Tag: zienswijzen

  • ‘We moeten heel anders tegen de tijd aan gaan kijken’

    ‘We moeten heel anders tegen de tijd aan gaan kijken’

    In het Westen zijn we gewend door de bril van de lineaire vooruitgang te kijken. Volgens de Britse filosoof Julian Baggini – en populaire films/series als Tenet en Dark – is het tijd voor een geheel nieuwe visie. Zo heeft het tijdsbegrip van bijvoorbeeld de oorspronkelijke Australiërs meer weg van de ruimtetijd van de moderne natuurkunde.

    Dit stuk verscheen eerder in #152

    Het is een van de wonderlijke mysteries in de geschiedenis van de mensheid dat de eerste schriftelijke wereldbeschouwingen in verschillende delen van de wereld min of meer gelijktijdig tot bloei kwamen. De eerste sporen van zowel de Indiase, Chinese en Griekse wijsbegeerte als die van het boeddhisme zijn te herleiden tot een periode van zo’n driehonderd jaar die begon in de achtste eeuw voor Christus. Die oude wereldbeschouwingen hebben hun stempel gedrukt op de manier waarop veel mensen hun leven inrichten, religie beleven en aankijken tegen de grote vragen die ons allemaal bezighouden. 

    De meeste mensen komen zelden met een expliciete formulering van de filosofische veronderstellingen die aan hun eigen denken ten grondslag liggen, ze zijn er zich vaak niet eens van bewust. Maar veronderstellingen over de aard van het ik, over goed en kwaad, wat waarheid is en wat we in het leven moeten nastreven, zijn diep verankerd in onze cultuur en vormen ons denken, zonder dat we het beseffen.

    Neem bijvoorbeeld het idee van tijd. Overal ter wereld is tijd tegenwoordig een lineair begrip, onderverdeeld in heden, verleden en toekomst. Onze dagen worden ingedeeld door de klok, onze levens door kalenders en agenda’s, en de geschiedenis door tijdlijnen die millennia bestrijken. Nu bestaat in alle culturen wel een begrip van heden, toekomst en verleden, maar in de geschiedenis van de mensheid heeft dat begrip heel lang berust op een idee van tijd als een cyclisch verschijnsel. 

    De gedachte dat het verleden ook de toekomst is en de toekomst ook het heden, dat het einde in het begin ligt besloten. De dominantie van ons lineaire tijdsbegrip gaat goed samen met een eschatologisch wereldbeeld waarin de hele geschiedenis van de mensheid toewerkt naar een laatste oordeel. Vandaar wellicht dat dit lineaire tijdsbegrip in het overwegend christelijke Westen gaandeweg de vanzelfsprekende manier van denken is geworden. Toen God de aarde schiep, begon hij daarmee een verhaal met een begin, een midden en een eind.

    ‘Nu bestaat in alle culturen wel een begrip van heden, toekomst en verleden’

    Maar er zijn ook andere manieren om naar tijd te kijken. Tal van wereldbeschouwingen gaan ervan uit dat het begin en het einde altijd een en hetzelfde zijn geweest en de tijd in wezen cyclisch is. Dat is ook de meest intuïtieve manier om je zoiets als de eeuwigheid te kunnen voorstellen. Als we de tijd visualiseren als een lijn, stelt ons dat immers voor een raadsel: wat gebeurde er dan voordat de tijd begon? Hoe kan een lijn doorlopen zonder ooit een eindpunt te bereiken? Met het beeld van een cirkel kunnen we ons voorstellen dat de tijd voor- of achteruit kan gaan zonder ooit een eind te bereiken.

    Vooral in premoderne samenlevingen lag het zeer voor de hand om de tijd als cyclisch te zien. Daarin werden zelden nieuwe uitvindingen gedaan, zodat je een leven leidde dat niet of nauwelijks verschilde van dat van je grootouders of overgrootouders en de vele generaties daarvoor. Vandaar wellicht dat een cyclische tijdsopvatting in zo’n beetje iedere beschaving de uitgangspositie lijkt te zijn geweest. Zo werd tijd beleefd door de Maya’s, de Inca’s en de Hopi. Je vindt nog steeds elementen van cyclisch denken over tijd in tal van niet-westerse tradities, misschien nog het duidelijkst in de klassieke Indiase filosofie. 

    Zoals de Indiase filosoof en staatsman Sarvepalli Radhakrishnan schreef: ‘Alle [orthodoxe] systemen accepteren de idee van het grote wereldritme. Lange perioden van schepping, behoud en ontbinding volgen elkaar op in eindeloze afwisseling.’ Een passage uit de Rig-Veda [het oudste van de vier godsdienstige hindoegeschriften die bekendstaan als de Veda’s] over Diaus en Prithvi (hemel en aarde) luidt bijvoorbeeld: ‘Welk van de twee was de eerste, welke de laatste? Hoe is het ontstaan? O wijzen, wie weet het? Zij dragen alles in zich wat bestaat. Dag en nacht wentelen om elkaar als op een rad.’

