Tag: aanslagen

  • 7. Nederlaag van de beschaving

    7. Nederlaag van de beschaving

    Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.

    Woorden schieten tekort 
om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder
laag van de rede, van het denken, van de beschaving.

    De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van 
het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.

    Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?

    Auteur: Mustapha
    Vertaler: Peter Bergsma

    Leaders
    Tunesië, leaders.com.tn
    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.

  • 6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    Gelijktijdige en op elkaar afgestemde aanslagen, dat is precies wat de Franse inlichtingendiensten al maandenlang vreesden, schrijft het Libanese dagblad L’Orient-Le Jour.

    Gelijktijdige aanslagen, een gijzel
neming door verschillende schutters en minstens één 
zelfmoordactie: dat is het nachtmerrie
scenario dat zich vrijdagavond in Parijs heeft voltrokken en dat al maandenlang door de terrorismebestrijders werd gevreesd.

    De afgelopen weken hebben experts herhaaldelijk gewaarschuwd dat er islamistische aanslagen van ongekende omvang in Frankrijk werden voorbereid die vrijwel onmogelijk konden worden verijdeld.

    ‘De thermometer stijgt. Ze wachten gewoon het juiste moment af om de gebeurtenis rechtstreeks door de media te laten verslaan zodat een maximum aan publiciteit is gegarandeerd,’ verklaarde een lid van de Franse terrorismebestrijding onlangs anoniem tegenover het Franse nieuwsagentschap AFP. ‘We vrezen aanslagen met kalasjnikovs, die lange tijd zullen duren.’

    Wat er vrijdagavond is gebeurd bij onder meer het Stade de France en Le Bataclan is precies wat de Franse terrorismebestrijders al maandenlang vreesden: een Parijse kopie, maar dan nog erger, van de aanslag door een goed bewapend islamistisch commando in het winkelcentrum Westgate in Nairobi, in september 2013, die 68 mensen het leven kostte tijdens een belegering van vier dagen, voor de lens van camera’s van over de hele wereld.

    ‘Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem’

    ‘Als ze zich opsluiten in een warenhuis, is het een nachtmerrie om ze te vinden,’ had dezelfde leidinggevende eraan toegevoegd. ‘Je moet eerst weten hoeveel schutters er zijn, ze daarna zien te 
vinden en ze neutraliseren, en dat 
kost uren. Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem.’

    Sinds begin dit jaar hebben alleen geluk en de onhandigheid van de mannen die een aanslag wilden plegen, zoals die op een Thalys en een kerk in Villejuif, een bloedbad kunnen voorkomen. Maar nu er tientallen steeds gehardere jihadistische strijders zijn teruggekeerd, zo’n groot aantal dat het onmogelijk is ze allemaal in het oog te houden, zijn de risico’s van een aanslag van ongekende omvang onophoudelijk toegenomen.

    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH
    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH

    ‘Het gevaar komt van een aanzienlijke groep jongemannen die gehard zijn in de strijd, misschien in Syrië, misschien in Libië, misschien in Jemen, en die ter plaatse (in Frankrijk) wapens vinden en tot actie overgaan,’ zo verklaarde Yves Trotignon, tot voor kort verbonden aan de antiterrorismeafdeling van Franse buitenlandse inlichtingendienst DGSE, onlangs tegenover AFP. 
Hij voegde eraan toe: ‘Jongens die vastbesloten zijn en bereid om te sterven, die hun doelwit hebben bestudeerd en operationeel gezien hun mannetje staan, kunnen veel kwaad aanrichten. Het aantal veteranen van de jihad neemt met de dag toe. De veiligheidsdiensten, je kunt er niet omheen, worden erdoor overspoeld.’

    Na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher afgelopen januari hebben de antiterrorismedienst, de inlichtingendiensten, de politie en de veiligheidsdiensten zich voorbereid op een eventuele gelijktijdige aanslag, zoals die zich in de nacht van vrijdag op zaterdag heeft voltrokken. Ze hebben geoefend op hoe ze moeten reageren, zich moeten mobiliseren en moeten samenwerken als zo’n aanslag werkelijkheid wordt.

    De aanslagen in Mumbai in november 2008, waarbij tien aanslagplegers tegelijkertijd vijf verschillende doelen aanvielen en 173 mensen doodden, waren door alle antiterrorismediensten op de wereld bestudeerd. Maar alle verantwoordelijken verklaarden desgevraagd dat het onvermijdelijk was dat de aanslagplegers methodes zouden kunnen gebruiken die ze niet hadden voorzien.

    Auteur: Michel Moutot
    Vertaler: Peter Bergsma

    Michel Moutot is journalist voor l’Agence France-Presse (AFP). Hij verbleef in die functie achtereenvolgens in Lyon, Beiroet, Bosnië, Kenia, Albanië en Servië en New York. Hij won prijzen voor zijn verslagen over de Kosovo-oorlog en de aanslagen in New York. In 2015 verscheen zijn eerste roman, Ciel d’acier: ces indiens qui ont construit l’Amérique, waarmee hij een debutantenprijs won.

    L’Orient-Le Jour
    Libanon, dagblad, oplage onbekend
    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.

  • 5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    In 2008 werd de Indiase stad Mumbai getroffen door soortgelijke aanslagen als in Parijs, met 166 doden als gevolg. Het is de hoogste tijd dat regeringen en veiligheidsdiensten gaan samenwerken om dit soort terrorisme te bestrijden.

