Tag: architectuur

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © Basso Cannarsa / HH
    © Basso Cannarsa / HH

    LITERATUUR – De langverwachte

    Nieuwe roman van Elif Batuman

    Het Amerikaanse literaire wereldje ziet uit naar het tweede boek van Elif Batuman, dat een dezer dagen zal verschijnen. De Nederlandse vertaling volgt, als een van vele, korte tijd later. Batuman werd als dochter van Turkse immigranten geboren in New York en groeide op in New Jersey. Ze studeerde Russische literatuur aan Harvard en Stanford, en werd zeven jaar geleden, toen ze pas 32 was, staff writer bij The New Yorker, het nirvana van de verhalende journalistiek.

    Er zijn dus nog geen recensies beschikbaar, maar het is opvallend hoe reikhalzend er wordt uitgekeken naar dit tweede boek, een roman na een debuut in non-fictie. Hoewel, was het non-fictie? De bundel The Possessed: Adventures with Russian Books and the People Who Read Them bevatte haar stukken uit The New Yorker, Harper’s en N+1. Maar The Independent vond dat boek ‘op zijn eerlijkste momenten een autobiografische roman’. En The Telegraph noemde het ‘een van die fluïde, ambigue en genreontstijgende werken die boekverkopers na veel gepieker maar onder “memoires” plaatsen. Het is deels persoonlijke herinnering, deels reisverhaal, deels literaire kritiek.’ De Britse krant vond het boek zelfs zo goed ‘dat je je afvraagt of deze schrijver ooit nog zo iets spectaculairs kan afleveren’.

    We weten al dat in de aanstaande roman (De idioot, door Arthur Wevers vertaald voor Atlas Contact) de genregrenzen opnieuw worden opgezocht. Want zoals Batuman in The Possessed al sterk naar het autobiografische neigde, doet ze dat nu opnieuw, vanuit een romanperspectief. De hoofdpersoon, Selin, is studente aan Harvard, net als Batuman eens was. ‘De knipoog naar de titel van Dostojevski is niet per ongeluk, in dit geestige en ontroerende coming-of-ageverhaal van een Harvard-studente, dochter van Turkse immigranten in New Jersey, die na de duizelingwekkende avonturen van haar freshman-jaar afreist naar het platteland van Hongarije om daar Engelse les te geven. Onderweg vindt ze zichzelf, en ze vindt zichzelf uit’, kondigt The Boston Globe aan in zijn lijstje ‘boeken in 2017 waar we ons erg op verheugen’.

    ‘Show, don’t tell, of kill your darlings, schrap elk overbodig woord. Alsof schrijven een kwestie is van het afleren van slechte gewoontes, het weglaten van overbodige woorden’

    Ook The New York Times was niet ontgaan dat de essays in The Possessed met een gouden pennetje zijn geschreven, vol humor en scherpe observaties. En een aanstekelijke passie voor goeie boeken: ‘Je wilt voelen wat zij voelt’ als je voor je boekenkast staat.

    Batumans passie zorgt behalve voor vlammende hartstocht voor bepaalde schrijvers, soms ook voor afkeer. Een boek van Orhan Pamuk bezorgt haar een ‘verveling tot in mijn diepste vezels’. Durf het maar te zeggen.

    Even verfrissend voor wie zich wel eens op een academische manier met literatuur heeft beziggehouden, is Batumans tirade tegen creative writing, dat op geen enkel curriculum mag ontbreken. ‘Alles wat ze te bieden hebben zijn negatieve stellingen: show, don’t tell, of kill your darlings, of schrap elk overbodig woord. Alsof schrijven een kwestie is van het afleren van slechte gewoontes, het weglaten van overbodige woorden.’

    De darlings die Batuman niet killde in The Possessed maken de kern uit van dat ‘gekke en ongewoon diepzinnige boekje’, zoals de NYT omschrijft. ‘Behalve over haar favoriete Russische auteurs gaat het over een miljoen andere zaken: school, literaire theorie, vertalingen, biografieën, liefdesrelaties, de totstandkoming van King Kong, het werk aan een backpackersreisgids, liedjes van The Smiths en het kiezen van de juiste watermeloen in Oezbekistan.’ Dat laatste verwijst naar een niet gering wapenfeit van de schrijfster, die naar de Oezbeekse stad Samarkand afreisde om Oezbeeks te leren. In het verhaal ‘Summer in Samarkand’ vraagt zij zich af wat het met haar doet dat zij nu weet dat het oud-Oezbeeks honderd woorden heeft voor huilen.

