Tag: arbeidsomstandigheden

  • In de ‘sweatshops’ van Facebook beoordelen moderatoren de gruwelijkste beelden

    In de ‘sweatshops’ van Facebook beoordelen moderatoren de gruwelijkste beelden

    Wereldwijd zijn er tienduizenden contentmoderatoren voor sociale media werkzaam. Ze worden slecht betaald en door de extreme beelden die ze te zien krijgen, is het werk psychisch zwaar. Daniel Motaung is een van hen. Hij liep een posttraumatische stresstoornis op terwijl hij in Kenia werkte voor Facebook.

    ‘We zijn net mijnwerkers die zonder veiligheidsuitrusting een instortende schacht worden ingestuurd,’ zegt Mukisa Akello [de namen in dit artikel zijn aangepast]. Hij heeft een van de meest bedenkelijke banen in de technologie-industrie: contentmoderator. Wereldwijd zijn er tienduizenden contentmoderatoren werkzaam. Ze houden socialemediaplatforms vrij van geweld, haat en opruiing. Daarvoor moeten ze elke dag honderden berichten doorspitten, de ene extreme post na het andere. Ze zien executies, zelfmoorden, kindermisbruik, oorlogsmisdaden, seksueel geweld en dierenmishandeling voorbijkomen. De berichten zijn zo onmenselijk en wreed, zo moeilijk te verdragen, dat het werk zijn sporen nalaat. Het is een kantoorbaan met fysieke gevolgen.

    Daniel Motaung stapt in 2019 op het vliegtuig van Zuid-Afrika naar Kenia. Hij wil aan een nieuwe levensfase beginnen – als contentmoderator. Op papier klinkt de baan goed. Daniel denkt dat het gewoon administratief werk op de computer zal zijn, een klassieke kantoorbaan. Tijdens zijn studie heeft hij geleerd hoe hij met databases en onlinedocumenten moet werken. Eindelijk zal hij op eigen benen staan en ontsnappen aan de armoede in zijn geboortedorp. 

    Na een paar dagen training begint zijn eerste werkdag. Hij zit in Nairobi, in een kantoor met airconditioning. Wat hij nog niet weet: deze dag zal zijn leven veranderen. De video die hij ziet is binnen een oogwenk weer voorbij, maar zal hem tot in zijn diepste dromen blijven achtervolgen. Het is een video van een executie. Een man wordt voor de camera onthoofd. Het is een korte video, maar genoeg om Daniel Motaung een posttraumatische stressstoornis te bezorgen. Tot op de dag van vandaag, vijf jaar later, worstelt hij met de gevolgen. Hij wordt geplaagd door nachtmerries, flashbacks en rusteloosheid. De zes maanden die David als contentmoderator doorbracht, hebben hem gebroken. Hij woont weer in zijn dorp op het Zuid-Afrikaanse platteland, werkloos en psychisch ziek.

    In stilte

    Contentmoderatoren zoals Daniel hebben jarenlang in stilte gewerkt. Bijna niemand wist van het bestaan van dit werk af, laat staan van de precaire omstandigheden waaronder het plaatsvindt. Time Magazine noemt de Keniaanse kantoren waar de contentmoderatoren werken de Afrikaanse sweatshops van Facebook. Je vindt deze sweatshops over de hele wereld: in de Filippijnen, Venezuela, India, de Verenigde Staten en vele andere landen. Een standaardwerkdag wordt gekenmerkt door toezicht, tijdsdruk en uitbuiting. Jarenlang zijn de arbeidsomstandigheden stilgehouden, maar sinds kort komen er steeds meer contentmoderatoren in opstand tegen hun werkgevers. 

    Daniel Motaung is een van de eersten die zich, net als zijn collega’s, hard begon te maken voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. Het is een strijd van David tegen Goliath: de bedrijven waar ze tegenover staan zijn haast onoverwinnelijk. Ze behoren tot de rijkste bedrijven ter wereld. Denk aan Meta, Bytedance, Google en Twitter. Iedereen kent de producten die ze leveren en de socialemediaplatforms zoals Instagram, Facebook en TikTok. Maar niemand kent de gezichten van de contentmoderatoren die de platforms op de achtergrond draaiend houden. Als ze in opstand komen, worden ze bestraft of ontslagen. Zo werd Daniel Motaung ontslagen toen hij een vakbond wilde oprichten.

    ANP 472623323
    Nathan Nkunzimana is een van de bijna tweehonderd voormalig contentmoderatoren voor Facebook die het het bedrijf en een lokale onderaannemer aanklagen in een rechtszaak in Kenia die gevolgen zou kunnen hebben voor het werk wereldwijd. – © Khalil Senosi / AP Photo

    De techbedrijven proberen het werk zo onzichtbaar mogelijk te maken. Ze besteden het uit aan derden. Daniel en zijn collega’s modereren weliswaar voor een aantal van de grootste platforms, maar officieel werken ze voor onbekende outsourcingbedrijven. Dat de banen worden uitbesteed is een van de redenen dat de sector zo ondoorzichtig is. Het is onmogelijk om bij te houden hoeveel moderatoren er wereldwijd werkzaam zijn. Techbedrijven willen niks te maken hebben met het stressvolle werk en de slechte werkomstandigheden; ze willen hun imago behouden en de reputatie van hun merk niet aantasten.

    Doordat het werk wordt uitbesteed, dragen de bedrijven geen verantwoordelijkheid meer voor de contentmoderatie. De contentmoderatoren moeten strikte geheimhoudingsovereenkomsten ondertekenen, zodat er zo weinig mogelijk naar buiten komt over deze praktijken en het precaire werk. De overeenkomsten zijn overdreven streng en verbieden zelfs dat moderatoren met hun collega’s over hun werkomstandigheden praten. Zo wordt een cultuur van angst en geheimhouding gecreëerd.

    Het belang van het werk kan niet worden onderschat: zonder moderatoren zouden er geen socialemediaplatforms zijn

    Ook in Duitsland zijn er contentmoderatoren. Op 9 maart van dit jaar sta ik in de lobby van de vakbond Verdi in Berlijn. Ik werk met mijn organisatie SUPERRR Lab al weken naar deze dag toe. Straks staan er vijftig contentmoderatoren van verschillende bedrijven in de entreehal. Ze komen in het vakbondsgebouw bijeen om ’s werelds eerste bijeenkomst van contentmoderatoren, de ‘Content Moderator Summit’, bij te wonen. Het was niet gemakkelijk om ze te vinden: de outsourcingbedrijven waarvoor ze werken gebruiken voor de functie niet het begrip contentmoderator, maar hanteren termen als ‘systeemanalist’ of ‘medewerker klantenservice’. Een woordkeuze die verhult waar het werkelijk om gaat. 