    Bijna drie weken geleden klaagde een hoge functionaris van de Indiase inlichtingendienst over het mislukken van een initiatief dat de Indiase potentie tot contraterrorisme aanzienlijk had kunnen verhogen.

    Bezorgd om het gebrek aan samenwerking tussen de veiligheidsdiensten, kwamen twee sleutelfiguren uit de 
top van de inlichtingendiensten, Asif Ibrahim van het Intelligence Bureau en Alok Joshi van de Research and 
Analysis Wing, in de zomer van 2014 bij elkaar om een stoutmoedig plan op te stellen ten einde zaken die speelden tussen beide bureaus op te lossen. 
Hun plan was eenvoudig van opzet, maar beiden waren zich bewust van 
de moeilijkheid om het ook echt te implementeren.

    ‘Het plan was om professionals bij elkaar te brengen die te maken hebben met contraterrorisme, en vervolgens als één team samen te werken,’ liet de functionaris mij weten. ‘Beide chefs hadden gehoopt dat met een gezamenlijk optreden de informatiestromen sneller op gang zouden komen zodat de tegenmaat‑regelen effectiever zouden zijn dan op dit moment het geval is.’

    Maar zoals het met de meeste goede ideeën gaat, was de weerstand zo groot dat zelfs de twee kopstukken uit de wereld van de inlichtingendiensten het plan niet wisten te realiseren. Beiden namen ontslag, en het voorstel verdween in de torenhoge stapels dossiers van de ministeries van North en South Block.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden

    Met de aanslagen in Parijs afgelopen vrijdag, werd het opnieuw duidelijk 
dat het terrorisme vandaag de dag een soort wereldwijde coalitie is. Helaas is het antwoord op het wereldwijde terrorisme allesbehalve eenduidig. Zoals India heeft aangetoond, is het een hele uitdaging om de twee belangrijkste veiligheidsinstanties tot een vorm 
van samenwerking te brengen, en de politieke wil om radicale veranderingen door te voeren blijft hopeloos klein. Elke stap die werd beschouwd als een tegenmaatregel in India’s strijd tegen het terrorisme na de aanslagen door 
de terroristen van Lashkar-e-Taiba (LeT) in november 2008 in Mumbai, is door de omvangrijke bureaucratie van India 
in de ijskast verdwenen.

    De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat veel van de voorgestelde maatregelen gebreken vertoonden. Het geplande Nationale Centrum voor Contraterror‑isme had uiteindelijk fataal kunnen zijn voor India’s federale principes, 
terwijl de plannen die de National Intelligence Grid had om de databanken van de belangrijkste Indiase veiligheidsdiensten aan elkaar koppelen, niet voorzagen in de vereiste veiligheidsgarantie. Maar die maatregelen hadden uitgebreid besproken moeten worden, de verschillen van inzicht erover bijgelegd, en vervolgens zonder verder uitstel geïmplementeerd moeten worden.

    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP
    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP

    Dit is ironisch. De aanslagen in Mumbai door de moslimorganisatie Lashkar-e-Taiba vormen nu de blauwdruk voor wereldwijde terroristische aanslagen, zoals de recente tragedie in Parijs aantoont. Terwijl een 9/11 spectaculair is wat betreft planning en uitvoering, is het ook veel moeilijker te realiseren in deze tijd van toegenomen toezicht en bewaking. Maar een aanslag à la Mumbai is veel makkelijker te plannen en uit te voeren, en met als resultaat nog meer dodelijke slachtoffers. Het verkrijgen en binnensmokkelen van kleine wapens, het motiveren en vervolgens naar kwetsbare openbare gelegenheden sturen van zelfmoordterroristen, is de ergste nachtmerrie voor veiligheidsfunctionarissen, en die nachtmerrie 
is nu werkelijkheid geworden.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden. Dergelijke aanslagen zullen plaats blijven vinden en zullen het kenmerk blijven van het terrorisme in de toekomst. Wat veiligheidsfunctionarissen kunnen doen is beginnen met het smeden van plannen voor tegenmaatregelen om het aantal van dergelijke aanslagen te verminderen, de veerkracht en veiligheid van openbare gelegenheden te verbeteren, het reactievermogen van contraterroristische eenheden te versnellen, worstcase‑scenario’s te bedenken en uit te werken, een doelgerichte inlichtingendienst op te zetten die opereert ver van het krachtenveld van de grootschalige bewaking, en werk te maken van het opsporen en wegnemen van de onderliggende oorzaken die tot terrorisme kunnen leiden.

    Niets van dit alles zal eenvoudig zijn. Al meer dan twintig jaar dringt India zonder veel succes aan op een Conventie van de Verenigde Naties over terrorisme, omdat velen het wereldwijd oneens zijn over wat ‘terrorisme’ precies is. Zolang er geen overeenstemming is over hoe terrorisme gedefinieerd moet worden, hoe kunnen er dan wereldwijde protocollen worden geschreven over het bestrijden van terrorisme? India kreeg ook te maken met tegenstand van wereldmachten als de VS toen het in het begin van de jaren negentig aandacht vroeg voor het door Pakistan gesponsorde terrorisme. Na de bomaanslagen van 1993 in Mumbai stelden Indiase inlichtingendiensten heel accuraat de verbanden vast tussen de wapenaankopen door het Pakistaanse leger en de munitie die werd gebruikt in Mumbai. Toen die bewijzen werden voorgelegd aan de VS, hielpen die het bewijsmateriaal ‘kwijt te raken’, en zodoende werd een mogelijke strafzaak tegen Pakistan succesvol de nek omgedraaid. Dat soort dubbele standaarden hebben de wereldwijde zaak tegen het terrorisme zelden of nooit goed gedaan.

