Tag: zwart

  • China: onderzoekers ontwikkelen extreem zwarte autolak

    China: onderzoekers ontwikkelen extreem zwarte autolak

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran: ayatollah Khamenei keurt de overeenkomst met de VS goed

    » Niger: aanval op luchthaven van Niamey kost 35 mensen het leven

    Sommige autokopers vinden diepzwarte lak bijzonder elegant

    Chinese onderzoekers hebben een uitzonderlijk diepzwarte kleur ontwikkeld die naar verluidt 99,9 procent van het invallende licht absorbeert. Het team onder leiding van Zhiwei Liu van de Nippon Paint Company in Shanghai denkt dat de kleur geschikt is voor autolak. De lak combineert roet als pigment met minuscule koolstofnanobuisjes, waardoor licht niet alleen wordt geabsorbeerd, maar ook meerdere malen wordt verstrooid, schrijft Der Spiegel.

    Sommige autokopers beschouwen diepzwarte lak als bijzonder elegant – volgens de onderzoekers geldt dit met name voor de Chinese markt. ‘Diepzwarte lak wordt al lange tijd beschouwd als een premium keuze en een kenmerkend element van luxe auto’s vanwege de elegante uitstraling, sterke visuele impact en luxueuze ondertoon,’ legt Liu uit.

    Het onderzoek zou geïnspireerd zijn door de Duitse autogroep BMW, die in 2019 een zeer diepzwart – het zogenaamde Vantablack – met gerichte koolstofnanobuisjes presenteerde op een conceptauto.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Liu en zijn team testten verschillende verhoudingen van roet en nanobuisjes. Ze publiceren hun resultaten nu in het tijdschrift Matter & Light. Omdat de nanobuisjes de oplossing stroperig maakten, probeerden de onderzoekers hun aandeel relatief laag te houden. Volgens Liu en zijn team kunnen koolstofzwartpigmenten maximaal 99,8 procent van het invallende licht absorberen; de rest wordt gereflecteerd. Om reflectie verder te verminderen, moeten de fijnste structuren ervoor zorgen dat het licht meerdere keren wordt verstrooid – en daarvoor dienen de nanobuisjes.

    Ze testten de kleur in een centrifuge bij vierduizend omwentelingen per minuut en stelden deze gedurende veertien dagen bloot aan een omgeving van 40 graden Celsius en 95 procent luchtvochtigheid. De kleur veranderde niet significant als gevolg van deze en andere tests, waardoor de onderzoekers denken dat het geschikt is voor autolakken.

  • Is Spanje een racistisch land?

    Is Spanje een racistisch land?

    Real Madrid-spits Vinícius Júnior werd onlangs door fans van de tegenpartij uitgescholden voor ‘aap’. En dat was niet de eerste keer. In een reactie noemde hij Spanje een racistisch land. Zijn uitspraak verdeelt de Spaanse pers.

    ‘Racisme houdt niet op in LaLiga’, schrijft El País nadat Real Madrid-spits Vinícius Júnior op 21 mei tijdens een wedstrijd tegen Valencia racistisch was bejegend door supporters van de tegenstander. ‘Het was niet de eerste keer dat het de Braziliaan overkwam en ook niet de enige keer in de afgelopen jaren in LaLiga’, vervolgt de Spaanse krant.

    Vooral een tweet die de voetballer na de wedstrijd postte, ontketende in Spanje het debat over hoe diep het racisme in de haarvaten van de maatschappij zit. Vinícius Júnior schreef daarin dat ‘Spanje in Brazilië bekend staat als een land van racisten’.

    Terecht, schrijft de Cubaanse journalist Abraham Jiménez Enoa, die woonachtig is in Spanje, ‘de kleur van mijn huid heeft mijn ervaring in dit land getekend’. Nee, ‘een land met racisten is niet hetzelfde als een racistisch land, aldus Josep Martí Blanch, columnist van El Confidencial.

    Nee: ‘Spanje is tegenwoordig geen racistisch land’

    ‘Spanje is geen racistisch land. Het draagt ook niet het beeld van een racistische samenleving uit naar de wereld. Zo is het’, schrijft Josep Martí Blanch in El Confidencial. ‘Vinícius Júnior heeft het mis.’ Vooral de uitspraak van de spits van Real Madrid dat Spanje wereldwijd bekendstaat als een racistisch land is Martí Blanc in het verkeerde keelgat geschoten.

    Dat moet niet begrepen worden als kritiek op Vinícius, ‘de beste speler van dit seizoen’, aldus Martí Blanch. ‘Wat de jonge Braziliaanse speler in het Mestalla [het stadion van Valencia] heeft meegemaakt, verklaart niet alleen zijn woede-uitbarsting en verontwaardiging, maar rechtvaardigt die ook. Maar dat zijn woede terecht is, betekent nog niet dat hij gelijk heeft. Spanje, laat ik het nog een keer herhalen, is geen racistisch land. Nog niet. Maar dat neemt niet weg dat we dat in het verleden wel zijn geweest en dat we dat in de toekomst weer kunnen worden.’

    Martí Blanch wil dan ook niet ontkennen dat er racisme in Spanje is. ‘Dat Spanje geen racistisch land is, betekent niet dat er geen racistische Spanjaarden zijn. Natuurlijk zijn die er. Ongelofelijk veel. (…) Wat er zondag in Valencia is gebeurd, is beschamend. En elke keer als er zoiets gebeurt – Vinícius was niet de eerste en zal ook niet de laatste zijn – is het gerechtvaardigd om het debat weer aan te zwengelen over hoe we nog meer kunnen doen in de strijd tegen racisme. Maar wat niet verstandig is, is dat de acties van een zeer klein deel van de fans – in dit geval de supporters van Valencia – worden gebruikt om maximalistische stellingen te omarmen over hoe racistisch Spanjaarden zijn’, vervolgt de El Confidencial-columnist.

    ‘Dat Vinícius een slachtoffer is en heel boos, geeft hem nog geen gelijk’

    ‘Er zijn veel manieren om een debat vanaf het begin te laten ontsporen. Eén daarvan is om een categorische uitspraak te doen over iets wat, hoewel het niet anekdotisch is, verre van algemeen gangbaar is. Beweren dat Spanje een racistisch land is, heeft dezelfde waarde als met een uitgestreken gezicht beweren dat alle migranten criminelen zijn.’

    Volgens Martí Blanch is het algemeen aanvaard in Spanje dat iemand vernederen vanwege zijn huidskleur not done is en beschikt het land over voldoende wetten om dat gedrag te bestraffen. ‘We kunnen het nog wel hebben (…) over de laksheid van voetbalinstanties als het gaat om het streng hanteren van de meest radicale dwang- en ontmoedigingsmiddelen die ze tot hun beschikking hebben – het schorsen van wedstrijden en het aftrekken van punten – zodat de racist niet alleen bang moet zijn voor de wet, maar ook en vooral voor de fan die naast hem staat en met wie hij de liefde voor dezelfde club deelt.’

    Maar in deze discussie kan volgens Martí Blanch ‘het uitgangspunt niet zijn om als vanzelfsprekend aan te nemen dat Spanje als land medeplichtig is aan racisme of, erger nog, dat het een land is met wijdverspreid racisme, zoals de ster van Real Madrid beweert. Een land met racisten is niet hetzelfde als een racistisch land. Vinícius kan daar natuurlijk anders over denken, dat staat buiten kijf. Hij kan blijven rekenen op ons medeleven en onze solidariteit. Maar dat hij een slachtoffer is en heel boos, geeft hem nog geen gelijk. Tenminste, niet op alle vlakken. Niet in dit geval’, besluit de columnist.


    Ja: ‘Racisme tekent het dagelijks leven van iedereen die niet wit is’

    ‘Ik woon nu een jaar en vier maanden in Spanje. Ik ben geen Braziliaan, geen profvoetballer en ik heet ook geen Vinícius. Maar ik ben zwart, net als de speler van Real Madrid. En helaas heeft mijn huidskleur een stempel gedrukt op mijn ervaring in dit land’, zo opent Abraham Jiménez Enoa, een Cubaanse journalist die door toenemende druk van het regime zijn land is ontvlucht.

    Jiménez Enoa, die in 2022 de Internationale Persvrijheidsprijs van het Amerikaanse Committee to Protect Journalists ontving, schrijft in El País dat hij het sinds zijn aankomst in Spanje in zijn dagboek noteert als hij racistisch bejegend wordt. ‘Elk van deze voorvallen, elke scène van ervaren discriminatie, met hun respectievelijke beschrijvingen, heb ik opgeschreven. Ik zit nu op honderdtweeëntachtig in haast anderhalf jaar.’

    Zo schrijft hij: ‘Daarom kan ik sinds vanmorgen niet stoppen met het bekijken van de walgelijke video’s uit het Mestalla-stadion, waarin fans onacceptabele beledigingen naar Vinícius slingeren. Daarom heeft het vertrokken gezicht van de speler als hij die beestachtigheid moet aanhoren, zo veel woede, zo veel ontzetting in me opgeroepen. Omdat ik weet wat Vinicius op dat moment voelt, dezelfde hulpeloosheid, dezelfde vijandigheid die ik heb gevoeld, wanneer ik in een winkel te horen kreeg dat ik een vervalst biljet gaf zonder dat het gecontroleerd werd, wanneer ik in het openbaar vervoer om identificatie werd gevraagd, wanneer ze er in bars van uitgingen dat ik daar werkte en niet dat ik daar was voor mijn plezier, als ze op straat mijn zoon met een lichtere huidskleur “complimenteren”, als ik een markthal in loop en winkelbedienden achter mijn rug om hoor zeggen dat ze me in de gaten moeten houden omdat ik een tas bij me heb, als witte mensen me iemand met een kleurtje noemen, alsof zwart de enige kleur is die er bestaat en wit geen kleur is. Want alles wat Vinicius dit seizoen in verschillende stadions heeft moeten doorstaan, gebeurt ook buiten de voetbalvelden van Spanje.’

    ‘De enige manier om racisme te bestrijden is te erkennen dat het bestaat’

    De Cubaans journalist hekelt het feit dat racisme alleen discussiethema is als het betrekking heeft op voetbal, met al zijn media-aandacht. ‘Het trieste is dat we het vandaag over racisme in Spanje hebben vanwege de zaak Vinicius en niet vanwege het bestaan van het fenomeen, terwijl de mantra “Spanje is niet racistisch, maar in Spanje zijn er racisten” overal wordt herhaald. Iedereen praat nu over racisme omdat we het hebben over een speler van Real Madrid, een commerciële ster, een miljonair. Want er zijn maar weinig zaken op deze planeet met een grotere zichtbaarheid dan voetbal. Als het niet daar was voorgevallen, zou niemand het erover hebben’, schrijft Jiménez Enoa.

    ‘Natuurlijk is er racisme in Spanje’, vervolgt hij. ‘Het tekent het dagelijks leven van iedereen die niet wit is. Het zijn geen geïsoleerde gevallen, zoals veel media, intellectuelen, politici, zakenmensen, allemaal wit natuurlijk, de samenleving willen doen geloven: het is iets van vroeger, iets uit de provincie, van ouderen. Nee, nee en nee. Ik herhaal: racisme in Spanje bestaat. En vandaag de dag is het maar al te aanwezig in het dagelijks leven van mensen.’

    ‘De enige manier om racisme te bestrijden is te erkennen dat het bestaat. De Spaanse samenleving als geheel moet haar uiterste best doen om het uit te roeien. Dit is een serieuze strijd waarin geen plaats is voor schone schijn. Het heeft geen zin om in een voetbalstadion een spandoek op te hangen met de tekst “Nee tegen racisme”, terwijl daarvoor lachende fans staan die “aap” schreeuwen naar zwarte spelers’, besluit Jiménez Enoa.

    Lees ook:

  • VS: 91 jaar na executie wordt zwarte tiener alsnog onschuldig verklaard

    VS: 91 jaar na executie wordt zwarte tiener alsnog onschuldig verklaard

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Frankrijk, Italië, Duitsland en Roemenië steunen EU-kandidatuur Oekraïne

    » Duizenden runderen sterven door hittegolf in Kansas

    Williams kreeg als jongste persoon ooit doodstraf in Pennsylvania

    In de Verenigde Staten is een jonge zwarte man eenennegentig jaar na zijn executie alsnog onschuldig verklaard. Alexander McClay Williams werd op zestienjarige leeftijd veroordeeld en geëxecuteerd voor het neersteken van een witte lerares. Decennialang heeft zijn familie beweerd dat hij ten onrechte was veroordeeld. Deze week werd hij door een rechtbank in Pennsylvania vrijgesproken, aldus Philadelphia Inquirer.

    ‘In 1931 had een witte jury slechts vier uur nodig om Alexander McClay Williams, een zwarte tiener, te veroordelen voor het neersteken van een lerares op de Glen Mills School for Boys in Delaware County’, schrijft de lokale krant. Vijf maanden later werd Williams, zestien jaar oud, geëxecuteerd. Hij was daarmee de jongste persoon in Pennsylvania ooit die ter dood werd gebracht.

    Met hulp van de achterkleinzoon van de advocaat die hem tijdens het proces vertegenwoordigde, probeerde zijn familie tientallen jaren lang zijn onschuld te bewijzen, en deze week werd Williams eindelijk postuum in het gelijk gesteld. Het nieuws werd met opluchting begroet door zijn enige overlevende zus (92), meldt Philadelphia Inquirer.

    Lees ook:

  • ¡Viva Francia! Colombia’s toekomstige vicepresident is zwart en feminist

    ¡Viva Francia! Colombia’s toekomstige vicepresident is zwart en feminist

    Alles wijst erop dat Francia Márquez binnenkort verkozen gaat worden. Haar leven als zwarte vrouw in een door geweld verscheurd land was allesbehalve gemakkelijk. Toch zijn haar ambities groot. ‘President, zeker, maar eerst vicepresident.’

    Op het podium spreekt de ene man na de andere zonder dat iemand er aandacht aan besteedt. De menigte op het centrale plein van Santander de Quilichao, in het Colombiaanse departement Cauca, kijkt afwezig toe hoe de zon ondergaat. Ze zijn niet voor deze mannen gekomen.

    Als de hoofdrolspeler op het podium arriveert, verandert de stemming. Het publiek brult: ‘Viva Francia Márquez, goddomme, het volk geeft niet op, goddomme!’ Ze lacht zonder haar tanden te ontbloten. Ze is gekleed in een gele jurk, over haar schouder hangt een gebreide tas. Als ze begint te spreken, slaat de sfeer in een keer om: ‘Ze zeggen dat mannen geen abortus plegen, maar ik zeg van wel. In Colombia plegen ze elke keer abortus als ze hun kinderen verlaten. Ze aborteren hun ouderlijke verantwoordelijkheid!’