    Onze partner Foxglove, een Britse non-profitorganisatie in Londen, benaderde de moderatoren via LinkedIn. Er is veel belangstelling voor de bijeenkomst; veel van de aanwezigen willen zich met collega’s van andere bedrijven organiseren en samen strijden voor betere arbeidsomstandigheden. Terwijl ik in de lobby sta, probeer ik me voor te stellen om wat voor mensen het gaat. Hoe zien ze eruit? Waar komen ze vandaan? Wat is hun professionele achtergrond? Voordat ik me een beeld heb kunnen vormen, komen de eersten al binnen. Ze zijn tussen de vijfentwintig en veertig jaar oud, spreken Engels en lijken op mij. Velen hebben een universitair diploma, sommigen zijn aan het promoveren. Ze komen niet overeen met het beeld van een uitgebuite ‘klikwerker’. Ze zijn niet wanhopig en lusteloos, maar dapper en strijdlustig.

    De contentmoderatoren vertellen over de extreme psychologische tol die hun werk eist. Ze zien per dag tussen de tweehonderd en duizend berichten, waarvan sommige extreem gewelddadig zijn. Het werk is ingedeeld in drie shifts: sommige mensen werken overdag, sommige ’s nachts. De kantoren zijn steriel en de werkplek wordt bewaakt. Het systeem waarmee ze werken registreert elke klik, elke beweging die de cursor maakt en houdt bij hoelang de moderatoren erover doen om een bericht te beoordelen. Idealiter duurt dat slechts een paar seconden. Alleen de snelste en efficiëntste moderatoren mogen zelf kiezen welke diensten ze werken. Nacht- en weekenddiensten worden beter betaald. 

    Het vaste loon bedraagt 14,40 euro per uur, iets boven het minimumloon. Het is een mager bedrag voor een veeleisende baan die veel culturele, politieke en taalkundige kennis vereist. Het belang van het werk kan niet worden onderschat: zonder moderatoren zouden er geen socialemediaplatforms zijn. Veel van de moderatoren die ik ontmoet zijn migrant. In Duitsland wordt niet alleen de Duitstalige markt gemodereerd, ook buitenlandse markten komen aan bod, waaronder berichten in het Arabisch, Perzisch en Turks. Eén moderator vertelt me dat ze naar Duitsland is gekomen om te studeren. Dit werk begon als een parttimebaan, maar sinds ze is afgestudeerd doet ze het fulltime. Ze wil ermee stoppen, maar haar verblijfsvergunning hangt ervan af. Zulke verhalen hoor ik veel.

    De werkgever biedt geen goede, psychologische ondersteuning door externe deskundigen aan, maar iets wat ‘welzijnsbegeleiding’ wordt genoemd. De moderatoren vinden het nutteloos en zelfs bespottelijk. De sessies zijn er volgens hen alleen maar voor de vorm. De moderatoren zijn getraumatiseerd door wat ze dagelijks zien, maar krijgen van hun coaches enkel het advies om ademhalingsoefeningen te doen of een wandeling te maken. Bovendien vertrouwen de moderatoren hun coaches niet: ze zijn bang dat ze bespioneerd worden en dat vertrouwelijke informatie wordt doorgespeeld naar hun werkgever. Toegang tot deskundige psychologische begeleiding en minder tijdsdruk zijn noodzakelijke maatregelen om het werk dragelijk te maken, zo zeggen veel van de mensen die ik spreek.

    ‘Beterschap’

    Om verandering te bewerkstelligen hebben de moderatoren een manifest opgesteld met acht eisen voor betere arbeidsomstandigheden. Naast psychologische begeleiding en een gepast salaris eisen ze dat er een einde komt aan de cultuur van intimidatie en outsourcing. Techbedrijven moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor het werk en zorgen voor betere omstandigheden. Binnen een paar dagen ondertekenen meer dan driehonderd moderatoren in Duitsland het manifest. Half juni wordt het gepresenteerd bij een bijeenkomst van deskundigen in de digitale commissie van de Bondsdag. 

    Het is de eerste keer dat moderatoren ten overstaan van de leden van de Duitse Bondsdag over hun werkomstandigheden spreken. De anders nogal zakelijke en droge sfeer in de commissie wordt opgeschud door de emotionele betogen van de moderatoren. De hele vergaderzaal luistert geboeid naar de verhalen van de twee gespreksleiders, Daniel Motaung uit Zuid-Afrika en Cengiz Haksöz uit Duitsland. Haksöz begint zijn betoog met een citaat uit de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht: ‘De mensen in het donker worden niet gezien.’ Hij vertelt dat zijn collega’s elkaar aan het eind van de werkdag geen ‘fijne avond’, maar ‘beterschap’ wensen. Ze hebben hun vrije avond nodig om bij te komen van de stress en spanning van het werk.

    De parlementsleden zijn erg geïnteresseerd en stellen veel vragen. Eén onderwerp komt steeds weer terug: kunstmatige intelligentie. Ze vragen of kunstmatige intelligentie in de toekomst het werk van moderatoren zal kunnen vervangen. Het is een vraag die techbedrijven graag krijgen: zo kunnen ze speculeren over de toekomst, in plaats van zich te bekommeren om de omstandigheden waaronder tienduizenden mensen nu werken. 

    Vooralsnog is kunstmatige intelligentie nog lang niet ontwikkeld genoeg om de complexe taak van een contentmoderator over te nemen. Het is ingewikkeld werk: de beoordeling van veel van de berichten moet genuanceerd gebeuren. Denk bijvoorbeeld aan satire of aan politiek commentaar. Geautomatiseerde systemen staan erom bekend dat ze videocontent en andere talen dan Engels slecht kunnen beoordelen. Ze zijn dus nog niet geschikt als alternatief voor menselijke moderatoren. Haksöz zegt dat de focus moet liggen op de ondersteuning van mensen nu, in plaats op van speculatie over hun toekomstige vervanging. Aan het einde van de vergadering verzekert Tabea Rößner, de voorzitter van de commissie, dat ze aan de slag gaan om de omstandigheden te verbeteren.

    Als ze zich publiekelijk uitspreken over hun arbeidsomstandigheden, zetten ze hun baan op het spel

    Haksöz ondervindt onmiddellijk gevolgen van zijn dappere optreden. Slechts een paar dagen na de hoorzitting wordt hij ontslagen door zijn werkgever. Hij mag het bedrijfsgebouw niet meer in. Zo wordt de angstcultuur weer eens bevestigd. Met het ontslag geeft de bedrijfsleiding een duidelijk signaal af aan de werknemers: als ze zich publiekelijk uitspreken over hun arbeidsomstandigheden, zetten ze hun baan op het spel. De werkgever van Haksöz zegt dat hij zijn ‘arbeidsvoorwaarden’ heeft geschonden met zijn uitspraken in de Bondsdag en de media. Maar als burger in een democratie heeft Haksöz het goed recht om over zijn ervaringen te vertellen. 

    Nu moet hij zijn zaak voor de arbeidsrechter brengen om zijn taken als commissielid voor de komende verkiezingen voor de ondernemingsraad weer te kunnen hervatten. Vakbond Verdi stelt het optreden van de werkgever gelijk aan union busting: daarvan is sprake wanneer werkgevers voorkomen of bemoeilijken dat hun werknemers actief zijn in de vakbond. Haksöz bereidt zich voor op de verkiezingen. Ondertussen zegt zijn werkgever bij de arbeidsrechtbank af te zullen dwingen dat hij ontslagen wordt. Samengevat: er worden nog meer intimidatietechnieken ingezet om de vakbondsactiviteiten van de moderatoren te verhinderen.

