In het Midden-Oosten en Noord-Afrika is twee derde van de bevolking jonger dan 35 jaar – een enorm potentieel dat nog altijd stuit op massale werkloosheid en een gebrek aan structurele hervormingen. In sommige landen is de situatie sinds de Arabische Lente zelfs verslechterd, omdat regeringen er niet in zijn geslaagd om van die jonge bevolking een drijvende kracht achter economische groei te maken, schrijft Arab Digest.
De immer groeiende jeugd in het Midden-Oosten en Noord-Afrika staat op het punt het gezicht van de Arabische wereld ingrijpend te veranderen. Inmiddels is 66 procent van de bevolking er jonger dan 35 jaar, en in sommige landen is dat nog zichtbaarder: in Jemen is 67 procent jonger dan 29, en in Irak en de Maghreb – met uitzondering van Tunesië – is respectievelijk 60 procent en bijna de helft jonger dan 25.
Voor de meeste landen in de regio, met uitzondering van de Golfstaten, vormt dat een enorme uitdaging: ze moeten hun onderwijs, zorg, infrastructuur en arbeidsmarkt daarop afstemmen. Toch is die opgave niet onoverkomelijk, mits middelen beter worden ingezet, hervormingen worden doorgevoerd en de economische en politieke omstandigheden verbeteren.
Tikkende tijdbom
Ondanks dalende geboortecijfers zal de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika) in 2035 naar verwachting zo’n honderd miljoen jongeren tussen de 15 en 24 jaar tellen. Zoals UNICEF in 2019 al met enig optimisme opmerkte: ‘De regio zal haar gunstigste periode kennen tussen 2018 en 2040, wanneer de demografische afhankelijkheidsratio – de verhouding tussen mensen buiten en binnen de arbeidsleeftijd – haar laagste punt bereikt.’ Maar hoewel het aantal jongeren in de arbeidsleeftijd toeneemt, wachten veel landen nog altijd op die ‘gunstige periode’.
De jeugdwerkloosheid, de hoogste ter wereld, blijft een groot probleem: volgens de Internationale Arbeidsorganisatie zit 25,4 procent van de jongeren in de Arabische wereld zonder werk, tegenover 13,3 procent wereldwijd. Tenzij er massaal banen bijkomen, dreigt de situatie een tikkende tijdbom te worden. Volgens de Wereldbank zijn er tegen 2050 meer dan driehonderd miljoen extra banen nodig om de huidige, toch al lage werkgelegenheid op peil te houden.
De Arabische landen zijn zich terdege bewust van de situatie en het schreeuwende tekort aan banen, dat zo’n vijftien jaar geleden mede leidde tot de Arabische Lente. Maar in plaats van tegemoet te komen aan de eisen van jongeren, en de voorwaarden te scheppen om hen een eigen inkomen te laten verdienen, zijn regeringen blijven vasthouden aan dezelfde beleidslijnen die deze opstand juist veroorzaakten.
De oligopolie heeft zich in veel landen nog verder verstevigd en elites zijn rijker geworden, waardoor de ongelijkheid verder is toegenomen. In landen als Egypte heeft het militair-industrieel complex de afgelopen tien jaar zijn invloed uitgebreid en speelt het een steeds grotere rol in de nationale economie, ten koste van de private sector. Die achteruitgang blijkt ook uit de cijfers: de MENA-regio is tegenwoordig de enige ter wereld waar de armoede is toegenomen – van 12,3 procent in 2010 naar 18,1 procent in 2023. De coronapandemie heeft die ontwikkeling nog verder versterkt.
Instabiliteit
Maar op langere termijn zijn deze problemen vooral het gevolg van de aanhoudende conflicten en de regionale instabiliteit, die de ontwikkeling van de Arabische wereld al decennialang afremmen en de frustratie onder jongeren verder aanwakkeren.
In Syrië verwachten de Verenigde Naties bijvoorbeeld dat de economie bij het huidige groeitempo pas rond 2080 terug zal zijn op het niveau van vóór de oorlog. Ook Jemen, Soedan en Libië worden zwaar getroffen door oorlog en conflicten: 50,6 procent van de Libische jongeren en 32,2 procent van de Jemenitische jongeren is werkloos. Om niet te spreken van de door oorlog verwoeste Gazastrook, waar de werkloosheid extreme niveaus heeft bereikt. In Libanon is de armoede gestegen van 40 procent vóór 2019 tot de huidige 70 procent, door de gevolgen van de oorlog in Syrië, de financiële crisis van 2019 en het conflict met Israël. De jeugdwerkloosheid ligt er inmiddels rond de 23 procent.
Het beleid van de landen in de regio heeft vaak niet de voorwaarden kunnen scheppen voor fatsoenlijk werk en economische ontwikkeling. De conflicten in de Arabische wereld hebben daarnaast miljoenen mensen op de vlucht gejaagd, zowel in eigen land als naar het buitenland, en zo bijgedragen aan de vluchtelingencrisis die begon met de oorlog in Syrië. Dat heeft op zijn beurt geleid tot een verharding van het Europese migratiebeleid en een groeiende vijandigheid tegenover migranten in de Verenigde Staten – een houding die inmiddels ook zichtbaar is in de Golfstaten, ooit een toevluchtsoord voor werkzoekende jongeren uit de MENA-regio.
Perspectief
Door het gebrek aan uitwegen staat de regio voor de enorme opgave om jongeren perspectief te bieden. Volgens de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de Verenigde Naties moet de MENA-regio nog veel obstakels overwinnen om te kunnen profiteren van haar demografische voordeel. Vooral het gebrek aan vooruitgang in het onderwijs baart zorgen. Volgens de Economische en Sociale Commissie voor West-Azië gaan nog altijd zo’n vijftien miljoen kinderen en jongeren niet naar school. Hoewel de deelname aan voorschoolse educatie is gestegen van 15 procent in 2002 naar 28 procent in 2020, blijft dat ver onder het wereldwijde gemiddelde van 61 procent.
Het Midden-Oosten en Noord-Afrika – en vooral de jongeren in die regio – staan voor ingrijpende veranderingen, die nog verder kunnen worden versterkt door klimaatverandering, de achteruitgang van het milieu en watertekorten.