    Haar eigen New Yorker plaatste een voorpublicatie uit The Idiot en een vraaggesprek met de auteur. Vraag: Hoeveel van de extreem pretentieuze taal die Selins Harvard-professoren in de mond wordt gelegd, is realistisch, en wat is satire? Antwoord: ‘Het is mijn personage dat met een kracht die sterker is dan zijzelf geneigd is tot een absurdistische interpretatie. Haar weergave van wat de professoren zeggen is niet onzuiver, maar zij benadrukt ontegenzeggelijk het bizarre ervan. Ik denk dat er altijd een bizarre kant is die je kunt benadrukken. In die zin is het portret van de professoren zowel satirisch als waarheidsgetrouw. (…) The Idiot is een tekst die ik heb geschreven in mijn studiejaren, maar pas heb opgepakt toen ik een leeftijd had waarop ik me meer kon identificeren met de docenten dan met de studenten. Ik voel een diepe sympathie voor de docenten die ik op Harvard heb gehad. Ik hoop dat de satire in mijn boek vooral wordt opgevat als een commentaar op het epistemologische gat tussen eerstejaarsstudenten en docenten, dan als een portret van de docenten. Dat gat kan zo groot zijn dat het een mirakel van geduld en precisiewerk is dat we überhaupt ooit iets leren.’

     © Baunetz
    © Baunetz

    ARCHITECTUUR – Gebruiksarchitectuur

    Arno Brandlhuber spreekt in Bozar in Brussel

    Arno Brandlhuber is een Duitse architect met even iconoclastische neigingen als Rem Koolhaas. Hij bepleit bijvoorbeeld dat alle bestaande gebouwen in Berlijn worden verhoogd met één verdieping, waarin penthouses moeten komen. Eenzelfde aantal vierkante meters op een lager gelegen verdieping moet dan voor sociale huur beschikbaar komen. Brandlhubers uitgesproken meningen doen het altijd goed in de pers. ‘Ik weiger ruimtes te definiëren. Of iets een woon- of een werkruimte is, laat ik in het midden.’ En ‘Grijs is een warme kleur’, zoals hij tegen de Welt am Sonntag zei, bij de oplevering van zijn spraakmakende Antivilla aan het Krampnitzmeer, tussen Berlijn en Potsdam.

    Des te opvallender is dat gebouw, aangezien de omgeving een soort ‘pretpark van historische gebouwen’ is, volgens The New York Times. Naast al die historische architectuur, schrijft Gisela Williams, ‘kan de aanblik van Brandlhubers bunkerachtige villa (…) méér zijn dan een schok, een overval. Te midden van ongecompliceerde fraaiheid staat deze vijfhonderd vierkante meter in ruw beton gegoten grijze kubus. Zijn aanwezigheid is tegelijkertijd een afstraffing van de burgerlijke pretenties van de omgeving als een verwijzing naar de recente totalitaire geschiedenis ervan.’ De Süddeutsche Zeitung wil haar vingers er liever niet aan branden. ‘Voor de een is de Antivilla alleen maar bijzonder lelijk, voor de ander is het nu al een van de belangrijkste “gedachtevormen” van deze eeuw’, schrijft de krant prudent.

    © Baunetz
    © Baunetz

    Misschien is Brandlhuber in zijn land boven iedere kritiek verheven. Misschien vreest men hem. Het is in elk geval opvallend dat het als nieuws werd gebracht toen hij zich in Berlijn vestigde en verklaarde: ‘Ik ben hier zonder politieke bedoelingen gekomen.’ Alsof hij aan het begin van een western te paard de Brunnenstraße binnenrijdt en je al weet dat die vreedzame woorden alleen maar een voorteken zijn dat er toch een paar koppen gaan rollen. De Brunnenstraße is heilige Berlijnse grond: de Muur liep er dwars doorheen. Ook hier heeft hij de betonwagen laten aanrukken, en op de plaats van een afbraakpand een eigen bouwsel hineinbetoniert, waar hij woont en werkt als hij niet in de Antivilla of op reis is.

