Journalist Thomas Hale werd midden in de nacht naar een Chinees quarantaine-eiland gestuurd. In Financial Times beschrijft hij wat hij daar meemaakt. ‘Dieper en dieper dringen we door, tot (…) het soort plek dat jou vindt, maar niet gevonden kan worden.’
Het telefoontje komt van een onbekend nummer.
‘U moet in quarantaine,’ zegt een man aan de andere kant van de lijn in het Mandarijn. Hij belt me vanuit het Shanghai Municipal Center for Disease Control and Prevention [het Chinese RIVM]. ‘Ik kom je over vier of vijf uur halen.’
Ik ren mijn hotel uit om een voorraad essentiële benodigdheden in te slaan. Op advies van mijn collega’s en afgaande op mijn eerdere ervaring met quarantaine in China schaar ik daaronder: tonijn in blik, thee, koekjes, drie soorten vitaminen, vier soorten Haribo-snoepjes, tupperwarebakjes, een yogamat, handdoek, schoonmaakspullen, een verlengsnoer, een groot aantal boeken, oogdruppels, een dienblad, mok en bijbehorende onderzetter. Die is versierd met een schilderij van het landschap rondom Bolton Abbey in North Yorkshire.
Vier of vijf uur later krijg ik opnieuw een telefoontje. Deze keer is het een vrouw die in het hotel werkt. ‘U geldt als nabij contact,’ zegt ze. ‘U kunt niet naar buiten.’
‘Ben ik het enige nabije contact hier in het hotel?’
Ze zegt dat het inderdaad het geval is en voegt eraan toe dat het hotel gesloten is. Dat wil zeggen: in lockdown. Ik loop naar de deur van mijn kamer en open die. Er staat een personeelslid achter. Van de schrik maken we allebei een sprongetje.
‘U kunt niet naar buiten,’ zegt ze, halverwege haar sprong. ‘Mag het personeel nog wel weg?’ vraag ik verontschuldigend.
‘Maak je geen zorgen. Ik ben net begonnen met mijn dienst,’ antwoordt ze met een glimlach.
Even later arriveren mannen gekleed in gaspakken in het hotel. Eerst nemen ze een PCR-test bij me af, even gehaast en verveeld als de man eerder aan de telefoon had geklonken. Daarna loopt een van hen met me mee door de verlaten gang. We passeren de liften, die zijn afgezet en worden bewaakt, en nemen de personeelslift naar beneden. Buiten is de ingang ook afgezet. Alleen voor mij is een hotel met honderden kamers lamgelegd. Ik word, zoals deze procedure tegenwoordig in China bekendstaat, ‘weggevoerd’.
Geen hotel
In de lege straat staat een middelgrote bus klaar, bedoeld voor schoolreisjes of om grote gezinnen in te vervoeren. De motor draait. We rijden meteen weg als ik ben ingestapt ‘Worden we naar een ander hotel gebracht?’ vraag ik aan een van de tientallen andere passagiers.
‘Het is geen hotel,’ antwoordt die. ‘Tian a,’ zegt een andere passagier, wat meestal zoiets als ‘Oh mijn God’ betekent. In dit geval vat ik het eerder op als ‘Dat ga je niet menen.’
De sfeer in de bus is er eerder een van desinteresse dan van ongerustheid. Uit de autoradio schalt popmuziek die af en toe wordt verstoord door een hevige ruis. Niemand lijkt het door te hebben. Een vreemd gevoel bekruipt me. Het overkomt me als volwassene nooit meer dat ik niet weet waar ik heen word gebracht. Onze chauffeur, die ook een gaspak draagt, praat nerveus in zijn telefoon met een of andere autoriteit ver weg. Na ongeveer een uur lijkt het erop dat zijn nervositeit ook zijn rijgedrag begint te beïnvloeden. Ik moet denken aan recente nieuwsberichten uit de provincie Guizhou: daar verongelukte een bus voor quarantainetransport, wat zevenentwintig passagiers het leven kostte. Ik trek mijn autoriem wat strakker aan en verplaats mijn koffer zodat die het gangpad niet blokkeert.
