinken, elke periode weer ernstiger dan de vorige. In de eerste twee periodes, mijn schooltijd en rond mijn vijfentwintigste, was dat drinken een reactie op stress – schoolstress, werkstress. In de derde periode, toen mijn drankgebruik ernstig uit de hand liep, was het alsof de drank zelf de stressveroorzakende factor was geworden.

    Sommige mensen drinken en dan gaan ze meer drinken en op een bepaald moment raken ze geobsedeerd door de drank. Ik lette altijd op flessen, de vorm van een fles, het etiket en de kleur van het glas. Alleen al door te kijken naar flessen voelde ik het verlangen in me opkomen. Ik wist in welke cafés de sterkste bieren en ciders te krijgen waren, voor het geval dat. Ik kwam graag in slijterijen om een fles te pakken en vast te houden. Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky. Een jaar lang heb ik een wijncursus gevolgd, want wijn leek me beschaafd. Eén avond per week zat ik in een klas te praten over wijn, wijn te drinken en aantekeningen te maken. Na afloop ging ik dan met een of twee medecursisten nog een paar flessen wijn drinken. Er waren in mijn leven altijd flessen, overal flessen, meer flessen dan ik kon bevatten.

    Al die tijd had ik een relatie en we dronken allebei. Ik dronk meer dan zij. Onze vrienden dronken. Als we vrienden op bezoek hadden, maakte ik in de keuken de wijn open en schonk die uit in vier glazen. Ik bracht twee glazen naar de gasten. Dan liep ik terug naar de keuken en dronk zo vlug mogelijk een van de twee overgebleven glazen leeg. Razendsnel maakte ik een nieuwe fles open, schonk mijn glas weer vol 
en voegde me bij de anderen, die genoten van hun drankje. Maar tijdens het drinken nam mijn trek in drank altijd toe, dus ik had mijn tweede glas eerder leeg dan de anderen hun eerste. Dan ging ik terug naar de keuken en schonk nu mijn zogenaamd tweede glas in. Tegen de tijd dat de anderen drie glazen hadden gedronken, waren er vier flessen leeg. Er was natuurlijk een oplossing: vijf flessen kopen. Met drank lijkt er altijd een oplossing te zijn.

    ‘Drank neemt heel geniepig steeds meer bezit van je,’ zegt Drummond. ‘Ik wil er eigenlijk niet aan dat het ook wel eens te laat kan zijn, maar het wordt wel steeds moeilijker om er iets aan te doen als de drank je eenmaal in zijn greep heeft.’

    Drummond vroeg naar mijn familie. Kwam er in mijn familie alcoholisme voor? Soms is dat moeilijk te zeggen, want over alcohol en de hele cultuur eromheen hangt altijd een waas van geheimzinnigheid. Ik dacht na over mijn familie. Mijn opa, de vader van mijn moeder, dronk stevig, en dat is nog zacht uitgedrukt. Mijn broer drinkt stevig. Mijn moeder drinkt nauwelijks. Af en toe een glaasje wijn. Misschien twee op een bruiloft. Mijn vader dronk tot zijn vijftigste heel weinig. Daarna dronk hij een beetje. Toen hij met pensioen ging, begon hij meer te drinken. Toen hij in de veertig was en niet veel dronk, waarschuwde hij me altijd dat ik te veel dronk. Toen ik uiteindelijk stopte, was hij in de tachtig en dronk hij iedere dag. Ik heb hem nooit dronken gezien; hij beweerde dat hij nog nooit dronken was geweest. Maar ik maakte me zorgen over de cognac, de rum, de gin. De rollen waren omgedraaid; nu waarschuwde ik hem dat hij te veel dronk. Ik had zijn waarschuwingen altijd in de wind geslagen, ik denk dat hij dat ook met die van mij doet. Als je drinkt, denk je echt niet helder na over je eigen drankgebruik.

    Alleskunner

    Alcohol was de lievelingsdrug van zowel mijn zestienjarige ik als mijn zesentachtigjarige vader; dat zegt toch wel iets. Drummond noemde een paar redenen waarom alcohol zo aantrekkelijk is: ‘Drank ontspant, maakt je gezelliger, geeft je in gezelschap meer zelfvertrouwen, neemt de stress weg, je wordt er vrolijker van als je je wat down voelt, in het begin althans – dat zijn allemaal eigenschappen van drank.’ Hij dacht nog even na en zei toen: ‘Chemisch gezien is het een alleskunner.’