    Arno Brandlhuber geldt inmiddels als ‘een van de belangrijkste critici van de Berlijnse stadsontwikkeling. Ingewijden noemen hem de ‘politieke architect des vaderlands’ . In samenwerking met enkele stadsplanologen heeft Brandlhuber vorig jaar het omvangrijke boek The Dialogic City – Berlin wird Berlin uitgebracht, ‘een pleidooi voor een stedenbouw die slechts voor een klein deel esthetisch gemotiveerd is, maar vooral uitgaat van gebruiksvragen. Het gaat hem in de eerste plaats om het behoud van bestaande stadsstructuren, waarmee het verschil in sociale, religieuze en etnische milieus verbonden is.’

    Over The Dialogic City zal ook Brandlhubers voordracht gaan op 7 maart in het Brusselse Bozar. Maar de kern van zijn betoog zal zijn de verhouding tussen wet en architectuur. Brandlhuber heeft een langlopend project in het leven geroepen, Legislating Architecture, waarmee hij als architect invloed wil uitoefenen op grondpolitiek en woningbeleid in Berlijn en elders. Dat hij ‘zonder politieke bedoelingen’ in de Duitse hoofdstad arriveerde, was toch echt een witz.

    7 maart, Bozar, Brussel

    unnamed 5

    360 Top-5 non-fictie

    Deze vertaalde non-fictieboeken werden de afgelopen weken het 
best verkocht bij Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.

    Ben Judah: 
Dit is Londen
    Neem Londen en je kent de wereld. Ben Judah sprak met zwervers en zakenmannen, prinsessen en politiemannen, en zag hoe parallelle samenlevingen opkomen. ‘Londen is in het Westen echt de hoofdstad van het kapitalisme, met een gigantische kloof tussen het grootkapitaal en bittere armoede,’ zegt hij.

    Yael Adler: 
De huid
    De Duitse huidspecialist Yael Adler 
(1973) schreef De huid. Gezondheid, schoonheid en verzorging. Veelomvattend, praktisch en wetenschappelijk onderbouwd, over ons grootste orgaan (20 kilo). Opvallendste tips voor een mooie huid: niet smeren, niet zonnen, wel seks hebben.

    Ari Turunen: Weet je wel wie ik ben?
    De Finse socioloog Ari Turunen (1966) specialiseerde zich in menselijke gewoontes en schreef nu een geschiedenis van de arrogantie, Weet je wel wie ik ben? Geestig en ongemakkelijk. ‘De geschiedenis wijst uit dat arrogantie nooit iets anders heeft voortgebracht dan oorlogen, catastrofes, haat en een ongelooflijke hoeveelheid mislukkingen.’

    Jan-Werner Müller: 
Wat is populisme?
    Het beste boek op dit moment over een beweging die democratieën overal ter wereld bepaalt, is Wat is populisme? De Duitse politicoloog Jan-Werner Müller (1970) vraagt zich af: is het een bedreiging of een zegen? Wat is het verschil tussen links en rechts populisme? Wie is het volk?

    Yuval Noah Harari: 
Homo Deus
    De Israëlische historicus Yuval Noah Harari (1976) schreef met Sapiens een inzichtrijke geschiedenis van de mens, en zet met Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst een nieuwe, indrukwekkende stap. Over technologie, de invloed op lichaam, geest en samenleving.

    Auteur: Pieter van den Blink

  • Muziekgeschiedenis

    Muziekgeschiedenis

    De bouw van de nieuwe Elbphilharmonie in Hamburg kostte vijftien jaar en 789 miljoen euro, maar de concertzaal overtreft de stoutste verwachtingen, jubelt Die Zeit. ‘Dit is misschien wel het verbluffendste bouwwerk van de laatste decennia.’

    Een gebouw op de grens van hemel en aarde, van haven en stad. Een gebouw dat in de rivier staat, zo aanlokkelijk omspoeld door eb en vloed dat het lijkt alsof het elk moment het anker kan lichten om de wijde wereld in te trekken. Een gebouw dat liever niet stilstaat. Dat voor ieders ogen verandert en beweegt, en ook zijn bezoekers wil verheffen en herscheppen.