    De Oost-Aziatische wereldbeschouwing is diepgeworteld in de kringloop der seizoenen, die weer deel uitmaakt van de grotere kringloop van het bestaan. Dat is vooral goed te zien in het taoïsme en wordt mooi geïllustreerd door het verhaal over de filosoof Zhuang Zi, die leefde in de vierde eeuw voor Christus en die zich na de dood van zijn vrouw niet verdrietig maar verrassend vrolijk betoonde. Aanvankelijk was hij net zo bedroefd geweest als ieder ander, legde hij uit. 

    Toen had hij teruggedacht, niet alleen aan zijn vrouw maar aan wat daarvoor kwam, aan het begin van de tijd zelf: ‘In al die chaos en verwarring veranderde er iets en er was qi. En het qi veranderde en werd vorm. De vorm veranderde en zij werd levend. En nu is er weer iets veranderd en is ze dood. Het is als de kringloop van de vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter.’ In de Chinese wereldbeschouwing zijn wijsheid en waarheid eeuwige waarden en moeten we niet streven naar vooruitgang om meer te leren, maar alleen proberen te behouden wat we al hebben.

    Cyclische verjonging

    In de islamitische wereldbeschouwing zijn cyclisch en lineair denken met elkaar verknoopt. ‘De islamitische opvatting van tijd berust in wezen op de cyclische verjonging van de mensheid door de verschijning van verschillende profeten,’ zegt Seyyed Hossein Nasr, emeritus hoogleraar islamstudies aan de George Washington University. Maar elke cyclus bracht de mensheid ook een stapje verder, elke openbaring bouwde voort op de vorige, tot aan de laatste openbaring toe, de influistering van het woord Gods in de vorm van de Koran aan de profeet Mohammed. 

    Deze reeks van opeenvolgende cycli zal uiteindelijk worden afgesloten met de komst van de Mahdi, veertig jaar voor het laatste oordeel. Er is dus niet altijd een overzichtelijk onderscheid tussen lineaire en cyclische tijdsopvattingen. Vanuit de gedachte dat die twee elkaar uitsluiten, gaat men er vaak bij voorbaat van uit dat orale filosofische tradities wel een cyclisch tijdsbegrip zullen hebben. De werkelijkheid is complexer. Neem de wereldbeschouwing van de oorspronkelijke bevolking van Australië. 

    In de hitfilm Tenet en de populaire serie Dark wordt al creatief gespeeld met het begrip tijd.

    Er was daar niet één volk met één gedeelde cultuur, maar over het hele continent vertonen de verschillende inheemse culturen wel genoeg onderlinge overeenkomsten om wat voorzichtige conclusies te kunnen trekken over de ideeën die daar gemeengoed of dominant zijn. Volgens de antropoloog David Maybury-Lewis is tijd in de inheemse Australische cultuur cyclisch noch lineair, en heeft het tijdsbegrip van de inheemse volken meer weg van de ruimtetijd van de moderne natuurkunde. Tijd is voor hen nauw verbonden met plaats in wat hij de ‘droomtijd’ noemt, van ‘heden, verleden en toekomst die allemaal op deze plaats samenkomen’.

    ‘Je leeft meer in ruimte dan in tijd,’ schrijft Stephen Muecke in zijn boek Ancient and Modern: Time, Culture and Indigenous Philosophy. Belangrijker dan het onderscheid tussen lineaire en cyclische tijd is de vraag of tijd losstaat van plaats of daar nauw mee verbonden is. Neem bijvoorbeeld ons denken over de dood. In het Westen wordt de dood vooral gezien als het overlijden van het individu, waarbij het lichaam de locus van dat overlijden is en de locatie van dat lichaam er niet toe doet. 

    Muecke daarentegen schrijft: ‘Bij inheemse opvattingen over de dood van het individu gaat het vaak niet zozeer om de dood van het lichaam als om een terugkeer van de energie naar de oorsprong, naar de plek waar die energie vandaan kwam en nu naar terugkeert.’ Hij verwijst naar de opvatting van de Australische onderzoeker Tony Swain dat het idee van lineaire tijd eigenlijk verweesd is geraakt van dat van plaats. 

    ‘Ik heb zo’n idee dat de moderne natuurkunde die twee dimensies van elkaar gescheiden en verder bewerkt heeft, en door een heel proces van experimenteel en theoretisch werk is gekomen tot het tijdsbegrip zoals wij dat kennen,’ vertelt Muecke mij. ‘Als je die dimensies niet theoretisch en experimenteel van elkaar scheidt, heb je de neiging om ze als één geheel te zien.’ Zijn inheemse vrienden praten niet zozeer over tijd of plaats afzonderlijk, als wel over gebeurtenissen op specifieke locaties. De centrale tijdsvraag is bij hen niet: ‘Wanneer is dit gebeurd?’ maar: ‘Hoe verhoudt deze gebeurtenis zich tot andere gebeurtenissen?’