Uiteindelijk stopt de bus op een veldweg. De chauffeur krijgt via een walkietalkie de opdracht om door te rijden. Maar dat gaat niet; vóór ons staan grote touringcars stil, en in de buurt van de bus lopen groepjes mensen rond die in het nachtelijke duister moeilijk te zien zijn. ‘Ik kan niet doorrijden,’ blaft de chauffeur tegen zijn portofoon. Hij stapt uit, doet de bus achter zich op slot en verdwijnt in de duisternis.
Ik draai mijn raampje omlaag om te zien of ik uit de bus kan klimmen. We bevinden ons ver op het Chinese platteland en het is onverwacht koud buiten. Plotseling gaat een passagier op de bestuurdersstoel zitten. Ook hij draagt een gaspak – doordat er geen onderscheid wordt gemaakt in wie de pakken wel en niet dragen, is het onduidelijk wie de leiding heeft. De passagier probeert niet te ontsnappen maar wil alleen de deur open krijgen. Buiten zijn mensen aan het roken en lopen ze rond als kippen zonder kop.
Dieper en dieper dringen we door, tot in het hart van China’s quarantainestelsel: het soort plek dat jou vindt, maar niet gevonden kan worden
‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt iemand aan me. Zijn gaspak lijkt op een overall doordat het om zijn middel strak is getrokken. ‘Uit het Verenigd Koninkrijk’ zeg ik. Hij zet grote ogen op. ‘Hebben ze je hiernaartoe gebracht? Met een buitenlands paspoort?’ De rij bussen komt langzaam in beweging en verdwijnt aan het einde van de weg door wat lijkt op een helder verlichte poort. In de donkere lucht boven de velden hangt een zilveren sluier van sigarettenrook. Het schijnt me toe dat achter de duisternis een enorm bouwwerk schuilgaat. Door de koffers en tassen in de bus kunnen we niet echt lekker zitten, maar iemand is er toch in geslaagd de slaap te vatten en begint luid te snurken. Een ander speelt patience op zijn telefoon. We wachten. Niemand in de bus – ik niet, de andere passagiers niet, de chauffeur niet – niemand van ons was positief getest op corona.
Rond twee uur ’s nachts klimt onze chauffeur weer aan boord. De motor begint te draaien en de inmiddels vertrouwde ruis op de radio vangt weer aan. Nu zijn wij aan de beurt. Dieper en dieper dringen we door, tot in het hart van China’s quarantainestelsel: het soort plek dat jou vindt maar niet gevonden kan worden. Onderdeel van een groter systeem dat de buitenwereld nauwelijks kent of begrijpt, dat in vrijwel alles lijnrecht tegenover die buitenwereld staat. In dit systeem moet het coronavirus vernietigd worden; ermee leren leven is geen optie. In dit systeem wordt een onbekend aantal mensen vastgehouden. En in dit systeem zijn maar weinig buitenlanders ooit daadwerkelijk geweest, hoewel ze zich er misschien wel een vage voorstelling van kunnen maken.
Drie weken vóór dit alles had ik gezien hoe, midden op Heathrow, de incheckrij voor China Eastern Airlines werd afgesloten, waardoor de passagiers van hun omgeving werden afgezonderd. ‘Het is nu niet een goed moment om naar China te gaan,’ zei een medewerker tegen me. Toch liep ik door, in de wetenschap dat ik vanaf dat punt niet meer terug kon.
Dagelijks ritueel
‘Het is makkelijker om naar de hemel te klimmen dan om China te verlaten’, zegt men soms over de restricties die het communistische land van vóór 1990 kenmerken. Vandaag de dag ‘is het makkelijker om naar de hemel te klimmen dan om naar China terug te keren’. Technisch gezien begon mijn klim begin 2020, toen ik correspondent van Financial Times in Shanghai werd. Twee jaar moest ik in Hongkong verblijven. Doordat mijn visum zo lang uitbleef, mocht ik het Chinese vasteland niet betreden. Na een vlucht van twaalf uur kwam ik uiteindelijk aan op het vliegveld van Shanghai. Voordat ik de stad in mocht, moest ik tien dagen in quarantaine. Dat is verplicht voor iedereen die er (nog) geen woonplaats heeft.
