Tag: antropologie

  • De ontwrichtende kracht van lachen

    De ontwrichtende kracht van lachen

    Een antropoloog verkent het fenomeen lachen, dat veel complexer blijkt dan een simpele uiting van vreugde. Soms is het een ongewenste impuls – juist wanneer stilte is vereist.

    Toen ik klein was, overkwam het me nogal eens dat ik onbedaarlijke lachbuien kreeg. Als ik eenmaal begon te lachen, vond ik het heel moeilijk om te stoppen. Dat was vooral een groot probleem in situaties waarin ik niet hoorde te lachen, maar de drang om te lachen zo overweldigend werd dat ik al snel de bijnaam Giggling Gertie kreeg.

    Een van de beste beschrijvingen die ik van dit fenomeen heb gezien is de giggle loop. Deze uitdrukking werd bedacht door een personage genaamd Jeff in de Britse sitcom Coupling uit de beginjaren van dit millennium.

    ‘Eigenlijk is het als een feedbackloop,’ zegt Jeff. ‘Je bent ergens waar het stil is. Er zijn mensen. Het is een plechtige gelegenheid: een bruiloft. Nee! Het is een minuut stilte voor iemand die is overleden. Plotseling, uit het niets, komt de gedachte in je op: het ergste wat ik zou kunnen doen tijdens een minuut stilte is lachen. En zodra je dat denkt, ga je al bijna lachen – automatische reactie!’

    Er is niets zo leuk als verstrikt raken in een giechelloop, waarbij de drang om te lachen zich opbouwt totdat je je niet meer kunt inhouden. Pas dan realiseer je je vaak dat lachen een nogal vreemd fenomeen is. Hoewel we lachen meestal zien als een reactie op iets grappigs, is lachen soms bepaald geen lachertje!

    In het ideale geval is lachen iets wat we delen

    Omdat ik een antropoloog ben die gespecialiseerd is in gezondheid en geneeskunde, behoort lachen niet echt tot mijn vakgebied – tenzij je de opvatting onderschrijft dat lachen het beste medicijn is. Mijn interesse in het onderwerp is eerder persoonlijk van aard, niet alleen vanwege mijn verleden als Giggling Gertie, maar ook omdat het helemaal niet zo eenduidig werkt als het lijkt.

    In het ideale geval is lachen iets wat we delen. Volgens antropoloog Munro Edmonson is lachen sociaal; het nodigt uit tot een soortgelijke reactie. Lachen werkt inderdaad aanstekelijk: als we iemand horen lachen, gaan we vaak zelf ook lachen of op zijn minst glimlachen, een effect dat consequent wordt aangetoond door psychologisch onderzoek. Zo zijn we beland bij het van tevoren opgenomen gelach in sitcoms, het zogeheten canned laughter. Filmstudio’s realiseerden zich dat hun shows door het geluid van gelach af te spelen grappiger overkwamen op het publiek, zodat ze ook een zekere controle hadden over de momenten waarop mensen lachten.

    Maar lachen wordt een heel ander verhaal als je de enige bent die lacht. Denk aan het ongemakkelijke gegrinnik van actrice Natalie Portman na een slechte grap tijdens haar toespraak bij de Golden Globe Awards in 2011. Haar lach, die slechts vier seconden duurde, werd al snel het onderwerp van eindeloze loopingvideo’s. Zoals cultuurwetenschapper Fran McDonald laat zien in haar analyse van het incident, ‘lijkt lachen zonder humor van ons robots, griezelige mensen en monsters te maken’.

    Luchtstroom

    Volgens Edmonson is het centrale kenmerk van lachen aspiratie: we laten een krachtige luchtstroom vrij als we lachen. Maar lachen wordt ook gekenmerkt door herhaling. Sterker nog, gezien de buitengewone variatie in de geluiden die mensen maken als ze lachen, is herhaling datgene wat lachen universeel herkenbaar maakt. Daarom geven schrijvers lachen ook weer als ‘hi-hi-hi’, ‘ha-ha-ha’ en ‘ho-ho-ho’ (tenminste als je de Kerstman bent). En dat herhalende zie je niet alleen terug in de Engelse transcriptie. Edmonson merkt op dat lachen in het Russisch wordt weergegeven als xe, xe, xe [che, che, che]; in Tzotzil – een Maya-taal die in Mexico wordt gesproken – is het ’eh ’eh ’eh.

    We begrijpen niet precies waarom we dit geluid maken als we lachen. Toen de negentiende-eeuwse bioloog Charles Darwin de biologie van gevoelens onderzocht in The Expression of the Emotions in Man and Animals, schreef hij: ‘Waarom de geluiden die de mens maakt als hij blij is het eigenaardige herhalende patroon van lachen hebben, weten we niet.’ De reactie lijkt zich echter al voor te doen voordat ons gedrag is beïnvloed door de ons bijgebrachte cultuur: bij baby’s van 4 maanden oud is er al sprake van herkenbaar lachen.

    Mensapen reageren op bijna dezelfde manier als mensen wanneer ze gekieteld worden

    Lachen is ook niet uniek voor mensen. Mensapen reageren op bijna dezelfde manier als mensen wanneer ze gekieteld worden. Omdat chimpansees, bonobo’s, enzovoort een ander spraakkanaal en andere stembanden hebben dan mensen, klinkt het bij hen meer als een hond die hijgt of een persoon die een astma-aanval of energieke seks heeft. Deze primatengeluiden hebben echter hetzelfde ‘eigenaardige herhalende karakter’ dat Darwin bij mensen vaststelde. Daarom wordt lachen door wetenschappers omschreven als een soortoverschrijdend fenomeen.

    Maar hoewel je in het spel van andere primaten duidelijk gelach kunt onderscheiden, is het onduidelijk of ze gevoel voor humor hebben. Recent onderzoek heeft aangetoond dat ze in staat zijn om te plagen door middel van non-verbaal gedrag. Maar, zoals evolutionair psycholoog Robert Provine opmerkte, ‘er is geen bewijs dat ze op ogenschijnlijk humoristisch gedrag – hun eigen gedrag of dat van anderen – reageren met lachen’.

    Betekenis geven aan lachen lijkt typisch menselijk te zijn.

    Geen controle

    Hoewel lachen soms met opzet gebeurt, hebben we er vaak geen controle over, en dat zou  weleens de wijdverspreide Europees-Amerikaanse ambivalente houding ten opzichte van lachen kunnen verklaren. Volgens literatuurwetenschapper Sebastian Coxon komt een groeiende angst voor vrolijkheid duidelijk naar voren in de Europese geschiedschrijving van de late Middeleeuwen. Zo waarschuwde Desiderius Erasmus, degene die mensen adviseerde om ‘scheten te camoufleren met hoestbuien’, ook tegen ‘luid gelach en mateloze vrolijkheid’.