    Een functionerende ondernemingsraad is een eerste, kleine stap in de richting van betere werkomstandigheden. Maar er moet nog veel meer veranderen om de arbeidsomstandigheden wereldwijd te verbeteren. Zo moet er striktere regelgeving komen voor techbedrijven. Zij zijn verantwoordelijk voor de uitbuiting en dus ook voor de schade. Begin juni deed een arbeidsrechtbank in Nairobi een voorlopige uitspraak waarin precies dat werd vastgelegd. Volgens de rechtbank is Meta de belangrijkste werkgever van de contentmoderatoren van Facebook in Kenia. Als je resultaten wil boeken, is het belangrijk om het probleem vanuit verschillende oogpunten te bekijken. Wat kan er gedaan worden op nationaal, Europees en mondiaal niveau? In Duitsland is in januari de Lieferkettensorgfaltspflichtengesetz van kracht geworden. Deze wet stelt bedrijven die producten leveren verantwoordelijk voor het naleven van mensenrechten in hun wereldwijde toeleveringsketens. Met een vergelijkbare regeling voor digitale diensten zoals contentmoderatie zou het mogelijk worden om het probleem van uitbuiting bij de wortel aan te pakken.

    Tot dat moment zullen moderatoren elke dag blijven afdalen in de mijnschacht van de sociale media om onze gezondheid en democratie te beschermen. Maar ze doen het niet langer in het donker. Ze worden steeds vaker gezien. 

    Lees ook:

  • Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.

    Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.

    De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.

    Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)

    Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’

    Gericht op winst

    Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.

    Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.

    Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.

    De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong

    Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.

    De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.

    Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.

    Fair Trade

    De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)

    Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).

    Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.

    ‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.

    Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.

    ‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’

    Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’

    De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’

    Land- en tuinbouw-cao

    ‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.

    Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.

    (Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)

    Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen

    Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.

    Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’

    Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)

    De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet

    Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.

    De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.

    Gezond voedsel

    Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.

    Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.

    Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.

    Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin

    Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.

    Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.

    Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’

    De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’

    Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.

  • 2. Saksen komt in actie

    2. Saksen komt in actie

    Vrachtwagenchauffeurs op de West-Europese wegen komen steeds vaker uit Oost-Europa. Ze zijn maanden van huis en krijgen ver onder West-Europese norm betaald. Dat is niet alleen slecht voor hen, maar ook voor de branche.

    ’s Middags om vier uur is het nog tamelijk rustig op de Raststätte langs de A4 vlak voor Chemnitz. Van de zeventig parkeerplaatsen voor vrachtwagens zijn er maar een stuk of tien bezet. Personenauto’s zijn er ook nauwelijks. Voor het restaurant maakt een reusachtig hobbelpaard reclame voor het nabijgelegen Ertsgebergte naast een vlag met daarop een ‘knapperige schnitzel met patat voor € 10,49’. Een goed trefpunt voor mensen die hebben afgesproken op dit uitgestrekte oord.

    Deze woensdag komt er een bonte verzameling mensen bijeen: vier jonge vrouwen en een man in neonkleurige hesjes, naast politici en vakbondslui in pak. Wat hen bindt is de wens tot eerlijke arbeidsomstandigheden en rechtvaardige lonen voor vrachtwagenchauffeurs, waar ze ook vandaan komen. Tijdens een vier uur durende actie willen ze gesprekken voeren en folders uitdelen.

    Stefan Brangs, staatssecretaris van Economische Zaken van Saksen, stelt zich voor als ‘de geldschieter’ van de actie. Zijn deelstaatministerie financiert het vijfkoppige team van het adviesbureau voor buitenlandse werknemers in Saksen (BABS) met 500.000 euro. ‘We willen af van de zwarte schapen’, zegt hij. Het adviesbureau hoopt via voorlichting ertoe te kunnen bijdragen ‘dat de Duitse normen ten aanzien van het minimumloon en de loondoorbetaling bij ziekte de norm worden voor alle vrachtwagenchauffeurs op onze wegen’.

    Oost-Europese lonen

    Op het neongroene hesje van Michael Wahl staat: ‘Eerlijk werk, eerlijke betaling, eerlijke mobiliteit’. Wahl is van de Deutscher Gewerkschaftsbund (DGB), de Berlijnse koepelorganisatie van acht Duitse vakbonden. Hij werkt al meer dan een jaar voor het project ‘Eerlijke mobiliteit’ en heeft naar eigen zeggen gesproken met meer dan drieduizend chauffeurs. Bij de internationale cabotage, binnenlands vervoer door buitenlandse transporteurs, heersen volgens hem ‘wildwesttaferelen’: ‘De chauffeurs zitten meestal twee, drie weken aan één stuk achter het stuur. Roemenen en Bulgaren worden met een minibusje aangevoerd, gaan meteen op de bok zitten en zijn twee, drie maanden onderweg. Veel chauffeurs moeten zelfs in hun pauzes nog laden.’

    Hoewel het leven van de chauffeurs zich afspeelt op de autosnelwegen van West-Europa worden ze vaak afgescheept met loon op Oost-Europees niveau: € 1,57 is het minimumuurloon in Bulgarije, in Roemenië € 2,50, in Slowakije € 2,76 en in Polen € 2,85. En dat terwijl de financiële rechtbank van Baden-Württemberg twee weken geleden nog heeft bepaald dat het Duitse minimumuurloon van € 8,84 ook voor buitenlandse transportbedrijven en hun hier slechts tijdelijk ingezette chauffeurs geldt.

    Bij ziekte wordt deze chauffeurs stelselmatig een groot deel van de loondoorbetaling onthouden, zegt het Saksische deelstaatministerie van Economische Zaken. Veel chauffeurs krijgen bovendien de laatste maand van hun arbeidscontract niet betaald. Verder moeten ze vaak onder mensonterende omstandigheden werken. De werkgevers sturen de chauffeurs dwars door Europa met amper 8 euro per dag voor maaltijden. De chauffeurs slapen in de cabine, hoewel ze recht hebben op een hotel. Maar omdat de kosten daarvoor afgaan van de onkostenvergoeding, blijven ze liever in de vrachtwagen – ook uit zorg om de lading, want elk jaar worden 26 duizend vrachtwagens opengebroken.

    Ze krijgen wel salaris, maar weten niet of het bedrag klopt en of de wettelijke bijdragen voor de zorgverzekering en de volksverzekeringen worden betaald

    Naast een truck met oplegger uit Macedonië zijn twee chauffeurs op een gasbrandertje aardappels met spek aan het bakken. Een van hen – gelet op zijn zwart-wit gestreepte voetbalshirt een fan van Juventus – zegt dat ze vijf dagen onderweg zijn, tweeduizend kilometer hebben afgelegd en nu de dag aan het afsluiten zijn. De idylle is bedrieglijk. Met informatie zijn ze karig en in de krant willen ze al helemaal niet. De voorlichters hebben het niet eenvoudig. Veel chauffeurs zijn onzeker, sommigen gluren door een spleet tussen de gordijntjes. Angst voor controle, niet vermoedend dat daarbuiten mensen zijn die willen helpen.