    Nieuwe doctrines

    Terrorisme is ook een kwestie van leren en ervaring opdoen van nieuwe doctrines. Het VN Bureau voor Drugs- en Misdaadbestrijding gaf opdracht voor een onderzoek naar de vraag hoe terroristen gebruikmaken van online community’s om hun doelen te 
bereiken.

    Een citaat: ‘De snelheid, het wereldwijde bereik en de relatieve anonimiteit waarmee terroristen gebruik kunnen maken van het internet om hun zaak te bepleiten of terroristische aanslagen mogelijk te maken, maakt, (…) een alerte en effectieve internationale samenwerking tussen ordehandhaving en inlichtingendiensten tot een steeds crucialere factor in een succesvol onderzoek.’ Maar de afwezigheid van een universeel instrument om cyberkwesties aan te pakken voorkomt dat regeringen onderling samenwerken in de strijd tegen terroristische netwerken die online hun boodschap verspreiden. Zaken als jurisdictie, uitzetting en vervolging vormen de voornaamste onderlinge verschillen, waardoor regeringen het nog steeds niet eens kunnen worden over het vinden van gemeenschappelijke methoden om het internationale terrorisme te bestrijden.

    Zoals onderzoek heeft aangetoond, 
is de Islamitische Staat een meester in het gebruik van socialemedianetwerken voor financiering en rekrutering, waardoor hun terrorisme kan blijven groeien. Zoals onderzoekers onlangs ontdekten zijn de meeste van die sociale medianetwerken van IS vooral actief in Europa, en minder in het Midden-Oosten.

    Het is duidelijk dat de aanslagen in Parijs niet de laatste zullen zijn. 
Landen als India worden al als voornaamste doelwit aangemerkt door internationale terreurorganisaties als Al-Qaida en IS. Alleen maar toegeven dat er een dreiging bestaat is niet voldoende. Er is een gezamenlijke reactie nodig, zowel intern als op internationaal vlak. Tenzij naties het erover eens worden hoe ze gezamenlijk de gesel van het terrorisme kunnen bestrijden, zullen ze gedoemd zijn voor altijd de rol te spelen van het slachtoffer van terrorisme.

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Auteur: Saikat Datta
    Vertaler: Peter Bergsma

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Scroll.in
    India, scroll.in
    Website die is opgericht in 2013 door een team van prijswinnende journalisten. Het biedt een onafhankelijk nieuwsoverzicht en kritische analyse van de belangrijkste politieke en culturele verhalen die vormgevend zijn voor hedendaags India.

  • 4. Waarom le Bataclan?

    4. Waarom le Bataclan?

    In de Franse media wordt druk gespeculeerd over de vraag waarom bij de aanslagen van vrijdag-de-dertiende de ‘rocktempel’ Le Bataclan aan de boulevard Voltaire een van de doelwitten was. Een bevredigend antwoord wordt niet gegeven.

    De zaal werd een jaar of tien geleden een enkele maal afgehuurd door joodse organisaties in Parijs voor het geven van benefietvoorstellingen ten bate van de goede doelen van de Magav, de Israëlische grenspolitie. Le Bataclan heeft wel eens een joodse eigenaar gehad. De Eagles of Death Metal, de Amerikaanse band die er vrijdagavond optrad, heeft niet lang geleden ook in Israël een concert gegeven. Maar het blijft gissen. Het meest voor de hand liggend: er waren veel mensen bijeen in een kleine ruimte en het was een relatief gemakkelijk doelwit zonder al te veel bewaking.

    Le Bataclan – oorspronkelijk Ba-Ta-Clan, naar een destijds populaire operette van Jacques Offenbach uit 1855 – heeft een lang en wisselvallig verleden. De zaal werd in 1865 gebouwd als café-concert naar een ontwerp van een architect, Charles Duval, die ook al niet een onuitwisbaar stempel op Parijs heeft gedrukt. Het was de tijd van de ‘chinoiseries’: het dak kreeg de vorm van een pagode. Beneden was het café met biljartzalen, boven de danszaal. Tijdens de belegering van Parijs door de Duitsers in 1870 en de daaropvolgende opstand van de Commune deed het café dienst als veldhospitaal.

    Er traden in later tijden veel revuemeisjes op en beroemdheden als Aristide Bruant, Maurice Chevalier (die er zijn debuut maakte), en ook Buffalo Bill kwam 
er met zijn Wild West-show.

    42 79231420

    In 1926 werd het café-concert voor het eerst ingrijpend verbouwd: Le Bataclan werd een bioscoop en bleef dat tot 1969. Daarna werd het gebouw jarenlang als opslagruimte gebruikt. In 1983 begon het aan een tweede leven als concertzaal voor rockbands van allerhande pluimage. Opnieuw werd er binnen een ingrijpende verbouwing uitgevoerd, en de voorgevel herkreeg de oorspronkelijke beschildering in rood en geel.

    In september van dit jaar werd Le Bataclan overgenomen door de Groupe Lagardère Entertainment, waarvan onder meer ook het vrouwentijdschrift Elle, de uitgeverij Grasset en het radiostation Europe 1 deel uitmaken. 