    Op het podium trekt ze een pokerface, terwijl in de menigte het applaus losbarst. Haar gezicht verandert niet. Hier staat een veertigjarige zwarte vrouw die als kind met een witte man wilde trouwen. Die met de dood werd bedreigd en haar huis moest verlaten omdat ze opkwam voor haar gemeenschap. Die in haar eentje twee kinderen opvoedde omdat hun vaders verdwenen en die andermans huizen schoonmaakte om te kunnen eten. Een Colombiaanse vrouw die nooit had verwacht op daar op dat podium terecht te komen. Die de helft van haar leven in angst heeft geleefd. Die op zestienjarige leeftijd moeder werd. Daarom zegt ze nu wat ze wil en hoe ze het wil.

    ‘Hier staat je dochter. Hier staat je vicepresident‘

    ‘Ik heb er niet om gevraagd de politiek in te gaan. Maar de politiek bemoeide zich met mij en nu bemoeien wij ons met de politiek. Niet omdat we daarvoor worden betaald, maar omdat we het willen. Hier staat je dochter. Hier staat je vicepresident.’

    Francia Márquez heeft alle machtspatronen in Colombia doorbroken. Ze staat op het punt de eerste zwarte vrouwelijke vicepresident te worden. En dan ook nog als linkse Afro-Colombiaanse vrouw in een land waar links nog nooit geregeerd heeft. Bij de voorverkiezingen in maart verwierven slechts twee coalities die aan de verkiezingen deelnamen meer stemmen dan zij. Ze kreeg er bijna 800.000. Het resultaat dwong Gustavo Petro, die de meeste kans maakt om de volgende president te worden, haar als zijn nummer twee te kiezen. Het is geen geheim dat dit niet zijn bedoeling was. Hun relatie is nooit gemakkelijk geweest. Maar toch staat ze er.

    Had Petro de deur voor haar dichtgehouden, dan zou Lina Alegría aanstaande zondag niet op hem stemmen. Omdat niemand zich ooit om de mensen uit Cauca heeft bekommerd, zegt ze. En al helemaal niet om de vrouwen. ‘De alternatieven, allemaal mannen, waren net zo macho als die mannen van rechts. Zij vertegenwoordigt vrouwen, dat is haar territorium. Dat geeft ze door aan Petro. Daarom stemden wij voor Francia,’ zegt de jonge vrouw.

    Hoop op een waardig leven

    Ze is eenentwintig en maakt deel uit van de feministische groep Insurrectas. Die werd hier opgericht aan de Colombiaanse Stille Oceaan, in het departement dat het zwaarst getroffen is door geweld, wordt geteisterd door armoede, gebruikt als doorvoerhaven voor drugs, uitgebuit voor illegale mijnbouw. Een bakermat van ellende waar de staat net zo onvindbaar is als de duizenden kinderen waarnaar duizenden moeders in de dorpen naar zoeken. Er zijn veel vrouwen zoals zij, die mooi uitgedost onder een tentzeil als beschutting tegen de brandende zon staan te wachten op degene die zij niet alleen zien als een zwarte vrouw, maar als ’hun hoop op een waardig leven’. Het is misschien de eerste keer in hun leven dat ze hoop hebben. Iemand die ze begrijpen wanneer ze zegt: ’Het doet pijn om een kind te baren, borstvoeding te geven en het dan te moeten begraven. Omdat bepaalde groepen onze kinderen weghalen, vermoorden, of laten verdwijnen. Daar maken we een einde aan!’

    Márquez reisde dit weekend af naar haar regio, al zijn er ook bepaalde ‘no-gogebieden’. Zo kan ze niet in de buurt komen van La Toma, haar gemeenschap in het dorp Yolombó, in Suárez, waar ze vier decennia geleden werd geboren. Doodsbedreigingen dwongen haar in 2014 te verhuizen met haar twee jonge kinderen, nadat ze in haar gemeenschap de confrontatie met mijnbouwbedrijven was aangegaan. Haar status is sindsdien gegroeid, evenals het aantal bedreigingen.

    ‘Ook al vermoorden ze me, ik zal me blijven verzetten’

    Bij de circa tweehonderd vrouwen die in Santander op haar wachten, roept de activiste een mengeling op van angst en ontroering. Ze beschouwen haar als een wonder. ‘De beveiliging hier is niet erg goed, weet je. Maar we beschermen haar met z’n allen,’ lacht Yisel Carabali. Ze draagt een spectaculaire, kleurrijke jurk en heeft zelf ook een angstaanjagend verhaal. Carabali heeft sinds afgelopen december geen voet meer in haar streek gezet; ze is gevlucht vanwege bedreigingen en de moord op haar broer. Ze doet aan voorouderlijke geneeskunde. ‘Ik ben een heks met een verkeerde naam,’ zegt zij lachend. Maar dan wordt ze ernstig: ‘Ook al vermoorden ze me, ik zal me blijven verzetten.’

    De enige mannen die deze ochtend te zien zijn, doen hun best onopgemerkt te blijven. Deze dag is er niet voor hen; ze zijn onderdeel van beveiliging. Legersoldaten met zware wapens, politie met pistolen en bewakers met houten knuppels als symbool van hun gezag. Een politieagent houdt een zwaar schild voor Francia terwijl ze uit een van de zeven voertuigen in haar colonne stapt. Andere mannen vormen een beschermende corridor terwijl de aanwezige vrouwen zingen en dansen, omgeven door een sterke geur van wierook.

    Sommige critici zijn ronduit racistisch. Een zangeres noemde haar King Kong

    ‘Verzet je tegen de macht, totdat de waardigheid overwint,’ begint Francia. Haar directe, kritische en scherpe betoog slaat hier even goed aan als in andere delen van het land. Haar opkomst in de politiek veroorzaakte een golf van kritiek. In een sterk centralistisch land als Colombia is het moeilijk voor mensen buiten Bogotá om bij de macht te komen. Het is zo goed als onmogelijk om vanuit Cauca op dat vlak iets te kunnen bereiken. De meeste van Francia’s critici wijzen op haar ‘gebrek aan voorbereiding’. Sommige, de luidruchtigsten, zijn ronduit racistisch. Een zangeres noemde haar King Kong, waarop Márquez reageerde door haar ‘een voorouderlijke omhelzing te sturen zodat ze zal genezen’. Journalist Daniel Samper Pizano schreef over haar: ‘Ik bewonder haar als moedige vrouw, een volksleider, een voorvechter voor het milieu en een strijder die in staat is de hindernissen te beslechten die zwarten, armen en vrouwen in Colombia tegenwerken. Haar leven en haar strijd zijn inspirerend. Ze staat voor trouw, eer en moed, maar het ontbreekt haar aan voorbereiding, ervaring en wijsheid. Ze is niet in staat om een natie te leiden. Ze heeft niet wat nodig is om te regeren. Zeker niet in een land dat zo ingewikkeld is als Colombia.’

    ‘Al die opmerkingen over “Je weet het niet, je begrijpt het niet?” Jullie zijn mijn ouders niet. We vragen niet om toestemming. Jullie hebben de geschiedenis geschreven en nu hebben wij de kans om de grondslagen te leggen voor een nieuwe geschiedenis, die onze kinderen in staat stelt op een betere plek te leven.’

    Márquez studeerde rechten in Cali als voorbereiding op haar strijd als milieuactiviste. ‘Ik heb er zeven jaar over gedaan; niet omdat ik de capaciteit niet had, maar omdat ik de middelen niet had.’ In 2018 won ze de Goldman Environmental Prize, de meest prestigieuze prijs voor een milieuactivist. Twee jaar later kondigde ze aan dat ze president van Colombia wilde worden. Die intentie is er nog steeds en klinkt soms door in haar toespraken. ‘President, zeker, maar eerst vicepresident,’ geeft ze lachend toe.

    Het Cali van Márquez

    De tocht van Santander de Quilichao naar Cali duurt anderhalf uur. Deze route nam Márquez toen ze op een nacht met haar kinderen vluchtte. Buurt 21 van de salsahoofdstad van de wereld werd haar tweede thuis. Op deze plek, waar taxichauffeurs bezoekers voor de gevaren waarschuwen, arriveert de kandidaat op een zondag tussen honderden mensen die al uren op haar staan te wachten terwijl ze naar muziekgroepen en dansers op het podium kijken. ‘Zijn jullie klaar voor een heerlijk leven?’ is haar begroeting.

    ‘Politici komen hier naartoe om ons geweten te kopen. Maar ik hoefde hier niet naartoe te komen, want ik woon hier, dit is mijn tweede thuis.’

    ‘Dit is je thuis, Francia’, schreeuwt de menigte. Cali was vorig jaar het epicentrum van massale protesten die duizenden mensen in het hele land op de been brachten. Stakingen legden de op twee na grootste stad van Colombia meer dan twee maanden lang plat, en botsingen tussen betogers, inwoners en ordehandhavers kostten het leven aan meer dan veertig mensen, vooral jongeren. Via de loopgraven die de wijk Siloé in Cali afschermden, een gebied waar wekenlang noch de politie noch het leger binnen wist te komen, zocht Márquez er, zonder bewakers, de jongeren op. ‘Ik ben degene die hen moet verdedigen,’ legde ze uit.

    ‘We kregen te horen dat politiek niets voor ons is, dat onze taak als zwarte vrouw die van werkster is’

    In ditzelfde Cali moedigt de kandidaat de mensen nu aan om aanstaande zondag ‘het verzet naar de stembus te brengen’. Het was ook hier dat de jonge Márquez huizen schoonmaakte. Dat is de herinnering die ze het vaakst oproept als ze in het openbaar spreekt. Een herinnering die hier zorgt voor verbintenis met haar aanhang, en waar het publiek in Bogotá zich ongemakkelijk bij voelt.

    ‘We kregen te horen dat politiek niets voor ons is, dat onze taak als zwarte vrouw die van werkster is. Hun huizen schoon en mooi maken, hun kinderen opvoeden. Om vervolgens hier terug te keren om onze eigen mensen te begraven. Die ketenen van onderdrukking moeten we verbreken.’

    In alle peilingen gaan Petro en Márquez in de eerste ronde aan de leiding, en ze hebben een enorme voorsprong in de tweede ronde. Hij, een man die zijn hele leven al in de politiek zit; zij, een nieuwkomer die de volle pleinen trekt. Hun relatie is niet gemakkelijk geweest, maar ze hebben een manier gevonden om elkaar aan te vullen. Ze passen bij elkaar. Márquez verzoent Petro met het feminisme waarmee hij zo heeft geschipperd. Zij brengt hem dichter bij Cauca, Valle, Chocó en de andere regio’s waar de meerderheid van de Afro-Colombiaanse bevolking woont. Petro geeft Francia een boost met zijn nichekiezers. Ze surft mee op die golf, als eerste aanzet, en heeft aspiraties om het daarna in haar eentje te doen.

    Lees ook:

  • ‘De weergaloze Naomi Osaka’, van tenniswonder tot eerste zwarte mangaheldin

    ‘De weergaloze Naomi Osaka’, van tenniswonder tot eerste zwarte mangaheldin

    Als drievoudig Grand Slam-winnares en de best betaalde vrouwelijke sporter ter wereld is tennisster Naomi Osaka over de hele wereld populair. In Japan prijkt haar beeltenis niet alleen op T-shirts en sleutelhangers, maar nu ook op de pagina’s van manga, oftewel strips. Niet eerder was een zwart personage hierin een held.

    Twee eerdere pogingen om Osaka, die van gemengde afkomst is, als strippersonage te gebruiken, in een Australische krant en in een Japanse advertentie, sloegen de plank mis: ze werd erin afgebeeld met een witte huid en lichtgekleurd haar. Maar in december 2020 bracht het Japanse tijdschrift Nakayoshi voor het eerst ‘De weergaloze NAOMI Tenkaichi’, met Osaka als heldin (tenkaichi betekent ‘de beste op aarde’).

    Screen Shot 2019 01 25 at 3 1

    In deze strip wordt ze wél correct afgebeeld, voor een deel dankzij het feit dat het project tot stand kwam onder toeziend oog van haar zus Mari. Het tenniswonder, dat in december de Associated Press-prijs voor beste vrouwelijke sporter van het jaar kreeg, heeft nu een plaats in het uitgebreide mangapantheon van sterke vrouwelijke personages en een klein maar groeiend gezelschap zwarte personages.

    Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt

    Dat is een teken van vooruitgang in een genre waarin tot nu toe weinig correcte weergaven van raciale diversiteit te vinden waren. Het is een bekend gegeven dat etnische verschillen in de Japanse samenleving worden uitgewist of weggestopt. Maar volgens deskundigen verandert dat geleidelijk aan en krijgt manga een nieuw uiterlijk.

    ‘Meer mangaka (mangamakers) doen hun best om zwarte personages beter en met meer respect af te beelden,’ zegt LaNeysha Campbell, een mangarecensent die voor popcultuurwebsite ‘But Why Tho?’ schrijft. ‘Een goed voorbeeld is Aran Ojiro, een van de personages in Haikyū!! Zijn gezicht en huidtint worden afgebeeld met respect voor zwarte trekken.’

    Voor schrijver en The Japan Times-columnist Baye McNeil was het eerdere debacle met Osaka’s stripbeeld een katalysator voor verandering. ‘Er ontstaat meer bewustzijn in verschillende Japanse media en daardoor gaan sommige kunstenaars duidelijk zorgvuldiger te werk wanneer ze niet-Japanse personages gebruiken. Niemand wil opeens allerlei negatieve aandacht uit de hele wereld op zich gericht krijgen. Het is treurig, maar soms is zo’n incident nodig om mensen de ogen te openen.’

    Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur

    In het verleden hebben makers van manga en van de filmtegenhanger daarvan, anime, maar al te vaak stereotypes gebruikt om zwarte mensen af te beelden. ‘In veel klassieke manga uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden zwarte mensen getekend met grote lippen en voorgesteld als intimiderende, vaak domme personages,’ zegt mangaliefhebber Diamond Cheffin. ‘Zelfs in het eerste decennium van deze eeuw kom je nog die zwarte karikaturen tegen.’

    Volgens McNeil komt de houding van veel manga-artiesten tegenover zwarte personages voort uit gewoonte: ‘Veel mangaka zijn gewend om zwarte mensen op een bepaalde manier neer te zetten. En al kloppen die personages niet, ik geloof niet dat ze per se beledigend bedoeld zijn. Het is ook zo dat die strips niet voor een niet-Japans publiek bedoeld zijn.’ 

    Een reden waarom veel Japanse mangakunstenaars zwarte mensen voorheen op een weinig vleiende manier portretteerden, is volgens Campbell dat ze altijd door de lens van witte Amerikaanse media naar zwarte cultuur hebben gekeken: ‘Het kan best zijn dat de eerste indrukken die het Japanse publiek van zwarte mensen kreeg, gevormd zijn door deze racistische en stereotiepe beelden. Die afbeeldingen stammen inmiddels van ruim zeventig jaar geleden, maar ze dragen nog steeds bij aan de negatieve houding tegenover zwarte mensen en de beledigende en problematische manier waarop die in manga worden neergezet.’

    Sommige mangapersonages tonen de liefde van de kunstenaar voor zwarte cultuur. Veel Japanse makers zijn met Amerikaanse strips, muziek en films opgegroeid en nemen die iconen bij wijze van eerbetoon in hun eigen werk op. Maar dat kan nog steeds tot verkeerde typeringen leiden. Een voorbeeld is het personage Coffee in de populaire tv- en vervolgens ook manga-serie Cowboy Bebop.