    Hoe krijgt alcohol al die dingen voor elkaar? Hoe kon ethanol, eenmaal opgenomen, mij zulke prachtige ontsnappingsmomenten bieden? En waarom veranderde mijn zoektocht naar die prachtige momenten in een levensgevaarlijke obsessie?

    Ik vroeg het aan Marc Lewis, hoogleraar neurologie aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen. Lewis heeft in zijn boek Memoires van een verslaafd brein zijn eigen ervaringen met alcohol, opiaten en verscheidene andere drugs schitterend beschreven.

    Als de goudkleurige pils of glinsterende wodka door mijn keel gleed en mijn hersenen bereikte, zo legde Lewis uit, veranderde mijn stemming doordat er werd geknoeid met enkele neurotransmitters – de stofjes die neuronen, of hersencellen, in staat stellen met elkaar te communiceren. Als je een gedachte hebt, of een idee of een gevoel, komt dat doordat neuronen in je hersenen samenwerken en ketens vormen, gefaciliteerd door neurotransmitters. De neurotransmitters regelen het verkeer in de hersenen. Twee van de belangrijkste zijn glutamaat en gamma-aminoboterzuur, oftewel gaba. Glutamaat stimuleert de hersenactiviteit; gaba remt die activiteit. Drank zet voor glutamaat het licht op rood en voor gaba op groen.

    Laat dat even bezinken. gaba remt de communicatie en glutamaat stimuleert haar. Drank stimuleert de rem en remt de stimulant. In Memoires van een verslaafd brein beschrijft Lewis wat er gebeurde toen hij voor het eerst dronken werd: ‘De plekken waar glutamaat actief is vallen stil en werken niet meer, dus de informatiestroom is traag, alleen grote signalen komen nog door en kleinere signalen leveren alleen maar ruis op.’
    Bovendien: ‘Het is de taak van gaba om gedachten en waarnemingen precies af te stellen, om alles helder te krijgen, maar nu wordt alles helder op het karikaturale af… Met andere woorden, ik denk aan iets heel kleins, maar ik denk eraan met een overweldigende helderheid.’

    Alcohol verhindert dat je te veel denkt. Het vertraagt de tredmolen van de angst. Het versimpelt. Het redigeert. Natuurlijk doet het nog meer. Het knoeit ook met het beloningssysteem van de hersenen. Als je drinkt, verspreidt een andere neurotransmitter, dopamine, zich overal in je hersenen. Dopamine is 
de neurotransmitter van de verwachting, van de opwinding, van het meer willen.

    Dopamine overspoelt je hersenen met een soort opgewonden honger, de sensatie van door iets geobsedeerd te zijn. De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wurtzel schreef een boek over haar verslavingen,_ More, Now, Again;_ dat ongepolijste verlangen is een adequate beschrijving van hoe je je voelt als de dopamine je brein overspoelt. Zoals de beruchte drinker Kingsley Amis ooit heeft gezegd: het gaat niet om dronken zijn, maar om dronken worden. Het gaat om dat magische moment waarop je wordt meegesleurd naar elders, naar die ideale plek waar verwachting en beloning perfect in balans zijn.

    Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen

    Mij begon iets op te vallen aan die perfecte balans. Die leek steeds vluchtiger te worden. De hoeveelheid euforie en opwinding die een borrel kon verschaffen, gemeten in tijd en intensiteit, leek af te nemen. Dat komt doordat als je zit te knoeien met je hersenen, die hersenen proberen dat geknoei ongedaan te maken. Als je ze in de maling neemt, worden ze wijzer. Als je ze overspoelt met stofjes om een gevoel van beloning op te roepen, vinden je hersenen een manier om die beloning wat minder intens te maken. Dus moet je iets meer drinken om dezelfde roes te krijgen. En daarna weer meer, en nog meer. Op de korte termijn, zo legde Drummond uit, neemt het verlangen toe naarmate de beloning dichterbij komt. Maar op de lange termijn wordt de eerste toevloed van dopamine nooit geëvenaard door de tweede toevloed, als je de drank echt doorslikt. Het verlangen neemt toe, terwijl de bevrediging afneemt; de verwachting vraagt, terwijl de beloning minder uitkeert.