    Auteur: Patrick Straumann
    Vertaler: Peter Bergsma

    Neue Zürcher Zeitung
    Zwitserland, dagblad, oplage 155.000
    Een van de oudste kranten ter wereld. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.

  • 3. ‘Frankrijk kan   rekenen op zijn voorsteden’

    3. ‘Frankrijk kan rekenen op zijn voorsteden’

    In een café vlak bij het Stade de France in Saint-Denis zijn de stamgasten woedend op de terroristen. ‘Men zal zich tegen de moslims keren.’

    Sommigen lezen de krant aan de bar, zwijgend. Anderen, op het trottoir, vertellen, praten met elkaar, discussiëren. Op deze zaterdagochtend is café La Royale, op een steenworp van het Stade de France in Saint-Denis, in rumoerige rouw gedompeld. Hier heeft bijna iedereen vrijdagavond de ontploffingen gehoord die door de drie zelfmoordenaars werden veroorzaakt. Al heel gauw verspreidde de angst zich door de wijk: ‘Mijn neef en mijn schoonzus waren in het stadion, maar we konden ze niet bereiken. Mijn moeder moest bijna overgeven,’ vertelt Hassen (45). Otman was aan het werk in een van de pizzeria’s voor het sportcomplex: ‘Het eerste wat ik heb gedaan was mijn familie bellen om te zeggen dat ze moesten maken dat ze weg‑kwamen of naar huis moesten gaan. Het is afgelopen, we zijn niet veilig meer.’ ‘Wat er is gebeurd heeft ons tot in het diepst van onze ziel geraakt,’ voegt Aziz, een vijftiger van Tunesische afkomst, eraan toe.

    Tarek (33) heeft twee verschillende avonden meegemaakt. De ene was ‘goed, want we hebben Duitsland verslagen met voetbal’. De andere was ‘walgelijk’. Hij fluistert dat het ‘erger’ was dan de aanslagen van januari 2015. Allereerst vanwege het aantal doden: ‘Dat is onvoorstelbaar.’ Hij voegt eraan toe: ‘En ten tweede kenden we geen zelfmoord
aanslagen in Frankrijk. We waren er niet op voorbereid.’ Hij heeft die nacht geen oog dichtgedaan. ‘Hoe kun je na zoiets slapen? Ze hebben ons aangevallen in onze eigen wijk. Zoiets als vrijdag
avond heb ik nog nooit gezien. Er was enorm veel politie op de been, maar als je naar hun gezichten keek, zag je dat ze allemaal geschokt waren,’ zegt Tarek, die ‘in het verzet’ is gegaan. ‘Frankrijk is in oorlog, het kan rekenen op zijn voorsteden.’

    Alles op één hoop

    Hassen, die persabonnementen verkoopt, benadrukt: ‘We stonden achter Charlie Hebdo en de vrijheid van meningsuiting. Maar nu hebben ze heel Frankrijk getroffen, om het even wie.’ Je merkt dat de mensen radeloos zijn. ‘Hoe kun je jezelf opblazen vanwege ideeën, in naam van een godsdienst?’ vraagt Hassen. ‘De wereld is tot stilstand gekomen. Het is volkomen geschift.’ Janel, van oorsprong Algerijns, verzucht: ‘De islam verbiedt bloedvergieten en zelfmoord. Hoe kun je zover komen?’ Zijn familie heeft in de jaren negentig het terrorisme van de FIS, een islamitisch-fundamentalistische Algerijnse groepering, meegemaakt: ‘De avondklok, de noodtoestand. Juist daarom zijn we naar Frankrijk gevlucht.’

    Tarek begrijpt het niet: ‘Ik ben een Franse moslim. Hier kan ik bidden, ramadan vieren. Als je er extreme ideeën op nahoudt, moet je hier niet willen blijven.’ De identiteit van de plegers van de aanslagen, waarvoor de verantwoordelijkheid is opgeëist door IS, baart hun zorgen: ‘Dit zal zich ongetwijfeld tegen de moslims, tegen de mensen uit de voorsteden keren,’ vreest Hassen. 
De term ‘alles op één hoop gooien’ keert telkens terug, vooral met het oog op de naderende verkiezingen. ‘Er zal vooral met een schuin oog naar één deel van de Franse bevolking worden gekeken, en dat is eerlijk gezegd wel te begrijpen,’ laat Tarek zich ontvallen. Om er even later op terug te komen: ‘We moeten de eenheid bewaren. We moeten ons geen angst laten aanjagen door de terroristen. Je kunt je niet gewonnen geven in je eigen wijk. Het zal tijd kosten om erbovenop te komen, maar we moeten ze laten zien dat ze ons met hun aanslagen alleen maar sterker maken.’ Hij hoopt ook dat de media niet in een ‘stigmatiseringsspiraal’ zullen vervallen en dat François Hollande ‘het volk kracht zal weten te geven om zich te verenigen’.

    ‘Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld’

    Deze oproep tot ‘nationale eenheid’ wordt door alle klanten gesteund. 
‘De politici moeten ophouden met 
kibbelen,’ zegt Jamel, ‘anders wordt 
het van kwaad tot erger.’ Hij maakt zich zorgen over de komende regionale verkiezingen: ‘Wie profiteert er van deze misdaden? Het Front National…’ Soms vallen er harde woorden: ‘Als ik een van die terroristen te pakken krijg, knevel ik hem en gooi hem in het zoutzuur.’ Een andere jongen: ‘We zullen onze wijk met hand en tand verdedigen!’