De Libanese schrijver en activist Joumana Haddad gaat tijdens een interview met Muwatin zonder omwegen in op de vrouwelijke seksualiteit en de ‘verwrongen’ kijk op viriliteit in de Arabische wereld. ‘Mannen moeten eens ophouden zo bang te zijn voor vrouwelijke begeerte.’
De Libanese en Arabische cultuur verdeelt vrouwen gewoonlijk in twee groepen: vrouwen die mooi maar dom zijn en vrouwen die intelligent zijn maar hun uiterlijk verwaarlozen. Wat vindt u daarvan?
‘Dat hokjesdenken behoort tot de dingen die onuitroeibaar lijken in onze samenlevingen. Noch de ontwikkelingen om ons heen, noch de grotere publieke aanwezigheid, noch de kennisrevolutie, noch de humanistische feministische strijd heeft daarin verandering kunnen brengen. Deze link tussen vorm en inhoud is een van de talloze manieren waarop het machisme overal op de wereld, maar in het bijzonder in onze regionen, vrouwen onder de duim houdt.
Het ergste is nog dat deze stereotypen kinderen van jongs af aan worden ingeprent
Het ergste is nog dat deze stereotypen kinderen van jongs af aan worden ingeprent. Zowel jongens als meisjes groeien op met deze waandenkbeelden, waar ze nooit meer van loskomen.
Het vergt veel tijd, veel verschillende stadia, veel goede wil en wilskracht om de zware strijd tegen onwetendheid te voeren. Wij zijn voor het merendeel nog ‘robots’ die moeten voldoen aan de normen die ons thuis, op school, door het godsdienstonderwijs, de televisie en de sociale media zijn opgelegd. Die botsen met het individueel bewustzijn en beperken de mogelijkheid om jezelf vragen te stellen en voor jezelf te beslissen.’
De studenten
In zijn eerste officiële reactie, achttien dagen na de dood van Mahsa Amini op 16 september, heeft de opperste leider van de Islamitische Republiek, ayatollah Ali Khamenei, de Verenigde Staten, ‘het zionistische regime’ (Israël) en hun ‘agenten’, evenals ‘enkele in het buitenland gevestigde Iraanse verraders’ ervan beschuldigd de protesten aan te wakkeren en heeft hij de ordetroepen opgeroepen ‘de criminelen het hoofd te bieden’. In de straten gaan de vrijwel dagelijkse betogingen door ondanks heftige repressie.
Op zaterdag 1 oktober hebben de studenten zich bij de beweging aangesloten en diverse bijeenkomsten georganiseerd. Sinds het begin van de betogingen zijn er volgens de in Noorwegen gevestigde ngo Iran Human Rights (IHR) minstens 92 mensen gedood en honderden gearresteerd. Buiten het land zijn talrijke steunmanifestaties gehouden, van Los Angeles tot Mexico-Stad en van Belgrado tot Beiroet.
In datzelfde kader worden vrouwen ofwel als ‘heilige’ ofwel als ‘prostituee’ bestempeld. Vanwaar die versimpelende tegenstelling?
‘Zowel mannen als vrouwen moeten ophouden de sensuele vrouw als tegendeel van de deugdzame vrouw te projecteren. De tegenstelling “heilige versus prostituee” bestaat niet. Ze is schadelijk voor de onderlinge betrekkingen en maakt die oppervlakkig. Elke prostituee is een heilige, elke sensuele vrouw is een deugdzame vrouw. Wij hebben het recht en zijn in staat om allebei tegelijk te zijn. Vooral mannen maar ook vrouwen moeten eens ophouden zo bang te zijn voor vrouwelijke begeerte. Die begeerte is weliswaar onbedwingbaar, maar juist daarom kan ze een onuitputtelijke bron van generositeit, van plezier en nieuwe ervaringen vormen. Laten we daar liever van profiteren!’
Kan de oosterse man volgens u van een opstandige vrouw houden of is hij bang voor haar?
‘Nee, hij kan niet van haar houden, omdat hij haar niet begrijpt. Je zou beter kunnen zeggen dat hij haar begeerlijk vindt. Ze trekt hem aan als een magneet, maar tegelijkertijd stoot ze hem af. Omdat ze een vrije vrouw is, en omdat alles wat vrij is de oosterse en machistische man angst aanjaagt.
In wezen beeldt dit soort mannen zich in dat het viriel is om degenen die lichamelijk, economisch, politiek of sociaal het zwakst zijn te onderwerpen, en soms geweld aan te doen. Ze denken dat ze daarmee hun angst kunnen maskeren. Maar dat is een verwrongen kijk op viriliteit. Het is een toevlucht tot iets wat het volstrekte tegendeel is van viriliteit.’
In uw boek Superman est arabe schrijft u dat u atheïst bent. Bent u niet bang daarmee sympathisanten te verliezen?
‘Ik schrijf niet, ik denk niet en ik leef niet om sympathiek te worden gevonden of me populair te maken. Ik doe het om gehoor te geven aan mijn overtuigingen, aan mijn principes, aan mijn dromen en aan de talloze stemmen die in mij klinken. Ik denk en ik schrijf omdat ik het recht heb degene te zijn die ik ben, zonder opsmuk, zonder pluimstrijkerij, zonder concessies.
Ik heb het recht openlijk te zeggen wat ik denk. Ook heb ik het recht niet-gelovig te zijn
Ik geloof dat vrouwenrechten onverenigbaar zijn met religies. En ik heb het recht openlijk te zeggen wat ik denk. Ook heb ik het recht niet-gelovig te zijn. Net zoals gelovige vrouwen het recht hebben te denken en te zeggen dat religies vrouwen in ere houden. Waar ze niet het recht toe hebben, zij noch iemand anders, is om mij en anderen het recht te ontzeggen bepaalde meningen of overtuigingen aan de kaak te stellen.’
Laat het Iraanse volk niet in de steek
Zonder steun van de grote mogendheden en de VN zal deze opstand in bloed worden gesmoord, onderstreept de hoofdredacteur van Independent Persian die kritisch staat tegenover de Iraanse machthebbers.
De opstand van het Iraanse volk na de dood van Mahsa Amini, die een symbool is geworden van alle onrechtvaardigheid, onderdrukking en chaos in het land en van de vernedering en het geweld waaraan de bewoners van dit grondgebied worden blootgesteld, gaat door.
