Tag: arbeidersklasse

  • Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.

    De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?

    Solliciteren

    Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.

    De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.

    The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met ­elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.

    De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.

    In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.

    Nieuwe arbeidsroutine

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever]. 

    Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen

    Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.

    Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.

    Vrije tijd als gegeven

    Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.

    Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.

    Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
    Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.

    Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.

    Tegencultuur

    Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.

    Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.

    Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur

    Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.

    Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.

    Het is geen kwestie van ‘niet willen’

    Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.

    ‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.

  • De ineenstorting van centrum-links

    De ineenstorting van centrum-links

    Vrijwel elke internationale krant schreef over ‘het verlies van de PVV’. Anne Applebaum maakt zich meer zorgen over de neergang van de sociaal-democratie – volgens haar een ontwikkeling die van grote invloed zal zijn op het electoraat in heel Europa.

    Als je in de Engelstalige wereld woont, bezie je de rest van de wereld algauw door een populistische bril. Geen wonder: we zijn dagelijks bezig met het drama van 
de Brexit en het presidentschap van Trump, waarin in beide gevallen een hoofdrol is weggelegd (in wisselende maten) voor slechtgemanierde mannen met een slecht kapsel, aanvallen op deskundigen en immigranten en minachting voor nationale en internationale instituties die decennia lang voor vrede hebben gezorgd en de welvaart hebben bevorderd. Als we naar andere landen kijken, zijn we vanzelfsprekend op zoek naar diezelfde fenomenen.

    Om die reden hebben de verkiezingen in Nederland, waarvan de Engelstalige wereld gewoonlijk niet wakker ligt, dit jaar ongekend veel aandacht getrokken. Want daar stond, midden op het politieke toneel, Geert Wilders. Een Nederlandse politicus die al heel wat jaren meeloopt – hij werd voor het eerst in het parlement gekozen in 1998 en zijn partij heeft al eerder gedoogsteun aan een kabinet verleend – en die zich allengs heeft ontwikkeld tot een slechtgemanierde man met een slecht kapsel die erin slaagde de populistische fakkel op te pakken en naar Den Haag te dragen. Een vriend van Stephen K. Bannon en Nigel Farage.

    Wilders maakte dit jaar zijn opwachting op de Republikeinse Nationale Conventie in Washington, juichte de Brexit toe en deed zichtbare pogingen om zich aan te sluiten bij wat een internationale trend leek.

    Uiteindelijk zal de teloorgang van Oud Links, en het verhaal van zijn vervangers, misschien wel belangrijker blijken te zijn dan de opkomst van “Nieuw Extreem-rechts”

    Toen hij hoog in de peilingen stond, leek het er even op dat Wilders’ Partij voor de Vrijheid de grootste fractie zou worden in een sinds lange tijd sterk verdeeld Nederlands parlement. Maar een uitzonderlijk hoge opkomst zorgde voor een heel ander resultaat. Wilders behaalde een lichte winst en heeft nu 20 van de 150 Kamerzetels. Maar van een populistische triomf was geen sprake. De centrum-rechtse partij van de premier blijft de grootste in het parlement en de overgrote meerderheid van de kiezers heeft de voorkeur gegeven aan partijen die in de Europese Unie willen blijven.

    Omdat we Nederland door een populistische bril bezien, is het grotere verhaal ons ontgaan: de ineenstorting van de centrum-linkse Partij van de Arbeid, die ook van betekenis is voor heel Europa en het electoraat in bijna alle landen zal beïnvloeden. Hoewel de langzame neergang van de sociaal-democratie in sommige landen tijdelijk is bezworen door centristen als Tony Blair, is die al een feit sinds het eind van het communisme de droom van een door de staat geleide economie verstoorde en economische veranderingen de vakbonden ondermijnden, evenals de solidariteit van de arbeidersklasse die door die bonden werd bevorderd.