    ‘Coffee is een typisch blaxploitation-personage,’ zegt film- en tv-recensent Kambole Campbell. ‘Ze is eigenlijk Foxy Brown, maar dan op Mars. (De film Foxy Brown uit 1974 met Pam Grier als de hypergeseksualiseerde hoofdpersoon, kreeg in de Verenigde Staten veel kritiek vanwege de manier waarop zwarte mensen en vooral zwarte vrouwen erin werden neergezet.)

    Cowboy Bebop-regisseur Shinichirõ Watanabe koos in 2019 voor een andere benadering met de anime-serie Carole & Tuesday, waarvan de hoofdpersoon een zwart meisje in tuinbroek met dreadlocks en een vrolijke lach is.

    Coole meiden

    Naomi Osaka, dochter van een Haïtiaanse vader en een Japanse moeder, zegt dat ze vroeger in Japan wel racisme heeft ervaren. ‘Japan is een heel homogeen land, dus het was lastig voor mij om racisme bespreekbaar te maken, schreef ze in juli 2020 in een artikel voor Esquire. ‘Ik heb online en zelfs op tv wel racistische commentaren gekregen. Maar dat is de minderheid. In werkelijkheid worden mensen, en vooral sporters van gemengde afkomst door de meerderheid van het publiek, door fans, sponsors en media wel geaccepteerd. De onwetendheid van enkelingen mag de progressiviteit van de meerderheid niet overschaduwen.’

    De weergaloze NAOMI Tenkaichi, de nieuwe manga over Osaka, wordt vanuit een ander standpunt gemaakt en richt zich op een van de groepen waarbij dit genre populair is: tienermeisjes.

    ‘We willen haar charme overbrengen,’ schrijven de makers Jitsuna en Kizuna Kamikita, tweelingzussen die hun gezamenlijke werk ondertekenen als Futago Kamikita, in een e-mail. ‘En natuurlijk ook haar grootsheid als tennisster. Naomi is een humaan, menslievend iemand. We houden ook van haar denkbeelden en haar bereidheid om daar zelf naar te handelen. Tegelijkertijd heeft ze gevoel voor humor en dat verzacht haar serieusheid.’ En, voegen ze eraan toe: ‘We vinden het ook belangrijk om een warm verhaal te tekenen over het gezin waarin ze is opgegroeid.’

    sorcerority manga feature.jpg.optimal

    De keus voor Osaka paste helemaal bij Nakayoshi,’ zegt Izumi Zushi, de uitgever van het blad. ‘Onafhankelijke heldinnen en coole meiden zijn bij onze lezers heel populair.’ 

    In de strip speelt het personage van Osaka ‘ruimtetennis’ en ‘reist ze met haar ouders en zus door het heelal om steeds nieuwe uitdagingen aan te gaan en ieders dromen en verwachtingen te beschermen tegen de ‘Duisternis’, zegt Zushi. 

    In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk voor mannen is

    Nakayoshi is een van de vele publicaties die zich op vrouwelijke lezers richten en de Kamikita-tweeling maakt deel uit van een grote groep vrouwelijke stripmakers. In het Westen denken veel mensen dat otaku, de nerdcultuur, voornamelijk iets voor mannen is, maar een aanzienlijk deel van die community bestaat uit vrouwen, zowel makers als consumenten. Volgens de Japanse uitgeversorganisatie waren er in 2019 zeker drieëntwintig tijdschriften in de mangacategorieën shojo (gericht op tienermeisjes) en josei (gericht op oudere lezeressen), met een totale maandelijkse oplage van meer dan 1,5 miljoen exemplaren.

    Behalve de manga over tennisster Osaka wijzen ook andere recente ontwikkelingen in deze bedrijfstak op een nieuwe gevoeligheid voor etnische verschillen. ‘Ik vind echt dat de manier waarop zwarte mensen worden neergezet een heel stuk verbeterd is,’ zegt liefhebber Cheffin. ‘We krijgen nu coole personages zoals Ogun uit Fire Force. Over het algemeen doet deze nieuwe generatie het geweldig. Maar ik zou wel graag meer zwarte personages willen zien, op grotere schaal en niet alleen maar af en toe eentje.’

    En McNeil zegt: ‘Hoe sterker kunstenaars zich ervan bewust worden dat manga mensen over de hele wereld bereikt, hoe beter ze zullen leren verhalen en personages te creëren die rekening houden met de verschillende gevoeligheden van hun groeiende publiek.’

  • De baas van de WHO is zwart, Afrikaans en vrouw. Is dat voldoende?

    De baas van de WHO is zwart, Afrikaans en vrouw. Is dat voldoende?

    Vorige week werd de 66-jarige ontwikkelingseconome Ngozi Okonjo-Iweala uit Nigeria aangesteld als directeur van de Wereldhandelsorganisatie WHO. Wereldwijd stonden politici, waarnemers en de pers te juichen omdat er eindelijk een zwarte, Afrikaanse vrouw aan het hoofd staat van een grote internationale instelling. Niet iedereen vindt die staande ovatie terecht.

    ‘Ngozi Okonjo-Iweala schrijft geschiedenis’, aldus France24 in een video-verslag over haar aanstelling. ‘Een goed gekwalificeerde nieuwe leider voor de WHO’, vindt Council on Foreign Relations. ‘Nigeriaanse krachtpatser wordt hoofd WHO’, aldus Financial Times. ‘Vrouw’, ‘zwart’, ‘Afrikaans’, ‘dapper’, ‘briljant’, ‘spijkerhard’: de aanprijzingen waren niet aan te slepen nadat bekend werd dat Okonjo-Iweala naar Genève kan vertrekken met de opdracht om de stroperige WHO vlot te trekken. 

    Kritiek moment

    ‘Zelfs voor een econoom komen er veel zeer grote getallen voor in het leven van Ngozi Okonjo-Iweala’, schrijft The Guardian in een portret. ‘Als voorzitter van Gavi, de alliantie voor vaccinatie van kinderen tegen dodelijke en slopende infectieziekten, zag ze toe op de jaarlijkse vaccinatie van miljoenen kinderen. Als algemeen directeur van de Wereldbank hield ze toezicht op $ 81 miljard (€ 66,8 miljard) aan activiteiten. Als minister van Financiën van Nigeria pakte ze de $ 30 miljard schuld van het meest bevolkte land van Afrika aan. En ze heeft 1,5 miljoen volgers op Twitter.’ 

    The Guardian somt ook nog een reeks van kleinere getallen op die ertoe doen, zoals ‘de twintig non-profitorganisaties die haar hebben benoemd in hun adviesraden; de grote banken en bedrijven die ze heeft geadviseerd; de tien eredoctoraten naast haar eigen doctoraat; een twintigtal onderscheidingen; tientallen belangrijke rapporten en boeken.’ En dan zijn er natuurlijk nog de prestigieuze lijsten waarop haar naam prijkt, zoals die van ’s werelds honderd machtigste vrouwen; ’s werelds honderd meest invloedrijke mensen en de tien meest invloedrijke vrouwen van Afrika, om maar enkele te noemen. 

    Haar aanstelling tot Directeur-Generaal van de WHO, ‘een positie die nog nooit eerder werd bekleed door een Afrikaan, noch door een vrouw’, geeft haar de leiding over een organisatie met een begroting van $ 220 miljoen en 650 personeelsleden en komt op een kritiek moment. Hervormingen zijn namelijk broodnodig, schrijft de krant. ‘Dit is het moment om alle ervaring aan te spreken die ze heeft opgedaan gedurende haar veertigjarige carrière. Gaat Okonjo-Iweala de klus klaren?’  

    Burgeroorlog

    Okonjo-Iweala was zes jaar oud toen Nigeria in 1960 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië, aldus The Guardian. ‘Ze groeide op in een klein dorpje in Delta, de zuidelijke staat van het land. Haar ouders, beiden vooraanstaande academici, hadden beurzen gekregen om in Europa te studeren, dus zij en haar zes broers en zussen werden opgevoed door hun grootmoeder. Het leven was niet gemakkelijk. Tegen de tijd dat ze negen was, had Okonjo-Iweala leren koken en hout halen en verrichtte ze veel huishoudelijke taken.’

    Doordat er een burgeroorlog uitbrak tussen de separatistische staat Biafra en de Nigeriaanse centrale regering werd haar opleiding onderbroken en werd ze geconfronteerd met nieuwe ontberingen. Toen haar driejarige zusje chronisch ziek werd van malaria, was het Okonjo-Iweala die haar naar een dokterspraktijk vijf kilometer verderop droeg, waar ze zich door een menigte van zeshonderd mensen heen wurmde en door een raam klom om de behandeling te vragen die het leven van haar zusje zou redden. 

    ‘Ik at één maaltijd per dag. Er stierven kinderen. Daardoor heb ik heb geleerd heel zuinig te leven. Ik zeg vaak dat ik me zowel op een moddervloer als onder een donzen dekbed comfortabel kan voelen. Door wat we hebben meegemaakt, ben ik tot iemand geworden die het zonder spullen kan stellen.’

    Probleemvrouw

    Nadat de burgeroorlog tussen Nigeria en Biafra in 1970 eindigde, vertrok Okonjo-Iweala naar de VS om economie te studeren aan Harvard en MIT, het Massachusetts Institute of Technology. Ze trouwde met haar jeugdliefde en ging in 1979 op vijfentwintigjarige leeftijd aan de slag bij de Wereldbank, waar ze gestaag opklom in de hiërarchie. Ze schopte het tot tweede in de rangorde en reisde de wereld over.

    Uiteindelijk vertrok ze in 2003 na vijfentwintig jaar bij de Wereldbank omdat ze werd gevraagd minister van Financiën van Nigeria te worden. Die functie vervulde ze twee keer en ze was korte tijd ook nog minister van Buitenlandse Zaken. Als minister van Financiën werd Okonjo-Iweala geconfronteerd met de enorme schulden van Nigeria en wachtte haar een keiharde strijd om economische hervormingen door te voeren. 

    ‘Toen ik minister van Financiën werd, noemden ze me Okonjo-Wahala, ofwel: Probleemvrouw’, zei ze in een interview met The Guardian in 2005. ‘Het betekent letterlijk zoiets als: Ik ben de hel. Maar het kan me niet schelen hoe ik genoemd wordt. Ik ben een vechter. Ik ben erg gefocust op wat ik doe en ik ben meedogenloos in wat ik wil bereiken, tot in het extreme. Als je me voor de voeten loopt, krijg je een schop.’

    Okonjo-Iweala pakte de schuldenberg van Nigeria aan door sceptische westerse mogendheden ervan te overtuigen hulp te verlenen. Gordon Brown, destijds premier van Groot-Brittannië, noemde haar ‘een briljante hervormer’, volgens The Guardian, ‘hoewel anderen minder waardering hadden voor de afspraken die ze met schuldeisers maakte. Sommige commentatoren wijzen erop dat ze veel van de beloften die ze aan Nigerianen deed over economische groei en het scheppen van banen niet is nagekomen.’

    ‘Ze kan heel vastberaden en brutaal zijn, misschien zelfs angstaanjagend voor sommige mensen, maar tegelijkertijd is ze altijd zichzelf. Het is een vrouw die ons aan het lachen maakt’, citeert The Guardian Ada Osakwe, een econome die in de Nigeriaanse regering met Okonjo-Iweala samenwerkte.

    Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen

    Nu met het aftreden van de regering-Trump de weerstand tegen haar benoeming is weggevallen, krijgt ze de leiding over de WHO. Daarmee komt ze onder een vergrootglas te liggen, want deze functie is niet alleen veel invloedrijker maar ook veel zichtbaarder dan alle andere posities die Okonjo-Iweala ooit bekleedde, aldus The Guardian.

    ‘De in Genève gevestigde organisatie heeft al decennialang te maken met bittere kritiek van alle kanten. De WHO was het primaire doelwit van de beweging die protesteerde tegen de schandelijkste gevolgen van het kapitalisme en globalisering, omdat ze daar als representant van wordt gezien. Meer recentelijk werd de WHO aangevallen door de VS omdat ze de problematiek van het Chinese staatskapitalisme niet heeft weten aan te pakken.’

    Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen en tegen hun relatieve gebrek aan invloed op de besluitvorming, vergeleken met rijkere staten. Vooral landbouwsubsidies zijn een specifiek twistpunt. ‘De WHO wist al jaren geen grote multilaterale handelsovereenkomst meer te sluiten en de hoop is tanende dat de organisatie overbevissing weet te beperken of de wildwest-praktijken rond e-commerce kan intomen.’ En dan is er volgens The Guardian natuurlijk ook nog eens de coronapandemie, die leidt tot worstelende economieën en groeiend protectionisme wereldwijd.

    ‘De WHO heeft een frisse blik nodig, een fris gezicht, een buitenstaander, iemand die in staat is om hervormingen door te voeren en die met de leden kan samenwerken’, zo zei Okonjo-Iweala onlangs in een interview met CNN. ‘Die ervoor kan zorgen dat de WHO uit haar gedeeltelijke verlamming geraakt.’

    De benoeming van Okonjo-Iweala is een ‘grote stap voor Afrika en een grote stap voor de wereld’, vindt Osakwe, de eerder geciteerde econome die met haar samenwerkte. ‘Zo’n opmerkelijk talentvolle vrouw die het roer overneemt van een instelling die opgeschud moet worden. Kijk maar naar wat er met de handel in de wereld gebeurt, zoals de strijd tussen de VS en China.’ Okonjo-Iweala, zo zegt Osakwe, ‘is in de loopgraven geweest’.

    Uiterste voorzichtigheid

    Ondanks al deze lof slaat Francisco Perez een andere toon aan op de website Africa is a Country. Perez noemt zichzelf activist voor een solidaire economie, is docent en onderzoeker en bezig zijn studie economie aan de Universiteit van Massachusetts in Amherst af te ronden. Hij is de directeur van het Centre for Popular Economics, dat pleit voor ‘economie gericht op mensen, niet op winsten’. Het is een non-profitcollectief van politieke economen die ‘economie van haar mystiek willen ontdoen en die bruikbare economische instrumenten ontwikkelen voor mensen die vechten voor sociale en economische rechtvaardigheid’. 

    In zijn artikel ‘Black faces in high places’ voor Africa is a Country, roept Perez links in Afrika op de benoeming van Ngozi Okonjo-Iweala met ‘uiterste voorzichtigheid’ te beschouwen. 

    ‘Ngozi Okonjo-Iweala, de voormalige minister van Financiën en Buitenlandse Zaken van Nigeria’, zo begint Perez, ‘was eerder in 2012 in de race om voorzitter van de Wereldbank te worden, maar de voormalige Amerikaanse president Barack Obama koos de Amerikaan Jim Yong Kim voor die functie. Gedurende haar campagne voor de Wereldbank, en later voor de WHO, onderstreepten veel commentatoren het belang van een zwarte Afrikaanse vrouw aan het hoofd van een grote internationale financiële instelling als “een bepalend moment voor Afrika, dat al lang zucht onder de laars van buitenlandse mogendheden en financiële instellingen”.’