Het is in China bijna een dagelijks ritueel geworden om een PCR-test te laten afnemen. Op veel straathoeken staan dan ook testhokjes, die wat weg hebben van eetkraampjes. Het verschil is dat ze groter en kubusvormig zijn en dat de medewerker binnen achter plexiglas met twee armgaten zit. Die hokjes zijn slechts het zichtbare oppervlak van een uitgebreid, onderliggend controlesysteem. De Chinese digitale coronapas lijkt op de track-and-trace-programma’s die elders gebruikt worden, afgezien van het feit dat hij verplicht is en echt werkt. Via Alipay of WeChat, de twee belangrijkste apps van het land, wordt aan de meest recente testresultaten van een gebruiker een QR-code verbonden. Die moet worden gescand om ergens binnen te komen en zorgt er dus voor dat je locatie wordt geregistreerd. Groen betekent dat je naar binnen mag; als je rood hebt, heb je een probleem.
Na mijn eerste quarantaine verhuisde ik naar een hotel in het stadscentrum. Daar woonde ik tijdelijk, terwijl ik op zoek ging naar een appartement. Maar de vrijheid waarop ik zo lang had gewacht, was er nog niet helemaal. De eerste dagen lukte het me niet om mijn QR-code te scannen als ik een gebouw wilde binnengaan. Kennelijk had ergens iemand ingevuld dat mijn voornaam ‘Tnomab’ was. (De letter ‘n’ staat op het QWERTY-toetsenbord vlak naast de ‘h’. Dat kon de eerste tikfout verklaren. Maar hoe de ‘b’ ooit in mijn naam terechtkwam, blijft een mysterie.) Totdat dit opgelost werd, moest ik, telkens als ik ergens naartoe wilde, onderhandelen. Afgezien daarvan leek het leven in Shanghai verrassend normaal; het was nauwelijks te merken dat men in het voorjaar nog twee maanden lang opgesloten had gezeten. De glimmende winkelcentra waren goed bevoorraad. Ik waagde me op een avond naar een bar op Nanjing Road, waar ik bijzonder fel moest onderhandelen om binnengelaten te worden, maar waar ik vervolgens heel wat whisky achterover sloeg. Een man die ik daar ontmoette, vertelde me dat volgens zijn schatting 90 procent van de Chinezen het eens was met de aanpak van de regering.
Die aanpak staat bekend als ‘zero covid’ en streeft een maximale onderdrukking van het virus na. Daartoe worden er constant tests afgenomen, doet men contactonderzoek en geldt er aan de grens verplichte quarantaine. Zodra een coronageval opduikt, worden er lockdowns afgedwongen om de overdracht van het virus in te perken. Het is een agressieve aanpak, die op de lange termijn alleen kan standhouden in een autocratische samenleving waar grootschalig staatstoezicht al aan de orde van de dag is. Het einde van het beleid is nog niet in zicht, hoewel de vaccinatiegraad van de Chinese bevolking inmiddels 90 procent is. Leden van de Communistische Partij geven hiervoor als redenen het grote aantal ouderen in het land, de ongelijke regionale ontwikkeling en de ontoereikende medische voorzieningen. Bovenal is het systeem een nieuw soort bureaucratie, dat een enorm personeelsbestand vereist.
Een paar dagen later kreeg ik het eerste telefoontje. ‘Spreek ik met Tnomab?’ vroeg een man. Het duurde lang voordat ik het woord, dat noch in het Engels noch in het Chinees bestaat, kon interpreteren. Een van de bargasten was positief getest. ‘Was u erbij?’
Ik had misschien kunnen ontkennen dat ik Tnomab was, maar Tnomab en ik hadden hetzelfde paspoortnummer. De man zei dat ik niet in quarantaine hoefde, maar er wel voor moest zorgen dat ik niet te veel met anderen in contact kwam. Die kans was klein, aangezien er die dag maar achttien coronagevallen waren aangetoond in Shanghai. Bovendien was het niet duidelijk of de blootstelling überhaupt had plaatsgevonden op de avond dat ik in de bar was geweest. De volgende dag belden de autoriteiten opnieuw om me te vertellen dat ze onderweg waren. Ik probeerde te onderhandelen, maar dat is me nog nooit gelukt met iemand die naar eigen zeggen geen invloed heeft op de uitkomst.
Ik stap op een van de personeelsleden in gaspakken af en zeg dat ik een buitenlandse journalist ben. Ik hoop dat ik er zo misschien voor kan zorgen dat ik vrijgelaten word
Als de bus vele uren later eindelijk zijn bestemming bereikt, stappen we stilletjes uit. We moeten allemaal onze aanwezigheid bevestigen door middel van een presentielijst en in het donker kan ik op het papier gemakkelijk mijn naam onderscheiden. Het zijn de enige alfabetische letters in een zee van Chinese karakters: Tnomab William Hale.