    Linkse kiezers

    Overal op het Europese continent zijn gedesillusioneerde voormalige linkse kiezers in de armen van xenofoben gedreven, vooral omdat velen daarvan – met name Marine Le Pen in Frankrijk, maar ook de Oostenrijkse FPÖ en de Poolse Partij voor Recht en Rechtvaardigheid – nu pleitbezorgers zijn van wat je ‘marxisme light’ zou kunnen noemen of, als je minder beleefd bent, nationaal-socialisme: elementen daarvan zijn renationalisatie van de industrie, handelsbelemmeringen en versterking van de verzorgingsstaat. 
Maar er zijn ook linkse spijtoptanten die een andere weg hebben gevolgd. Sommigen steunen liberalen zoals Emmanuel Macron in Frankrijk, of groenen zoals Alexander Van Der Bellen, de president van Oostenrijk. Bij de Nederlandse verkiezingen nam de steun voor sociale en economische liberalen, evenals voor de groenen, spectaculair toe.

    Uiteindelijk zal de teloorgang van Oud Links, en het verhaal van zijn vervangers, misschien wel belangrijker blijken te zijn dan de opkomst van ‘Nieuw Extreem-rechts’. Deze Populistische Internationale heeft echter ontegenzeglijk beter begrepen dat de dramatische gevolgen van internet, sociale media en automatisering, evenals van de economische globalisering, betekenden dat het democratische Westen nieuwe politieke partijen met nieuwe filosofieën nodig had. Haar antwoord was negatief, boos en in sommige gevallen gekenmerkt door ondemocratische radicale nostalgie; verwerping van het heden ten gunste van een revolutionaire terugkeer naar een geïdealiseerd en volledig wit verleden, waar iedereen werk had.

    Er zouden ook andere antwoorden kunnen zijn. Veel gedesillusioneerde kiezers kunnen ook voor positieve plannen worden gemobiliseerd. 
Misschien zullen ze zich aangetrokken voelen tot nieuwe partijen, of nieuwe leiders, die een visioen van een betere toekomst bieden in plaats van een onbereikbaar verleden. In de Engelstalige wereld is dat de laatste tijd niet zo goed gelukt. Maar dat betekent niet dat het onmogelijk is.

    Auteur: Anne Applebaum
    Vertaler: Peter Bergsma

    Anne Applebaum schrijft voor The Washington Post en Slate en is auteur van meerdere boeken over Oost-Europa. Voor Gulag: A History kreeg ze de Pulitzer Prize.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • 2. Hoe het volk verraden werd

    2. Hoe het volk verraden werd

    Met de val van de Sovjet-Unie bezweek de laatste dijk die de vloedgolf van de neoliberale globalisering tegenhield. Sindsdien zijn de midden- en arbeidersklasse overal in de steek gelaten door de sociaaldemocraten en de radicale intellectuelen, en opnieuw het ‘lijdend voorwerp’ van de geschiedenis geworden. De analyse van een linkse Russische politicoloog.

    In de moderne sociologie is bestudering van de elite meer in de mode dan die van het volk. In feite heeft het politieke leven van de afgelopen kwart eeuw geprivilegieerde groepen in de kaart gespeeld die over macht en rijkdom beschikten en controle hadden over de informatiestromen, ten koste van andere sociale lagen die aan de zijlijn bleven staan. Waar de conservatieve Spaanse filosoof Ortega y Gasset aan het begin van de twintigste eeuw geïrriteerd over de ‘opstand der horden’ sprak, had de Amerikaanse denker Christopher Lasch het aan het eind van diezelfde eeuw over de ‘opstand van de elite’.

    De verwerping van de politiek door het gewone volk is inmiddels bijna een wereldwijd fenomeen en manifesteert zich met wisselende heftigheid in de meest uiteenlopende regio’s. Natuurlijk zijn de volksmassa’s niet van het scherm verdwenen: ze blijven stembiljetten in bussen stoppen, nemen deel aan betogingen, komen soms zelfs in opstand en zoeken de confrontatie met de politie. Maar hun belangen, hun problemen, hun ideeën zijn niet meer aan de orde van de dag. Aan de ene kant heeft een deel van de elite het ontevreden (of juist loyale) volk gebruikt voor hun eigen doelstellingen en als stemvee. Aan de andere kant zijn de pogingen van volksbewegingen om zich in de ‘echte politiek’ te storten en de leidende klassen te verplichten over hun problemen te debatteren en rekening te houden met hun meningen, over het algemeen vergeefs gebleken.