    Maar pan-Afrikaans links moet dergelijke ‘identiteitspolitiek’ verwerpen als het louter om de representatie van identiteit gaat, vindt Perez. ‘Want als een zwarte Afrikaanse vrouw hetzelfde neoliberale beleid verdedigt dat de economische ontwikkeling van Afrika heeft belemmerd, dan is dat contraproductief.’

    ‘Samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank maakt de WHO deel uit van de “Onheilige Drie-eenheid” van internationale instellingen die het wereldwijde handels- en financiële systeem besturen ten voordele van grote multinationale ondernemingen en hun aandeelhouders en ten koste van ecosystemen en arbeiders wereldwijd’, schrijft Perez. ‘De WHO werd in 1995 opgericht op het hoogtepunt van het neoliberale triomfalisme na de Koude Oorlog. Als permanente organisatie verving de WHO het lossere General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Anders dan GATT kon de WHO gemakkelijker sancties opleggen aan landen die probeerden buitenlandse handel te beperken, door een mechanisme in het leven te roepen dat geschillen tussen staten beslecht. Onder Trump werd dat mechanisme eind vorig jaar overigens gesaboteerd.

    De GATT stond regeringen van Ontwikkelingslanden toe bescheiden vormen van bescherming in te voeren voor hun prille industrie en voor handelsbeperkingen die ontwikkelingsdoeleinden ten goede kwamen. Met de WHO wilden Amerikaanse en Europese regeringen deze mogelijkheden juist afzwakken en de principes van vrijhandel uitbreiden tot diensten en intellectueel eigendom. Een wereldwijde coalitie van arbeiders- en milieugroeperingen verraste de organisatie door met protesten de jaarlijkse bijeenkomst in Seattle in 1999 te verstoren.

    Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken?

    Ondanks de aanprijzing een ‘ontwikkelingsronde’ te zijn, in naam gericht op de behoeften van de armste landen, liep de laatste reeks van wereldwijde handelsbesprekingen spaak toen regeringen uit het Zuiden, onder leiding van India en China, zich verzetten tegen het verder openstellen van hun markten voor Noord-Amerikaans, West-Europees en Japans kapitaal. Ze drongen erop aan dat regeringen in het Noorden hun markten zouden openstellen voor de export van landbouwproducten uit het Zuiden door handelsbarrières te verkleinen en vooral door de enorme subsidies voor hun eigen agro-industrie aan banden te leggen’, aldus Perez. Dat leidt tot de vraag aan wiens kant het nieuwe hoofd van de WHO staat. 

    ‘Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken? Of juist aan het gevecht van zuidelijke regeringen om internationale handel ondergeschikt te maken aan hun prioriteiten voor hun eigen binnenlandse ontwikkeling? Nigeria heeft een reputatie van protectionisme, dusdanig dat voorstanders van een Afrikaanse continentale vrijhandelszone vrezen dat die er niet komt, en Okonjo-Iweala staat bekend als een orthodoxe econoom met een decennialange carrière bij de Wereldbank. Haar kandidatuur om voorzitter van de Wereldbank te worden, werd gesteund door onder meer The Economist en The Financial Times, die nu niet bepaald bekend staan als vrienden van Afrikaanse arbeiders en boeren.’

    Impopulair besluit

    ‘Het beleid van Okonjo-Iweala in Nigeria leidde tot woede bij links. Velen waren tegen haar eerste grote daad als minister van Financiën. Die betrof afspraken met de Club van Parijs, een groepering van westerse en Japanse crediteuren, om de buitenlandse schuld van Nigeria in 2003 te herstructureren. Ze onderhandelde over een vermindering van de Nigeriaanse schuld van zo’n $ 35 miljard naar $ 17,4 miljard, inclusief een onmiddellijke afbetaling van $ 12,4 miljard. Veel Nigeriaanse progressieven betoogden dat die schuld was ontstaan door corrupte militaire dictaturen, dat geldschieters wisten dat het geld zou worden gestolen en dat de bevolking van Nigeria daarom geen dollar terug zou moeten betalen. De schuld was verfoeilijk en had moeten worden afgewezen. De miljarden aan terugbetalingen hadden ten goede kunnen komen van leraren, verpleegsters en infrastructuur.’

    Ook tijdens haar tweede periode als minister van Financiën haalde Okonjo-Iweala de woede van links op haar hals, aldus Perez. ‘Ze werd in januari 2012 het publieke gezicht van het zeer impopulaire besluit om subsidies op brandstof af te schaffen, hetgeen leidde tot een verdubbeling van de transportprijzen van de ene op de andere dag en tot een scherpe stijging van de kosten voor levensonderhoud. Miljoenen Nigerianen meenden dat de brandstofsubsidie het enige voordeel was dat ze hadden van de enorme olierijkdom van hun land en ze vertrouwden er niet op dat hun politieke leiders geld zouden overhevelen naar sociale uitgaven, zoals ze beloofden. De afschaffing van de subsidies leidde tot een nationale staking en tot protesten van Occupy Nigeria, waaraan cultuurdragers als Seun Kuti, Wole Soyinka en Chinua Achebe deelnamen.’

    Niet veel vertrouwen

    Perez betoogt dat ‘zwart’, ‘Afrikaans’ en ‘vrouw’, niet per se een belofte inhouden. ‘In de decennia sinds het einde van het formele kolonialisme hebben veel Afrikanen op harde wijze geleerd dat leiders die eruitzien zoals zij en klinken zoals zij, weinig verschil maken als ze een beleid voeren dat de meesten van hen schaadt.

    De keuze voor Okonjo-Iweala om de WHO te leiden, doet er alleen toe als dat leiderschap beleidsruimte opent voor ontwikkelingslanden om een industrieel beleid te kunnen voeren. De hoop is dat een WHO-directeur uit het Zuiden meer sympathie zal hebben voor de uitdagingen die het mondiale handelssysteem aan perifere economieën stelt, maar de staat van dienst van Okonjo-Iweala wekt in dit opzicht niet veel vertrouwen.

    Hoewel het ‘herenakkoord’ tussen Amerika en Europa, dat regelt dat het hoofd van het IMF altijd een Europeaan is en het hoofd van de Wereldbank een Amerikaan, niet te rechtvaardigen is, moet pan-Afrikaans links aandringen op een rechtvaardiger mondiale economie, en niet simpelweg op meer ‘zwarte gezichten op hoge posten’.

  • Het zwarte lichaam. Teju Cole in de voetsporen van Baldwin

    Het zwarte lichaam. Teju Cole in de voetsporen van Baldwin

    De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt hetzelfde Zwitserse bergdorp als James Baldwin in de jaren vijftig. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun beider thuisland ook zo veel veranderd?

    Dit artikel verscheen eerder op 9 september 2016 in 360 Magazine #105.

    Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis.

    Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.

    Grappig en treurig

    James Baldwin verliet in 1951 voor het eerst Parijs om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn.

    Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht.

    ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig wit dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.

    Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie

    Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.

    Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing’. Ze zou over een trombone kunnen zingen.

    En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.

    Geen bezienswaardigheid

    ‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.

    Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.
    (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’)

    Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’

    ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin

    Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden wit – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.

    Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren. Dit was de grootste verandering van allemaal.

    Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en omhuld door een onsterfelijk blauw.

    Genetische verwantschap

    In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’

    Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.

    Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’

    Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.

    Sterren

    Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.

    Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen.

    In A Question of Identity (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’

    leukerbad valais alps of switzerland 6de45c 1024
    Leukerbad, Zwitserland.

    De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis.

    En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’.

    We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.

    Kwestie van afstamming

    Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.

    Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij er buiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):

    ‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’

    De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.

    Fundamentele emoties

    Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige witten, net zoals sommige witten meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de witte superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.

    Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “wit” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’

    En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft.

    Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’

    Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de witte superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van witte superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.

    Amerikaans racisme

    Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws.

    De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had.

    De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metro-treinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen.

    Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.

    Prachtig dier

    Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.

    William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’

    Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid.

    Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep.

    Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en witten konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel wit Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost witten een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben.

    Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?

    Dit was een voorpublicatie uit de essaybundel ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ van Teju Cole, De Bezige Bij.

  • Mam, wat is white privilege?

    Mam, wat is white privilege?

    Niet worden vertrouwd in een winkel, een makelaar die informeert naar ‘madam’, aannames over integriteit, intelligentie en competentie, het overkomt de Zuid-Afrikaanse Berenice Paulse met regelmaat. Hieronder beantwoordt zij de vraag van haar zoon.

    Een paar maanden voor het debat dat nu op de Zuid-Afrikaanse sociale media woedt, vroeg mijn tienerzoon naar een nieuwe term die hij tijdens een discussie in de klas had gehoord. Dit was zijn vraag: ‘Mam, wat is white privilege?’

    Door zijn vraag realiseerde ik me dat ouders, leerkrachten en Zuid-Afrika in het algemeen het onderwerp ‘white privilege’ onder ogen moeten zien en dat ze bereid moeten zijn daarover te praten. Ik antwoordde mijn zoon door hem te herinneren aan een gebeurtenis van een paar jaar daarvoor. Hij was toen bij het plaatselijke filiaal van een grote outdoorketen om kampeerspullen te kopen voor een schoolkamp. Ik zie helemaal voor me hoe hij verschillende artikelen oppakte en weer neerzette en dan weer naar het volgende doorliep. Hij vond het kamp een beetje spannend, maar verheugde zich er ook op en wilde graag de spullen uitkiezen die hij zelf het mooist vond.

    Het liep heel anders dan hij zich had voorgesteld. De hele tijd dat mijn zoon in die winkel was, werd hij op de voet gevolgd door een geüniformeerde bewaakster. Hij moest van haar zijn hoodie afdoen en uiteindelijk waarschuwde ze hem dat ze hem scherp in de gaten hield. Geen van de andere – blanke – jongens in de winkel kreeg deze behandeling. Later die avond vertelde mijn zoon het verhaal aan mij. Ik diende onmiddellijk een klacht in bij de filiaalmanager, kreeg een halfbakken verontschuldiging terug en de vage belofte dat hij er nog op terug zou komen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.

    Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!

    Nu herinnerde ik mijn zoon eraan dat hij toen, al had hij een volkomen legitieme reden om in die winkel te zijn, al had hij het geld om te betalen voor wat hij wilde kopen en al was hij bepaald niet de enige jongere met een hoodie (dat lijkt wel bijna een universeel uniform voor jongeren), wel de enige was die in de gaten werd gehouden. Dat was racisme, natuurlijk; het gevolg van etnisch profileren waarmee zo veel jonge zwarte mannen nog steeds elke dag te kampen hebben.

    De blanke mannelijke jongeren die in dezelfde tijd in ongeveer dezelfde outfit bij dezelfde winkel waren, hadden een heel andere ervaring. Dat is vaak zo, wanneer een blank persoon een publieke ruimte binnengaat en het vanzelfsprekend vindt dat niemand iets verdachts achter zijn of haar aanwezigheid zoekt. Als een blanke jongere een winkel binnengaat, komt het niet in zijn hoofd op dat iemand zou kunnen denken dat hij geen geldige reden heeft om daar te zijn, of dat hij niet de middelen heeft om te betalen voor wat er te koop is. Het komt niet in zijn hoofd op omdat hij nooit als een mogelijke verdachte is behandeld vanaf het moment dat hij ergens binnenkwam. Dat is white privilege en zo legde ik het begrip uit aan mijn zoon.

    Tegen Zuid-Afrikanen die in de verdediging gaan en zich verzetten tegen pogingen om het verschijnsel white privilege te benoemen, zou ik dit willen zeggen: ik ben een zwarte vrouw met een diploma van een universiteit die van oudsher zwart is. Dit betekent dat vaak wordt aangenomen dat mijn diploma minder waard is dan dat van een universiteit die van oudsher blank is. Ik werk bij een overheidsinstelling en verdien een aardig salaris. Algemeen wordt aangenomen dat ik mijn baan heb gekregen dankzij positieve discriminatie, en dat ik dus ook niet competent ben.

    Ik woon in een voorheen blanke middenklassewijk in een noordelijke voorstad van Kaapstad en na veertien jaar gluren mijn buren nog steeds angstvallig over de schutting om in de gaten te houden wat mijn gezin en ik uitspoken. (Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!) Na meer dan tien jaar democratie werd mijn jongste broer (die als student bij mij woonde), een keer aangehouden door een passerende politiewagen en ondervraagd over wat hij in de wijk te zoeken had.

    Af en toe komt er een vreemde bij mij aan de deur, voor een collecte, om iets te verkopen of vanwege een of andere marketingactie. Heel vaak zegt zo iemand dan tegen me dat hij of zij graag ‘de vrouw des huizes’ wil spreken. Een makelaar vroeg me of ik de ‘madam’ wilde roepen. Het overkomt me geregeld dat ik bij de buurtsupermarkt iets uit een schap sta te pakken en een verbolgen blanke persoon achter me ongeduldige geluiden maakt omdat ik ruimte inneem die hún toekomt, zo vinden ze. Af en toe maken ze dan denigrerende opmerkingen over mijn ‘hinderlijke’ aanwezigheid – in het Afrikaans, want ze denken dat ik dat niet versta.

    Onlangs nog stond mijn man in de rij bij de kassa, terwijl ik nog even wegliep om iets te halen wat we vergeten waren. Toen ik weer in de rij ging staan, hoorde ik twee mensen in het Afrikaans tegen elkaar praten over hoe ‘die mensen’ altijd proberen voor te dringen. Ze gingen ervan uit dat ik niet weet hoe ik me in het openbaar hoor te gedragen, en dus gingen ze ervan uit dat ik wilde voordringen. Als ik een winkel binnenkom waar luxeartikelen worden verkocht, komt de eigenaar of de verkoopster vaak met een bezorgde uitdrukking naar me toe, alsof ik daar misschien per ongeluk ben binnengegaan, of me niet realiseer waar ik ben. Informeer ik naar een bepaald artikel, dan noemen ze vaak uit zichzelf de prijs, zonder dat ik daarom heb gevraagd. Bij andere gelegenheden zeggen ze nauwelijks iets tegen me, maar lopen ze wel achter me aan door de winkel of kijken ze telkens naar me, met een blik die zowel discreet als ontmoedigend bedoeld is.

    Beste lezer, om het netjes te formuleren: ze nemen aan dat ik misschien niet de middelen heb om die artikelen te betalen en dat ik van plan ben om ze op een onwettige manier te bemachtigen.

    Overdreven handgebaren

    Ik ga meestal met de trein naar mijn werk (als die tenminste normaal rijdt). Altijd als ik mijn maandkaart koop en niet uit mezelf zeg welke klasse ik wil, krijg ik de vraag: ‘Metro of Metro Plus?’ Ik dacht altijd dat dat de standaardvraag was. Tot ik een keer in de rij achter een blanke man stond, en hij wel zei waar hij naartoe moest, maar niet in welke klasse. Voor hem was de vraag iets anders: ‘Metro Plus, meneer?’ Daarin lag de onuitgesproken aanname dat hij het hogere tarief kon betalen voor dezelfde reis en ik niet. Het respectvolle ‘meneer’ vraagt ook om nadere beschouwing – maar de kwestie van mannelijk privilege bewaar ik nu even voor een ander moment en een andere plek.