Er wordt geprotesteerd tegen een regime dat er de afgelopen veertig jaar alleen maar op uit is geweest om een leger van repressieve en paramilitaire groeperingen te vormen, zowel in Iran als in de rest van het Midden-Oosten, en zo zijn duivelse plannen ten uitvoer te brengen. Een regime dat is gegrondvest op het bloed van het Iraanse volk en dat zijn macht heeft versterkt door het massaal executeren van tegenstanders.
De afgelopen jaren, tijdens andere protesten van het Iraanse volk, heeft dit regime honderden zo niet duizenden betogers gedood.Naast het leger, de paramilitaire troepen en de Revolutionaire Garde, een militaire elite-eenheid, beschikt Teheran over brigades uit het buitenland (Irak, Libanon, Afghanistan, Pakistan), die bij de huidige opstand kunnen worden ingezet om het volk te onderdrukken.
Als de wereld het Iraanse volk niet op dezelfde manier steunt als het Oekraïense, zullen deze regering en haar militaire apparaat duizenden mensen afslachten.Het Iraanse volk heeft internet nodig om de wereld duidelijk te maken wat er gebeurt, maar meer nog dan internet heeft het meer solide steun nodig van andere regeringen en de Verenigde Naties om dit regime te kunnen veranderen.
Alle sympathiebetuigingen van wereldleiders, alle tweets en alle sancties tegen mensen die met het regime worden geassocieerd zijn niet voldoende. Het Iraanse volk moet door de wereld worden gehoord. Laat het Iraanse volk niet in de steek in de strijd tegen zijn onderdrukkers.
In de Arabisch-islamitische wereld wordt seksuele vrijheid vaak geassocieerd met zedeloosheid, onreinheid of prostitutie. Wat vindt u daarvan?
‘Onreinheid bestaat niet op seksueel gebied. Iedereen mag vrijelijk over zijn eigen lichaam beschikken. Onreinheid, onzedelijkheid, prostitutie – echte prostitutie – bestaat alleen op intellectueel, politiek, economisch, ideologisch en religieus niveau. Onreinheid en onzedelijkheid zijn gelegen in tirannie, in onderdrukking, in corruptie, in het plunderen van natuurlijke hulpbronnen, in hersenspoeling, in het demoniseren van de ander.
Op diezelfde manier is een “verantwoordelijk” seksleven geen seksleven dat “morele normen respecteert”. Voor mij is de verantwoordelijkheid gelegen in het feit dat je je tegen bepaalde seksueel overdraagbare ziektes of een ongewenste zwangerschap beschermt.
Eén ding moet voor iedereen duidelijk zijn: een volwassen vrouw is de enige die bepaalt wat ze met haar lichaam doet
Eén ding moet voor iedereen duidelijk zijn: een volwassen vrouw is de enige die bepaalt wat ze met haar lichaam doet, of ze een seksuele relatie wil hebben met duizend mannen, of vrouwen, of met helemaal niemand.’
Vrouwenbesnijdenis wordt tegenwoordig zwaar bestraft en hersteloperaties aan de clitoris komen veelvuldig voor. Betekent dat een erkenning van de vrouwelijke begeerte, in dezelfde mate als die van mannen?
‘Wat voor erkenning? Van welke begeerte? Als er niet herhaaldelijk internationale campagnes tegen besnijdenis waren gevoerd, zou alles bij het oude zijn gebleven. Wie in hoge Arabische kringen bekommert zich nu werkelijk om vrouwelijke begeerte of het recht van vrouwen op seksueel genot? De machistische mentaliteit die bepalend is voor onze regimes en samenlevingen impliceert dat alleen de man genot ervaart. Voor hem is dat een “recht” dat is vastgelegd in de religieuze wetten. En de vrouw heeft alleen tot taak hem dat te verschaffen, dat is haar “heilige plicht”. Er zijn maar weinig partners die het genot van de vrouw belangrijk vinden. En dan vaak alleen om hun eigen potentie bevestigd te zien, niet omdat ze echt begaan zijn met het genot van de vrouw.’
Slechts negen procent van de bevolking stemde dit weekend
Een groot deel van de Tunesische bevolking heeft de parlementsverkiezingen in het land geboycot, nadat de oppositie en verschillende vakbonden in het land daar eerder toe opriepen, schrijft Al Jazeera. Volgens peilingen hebben circa negen procent van de stemgerechtigden in Tunesië hun stem uitgebracht. Naar aanleiding van de lage opkomst hebben oppositiepartijen de zittende president Kais Saied opgeroepen om af te treden.
De boycot tegen de verkiezingen komt voort uit onvrede tegen Saied. Hij stuurde vorig jaar de premier weg en ontbond het parlement. Ook benoemde hij een nieuwe minister-president, die meer op zijn hand was. Daarnaast voerde Saied een nieuwe grondwet in, waarmee zijn positie versterkt werd en het parlement juist minder belangrijk werd.
Politieke instabiliteit sinds de Arabische Lente van 2011, economisch zware tijden en hoge inflatie zorgen ervoor dat Tunesië onder meerdere crises lijdt. Jongeren verlaten het land op zoek naar een betere toekomst of hebben het vertrouwen in de politiek verloren. Het merendeel van de mensen die wel hun stem uitbrachten dit weekend waren aanhangers van de president Saied.
In deze tijden van corona worden we misschien wel vaker geconfronteerd met het begrip ‘risico’ dan ooit tevoren. Maar waar komt dat begrip eigenlijk vandaan? Hoogleraar Italiaanse en Mediterrane studies Karla Mallette zocht het uit.
We zijn recentelijk allemaal experts op het gebied van risicobeoordeling en risicobeheer geworden; we denken na, praten en tweeten over het risico dat we nemen als we ons bezighouden met activiteiten die ooit alledaags waren. Het is moeilijk voorstelbaar dat we zonder het begrip risico zouden leven: het is het analytische instrument waarmee we de wenselijkheid berekenen van handelingen die voordeel of verlies kunnen opleveren.