    Erasmus noemde met name het ‘hinnikende geluid dat sommige mensen maken als ze lachen’ een kwalijke zaak. En we hebben tegenwoordig nog steeds de neiging om ongeremd lachen te vergelijken met het geschreeuw van dieren: ‘huilen’ en ‘gieren’ van het lachen, ‘kraaien’ van plezier, enzovoort.

    Achter deze aanduidingen gaan pogingen schuil om lachen in het domein van de goede smaak en beleefde omgangsvormen te plaatsen, die sterk werden bepaald door geslacht en klasse. Zo wordt lezers in een etiquettegids uit 1860 met de titel The Ladies’ Book of Etiquette and Manual of Politeness: A Complete Hand Book for the Use of the Lady in Polite Society aangeraden om hun gelach tijdens een etentje te matigen, zodat het niet te hard of te zacht klinkt: ‘Besmuikt lachen wekt de indruk dat je de mensen om je heen uitlacht, en een luide, onstuimige lach is altijd ongepast voor een dame.’

    Er is niet alleen veel kritiek op hoe we lachen, maar ook op de dingen waaróm we lachen

    Er is niet alleen veel kritiek op hoe we lachen, maar ook op de dingen waaróm we lachen, zoals een vroeg negentiende-eeuws kunstwerk laat zien. Op Laughter, een ets van de Britse kunstenaar en sociaal commentator Thomas Rowlandson, is een man te zien die lacht om zijn kat, die getooid is met een muts en een mantel. Het bijschrift luidt: ‘Lachen is een van de plezierigste emoties en is moeilijk te verklaren, omdat de lachlust vaak wordt opgewekt door de eenvoudigste oorzaken, zoals het geval is bij de plattelander en zijn kat.’

    Hier wordt geïmpliceerd dat ‘onbeschaafde’ plattelanders geen gevoel voor stijl hebben en daarom gemakkelijk te amuseren zijn. (Voor de goede orde, ik ben net zo onbeschaafd, want ik zal katten afgebeeld met menselijke rekwisieten nooit niet-grappig vinden.)

    Humor en smaak

    Hoewel humor en smaak dus met elkaar in verband gebracht worden, is het toch vaak fysieke komedie die de meeste lachsalvo’s oplevert. Het is geen toeval dat de eerste komedie met wereldsucces The Gods Must Be Crazy was, waarvan de sublieme ‘Tati-achtige slapstick’ van New York tot Caracas en van Tokio tot Lagos bezoekers trok, ondanks het feit dat de film door filmrecensenten alom werd veroordeeld als apartheidspropaganda.

    Scenarioschrijvers voorspellen al lange tijd dat fysieke humor steeds prominenter zal worden in Hollywood-komedies omdat die ‘dialoog en zelfs de meeste culturele verschillen overstijgt’ en films steeds meer een wereldwijde markt moeten aanspreken om gegarandeerd winst op te leveren. (Voor zover ik kan zien bestaat de toekomst van Hollywoodfilms voornamelijk uit Marvel-films en slapstickkomedies.)

    Dit verklaart ook het succes van shows als America’s Funniest Home Videos en Total Wipeout, die je kunt onderbrengen in het genre van de komische ongelukken. ‘Dit is ongelooflijk stom,’ zei ik altijd als mijn man naar het laatstgenoemde programma keek, waarin deelnemers belachelijke hindernisbanen aflegden in de hoop 10.000 pond te winnen en het publiek toekeek hoe ze herhaaldelijk door van alles werden geraakt, van allerlei dingen af vielen en op van alles terechtkwamen. En toch moest ik onwillekeurig lachen, ik kon er niets aan doen.

    Lachen verstoort het idee van een stabiel, coherent ik

    Zoals McDonald opmerkt, verstoort lachen het idee van een stabiel, coherent ik, zoals je kunt zien aan uitdrukkingen als ‘stukgaan of barsten van het lachen’. Bovendien betekent ongeremd lachen niet alleen een gebrek aan zelfbeheersing; het kan ook politiek gevaarlijk zijn. Literatuurhistoricus Joseph Butwin schrijft over ‘opruiend lachen’ als een wapen van de onderdrukten dat kan dienen om hiërarchieën en machtsverhoudingen te destabiliseren.

    Uiteindelijk is het duidelijk dat lachen iets heel vreemds is. Het is van alle menselijke uitingen tegelijkertijd de meest sociale en de meest ontwrichtende, een uitdrukkingsvorm die sociale structuren en regels verstoort. In gepaste situaties met anderen lachen werkt misschien bindend, maar onverwacht, eigengereid lachen brengt barsten aan het licht en laat zien dat we niet precies zijn wie we denken dat we zijn.  

  • 15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 Franse vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen

    Vijftien mensen zijn zondag na een isolatie van veertig dagen uit een grot in het zuidwesten van Frankrijk tevoorschijn gekomen. Ze maken onderdeel uit van een experiment dat onderzoekt hoe de afwezigheid van klokken, daglicht en externe communicatie het besef van tijd beïnvloedt.

    ‘Met een grote glimlach op hun bleke gezichten verlieten ze onder luid applaus hun vrijwillige isolement in de Lombrives-grot. Om hun ogen te beschermen na zo lang in het donker droegen ze een speciale bril’, schrijft The Guardian.

    ‘Het was alsof ik even op pauze had gedrukt’, zegt Marina Lançon, een van de zeven vrouwen die aan het experiment deelnamen. Ze voelde geen haast om iets te doen en had wel een paar dagen langer in de grot willen blijven, zegt ze. Wel was ze blij om de wind te voelen en vogelgezang te horen.

    Ze is van plan om nog een paar dagen niet op haar smartphone te kijken, in de hoop zo een ‘te brute’ terugkeer naar het echte leven te voorkomen.

    Members of the team inside the cave

    Het project waaraan de groep deelnam heet Deep Time. Er was geen natuurlijk licht in de grot, de temperatuur was er 10 °C en de relatieve vochtigheid 100 procent. De proefpersonen hadden geen contact met de buitenwereld, geen updates over de pandemie, noch enige communicatie met vrienden of familie.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten

    Wetenschappers van het Human Adaption Institute, dat het project van 1,2 miljoen euro leidt, zeggen dat het experiment hen zal helpen beter te begrijpen hoe mensen zich aanpassen aan drastische veranderingen in levensomstandigheden en omgevingen, schrijft wetenschapssite Futura Santé.

    Zoals verwacht verloren de mensen in de grot hun tijdsbesef. Een van de teamleden schatte de tijd onder de grond op drieëntwintig dagen, de meesten zaten rond de dertig.

    Members of the team meet to discuss their experiences

    In samenwerking met laboratoria in Frankrijk en Zwitserland volgden wetenschappers de slaappatronen, sociale interacties en gedragsveranderingen van de vijftien teamleden via sensoren, waaronder een een kleine thermometer die in een capsule door de deelnemers werd ingeslikt. Deze sensor mat de lichaamstemperatuur en verzond gegevens naar een computer, legt The Guardian uit.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten. Ze telden hun dagen niet in uren maar in slaapcycli.