We krijgen elk een kamernummer toegewezen. Iemand die op hetzelfde moment aankomt, die ik Inwoner 1 zal noemen, betreedt samen met mij het detentiecentrum. Hij gebaart naar de drie rijen kabels boven de blauwe hekken die de afbakening vormen. Het is nog net geen prikkeldraad, maar het zou ervoor door kunnen gaan. Hij schudt zijn hoofd, bijna lachend, en even voel ik, ondanks mijn hevige vermoeidheid, eindelijk iets wat op kameraadschap lijkt.
Als we zien waar we moeten verblijven, zijn we klaarwakker. In de faciliteit staan lange rijen met constructies die zich het best als hutten laten beschrijven. Het zijn metalen dozen, een soort zeecontainers, die op palen staan. Op de zijkant van sommige rijen hutten is een groot, glimlachend dier geschilderd. Het is het soort muurschildering dat je aantreft op een noodgebouw dat na een natuurramp als school uit de grond wordt gestampt. Het is moeilijk te zeggen hoeveel hutten er in totaal zijn. Hoog boven ons hoofd knippert fluorescerende buitenverlichting en camera’s zijn zo opgehangen dat geen enkele deur buiten zicht is. Verlichting noch camera’s worden ooit uitgeschakeld.
De meesten van ons hangen wat rond bij onze deuropening, waar we onze nieuwe omgeving in ons opnemen. ‘Er is geen warm water,’ roept iemand. Ergens is een vrouw hard aan het huilen, en het valt me op dat er geen kinderen zijn. ‘Ze heeft geen eten bij zich,’ legt Inwoner 1 uit. Een medewerker in een gaspak komt langslopen en deelt instant noedels uit.
Tralies
In mijn hutje van 18 vierkante meter staan twee eenpersoonsbedden. Ik heb een waterkoker, een airconditioner, een bureau, een stoel, een kom, twee kleine doekjes, een stuk zeep, een ongeopend dekbed, een klein kussen, een tandenborstel, een tube tandpasta en een oprolbaar matras dat ongeveer zo dik is als een ovenwant. De vloer ligt onder het stof en vuil. De hele hut schudt als je erin rondloop, maar dat merk ik al snel niet meer. Het raam heeft tralies, maar je kunt erdoor naar buiten leunen. Ik heb geen douche. Wel heb ik een internetverbinding die maar liefst 24 keer sneller is dan het internet in mijn hotel in Shanghai.
‘Ik heb er video’s van gezien,’ vertelt een inwoner me later. Er gaan op Douyin, de Chinese versie van TikTok, beelden rond van soortgelijke quarantainefaciliteiten. Toch vind ik de realiteit nog steeds moeilijk te bevatten. Ik had de video’s ook gezien en me vóór mijn aankomst in China afgevraagd of het mogelijk was zo’n plek te vinden. Nu ik er eenmaal in zit, wil ik eruit. Ik stap op een van de personeelsleden in gaspak af en zeg dat ik een buitenlandse journalist ben. Ik hoop dat ik er zo misschien voor kan zorgen dat ik vrijgelaten word. ‘Wat bedoelt u?’ vraagt de medewerker. Niet alleen mijn accent brengt haar in verwarring maar vooral mijn onzinnige vraag.
In China zijn er verschillende manieren om in quarantaine te gaan. Wie China binnenkomt, moet meteen in quarantaine in een hotel, zoals ik zelf net had meegemaakt. Soms gaan mensen thuis in quarantaine; dat gebeurt vooral als de hele stad in lockdown is. Dan heb je nog de quarantaine die coronapatiënten doormaken, ofwel thuis, ofwel in het ziekenhuis. En ten slotte is er de quarantaine voor nabije contacten. Die wordt soms fangcang genoemd, wat ‘portakabin’ betekent. Om de verschillende soorten nauwe contacten, ook wel mijie, te classificeren, is een groot aantal nieuwe woorden ontstaan. Zo is een cimijie een nabij contact van een nabij contact. Een shikongbansuizhe is een nabij contact met een meer flexibele opvatting van ruimte en tijd. Voor de grap vroeg ik een collega hoe je een nabij contact van een nabij contact van een nabij contact zou noemen. ‘Yibanjiechuzhe,’ stelde ze voor.