    Volgens Jamel heeft Frankrijk (een ‘grootse natie’) een echte leider nodig, ‘iemand als De Gaulle of Chirac. Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld.’ Hij roept op tot meer grenscontroles: ‘Tussen de migranten die momenteel naar Frankrijk komen zitten misschien wel terroristen.’ Hij wil dat mensen die van plannen voor een aanslag worden verdacht ‘het land worden uitgezet’. En als het Fransen zijn? ‘Dan moet je ze hun nationaliteit ontnemen!’ Hassen benadrukt: ‘Je moet de goeden van de kwaden scheiden!’ Met luide stem vraagt hij zich af, verwijzend naar Syrië, Egypte en Libië, ‘of een goede dictator niet beter zou zijn om het terrorisme te bestrijden.’ Tarek gaat nog verder: ‘Als je twijfels over iemand hebt, moet je niet aarzelen. Dan stop je hem in de gevangenis.’

    Auteur: Sylvain Mouillard
    Vertaler: Peter Bergsma

    Libération
    Frankrijk, dagblad, oplage 151.000
    In 1973 opgericht door o.a. Jean-Paul Sartre. De krant hoort inmiddels bij de grote, serieuze Franse dagbladen. Nieuwsgierig en brutaal.

  • Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Financial Times-correspondent Simon Kuper zat in het stadion op vrijdag de 13de. Net als zijn kinderen houdt hij erg van Parijs. Maar hij vraagt zich nu voor het eerst af of hij er wel wil blijven wonen.

    Keuze uit het archief

    In Parijs werden deze week de terroristische aanslagen van 13 november 2015 herdacht. Dat ze een enorme impact hadden op het gevoel van veiligheid van de burgers, blijkt ook weer uit dit artikel van FT-correspondent Simon Kuper, die de aanslagen van dichtbij meemaakte. De vraag die hem na 13 november bezighield was: wil ik in Parijs blijven wonen? ‘Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.’

    Ik zat in het stadion naar de wedstrijd Frankrijk-Duitsland te kijken, toen ik de eerste explosie hoorde. Hij klonk heel hard en het leek of hij van vlak buiten het stadion kwam. De meeste mensen negeerden het geluid, of begonnen zelfs te juichen: voetbalpubliek is gewend aan vuurwerk. Zelfs na de tweede explosie, een paar minuten later, bleef de stemming onder het publiek goed en de wedstrijd ging gewoon door.

    Frankrijk-Duitsland is het soort eersteklas vermaak voor mensen in Parijs wonen: de wereldkampioen die tegen het land komt spelen dat over zeven maanden gastheer van het
Europese Kampioenschap is. Uren na de wedstrijd hoorden we dat bij twee zelfmoordaanslagen vijf mensen waren omgekomen en nog veel meer gewonden waren gevallen, vlak buiten het stadion, een paar honderd meter van de plek waar wij hadden gezeten.

    Het was een avond vol onzekerheid, van erachter proberen te komen wat er in hemelsnaam aan de hand was. Na de explosies bleef het publiek,
bizar genoeg, gewoon naar de wedstrijd kijken en voor de Franse doelpunten juichen. Ik keek al niet meer. Ik was online met mijn laptop, volgde het nieuws dat binnenkwam, verschrikkelijk nieuws, en vroeg me af: moet ik mijn kinderen hier wel grootbrengen?

    Ik woon al dertien jaar in Parijs. In mijn ogen functioneerde de stad altijd prima. Het is al eeuwenlang een van de echt grote steden. Ze hebben er hun eigen portie aan terroristen, maar de meeste Parijzenaren gaan over etnische grenzen heen aardig goed met elkaar om.

    – © Christophe Ena  / AP Photo
    – © Christophe Ena / AP Photo

    Vooral via de school en de voetbalclub van mijn kinderen hebben we min of meer vanzelf vriendschappelijke contacten opgebouwd met mensen van heel verschillende achtergrond, of die nu Arabisch is, christelijk, niet-religieus of Joods. Pas geleden nog zat bij
ons aan de keukentafel een islamitisch stel uit Senegal – onze kinderen spelen al sinds de crèche met elkaar – en ze vroegen zich af waarom niet iedereen gewoon met elkaar kan opschieten. In de Parijse agglomeratie wonen twaalf miljoen mensen boven op elkaar, vaak met een kort lontje, maar tot nu toe is dat uitstekend gegaan. Parijs is een wonder. Samen hebben we de Charlie Hebdo-aanslagen doorstaan. De meeste Parijzenaren houden zich niet bezig met de grote, wereldwijde strijd tussen religies. Net als de meeste mensen elders willen ze alleen maar hun leventje leiden, hun hypotheek afbetalen en ’s avonds onderuitzakken voor de televisie, met vrienden uit eten of naar een voetbalwedstrijd gaan.

    Na Charlie Hebdo zijn we allemaal doorgegaan met ons leven. De school van mijn kinderen ligt naast een nogal duidelijk doelwit voor terroristen, en zij raakten eraan gewend dat daar soldaten met machinegeweren stonden als ze ’s morgens langsliepen. Na een tijdje zagen ze het nauwelijks meer.