    Maar weinigen laten zich verleiden tot langere gesprekken of zijn bereid om over hun nomadenbestaan te vertellen. ‘Veel chauffeurs waren dankbaar voor de informatieflyer – die zelfs in hun moedertaal was – en het contact met het adviesbureau’, zegt BABS-adviseur Leona Bláhová. Haar collega Paulina Bukaiová praat vooral met Poolse chauffeurs. ‘Soms krijgen we echt vreselijke verhalen te horen’, zegt ze. Zo zijn er chauffeurs ‘die al jaren voor een expeditiebedrijf werken, maar nog nooit een salarisafrekening hebben gezien’. Ze krijgen wel salaris, maar weten niet of het bedrag klopt en of de wettelijke bijdragen voor de zorgverzekering en de volksverzekeringen worden betaald. ‘Maar er zijn ook goede verhalen’, zegt ze relativerend. Enkele chauffeurs zijn erg tevreden over hun werkgever.

    Volgens de federale dienst voor het goederenverkeer is het aandeel tolkilometers van West-Europese vrachtwagens sinds 2007 gedaald van 13 naar 10 procent. Het aandeel van de Oost-Europeanen is daarentegen gestegen van 18 naar 24 procent. De Polen lopen hierin voorop, zoals ze ook de parkeerplaatsen op de Raststätte vlak voor Chemnitz domineren.

    Een vrachtwagenparkeerplaats in Duitsland. Volgens het Federal Highway Research Institute (BASt) komt Duitsland meer dan 25,000 parkeerplaatsen voor vrachtwagens tekort. – © Andreas Arnold / dpa Photo via Newscom
    Een vrachtwagenparkeerplaats in Duitsland. Volgens het Federal Highway Research Institute (BASt) komt Duitsland meer dan 25,000 parkeerplaatsen voor vrachtwagens tekort. – © Andreas Arnold / dpa Photo via Newscom

    Onder druk van de prijzenoorlog trekken steeds meer Duitse ondernemingen zich na de internationale transport ook terug uit het nationale vervoer en rijden ze alleen nog maar regionaal. De vereniging voor goederenverkeer, logistiek en afvalverwerking maakt zich zorgen om de branche en de aantrekkingskracht van het chauffeursberoep en heeft de Europese Unie al opgeroepen om de wildgroei niet te legaliseren door het grensoverschrijdende verkeer uit de transportrichtlijn te schrappen.

    Maar Michael Wahl van de DGB weet: ‘Zwarte schapen zitten niet alleen in het buitenland. Ook Duitse ondernemingen doen aan loon- en sociale dumping’, zegt hij. ‘Wie als opdrachtgever zo weinig betaalt, is zich er heel goed van bewust dat die deal alleen maar door lage lonen tot stand kan komen.’ Ook Andreas Brosam van de vereniging van beroepschauffeurs in Chemnitz-Zwickau kent het klappen van de zweep. Hij rijdt op een 40-tonner voor Weck + Poller, een van de grootste expeditiebedrijven van Saksen. ‘60 procent van de buitenlandse vrachtwagens rijdt voor Duitse opdrachtgevers’, zegt hij. ‘De buitenlandse chauffeurs zijn niet de boosdoeners. Zij zijn collega’s die worden uitgebuit.’

    Zes uur, de parkeerplaats loopt vol. De vrachtwagens hebben Tsjechische, Slowaakse, Litouwse, Bulgaarse, Oekraïense en vooral Poolse kentekens. Maar dat laatste zegt niet veel, vanwege de kosten. ‘Er zitten steeds vaker Oekraïners op’, zegt Michael Wahl. De uitbuiting verschuift verder richting het Oosten.

    De voorlichters gaan naar de Raststätte aan de andere kant van de autosnelweg, richting Dresden. De 46-jarige Aleksei heeft er de laatste parkeerplaats weten te bemachtigen. De Oekraïner zit op een Slowaakse truck, waaraan een Tsjechische oplegger hangt. Hij komt van de Franse grens en is doodop. Maar hij draait het raampje omlaag. Hij moet naar Lichtenau, zegt hij. En hoewel hij in een kwartiertje op zijn bestemming zou zijn, beveelt de tachograaf pauze. Hij was ooit ingenieur in de vliegtuigindustrie en verdient sinds twee jaar de kost als vrachtwagenchauffeur. Hij moet geld verdienen voor zijn studerende dochter en zoon. Hij heeft heimwee en wil voor het paddenstoelenseizoen thuis zijn.

    Wanneer de zon ondergaat, maakt Leona Bláhová van BABS de balans op. ‘We hebben met 48 vrachtwagenchauffeurs uit acht landen gesproken’, zegt ze. ‘De meesten hebben in elk geval het informatiemateriaal aangenomen. De actie is een succes geweest.’

    Haar collega Paulina Sokolowska gokt net als na de eerste actie in februari op de aansluitende mond-tot-mondreclame. ‘Wie vrijwillig naar ons toekomt, staat open voor advies’, zegt de 34-jarige Poolse. Ze benadrukt: ‘We zijn geen babysitters en geven alleen maar een voorzet. Uiteindelijk moet iedereen voor zichzelf zorgen.’

    Kwart voor acht. Op de Raststätte valt de schemering. Maar bij sommige vrachtwagenchauffeurs begint het misschien juist te dagen.

    Auteur: Michael Rothe
    Vertaler: Pieter Streutker

    Sächsische Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 205.565

    Regionale krant die sinds 1946 in Oost-Saksen wordt verspreid, en daar de nummer één is.

  • 1. Niet langer een droombaan

    1. Niet langer een droombaan

    In Polen geldt vrachtwagenchauffeur niet langer als droombaan. Jongeren laten zich afschrikken door de arbeidsomstandigheden, werkgevers helpen de markt met lage prijzen om zeep.

    In Polen is transport een strategische sector die goed is voor 6,5 procent van het bnp. Het succes van de hele economie hangt ervan af. Als het transport stagneert, hebben handel, industrie en bouw daaronder te lijden. Die situatie dreigt nu de sector kampt met personeelstekort. Want het is lang niet zo’n pretje meer om in Polen vrachtwagenchauffeur te zijn. Alleen al de werktijden: Poolse chauffeurs zijn weken achtereen van huis.

    De oplossing lijkt simpel: geef die chauffeurs vrije weekends, zoals ook in bijvoorbeeld Duitsland gebeurt. Maar dat gaat niet, zegt Maciej Wronski, voorzitter van de Poolse organisatie van transportwerkgevers TLP. ‘Voor landen als Frankrijk en Duitsland is alles dichtbij. Polen bevindt zich aan de periferie. We kunnen de werktijden van de chauffeurs alleen reduceren als de consumenten geen sinaasappels van Sicilië meer willen, want dat traject kun je onmogelijk in twee dagen afleggen.’