    Amusante fantasie

    Beslissingen die voorheen onderwerp waren van publiek debat werden opeens als ‘technisch’ gekwalificeerd en gereserveerd voor deskundigen. De mening van de man in de straat was hooguit nog een amusante fantasie. De overtuiging dat ‘impopulaire hervormingen objectief gezien onvermijdelijk’ waren en ondanks de publieke opinie moesten worden doorgedrukt, is de richtlijn geworden voor alle regeringen, een enkele uitzondering daargelaten. Het verschil tussen links en rechts is teruggebracht tot nauwelijks waarneembare culturele nuances die het volk niet meer interesseren. Tegelijkertijd zijn kwesties die niet meer dan enkele procenten van de bevolking aangaan, in welk land dan ook (zoals het homohuwelijk), tot de kern van het nationale (en soms internationale) publieke debat doorgedrongen en in een machtsstrijd ontaard. En dat alleen maar omdat deze kwesties op geen enkele manier verband houden met de echte problemen van de meeste mensen.

    Waar tussen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de politieke evolutie de volksmassa’s van lijdend voorwerp tot historisch en politiek onderwerp had verheven, is dit proces honderd jaar later omgekeerd. Wanneer heeft deze breuk zich voorgedaan? Waardoor is hij veroorzaakt en waarom heeft hij zulke proporties aangenomen?

    Zeker is dat in het Westen de breuk is opgetreden doordat de twee grote sociale bewegingen van de jaren tachtig de vakbonden monddood hebben gemaakt. Toen Margaret Thatcher de opstand van de Britse mijnwerkers neersloeg en Ronald Reagan korte metten maakte met de staking van de Amerikaanse luchtverkeersleiders, zijn de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal in de democratische en ontwikkelde landen op een duidelijke en onverbiddelijke manier omgedraaid ten gunste van het kapitaal. De klassenstrijd was niet langer het parool van het proletariaat, maar het levensprincipe van de bourgeoisie. De sociale verworvenheden van de voorgaande decennia werden in toenemende mate beperkt of zelfs afgeschaft.

    De ontmanteling van het Oostblok in 1989 was de volgende etappe van dit proces. Niet alleen namen de landen die tot dan toe communistisch waren geweest een voor een het kapitalistische model over, waarbij ze zo snel mogelijk en tegen elke prijs in de wereldeconomie wilden integreren, ze stuitten daarbij op geen enkele tegenstand omdat de voormalige communisten met verbazingwekkend gemak de volstrekt liberale, nationalistische, sociaaldemocratische of zelfs conservatieve praktijken hadden omarmd.

    Voor alle ideologieën en alle symbolen liep men warm, behalve voor de systemen die door de leidende klassen van het oude systeem werden gepropageerd. Overigens waren de vertegenwoordigers van de voormalige communistische elite niet de enigen die als een blad aan een boom omdraaiden, ook veel tot dan toe sociaaldemocratische en links-liberale dissidenten hebben zich razendsnel tot het conservatisme of nationalisme bekeerd.

    Boris Kagarlitski.
    Boris Kagarlitski.

    De val van de Sovjet-Unie betekende de genadeklap. Niemand betwist inmiddels meer dat de leidende klassen in het Westen, die niets meer van de Sovjets te vrezen hadden, elke vorm van sociaal compromis in hun eigen land op de schroothoop hebben gegooid. Tijdens de Koude Oorlog waren de twee kampen verplicht naar de meerderheid van hun burgers te luisteren en hun rekenschap te verschaffen. De formele steun van het volk was niet voldoende. De ervaring in de Oost-Europese landen, waar het systeem toch stabiel was maar in 1989 binnen enkele weken te gronde ging toen de vrees voor de ‘grote broer’ was verdwenen, is het bewijs van het tegendeel.

    In het Westen daarentegen zat de democratie zodanig in elkaar dat elke poging tot destabilisering van buitenaf uiteindelijk niet alleen op verzet van de politiek of de inlichtingendiensten stuitte, maar ook van het volk zelf, dat het plaatselijke systeem accepteerde en steunde. De arbeidersklasse kon door op de sociaaldemocraten of zelfs de communisten te stemmen uitdrukking geven aan haar verzet tegen het kapitaal, waarmee ze voortdurend in conflict was, maar de twee kampen hadden dezelfde wens om de spelregels en de instellingen te behouden, uit vrees voor chaos en een radicale confrontatie. De arbeiders wilden geen revolutie die hen van burgerlijke vrijheden zou beroven, zoals in de Sovjet-Unie. Het kapitaal had de politieke steun van de arbeiders nodig om de liberale democratie te verdedigen.