Toen het woord risico in de twaalfde eeuw in West-Europese talen belandde, ongeveer in dezelfde periode dat ook de begrippen ‘gevaar’ en ‘toeval’ ontstonden om de bedreiging van voorspoed aan te duiden, duurde het even voordat het begrip beklijfde. Niccolò Machiavelli (1469-1527) en Francesco Guicciardini (1483-1540), de twee grote Italiaanse schrijvers uit de vijftiende en zestiende eeuw die schreven over toeval en macht terwijl alles om hen heen instortte, gebruikten het Italiaanse woord rischio in ieder geval niet in de werken waarmee ze beroemd werden, ook al waren Italianen early adopters van het begrip en van het speculatieve gedrag dat het beschrijft.
Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig
Het eerst bekende gebruik van het Latijnse woord resicum, verre voorouder van risk, rischio, risque, risico, dook op in een notariscontract dat op 26 april 1156 in Genua werd opgemaakt. De kapitein van een schip sloot een contract af met een investeerder om met het geïnvesteerde kapitaal naar Valencia te reizen. Het contract wijst het resicum toe aan de investeerder: de kapitein zou aan het einde van de reis 25 procent van de winst ontvangen en de investeerder streek de resterende 75 procent op. Dit contract laat overigens zien dat de middeleeuwse Italiaanse scheepvaart een egalitair karakter had. Het specificeert namelijk dat de reis zou kunnen worden verlengd van Valencia naar Alexandrië voordat het schip terug zou keren naar Genua, maar alleen als een meerderheid van de mannen aan boord ermee instemde.
Resicum had in deze vroege contracten een magische werking. Het kerkelijk recht verbood de betaling van rente op leningen in middeleeuws Europa, net zoals de islamitische wet dat deed in het oostelijke en zuidelijke Middellandse Zeegebied. Om in het geval van een succesvolle voltooiing van een reis een bonus te kunnen betalen aan investeerders, durfkapitalisten en kapiteins, bood resicum de mogelijkheid om te ontsnappen aan dat verbod. En tegelijk was de kans om investeringswinst te boeken zo ook weggelegd voor degenen die niet konden reizen: een klein maar significant deel van de investeerders in deze maritieme contracten blijken gepensioneerde zeelieden of vrouwen te zijn. Het risico dat werd genomen door degenen die de reis ondernamen werd zo dus gedeeld.
Zeevaart over de Middellandse Zee kon enorm winstgevend zijn, maar was riskant. Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig. Een kapitein kon op het moment dat hij vertrok niet weten wat de toestand in de haven van bestemming was. Hij zou naar Valencia kunnen gaan met de bedoeling om zijde te kopen, om er vervolgens achter te komen dat een regimewisseling of plaag de economie had verwoest en de wevers en verkopers van zijde had verjaagd. Vóór de innovatie van resicum droegen kapiteins en bemanning de risico’s van de reis: alleen zij zouden de lasten dragen en de winst in eigen zak steken. Resicum verdeelde potentiële winst en verlies over een bredere gemeenschap. Onvoorziene omstandigheden konden worden geclassificeerd en het risico gerationaliseerd.
Al-rizq
Waar kwam dit wonderen verrichtende begrip vandaan? Historici denken dat resicum is afgeleid van het Arabische woord al-rizq dat voorkomt in de Koran. Het verwijst naar Gods voorziening voor de schepping. Zoals in dit vers dat een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met dezelfde lexicale stam bevat: ‘Hoeveel schepselen kunnen niet voor hun eigen voorziening [rizq] zorgen! God voorziet hen en jou: hij is de Alhorende, de Alwetende.’ In de middeleeuwen werd het woord gebruikt om de dagvergoeding voor soldaten aan te geven. In het dialect van al-Andalus, het Arabische Spanje, verwees het naar toeval of geluk. Het lijkt erop dat rizq van haven tot haven rond de Middellandse Zee reisde, totdat het begrip op de werktafel belandde van een klerk in Genua, die een strategie bedacht om de risico’s van transmediterrane handelsondernemingen te spreiden.
Vanaf dat moment begon resicum aan een triomftocht. Want wat werkte voor de transmediterrane scheepvaart, werkte net zo goed voor een breed scala aan contracten, uiteenlopend van op premie gebaseerde schadeverzekeringen tot polissen die werden afgesloten op het leven van tot slaaf gemaakten, vooral van tot slaaf gemaakte zwangere vrouwen wier leven bijzonder precair was. Gokkers konden zelfs een resicumcontract afsluiten op de levensverwachting van beroemde mensen. Kortom, resicumcontracten die in Genua en Venetië werden opgesteld, liepen aan het einde van de veertiende eeuw uiteen van verzekeringen tot wat we nu gokken zouden noemen.
Nadat het nieuwe woord in het Italiaans terechtkwam, toen nog een jonge taal, dook het op bij enkele schrijvers die in het Italiaans schreven. De betekenis van het begrip begint te veranderen: In de veertiende eeuw verscheen het Italiaanse woord rischio, meestal als synoniem voor gevaar, in poëzie, geschiedenissen, morele verhandelingen en in vroege wetboeken die in de nieuwe volkstaal waren geschreven. Het had toen niet meer de betekenis van een uitkering als stimulans voor investeringen in onzekere ondernemingen.
Het begrip past goed bij de ontwikkelingen in het tijdsgewricht. De vijftiende en zestiende eeuw in Italië boden volop mogelijkheden om na te denken over gevaar en risico. De aanwezigheid van huurlingen, uitgenodigd om te vechten namens Italiaanse facties van Milaan tot Rome en de strijd tussen Anjou en Aragón om het Koninkrijk Napels in het zuiden, domineerde de eerste helft van de vijftiende eeuw. Na de Ottomaanse verovering van Constantinopel in 1453 verdreven moslims Byzantijnse christenen om de oude keizerlijke hoofdstad te claimen die de Italianen zelf in 1204 hadden veroverd, tijdens de Vierde Kruistocht. In de zestiende eeuw bestormden Franse en Spaanse legers het schiereiland en voerden ze oorlogen op Italiaanse bodem.