    Tegenover die lange werkweken staat dan wel een bovengemiddeld salaris: een ervaren internationaal chauffeur verdient tussen de 1400 en 1900 euro netto per maand, terwijl het gemiddelde salaris voor andere beroepen 800 euro lager ligt. Je zou zeggen dat het vak dan toch aantrekkelijk is. Maar de realiteit suggereert anders. Polen telt meer dan 600 duizend gekwalificeerde chauffeurs. Dat zijn er 100 duizend te weinig. Per jaar zeggen 25 duizend het beroep vaarwel. Het aantal chauffeurs in opleiding is gedaald van 100 duizend in 2009 tot 35 duizend nu. Als de sector in het huidige tempo blijft groeien – ongeveer 8,8 procent per jaar – zal Polen in 2025 900 duizend chauffeurs nodig hebben.

    Werken, eten en slapen in de cabine

    Chauffeur zijn betekent leven als een nomade. Je werkt, je eet en je slaapt in de cabine van je truck. Op rustplaatsen is soms één wc voor honderd chauffeurs en het is er vaak twintig graden onder nul. De chauffeurs krijgen last van hun wervelkolom, van hun gewrichten en van hun ogen – vanwege het ’s nachts rijden – evenals van spijsverteringsproblemen omdat ze noodgedwongen blikvoedsel en instantsoep eten in hun cabine. Ze hebben geen deel aan het gezinsleven, zien hun kinderen niet opgroeien. Ze werken 24 uur per dag, want als ze niet rijden bewaken ze de lading.

    Werkgevers en werknemers zijn het erover eens dat het aan de arbeidsomstandigheden te wijten is dat jongeren geen belangstelling meer hebben voor het beroep.

    ‘Truckers hebben het idee dat het salaris niet opweegt tegen het altijd maar van huis zijn. De voorkeuren zijn veranderd, jongeren willen elk weekend thuis doorbrengen. Hoewel het moeilijk te realiseren is, moeten we steeds vaker bedingen dat een chauffeur na twee weken onderweg te zijn geweest een lang weekend thuis kan zijn’, zegt Zenon Kopyscinski, voorzitter van een onafhankelijke vakbond van vrachtwagenchauffeurs. Hij wijst erop dat er in Polen geen trucks met een Duits nummerbord rijden. ‘Dat komt doordat de Duitse bonden hebben afgesproken dat de chauffeurs in het weekend thuis zijn. Bij ons gebeurt dat niet en zit je soms wel zes weken achter elkaar achter het stuur. Daarom beginnen buitenlandse transporteurs filialen in Polen en buiten ze de Polen uit.’

    Volgens de vakbondsman zijn de salarissen ook te laag, maar de werkgevers delen die mening niet. ‘We kunnen de salarissen verhogen’, zegt Maciej Wronski, ‘en dan? Brengen moeders hun kind dan naar de crèche om een truck te gaan besturen? De arbeidsmarkt is krap. Onze organisatie telt de grootste ondernemingen in de sector, we betalen meer dan het gemiddelde. Een werkgever die is gespecialiseerd in het transport van hoogwaardige goederen vertelde me laatst dat hij zijn chauffeurs meer dan 2300 euro netto betaalt, en toch kan hij geen gekwalificeerd personeel vinden. De oudste chauffeurs gaan met pensioen en er dienen zich geen jongeren aan om ze te vervangen.’

    ‘Er is altijd wel een Pool die het voor minder doet’

    Jan, chauffeur sinds begin jaren negentig, is onderweg naar Stockholm. Vroeger vertrok hij, net als alle Poolse chauffeurs, voor vier weken. Tegenwoordig werkt hij voor een Zweedse transporteur en zit hij vier dagen achter het stuur, gevolgd door drie dagen thuis. Hoe dat kan? ‘We lossen elkaar af, heel simpel. Ik rijd van Stockholm naar Berlijn, daar neemt een collega het over, en dan ga ik weer naar huis’, legt hij uit. Volgens hem ligt het niet aan het salaris dat Poolse chauffeurs steeds minder voor Poolse transporteurs willen werken, maar aan de organisatie van het werk en de hoogte van de sociale premies. ‘In Polen verdient een internationaal chauffeur minstens 1150 euro netto. Dat is redelijk, maar volgens contract krijg hij een minimumsalaris van 350 euro netto. De rest wordt in de vorm van een reiskostenvergoeding betaald, waarover geen inkomstenbelasting en geen sociale premies zoals voor pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid worden geheven. Ik wil niet afzien van een pensioen.’ Volgens een TLP-enquête denkt 17 procent van de chauffeurs er net zo over als Jan en kiezen ze hun werkgever op grond van het reële salaris.

    Vakbondsman Kopyscinski stelt voor een minimumsalaris voor de branche in het leven te roepen van 1200 euro netto voor internationaal transport en 800 euro voor nationaal transport. ‘Dat garandeert dat chauffeurs een redelijk pensioen krijgen’, zegt hij. ‘Ik heb een man in een ziekenhuis ontmoet die veertig jaar in het vak had gezeten en heel Azië had doorkruist. Hij kreeg 400 euro pensioen per maand en hij wou in het ziekenhuis blijven om te kunnen bezuinigen op medicijnen en eten.’

    Chauffeur Jan doet er nog een schepje bovenop: ‘In Polen helpen de bedrijven zelf de markt om zeep door onder de prijs te gaan zitten. Als mijn Zweedse werkgever voor een bepaald traject bijvoorbeeld 1000 euro rekent en een Pool 600, dan is er altijd wel een andere Pool die het voor nog minder doet.’

    Momenteel behelpt de sector zich door Oekraïners aan te trekken. Maar ook die bron droogt op, omdat de meeste gekwalificeerde en ervaren chauffeurs uit dit buurland inmiddels al zijn geworven.

    Auteur: Adriana Rozwadowska
    Vertaler: Peter Bergsma

    Beeld: Een vrachtwagenfile op de grens tussen Polen en Duitsland. – © Ulrich Baumgarten via Getty Images

    Gazeta Wyborcza
    Polen | dagblad | oplage 396.000

    ‘De Verkiezingsgazet’ is opgericht na de val van de Muur en uitgegroeid tot een grote krant, ondanks zijn bescheiden middelen. Doelstelling: nieuws brengen op informatieve en seculiere wijze.

  • Voor een hongerloon Europa door

    Voor een hongerloon Europa door

    Het rommelt in de transportsector. Vrachtwagenchauffeurs klagen over slechte arbeidsomstandigheden en marktinflatie. Over de West-Europese snelwegen rijden Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs ver onder West-Europees minimumloon en soms weken achtereen.