    Maar vanavond vraag ik me voor het eerst af of we wel in Parijs kunnen blijven. Le Bataclan, het populaire café annex concertzaal waar tientallen mensen zijn neergeschoten, ligt een paar honderd meter van ons huis. (Het ligt ook om de hoek bij het voormalige Charlie Hebdo-redactiegebouw). Ik heb een paar keer bij Le Bataclan gegeten, ben er talloze keren langsgelopen. Nu zal het voorgoed herinnerd worden als een plek des doods.

    Daarnet belde een vriend. Hij zat te eten in de straat waarin ook Le Bataclan ligt. Een politieagent had hem verteld welke kant hij op moest vluchten. Hij klonk hysterisch aan de telefoon. Ik hoop dat hij hier overheen komt.

    Mijn vrouw was uit eten met vrienden. Toen de schietpartijen begonnen waren mijn kinderen thuis met de oppas. Ik belde de oppas en vroeg haar, een beetje onzinnig, om de deur op slot te doen. Straks zal ik proberen een Uber-taxi te krijgen van het stadion naar huis in het centrum van Parijs, dat nu wel een oorlogsgebied lijkt, waar op allerlei plekken geschoten wordt, op loopafstand van onze flat.

    Vanavond zal mijn gezin waarschijnlijk niets overkomen. Maar daarna? In Parijs gaat het er juist om dat je de stad gebruikt. Iedereen hier woont in een krap appartementje. Er zijn vrijwel geen achtertuinen waar je kunt barbecueën of tikkertje kunt spelen met je kinderen en waar je jezelf van de wereld kunt afsluiten. In Parijs woon je om uit te gaan, om met vrienden af te spreken in een café als Le Bataclan, om gesprekken te voeren met intelligente mensen uit de hele wereld, om naar voetbalwedstrijden te gaan of naar het 
Louvre – waar vanavond ook een schietpartij in de buurt was. In Parijs gaat het om de openbare ruimte – 
de cafés, de culturele ontmoetingsplaatsen en de pleinen. Geen stad heeft betere. En als die openbare ruimte gevaarlijk wordt – de Parijse autoriteiten hebben nu gezegd dat mensen niet de deur uit moeten gaan, tenzij er een ‘absolute noodzaak’ is – valt de stad uit elkaar.

    Het probleem is dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken

    Ik denk niet dat dit een botsing
tussen beschavingen is. Ik zie het als een botsing van een paar duizend jihadisten met een geweldige stad. Het probleem is, zoals we ook hebben gezien in voormalig Joegoslavië of
in Libanon, dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken.

    Misschien klinkt dit hysterisch. Ik schrijf het op een emotionele avond. Misschien is alles over een week of twee weer normaal, net zoals na Charlie Hebdo, en net zoals in New York een paar maanden na de aanslagen van 11 september. Als dat zo is, blijf ik misschien nog wel dertien jaar in Parijs. Maar ik ben pessimistisch. Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.

    Ik weet niet hoe ik dit mijn kinderen moet vertellen. Ze houden van Parijs. Ze beschouwen zichzelf als Parijzenaren. Ze hebben nooit ergens anders gewoond en zeggen vaak dat we nooit mogen verhuizen. Maar ik kan tegenover hen niet doen alsof alles in orde is. Hun voetbalwedstrijd morgen zal denk ik wel afgelast worden. Normaal gesproken zouden we in het park in de buurt gaan spelen. Nu weet ik niet zeker of dat wel een goed idee is.

  • Extra dossier: Parijs 13/11

    Extra dossier: Parijs 13/11

    De bloedige aanslagen in Parijs stelden de afgelopen week al het andere Europese nieuws in de schaduw. In plaats van onze gebruikelijke pagina’s, presenteert 360 u daarom een overzicht van reacties uit de internationale pers.

    1. Afschuw en koelbloedigheid

    2. Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    3. ‘Frankrijk kan rekenen op zijn voorsteden’

    4. Waarom le Bataclan?

    5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    7. Nederlaag van de beschaving

    8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    Bekijk hier een In Memoriam van de 129 slachtoffers die bij de aanslagen hun leven verloren, uit de Franse krant Libération.

  • Van mortuarium naar mortuarium

    Van mortuarium naar mortuarium

    De dubbele bomaanslag in het hart van Ankara op 10 oktober kostte 97 mensen het leven. Şirin Kılıçalp, het nichtje van journalist İlhan Taşçı, is een van de slachtoffers. Ze liep mee in de noodlottige betoging tegen het geweld tussen het Turkse leger en Koerdische militanten van de PKK in het grensgebied, bij Syrië en Irak. Vind mijn dochter terug, smeekte haar moeder. Maar wie weet waar ze is?

    Ik loop rond in de buurt waar de bommen zijn ontploft en doe mijn best niet naar de grond te kijken. Overal liggen lichaamsdelen en ingewanden. Ik heb talloze lijken gezien, ongelukken, incidenten met de politie, en ik heb ook een aardbeving meegemaakt, maar een bloedig slagveld als dit is mij tot nog toe bespaard gebleven.

    Ik keer het plein de rug toe en loop naar het Numune-ziekenhuis. Honderd, misschien tweehonderd meter verderop heeft een taxichauffeur zijn auto aan de kant gezet, en nu staat hij zijn banden glimmend schoon te schrobben. Ik sta er niet bij stil. Een eindje verderop komt een stelletje aangelopen, ze maken een selfie. De jongen heeft gel in zijn haar en probeert indruk te maken op het meisje. ‘Nu nog eentje alsof er een bom ontploft?’