    Een paar jaar geleden schampte ik op een parkeerplaats langs de auto naast de mijne. Niemand zag het gebeuren, maar toen ik openlijk de schade aan de andere auto opnam, raakten verscheidene bezitters van geparkeerde auto’s gealarmeerd en kwamen naar me toe. Ze waren opgewonden en wezen naar mij en een man zei tegen niemand in het bijzonder dat ze de eigenaar van de andere auto moesten zien te vinden. Een paar mensen wilden per se mijn rijbewijs zien. De eigenares van de andere auto bleek een Afrikaans sprekende blanke vrouw te zijn en verscheidene mannen boden heel ridderlijk aan om haar te helpen (zoals ik al eerder zei, laten we het een andere keer over het mannelijke privilege hebben). Ik moet haar nageven dat ze rustig hun hulp afwees en dat wij vriendschappelijk gegevens uitwisselden. Uiteindelijk besloot ze geen schade bij mijn verzekeraar te claimen, omdat haar auto nauwelijks beschadigd was. De activiteiten van de omstanders waren duidelijk ingegeven door de aanname dat ik mijn verantwoordelijkheid zou ontkennen, of me op de een of andere manier onder de financiële aansprakelijkheid uit zou proberen te wurmen. Zij vonden het terecht om aan te nemen dat een blanke vrouw beschermd moest worden tegen een zwarte.

    Dus, beste lezer, als je dit soort ervaringen niet herkent, dan ben jij daartegen beschermd door je white privilege.

    White privilege betekent dat je nooit te kampen krijgt met aannames over je integriteit, intelligentie, competentie, prestaties, vermogen om te betalen, over dat je alleen als dienstbode in een bepaalde wijk kunt wonen, enzovoort, gewoon omdat je zwart bent. White privilege betekent dat je nooit geërgerde zuchten hoeft aan te horen omdat je ruimte inneemt waarvan anderen vinden dat ze die niet met jou zouden hoeven delen. White privilege betekent in de wijk gaan wonen waar je wilt wonen en dan niet beschouwd worden als bewoner van een andere planeet. Het betekent dat je nooit de neiging hoeft te onderdrukken overdreven handgebaren te maken om wantrouwige verkoopsters of beveiligers te laten zien dat je echt niet van plan bent om iets stiekem mee te graaien – zeker als je een zwarte man met een hoodie bent.

    Door dit white privilege zijn we nog nauwelijks begonnen met pogingen om de meeste Afrikanen gelijke kansen te geven. Onze kinderen zullen nog met de effecten ervan worstelen als wij er al lang niet meer zijn. Dus laten we hen daarop voorbereiden door erover te praten.

    Auteur: Berenice Paulse
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Picknick op de Fourways Farmers Market in Johannesburg, Zuid-Afrika. – © Leon Neal / Getty

    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.
    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.

    Daily Maverick
    Zuid-Afrika | dailymaverick.co.za

    Begon in print, veranderde in 2008 noodgedwongen in een digitaal tijdschrift en groeide uit tot een van de belangrijkste nieuwssites van Zuid-Afrika. Eigenzinnig, analytisch en grondig.

  • 4. Een wereld voorbij ras

    4. Een wereld voorbij ras

    Het werk van de Afrikaanse filosoof Achille Mbembe toont aan 
hoe het denken over ras en racisme aan de basis ligt van onze kijk op de moderniteit en daardoor op de wereld waarin we leven.

    De Afrikaanse filosoof Achille Mbembe 
heeft een benijdenswaardige reputatie opgebouwd als wetenschapper die vraag-
tekens plaatst bij de dogma’s van de moderniteit. 
Zo staat hij kritisch tegenover de ontwikkeling in de richting van meer kapitalistische economieën, de toename van sociale verschillen en de verbreiding van het West-Europese denken. In al zijn boeken, 
van On Private Indirect Government (2000) tot zijn 
laatste boek Critique of Black Reason (2017) heeft hij 
zich gericht op de vraag in hoeverre de wereld verantwoordelijk kan worden gesteld voor het ontstaan 
en de gevolgen van het begrip ras en racisme.

    In Critique of Black Reason daagt Mbembe ons uit met andere ogen naar het heden te kijken om zo een 
toekomst te kunnen uitzetten die, volgens Mbembe, anders zal zijn dan het verleden en het heden.

    Een centraal thema van Mbembe is de manier waarop ras en racisme een rol hebben gespeeld bij de inrichting van de moderne wereld. Hoe de wereld ook geprofiteerd heeft van de moderniteit, je kunt niet om de essentiële rol heen die ras en racisme in de opbouw van die moderniteit hebben gespeeld. Daarom is het voor Mbembe van het grootste belang dat we dit aspect van de moderniteit onderzoeken, omdat het mensen blijft uitsluiten en nieuwe en oude slacht-offers maakt die de ‘verworpenen der aarde’ zijn.

    Symbolisch

    Voor Mbembe is het begrip ras in de eerste plaats symbolisch. Het staat voor de manier waarop mensen leven en voor de plek waar ze leven. Dit verklaart 
het type debat waarin hun wordt verboden – of 
toegestaan – om een betekenisvol bestaan te leiden.

    In zijn laatste boek zoomt hij in op de opkomst van debatten over ras en andere verschillen tijdens de achttiende eeuw in een periode die algemeen bekendstaat als het ‘tijdperk van de rede’ of de 
Verlichting. Dit was een periode waarin wetenschap, filosofie en andere disciplines en maatschappelijke discussies verschillen tussen mensen definieerden, ingegeven door twee factoren: materiële belangen en de onwil om met het onbekende te leven. Mbembe wil laten zien dat dit idee van de Verlichting verantwoordelijk is voor het ontstaan van het begrip ras en daarmee van het racisme: ‘De Zwarte Man is degene die (of het ding dat) je ziet als je niets ziet, als je niets begrijpt en bovenal, als je niets wilt begrijpen.’

    Dit is niet toevallig, wat Mbembe betreft. Het komt doordat de term ‘zwart’ het product was van een sociaal en technologisch proces dat nauw verbonden was aan de opkomst en globalisering van het kapitalisme. ‘Zwart’ werd bedacht als teken van uitsluiting, ontmenselijking en vernedering, het moest een grens aanduiden die telkens opnieuw werd opgeroepen en verafschuwd. Zo bezien is kapitalisme alleen mogelijk omdat het mensen uitsluit. Gedurende een groot deel van onze hedendaagse geschiedenis is dit gebeurd via het debat over ras.

    Terwijl ras en racisme nog steeds een belangrijke rol spelen in het heden, is het ook duidelijk dat er sprake is van een “zwart worden van de wereld”

    Afrika is het continent waar de meeste ‘zwarte’ mensen wonen. Mbembe houdt zich dan ook bezig met de geschiedenis 
van Afrika en met de manier waarop dat continent is gebruikt, en misbruikt, als de tegenpool van de westerse moderniteit. Aangezien het Westen afhankelijk is van de ‘Rest’ om zichzelf te definiëren, is het niet verrassend, beweert Mbembe, dat wanneer het over Afrika gaat, de samenhang tussen woorden, beelden en het onderwerp zelf er weinig toe doet. Het is niet noodzakelijk dat de naam overeenkomt met het onderwerp, of dat het onderwerp naar zijn naam luistert. Dit is omdat je, als je het woord ‘Afrika’ zegt, in het algemeen alle verantwoordelijkheid van je afschuift. En over dit afschuiven van verantwoordelijkheid heeft Mbembe het als hij pleit voor een andere manier om in de wereld te staan en te leven met mensen die anders zijn dan jijzelf. Het woord ‘Afrika’ mag dan staan voor lijden in het verleden en heden, er is ook iets in het woord, schrijft Mbembe, ‘dat een oordeel uitspreekt over de wereld en roept om 
herstel, teruggave en gerechtigheid. De aanwezigheid daarvan in de wereld kan alleen begrepen worden als onderdeel van een analyse van het begrip ras’.

    Terwijl ras en racisme nog steeds een belangrijke rol spelen in het heden, betoogt Mbembe, is het ook duidelijk dat er sprake is van een ‘zwart worden van de wereld’, wat te maken heeft met de vele vormen van uitsluiting en geweld die het heden achtervolgen.

    Mbembe schrijft bijvoorbeeld: ‘Als het drama van 
het individu gisteren de uitbuiting door het kapitaal was, dan is de tragedie van de velen vandaag de dag dat zij niet eens uitgebuit kunnen worden. Ze zijn achtergeblevenen, overgeleverd aan de rol van 
“overbodige mensheid”.’

    Hoe kun je dan doorgaan met leven, en hoop hebben wanneer het lijkt of de geschiedenis van de wereld een geschiedenis van vernedering en wreedheid is? Om die vraag te beantwoorden wendt Mbembe zich tot filosoof Franz Fanon (zoals hij in dit boek vaak doet) en schrijft dat een van de belangrijke lessen die deze ons heeft geleerd, het idee is ‘dat in elk mens iets ontembaars en fundamenteel onaantastbaars zit, iets wat door geen enkele overheersing – welke vorm die ook aanneemt – vernietigd of onderdrukt kan worden, tenminste niet helemaal.’

    Daarin ligt de mogelijkheid van een andere toekomst. Want, zo zegt Mbembe: ‘Tot we racisme uit ons huidige leven en uit onze gedachtewereld hebben gebannen, zullen we moeten doorgaan met de strijd voor een wereld voorbij ras. Maar om die 
te bereiken, om aan een tafel te kunnen gaan zitten waaraan iedereen welkom is, moeten we een definitieve politieke en ethische analyse geven van het racisme en de ideologieën van verschil…’

    En dat is precies wat dit boek doet. Critique of Black Reason is een indrukwekkend boek, dat denkers als Fanon, Aimé Césaire, Friedrich Nietzsche, Marcus Garvey, Nelson Mandela, Michel Foucault en vele anderen bij elkaar brengt. Het laat lezers zien hoe 
het denken over ras en racisme aan de basis ligt van onze kijk op de moderniteit en daardoor op de wereld waarin we leven. Meer nog echter daagt het boek 
zijn lezers uit om af te rekenen met de vormen van uitsluitend denken waarvan ons leven nog steeds doortrokken is. Alleen zo kunnen we, volgens Mbembe, degenen die door de geschiedenis heen zijn onderworpen aan abstractie en objectificatie de menselijkheid teruggeven die van hen is gestolen.

    Auteur: Manosa Nthunya

    Bij het ter perse gaan van 360 hoorden wij helaas 
dat Achille Mbembe verhinderd is. Het onderdeel ‘Post Colonial Europe?’ komt daarmee te vervallen.

    The Conversation
    Verenigd Koninkrijk | theconversation.com

    Het kleine Britse broertje van de Australische 
The Conversation, opgericht door een groep journalisten, verwierf in drie jaar tijd al groot aanzien. 
The Conversation werkt met ‘open bronnen’ en wil mede op deze manier een frisse en onafhankelijke blik op het nieuws bieden. Op de site komen vooral onderzoekers en academici aan het woord.

  • Chili is anders

    Chili is anders

    De Chileen is geen racist, aldus chroniqueur Óscar Contardo. Hij is zich alleen hyperbewust van wat de hoeveelheid pigment in zijn huid, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status.

    De Chileen is geen racist, hij is creatief. Hij heeft zo zijn eigen fantasieën over zijn plek in de wereld en vindt zichzelf net zo westers als een Belg of een Zweed, en in het diepst van zijn wezen rekent hij zichzelf tot het blanke ras, gewoon, omdat hij zich geen indiaan voelt en nog minder een zwarte. Zo eenvoudig is het. Van het woord ‘mesties’ wordt de Chileen onrustig, want als hij dat zou gebruiken, zou hij toegeven dat hij van gemengd bloed is. En daar wordt hij ongemakkelijk van. Bovendien weet hij niet hoeveel indiaans bloed hij heeft, want geen Chileen neemt de moeite om zijn stamboom na te 
pluizen op Picunche-oma’s of Diaguita-opa’s of nakomelingen van de Maule-stam. Waarschijnlijk heeft niemand dat ooit geregistreerd. Waarom zouden ze ook? Wat heeft het voor nut?

    Daar komt bij dat de Chileen goede redenen heeft om te vermoeden dat zo’n verleden armoede en geweld heeft gekend, een zwarte periode die slecht combineert met zijn eigen ambities en de bewondering waarop hij kan rekenen als afstammeling van een blank geslacht. Zijn denkraam zal altijd Europees zijn: een dorpje in Extremadura waar zijn achternaam op rijmt, een Italiaans gehucht, een Baskisch dorp 
of – dat zou heel mooi zijn, hier kruist de Chileen hoopvol zijn vingers – een drupje Brits bloed dat aanleiding is om te kunnen opscheppen over een opa 
die zijn plek aan het hof inruilde voor avontuurlijke reizen naar het einde van de wereld. Want het is niet zo dat de Chileen racistisch is, hij is pragmatisch. Hij weet donders goed dat zijn indiaanse genen hem niets zullen opleveren, want in onze samenleving zijn je status en je positie afhankelijk van de afkomst die aan je uiterlijk is 
af te lezen. Welke kleur hebben zakenmannen en ministers? Hoe zien nieuwslezers eruit? En de actrices en acteurs die de hoofdrollen vertolken in televisie-
series? Fotomodellen voor bekende kledinglijnen? Lijken zij op de mensen die op een doordeweekse dag rondlopen op het Centraal Station of in een bus zitten naar de buitenwijken? Nee.

    Wij Chilenen zeggen liever dat we een lichtbruine of koffiekleurige huid hebben dan een donkere huid.

    De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat

    De Chileen is geen racist, hij is zich alleen hyperbewust van wat zijn huidskleur, de vorm van zijn hoofd, de stand van zijn jukbeenderen en de structuur van zijn haar betekenen voor zijn status. Hij laat dit blijken zonder dit met zoveel woorden te zeggen. Hij gebruikt met een ogenschijnlijk humoristische ondertoon een complex geheel van uitdrukkingen 
op basis van uiterlijke kenmerken: er zijn er met de uitstraling van hangjongeren (trainingspak, petje) en jongeren met het nette voorkomen van een kakker (polootje, kraagje). Je hebt er die eruitzien als kruimeldieven en als leden van de toekomstige elite. Wij 
verkneukelen ons graag om iemand met indiaanse trekken en dik, zwart haar en bewonderen de slanke meisjes met glanzend lang haar die de sociale media bevolken. Achter elk van deze creatieve taaluitingen schuilen niet alleen verschillen in uiterlijk maar ook in status en positie. Iemand met indiaanse trekken of een foute kop – om maar een greep te doen uit de o zo verfijnde beeldspraak die we gebruiken om een inheemse Chileen te typeren die de sociale ladder beklimt en te dicht bij de top komt – zal alles wat 
aan zijn afkomst herinnert onherroepelijk moeten wegmoffelen, alsof hij zich daarvoor zou moeten schamen of iets verkeerds zou hebben gedaan. Als een politicus aangepakt moet worden, dan doen we dat niet omdat hij fouten heeft gemaakt, niet consequent is of omdat we hem simpelweg niet mogen, nee, we richten ons op hoe hij zich presenteert, hoe hij eruitziet, vooral als hij een donkere huid heeft.