    Twee derde van de deelnemers sprak de wens uit om wat langer ondergronds te blijven om de groepsprocessen die tijdens hun verblijf waren ingezet af te ronden, zegt Benoit Mauvieux, een chronobioloog die bij het onderzoek betrokken is tegen Ouest France.

    ‘Onze toekomst als mens op deze planeet zal evolueren’, aldus een projectleider. ‘We moeten beter leren begrijpen hoe onze hersenen in staat zijn om nieuwe oplossingen te vinden, ongeacht de situatie.’


    Vermiste onderzeeër gevonden bij Bali

    De Indonesische marine maakte zondag bekend KRI Nanggala (402) op de zeebodem bij Bali te hebben gespot. Ze bevestigde ook dat alle 53 bemanningsleden dood waren. De onderzeeër werd gevonden in drie delen, meer dan 800 meter diep, wat het zoeken bijzonder moeilijk maakte, aldus de Jakarta Post

    De autoriteiten gaven geen officiële verklaring voor de crash, maar suggereren dat de onderzeeër mogelijk met een stroomstoring te maken kreeg waardoor deze niet meer boven kon komen. Volgens de krant uit Jakarta heeft de Indonesische marine verouderde uitrusting, ‘wat de afgelopen jaren tot dodelijke ongevallen kon leiden’.

    In ieder geval wordt een menselijke fout uitgesloten, schrijft de site Nasional Kontan.

    Lichten

    Stafchef van de Indonesische marine (KSAL) Yudo Margono geeft aan dat de eerste analyse van het zinken van de onderzeeër op natuurlijke factoren wees. Het zinken van de in Duitsland gemaakte KRI Nanggala-402 lijkt volgens Margono evenmin te wijten aan een stroomuitval, want alle lichten brandden nog. De exacte oorzaak kan pas worden vastgesteld als de romp kan worden opgetild.

    De Indonesische regering zal samenwerken met International Sub Marine Rescue and Liaison Office (Ismerlo) voor het optillen van het schip. De samenwerking is tot stand gekomen omdat men zich realiseerde dat het niet eenvoudig was om de stukken van het schip op een diepte van 838 meter naar de oppervlakte of aan land te brengen. Hiervoor zijn speciale gereedschappen en technologie nodig, aldus Kompas.

    Nanggala werd op 21 april als vermist opgegeven, uren nadat het contact met het oppervlaktepersoneel onder water was verloren. De onderzeeër had als missie informatie te vergaren in de Indische Oceaan en de wateren rond Oost-Timor en Noord-Kalimantan. Het schip maakte deel uit van de internationale marine-oefening Cooperation Afloat Readiness and Training, en voerde onder andere een oefening uit met USS Oklahoma City. In 2012 onderging de onderzeeër een laatste grote opknapbeurt.


    ‘Nomadland’ triomfeert tijdens de Oscars

    De film Nomadland van regisseur Chloé Zhao, die de reizen volgt van nomaden die in busjes leven in een door recessie getroffen Amerika, won drie beeldjes op de uitreikingen dit weekend: die voor beste speelfilm, beste regisseur en beste actrice.

    Chloé Zhao is de eerste vrouw van Aziatische afkomst die die laatste twee kostbare beeldjes ontvangt. ‘Haar overwinning maakt deel uit van het groeiende en welkome internationalisme van de academie: ze is de laatste in een opmerkelijke reeks recente winnaars die buiten de Verenigde Staten zijn geboren, waaronder Alfonso Cuarón, Guillermo del Toro, Alejandro González Iñárritu en Ang Lee, merkt de Los Angeles Times op. ‘Een bemoedigende bevestiging dat Hollywood een plek is waar immigrantenschrijvers uit alle lagen van de bevolking kunnen gedijen.’

    ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen’

    In de drieënnegentig jaar dat de Academy Awards bestaat is dit evengoed pas de tweede keer dat een vrouw wordt geëerd in de categorie beste prestatie. Vóór Chloe Zhao won Kathryn Bigelow in 2010 het beeldje voor de film Minesweeper. ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen voor deze categorie, waarin vrouwen door de jaren heen zo jammerlijk ondervertegenwoordigd zijn’, aldus CNN.

    Ongekend feit: de Academy of Oscars had dit jaar ook voor het eerst twee vrouwen genomineerd in de categorie beste uitvoering, brengt Variety in herinnering: Chloe Zhao dus, maar ook Emerald Fennell, directeur van Promising Young Woman. Haar feministische thriller, geïnspireerd op de #MeToo-beweging, ontving zondagavond de prijs voor het meest originele scenario.

    De versie van dit jaar beloonde ook meer acteurs of regisseurs van minderheden. De Zuid-Koreaanse actrice Youn Yuh-jung, genomineerd voor Minari, en de Brit Daniel Kaluuya, die een Black Panthers-frontman speelt in Judas and the Black Messiah, wonnen allebei de Academy Award voor beste mannelijke bijrol.

    Volgens NPR heeft deze betere weergave van de diversiteit van cinema bij de Oscars niet alleen te maken met de inspanningen van de Amerikaanse academie de afgelopen jaren. Volgens een rapport van de University of California in Los Angeles (UCLA) is de ontwikkeling ook deels te wijten aan het feit dat dit jaar minder kandidaten met een groot budget meededen. De release daarvan werd vertraagd ‘door de pandemie, waardoor plaats is gemaakt voor films met een gemiddeld budget, die buiten konden worden geschoten’. En daarin zijn minderheden beter vertegenwoordigd, zowel voor als achter de camera.

  • ‘Verschillen tussen man en vrouw zijn niet alleen met Darwin te verklaren’

    ‘Verschillen tussen man en vrouw zijn niet alleen met Darwin te verklaren’

    Over de verschillen tussen mannen en vrouwen is al heel wat gefilosofeerd. Toch blijft de seksuele-selectietheorie van Darwin dominant. Wie zich ertegen verzet, wordt al snel beschuldigd van feminisme.

    Als kind deed Holly Dunsworth aan basketbal en droomde ze ervan zo groot te worden dat ze moeiteloos naar de basket zou kunnen springen. ‘Ik was al een flink eind op weg,’ vertelt ze. ‘En toen werd ik ongesteld. Ik zag jongens doorgroeien terwijl mijn eigen groei stopte.’

    De jeugdige basketballer, die hoogleraar biologische antropologie zou worden aan de Amerikaanse Universiteit van Rhode Island, kon niet vermoeden dat ze enkele decennia later een artikel zou publiceren waarin ze biologische redenen aanvoerde voor haar te geringe groei en vraagtekens zette bij de al anderhalve eeuw vigerende theorie van seksuele selectie op grond waarvan het verschil in grootte tussen mannen en vrouwen werd verklaard.

    Seksuele dimorfie

    Deze theorie, in 1871 geïntroduceerd door de Britse natuuronderzoeker Charles Darwin in zijn boek De afstamming van de mens, wordt ook nu nog het meest gehanteerd als verklaring voor seksuele dimorfie [dat wat mannen mannelijk maakt en vrouwen vrouwelijk].