    Het onderwerp staat op de agenda van de Europese Unie, maar de vraag is hoe hoog. ‘De sector heeft behoefte aan duidelijke regels, die rechtvaardig zijn en stroken met de aard van de activiteit,’ bepleitte enkele maanden geleden de Europese commissaris van Transport Violeta Bulc. Desondanks lijkt de herziening van het sociaal statuut voor vrachtwagenchauffeurs niet klaar te zijn voor de Europese verkiezingen van mei 2019. Begin juli hebben de leden van het Europees Parlement diverse teksten verworpen, waardoor een gemeenschappelijk standpunt nog altijd op zich laat wachten.

    De afgevaardigden bestrijden het feit dat chauffeurs op internationale routes als ‘tijdelijke arbeidskrachten’ worden beschouwd en eisen regels die de beroepsgroep beter beschermen. Het herzieningsproject waarmee de Europese Commissie in mei 2017 is begonnen, stuit op weerstand. Enerzijds bij lidstaten als Frankrijk, die zich zorgen maken over de concurrentie van transporteurs uit landen met minder hoge kosten. Anderzijds bij Oost-Europese lidstaten, gesteund door Spanje en Portugal, die de beoogde maatregelen te kostbaar vinden voor hun transportondernemingen.

    1. Niet langer een droombaan

    2. Saksen komt in actie

    Beeld: Een vrachtwagenrustplaats aan de A2 in Magdeburg, Duitsland. – © Klaus-Dietmar Gabbert / dpa-Zentralbild / dpa Photo via Newscom

  • De dichter is gestorven voor uw telefoon

    De dichter is gestorven voor uw telefoon

    Overdag staan ze aan de lopende band, maar in de spaarzame vrije uren wordt er heel wat afgedicht door de Chinese arbeidsmigrant. De poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, biedt tegenwicht aan de harde realiteit van het moderne bestaan.

    Er zullen maar weinig plekken op aarde zijn waar het een slimme carrièrestap is om dichter te worden, maar het geldt zéker voor de armste mensen met de minste kansen, die voet aan de grond proberen te krijgen in de mallemolen van China’s speciale economische zones.

    De afgelopen jaren zijn er talloze documentaires gemaakt over de ontberingen van Chinese arbeidsmigranten, maar Iron Moon uit 2015 vestigt de aandacht op een wel heel specifieke groep: de dichtende arbeidsmigrant. De documentaire volgt enkele jonge schrijvers die kampen met economische en culturele vooroordelen in hun poging veertienurige diensten aan de lopende band in poëzie te gieten. We zien de jonge, gevoelige Wu Niaoniao (wiens naam merel betekent), die in Guangzhou, op de reusachtige banenmarkt van Zuid-China, in de felle neonverlichting van het ene naar het andere kraampje slentert en informeert naar een positie binnen de redactie van een fabriekskrant. Met een afgewogen mengeling van fatalisme en hoop, die de poëzie van de Chinese migrantenarbeiders typeert, leest hij een gedicht voor en wacht met een schaapachtige glimlach de reacties af.

    ‘Ik weet dat jonge mensen hun droom willen waarmaken, maar…’ zegt een cynische recruiter, die zijn zin niet afmaakt. Een ander kijkt over zijn brilletje heen en zegt: ‘Maar wat dóé je? Met een opleiding kun je heel veel geld verdienen. Zonder opleiding kom je niet aan het werk, hè.’ Een andere recruiter vraagt zich onomwonden af of Wu weleens heeft geprobeerd iets vrolijkers te schrijven.

    Hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden

    De uitzichtloze toestand van de migranten van het platteland is niet nieuw binnen de Chinese fictie. De New Culture Movement uit de jaren tien en twintig van de vorige eeuw, voortgekomen uit de vraag hoe China te moderniseren en die mensen vooruit te helpen die in het oude, feodale stelsel in de verdrukking waren geraakt, maakte de weg vrij voor Lu Xun, misschien wel de grootste Chinese schrijver van de twintigste eeuw, die met zijn vernieuwende gebruik van spreektaal in De waarachtige historie van Ah Q het leven van een boer in de stad in kaart bracht. Hij werd gevolgd door Lao She’s plattelands-wees in Bejing in Rickshaw Boy en Zhang Lepings langlopende animatieserie over de ‘dolende ziel’ San Moa in de jaren dertig en veertig. Maar toch, dat waren allemaal verhalen over migranten, opgetekend van een zekere afstand. En hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind die daarop volgden de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden.

    Platteland

    Dat alles veranderde in de jaren tachtig. Sinds de hervormingen in China, die gepaard gingen met meer openheid en een landbouwkundige decollectivisering, een industriële privatisering en een overgang naar een zelf vormgegeven markteconomie, zijn naar schatting 274 miljoen Chinese arbeiders weggetrokken van het platteland om te gaan werken in de mijnen, of ergens aan een lopende band. De positie van de arbeider, die tijdens de communistische revolutie zo’n belangrijke positie had ingenomen, verslechterde in razend tempo, en het sociale vangnet verdween. Dit wordt prachtig verbeeld in een gedicht van de voormalig bouwvakker Xie Xiangnan, waarin een jonge migrant het luisterrijke beeld van ‘Lenin op het podium’ uit zijn schooltijd vergelijkt met de aanblik van de hordes berooide migranten op het station van Guangzhou, die hun hele hebben en houwen meedragen in een plastic zakje, ‘als explosieven’.

    Maar toch was er in die vroege postsocialistische jaren niet altijd sprake van een dergelijke ontgoocheling. De poëzie van de arbeidsmigranten (niet te verwarren met de propagandistische arbeiderspoëzie van de Grote Sprong Voorwaarts) was een van de vele genres die opkwamen in het braakliggende culturele landschap na Mao’s dood in 1976. Maar in tegenstelling tot de meer bekende en meer elitaire genres met (veelal bedrieglijke) namen als ‘littekenliteratuur’ en ‘mistige poëzie’, is dit een genre dat, tot voor kort, goeddeels over het hoofd is gezien. Als je kijkt naar de vroegste uitingen, is dat misschien ook wel enigszins begrijpelijk.

    Na tientallen jaren van diepgewortelde trouw aan de partij weerspiegelde de vroege arbeidsmigrantenliteratuur voornamelijk een aanhoudende betrokkenheid bij de staatspolitiek. Begin jaren tachtig betekende dat massaproductie, volgens een bepaalde formule geschreven zelfhulpachtige verhalen over succes dat is verkregen met hard werken, geheel overeenkomstig het beleid van de overheid om de mensen naar de stad te lokken. Anzi’s Posthouse of Youth: The True Life of Migrant Women in the Special Economic Zone is misschien wel het meest indrukwekkende voorbeeld. (Anzi groeide uit tot een vrouwelijke modelarbeider, door wier succes als ondernemer de stedelijke droom realiteit werd.) Deze autobiografieën en verhalen van sociale mobiliteit in Shenzhen werden door kranten en overheidstelevisiekanalen bejubeld en heel handig gepresenteerd als bewijs dat de arbeiders van het platteland, die de zwaarste last droegen van de economische omwenteling in het land, er ook bij gebaat waren. Maar zoals het vaker gaat met literatuur die volgt op een door de staat geleide literaire zuiveringsactie, is het merendeel eerder van antropologische dan van literaire waarde. Zoals Xie weeklaagt in zijn gedicht ‘Production, the Middle of Production, is Soaked by Production: ‘a floating country can’t pillow a broken dream’ (een dobberend land kan geen verloren droom dragen).