Ikzelf ben een mijie, en de faciliteit is onmiskenbaar een fangcang-quarantainecentrum. Na wat research op mijn telefoon, ontdek ik dat het op een eiland ten noorden van Shanghai ligt. De eerste ochtend vraag ik aan wat personeelsleden of ze het volledige adres kennen, maar niemand weet het zeker. Het blijkt dat zij ook net zijn aangekomen. Ik word met mijn vragen doorverwezen naar een telefoonnummer dat de ‘klantenservice’ regelt. Maar echte klanten zijn we niet, want alles in het centrum is gratis.
Als het licht de volgende ochtend licht is, kan ik duidelijk zien dat de faciliteit in twee groepen mensen is onderverdeeld. Het personeel draagt gaspakken en wij gewone kleding. Het personeel kan naar buiten, wij niet. Werknemers in witte gaspakken worden in China veelal da bai genoemd. De term laat zich niet precies vertalen, maar bestaat uit de karakters ‘groot’ en ‘wit’. Iemand vertelt me dat die term van een Disney-personage afkomstig was; iemand anders zegt dat het Michelin-mannetje ooit zo werd genoemd.
Een werknemer die ik Werker 1 zal noemen, vertelt me dat hij niets anders van het centrum weet dan dat het ‘P7’ heet. Het is net gebouwd, voegt hij eraan toe, en ik ben er de enige buitenlander. In mei stond er in verschillende Chinese artikelen dat er een faciliteit was gebouwd die P7 heette en maar 5 kilometer verwijderd was van een andere faciliteit, P5. Het is onduidelijk hoeveel soortgelijke faciliteiten er in China bestaan.
Aanvankelijk is het onmogelijk om te zien wat voor mensen er achter de gaspakken van het personeel schuilgaan. Wel kom ik te weten dat ze – net als wij – het centrum niet kunnen verlaten en niets kunnen laten bezorgen. Later vertelt een werknemer mij dat hij 230 renminbi per dag verdient, omgerekend zo’n 36 euro. Uiteindelijk kan ik ondanks hun gaspak, masker en veiligheidsbril toch bepaalde karaktertrekken herkennen. Een typisch stemgeluid bijvoorbeeld, of een bepaalde manier van lopen.
Werknemer 1 – althans, ik denk dat hij het is – zingt altijd ouderwetse liedjes bij het uitdelen van de maaltijden.
Aanvankelijk is het onmogelijk om te zien wat voor mensen er achter de gaspakken van het personeel schuilgaan
‘Laten we een keer afspreken in Shanghai,’ stelt hij voor.
‘Waar woon je?’ vraag ik hem.
‘Dat weet ik nog niet,’ zegt hij. ‘Ik heb geen vaste baan en weet nog niet zeker wat ik na deze maand ga doen.’
Het ritme in het centrum is elke dag hetzelfde: ’s ochtends vroeg worden we gewekt door een geluid dat lijkt op dat van een grasmaaier. In werkelijkheid is het een industriële ontsmettingsmachine die onze ramen en voordeur besproeit. Om acht uur ’s ochtends en twaalf en vijf uur ’s middags worden de maaltijden verstrekt. Rond negen uur ’s ochtends komen er twee verplegers in blauwe gaspakken langs om PCR-tests af te nemen. Eén keer vraag ik of ik ergens anders naartoe gebracht word als ik positief zou testen. ‘Natuurlijk word je dan weggebracht!’ zegt een van de verplegers. ‘Een nieuw leven!’ voegt ze er in het Engels aan toe.
Ik leef volgens een strenge routine, bestaande uit taalstudie, werk, lunch, werk, push-ups, playlists van de band Future Islands, online schaken, lezen en afleveringen van The Boys op Amazon Prime. Altijd in die volgorde. Tussendoor moet ik steeds schoonmaken om het stof enigszins binnen de perken te houden. Ik ben er heilig van overtuigd dat geroutineerd leven een positief effect heeft. De hutten zijn erg gehorig, zodat ik ’s nachts mensen kan horen rondlopen. In zekere zin heb ik geluk. Ik kan alle observaties tenminste nog gebruiken voor mijn werk.