    Vijftien jaren van ontwerpen en bouwen moesten verstrijken. Groot was aanvankelijk de euforie, maar nog groter de ontsteltenis toen er geen einde kwam aan leugens, bedrog en bekrompenheid, en niemand meer wist te vertellen of er hier, in Hamburgs Elbphilharmonie, ooit iets anders te horen zou zijn dan klaagzangen over 789 verspilde miljoenen. Maar nu is het volbracht. Nu opent het machtige gebouw zijn uitkijkplatform en is het leed als bij toverslag verdwenen. Er is hier meer ontstaan dan een zaal voor muziek. En iets heel anders dan de gebruikelijke architectonische poeha die in Londen (reuzenaugurk), New York (reuzenrog) of Bilbao (reuzenkop-staartbotsing) voor spektakel zorgt.

    Met de Elbphilharmonie breekt echter een nieuwe fase aan en misschien zelfs een nieuw tijdperk: deze architectuur viert de tegenstellingen

    De Elbphilharmonie is werkelijk een verbluffend bouwwerk, misschien wel het verbluffendste van de afgelopen decennia. Het gebouw doet denken aan het legendarische Olympiapark in München en de Philharmonie in Berlijn, omdat ook daar het optimisme gestalte kreeg. Er moest iets nieuws beginnen, en dat gebeurde dan ook.

    In Hamburg ging het evenwel van start met het einde van iets anders. In de haven had de globalisering haar intrede gedaan in de vorm van de standaardcontainer, die heel wat oude magazijnen overbodig maakte. Dat gold ook voor pakhuis A, een bakstenen gedrocht uit de jaren zestig van de vorige eeuw dat er zo stoïcijns, hoekig en gesloten bij stond dat het leek alsof de Hamburgse koopmansgeest er voor altijd in opgesloten zat. Hier was alles rationaliteit, tot er een andere geest in trok. Een die deining wilde veroorzaken, lekker irrationeel.

    Spel van dubbelzinnigheden

    Het kernidee is van architectenbureau Herzog & de Meuron uit Basel, dat het Tate Modern in Londen heeft ontworpen en in Berlijn de Neue Nationalgalerie mag uitbreiden. Het voorstel voor Hamburg was even eenvoudig als frappant: breek het bakstenen gebouw niet af, maar beschouw het als sokkel en bouw er iets nieuws op. Met andere woorden: dialectisch denken en elke tegenstelling uitputten tot die tot volle wasdom komt – en in de betovering van de ambivalentie voor onze ogen vervaagt.

    De klassieke moderne architectuur verlangde iets anders: eenduidigheid. Nieuw moest nieuw zijn en oud oud, en vooral coherentie was belangrijk. Die denkwijze werd belachelijk gemaakt door de postmodernisten en niet veel later door de deconstructivisten gedemonteerd. Met de Elbphilharmonie breekt echter een nieuwe fase aan en misschien zelfs een nieuw tijdperk: deze architectuur viert de tegenstellingen, heeft een rode sokkel en een wit glinsterende opbouw, is van onderen dof en van boven levendig, gesloten en toch transparant. Ze houdt van duidelijke grenzen – en nog meer van grenzen die vervagen.

    Wat aanvankelijk overkomt als twee duidelijke polen, gaat over in een spel van dubbelzinnigheden, waar iedereen die de Elbphilharmonie nadert in verwikkeld raakt. Komend vanuit het westen ziet het gebouw er slank, haast fragiel uit en ondanks de enorme hoogte – 110 meter – allesbehalve overweldigend. Het is machtig, maar niet overheersend.

    Maar naar het oosten toe verandert het beeld: wat zich zojuist nog uitstrekte, verliest aan hoogte. Het gebouw loopt af, 30 hoogtemeters, en rust nu breeduit op zijn sokkel. Dat zou er plomp hebben uitgezien als het sierlijke dak er niet was geweest, want dat brengt de rigide ordening van de glazen voorgevel – de ene rechthoek na de andere – in beweging. Eigenlijk mag in dit geval niet van een dak worden gesproken. Het sluit niets buiten (nou ja, hopelijk wel de regen), het breekt iets open. En de strenge gevels ademen luchtigheid.