‘Risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum’
Schrijvers die nauw zijn verbonden met de omwentelingen in deze eeuwen zijn Machiavelli en Guicciardini, beiden door politici aangesteld om te reflecteren op de machinerie van de politiek. Machiavelli’s Il Principe werd een van de bekendste verhandelingen over staatsmanschap tijdens de renaissance en het wordt nog steeds herdrukt en nagevolgd. Guicciardini noteerde zijn gedachten in het alledaags boek Ricordi [Herinneringen], dat pas na zijn dood werd gepubliceerd. Beide mannen staan stil bij het toeval of het lot, beiden schrijven over fortuin en over de tumultueuze veranderingen in hun tijd. Maar noch Guicciardini, noch Machiavelli gebruikten het woord risico, noch gebruikten ze de kwantitatieve analyse die destijds opkwam om het kronkelende pad van het lot te onderzoeken. Waarom?
Mogelijk omdat ze dachten in het Latijn, waaruit de Italiaanse woorden voor fortuin, lot en gevaar stamden die wel werden gebruikt. Maar risico, dat zijn oorsprong vond in de koran, had nog geen plaats in de wereld van Machiavelli en Guicciardini. Risico duidde toen nog op de harde onderhandelingen tussen ondernemers en zeelieden; risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum. Degenen die in transmediterrane scheepvaart investeerden of resicumpolissen afsloten op het leven van de rijken en beroemdheden, waren niet de prinsen en gouverneurs naar wiens gunsten Machiavelli en Guicciardini dongen.
Het woord en de praktijk van verzekeren, bereikten tegen het einde van de zestiende eeuw Frankrijk, Spanje, Engeland, Nederland en Duitsland. Resicum kwam zo in allerlei spellingen in alle volkstalen terecht. Risicobeoordeling- en management zouden in de loop van de volgende eeuwen rijpen, totdat, zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck het omschreef, ‘risicomaatschappijen’ ontstonden, die waarschijnlijkheid en statistieken gebruiken om de mogelijke uitkomst van gebeurtenissen te berekenen. Inmiddels beschouwen we risicobeoordeling als een zaak van experts met tabellen en rekenmachines, die we inhuren om ons te vertellen wat er gaat gebeuren en wat het ons gaat kosten.
Maar we hebben die experts niet nodig om te marchanderen met het lot. Risico is een verhaal dat we onszelf vertellen over de toekomst. Als ik het risico inschat om in 2021 een uitnodiging voor een sociale bijeenkomst te accepteren, denk ik graag aan die mannen en vrouwen die in 1156 hun resicum op de kade in Genua berekenden, met het ene oog op een handvol munten en het andere op de horizon.
Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.
Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’
En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.
Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.
Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.
U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en de plek iets nader bepalen?
‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].
Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’
De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.
Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’
Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?
‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’
Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’
*Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen met de hele samenleving waarin hij leefde? *
‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’
Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van cultuur.”
Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’
Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?
‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.
Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.
Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.
Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’
Wie waren uw leerlingen?
‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’
Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’
Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en een kameel van anderhalf jaar.’
Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’
Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee [In Exodus 15].
‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.
In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’
En wat was uw conclusie?
‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.
Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’
Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.
‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’
Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’
En wat hebt u ontdekt?
‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’
Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.
Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.
Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’
Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?
‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’
Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.
Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’
Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.
Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’
Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’
‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’
Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.
De Palestijnse feministe Samah Salaime vond op het sociale netwerk tal van getuigenissen van vrouwen die zich langzaam ontworstelen aan tradities.
Onlangs heeft een van mijn Facebook-vriendinnen me toegevoegd aan een groep Arabische vrouwen. ‘O nee! Weer zo’n suf groepje!’ dacht ik meteen. Maar goede feministe als ik ben, kon ik uiteraard de verleiding niet weerstaan er een blik op te werpen.
Ik vond op deze pagina getuigenissen van Arabische vrouwen van alle leeftijden en uit alle uithoeken van Israël: moslima’s, druzen en christenen, meer of minder belijdend, getrouwd of vrijgezel. Zowel ontroerende verhaaltjes als pretentieloze anekdotes, confidenties over grote liefdes en al even grote teleurstellingen, verhalen over existentiële crises en een nieuw begin.
Veerkracht
De afgelopen jaren hebben tienduizenden vrouwen op Facebook een podium gevonden om zich te uiten. Het zijn leraressen, sociaal werksters, verpleegkundigen, zakenvrouwen en zelfstandig privécoaches die praktisch alle onderwerpen op hun pagina’s aansnijden.
Zo stuitte ik op het verhaal van een jonge vrouw, Lamis, wier moeder tijdens de bevalling is overleden en die vanaf haar geboorte de naam draagt van een moeder die ze nooit heeft gekend of in de ogen gekeken. Lamis, te vroeg geboren met een lichamelijke handicap, beschrijft de moeilijkheden waarmee ze sinds haar kinderjaren kampt en weidt uit over de verschillende fases van haar leven. Momenteel geeft ze leiding aan een re-integratieprogramma voor jonge gehandicapten uit de Arabische gemeenschap. De naam van haar programma is ‘I can’.
Hanan, een heel bijzondere vrouw van dertig, heeft haar getuigenis geïllustreerd met een foto van een tatoeage op haar arm: een esculaap, het symbool van de geneeskunde, met het onderschrift ‘Ik beloof dat ik het weer oppak’. Nadat ze geneeskunde was gaan studeren kreeg ze een ernstig ongeluk waardoor ze eenzijdig verlamd raakte. Ze zwoer dat ze als ze erbovenop zou komen haar studie weer zou oppakken, en maakte haar droom waar. Na een periode als EHBO’er te hebben gewerkt vatte ze de moed om terug te keren naar de medische faculteit, zoals ze zichzelf had beloofd, waar ze momenteel afstudeert als medisch onderzoeker. De vrouwen uit deze Facebook-groep hebben comfortabele posities opgegeven om hun kinderdroom te verwezenlijken. Fitnessinstructrices en gezondheidscoaches, leidsters van vrouwelijke wielrenploegen, een vrouw die haar baan bij een vrouwenorganisatie vaarwel zegde om styliste en modeontwerpster te worden.
“Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren”, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe
Marianna, moeder van vier kinderen, verloofde zich op haar vijftiende en was zwanger toen ze eindexamen deed. ‘Een vroeg huwelijk’: dat was genoeg om meteen alle rode lampjes bij mij te doen branden. Toch heb ik niet te snel geoordeeld en ben ik door blijven lezen. Daarna nam ik contact met haar op om haar beter te kunnen begrijpen. Ze vertelde me over haar man, die haar niet alleen ‘toestemming’ had gegeven om te studeren en werken, maar haar ook echt steunde en haar dromen en ambities deelde. Geheel in tegenstelling met de in zijn milieu geldende normen zorgde hij voor de baby, en daarna voor het broertje dat anderhalf jaar later kwam, en stelde hij alles in het werk om zijn vrouw haar vleugels te laten uitslaan. ‘Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren’, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe. ‘Ik kolfde voordat ik naar college ging, het huis was een puinhoop en het kwam voor dat de gootsteen vol vuile vaat stond en dat er niet één schoon lepeltje meer te vinden was. Maar hoewel ik daarna nog twee kinderen kreeg, lukte het me om af te studeren. Nu ga ik op zoek naar een baan en gaat mijn man door met zijn islam- en shariastudie. Want hij is imam in een moskee.’
Imam? Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Ja, hij is heel gelovig, en hij is heel oprecht en eerlijk. Hij behandelt me met alle egards die zijn geloof en zijn religieuze wet voorschrijven. De islam heeft niets tegen ambitie, en mijn man steunt me volledig bij mijn pogingen gelukkig te worden en me te ontplooien. Hij is aanwezig geweest bij mijn drie diploma-uitreikingen: mijn eindexamen, mijn bachelor en mijn master. Dat is inderdaad iets wat je niet vaak hoort,’ voegt ze eraan toe.
Ik had misschien liever gehad dat ze niet in haar eindexamenjaar was getrouwd, maar wie ben ik om te oordelen over het hart van een meisje dat weet wat ze met haar leven wil?
Steeds meer vrouwen laten zich op het internet met ontroerende eerlijkheid van hun feministische kant zien. Het zijn geen verhalen die de voorpagina’s van kranten zullen halen, maar ze geven de lezeressen een gevoel van macht, helpen hen steviger in hun schoenen te staan en laten ze zien dat ze niet alleen zijn.
In het veelsoortige ecosysteem van Facebook vind je vrouwen die op allerlei gebieden werkzaam zijn en hun dromen najagen, daarin slagen en zich ontplooien. Waarom zou je naar een Hollywoodfilm als Wonder Woman gaan om een vrouw te zoeken die haar lot in eigen hand neemt, obstakels uit de weg ruimt en met hetzelfde gemak plafonds van glas en beton doorbreekt, als je op Facebook zulke vrouwen kunt vinden die veel dichter staan bij de Arabische meisjes die hun eerste stappen in het leven zetten?
Ik werk al twintig jaar met Arabische vrouwen. En elke keer weer ben ik getuige van de stille revolutie die deze vrouwen dag in dag uit in hun natuurlijke omgeving ontketenen. Met kleine stapjes leiden ze ons en onze samenleving naar een betere en inspirerendere toekomst.
Sommigen van ons hebben het geluk gehad dat ze door hun ouders gemotiveerd en aangemoedigd zijn. Anderen hebben hun ouders nooit gekend en zijn slachtoffer geworden van geweld, onrechtvaardigheid en traumatische ervaringen. Er zijn vrouwen bij die fysieke, seksuele of psychologische mishandeling hebben ondergaan. Sommigen slaan zich er helemaal in hun eentje doorheen, maar de meesten van ons hebben in elk geval iemand die in ons gelooft. Om in het leven te slagen hebben Arabische vrouwen, zoals alle vrouwen ter wereld, soms maar één iemand nodig die hen begrijpt, plus de onbedwingbare wil om vooruit te komen.
Met vreemde ogen
Ik heb me afgevraagd waarom dit fenomeen me zo ontroerde en begeesterde. Zijn die tienduizenden sterke, actieve, onafhankelijke vrouwen een uitzondering? En zo ja, door wie worden de regels waarop ze een uitzondering vormen dan opgelegd?
Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn enthousiasme zich deels laat verklaren door het ongelooflijk grote aantal getuigenissen van vrouwen die erin zijn geslaagd zich te ontplooien, wat me alleen maar sterkt in mijn feministische overtuiging. Aan de andere kant benadrukt mijn enthousiasme dat zelfs iemand zoals ik, die doorgaat voor een ‘verlichte Palestijnse’, het leven van de vrouwen uit haar gemeenschap met vreemde ogen blijft bezien. Het wordt hoog tijd daar verandering in aan te brengen.
De ‘normale’ ontwikkeling van vrouwen in de Arabische samenleving verloopt volgens een westers patroon dat een onveranderlijke volgorde van de verschillende levensfases van de vrouw impliceert: schooltijd, jongens, werk, huwelijk, carrière en de ontplooiing van haar mogelijkheden. Daarom is elk verhaal dat ook maar enigszins afwijkt van deze normale sequens in mijn ogen een ‘indrukwekkende’ uitzondering. Vooral als het goed afloopt. Ze is immers tegen alle verwachtingen in geslaagd; ondanks dat ze een Arabische vrouw is, uit een dorp in het noorden of een stam in het zuiden komt, een hidjab draagt, is opgegroeid in een traditionele gelovige familie, jong is getrouwd, veel kinderen heeft gekregen, en heel wat andere obstakels heeft overwonnen – die vooral in onze gedachten bestaan.
Van alle vrouwen die hun verhaal vertelden hebben vele niet het westerse persoonlijke ontwikkelingspatroon gevolgd. Zij hadden gewoon een ander uitgangspunt, of ze nou uit vrije wil handelden, of omdat ze geen andere keus hadden. In plaats van hun school af te maken, een vervolgopleiding te doen, te werken en daarna een gezin te stichten, heeft de overgrote meerderheid van de Arabische vrouwen een enigszins ander parcours gevolgd, waarbij liefdesbetrekkingen en seksualiteit onverbrekelijk verbonden zijn met het gezin en het instituut huwelijk. Ze proberen niet zozeer aan deze voorwaarden te tornen, maar gaan stug hun eigen gang ondanks de geldende omstandigheden. Het verlangen de regels te schenden en te normale gang van zaken te trotseren komen van binnenuit en met de jaren.