    De Chileen is niet wreed, hij is solidair. Probleem is wel dat solidariteit zo ongeveer wordt aangezien voor liefdadigheid die met neerbuigende vriendelijkheid gepaard gaat. Een jaarlijks of maandelijks ritueel waarmee we onszelf eraan herinneren hoe gul we 
zijn voor mensen die in armoede leven of in de kou staan. Medelijden vinden we belangrijker dan respect.

    Hoe reageert de weldenkende Chileen op de ordinaire en domme hysterie die de komst van Haïtianen 
bij een aantal opgewonden nationalisten heeft 
opgewekt, en op de slechte behandeling die de nieuwelingen zich dagelijks moeten laten welgevallen in de wijken waar ze rondzwerven op zoek naar werk en een dak boven hun hoofd? Hij slingert een hashtag 
op Twitter en herinnert ons eraan dat hij het achterachterkleinkind is van een Oekraïner en dat zijn oma uit België komt, voorwaar een schokkende onthulling waarover wij niet lichtzinnig moeten doen. Verwijzend naar zijn Europese roots maakt de progressieve Chileen ons duidelijk dat hij goed kan navoelen wat de huidige Latijns-Amerikaanse immigranten doormaken. En passant laat 
hij ons weten dat de Haïtianen meer dan welkom zijn en als onze hermanos behandeld moeten worden, alsof dit alles niet meer om het lijf heeft dan een weekendje weg naar zee. Zo denkt de linkse Chileen en dat tikt hij op in een goedbedoelde maar belerende tweet vol culturele vooroordelen, die hun fundament hebben in de geschiedenis van ontheemding en segregatie die de meeste Chilenen die met die immigranten moeten samenleven met elkaar gemeen hebben. De weldenkende Chilenen beseffen niet dat deze bevolkingsgroep het doelwit is van 
het politieke discours dat een zwakkere groep in de samenleving nodig had waarop de eigen frustraties geprojecteerd kunnen worden. De weldenkende Chilenen zouden intussen moeten weten dat de feiten – het werkelijke aantal immigranten, wat hun komst betekent voor de werkgelegenheid, 
dat ze de staatskas spekken omdat ze geld uitgeven – de angst waar politici gebruik van maken voor electoraal gewin of om hun positie te behouden niet zal wegnemen. Het gaat hier om politiek en niet om good vibes.

    Soort eilandbewoner

    De Chileen, ten slotte, is geen vreemdelingenhater, maar een soort van eilandbewoner die hoogst gevoelig is voor de hoeveelheid pigment in zijn huid. De immigranten uit Haïti schudden die karaktertrek op en maken het beest wakker dat daar altijd heeft liggen slapen, maar dat we eeuwenlang hebben geprobeerd te negeren om de vieze adem die uit zijn ingewanden opborrelt niet te ruiken en de pijn van zijn beet niet te voelen.

    Auteur: Óscar Contardo
    Vertaler: Jos den Bekker

    Openingsbeeld: Een typisch avondje uit in een restaurant in de Chileense stad Valparaíso. – © Getty Images

    La Tercera
    Chili | dagblad | oplage 200.000

    Populaire krant, opgericht in 1950, die voornamelijk gelezen wordt door de middenklasse in Chili. Op zondag worden er nog eens 63.000 extra exemplaren verkocht.

    unnamed

    Óscar Contardo (1974) is journalist en auteur van verschillende boeken over het sociale leven in Chili. Hij wordt gelauwerd voor zijn columns en kronieken, en kreeg de Altazor-debuutprijs voor het boek Raro (Vreemd).

    Immigranten demonstreren tegen racisme in Santiago. – © (AP / Esteban Felix)
    Immigranten demonstreren tegen racisme in Santiago. – © (AP / Esteban Felix)

    Hervorming immigratiewet

    Op 9 april kondigde de Chileense president Sebastián Piñera een hervorming van de immigratiewetten aan. Op Twitter vertolkte hij zijn filosofie achter het vraagstuk: ‘Een nieuwe wet die onze deuren opent voor diegenen die op legale wijze Chili binnenkomen en zulks doen om bij te dragen aan de ontwikkeling van ons land. En die de deuren sluit voor diegenen die proberen op illegale wijze binnen te komen […]’

    Chili heeft te maken met een ongekende immigratiegolf, sinds 2016 met name vanuit Venezuela, waar een scherpe crisis heeft toegeslagen, en vanuit Haïti, waar de diepe armoede voortduurt. In vier jaar tijd is het aantal immigranten verdubbeld tot momenteel één miljoen, oftewel 5,5 procent van de totale bevolking van Chili.

    Eenderde van de immigranten komt illegaal de grens over, bericht de digitale krant El Mostrador. De nieuwe wet voorziet in het legaliseren van de situatie van 300.000 illegalen, maar het komt er uiteindelijk op neer dat een toeristenvisum wordt omgezet in een tijdelijk visum dat toegang biedt tot de arbeidsmarkt. Volgens de wet moet vervolgens vanuit het land van herkomst een werkvergunning worden aangevraagd.

    Sinds 16 april krijgen Venezolanen een speciaal visum dat een jaar geldig is, eenmaal kan worden verlengd en waaraan het recht verbonden is om een permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Voor Haïtianen daarentegen geldt dat zij het land slechts kunnen binnenkomen op een toeristenvisum dat een maand geldig is en eenmaal kan worden verlengd voor een periode van negentig dagen, ‘zonder de mogelijkheid om te immigreren, te verblijven 
of betaalde activiteiten te ontplooien’, zo staat te lezen op de officiële website van het Chileense ministerie van Arbeid.

    Op BBC Mundo, de Spaanstalige tak van de BBC, zegt een Haïtiaan die in Chili verblijft dat de bevolking daar ‘niet gewend is aan zwarte immigranten en zich afvraagt of al die Haïtianen eigenlijk niet van plan zijn om van land te wisselen’.

  • Rodeo helpt zwarte cowboys weer in het zadel

    Rodeo helpt zwarte cowboys weer in het zadel

    In de tijden van het Wilde Westen waren zwarte cowboys heel gewoon, maar op rodeo’s zijn ze schaars. Behalve op de Bill Picket Invitational.

    Afgezien van de songs van Missy Elliot en Ludacris die in plaats van countrydeuntjes door de speakers schallen, klinkt en oogt de Bill Pickett Invitational als een echte rodeo. In de arena klampen cowboys en cowgirls zich vast aan halfwilde paarden die hen proberen af te werpen. Ze vangen kalveren met een lasso en slalommen om houten vaten. De tribunes zitten vol fans met cowboyhoeden op hun hoofd en cowboylaarzen aan hun voeten, die op gegrilde kippenboutjes knabbelen en naar adem snakken als ruiters op de grond worden geworpen. In de pauze kunnen de kinderen ‘schaaprijden’ – een evenement waarbij ze op de rug van een schaap worden gezet en zich daar stevig aan vast moeten houden terwijl hun wollige rijdieren door de piste stuiven. Het grootste verschil is dat alle deelnemers – en het merendeel van het publiek – zwart zijn.

    De Bill Picket Invitational, die plaatsvond in Denver op Martin Luther King Day en dit jaar nog vijf andere steden zal aandoen, Hij werd in 1984 opgezet door Lu Vason, een muziekpromotor, nadat hij op een rodeo in Cheyenne, Wyoming, was geweest ‘en geen enkele ruiter had gezien die er net zo uitzag als hij’, vertelt Valeria Vason-Cunningham, die de rodeo organiseert sinds de dood van haar man in 2015.

    Vason besloot de rodeo naar Bill Pickett te noemen. Pickett, die in 1870 werd geboren in Texas, was de zoon van een bevrijde slaaf die de sport van het stierworstelen ofwel ‘bulldogging’ uitvond. Pickett galoppeerde op zijn paard achter een stierkalf aan, sprong eraf, trok de kop van het kalf aan de horens tegen zijn eigen gezicht aan en zette zijn tanden in de lip van de stier, zoals hij herdershonden had zien doen. Die beet bracht de stier dusdanig in de war dat Pickett hem alleen met zijn kaak opzij kon trekken, terwijl hij zijn handen in de lucht hield.

    Pickett trad verder op met mannen als Buffalo Bill en Will Rogers onder het pseudoniem ‘De Duistere Duivel’. Hij was de eerste zwarte man die ooit is toegelaten tot de Pro Rodeo Hall of Fame. Picketts talent was zeldzaam, maar zwarte cowboys waren dat in zijn tijd niet. Die waren van essentieel belang voor de kolonisatie van het Westen, als slaven en als vrije mannen. In de eerste helft van de negentiende eeuw trokken blanke Amerikanen op zoek naar een goedkoop stuk land naar Texas, dat toen Spaans was en, na 1821, Mexicaans gebied. Sommigen namen slaven mee om te werken op hun pas opgezette katoenplantages en veeboerderijen. Nadat de slavernij was afgeschaft, namen boeren hun voormalige slaven aan als betaalde arbeidskrachten.


    Zwarten uit het oosten trokken eveneens westwaarts omdat ze ook een graantje mee wilden pikken van de hausse in de veehouderij. ‘Werken op een ranch was uitdagend, mannelijk en bood zwarten de gelegenheid om evenveel te verdienen als blanken. Het gaf ze de kans iets te doen wat hun gezinnen een zekere mate van gelijkheid verschafte,’ zegt William Loren Katz, schrijver van The Black West en veertig andere boeken over de Afrikaans-Amerikaanse geschiedenis. Historici schatten dat van de 35.000 cowboys die tussen 1866 en 1895 – op het hoogtepunt van de veehouderij – rondzwierven in het Westen er tussen de vijfduizend en negenduizend zwart waren.

    Biefstuk

    In de tijd van de Jim Crow-wetten, die de rassenscheiding legaliseerden, mochten zwarten niet meedoen aan de meeste rodeo’s. De cowboys in de boeken en films die de rest van Amerika vertrouwd maakten met het Westen waren bijna altijd blank. Zonder een plek waar ze hun krachten konden meten en zonder sterren die jonge, zwarte cowboys konden inspireren, werd de traditie uitgehold. Terwijl Valeria Vason-Cunningham wacht tot de Bill Picket-rodeo gaat beginnen, schat ze dat minder dan vijf procent van de cowboys in de Professional Rodeo Cowboys Association, de grootste rodeo-organisatie in het land, zwart zijn. De organisatie zegt dat ze de etniciteit van de ruiters niet natrekt, maar er wordt wel naar hun lievelingseten gevraagd: ‘Ik kan jullie vertellen dat negenennegentig procent het liefst een biefstuk eet.’

    Het eerste evenement van die avond in Denver is heel toepasselijk stierworstelen. Voor hij de arena ingaat, zet Tory Johnson, een tweeëndertigjarige man uit Oklahoma City, zijn cowboyhoed iets vaster op zijn hoofd, verplaatst zijn gewicht heen en weer in zijn stijgbeugels en grijpt de teugels iets steviger beet. Hij haalt diep adem en knikt bijna onmerkbaar met zijn hoofd. De hekken springen open. Op een goudkleurige Palomino met golvende manen en een brede, witte bles schiet Johnson de arena in achter een stierkalf aan dat vóór hem is losgelaten. Hij buigt zich naar voren op zijn paard tot zijn armen om de nek van de stier liggen; dan schopt hij de stijgbeugels van zijn voeten, leunt op de stier en drukt hem tegen de grond – zonder zijn tanden te gebruiken, dient hierbij opgemerkt te worden. De hele beproeving neemt 5,6 seconden in beslag.

    Vertaler: Tineke Funhoff

    Openingsbeeld: De Bill Pickett Invitational Rodeo in Memphis. – © Scott Olson / Getty Images

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

  • ‘Verlies nooit uit het oog dat je zwart bent’

    ‘Verlies nooit uit het oog dat je zwart bent’

    Jay-Z woonde als kind in een van de gevaarlijkste buurten van Brooklyn en groeide uit tot rapper, producent en multimiljonair die met een van de succesvolste vrouwen ter wereld trouwde. Dean Baquet van The New York Times praat met hem over muziek, liefde, politiek, zwart zijn in Trumps Amerika en wat het voor zijn kinderen betekent te leven in een wereld die zo sterk afwijkt van die uit zijn eigen jeugd.

    Mijn gesprek met Jay-Z begon eigenlijk met O.J.

    In mijn jongensjaren, in het zwarte New Orleans van de jaren zestig, was O.J. Simpson een god. We imiteerden hem, deden zijn loopje na. We wilden niet alleen spelen zoals hij, we wilden zíjn zoals hij, knap en atletisch onder de zon van Californië. We oefenden zijn schijnbewegingen voor de spiegel, met handen die te klein waren om de bal losjes vast te houden, zoals hij. We wilden zelfs naar de University of Southern California, waar hij de staat twee jaar op rij naar de overwinning had gevoerd. We waren kwaad toen de Heismantrofee voor zijn neus werd weggekaapt door Gary Beban, de keurige, witte, door-en-door Amerikaanse quarterback van UCLA, ook wel The Great One genoemd. We waren door het dolle toen hij hem het jaar daarop in de wacht sleepte.

    Maar O.J. was geen perfecte held voor zwarte jongens, al had hij zich ontworsteld aan de armoede van San Francisco en leidde hij een bestaan als superster. Hij was dubbel over zijn huidskleur. In een tijd waarin andere sporthelden het feit dat ze zwart waren expliciet benoemden, probeerde hij het een beetje weg te moffelen.

    Dus toen ik werd gevraagd om Jay-Z te interviewen, wilde ik het graag hebben over zijn nummer ‘The Story of O.J.’, op zijn nieuwste album 4:44. In dat nummer citeert Jay-Z de wellicht apocriefe, maar niettemin legendarische opmerking van Simpson: ‘Ik ben niet zwart, ik ben O.J.’
    Ik was minder geïnteresseerd in de huwelijksproblemen van de rapper, of in het beroemde handgemeen tussen hem en zijn schoonzus, in een lift. Wel was ik benieuwd hoe Jay-Z, met zijn huis van 88 miljoen dollar in Bel-Air, niet ver van de buurten waar zwarten van bijna niets moeten zien rond te komen, zich verhoudt tot zijn jeugd – als zwarte jongen in een sociale woningbouwwijk in Brooklyn, in de jaren zeventig. Afgaande op zijn nieuwste album heeft deze ingewikkelde spagaat zijn sporen nagelaten – en dat herken ik wel, als zwarte man uit het Zuiden, voor wie O.J. de held van zijn jeugd was en die het zelf ook veel verder heeft geschopt dan ook maar iemand vroeger voor mogelijk had gehouden.

    Waarom raakt het verhaal van O.J. Simpson ons allebei zo?

    O.J. moet een bepaald deel van zichzelf hebben weggedrukt toen hij zich profileerde als de held van een breed publiek: onomstreden, iemand voor wie huidskleur geen rol speelde, de ideale tegenpool van zijn mede-footballspeler, Jim Brown van de Cleveland Browns, die veel meer geladen was, veel kwader. Ik vroeg me af of de druk van die ontkenning ertoe had geleid dat het tientallen jaren later tot een uitbarsting kwam.