    De ontwikkelingslanden en Oost-Europa waren de eerste slachtoffers van de globalisering

    Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie is de situatie veranderd. En ook al is het neoliberalisme heel wat eerder ten tonele verschenen (deels als reactie op de kosten van de verzorgingsstaat en de keynesiaanse regulering, maar ook door het besef dat het Sovjetsysteem onvermijdelijk ten dode was opgeschreven), het is juist na 1991 hard, agressief, compromisloos en mondiaal geworden. De communistische partijen waren op dat moment niet de enigen die instortten, uiteenvielen en van etiquette veranderden. Ook met de sociaaldemocratie ging het rap bergafwaarts. Omdat die was ontstaan onder de comfortabele omstandigheden van het naoorlogse mondiale evenwicht, was ze niet in staat het hoofd te bieden aan een plotseling verhevigde klassenstrijd.

    De meesters in het onderhandelen en de virtuozen van het compromis stuitten plotseling op de bourgeoisie, die in enkele jaren, of zelfs enkele maanden, van een vreedzame ‘sociale partner’ in een onverzoenlijke vijand was veranderd. Na enkele vernederende tegenvallers, zoals vakbonden die van koers veranderden tijdens verkiezingen, maar ook als gevolg van stakingsacties en openbare debatten, hebben de sociaaldemocraten zich uiteindelijk aan de kant van de overwinnaars geschaard. Terwijl ze, anders dan de communisten, hun naam en hun symbolen behielden, zijn ze van ideologie en programma veranderd. Door hun loyaliteit aan de winnende bourgeoisie te betuigen waren ze ervan verzekerd dat hun kiezers, al waren ze keer op keer verraden, op hen zouden blijven stemmen, bij gebrek aan beter.

    Promotie

    Deze tactiek heeft haar vruchten afgeworpen: de sociaaldemocratische partijen zijn weer aan de macht gekomen, niet als hervormers maar als eenvoudige handhavers van het systeem, die niet eens hun mening meer durfden te geven. Daarmee hebben ze zich aangesloten bij de politieke klasse van de bourgeoisie en zijn ze daar definitief in opgegaan.

    Tegelijkertijd heeft een analoge, hoewel autonome beweging tot de integratie van de linkse intellectuelen in de academische elite en de bourgeoiscultuur geleid. Dat manifesteerde zich erin dat links-radicalen, die voordien als marginalen en rebellen werden beschouwd, plotseling op hoge posten bij de media, de universiteiten en tal van andere openbare instellingen werden benoemd. Maar deze promotie had niets te maken met het terugwinnen van politieke of ideologische invloed door links. Integendeel, ze was omgekeerd evenredig aan de stijgende macht van de antikapitalistische bewegingen.

    Deze paradox laat zich verklaren door het feit dat de rebellen van gisteren het systeem hebben omarmd om te slagen. Ze hebben niet de macht gegrepen in de instellingen (zoals de ‘nieuw-linkse’ denker Rudi Dutschke eind jaren zestig voorspelde), ze zijn erdoor geabsorbeerd. De ‘linkse’ intellectuelen ontlenen hun legitimiteit en hun invloed niet meer aan de steun van de arbeidersklasse, maar aan de erkenning van de liberale elite die hen als gelijken behandelt in de academische, culturele en ideologische instellingen.

    Deze integratie van de intellectuelen heeft het ‘radicale discours’ (feminisme, minderhedencultus, homohuwelijk et cetera) tot officiële ideologische norm verheven, tot in de hoogste kringen van de staat, waarbij de ‘subversieve’ en antiburgerlijke ideeën, formules en slogans verloren gingen. Zo heeft het kapitaal het feminisme en de strijd voor gelijke rechten van seksuele minderheden geïncorporeerd, zonder ze het recht op radicale retoriek te ontnemen waarmee ze zichzelf konden legitimeren.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    De derdewereldlanden hebben een soortgelijke evolutie doorgemaakt. Na de val van de Sovjet-Unie waren de op Moskou georiënteerde regimes verzwakt en gedemoraliseerd. De Sovjethulp stopte, en daarmee het ontwikkelingsmodel dat hen aan de overwinning moest helpen. Toen ze eenmaal alleen stonden tegenover het Westen en zijn mondiale instituties, schudden de vroegere revolutionairen hun ideologische veren af en trokken in allerijl kapitaal aan, onder welke voorwaarden dan ook.