We durven nog niet van de “verantwoordelijkheid” van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We durven nog niet hardop ”Ik heb het allemaal zelf gedaan” te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten
Ik ben zelf op mijn twintigste getrouwd en kreeg op mijn eenentwintigste mijn eerste kind, zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dat zou hebben voor mijn studie en mijn carrière. Het heeft me enkele jaren gekost om te begrijpen dat ik voor een andere weg had kunnen kiezen. Maar één ding is zeker: in de Arabische samenleving zijn de sociale normen voortdurend in ontwikkeling, vooral dankzij de tienduizenden vrouwen die het er niet bij laten zitten.
De vrouwen die zich uitspreken in deze verschillende Facebook-groepen hebben ook een partner: de nieuwe Arabische man.
Het merendeel van de actieve vrouwen is getrouwd, en ook bij hun echtgenoot voltrekt zich een langzame, radicale en soms pijnlijke revolutie. De bevoorrechte status van de man die de scepter over het gezin zwaait omdat hij nu eenmaal een man is (iets wat men in feministische termen het patriarchaat noemt) wordt steeds meer ter discussie gesteld in het licht van nieuwe sociaaleconomische ontwikkelingen.
De vrouw van tegenwoordig werkt, studeert, beslist mee en deelt de economische en familiale verantwoordelijkheden met haar echtgenoot. De man neemt niet meer dezelfde plaats in als vijftig jaar geleden.
De meeste vrouwen met wie ik contact heb gehad prezen hun geweldige partner, die hen had gesteund en aangemoedigd en dankzij wie ze waren geslaagd in wat ze hadden ondernomen. We durven nog niet van de ‘verantwoordelijkheid’ van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We durven nog niet hardop ‘Ik heb het allemaal zelf gedaan’ te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten. Maar ik zou niets willen afdoen aan het ideaalbeeld dat deze vrouwen wensen voor te spiegelen, en een goede verstandhouding binnen het huwelijk kan alleen maar op waarde worden geschat.
Toch is de gelijkheid tussen man en vrouw nog heel ver weg en heeft de feministische revolutie nog een lange weg te gaan.
De Arabische man begint getuige te worden van de langzame en moeizame bewustwording van de vrouwen in zijn omgeving, die zich nog in een beginfase bevindt. Ik ben ervan overtuigd dat er een moment zal komen dat onze mannen, vaders, broers en zoons zich wel zullen moeten schikken in deze veranderingen en in de revolutie die tot een moderne Arabische man zal leiden, tot een nieuw idee over viriliteit. Er zullen natuurlijk altijd mannen blijven zijn die, omdat ze zich niet in de veranderingen kunnen vinden, hun vrouw weer onder de duim zullen proberen te krijgen en voorwendsels zullen zoeken om geweld, onderdrukking en andere vormen van dominantie te rechtvaardigen.
Daarom, dames en heren, ontdoe ik mij hier en nu van een van die dikke lagen van westers feministisch bewustzijn die zich op mijn lichaam hebben afgezet en vervang ik die door de zachte, tere, onvolmaakte maar authentieke sluier van het Arabische feminisme. Ik zal de bevrijding van de Arabische vrouw niet langer als een vorm van eenrichtingsverkeer beschouwen, ik zal niet langer van mening zijn dat de enige legitieme weg de weg is die ons wordt opgelegd door de Israëlische samenleving of het westers feminisme. Het Arabische bevrijdingsproces is valide op zich, zonder dat we het ritme van onze veranderingen hoeven te vergelijken met dat van andere samenlevingen. De ‘sociologische gps’ moet gewoon de Arabische kaart leren lezen en zich aanpassen.
Samah Salaime (te zien in het openingsbeeld) werd geboren in het noorden van Israël in een gezin van Palestijnse vluchtelingen. Ze behaalde een master Maatschappelijk Werk aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 2009 richtte ze de ngo Arab Women in the Center (AWC) op, die vrouwen aanmoedigt voor zichzelf op te komen. Deze ngo strijdt vooral tegen het geweld waaraan vrouwen in de Arabische gemeenschap worden blootgesteld. AWC spoort vrouwen en meisjes ook aan om een actieve rol te spelen in het protest tegen de verwoesting van Palestijnse huizen door het Israëlische leger.
Bij het beeld van de twee vrouwen:
De Bahreinse fotograaf Ali Al-Shehabi (23) putte voor zijn serie Freej Sisterhood uit zijn jeugdherinneringen aan de wijk Al Karama in Dubai. Als kleine jongen ontmoette hij vaak gesluierde vrouwen die hun inkopen kwamen doen in de buurt. Dit leidde tot de serie Freej Sisterhood (Freej betekent buurt in het Arabisch van de Golf).
Uit opnames in bezit van de krant Haaretz blijkt dat een extreem-rechtse Joodse organisatie bij het opkopen van Arabische huizen in Oost-Jeruzalem prostituees aanbiedt aan de Palestijnse eigenaars.
‘Wilt u een meisje? Eén, twee, hoeveel? En hoe oud?’ De man die praat is Matityahou Dan, voorzitter van de extreem-rechtse organisatie Ateret Kohanim (‘De kroon van de grote priesters’), die tot doel heeft een Derde Tempel te bouwen op de plek van de Rotskoepelmoskee en de belangrijkste kracht is achter de Joodse kolonisatie van het Arabische deel van Oost-Jeruzalem. Hij biedt een meisje aan, zo nodig met Viagra en al, aan de Palestijnse eigenaar van een pand dat de organisatie probeert te verwerven. Het gesprek dateert van twee decennia geleden. Sindsdien heeft Ateret Kohanim talrijke Palestijnse panden in bezit gekregen.
Deze opname maakt deel uit van een serie audiodocumenten waarop Haaretz de hand heeft weten te leggen en geeft een inkijkje in de manier waarop Joodse groeperingen Palestijnse panden in Oost-Jeruzalem verwerven. Je kunt horen hoe Matityahou Dan en andere vertegenwoordigers van Ateret Kohanim in alle vrijheid het adagium hanteren dat het doel de middelen heiligt. Ze volstonden niet met het aanbieden van seks (zolang het niet om Joodse meisjes ging) maar dreigden ook de onderhandelingen openbaar te maken, waardoor het leven van de Palestijnse eigenaars op het spel zou komen te staan.