    Dit alles speelde door mijn gedachten toen ik Jay-Z vorig jaar september twee uur lang sprak, in een werkkamer bij The Times. We hadden het niet alleen over O.J. en raciale identiteit, maar ook over de seksuele geaardheid van zijn moeder, en hoe hij zijn kinderen, die van het ene landhuis naar het andere gaan, sociaal bewustzijn kan bijbrengen. Na jaren te hebben gerapt over een jeugd in de hood, klinkt dit album als de diepgravende therapiesessies van een zwarte man van middelbare leeftijd op muziek.

    Allereerst welkom.

    ‘Dank je.’

    Er zijn een paar dingen waar ik het over wil hebben. Ik zou het graag even hebben over de rassenkwestie. En over je muziek. Ik vond met name The Story of O.J. van je album 4:44, uit 2017, heel sterk. Wat ik erin hoorde, is: ‘Of je nou arm of rijk bent, je bent en blijft zwart.’ Voor wie is die boodschap bedoeld? Wie wil je dat zich door die tekst aangesproken voelt?

    ‘Weet je, het is allemaal niet zo zwart-wit, dat nummer. Ik richt me met name tot ons. Het gaat over wie we zijn en hoe we onszelf kunnen blijven terwijl we onze identiteit steeds verder proberen op te rekken. Het gaat over verantwoordelijkheid nemen voor onze daden. Want het is zoals het is, in Amerika. En er is een oplossing: als we ons verenigen, als we een machtsblok vormen, als ik met veertig miljoen mensen kom aanzetten krijg je een heel ander gesprek dan wanneer ik op eigen houtje probeer Amerika te veranderen. Zo werkt het nu eenmaal. Neem die opmerking: “Ik ben niet rijk, ik ben O.J.” Het gaat erom dat je eerst die positie weet te bereiken. En dan kun je je afzetten tegen de heersende cultuur. Zo begint het. En weet je hoe het dan verdergaat? Je staat er alleen voor – en je weet hoe dat heeft uitgepakt.’

    Was het misschien ook om ons eraan te herinneren dat O.J. iets over het hoofd had gezien? Al was hij nog zo rijk en machtig, al genoot hij nog zoveel voorrechten, toen de discussie over rassenongelijkheid rondom hem losbrandde, werd hij er op zeer pijnlijke wijze aan herinnerd dat hij ook zwart was, of 
hij zich daar nou bij neer wilde leggen of niet.

    ‘Zo is het. Voor ons gaat het erom, wanneer we het daarover hebben: “Verlies dat nooit uit het oog.” Het gaat niet om succes en beroemd worden. Waar het om gaat is dat je, als je bent gezegend met een bepaald talent, je je ook moet toeleggen op dat talent. Dat is één. Punt twee is dat we de verantwoordelijkheid hebben de discussie te blijven voeren, net zolang tot we allemaal gelijk zijn. Tot iedereen op aarde gelijk is. Want zolang niet iedereen vrij is, is niemand vrij. Zo is het gewoon.’


    Maar als je zo ongelooflijk succesvol bent als jij, zullen je kinderen in een volkomen andere wereld opgroeien dan die waarin jij zelf bent opgegroeid. Hoe zorg je ervoor dat ze zich daar toch een beeld van kunnen vormen?

    ‘Dat is een precair evenwicht, ja. Om te overleven in de buurt waar ik opgroeide had ik bepaalde vaardigheden nodig die mijn kinderen niet nodig hebben. Maar dat neemt niet weg dat ze zich bewust moeten zijn van hun geschiedenis. Ze moeten een zeker besef hebben dat het niet vanzelf is gegaan. Het belangrijkste is, denk ik, om ze mededogen bij te brengen, om ze te leren zich te verplaatsen in de strijd die anderen moeten leveren, zich te realiseren dat er mensen zijn die offers hebben gebracht, waardoor wij nu in deze positie zitten, en om die lijn voort te zetten – voor ons.’

    Je kunt ze nog zoveel geschiedenis bijbrengen, en je kunt zelf nog zoveel aanzien genieten binnen de zwarte gemeenschap in Amerika, maar je zult je misschien ook wel eens zorgen maken dat ze iets missen? Of denk je dat dat onzin is, dat er uiteindelijk zoveel in hun voordeel werkt dat dit een te negatieve kijk is?

    ‘Ik snap wat je bedoelt. Er zijn gewoon bepaalde eigenschappen die je graag bij je kind zou zien. Je 
wil dat ze eerlijk, meelevend, invoelend zijn, met een warm hart. Het zijn de basiseigenschappen die iedereen – nou ja, ik in ieder geval – zijn kind wil meegeven. Snap je wat ik bedoel? Mensen in hun waarde laten, wie ze ook zijn, wat voor positie ze ook bekleden. Dus niet slijmen bij iemand op een hoge positie en lullig doen tegen iemand op wie je neerkijkt. Ik kan geen liefde voor je kopen, ik kan het je niet aanreiken. Ik wel liefde uiten, maar verder zul je het zelf moeten doen. Hetzelfde geldt voor medeleven. De mooiste dingen in het leven zijn de dingen die onzichtbaar zijn.’

    Voor mij, als zwarte man van een bepaalde leeftijd, was O.J. Simpson de held van mijn jongensjaren. Ik ben eenenzestig, dus ik was nog klein in zijn tijd. Ik ben ervan overtuigd dat ik bepaalde dingen in dat nummer heb gehoord waarvan jij je misschien niet eens bewust bent, omdat ik tot een anderen generatie behoor. Denk je dat zwarten en witten, jongeren en ouderen, allemaal andere dingen horen in je muziek? Wat wil je dat een wit kind uit dat nummer haalt, terwijl een zwart kind het misschien niet eens zou opmerken?

    ‘Goede vraag. Als je muziek maakt wil je, denk ik, dat iedereen er iets anders in hoort, en vervolgens hoop je dat het een discussie op gang brengt. Want zo ontstaat begrip. “O, zie jij het zo?”’

    Er zijn mensen die denken dat het debat over de rassenkwestie in Amerika weer is opgelaaid door de verkiezing van Donald Trump. En er zijn mensen die beweren dat het racisme in Amerika van alle tijden is; er zou weinig zijn veranderd, en ook de discussie zou niet wezenlijk anders zijn dan voorheen. Het enige verschil is dat het nu aandacht krijgt. Hoe kijk jij daartegen aan?

    Er is een steengoede tekst van Kanye West in een 
van zijn nummers: “Racism’s still alive, they just be concealin’ it.” (Racisme is nog springlevend, alleen wordt het verhuld.) [Het nummer heet ‘Never Let Me Down’, van The College Dropout uit 2004.] Even een zijweg. Ik denk dat het een enorme stommiteit is geweest van de NBA om Donald Sterling voor het leven te schorsen. Natuurlijk, hij zat fout. Maar dat soort opmerkingen wordt gewoon gemaakt. Daar zullen we mee moeten leren leven. [In 2014 werd Sterling, destijds eigenaar van de Los Angeles Clippers, voor het leven geschorst door de NBA nadat er geluidsopnamen waren opgedoken waarin hij zich tegenover een vriendin racistisch uitliet over zwarten.] Ik vind niet dat zoiets ongestraft moet blijven. Maar door hem helemaal weg te sturen bereik je vooral dat alle anderen in hun schulp kruipen, wat een open gesprek onmogelijk maakt. Dat Donald Trump president is geworden heeft als voordeel dat we nu gedwongen zijn de dialoog aan te gaan. Trump heeft ons het platform geboden.’

    En volgens jou is dat beter? Dat we gedwongen zijn 
de dialoog te voeren?

    ‘Absoluut. Daardoor is dit allemaal in gang gezet.’

    Vind je dat het debat over ras in Amerika op een 
constructieve manier wordt gevoerd?

    ‘In het ideale geval heb je een president die zegt: “Ik sta open voor de dialoog en het zoeken naar een oplossing.” Maar toch is het ergens wel goed, zoals het nu gaat. Want je kunt pas aan een oplossing werken wanneer je het probleem onderkent. Zo is het toch? Stel dat ik, zonder het te weten, een hersentumor heb. Er moet eerst een diagnose worden gesteld. Hoe dat gebeurt maakt niet veel uit. Als er een voetbal tegenaan wordt getrapt en ik heb zoiets van: Hé, ik voel hier iets geks, en ik ga naar de dokter – dan is het ook gebeurd.’

    Oké.

    ‘Snap je wat ik bedoel? Hoe het ook gebeurt, we krijgen een hoop ballen tegen ons aan geknald. Om maar een metafoor te gebruiken die past bij de NFL.’

    Als jij teameigenaar was, zou je Colin Kaepernick een 
contract aanbieden, neem ik aan?

    ‘Ja. Ik heb The Story of O.J. aan hem opgedragen tijdens het Meadows-concert.’ [Colin Kaepernick, de voormalig quarterback van de San Francisco 49ers, zorgde voor grote beroering met zijn protest tegen racisme en rassenongelijkheid in de Verenigde Staten. Kaepernicks besluit, vorig jaar, om te knielen bij het volkslied is inmiddels overgenomen door tientallen andere sporters, tot woede van onder anderen president Trump. In oktober vorig jaar, toen Kaepernick al maanden geen contract meer aangeboden had gekregen, diende hij een aanklacht in tegen de NFL, waarin hij de teameigenaars ervan beschuldigde tegen hem samen te spannen.]

    Heb je hem ook ontmoet?

    ‘Nee. We hebben alleen nog maar gebeld, maar het lijkt ons wel een goed idee elkaar te ontmoeten.’

    Als dit niet was gebeurd, had hij dan wel een contract gekregen, denk je?

    ‘Ja, zonder twijfel.’


    Denk je dat politiek een grotere rol speelt bij basketbal 
dan bij American football?

    ‘Ja.’

    Waarom is dat, denk je?

    ‘Volgens mij omdat het om minder grote aantallen gaat. Je hebt twaalf man in een team. Bij football heb je het over 53 mensen. Het is lastiger om 53 neuzen allemaal dezelfde kant op te krijgen. Daarnaast heeft de NBA een fantastische voorzitter, die ruimdenkend is. En hij staat echt achter de spelers. Dat voel je gewoon. Als je weet dat er iemand achter je staat die echt ergens in gelooft, stimuleert dat je om te doen wat goed is.’

    Zijn er zelfs in dit stadium van je leven – je bent beroemd, je bent rijk, je hebt bezit – nog momenten waarop je wordt geconfronteerd met racisme, openlijk en duidelijk herkenbaar?

    ‘Best wel, ja. Maar dat gebeurt vooral wanneer je iets probeert te veranderen aan de status quo. Als ik me gedeisd hou en gezellig ben, is er niets aan de hand. O man, te gek allemaal. Maar zodra je je niet houdt aan de onuitgesproken codes van de club, dan is het ineens gedaan met je seat at the table – om de titel van het album van Solange te gebruiken. En dan betreed je een terrein waar je denkt: Hé, jongens, jullie zijn nu kwaad op mij omdat ik precies doe wat jullie altijd doen?’

    Zit je nu wel eens in vergaderingen waarin je de enige zwarte bent?

    ‘Nou, in mijn tijd met de Nets was ik zonder meer de enige zwarte aan de vergadertafel.’ [Jay-Z had aandelen in de New Jersey Nets, in 2003. Hij verkocht ze in 2013.]

    En, hoe was dat? Kun je daar iets over vertellen?

    ‘Het was, nou ja, gek, maar tegelijkertijd denk ik dat… ik denk dat het feit dat ik beroemd ben me een stem gaf, op die plek. Waarschijnlijk zou het voor iemand anders, als enige zwarte in zo’n vergadering, lastig zijn geweest om erdoorheen te breken.’

    Ben je teleurgesteld in Obama? Er zijn mensen die zeggen dat de verwachtingen van de eerste zwarte president te hooggespannen waren: Hij zou moeten afrekenen met racisme en moeten zorgen dat alles goedkwam. Zijn dat onredelijke verwachtingen? Heeft hij jouw verwachtingen waargemaakt?

    ‘Ja, want hij heeft zijn uiterste best gedaan, en meer kon hij niet doen. Hij is ook maar een mens. En het is niet eerlijk om onrealistische verwachtingen te koesteren enkel en alleen omdat hij zwart is. Sterker nog, je zou het bijna moeten omkeren. Een beetje van: wat had je dan verwacht? Die man zit daar acht jaar. En hij moet ongedaan maken wat 43 presidenten voor hem hebben gedaan. In acht jaar. Dat kun je van niemand verlangen.’

    ‘Zonder mensen is er helemaal niks aan, aan al dat geld’

    Hoe kijk je aan tegen het leiderschap – en dan heb ik het niet over zwart leiderschap, maar leiderschap in het algemeen – in dit land, waar het gaat om de dingen die jij belangrijk vindt? Zijn er mensen van wie jij zegt: deze man of vrouw staat voor de dingen die mij aan het hart gaan?

    (lacht) ‘Dit wordt grappig. Nou ja, ik vind het zelf wel grappig: ik geloof erg in [de zwarte komiek] Dave Chapelle.’

    Vertel. Zou je Dave Chapelle als president willen?

    ‘Ik denk het wel. Hij verpakt het in humor zodat het hanteerbaar is, maar er zit altijd een stevige kern van waarheid in.’

    Je hebt aardig wat geld. Word je daardoor op een bepaalde manier rechtser, of heeft het feit dat je geld hebt geen invloed gehad op je politieke overtuigingen?

    ‘Nee. Nee, want ik geloof in mensen. Het gaat mij erom wat het beste is voor de mensen. Ik ben dol op mensen. Ik ben dus niet zo dat ik op de Republikeinen ga stemmen omdat het me geld scheelt. Uiteindelijk is dat niet waar het om gaat. Het gaat er niet om wie meer geld heeft, of meer huizen. Ja, natuurlijk, je hebt het zelf verdiend, dus je mag ermee doen wat je wilt. Snap je? Maar zonder mensen is er helemaal niks aan, aan al dat geld.’

    Zo is het. (lacht)

    ‘Niemand om het mee te delen, niemand om… Nou ja, je snapt wel wat ik bedoel. Dan zou je zwemmen in het geld, moederziel alleen op de wereld.’

    Ik heb naar je nieuwste album geluisterd, en toen moest ik denken aan de eerdere albums. Een van de thema’s was zoiets als het bereiken van het beloofde land. Je hebt inmiddels een bepaalde positie, en dan heb ik het niet alleen over geld. Maar als ik dan naar je nieuwste album luister, denk ik: Hij moet het heel moeilijk hebben gehad, ook toen het hem voor de wind ging.

    ‘Zonder meer.’

    Ja, echt?

    ‘Ja. Denk maar aan het nummer Song Cry.’ [Dat nummer, van Jay-Z’s album uit 2001, The Blueprint, genomineerd voor een Grammy, gaat over het stuklopen van drie eerdere relaties en het onvermogen van de rapper om zijn emoties toe te laten en echt, 
of openlijk, te rouwen. Pride won’t let me show it / Pretend to be heroic.]