    Ik loop de helling op en wacht in de rij voor het ziekenhuis om bloed te geven. Een oude kennis, Ömür, staat ook in 
de rij. We praten over wie het gedaan hebben, wat erachter zit, hoeveel families er getroffen zijn.

    ‘God weet wat er op de sociale media allemaal wordt geschreven,’ zegt Ömür. Ik kijk op mijn telefoon naar de twitterberichten, een mens is nou eenmaal nieuwsgierig. Het eerste bericht dat ik zie is van een nicht. Ze schrijft: ‘Şirin Kılıçalp is bij de aanslag omgekomen…’

    ‘Heb je Şirin gezien?’

    Ze zeggen wel dat de tijd dan stilstaat. De grond onder je voeten wegzakt, je 
in een afgrond wordt gezogen. Het is allemaal waar.

    ‘Heb je Şirin gezien?’

    Al die mensen waar ik verdwaasd langs ben gelopen, die in elkaars armen staan te huilen, rouwklachten aanheffen, het zijn mijn neven en nichten, mijn tantes, mijn familie.

    Ik omhels mijn tante, leg mijn hoofd op haar schouder. ‘Jij kent vast mensen, vind Şirin voor me. Alsjeblieft, ik smeek je, haal mijn blozende dochter terug…’

    Is ze dood? Niemand die het weet. De enige die haar heeft gezien is Çiğdem, een collega-lerares met wie ze samen uit Istanboel naar Ankara is gekomen. Ook zij staart wezenloos voor zich uit. Ze herhaalt voortdurend dezelfde zinnen. Het kost moeite om een gesprek met haar te voeren.

    ‘Heb je Şirin gezien?’ vraag ik haar. Çiğdem antwoord: ‘Er was een ontploffing, ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar spatte…’
    ‘Maar heb je Şirin op het plein gezien?’ vraag ik nogmaals. ‘Hoe was ze eraan toe?’

    ‘We zaten bij die fontein. Ken je de 
fontein? Daar zaten we…’

    ‘Ik vraag niet wat er gebeurd is, ik wil weten waar je Şirin voor het laatst hebt gezien, en hoe het met haar was?’

    ‘Bij die fontein,’ begint Çiğdem weer, ‘Şirin en ik zaten te wachten op de groep met het spandoek van de onderwijsvakbond Eğitim-Sen, toen we op-eens verdoofd werden door een enorme explosie… Ze zeggen dat er nog een tweede bom is ontploft. Is dat zo?’

    ‘Maar Çiğdem, zeg me, was ze nog in leven?’ Dat wil ik weten.

    ‘De eerste arts die ik erbij heb gehaald,’ zegt ze, ‘is weggelopen zonder iets te zeggen. De volgende zei dat ze dood was. De derde zei dat ook. Ze is dood, zei hij. Ik heb haar tas meegenomen. Kijk, hier. Niet aankomen.’

    ‘En toen…’

    ‘Nou ben ik hier…’

    En Şirin, waar is Şirin?

    Nu zijn wij degenen die doodgaan, die gedood worden, hemel en aarde moeten we bewegen

    Vanaf dat moment begint onze helletocht naar het mortuarium van het Numune-ziekenhuis. Een plaats waar de dood en de dode iets gewoons worden.
    ‘We zoeken het stoffelijk overschot van een familielid.’

    ‘Man of vrouw?’

    ‘Vrouw.’

    ‘Hoe oud ongeveer?’

    ‘Drieëndertig.’

    ‘Kunt u haar identificeren?’

    ‘Ja.’

    ‘Wie van u is het flinkst? Die mag met mij meekomen.’

    Een luik gaat open, een lade wordt uitgetrokken. Eeuwen lijkt het, seconden in werkelijkheid…

    Terwijl het luik opengaat, de lade wordt uitgetrokken, haal je diep adem. Je bidt duizend-en-een gebeden en werpt een blik. Nee, godzijdank, dat is Şirin niet. Verder, het mortuarium van het Ibni Sina-ziekenhuis. Zoeken naar een medewerker die haar kan vinden. We wachten. Niemand te zien. Iemand zegt dat we gewoon naar binnen moeten gaan, zelf moeten kijken. Een neef gaat op onderzoek uit.

    Ik wacht…

    Hij komt naar buiten, Şirin is er niet.

    Het Hacettepe-ziekenhuis, het academisch ziekenhuis, het Gazi-ziekenhuis, het Dışkapı-ziekenhuis… Ze is in geen enkel mortuarium te vinden. Moeten we blij zijn of niet?

    De broer van Şirin is ondertussen naar het Forensisch instituut gegaan, en onverrichterzake weer teruggekomen, hij mocht niet naar binnen.

    Niks, we krijgen geen enkele informatie. Behalve van Çiğdem, nog steeds in shock, die beweert dat ze dood is.

    Dan gaan we met z’n allen naar het Forensisch Instituut. We lopen naar 
de taxistandplaats. De chauffeurs beginnen te kibbelen over wie aan de beurt is.

    ‘Jongens, laten we nou geen ruziemaken…’ zeg ik.