    Het interieur van de Elbphilharmonie, met beneden de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen. – © Jörg Modrow / HH
    Het interieur van de Elbphilharmonie, met beneden de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen. – © Jörg Modrow / HH

    Je wilt naar binnen, je wilt naar boven! Er is geen echte, trotse ingang, zoals je bij een gebouw als dit, met maar liefst drie concertzalen en bovendien een hotel, bars, restaurants, appartementen en nog veel meer zou verwachten. Er zijn niet eens deuren, alleen tourniquets en een vlak laadluik, dat de bezoeker zonder veel omhaal verzwelgt, en dan ben je al in de Tube beland, een witte en fonkelende buis waarvan de muren bekleed zijn met talloze ronde glasplaatjes. Hier gaat het naar boven, een rol- nee een glijtrap voert zachtjes en plechtig omhoog naar het onzichtbare. De trap beschrijft namelijk een boog, waardoor wat aan het einde wacht aanvankelijk niet is te zien. De verrassing is groot: vrachtvaarders, zeilschepen, klotsende golven, de haven ligt als het ware in een etalage en de blik wil steeds dieper in het levendige beeld doordringen, zou het liefst tot achter de horizon willen reiken, want daarachter, niet ver weg, moet toch de open zee liggen.

    Een fantasie natuurlijk, maar dat is juist waar het in dit bouwwerk vooral om draait: vol verbazing je eigen verlangens naspeuren en een andere werkelijkheid binnengaan, die van de kunst.

    In die werkelijkheid gaat het er ietwat onbehaaglijk aan toe, want een paar treden verder ben je alweer in een tussenwereld beland, met onder je voeten de bakstenen van het oude magazijn en boven je hoofd de massieve nieuwbouw met de grote en de kleine concertzaal, die gewoonweg van de last van het aardse bestaan bevrijd lijken te zijn. Er zijn maar een paar schuine steunpilaren, met ertussen een open ruimte met een zacht golvend plafond en aan weerszijden, naar het noorden en het zuiden toe, weidse bogen die uitzicht bieden. Andermaal beproeft de architectuur haar verbindende kracht: wie zijn hoofd naar links draait, ziet het stadhuis, de binnenstad en alle rederijkantoren van het oude Hamburg. Wie naar rechts kijkt, ziet tal van silo’s, kranen, barakken, ongesorteerd, vormeloos, met op de achtergrond een bunker. Het gespleten Hamburg, gescheiden door de Elbe, vloeit hierboven zo krachtig samen dat het lijkt of ook de stedelijke tegenstelling kortgesloten moet worden om de stad onder de spanning te zetten die ze zo vaak ontbeert.

    De mooiste metaforen

    Om het gieren van de wind zo veel mogelijk tegen te gaan, hebben de architecten aan beide kanten een scherm geplaatst, van glas en golvend, in een heerlijk maniërisme. Rondom de Plaza presenteert het panorama zich evenwel onbeschut, en Hamburg is uitgenodigd om een blik op zichzelf te werpen. Een zeldzaam moment van verhevenheid, zelfs op grijze dagen. Er is namelijk vrijwel geen andere stad waar het bonte mensenwerk en de machtige rivier zich zo vermengen als hier. En het is lastig kiezen wat aantrekkelijker is, cultuur of natuur.

    De Elbphilharmonie heeft hier haar eigen antwoord op gevonden. Het is geen toeval dat ze de mooiste metaforen losmaakt: sommigen zien in haar architectuur de kabbelende golven van de zee, anderen een drijvende ijsberg, weer anderen hebben het over een gletsjerlandschap. En wie de Plaza achter zich heeft gelaten en de foyers van de concertzalen betreedt, waant zich algauw op een bergtocht door de Alpen, ook al is het een tocht over mooi parket en langs witte muren. Door de buikige vorm van de zaal wordt al het andere naar de marge gedrukt, garderobes, bars, toiletten. De gangpaden zijn zo opwindend gepositioneerd dat je blij bent als je helemaal bovenin zit. Dan loop je namelijk steeds verder omhoog de Piranesi-achtige canyon in, een avontuur met verrassende uitzichten alle kanten op.

    Berg en zee zijn hier geen opgeplakte metaforen, ze zijn in het gebouw te ondervinden: als natuurlijke cultuur, als culturele natuurlijkheid en in elk geval als een tegenstelling die andermaal vervaagt. Kon je de klassieke moderne architectuur nog verwijten dat ze alle geheimzinnigheid heeft verdreven en de architectuur van haar betovering heeft ontdaan, in de Elbphilharmonie komt een element van betovering terug. Ook daarmee is ze haar tijd vooruit.