    Mm-hmm.

    ‘Dat ene zinnetje – never seen it comin’ down my eyes, but I gotta make the song cry – dat maakt in één klap duidelijk hoe ik eraan toe was. Ik dook ervoor weg. Een man is pas echt sterk wanneer hij kan huilen. Je gevoelens tonen, gewoon laten zien dat je kwetsbaar bent. Dat is ware kracht.’

    Wil je daarmee zeggen dat je in die periode ongelukkig was, en daar niet mee uit de voeten kon?

    ‘Nou ja, je stopt dingen weg, hè. Dus je kunt je oké voelen terwijl diep vanbinnen van alles speelt.’

    Voor mij als vader was een van de meest aangrijpende stukken van je album het nummer over je huwelijk dat bijna op de klippen liep. Je hebt het erover hoe het moet zijn om een andere man met jouw kind te zien voetballen. Je hebt heel veel over je leven verteld in je muziek, maar zijn er ook facetten van je leven waar je een muur optrekt? Je hebt het erover gehad hoe zwaar het was om op te groeien zoals jij bent opgegroeid, dat je vader jullie al vroeg in de steek liet, over de problemen binnen je huwelijk, dat je in therapie bent gegaan. Zijn er ook dingen waarvan je zegt: ‘Daar waag ik me niet aan’?

    ‘Ja, hoor. En dat heeft dan meestal met anderen te maken, want zodra er anderen bij betrokken zijn 
kun jij het allemaal wel oké vinden om die dingen naar buiten te brengen, maar het gaat ook over de waarheid van anderen. Mijn moeder is een goed voorbeeld.’

    Wanneer werd je duidelijk dat je moeder lesbisch was?

    ‘O, eh, dat wist ik al heel vroeg. Als tiener, zeg maar.’

    Je had het door en jullie hebben erover gepraat?

    ‘We hebben het er nooit over gehad. Het was gewoon zo. Het was een gegeven. Iedereen wist het. Maar we hebben het er nooit over gehad. Tot, nou ja, eigenlijk is het iets van de laatste tijd. We hebben heel mooie gesprekken, en we leren elkaar echt goed kennen. We konden altijd al goed met elkaar opschieten, maar nu zijn we echt heel goede vrienden. Snap je? En we zaten gewoon als vrienden te praten. En toen vertelde ze me dat ze verliefd was. Na al die jaren heeft ze het gevoel dat ze vrij is. Ze kan nu zichzelf zijn. Ze hoeft geen dingen meer weg te houden van haar kinderen, ze hoeft niet meer bang te zijn dat haar kinderen zich opgelaten zullen voelen. Het was toen echt een andere tijd. Nu kan ze gewoon haar eigen leven leiden.’

    Denk je dat het gaandeweg moeilijker zal worden? Toen je nog jonger was, maakte je muziek over een bestaan vol geweld. Hoofdstuk twee van de autobiografie is iets in de trant van: ‘Ik zwem in het geld. Ik kom om in de spullen. Moet je eens kijken hoe cool dat is.’ Ik versimpel het natuurlijk. Hoofdstuk drie luidt: ‘O, mijn god, ik heb mezelf de vernieling in geholpen.’ Wat kunnen we van hoofdstuk vier verwachten?

    ‘Hoofdstuk drie luidt anders, en wel: O, mijn god, de mooiste dingen in het leven zijn niet die spullen. De mooiste dingen zitten vanbinnen. Het mooiste zijn de vriendschappen die ik heb. Ik heb echt onbetaalbare vriendschappen. Het medeleven, en wie ik ben geworden – daar gaat dit hoofdstuk over. En het gesprek met mijn moeder. Dat zijn de ervaringen die je echt verrijken.’


    Maar maak je dan nog wel dezelfde soort dingen mee? Heb je dan nog wel dezelfde ervaringen om over te schrijven? Of weet je dat gewoon nog niet?

    ‘Ik denk dat rap in eerste instantie iets voor jonge mensen is. Op een gegeven moment zit je niet meer op de plek waar het allemaal gebeurt. Rap gaat over de gave van het ontdekken. Als alles nieuw en fris is schrijf je nummers waar de vonken vanaf vliegen. Ik heb het raam wel op een kiertje gezet, natuurlijk.’

    Heb je het gevoel dat je je nog altijd in die ruimte bevindt?

    ‘Ik heb die ruimte opgerekt. Ik heb echt heel erg lang bij dat raam gestaan. Maar evengoed, nee, ik geloof niet dat ik word gezien als de grote naam van dit moment.’

    Is dat moeilijk te accepteren, of heb je iets van: ik zit er niet mee, want ik heb me verder ontwikkeld?

    ‘Nee.’

    Je zou het ook niet willen?

    ‘Weet je wat het is? Uiteindelijk gaat het er niet om dat je op de plek zit waar alles gebeurt, maar dat je dichter bij de waarheid komt. De plek waar het allemaal gebeurt – mensen hebben er de wildste voorstellingen van, maar uiteindelijk stelt het allemaal niet zoveel voor. Wil je liever een trend zijn of wil je liever Ralph Lauren zijn? Ik ben zo iemand die naar de Mona Lisa kijkt en denkt: Jezus, dat is over veertig jaar cool. Ik zet in op de blijvende aard. Voor mij is alles erop gericht me te identificeren met de waarheid. Niet om jong, hot, nieuw en trendy zijn.’

    Een van de dingen waar je over rapt is het leed dat je de mensen hebt aangedaan aan wie je drugs hebt verkocht. Heb je ooit gepraat met die mensen, mensen die jij op 
jongere leeftijd al die ellende hebt aangedaan?

    ‘Nee, dat heb ik niet gedaan. Nee.’

    Wat zou je tegen hen zeggen? Of is het onmogelijk om dat 
te doen, in dit stadium?

    ‘Niets is onmogelijk. Ik denk dat ik in een dergelijk gesprek in ieder geval de verantwoordelijkheid zou nemen voor mijn aandeel in, nou ja, voor de rol die ik heb gespeeld in het creëren van die situatie. Want met alles wat ik nu weet is me volkomen duidelijk dat je anderen nooit het slachtoffer mag laten worden van jouw leven, snap je. Er is een karmische schuld die moet worden ingelost. Als ik toen had geweten wat ik nu weet, was het allemaal anders gelopen.’

    Heb jij het idee dat je een andere verantwoordelijkheid hebt tegenover je luisteraars dan wanneer je een witte muzikant zou zijn geweest?

    ‘Ja, want ik heb de verantwoordelijkheid – en dan grijp ik even terug op het verhaal van O.J. – om het gesprek over een heel ras naar een hoger plan te tillen. Dan heb ik het niet alleen over mij… het geldt voor ons allemaal. Het is goed om na te denken. Het is goed om slim te werk te gaan. Weet je, er was een tijd waarin mensen dingen zeiden als: “Je praat als een witte.” Wat bedoelen ze daar nou mee? Dat ik bepaalde woorden ken? Intelligentie is geen eerbetoon aan huidskleur. Ik durf te wedden dat jij dat vroeger ook vaak genoeg te horen hebt gekregen.’


    Ja, reken maar.

    ‘Je praat als een blanke. Hoezo? Ik praat alsof ik een bepaalde woordenschat heb. Ik heb een bepaalde 
verantwoordelijkheid om het gesprek naar een hoger plan te tillen, op meerdere vlakken. Onze positie binnen de Amerikaanse maatschappij. Onze emotionele volwassenheid, en zo voorts. Het maakt je nederig. En tegelijkertijd heb ik ook zoiets van, we hebben allemaal een bepaalde taak in dit leven. En het zijn altijd de dichters geweest die de emoties van mensen hebben geduid en liedjes hebben geschreven waarbij mensen zoiets hadden van: Ja, dát is wat ik voel.’

    Zijn er zwarte kunstenaars, en ik zal je niet vragen om namen te noemen tenzij je dat zelf wilt, die volgens jou hun verantwoordelijkheid ontlopen om het gesprek over ras op gang te brengen? Zijn er mensen van wie je zou willen dat 
ze meer deden?

    ‘Nou ja, om te beginnen natuurlijk O.J., toch? Want dat is iemand met wie we ons allemaal kunnen identificeren. Er zijn mensen die zich aan die verantwoordelijkheid onttrekken, en we weten allemaal hoe dat is afgelopen.’

    Stel dat je O.J. zou spreken, wat zou je dan tegen hem zeggen?

    ‘Geen idee. Ik zou waarschijnlijk iets zeggen als: “Man, ik vind het vreselijk wat je allemaal is overkomen.” Weet je, mensen doen dit soort dingen op grond van wat ze hebben meegemaakt, en ik denk gewoon dat hij allerlei traumatische dingen heeft meegemaakt. Waarschijnlijk zou het gesprek dan vanzelf op gang komen.’

    Heb je de documentaire over hem gezien?

    ‘Ik heb ze allemaal gezien. Er waren er een stuk of acht tegelijk.’

    Je kunt op twee manieren naar het verhaal van O.J. kijken. Je kunt zeggen dat het mensen met hun neus op het feit drukt dat ze zwart zijn. De positieve boodschap is dan: Je bent zwart en daar zou je veel trotser op moeten zijn. De negatieve boodschap is: Hou jezelf maar niet voor de gek. Uiteindelijk verander je niets aan je positie binnen de maatschappij door lid te worden van een besloten countryclub en door te gaan golfen. Welke boodschap is volgens jou de juiste?

    ‘Allebei, op een bepaalde manier. Het zijn twee boodschappen die naast elkaar bestaan. Wees trots op wie je bent, maar realiseer je ook dat we verder komen als we ons verenigen. Je bent afkomstig uit een bepaalde gemeenschap. En het is nu aan jou om die gemeenschap verder te brengen.’

    Dan moet ik nu toch even ingaan op een roddel. Ik wil het hebben over Kanye West en de verhouding tussen jullie beiden, waaraan je zijdelings refereert in je muziek. 
Wanneer heb je hem voor het laatst gesproken?

    ‘Ik heb Kanye laatst nog gesproken, gewoon om te zeggen dat hij mijn brother is. Ik hou van Kanye. 
We hebben een gecompliceerde verhouding.’

    Waarom gecompliceerd?

    ‘Nou ja, omdat – Kanye is begonnen op mijn platenlabel. En we zijn allebei artiesten. Er heeft altijd iets gespeeld van een onderliggende concurrentiestrijd met een grote broer. En we hebben waardering voor elkaars muziek. Iedereen wil de beste ter wereld zijn. Snap je wat ik bedoel? En dan spelen er nog allemaal andere dingen mee. Maar het komt wel – het zit gewoon wel goed tussen ons.’

    Er is wel sprake van een zekere spanning, toch?

    ‘Ja, oké. Maar goed, dat kan gebeuren. Op de lange termijn – als we negenentachtig zijn en terugkijken op deze zes maanden kunnen we er hopelijk om lachen. Begrijp je wat ik bedoel? De enige manier is er rustig over praten en zeggen: “Dit en dat zit me niet lekker. Dit is hoe ik het zie.” Hij zal mij ongetwijfeld ook dingen kwalijk nemen. Ik ben echt allesbehalve perfect, snap je.’

    Heeft hij zich net zo ver ontwikkeld als jij?

    ‘Hij heeft zich geweldig ontwikkeld. Volgens mij is hij begonnen vanuit een meer invoelende positie dan ik. Snap je? Ik heb gewoon een heel andere jeugd gehad. Mijn eerste album kwam uit toen ik zesentwintig was. Veel mensen brengen hun eerste album uit als ze zeventien of achttien zijn, hun onderwerpen zijn de onderwerpen van een zeventien- of achttienjarige. Tenzij je Nas bent, natuurlijk, en heel belezen… [Nas’ spraakmakende debuutalbum Illmatic, uit 1994, opgenomen toen hij nog een tiener was, werd geprezen om de beeldende scherpe teksten over volwassen worden in troosteloze buitenwijken. De autodidact uit Queens ging na de onderbouw van school.] Maar Kanye is een heel inlevend iemand. Hij komt vaak in de problemen omdat hij anderen wil helpen. Daar heb ik wel affiniteit mee. Het punt is dat er bepaalde dingen zijn gebeurd die voor mij onacceptabel zijn. Maar we houden oprecht van elkaar.’


    Ik probeer me een beeld te vormen van de gesprekken tussen jou en je vrouw, over de openhartige albums waarop jullie je echt blootgeven. Was het moeilijk om te zeggen: ‘Ik ga het over de problemen binnen ons huwelijk hebben. Ik ga het erover hebben dat we bijna van alles waren kwijtgeraakt.’ En voor haar om te zeggen: ‘Ik ga het hebben over mijn verdriet, en hoe kwaad ik op jou ben.’ Hoe gingen die gesprekken?

    ‘Nogmaals, het – zo ging het niet. We gebruikten onze kunst bijna als een soort therapie. We gingen samen muziek maken. En die muziek waar zij in die tijd mee bezig was, was al verder gevorderd. Dus kwam haar album uit vóór het album waar we samen aan werkten. Eh, we hebben nog heel veel van die muziek liggen. En dit is het geworden. Er is nooit een moment geweest waarop ze zei: “Ik ga dit album maken.” Ik was er de hele tijd bij.’

    En hoe reageerde zij op jouw werk en jij op dat van haar? Het moet voor jullie allebei pijnlijk zijn geweest, toch?

    ‘Ja, natuurlijk. Het was voor ons allebei heel erg ongemakkelijk, maar […] zoals men zegt: je kunt maar het beste in het oog van de orkaan zitten. We zaten in het oog van die orkaan. Het was bepaald niet leuk. En we hebben heel veel gepraat. Begrijp je? Ik was heel erg trots op de muziek die zij maakte, en zij was heel erg trots op de nummers die ik uitbracht. Ik vind haar fenomenaal. Het percentage echtscheidingen ligt ergens rond de vijftig procent, omdat de meeste mensen niet naar zichzelf kunnen kijken. Er is niets zo moeilijk als in de ogen 
van een ander het verdriet te zien dat jij hebt veroorzaakt, en dan met jezelf in het reine te moeten komen.’

    Zo is het.

    ‘En nou ja, de meeste mensen hebben daar gewoon geen trek in. Het is niet makkelijk om in je eigen ziel te kijken.’

    Zo is het.
    ‘En dus loop je ervoor weg.’

    Auteur: Dean Banquet
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    • Het interview is bewerkt door Wesley Morris en Reggie Ugwu, resp. criticus en verslaggever voor NYT, die ook de toelichtingen tussen de vierkante haken plaatsten.

    Openingsbeeld: Jay-Z met zijn vrouw Beyoncé in de clip van Family Feud. Het huwelijk tussen de twee artiesten stond vorig jaar onder spanning nadat Jay-Z bekende dat hij zijn vrouw bedrogen had. De video kreeg nogal wat kritiek vanuit katholieke hoek, omdat hij ‘uitbuitend en gratuit’ zou zijn. – @ Scope Images / HH

    The New York Times
    VS | oplage 1.120.000