    Wij proppen ons met z’n allen in een auto, oom en neven…

    Twaalf uur na de bomaanslag

    Bij het instituut staan klagende, jammerende en huilende mensen te wachten tot ze naar binnen mogen, familieleden die uit alle macht erachter proberen te komen of hun kind nog in leven is of niet. Ik zie Aylin Nazlıaka op het terrein, bel haar op haar mobiel, waarna ze mij en een van mijn neven door het hek naar binnen loodst. We weten niet wat we moeten doen, lopen maar te ijsberen. Ik klamp de deken van de Ankarase orde van advocaten aan, Hakan Canduran, en de vicedeken, Seçkin Arıkan. ‘Mijn nicht is een van de doden. We willen zeker weten of haar stoffelijk overschot hier is.’

    Hakan Canduran is een meelevende man. ‘Meneer Taşçı, gaat u maar niet naar binnen. Dat wordt u te veel.’

    ‘Ik kan er wel tegen,’ zegt mijn neef meteen.

    ‘Hebt u nog heel even geduld.’

    Het is al tien uur in de avond. Twaalf uur na de bomaanslag. Nu zijn wij degenen die doodgaan, die gedood worden, hemel en aarde moeten we bewegen, tegen muren oplopen zonder een poot aan de grond te krijgen, in ijskoude mortuaria moeten we tientallen onbekenden in het gezicht kijken.

    Het terrein van het Forensisch instituut is aardedonker. Overal staan naast elkaar geparkeerde lijkwagens. Nu en dan wordt het verlicht door de lijkwagens en ambulances die af- en aanrijden.

    Een paar mensen laten een kabel met gloeilampen van de tweede verdieping van het bouwvallige pand naar beneden zakken, vandaar gaat hij van hand tot hand naar het andere blok ertegenover, wordt hij vastgemaakt aan de stang van het raam op de tweede verdieping. Er is licht nu.

    De metalen brancards die voor autopsie worden gebruikt, de op elkaar ge-stapelde lijkzakken worden nog zichtbaarder. Doodskisten die in lijkwagens worden geschoven.

    Ik vraag een van de officieren van justitie of hij iets weet. Mijn nicht zou alleen een granaatscherf in haar hals gekregen hebben. Ze is niet al te erg verminkt, ze kan nog geïdentificeerd worden. We hoeven alleen maar te weten dat ze hier is…

    De officier staat ook machteloos. We horen dat ieder lijk met de bijbehorende delen in een lijkzak zit. Iedere zak komt pas op tafel als hij aan de beurt is. Voor die tijd mogen de zakken onder geen beding geopend worden.

    Mijn neef en ik kijken urenlang hoe de lijkzakken worden aan- en afgevoerd, hoe degenen die de autopsies uitvoeren tussendoor wat eten met hun schorten aan.

    Met het verstrijken van de tijd worden de moedeloosheid, de woede en de opstandigheid groter. Nu en dan breekt op het terrein ruzie uit, klinkt er geschreeuw. Een hoge ambtenaar van het Openbaar Ministerie rijdt in een dienstauto het terrein op. Een oude bekende. Ik ga naar hem toe, leg hem onze situatie uit. Hij luistert en luistert, zegt dan zonder zelfs maar zijn medeleven uit te spreken: ‘Ik hoorde dat er binnen ruzie is uitgebroken tussen de advocaten en de officieren. Dat is de reden dat ik hier ben.’

    Heeft u wel eens op het goede nieuws gewacht dat u binnen kunt komen om een lijk te identificeren?

    Ali Haydar Hakverdi, parlementslid van de CHP Ankara, zet een glas voor me neer. Het valt me zwaar een slok te nemen. Zelfs voor de lucht die je inademt schaam je je als je ziet wat zich hier afspeelt.

    Iedere keer als het tumult, het geloop en geren bij de ingang van de autopsiezaal toeneemt, als ik mijn hart voel samenknijpen, loop ik naar de toegangspoort van het terrein. Terwijl ik er in het donker heen loop, merk ik dat de honderden mensen die bij de ingang staan te wachten in beweging komen zodra ze mij zien.

    Zo loop ik heen en weer tussen de autopsiezaal, het mortuarium, de officier, het parlementslid, de advocaten en de wachtenden bij het hek.

    Nog altijd hebben we het lichaam van Şirin niet gevonden.

    Ik deel een foto van haar identiteitskaart uit aan iedereen die de autopsiezaal in- of uitgaat, aan officieren, advocaten, bekenden, onbekenden, geef hen mijn nummer en zeg dat ze me moeten bellen als ze haar zien.

    Terwijl wij bij het Forensisch Instituut op de lijken staan te wachten, wordt er in Keçiören vuurwerk afgestoken, lichtstralen schieten door de lucht.

    We huilen zonder tranen.

    Heeft u wel eens op het goede nieuws gewacht dat u binnen kunt komen om een lijk te identificeren?

    Om 2 uur 30 was Şirin gevonden.

    Haar sjaaltje wappert nu in de uitgestrekte aarde van Anatolië, voor de vrede waar ze haar leven voor heeft gegeven.

    Auteur: İlhan Taşçı

    PS voor de lezer: Ik heb dit stuk geschreven nadat we onze dode hadden gevonden, en met opzet niet ieder afzonderlijk tafereel, iedere gebeurtenis waarvan ik getuige ben geweest op papier gezet. De dingen die ik gezien heb, bepaalde gevoelens, geuren die ik heb geroken, zullen me de rest van mijn leven bijblijven. Ik wil dat de achterblijvers zich hun doden kunnen herinneren in hun goede doen.