    Met hun scherpe markteconomische draai schoeiden ze hun respectievelijke economieën (althans op papier) op een nog liberalere leest dan de landen die het westerse model hanteren. Door deze radicale verandering werden deze landen niet alleen afhankelijk van buitenlands kapitaal, maar ook van internationale experts en technocraten, die in toenemende mate werden vervangen door in het Westen of naar westers model opgeleide jongeren uit eigen land. Zo drong de nieuwe technocratische elite de oude steeds meer naar de achtergrond. En hoe meer de kapitalistische markt geglobaliseerd werd, des te effectiever deze nieuwe school bleek en hoe verder ze haar invloed kon uitbreiden.

    Helaas stuitten de technocraten op een probleem: niet de hele economie en niet alle sociale lagen konden deelnemen aan het liberaliseringsproces van de wereldmarkten. Erger nog, naarmate het neoliberale kapitalistische model zich verder over de wereld verspreidde, werden zijn contradicties en zijn disproportionele karakter steeds zichtbaarder, te beginnen met de toename van de materiële ongelijkheid, die verantwoordelijk was voor de dalende marktvraag.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden

    Toch leken deze problemen anekdotisch zolang de wereld over een continue groeimachine beschikte, namelijk de Chinese economie. Uitgerekend China, dat zijn rode vlaggen en zijn communistische ideologie had behouden, speelde aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw de rol van belangrijkste stabilisator van het liberale kapitalisme. Omdat het de wereldmarkten kon overspoelen met goedkope producten – waardoor de arbeiders in andere landen met lagere lonen genoegen moesten nemen – slokte dat land tegelijkertijd enorme hoeveelheden kapitaal, informatietechnologie en geavanceerde apparatuur op en ondersteunde daarmee bepaalde relatief welvarende sectoren van de westerse economieën. Resultaat: de loyaliteit van een deel van de arbeiders en de zakenwereld was gegarandeerd, terwijl die onder andere omstandigheden bereid zouden geweest tegen het systeem in opstand te komen.

    De culturele transformatie van de bureaucratie en de politieke en culturele elite van China heeft zich op dezelfde manier voltrokken als die in de voormalige landen van het Sovjetblok en hun ‘niet-kapitalistische’ bondgenoten, met dien verstande dat het langzamer, gecontroleerder en dus minder verwoestend verliep. Demografisch, sociologisch en cultuur-evolutionistisch gezien verwachtte niemand dat zich in China een crisis zou voltrekken zoals in 1989-1991 in Rusland. Maar door de instabiliteit van het mondiale systeem zien de Chinese machthebbers zich met absoluut nieuwe uitdagingen geconfronteerd, waarbij het risico bestaat dat China niet langer een stabiele maar een onzekere factor zal zijn voor de wereldeconomie.

    De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden. De overwinning die de technocraten halverwege de jaren negentig bijna overal op de populisten hadden behaald zorgde ervoor dat de plaatselijke valuta’s werden gestabiliseerd, dat er buitenlands kapitaal kon worden aangetrokken, dat de export kon worden opgevoerd en dat er een nieuwe middenklasse ontstond naar Europees model.

    Maar aan het begin van deze eeuw vertrokken het kapitaal en de productie naar Azië, met name naar China. Er wordt altijd gezegd dat de globalisering funest is geweest voor de werkgelegenheid in de Verenigde Staten en West-Europa. In werkelijkheid waren de ontwikkelingslanden en Oost-Europa de eerste slachtoffers. De westerse landen hebben hun industrie precies zo groot laten blijven als hun elite wilde. Groot-Brittannië heeft bewust een de-industrialiseringsbeleid gevoerd, anders dan Duitsland, dat zijn industrie door modernisering juist heeft versterkt. Dit alles in tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse landen en de meest ontwikkelde Arabische landen – Egypte, Tunesië en Algerije – die de kapitaalbewegingen niet hebben kunnen beïnvloeden.