Mijn bed bestaat uit een ijzeren frame en zes houten planken, en het matras is zo dun dat ik helemaal plat moet liggen. Het frame is niet comfortabel genoeg om tegenaan te leunen. Ik moet voor het eerst sinds mijn negende weer terugdenken aan Matilda van Roald Dahl. In dat boek sluit de schooldirectrice onhandelbare kinderen op in een kamer waarin ze op geen enkele manier comfortabel kunnen zitten. Na lang experimenteren ontdekte ik dat ik een rugleuning kon maken door het dekbed om het bedframe te wikkelen.
Maar het fysieke ongemak is niets bij de psychologische impact die de voortdurende onzekerheid veroorzaakt. Bij aankomst werd me verteld dat mijn verblijf zeven dagen zou duren, maar het worden er uiteindelijk tien. De klantenservice vertelt me steeds dat de lijst met mensen die naar huis mogen dagelijks wordt gepubliceerd en niet van tevoren beschikbaar is. Na een tijdje worden al mijn andere problemen irrelevant. Het enige waar ik nog aan denk, is wegkomen.
Parallelle werelden
Eigenlijk moeten we in onze hutten blijven, maar af en toe kunnen we even naar buiten en, voordat de camera alarm slaat, informatie en soms goederen uitwisselen met andere bewoners. Die momenten bieden de meeste hoop op wat nieuws. Eén keer houd ik er wonderlijk genoeg oploskoffie aan over. Een andere keer hoor ik van Bewoner 1 de theorie dat de hutten in feite maar half af zijn. Dat we er met spoed moesten intrekken omdat de quarantainehotels vol waren.
Volgens Bewoner 1 is er verdeeldheid tussen Chinese jongeren en ouderen, omdat de ouderen geen toegang hebben tot het buitenlandse internet en niet meekrijgen hoe de rest van de wereld met de pandemie omgaat. Zij leven in een parallelle wereld, zegt hij; zelf kan hij het verlies van vrijheid niet verdragen. Ik zit ook in een parallelle wereld, waarvan ik de risico’s niet helemaal kan overzien. Hoe meer ik observeer, hoe apathischer ik word.
Rondom de faciliteit staan hoge bomen. Laat in de middag, als de zon ertussendoor schijnt, kun je de deur openen en het licht naar binnen laten stromen. Een moment lang licht de hele plek op door de prachtige eenvoud van het platteland. Op een dag raak ik rond dat tijdstip in gesprek met drie vrouwelijke medewerkers die vaak in de buurt van mijn hut komen kletsen. Hun beleving van hun werkplek, waar ik opgesloten zit en zij lange diensten moeten draaien, verschilt radicaal van de mijne. Het is er prima, zeggen ze. Jij hebt je computer.
‘China’s eerste- en tweederangs steden, en derde-, vierde- en vijfderangs steden, steden voor hoge, gemiddelde en lage inkomens, zijn ook allemaal parallelle werelden,’ vertelt Bewoner 1 me later.
De term ‘da bai’ kreeg een donkerder connotatie binnen de context van het Chinese klassensysteem. Hij verwijst losjes naar de traumatische gebeurtenissen uit de Culturele Revolutie, waarin gewone mensen, waaronder veel studenten, zogenaamde ‘rode wachters’ werden en werden aangemoedigd om de klassenorde omver te werpen. Mensen die rijk en machtig waren geweest, zagen hoe de rollen plotseling werden omgedraaid. Een Chinees gezegde luidt: ‘Wie schoenen van gras draagt is niet bang voor wie leren schoenen draagt.’ De laatste maanden wordt online soms de uitdrukking ‘witte wachters’ gebruikt, die doet denken aan de rode wachters van vroeger.
Ik vervolg mijn gesprek met de drie vrouwen. Zij hebben het gevoel dat wat er bij P7 gebeurt, normaal is, wat vreemd genoeg overtuigend klinkt. Het is alsof het bureaucratische systeem, en niet het virus, het natuurlijke fenomeen in kwestie is: een fenomeen dat gedijt in de ruimte tussen mensen in, niet in de mensen zelf. Misschien heb ik het helemaal verkeerd ingeschat. Dit lijkt helemaal niet op een gevangenis.
‘Ben je bang voor corona?’ vraag ik.