    still from the clock by christian marclay on exhibit at the los angeles county museum of art 4
    @ Still uit de video-installatie ‘The Clock’ van Christian Marclay

    Die ‘verhouding’ is belangrijk. Tijd en ruimte zijn in de moderne natuurkunde theoretische abstracties geworden, maar in onze cultuur zijn het concrete realiteiten. Er is niets wat alleen als een coördinaat op een kaart of een moment in de tijd bestaat: alles staat in verhouding tot al het andere. Om de tijd en ruimte van orale wereldbeschouwingen te begrijpen, moeten we die dus niet zien als abstracte concepten van metafysische theorieën, maar als levende begrippen die een onlosmakelijk deel zijn van een wereldbeeld dat is geworteld in de gedachte van verbondenheid. 

    David Mowaljarlai, een belangrijk leider van het Ngarinyin-volk in West-Australië, noemde dit principe van verbondenheid ooit ‘patroondenken’. In patroondenken vloeien natuur en samenleving in elkaar over, zijn dat geen twee aparte werelden maar delen van één groter geheel. In de woorden van Muecke: ‘Het concept van verbondenheid is natuurlijk de basis van alle verwantschapssystemen. […] Trouwen is dan niet alleen een manier om met iemand te zijn, maar ook om elkaar in zekere zin te delen.’

    Die nadruk op verbondenheid en plaats levert een manier van denken op die indruist tegen het abstracte universalisme dat tot op zekere hoogte in alle grote schriftelijke wereldbeschouwelijke tradities terug te vinden is. Een van de ‘blijvende [inheemse Australische] principes’ is volgens Muecke dat ‘iemands gedrag altijd samenhangt met de specifieke middelen en behoeften van een tijd en plaats, en zekere verantwoordelijkheden met zich brengt die eigen zijn aan die plaats.’ Dit is geen ‘anything goes’-relativisme, maar de erkenning van het feit dat rechten, plichten en waarden alleen binnen een concrete menselijke cultuur kunnen bestaan en dat de exacte vorm ervan zal afhangen van de aard van die concrete situatie.

    ‘Inheemse vrienden praten niet over tijd of plaats, maar over gebeurtenissen op specifieke locaties’

    Vooruitgang

    In het Westen wordt de dominantie van het lineaire tijdsbesef doorgaans in verband gebracht met een vooruitgangsgeloof dat zijn apotheose bereikte in de Verlichting. Zoals de filosoof Anthony Kenny het beschrijft: ‘Bij het zoeken naar idealen had men tot die tijd altijd teruggekeken: naar de vroegchristelijke kerk, de klassieke oudheid of een mythisch tijdperk voor de zondeval. Een kernpunt in de leer van de Verlichting was juist dat de mensheid niet van een eerdere hoogte gevallen was, maar een steeds betere toekomst tegemoetging.’ 

    Dat is een wijdverbreid beeld, maar anderen denken dat het geloof in vooruitgang diepgewortelder is, en wel in het eschatologische wereldbeeld van het christendom. Zo schrijft de filosoof John Gray dat seculiere denkers ‘de voorzienigheid afwijzen, maar toch blijven denken dat de mensheid op weg is naar een universeel doel’, ook al is ‘de hele idee van historische vooruitgang een mythe die is ontstaan uit de behoefte aan zingeving’. 

    Maar of de Verlichting het vooruitgangsgeloof nu zelf heeft bedacht of van het christendom heeft geleend: het beeld van humanisten als aanhangers van een naïef geloof in onstuitbare lineaire vooruitgang lijkt me een karikatuur van hun – veel bescheidener, en op historische feiten berustende – hoop dat er in het verleden daadwerkelijke vooruitgang is geweest, en er dus meer vooruitgang mogelijk is.

    Gray heeft alleen wel gelijk dat we in het Westen alles door de bril van de lineaire vooruitgang zien, en daardoor blind dreigen te raken voor valse vooruitgang en werkelijke achteruitgang. Die zienswijze bevordert bovendien een soort superioriteitsgevoel van het heden jegens vroegere, zogenaamd minder ‘ontwikkelde’ tijden. En beneemt het zicht op de mate waarin de geschiedenis zich niet herhaalt, maar wel vaak rijmt (zoals de 19e-eeuwse Amerikaanse schrijver Samuel Clemens alias Mark Twain gezegd schijnt te hebben). 

    De verschillende wijzen waarop in uiteenlopende wereldbeschouwelijke tradities over tijd wordt gedacht blijken zeker niet alleen maar metafysische curiositeiten te zijn. Ze bepalen de manier waarop wij denken over onze temporele plaats in de geschiedenis én onze verhouding tot de fysieke plaats waar we leven. Het is een van de gemakkelijkste en duidelijkste voorbeelden van hoe een ander cultureel denkraam ons een nieuwe kijk op de wereld kan bieden. Alleen al door een schilderij in een andere lijst te hangen gaat het er soms heel anders uitzien.