    Er gebeurt iets in de prefrontale cortex, het beslissingscentrum van de hersenen. Stel je een gedachte voor als een smal paadje. Stel je nu een obsessieve, met dopamine doordrenkte gedachte voor die steeds maar opduikt. Dat wordt een hoofdweg en ten slotte een snelweg. Er zijn geen andere routes. Je zit in een lastig parket. Je wilt drinken, maar drinken maakt je ziek. Je voelt je ziek, maar je wilt drinken. Je voelt een intens verlangen. Dus je drinkt. En het werkt niet meer zoals het eerst deed.

    In haar autobiografische boek Drinken: Een liefdesverhaal vertelt de inmiddels overleden Amerikaanse schrijfster Caroline Knapp dat er een subtiele grens ligt tussen probleemdrinken en echt alcoholisme, maar dat je die als drinker niet ziet. Je gaat eroverheen zonder dat je weet dat je eroverheen gaat. Ik heb mensen gekend die op het punt stonden eroverheen te gaan of er al overheen waren. Ik heb met hen gesproken over hun drankgebruik. Ze zeiden steevast dat ze niet veel dronken of dat ze aan het minderen waren, kalmer aan deden, zich hielden het bij een of twee glazen. Ik wist dat ze de waarheid niet spraken. Ze logen tegen mij, ze logen tegen zichzelf. Die gesprekken maken me kwaad, vooral op mijn vroegere ik.

    Soms vraag ik me af wanneer ik tegen mezelf begon te liegen. Dat was niet op school. Daar was ik een en al bravoure: ‘Ik heb een flesje wodka op, een blik Breaker en daarna een halve liter Kronenbourg…’ Ook niet toen ik een jaar of vijfentwintig was. Ik was nog steeds vol bravoure, drinken verschafte je een zekere status. Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen. Bij iemand thuis een deel van zijn fles whisky opdrinken, en nog een beetje, en dan beseffen dat je een nieuwe fles moet kopen en hopen dat je daarmee wegkomt. Caroline Knapp beschrijft hoe ze bij iemand de port opdronk, een nieuwe fles kocht en vervolgens probeerde precies dezelfde hoeveelheid in de oude fles te gieten.

    Drink!

    Je gaat een grens over als je tegen jezelf begint te liegen. Maar je weet niet waar die grens ligt. Colin Drummond vertelde dat sommige mensen na het werk met collega’s nog even één glaasje drinken en daarna de hele avond in hun eentje doordrinken. Ik had iets vergelijkbaars gedaan, zij het net even anders. Ik ging uit met collega’s, die graag een paar borrels dronken, dan zocht ik vrienden op die nog wat wilden drinken en laat op de avond zat ik in een nachtcafé met mensen die ervan hielden om tot heel laat door te zakken. We snoven lijntjes coke om wakker te blijven en nog meer te kunnen drinken. Ik herinner me nog dat ik een keer uit zo’n nachtcafé kwam, de trappen van het keldercafé opging en dat het op straat al licht was. Niet alleen maar licht, maar ook zonnig. Dat was een treurig moment. Maar het was niet de laatste keer.

    Ik stopte niet met drinken. Toen niet. Ik ging door, al wist ik dat ik iets moest doen. Maar de drank had me in zijn greep. Het beslissingscentrum van mijn hersenen was ontzettend goed geworden in het nemen van één beslissing: drink! Ik liep over straat, probeerde weg te duiken in de schaduw. Ik hield een taxi aan, ging naar huis en viel in slaap.

    Op een gegeven moment begint de perfecte balans tussen verwachting en beloning te verdwijnen. Je gaat ernaar op zoek. Je gaat ernaar op zoek door meer te drinken. De katers worden erger. Uiteindelijk ben je de helft van de dag bezig met het vechten tegen je kater. Je blijft tot het allerlaatste moment in bed liggen. Je hebt stekende hoofdpijn achter je ogen. Je voelt je paranoïde en angstig. Je zweet. Je zweet ruikt naar de drank. Je krijgt steeds meer een hekel aan jezelf. Dus ga je drinken. Dat werkt, een beetje. Dan een beetje minder.