    ‘De verschillen tussen mannen en vrouwen worden verklaard op grond van de seksuele selectie, waarin twee belangrijke mechanismen werkzaam zijn: 
    de competitie tussen de mannetjes en de keus van de vrouwtjes,’ bevestigt Michel Raymond, hoogleraar menselijke evolutiebiologie aan de Universiteit van Montpellier.

    Zodoende zouden de grootste, sterkste en strijdbaarste mannetjes zich kunnen laten gelden tegenover hun zwakkere soortgenoten om met de vrouwtjes ‘aan de haal te gaan’, terwijl de vrouwtjes een natuurlijke aantrekkingskracht zouden uitoefenen op de mannetjes die groter zijn dan zijzelf. Door de combinatie van deze twee elementen zouden de kleinste mannen zijn geofferd op het altaar van de evolutie.

    Maar is deze verklaring afdoende? Louise Barrett, als antropoloog verbonden aan de Universiteit van Lethbridge in Canada en auteur van diverse artikelen over seksuele dimorfie, meent dat er ‘overtuigender bewijs nodig is om met een evolutietheorie te komen die is gebaseerd op de selectie van mannetjes aan de hand van hun specifieke gedragingen en karaktertrekken. Maar in wat ik tot nu toe gelezen heb zijn de argumenten dikwijls zwak. Dat wil niet zeggen dat we de seksuele selectie volledig uit de evolutie moeten schrappen, maar bewijs is er momenteel nog niet voor.’

    Oestrogeen

    Holly Dunsworth zegt een betere verklaring te hebben gevonden. Haar onderzoek, waarvan de uitkomst afgelopen mei is gepubliceerd in het tijdschrift Evolutionary Anthropology, spitst zich toe op de ontwikkeling van de botten en die van oestrogeen, een geslachtshormoon dat onder andere door de eierstokken wordt geproduceerd en, in mindere mate, door de testikels. Oestrogeen is van beslissende invloed op de botgroei.

    Tijdens de kinderjaren groeien jongens en meisjes door de bank genomen even snel. Maar in de puberteit verandert alles: de eierstokken voeren de oestrogeenproductie aanzienlijk op om de eerste menstruatie voor te bereiden, wat gepaard gaat met een hogere ontwikkeling van het groeikraakbeen en een versnelde verlenging van de botten, reden waarom meisjes in het begin van de puberteit meestal groter zijn dan jongens.

    Maar omdat het zeer hoge hormoonniveau ook de botvorming vanuit het kraakbeen versnelt, is de groeispurt bij de meisjes maar van korte duur, terwijl de jongens hun oestrogeen in een regelmatig tempo blijven produceren, en dus nog een aantal jaren doorgroeien. Dit verklaart het verschil in grootte op volwassen leeftijd.

    Michel Raymond is niet overtuigd door de argumenten van Dunsworth: ‘Ze legt goed uit hoe de hormonen de grootte beïnvloeden, maar op geen enkele manier waarom dat zo is.’ Volgens hem kan, evolutionair gesproken, ‘het verschil in grootte niet los van het geslacht worden gezien. In iedere populatie is de man groter dan de vrouw, dus daar moet een reden voor zijn.’

    Het simpele feit dat ze het woord van Darwin in twijfel trekt wordt al als een rebelse daad beschouwd, waaraan een ‘feministisch’ tintje kleeft

    Marcia Ponce de León, paleoantropoloog aan de Universiteit van Zürich, deelt die mening niet. ‘Onderzoekers hebben nog wel eens de neiging hypotheses die veel voorkomen als “dit of dat dier is om deze of gene reden geëvolueerd” te accepteren vanwege hun schijnbare eenvoud, in plaats van echt wetenschappelijk bewijs te eisen,’ zegt ze. ‘Op een vraag over de evolutie is nooit maar één antwoord te geven. We hebben echt behoefte aan verschillende standpunten en betrouwbare gegevens.’ 

    Zoals Holly Dunsworth zelf benadrukt, is het maar een hypothese, maar het simpele feit dat ze het woord van Darwin in twijfel trekt wordt al als een rebelse daad beschouwd, waaraan een ‘feministisch’ tintje kleeft, de term die Michel Raymond gebruikte om Dunsworths artikel te omschrijven. ‘Zo veel wetenschappers houden vast aan de theorie volgens welke seksuele selectie de enige verklaring is,’ zegt Dunsworth spijtig.

    Louise Barrett van haar kant is van mening dat ‘zodra men de manier bestudeert waarop mannen en vrouwen van elkaar verschillen, het politiek wordt’. Volgens haar gaan de simplistische verklaringen voor de evolutie ‘uit van de hersenschim van de orde der dingen. We zouden geprogrammeerd zijn om zo te worden.’

    Aldus redenerend verval je algauw in de gebruikelijke clichés: ‘Vrouwen zijn attenter, dus willen ze verpleegkundige worden. En het is niet erg als een vrouwelijke IT’er minder verdient dan een mannelijke. Dan heeft ze gewoon het verkeerde vak gekozen.’

    In een wetenschappelijke wereld die nog grotendeels wordt gedomineerd door mannen ‘wint het vrouwelijke perspectief terrein, zij het langzaam en onder sterk verzet van mannen en, helaas, ook bepaalde vrouwen’, zegt Marcia Ponce de León. ‘Als vrouwelijke wetenschapper moet je echt knokken om de bestaande gewoonten te veranderen en nieuwe manieren te introduceren om vragen te stellen.’ 

  • Aantekeningen van een extreem lang iemand

    Aantekeningen van een extreem lang iemand

    New York Times-journalist Nicholas Kulish is voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk lang. In een essay voor de website Topic beschrijft hij hoe dit zijn identiteit heeft gevormd.

    Ik was altijd een beetje huiverig voor Dick de Dwerg. In mijn favoriete bar in Hongkong, The Globe, noemde iedereen hem accountant Dick als hij in de buurt was, aangezien hij de boekhouding van de bar deed, maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of we hadden het over Dick de Dwerg omdat hij klein was. Ik was huiverig voor Dick de Dwerg omdat ik, op mijn tweeëntwintigste, net mijn volwassen lengte had bereikt: iets meer dan twee meter. Ik ging ervan uit dat hij dat pijnlijk zou vinden. Dus toen hij op de barkruk naast me kwam zitten, me van top tot teen opnam en zei: ‘Lijkt me lastig, zo lang zijn,’ dacht ik dat hij me in de maling nam. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik aarzelend. ‘Je kunt geen schoenen vinden. Je kunt geen broek vinden. Vliegen moet een nachtmerrie zijn.’ ‘Klopt,’ beaamde ik enigszins op mijn hoede. ‘Maar wat weet jij daarvan?’ ‘Ik probeer mijn problemen altijd van de andere kant te bekijken,’ lichtte hij toe. ‘De wereld is gemaakt voor mensen van gemiddelde lengte.’