    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung
    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung

    De beroemdste arbeidsmigrantendichter van dit moment is de vierentwintigjarige Xu Lizhi, die in 2014 zelfmoord heeft gepleegd. Hij werkte in Foxconn City, de elektronische megafabriek in Shenzhen waar niet alleen onze Apple-producten worden gemaakt, maar waar in 2010 ook een record aantal zelfmoorden werd gepleegd, wat een nieuw licht wierp op de lugubere mythe van maatschappelijke kansen en sociale mobiliteit aan de lopende band: ‘Sterven is de enige manier om te bewijzen dat we hebben geleefd,’ schreef een blogger binnen de fabriek. (Foxconn heeft vervolgens netten opgehangen, niet om de wanhoop tegen te gaan, maar om het aantal sterfgevallen terug te dringen). Maar toen Xu vier jaar later van de zestiende verdieping van een gebouw sprong, nadat hij een groot deel van zijn werk online had gezet, was het niet zijn dood die de krant haalde, maar zijn talent als dichter.

    In Time verscheen een artikel over het korte leven dat hij naast zijn werk had geleid, met als titel: ‘De dichter die is gestorven voor uw telefoon.’ In een Chinese talkshow verbaasde de presentator zich in al zijn naïviteit over de diepe gedachten van deze ongeschoolde arbeider. Xu gaf zijn ervaringen vorm in poëzie, en liet scherp zien hoe wij de mensen die de kleren maken die we dragen, of de telefoons die we gebruiken, haast hebben ontmenselijkt, zoals valt te lezen in de laatste regels van zijn gedicht ‘Terracotta Army on the Assembly Line’:

    (…) deze arbeiders die geen verschil zien tussen dag en nacht
    dragen
    elektrostatische kleren
    elektrostatische hoeden
    elektrostatische schoenen
    elektrostatische handschoenen
    elektrostatische armbanden
    staan allemaal klaar
    wachten zwijgend hun orders af
    wanneer de bel gaat
    worden ze teruggestuurd naar de Qin

    In 1956 waarschuwde Erich Fromm: ‘Het gevaar van het verleden was dat mensen slaven werden. Het gevaar van de toekomst zou weleens kunnen zijn dat mensen robots worden.’ De migrantenarbeiders in Xu’s poëtische universum staan voor de voetsoldaten van de oude Qin-dynastie én, als ze aan het werk zijn, voor de robots van de toekomst. Ze zijn uitgegroeid tot een ontmenselijkte, huiveringwekkend gesynchroniseerde belichaming van Fritz Langs ooit zo futuristische Metropolis.

    Iron Moon

    Deze maand zal de eerste vertaalde bundel van migrantenarbeiderspoëzie uitkomen, tegelijk met de documentaire, beide onder auspiciën van dichter en criticus Qin Xiaoyu. De bundel, knap vertaald door Eleanor Goodman, telt éénendertig werken van dichters (geselecteerd uit de meer dan honderd gedichten in de Chinese uitgave). Stuk voor stuk onweerlegbaar bewijs dat de mythe van de sociale mobiliteit onderuit is gehaald; men is zich bewust van het feit dat men wordt uitgebuit, is zich bewust van de economische drijfveren die de menselijke waarden onderuithalen. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de ervaringen van machteloosheid de fictie iets vernieuwends verleend, een intimiderende kracht en oprechtheid. De titel van de bundel luidt ook Iron Moon, een visuele metafoor ontleend aan een van de bekendste gedichten van Xu Lizhi:

    Ik slikte een ijzeren maan
    die een schroef werd genoemd

    Ik slikte afvalwater van de fabriek en 
werkloosheidsformulieren
    gebogen over machines is onze jeugd vroeg gestorven

    Ik slikte arbeid, ik slikte armoede
    slikte voetgangersbruggen, slikte dit sleetse bestaan

    Ik kan niet meer slikken
    alles wat ik heb geslikt roert zich in mijn keel

    Ik verspreid over mijn land
    een gedicht van schaamte

    Gezien de prominente plaats die de maan inneemt binnen de Chinese poëzie – een beeld van eenzaamheid, romantiek, vriendschap –, betekent de verbinding met ijzer, aldus Goodman, ‘een frontale botsing van de traditionele Chinese cultuur met een explosief kapitalisme, van menselijkheid met mechanisatie, romantiek met een prozaïsche wereld – het wordt een amalgaam van extremen. En deze dichters gaan hier allemaal zeer bewust mee om.’ Ze gebruiken de poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, om tegenwicht te bieden aan de realiteit van het moderne bestaan, die mensen ontmenselijkt.

    Zheng Xiaoqiong, een van de beste dichters in deze verzameling, heeft haar eigen kenmerkende ‘esthetiek van ijzer’ ontwikkeld: een plooibare en haast grenzeloze metafoor om een leven te vangen dat meedogenloos hard en koud is. Na jaren in een metaalbewerkingsfabriek te hebben gewerkt en een machine te hebben bediend die gaten maakt, blijkt al uit de eerste zinnen van ‘Language’ hoe ze de fysieke en intellectuele symbiose van mens en metaal naadloos samenvoegt:

    Ik spreek een scherp-gerande, geoliede taal
    van gietijzer – de taal van stille arbeiders
    een taal van vastgedraaide schroeven het krimpen en 
herinneren van metalen platen
    een taal als eeltplekken sterk huilend ongelukkig
    pijnlijk gretige taal terugslag van de bulderende machines beroepsziekten
    taal van verloren vingers de oertaal van het leven op die duistere plek van werkeloosheid
    tussen de klamme stalen spijlen deze treurige talen
    ……. ik spreek ze fluisterzacht

    Het is een thema dat in de hele bundel terugkeert, zoals ook in ‘Demolitions Mark’, van Chen Nianxi, waarin hij schrijft: ‘Ik durf nauwelijks naar mijn leven te kijken / het is zwaar en metalig zwart / gekromd als een pikhouweel.’


    Zoals er ook duidelijk sprake is van een tweedeling tussen de rijke, complexe beeldspraak in sommige gedichten en een uitgebeend gebruik van spreektaal in andere gedichten, is er ook een opvallend verschil in kwaliteit. Maar daarnaast zijn er fascinerende verbindende elementen: een nostalgie naar een leven dat niet is geleefd, de ontoereikendheid van taal (‘het is ondraaglijk om onze tranen en onze pijn te verwoorden in onze brieven… De onbeschreven plekken van vele jaren’, schrijft Xie), een verdriet om verloren lichaamsdelen en een afgeknotte jeugd: ‘Mijn beste jaren zijn opgeslokt door een machine’, voegt Xie eraan toe. ‘Ik zag die vijf jeugdige jaren weer tevoorschijn komen uit de / kont van het apparaat – in de vorm van elliptisch plastic speelgoed.’