    De top van de ijsberg en de schuimkop op de golven zijn voorbehouden aan de mensen die er tot wel tien miljoen euro voor kunnen neertellen

    Maar vooral in het interieur, in de kolossale hoofdzaal met 2150 zitplaatsen, blijkt wat de drijfveer van de architecten is: een verlangen naar integratie en overzicht. Als het niet zo’n flauwe woordspeling was, dan zou je de Philharmonie zonder meer Veelharmonie kunnen noemen, want in het imposante grottenlandschap van de zaal, als ware het geërodeerd door de stromen der eeuwen, lijkt het gebruikelijke onderscheid tussen voor en achter, nabijheid en afstand passé. Eeuwenlang accentueerden concertzalen maatschappelijke hiërarchieën – met de rangen –, maar hier wordt het orkest door het publiek omspoeld, zonder dat direct duidelijk is welke plaatsen de beste zijn. Verdeeld over halve nissen en vooruitstekende gedeelten – als rotsplateaus –, vrij smal, heel steil, zitten alle toehoorders dicht bij elkaar. Niemand hoeft zich achtergesteld te voelen. Integendeel, wie halfhoog in de zaal zit, of het nu voor of achter het orkest is, zal nog intenser ervaren waar deze architectuur op uit is: dat iedereen zich verbonden voelt, in de klinkende buik van muziek.

    Hiermee is niet gezegd dat de macht van de kunst alle verschillen tenietdoet, elke vervreemding overwint. De Elbphilharmonie is namelijk gemaakt van louter unicums. Al het in massa gemaakte en geconformeerde is haar vreemd. Zo zijn de tienduizend zandgrijze gipsplaten waarmee de zaal is bekleed stuk voor stuk verschillend van vorm. Alleen op die manier, waarbij elk uitgefreesd kuiltje en elk vuistgroot kratertje een andere vorm heeft, kan het geluid zich zodanig door de ruimte verspreiden dat alle toehoorders zich er evenzeer door omhuld voelen. Ook dat laat zich lezen als een metafoor, zelfs als politieke boodschap: dat een gemeenschappelijk geheel alleen weerklinkt als het individu zijn andersoortigheid bewaart.

    In de Elbphilharmonie behoren daartoe overigens niet alleen de immateriële waarden die bij een concert klinken. Ook de materiële luxe maakt deel uit van de grote enscenering, want pal naast de cultuur worden zaken gedaan: een hotel met bijna 250 kamers voor de veeleisendste gasten (zwembad van 20 meter!) en meer dan veertig appartementen (conciërge!) die zich nog hoger en magnifieker boven de Elbe en de stad verheffen dan de concertzaal.

    De toegang tot het mooiste uitkijkpunt blijft dus een privéaangelegenheid. De top van de ijsberg en de schuimkop op de golven zijn voorbehouden aan de mensen die er tot wel tien miljoen euro voor kunnen neertellen. Waar de concertzaal nog gelijke rechten voor iedereen in scène zet, zijgt achter haar rug de ongelijkheid in zachte bedden; zelfs vanuit de badkuip is de Sint-Michielskerk te zien. De mooiste appartementen staan echter nog te koop. Als de burgers wilden, dan zouden ze kunnen terugkopen wat zonder hun geld nooit was ontstaan. Hoger wonen voor iedereen! De mooiste locatie voor allemaal! Ook dat zijn onoplosbare tegenstellingen. Maar de Elbphilharmonie getuigt ervan hoe het schier ondenkbare voorstelbaar wordt.

    Auteur: Hanno Rauterberg
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Ode aan het station

    Ode aan het station

    Aaron Betsky, voormalig directeur van het Nederlands Architectuur Instituut en tegenwoordig rector van de Frank Lloyd Wright School of Architecture in Arizona, zingt de lof van het hedendaagse treinstation.

    Of het nu om de curves van het Arnhemse station van UNStudio gaat, om Rotterdam Centraal van Benthem en Crouwel, het New Street Station in Birmingham van Alejandro Zaera-Polo, het eindelijk voltooide PATH Station op Ground Zero in New York van Santiago Calatrava of om het hogesnelheidstreinstation dat Andrew Bromberg voor Hongkong heeft ontworpen, overal overkappen spectaculaire nieuwe structuren treinen, bussen en niet te vergeten winkelcentra die forenzen trekken op hun weg naar en van het werk. Luchthavens verbleken erbij. Treinstations zijn onze nieuwe openbare verbindingspaleizen.