    Dit gesprek vond zo’n twintig jaar geleden plaats en terugkijkend begrijp ik wel dat Dick zo aardig tegen me was. In zijn ogen was ik jong en klunzig en zat 
ik niet lekker in mijn vel. Terwijl hij zelfvertrouwen uitstraalde. Hij vertelde verhalen over zijn leven als straatartiest, over de tijd dat hij zijn geld had verdiend als clown. ‘Je kent het wel, een beetje jongleren, wat grappen en grollen,’ zoals hij het zelf formuleerde. Hij was inmiddels getrouwd en had een goede baan als accountant. Ik geneerde me voortdurend voor mijn ellebogen, mijn knieën en mijn grote voeten die alle kanten uit staken. Ik stootte geregeld mijn hoofd tegen een lage deurpost. Ik was anders 
en de mensen in Hongkong zagen er geen been in me daar voortdurend op te wijzen. In het voorbijgaan maakten ze sprongen om de bovenkant van mijn hoofd aan te raken, of ze liepen achter me aan, met hun handen in de lucht, tot grote hilariteit van hun vrienden. De vrouwen op de groentemarkt naast mijn huis wezen soms alleen maar naar me en begonnen dan te lachen. Ik geloof niet dat ik in die periode erg gelukkig was. Ik herinner me dat ik een keer een kort verhaal schreef voor mijn vrienden, waarin ik uit een raam sprong maar met mijn enorme voeten bleef haken achter een vlaggenstok, die mijn val brak voordat ik te pletter zou slaan. Mijn lichaam 
en mijn identiteit waren nog niet versmolten. Ter 
verdediging kan ik aanvoeren dat ik geen vrienden 
of familieleden had die ook zo lang waren. Daarnaast was het ook nog eens mogelijk dat ik nog niet was uitgegroeid.

    Ideale lengte

    De gemiddelde Amerikaanse man is net iets langer dan één meter vijfenzeventig. Voor vrouwen is de norm net iets onder de één meter tweeënzestig. De grafiek van de verschillende lengtes ingedeeld naar alle staten van Amerika (gebaseerd op het National Health and Nutrition Examination Survey, een onderzoek uitgevoerd in 2007 en 2008) stopt zo’n vijf centimeter voordat ik aan de beurt ben. Een lengte van één meter achtennegentig is een afrondingsfout, die in de meeste leeftijdscategorieën nog geen tiende van een procent bedraagt.

    Gevraagd naar het aandeel van de bevolking dat langer is dan twee meter, laat een woordvoerder van het National Center for Health Statistics weten: ‘Onze statistici beschikken niet over de middelen om die gegevens te achterhalen.’ Over het algemeen wordt het als indrukwekkend en imponerend gezien wanneer iemand langer is dan gemiddeld. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat iemand die langer is dan gemiddeld meer kan verdienen en zelfs meer kans heeft om een hoge leeftijd te bereiken. Ik loop zonder enig probleem ’s nachts door onbekende steden en word zelden lastiggevallen, er worden hooguit wat opmerkingen gemaakt over mijn lengte. Maar uit veel van die studies blijkt ook dat voor mannen de voordelen van hun lengte in de hogere regionen weer afnemen: vanaf één meter negentig neemt de kans op een langer leven weer af, de kansen op een hoger salaris keren bij één meter achtennegentig. Ik heb al die lengtes gehad en ik 
kan het weten: voor een man is één meter negentig de ideale lengte. Met elke centimeter extra neemt je aantrekkelijkheid af en schuif je op richting rariteit, om te eindigen als een spreekwoordelijke kermisattractie. Anders dan bij veel zeer lange mensen, begon ik pas op latere leeftijd te groeien. Als kind was ik al lang voor mijn leeftijd maar op de middelbare school bleef ik een paar jaar steken. Mijn klasgenoten haalden me in en ik legde me erbij neer dat ik één meter tachtig zou worden, met opmerkelijk grote voeten, schoenmaat 49. Ik was een boekenwurm 
en ik werd gepest door groepjes oudere jongens op school en in de buurt. Niet geheel onterecht, want 
ik had een grote bek en ik wist niet goed waar de grenzen lagen. Ik stopte met basketballen, hoe leuk ik dat ook vond, omdat de coaches wilden dat ik point-guard zou worden in het team van de eerstejaars, terwijl ik tot dan toe alleen center had gespeeld. Mijn laatste schooljaar schoot ik pas echt de hoogte in en in mijn eerste studiejaar was ik één meter negentig. Al was ik voor mijn gevoel nog dezelfde die ik altijd was geweest, mijn omgeving reageerde anders op me. Het is lastig precies vast te stellen maar ik had het gevoel dat ik door mijn lengte meer succes had bij de meisjes en dat ik in zijn algemeenheid iets meer aanzien genoot in de klas. Mijn vrienden vielen me nog wel altijd in de rede, namen me nog steeds in de maling en behandelden me net als alle anderen, maar toch was er een geleidelijke verschuiving merkbaar.

    Ik kan me nog levendig een studentenfeestje herinneren, de bedompte lucht van vele vaten goedkoop bier, de schemerige ruimte slechts verlicht door kerstlampjes. Een medestudent liep expres tegen een kleine, nerdy vriend van mij op, telkens wanneer die zijn wegwerkbekertje kwam vullen. Ik ging naar die student toe, keek hem indringend aan – om niet te zeggen vernietigend – en liep met hem mee naar de achterdeur, waardoor hij vertrok. Ik had een pestkop geïntimideerd en het was opwindend en tegelijkertijd angstaanjagend, intimideren bleek net zo eng als geïntimideerd worden. Vervolgens boezemde ik ook onbedoeld een paar mensen angst in, zowel vrouwen als mannen, werd een paar keer voor monster uitgemaakt, werd aangezien voor Lurch uit The Addams Family en voor Lennie uit Of Mice and Men, die, als mijn geheugen me niet bedriegt, per ongeluk een vrouw wurgde, waarna zijn vriend van normale lengte hem een kogel door het hoofd schoot, als daad van barmhartigheid. En ik bleef maar groeien, ik werd langer dan wie ook in mijn familie, zowel van vaders- als van moederskant. Mijn moeder ging met me naar een endocrinoloog. Er werd bloed afgenomen en een echo gemaakt om te kijken of ik leed aan gigantisme, of aan het syndroom van Marfan, of een andere afwijking die zou kunnen verklaren waarom ik niet was opgehouden met groeien. Ik werd op alles negatief getest, maar tegen de tijd dat ik naar Hongkong ging voor mijn eerste baan, de zomer na mijn afstuderen, was het nog altijd de vraag of ik ooit zou stoppen met groeien, of ik geheel buiten de lengtestatistieken zou komen te vallen. Als je me vraagt wat ik destijds voor iemand was, dan zou ik zeggen: een lezer en een schrijver, de zoon van een immigrant, een fervent reiziger, misschien ook nog wel iemand die te veel praatte. Maar mijn lichaam kwam altijd op de eerste plaats en pas daarna volgde mijn persoonlijkheid, wat ik vanbinnen voor iemand was. Mijn lengte was een gegeven waarmee ik me niet identificeerde, het was een extern gegeven, iets wat ik domweg had meegekregen, iets wat ik pas gaandeweg leerde internaliseren. Misschien geldt dat wel altijd, als het om identiteit gaat. Maar het overkwam mij zo laat in mijn leven dat ik het me scherp bewust was.