    Zoals het besef van tijd in Engeland volkomen is veranderd door de Industriële Revolutie, doordat arbeid niet langer was verbonden met de seizoenen, spreken deze dichters van verstoorde menstruatiecycli, het in elkaar overvloeien van dag en nacht en een gevoel van ontheemding, waarbij zowel stad als platteland onbewoonbaar zijn geworden (sommigen verwijzen naar zichzelf als een weerloze prooi, verminkt en niet in staat de reis terug naar huis te ondernemen). Ze zijn natuurlijk niet de enigen die zich druk maken om het spirituele vacuüm van de nietsontziende kapitalistische Chinese economie of de verwoestende gevolgen voor het milieu, maar wat hun eco-poëzie zo indringend maakt is dat ze niet schrijven vanaf een zekere afstand, maar vanaf de werkvloer zelf.

    Ze maken hels lange dagen, hebben geen enkele zekerheid, drinken water uit rivieren terwijl ze zien dat er afvalstoffen en chemicaliën in worden gedumpt, ademen lucht in die is verontreinigd met giftige gassen. Ze lopen het risico te worden verwond door nietsontziende machines, die als een soort vampiers niet alleen hun jeugd verslinden, maar ook hun ledematen (in 2005 was er naar schatting sprake van zo’n veertigduizend afgehakte vingers in de economische zones van Zuid-China). En toch weten ze nog tijd te vinden naast hun veertienuursdiensten, en ruimte in hun overvolle slaapzalen, om te schrijven over hun leven en om hun gedichten te publiceren met behulp van een eenvoudige mobiele telefoon (van de vele fora waarvan ze gebruikmaken is de grootste de Worker’s Poetry Alliance). Dit unieke raakvlak van de Chinese industrialisatie en de toegankelijkheid van het internet creëert ongekende mogelijkheden voor de literatuur van de arbeidersklasse.

    De gedichten zorgen ervoor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China

    Natuurlijk is niemand jaloers op hun situatie. Zoals Goodman laat zien, hebben ze niet alleen te kampen met discriminatie omdat ze geen opleiding hebben genoten, ze worden ook geconfronteerd met een ‘diepgeworteld vooroordeel dat mensen zonder officiële scholing geen poëzie kunnen schrijven. Poëzie heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het officiële onderwijsprogramma; het was onderdeel van de examens voor wie ambtenaar wilde worden. Wanneer je met Chinezen praat is men zich er altijd van bewust of iemand al dan niet culturele bagage heeft – in de ogen van de brede bevolking hebben deze arbeiders geen “culturele bagage”.’

    Dit beeld speelt, al dan niet bewust, in alle lagen van de bevolking, zelfs voor de vader van Xu Lizhi, die nog altijd rouwt om zijn zoon die drie jaar terug is overleden. Hij heeft er weinig vertrouwen in dat poëzie de levens kan veranderen van de laagste klassen – in geestelijk noch economisch opzicht. ‘Als dit [zijn dood] niet was gebeurd,’ zegt hij in de documentaire, met tranen in zijn ogen, ‘zouden we nooit hebben geweten dat hij gedichten schreef. Maar ik geloof niet dat poëzie een toekomst heeft. Het kan niet tippen aan wetenschap en technologie. Poëzie was belangrijk ten tijde van de dynastieën, toen het deel uitmaakte van het examen voor de ambtenarij… je kon pas ambtenaar worden als je mooie gedichten kon schrijven. Maar de maatschappij is ingrijpend veranderd. Niet dat ik niet achter hem sta, maar als je tegenwoordig geen geld of macht hebt, is het leven zwaar.’

    De meer ‘intellectuele’ schrijvers van de Chinese avant-garde, zoals Mo Yan, Su Tong, Yu Hua en Can Xue maken gebruik van een kafkaësk surrealisme of magisch realisme om netelige kwesties aan te snijden. Maar als je Iron Moon leest, wordt duidelijk hoe intiem en persoonlijk het werk van deze jongen migrantenschrijvers kan zijn. Hun microverhalen over mechanisatie, waarin ze zichzelf identificeren met een schroef, een spijker, een weggegooide steen, een stofatoom, klinken tezamen als een krachtig koor. Ze vormen een diepere en betekenisvollere schakel tussen het grootse verhaal van de economische voorspoed en de ongehoorde verhalen van de miljoenen die hun gezondheid, jeugd en geestelijk welzijn offeren voor ons genot.

    Een van de meest vergevingsgezinde en optimistische arbeidsmigrantendichters is Wu Xia, met haar hartverscheurend ontwapenende zachtmoedigheid jegens diegenen die profiteren van haar arbeid:

    ik wil de bandjes platdrukken
    zodat ze niet in je schouders snijden
    en dan strijken vanaf de taille omhoog
    zo’n ranke taille
    waar iemand een slanke hand kan leggen
    en op de lommerrijke laan
    een ingetogen liefde tonen
    ik strijk de jurk glad
    maak alle plooien even breed
    zodat jij aan het meer of in het gras kunt zitten
    wachtend op een briesje
    als een bloem

    Alleen al het schrijven van deze gedichten is een manier om het eigen bestaan te bevestigen, een manier voor mensen die zelf geen stem hebben om de vervreemding tegen te gaan die ze voelen van elkaar, van hun werk, van de producten die ze maken, en een manier om iets van hun eigen waardigheid te herwinnen. De gedichten zorgen er ook voor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China, maar dat we gaan nadenken over de rol die wij, zonder daar ook maar even bij stil te staan, spelen in de erbarmelijke situatie van deze arbeiders. Hun welbespraakte toewijding aan de poëzie biedt ons een andere manier om te begrijpen wat de prijs is van het werk in deze sweatshops, en dan niet in kille, gevoelloze termen van economische waarde.

    Auteur: Megan Walsh

    The Literary Hub
    Verenigde Staten | lithub.com

    The Literary Hub is een Amerikaanse website over (Engelstalige) boeken, opgezet in 2015 vanuit de uitgeverswereld met als achterliggende gedachte dat kranten en niet-gespecialiseerde tijdschriften steeds minder aandacht besteden aan literatuur. De site is een initiatief van de onafankelijke (ander woord voor kleine) uitgever Morgan Entrekin van Grove Atlantic in New York en de non-profitwebsite Electric Literature. LitHub werkt samen met ‘partners’: anno 2017 hebben vrijwel alle grote Engelstalige uitgeverijen, van Knopf tot Penguin Press, naast de kleinere branchegenoten die status verworven. The Literary Hub wordt dus op de been gehouden door de uitgeverswereld zelf. Of zoals Andy Hunter, de oprichter van Electric Literature zegt; ‘Lit Hub ondersteunt het hele ecosysteem dat literatuur nodig heeft om te bloeien, van auteurs tot uitgevers klein en groot, tot boekwinkels en lezers. Onze culturele conversatie voeren we in deze tijd online, en de literaire cultuur behoort daar een belangrijke rol in te spelen.’