    Links front

    De explosieve groei en de sociale crisis die volgde, en die gepaard ging met een reeks financiële crises en economische stagnatie, heeft in Zuid-Amerika tot een ware opstand tegen het systeem geleid. Deze opstand heeft het volk en de ondernemers die op de binnenlandse markt actief waren verenigd, evenals een flink deel van de ambtenaren die woedend waren op de technocraten met een commerciële westerse opleiding. Zo ontstond het beroemde Zuid-Amerikaanse ‘linkse front’. Helaas zijn de linkse regeringen niet in staat gebleken het ontwikkelingstraject in hun land om te buigen. De Zuid-Amerikaanse opstand tegen het neoliberalisme heeft het afgelegd tegen de wereldwijde economische crisis. Een crisis die heeft bewezen dat het onontkoombaar is om de prioriteiten van de mondiale ontwikkeling te verleggen.

    In feite heeft deze crisis aangetoond dat de liberale elite maar in beperkte mate in staat is om de situatie te beheersen, terwijl hun bronnen opdrogen. Het sinds de jaren tachtig en negentig toegenomen risico dat dit economische model uit elkaar klapt maakt een politieke en culturele crisis onvermijdelijk, en vooral onoverkomelijk. Omdat de neoliberale verandering de dialoog en de communicatie met het volk heeft vervangen door manipulatie, die steeds minder effectief wordt, zit de elite momenteel in een soort sociaal vacuüm en is ze gestrest en gedesoriënteerd.

    Paradoxaal genoeg blokkeren het conservatisme van de elite en het gebrek aan communicatie tussen haar en het volk alle gebruikelijke hefbomen om de hervormingsmechanismen in de maatschappij zonder al te veel schade in gang te zetten. De protestbewegingen, die verstoken zijn van de gebruikelijke dialoog met de politieke klasse en de progressieve intelligentsia, laven zich aan nationalistische, traditionalistische en religieuze bronnen, die een vruchtbare voedingsbodem zijn voor populisten, zowel van links als van rechts. Toch zullen deze bewegingen na heel wat beproevingen uiteindelijk aan de wieg staan van een nieuwe democratische cultuur, die de kwalijke gevolgen van de ‘opstand van de elite’ te boven zal komen.

    Auteur: Boris Kagarlitski
    Vertaler: Peter Bergsma

    Journalist en politicoloog Boris Kagarlitski (1958) staat aan het hoofd van het Instituut voor globalisering en sociale bewegingen (IGSO), een onafhankelijk onderzoekscentrum in Moskou. Hij leidt ook het onlinemagazine Rabkor. Kagarlitski is een kenner van de Europese sociaaldemocratie en de Europese vakbeweging, en tevens een van de weinige voormalige Russische dissidenten die hun links-democratische opvattingen zijn trouw gebleven na het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Hij heeft tal van publicaties op zijn naam staat, waaronder Neoliberalisme en revolutie (Uitgeverij Poligraf, 2013).

    Ekspert
    Rusland | weekblad | oplage 90.000

    Ekspert is een Russisch zakenweekblad dat in 1995 werd opgericht door een groep journalisten afkomstig van het financiële dagblad Kommersant. Het blad heeft een oplage van 90.000 en de redactie heeft een meerderheidsbelang in de onderneming. Zij wordt sinds 1998 geleid door Valery Fadejev, die overigens ook zitting heeft in het bestuur van de politieke partij Verenigd Rusland, de ‘partij van Poetin’.

    Maar het blad is niet eenkennig. Het kiest, in navolging van het Amerikaanse Time, een ‘Persoon van het Jaar’ (tot dusver steeds mannen). In 2003 was dat de oligarch Michaïl Chodorkovski, die kort daarop in ongenade viel, jaren in de gevangenis zat en in 2013 gratie kreeg (hij woont nu in Zwitserland, zijn fortuin nog grotendeels intact). In 2007 riep het blad Chodorkovski’s tegenstander Vladimir Poetin uit tot ‘Man van het Jaar’.

    Tot de Ekspert-groep behoort ook het weekblad Roesski Reporter, dat voornamelijk reportages bevat.