    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty
    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty

    Vorig jaar kwam op zeker moment het nieuws naar buiten dat het toenmalige hoofd van de FBI, James Comey, die net als ik meer dan twee meter is, zich tijdens een bijeenkomst in januari 2017 achter de gordijnen van het Witte Huis had proberen te verstoppen zodat de president hem niet in het oog zou krijgen. Dit beeld van die reusachtige man die als een enorme kameleon probeert op te gaan in de plooien van de gordijnen was dermate krankzinnig, om niet te zeggen lachwekkend, dat het even iets van lucht gaf aan een land dat op de rand van een constitutionele crisis verkeerde. Maar zelf kon ik me er van alles bij voorstellen. Lange mensen proberen altijd zoveel mogelijk op te gaan in hun omgeving, we proberen 
te voorkomen dat anderen in het theater over onze enorme voeten struikelen, dat onze ellebogen op de dansvloer in iemands gezicht slaan. Een groot deel van onze tijd gaat heen met pogingen onszelf zo klein mogelijk te maken, om niet al zeer in het oog te lopen, hoewel dat haast onvermijdelijk is. Op internet gaat een meme rond van een lange man die een nieuwsgierige onbekende een visitekaartje overhandigt. ‘Ja, ik ben lang,’ staat erop te lezen. De verdere tekst is net even anders in de verschillende versies die de ronde doen. In het ene filmpje staat er: ‘Scherp gezien.’ En dan volgt er een lengte, ‘twee meter’ in het ene geval, ‘twee meter tien’ in het andere geval, gevolgd door ‘serieus, ja,’ bij de eerste lengte, en ‘Nee hoor, geintje,’ bij de tweede. Er volgen meer antwoorden op vragen die niet zijn gesteld, een soort Jeopardy, maar dan eenrichtingsverkeer. ‘Nee, ik ben geen basketballer. En ja, het is heerlijk weer, hierboven.’ De memes die ik heb gezien eindigden allemaal met een variatie op ‘Fijn dat we er even over hebben kunnen praten’. De grap van de meme zit erin dat we die vragen zo vaak hebben gepareerd dat we alle varianten kennen, elke mogelijke wending van het gesprek. Ik krijg ze geregeld opgestuurd, alsof de grap voor mij is bedoeld, terwijl hij eigenlijk juist is bedoeld voor de anderen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een dergelijk gesprekje voer. Meestal zijn het vragen: ‘Hoe lang ben je?’ of ‘Speel je basketbal?’ Daarnaast zijn er mensen die hun hart bij me willen uitstorten. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb ontmoet voelen de noodzaak om me te vertellen wie er binnen hun familie het langst is. Met name vrouwen vertellen graag over hun vader, hun man of hun broer, over de langste man met wie ze ooit iets hebben gehad of over hun langste collega. Vervelender zijn de discussies, wanneer bijvoorbeeld iemand me op straat staande houdt, vraagt hoe lang ik ben en vervolgens zegt dat ik het mis heb, dat ik volgens hem net even langer ben, of net even kleiner.

    In de kroeg komen de mannen van één meter negentig altijd op me af met de woorden: ‘Hé, meestal ben ik de langste.’ Het heeft iets agressiefs en tegelijkertijd iets zeurderigs, en het gebeurt ongelooflijk vaak. Tijdens het debacle van Comeys ontslag wees ik er geregeld op dat Comey meer dan twee meter was 
en dat Trump beweert één meter negentig te zijn.

    De gesprekken over lengte zijn te prefereren boven de ontmoetingen met mensen die me opnemen alsof ze amateur-antropoloog zijn: ze houden hun handen op, steken hun voeten uit, gaan met hun rug tegen mijn rug staan. Soms gaat het er echter nog grover aan toe. ‘Hoe doen jullie het?’ is me wel eens gevraagd terwijl ik met een kleinere vriendin in een kroeg stond. Maar goed, het komt natuurlijk wel vaker voor dat een of andere griezel dat soort intieme vragen stelt. Meestal zijn de vragen goedmoedig van aard. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Glimlach. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Grijns. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Prima. Het houdt domweg niet op. ‘Ik probeer mezelf keer op keer voor te houden dat deze mensen gewoon contact proberen te maken en dat dit nu eenmaal de woorden zijn die van hun lippen rollen,’ aldus de schrijfster Arianne Cohen, die één meter negentig is. In 2009 bracht ze The Tall Book uit, een gedegen verslag van de voordelen die het heeft om heel lang te zijn, en van de uitdagingen die ermee gepaard gaan. ‘De afgelopen tien jaar zijn mannen tot het inzicht gekomen dat het niet altijd gepast is om het uiterlijk van vrouwen te becommentariëren in termen van al dan niet aantrekkelijk, maar opmerkingen over iemands lengte lijken nog wel door de beugel te kunnen.’ Online dating en dating-apps hebben het liefdesleven van lange mensen makkelijker gemaakt, aldus Cohen, en dat geldt zeker voor lange vrouwen die op zoek zijn naar een man die even lang is, of langer.

    Aanvankelijk had Cohen haar ware lengte in haar profiel vermeld, waarop ze werd bedolven onder reacties van mannen ‘met een lengtefetisj, mannen die wilden weten hoeveel ik weeg en wat voor schoenmaat ik heb.’ Ze stelde het bij naar één meter tachtig en de berichtenstroom droogde op. Cohen deed er weer een schepje bovenop: één meter vijfentachtig. Ze krijgt nog wel eens een reactie van een of andere creep, maar daar kan ze 
wel mee leven. Want al zijn die constante vragen over basketballen nog zo irritant, het is wel duidelijk een verbetering. Als we Cohen mogen geloven denken de meeste mensen tegenwoordig dat uitzonderlijk lange mensen miljoenen binnenhalen als profbasketballer, terwijl vroeger werd gedacht dat we in het circus werkten, of bij een freakshow. Dat zou je een vooruitgang kunnen noemen.