Joodse agent
Op een van de opnames waarschuwt Eitan Geva, de advocaat van de organisatie, de familie van een eigenaar: ‘Of u sluit dit pand en draagt het aan ons over, of u komt voor de rechter met alle onherstelbare gevolgen van dien: iedereen zal weten dat uw vader of uw man een Joodse agent is of aan Joden heeft verkocht. Er zijn twee manieren van onderhandelen, discreet of luidruchtig. In uw eigen belang kunt u beter voor discretie kiezen.’ Matityahou Dan beschrijft ook hoe je in het geheim moet onderhandelen, onder andere door het inschakelen van stromannen of bedrijven die in belastingparadijzen staan geregistreerd. Hij praat vaak met een zekere Haï, die volgens een voormalige rechterhand van Dan niemand anders is dan een vroegere hoge vertegenwoordiger van het Grieks-orthodoxe patriarchaat die hem hielp bij zijn onroerendgoedtransacties. (Zie 360 # 131: ‘Grieks-orthodoxe kerk speculeert met vastgoed in Israël’.)
Matityahou Dan onderhoudt nauwe banden met Israëlische ministers en parlementsleden, evenals met de burgemeester van Jeruzalem, Nir Barkat. Hij is al sinds de jaren tachtig een van de belangrijkste spelers bij het verwerven van Palestijns onroerend goed, bedoeld om meer Joden in Oost-Jeruzalem te huisvesten. Zo wonen er in de enige moslimwijk van de stad inmiddels duizend Joden die gelieerd zijn aan Ateret Kohanim, de twintig Joodse gezinnen die in de buitenwijk Silwan zijn ondergebracht nog even buiten beschouwing gelaten. In 2005 legde een inwoner van Silwan uit hoe Matityahou Dan erin slaagde een pand te verwerven dat bekendstond onder de naam ‘Beith Yonathan’ (‘Het huis van Jonathan’).
Deze Palestijn, die dit huis zonder toestemming had gebouwd en er met zijn gezin woonde, werd door Dan mee naar Amerika genomen, met inbegrip van bordeel- en casinobezoek. Op een avond liet Dan hem achter in het gezelschap van twee callgirls. Diezelfde avond zette in Jeruzalem Ateret Kohanim met behulp van de Israëlische politie het Palestijnse gezin uit hun huis en nam men het pand in beslag.
Dat moet een verrassing zijn voor mensen die weten dat Ateret Kohanim een Talmoedschool bezit die wordt geleid door de religieus-nationalistische rabbijn Shlomo Aviner, een man die bekendstaat om zijn strenge opvattingen over de rol van de vrouw en de heiligheid van het gezin. Toch wijzen de opnames uit dat deze methodes heel normaal zijn. ‘Ik zal u geld geven,’ belooft Dan aan een Palestijnse huiseigenaar. ‘Neem wat u wilt. Wilt u een meisje? Dan regelen we er een.’ Er volgt een gesprek over het aantal meisjes en hun leeftijd, tussen de achttien en tweeëntwintig. De Palestijn zegt dat hij ‘een Russin’ wil. En Dan biedt hem als extraatje Viagra aan. Nadat de verkoper het pand heeft verlaten, wendt Dan zich tot iemand anders: ‘Dat ging goed, hè?’ En de ander antwoordt dat hij makkelijk een hoer, een kamer en Viagra kan regelen. Matityahou Dan stelt één voorwaarde: ‘Als het maar geen Jodin is.’ De ander stelt hem gerust: ‘Er zijn momenteel geen Joodse hoeren op de markt. Je vindt alleen maar niet-Joodse Russinnen.’
Voor Ateret Kohanim is seks niet de enige manier om mensen over te halen. Op een opname belooft Dan aan een Palestijnse verkoper dat hij een stroman zal inschakelen die ‘voldoende invloed heeft en erom bekendstaat dat hij nooit problemen heeft met justitie’. De Palestijn wil dat het geld op de rekening van een bedrijf wordt gestort dat geregistreerd staat in een belastingparadijs en Dan stelt hem de Maagdeneilanden voor. Ateret Kohanim bezit inderdaad een tiental brievenbusmaatschappijen in belastingparadijzen.
Matityahou Dan stelt ook vragen over mogelijke problemen van de verkoper, zoals een belastingschuld of een ziek familielid dat aanspraak op het begeerde pand zou kunnen maken. Familieleden worden ook op andere manieren overgehaald. Op een opname hoor je hoe een vertegenwoordiger van Ateret Kohanim familieleden schaamteloos probeert wijs te maken dat hun vader die het pand bezit overleden is.
De voormalige rechterhand van Dan beschrijft nog een andere tactiek. Als het verkoopcontract eenmaal is getekend, dreigt Ateret Kohanim de overeenkomst openbaar te maken als de man de verkoopprijs niet aanzienlijk verlaagt, met alle gevaar voor het leven van de Palestijnse verkoper van dien. ‘Wat kan zo’n Arabier dan doen?’ zegt hij. ‘Zijn geld opeisen? Naar de rechter gaan? Ze maken misbruik van zijn zwakte. Toen ik Matityahou vroeg waarom hij die mensen oplichtte, antwoordde hij: “We lichten ze niet op, we betalen ze alleen niet.” Voor hem is er geen sprake van oplichting zolang iemand hem niet voor de rechter kan dagen.’
De opnames verschaffen ook informatie over de zaak die het Griekse patriarchaat bij het hooggerechtshof heeft aangespannen tegen Ateret Kohanim over drie panden in Oost-Jeruzalem die in 2004 aan de Joodse organisatie zijn verkocht door de voormalige patriarch Irénée, die inmiddels uit zijn functies is ontheven. Het patriarchaat wil de verkoop annuleren, met als argument de zeer lage prijzen en de corruptiepraktijken die onder Irénée schering en inslag waren.
Uit een van de opnames, enkele jaren vóór deze driedubbele verkoop gemaakt, blijkt dat Dan in minstens één geval, namelijk de verkoop van Hotel Petra in de buurt van de Jaffapoort, heel goed wist dat de betaalde 500.000 dollar ver onder de reële waarde lag. De voormalige rechterhand van Dan denkt dat de belachelijke prijs zich alleen maar laat verklaren door de nauwe banden die Ateret Kohanim onderhoudt met voormalige hoge vertegenwoordigers van het patriarchaat.
De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.