‘Ja,’ zeggen ze. ‘Hoe dan ook,’ voegt iemand eraan toe, ‘als je positief test, is het moeilijk om werk te vinden.’
Ze testen ook de vloer, mijn tas, mijn mobiele telefoon en de afstandsbediening van de airconditioning. Allemaal zijn ze negatief, net als alle andere tientallen tests die ik de afgelopen twee weken heb gedaan
‘Hoe oud ben jij? Veertig?’ vraagt een van hen.
‘Ik ben drieëndertig,’ zeg ik.
‘Zo jong! Mijn zoon is even oud.’
‘Heb je hier geen heimwee?’ vraag ik.
Ze aarzelen even, wachten met antwoorden. ‘Het is een baan,’ zegt iemand uiteindelijk.
‘Dat weet ik,’ zeg ik. ‘Maar mis je thuis niet?’
‘Natuurlijk mis ik het.’
Het is gemakkelijker om naar de hemel te klimmen dan het systeem achter de namenlijsten in P7 te doorgronden. Om op de lijst te komen die je toestaat te vertrekken, moet je een dag eerder op de zogenaamde dubbeletestlijst hebben gestaan. Als dat het geval is, nemen verplegers een monster uit je ene neusgat en mond, en dan uit je andere neusgat. Ik heb uitvoerig gelobbyd om op die lijst terecht te komen, maar niemand kan ook maar iets bevestigen tot op de dag zelf.
Als de verplegers bij me komen, testen ze ook de vloer, mijn tas, mijn mobiele telefoon en de afstandsbediening van de airconditioning. Allemaal zijn ze negatief, net als alle andere tientallen tests die ik de afgelopen twee weken heb ondergaan. Eindelijk wordt mijn code groen.
Nu mijn vertrek nadert, trek ik voor het eerst sinds lange tijd mijn eigen schoenen weer aan. Ze zijn van leer. Op het lokale nieuws zie ik dat ze in de buurt van Shanghai alweer bezig zijn een faciliteit te bouwen. Voor mensen die daadwerkelijk corona hebben. Op het internationale nieuws wordt verteld dat China’s twintigste partijcongres, dat na mijn aankomst begon, bijna afgerond is. Ik vraag Werker 1 of hij al besloten heeft wat hij gaat doen. Hij wil er nog een tijdje langer blijven werken, vertelt hij me. Veertig dagen: een echte quarantaineperiode. Als ik bij mijn vertrek Bewoner 1 de hand schud, is dat het dichtst dat ik bij een andere persoon in de buurt ben gekomen, afgezien van de vele PCR-tests.
Voordat ik de bus in stap, krijg ik een certificaat overhandigd. Het is alsof ik, Tnomab William Hale, een examen heb gehaald, of in ieder geval een opleiding heb afgerond. De bus zit vol. Er staat geen radio aan; iedereen draait hardop muziek uit telefoonluidsprekers, die al snel wordt overstemd door de luchtstroom vanuit de open ramen. Ik denk dat de reis zal eindigen met een spectaculair uitzicht op de wolkenkrabbers in de stad. Maar ik val al snel in slaap, en als ik wakker word, merk ik ze nauwelijks op.
Vrijheid
Terug in mijn hotel is het warme water warm en het matras zacht. Het getal op de weegschaal in de badkamer is kleiner geworden. Tijd voor een feestmaal. Maar in elk restaurant moet ik mijn QR-code laten scannen, wat betekent dat ik het hele proces misschien zomaar opnieuw zou moeten doorlopen.
Ik zwerf enige tijd rond op straat en vraag me af wat ik ga doen. Terwijl ik langs grote groepen mensen in bars en restaurants loop, bedenk ik dat je wel gek moet zijn om de risico’s van vrijheid zo licht op te vatten. Die mensen leven in een parallelle wereld.
Ik loop naar een steakrestaurant en vraag of ik mijn code moet laten scannen om een afhaalmaaltijd te bestellen. Als ze nee zeggen, voel ik grote opluchting. Plotseling zie ik mezelf: een man die ik Tnomab zal noemen, van bijna 1 meter 80, met haar dat niet meer blond maar ook nog niet grijs is, met een snor en een stoppelbaard van tien dagen oud. Terwijl hij naar zijn telefoon grijpt, beweegt hij gehaast maar ook vermoeid, alsof hij bereid is elk bedrag te betalen.