    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH
    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH

    Wij, lange mensen, begeven ons in het openbare leven en krijgen ongekend veel aandacht, maar toch blijven we een mysterie. Waarom lopen we haast verend en duikend door de metrostellen in New York City, als in een merkwaardige dans? Voeren we een show op, om daarna met de pet rond te gaan? Nee, we willen gewoon ons hoofd niet stoten tegen de metalen rails waar anderen houvast bij zoeken. Bij ons dreunen ze tegen onze slaap of ons achterhoofd, als we niet oppassen. In de metrotunnels maken wij ons vermoedelijk het meeste zorgen om de roestige schroeven die uit het plafond steken en die onze schedel openhalen als we niet uitkijken. Realiseer je dat wij op regenachtige dagen extra moeten uitkijken voor de punten van jullie paraplu’s, die als wrede klauwen in onze zachte delen steken: onze ogen en oren. En in tegenstelling tot mensen van gemiddelde lengte weten wij hoe het zit met plafondventilatoren: het zijn geen helikopterbladen. Als je je hand erin steekt, loop je misschien een bult of een bloeduitstorting op, maar ze zijn niet zo gevaarlijk als je zou denken. Toch sympathiek dat je zo met ons meeleeft! Soms zijn we spionnen in jullie midden. Als jullie ons thuis uitnodigen, weten wij hoe de bovenkant van jullie koelkast eruitziet. (Die moet je nodig schoonmaken. Het is alweer een hele tijd geleden. Geloof me.) Zodra het feestje goed op gang komt, kunnen wij jullie nauwelijks meer verstaan omdat het gesprek zich zo’n dertig centimeter onder ons afspeelt en het lastig is om voortdurend voorovergebogen te staan, met gedraaid bovenlijf. Vind je dat we een rare houding hebben? Dan doen we vermoedelijk de bekkenkanteling, een extreme versie van de contraposto van Michelangelo’s David, om een paar centimeter lager te komen. We zijn ook heel handig. Het spreekt waarschijnlijk voor zich dat jullie bij een concert aan ons vragen of wij even een foto van de artiest kunnen maken, of van jullie zelf, aangezien een foto vanuit een hoger camerastandpunt flatteuzer is. Ik moet altijd grinniken als vrienden op een drukbezocht festival niet besluiten om op een bepaalde tijd bij een bepaald markeringspunt af te spreken, maar gewoon zeggen: ‘Oké, om drie uur bij Nick.’ In een menigte kun je het beste achter ons aan lopen. Wij zien de open plekken, wij zien waar de ruimte ontstaat, wij zien waar de rij voor de wc en de rij voor de drankjes samenkomen en er een menselijke opstopping ontstaat.

    Bij een rij mensen doet zich een van de merkwaardigste fenomenen voor die ik associeer met lengte. Zodra er iemand voordringt zie ik hoofden draaien, zie ik vragende blikken. Pas na enige tijd dringt tot me door dat de meeste mensen naar mij kijken, in een onbewust besluit om mij te belasten met de 
verantwoordelijkheid, en de mensen blijven me aanstaren totdat ik voldoende moed heb verzameld om te roepen: ‘Hé, de rij begint daar, hoor.’ Ik weet niet waarom het zo is, maar in anonieme situaties, waar mensen enkel op het uiterlijk kunnen afgaan, krijgen we stilzwijgend een soort autoriteit toegedicht. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb gesproken vragen me om zware dingen te verplaatsen of iets van een hoge plank te pakken, alsof ik een soort buurtkruiwagen of -ladder ben. Zelf ben ik dan nog het liefst de buurtladder omdat ik dan iets voor anderen kan doen, maar als kruiwagen ben ik niet 
zo geschikt omdat ik, zoals veel lange mensen, last van mijn rug heb. Dit is niet objectief vastgesteld, maar ik heb het idee dat mensen mij ook vaker de weg vragen. Misschien roep ik associaties op met 
een wegwijzer. Als verslaggever die is gespecialiseerd 
in buitenlandprojecten heb ik me neergelegd bij een leven in kleine hotelkamers en krappe vliegtuigstoelen. Ik heb nauw contact met de ergonoom van mijn werk, Tom. Toen ik hem achttien jaar geleden ontmoette, in mijn vorige baan, noemde hij me een ‘onafwendbare computergerelateerde ramp’. Hij legde bakstenen onder de poten van mijn werktafel. Zijn hulpmiddelen zijn inmiddels een stuk geavanceerder, zoals een mechanisch bediende zit-statafel en een reusachtige, op maat gemaakte stoel die door tenminste een van mijn collega’s is vergeleken met de IJzeren Troon van Westeros [uit de tv-serie Game 
of Thrones]. (Hij is bijna net zo groot maar helaas met een kussen van schuim in plaats van omgesmolten metalen zwaarden.) Hoewel veel New Yorkers zich verheugen in de anonimiteit die de stad biedt, bevind ik me in een veel interactievere stad. Als je wilt weten wie dé blanke basketballer van dit moment is, moet je samen met mij door Brooklyn lopen. Kreten als ‘Yo, Nowitzki!’ zijn de opmaat geweest voor nog veel zangerige hommages 
aan de nieuwe, Litouwse forward van de Knicks: 
‘Porzingis!’ Plaats een uitzonderlijk lang iemand in het centrum van de grootsteedse anonimiteit en hij wordt bedolven onder aandacht, zegt Rosemarie Garland-Thomson, hoogleraar lichaamstudies aan Emory University, in het boek van Cohen. ‘Zet zo iemand in een kleinere plaats en op de een of andere manier trekt hij minder bekijks. Er zijn enkele reuzen geweest die min of meer ongehinderd in een klein plaatsje hebben gewoond.’

    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki
    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki

    In januari ben ik van Hudson in New York, door glibberige sneeuwbui, naar Massachusetts gereden, op zoek naar Asa Palmer, de jongste van drie broers die allemaal net zo lang zijn als ik, of zelfs langer. Toen we klein waren, woonden Palmer en ik bij elkaar om de hoek, in Arlington, Virginia. Hun gezin was beroemd, de lange ouders met de drie superlange zoons die basketbalden. Toen ik tijdens de kerst tegen mijn moeder zei dat ik in het nieuwe jaar een afspraak had met Asa, haalden mijn moeder en zus herinneringen op aan de drie jongens, waarbij ze het vooral veel hadden over de middelste broer, Crawford, de All-American topsporter, drie decennia na zijn avonturen in Arlington. Asa Palmer en ik hadden op amateurniveau gespeeld. Hij begon als center voor het Optimist-basketbalteam, en ik probeerde hem te dekken voor mijn Kiwanis Club, wat steeds moeilijker werd omdat mijn groei tijdelijk tot stilstand kwam terwijl hij gewoon verder 
de hoogte in schoot. Uiteindelijk verhuisden de Palmers en verloor ik ze uit het oog, maar mijn nieuwsgierigheid dreef me er nu toe de besneeuwde wegen van New England te trotseren tijdens de snijdende winterkoude, op zoek naar de jongste zoon van het gezin. Palmer bleek boomchirurg te zijn geworden. Hij had grote, sterke handen en zijn dikke, donkere baard zat vol grijs, de eerste vorst van de middelbare leeftijd diende zich aan. Net op het moment dat ik hem bezocht was hij aan huis gekluisterd vanwege een gebroken enkel. Een deken van januarisneeuw lag over de Berkshire Hills, waar zijn huis staat; ingeklemd tussen een moeras en een begraafplaats. Tegen de lente zal hij weer in boomstronken moeten klauteren, met behulp van een elf millimeter dik nylonkoord – tenzij de boom gekapt moet worden, dan kan hij naar boven klauteren met behulp van speciale schoenen met ijzers, omdat hij zich dan geen zorgen hoeft te maken over de beschadigingen die hij veroorzaakt in de bast en de stam. Palmer en ik dronken Sierra Nevada-bier, we aten kaas en we bekeken foto’s van zijn dochtertje van vier. We lachten om de kwinkslagen die hij had bedacht om de gesprekken over zijn lengte af te kappen. Wanneer iemand vraagt hoe lang hij is, zegt Palmer: ‘Ligt aan de luchtvochtigheid’ of: ‘Ligt eraan hoe laat het is.’ We knikten instemmend, we herkenden van alles, zoals het feit dat we ’s nachts op straat met een boogje om vrouwen heen lopen omdat het overduidelijk is dat ze ons doodeng vinden, alsof het monster van Frankenstein weer tot leven is gekomen. Hij vroeg of ik ook zo verschrikkelijk veel moeite had om schoenen en broeken te kopen in deze wereld van one-size-fits-all, en hij informeerde naar het littekenweefsel boven op mijn hoofd. We deelden ons leed over het voeteneinde van veel bedden, om nog maar te zwijgen van vliegtuigstoelen. We hadden het erover dat we niet meer in de achtbaan durfden, als de dood dat de veiligheidsbeugel niet goed sluit en dat we in een bocht of tijdens een loop uit het stoeltje geslingerd worden. (Veel achtbanen werken met een maximumlengte: wie langer is dan één meter vijfennegentig mag bij Six Flags niet in de Mind Eraser en boven de twee meter mag je niet in de Batwing Coaster. Ik heb ooit in Guatemala een tokkelbaan gedaan en kwam met een bloederige streep bij mijn slaap beneden aan; ik was te lang en de kabel brandde in mijn huid terwijl ik naar beneden scheerde. Palmer herinnerde zich de vervreemding van zijn lichaam dat maar langer en langer werd, wist nog precies hoe het voelde om in de brugklas ‘een tandenstoker te zijn met voeten die uit het niets de lengte in schoten.’ Hij herinnerde zich dat hij in zijn jeugd de verwarmingen hoorde trillen wanneer zijn vader, die één meter achtennegentig was, in de kelder met het wasgoed bezig was en zijn hoofd stootte tegen de leidingen. Ook herinnerde hij zich de gesmoorde kreten van pijn. (Palmer deed het voor me na – de kreet van een vliegend reptiel uit de prehistorie.) Hij moest lachen bij de herinnering. Palmer lachte veel om de beproevingen van lange mensen en het zal niemand verbazen dat hij een diepe, resonerende lach heeft. Zo haalde hij herinneringen op aan de keer dat hij op zijn negentiende met een vriendin naar het Foxboro Stadium ging, voor een optreden van Elton John en Billy Joel. Er kwam steeds iemand van het stadium zijn kant op, en die scheen dan met een zaklamp in Palmers ogen. Hij had geen idee wat hij verkeerd deed totdat iemand riep: ‘Ga toch zitten, man!’ En dan was er nog de familievakantie naar Peru met zijn vader, die Latijns-Amerikaanse politiek doceerde. Daar zag hij hoe de plaatselijke bevolking keurig in de rij ging staan om een voor een op de foto te gaan met Walter, zijn oudste broer – enkel en alleen omdat Walter langer was dan twee meter tien.

    Walter deed precies wat iedereen denkt dat lange mensen doen: hij speelde in de NBA, een tijdje bij de Utah Jazz en de Dallas Mavericks. De middelste zoon van de Crawfords, die twee meter vijf is, sprong er al op de middelbare school uit en ging bij de Duke Blue Devils spelen. Hij zou later het Franse kampioenschap binnenhalen als een professionele, internationale speler. Ook won hij met zijn team zilver op de Olympische Spelen van 2000 in Sydney. Palmer heeft zich, anders dan ik, nooit geschaamd voor zijn lengte. Hij heeft geen idee waarom of wanneer zijn familie de hoogte in is geschoten – ze komen niet uit Zuid-Soedan of de Balkan, zoals mijn familie, het 
is gewoon een echt blank, Amerikaans allegaartje – maar naast de één meter achtennegentig van zijn vader, was zijn moeder ook al één meter zevenentachtig. ‘Ik herinner me dat ze het er een hele tijd geleden over hadden, met mijn broer, geloof ik, en zij hadden iets van: “Het is juist iets om trots op te zijn. Je moet je rug recht houden.”’ Palmer zei ook tegen me: ‘Als je over de twee meter tien bent, dan kijkt echt iedereen naar je. Walt trekt zich daar helemaal niets van aan. Bij een concert gaat hij gewoon vooraan staan omdat hij het allemaal al eens heeft meegemaakt.

    Zelfs bij mij werkt het zo, ik vind hem ook lang. Maar ik vind het heerlijk om omhoog te kijken wanneer ik met iemand praat. Dat gebeurt me echt zelden.’ Tijdens ons gesprek rende zijn dochtertje door het huis, een en al energie, nu al lang voor haar leeftijd. Ik herhaalde het grapje dat ik vaker maak, dat als ik ooit kinderen krijg, mijn dochter één meter vijfennegentig wordt en mijn zoon één meter vijfenzestig en dat ze me allebei zullen verafschuwen. Maar bij Palmer thuis speelde dat helemaal niet. ‘In deze familie zie je dan bijvoorbeeld zijn nichtjes van één meter negentig en één meter drieënnegentig, prachtige lange vrouwen die zich op geen enkele manier druk maken om hun lengte,’ zei Asa’s vrouw Wenonah. Zelf is ze één meter zeventig, net iets langer dan gemiddeld maar ruim binnen de gebruikelijke marges. ‘Het is een wonder, het is fantastisch, en ik ben er enorm blij om.’ In mijn familie is niemand zo lang als ik. Als je afwijkt, heb je mensen in je omgeving nodig die dat begrijpen, die de problemen zien maar die er ook om kunnen lachen. Zo’n voorbeeld heb ik nooit gehad, ik heb nooit een Walter gehad om me duidelijk te maken dat ‘lange mensen heel normaal zijn en dat iedereen het prima vindt en dat er echt niets raars aan is,’ zoals Asa zei. ‘Het is iets om trots op te zijn,’ hielp hij me herinneren.

    Auteur: Nicholas Kulish
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Anna Peisl / Getty Images

    Topic
    Verenigde Staten | topic.com

    In 2017 opgerichte foto-, video- en 
verhalensite van First Look Media, het mediabedrijf van journalist Glenn Greenwald en documentairemaker Laura Poitras. 
De verhalen op topic.com gaan altijd 
over één thema, dat maandelijks wisselt.