    En toen kwam vijftien jaar geleden het begin van het einde. Iedere probleemdrinker die besluit om te stoppen heeft zo’n verhaal. Ik was wezen stappen. Ik was dronken. Ik had het gevoel dat ik niet genoeg had gedronken, ik wilde nog meer en toen ik thuiskwam ging ik naar de keuken. Er stond een halfvolle fles wodka in de vriezer. Ik schonk wodka in een glas, deed er jus d’orange bij en dronk het op. Daarna schonk ik de rest van de wodka in het glas, deed er wat jus d’orange bij en dronk het op en toen was de wodka op. Ik had nog een enorme trek in nog meer drank, wilde die ideale balans opzoeken. Ik hoefde alleen maar de straat over te steken. Ik keek uit het raam: de winkel was dicht. Ik was vijf minuten te laat. De trek zakte af en ik ging naar bed.

    Weken, maanden zelfs dacht ik hier niet meer aan. maar ik herinnerde het me toen januari weer begon te naderen. Ik ga stoppen, dacht ik. En: Nu echt. En: Tot mijn verjaardag. Tien jaar later zou ik mijn laatste borrel drinken.

    ‘Hoeveel dronk je op je hoogtepunt?’ vroeg Colin Drummond. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: twee flessen wijn per dag. Dat vertel ik mezelf. Acht grote glazen per dag. Zesenvijftig glazen per week. Ik herinner me dat iemand zei dat de aanbevolen hoeveelheid achtentwintig units was. ‘Dat kan niet kloppen,’ had ik gezegd. ‘Ik drink geen achtentwintig units per dag, eerder vijfentwintig.’ Die aanbevolen hoeveelheid was natuurlijk per week. Nu is het veertien. En dat is de bovengrens. Twee flessen wijn klinkt nog niet zo slecht. Maar in werkelijkheid dronk ik het tienvoudige van de aanbevolen hoeveelheid [een gemiddelde fles wijn bevat 12 units].

    Ik heb tien jaar van mijn leven veel te veel gedronken en ben tien jaar bezig geweest met stoppen.

    Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen

    Waarom dronk ik? Ik dronk omdat ik angstig was, omdat mijn tong dan wat losser werd, omdat als ik me zorgen maakte over mijn drankgebruik, ik me minder zorgen maakte over andere dingen, over dingen waar ik echt gestresst van raakte, zoals schrijven. Drank verlicht de stress, maar veroorzaakt daarna weer stress, maar die stress houdt, in elk geval een tijdje, je echte zorgen buiten de deur. En dan wordt je drankgebruik je grootste zorg. Je gaat over een grens heen, maar je ziet het niet, dus je gaat gewoon door.

    ‘Een bekend verhaal,’ zei Colin Drummond, toen ik hem alles had verteld. Ik was als puber niet echt gelukkig. Ik zat op kostschool. Ik begon al vroeg met drinken. Als ik naar mijn familie kijk, kan er een genetische component in zitten. Ik wilde graag aan de universiteit werken, maar werd uiteindelijk journalist, een beroep dat een vruchtbare bodem biedt voor drankproblemen. Een ontvankelijke geest was in de vuurlinie geplaatst. Een ideale voorgeschiedenis. Geen ontsnappen aan.

    Waarom ben ik gestopt? Die vraag wordt me vaak gesteld. Ik heb veel antwoorden. Om gezondheidsredenen. Om geestelijke-gezondheidsredenen. Omdat het het niet waard was. Omdat het welletjes was. Omdat ik me niet de hele tijd ziek wilde voelen. Omdat het me kapot had gemaakt. Omdat ik niet gewoon één glas kon drinken. Of twee. Of drie. Ik was erdoor geobsedeerd. Ik voorzag dat het verkeerd zou aflopen. Lang geleden kreeg ik er een goed gevoel van, maar er was iets veranderd. Stoppen is moeilijk, wordt gezegd. En dan vragen ze waarom het voor mij makkelijk was. Ik weet het niet, zeg ik dan. Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen.

    Ik sta nu vijf jaar droog. En het is heerlijk om nuchter te zijn. Daar ben ik diep vanbinnen echt van overtuigd. Het is veel beter dan ik vijf jaar geleden dacht dat het zou zijn, in die vroege uurtjes van 1 januari. Maar dat was niet het werkelijke keerpunt. Het werkelijke keerpunt lag honderdtwintig dagen later, op mijn verjaardag, de dag waarop ik weer zou gaan drinken. Ik zat met mijn vriendin in een restaurant. Ze vroeg of ik wijn ging bestellen. Tot op dat moment was ik dat ook van plan geweest. Maar er gebeurde iets in mijn hersenen. Een onverwachte beslissing.

    ‘Nee,’ zei ik. ‘Toch maar niet.’