    Wat deze stations voor mij vooral bijzonder maakt is dat ze, anders dan luchthavens, een buitenkant hebben die iets moet betekenen, waarmee ze de rol vervullen van iconen en bakens van toegang en vertrek (en niet te vergeten burgertrots), vaak in het hart van de stad. Hun binnenkant is, ondanks onheilspellende tekens na de aanslagen in Brussel, voor vrijwel iedereen toegankelijk.

    De beste nieuwe stations stellen zich open voor de stad met al haar verlokkingen en gevaren

    Anders dan luchthavens kunnen treinstations verzamelpunten en katalysators voor stedelijke verandering worden. Helaas betekent dit dikwijls dat ze gentrificatie in de hand werken. Maar vanbinnen lijken ze een zekere mate van gezonde armoe niet van zich af te kunnen schudden, met rugzaktoeristen, prostituees en bedelaars die zich vermengen met de brave burgers die zich doelmatig van en naar hun bestemming begeven.

    De beste nieuwe stations stellen zich open voor de stad met al haar verlokkingen en gevaren. Ik heb altijd van het centraal station van Zürich gehouden vanwege de open zijgevels en voorgevel, zodat je vanaf de straat de treinen kunt zien en vanuit je coupé de stad. Het grote gebaar dat Benthem en Crouwel met hun Centraal Station in Rotterdam hebben gemaakt heeft een soortgelijk effect. Het TGV-station van Calatrava in Luik is al even poreus.

    Deze stations zijn in wezen semigeconditioneerde ruimtes met expressieve daken, wat doet denken aan de opmerking van Rem Koolhaas dat ‘elke geconditioneerde ruimte conditioneel is’. Ze zijn alleen maar semibeperkt, en mooi op de koop toe.

    Het voor 750 miljoen pond gerenoveerde New Street Station in Birmingham, inclusief winkelcentrum. – Christopher Furlong / Getty
    Het voor 750 miljoen pond gerenoveerde New Street Station in Birmingham, inclusief winkelcentrum. – Christopher Furlong / Getty

    Een ander soort stations vormen de grote knooppunten, vaak gecombineerd met een piranesische duik naar de rails. Het mooiste voorbeeld daarvan heb ik in Arnhem gezien, waar de structuur en de ruimte tot één spiraalvormig hart zijn vervlochten dat zich uitstrekt om de bewegingen van voetgangers, automobilisten, fietsers en treinreizigers te omvatten.

    Deze ‘X die de plek markeert’ is een actief ijkpunt, zowel een activator als een logisch element dat mensen samenbrengt en hen op weg stuurt met nieuwe uitzichten en ervaringen terwijl de architectuur zich om hen heen blijft ontvouwen en openen.

    Niet alle stations hoeven zo grandioos te zijn. UNStudio gebruikt de kennis die het meer dan tien jaar lang in Arnhem heeft opgebouwd voor het ontwerpen van stations in Qatar, terwijl nieuwe en veelbelovende ondergrondse projecten worden gerealiseerd in uiteenlopende steden als Moskou en Londen (het Crossrailproject). Koen van Velsens bescheiden station van Breda is net zo elegant en veelomvattend als de grootsere projecten, maar toegesneden op de kleinere gemeente die het bedient.

    Buiten de stations brengen nieuwe spoorlijnen gemeenschappen samen op manieren waarvan we een generatie geleden niet hadden durven dromen. Door de hogesnelheidstreinen die kriskras door Europa rijden wordt het de normaalste zaak van de wereld om in het ene land te wonen, in het andere te werken en in weer een ander land naar een wedstrijd of concert te gaan.

    Instantmetropolen

    In China bouwen steden als Shenzhen honderden nieuwe metrostations die deze ‘instantmetropolen’ aaneen moeten breien met een intensiteit en een gemak die je bijna doen vergeten (ondanks de gruwelijke spitsdrukte) dat Londen, Parijs en New York meer dan een eeuw geleden juist dankzij zo’n ondergronds netwerk zo goed als grote steden konden functioneren.

    Zelfs Los Angeles heeft nieuwe treinen die vanaf komende herfst het strand en de bergen weer zullen aansluiten op de rest van de uitgestrekte stad. En in Zuid-Amerika verbinden gondels rijk en arm om, in de woorden van Alfredo Brillembourg, de oprichter van Urban-Think Tank, ‘een diagonale stad’ te creëren.

    Deel van het door Santiago Calatrava ontworpen PATH-station op Ground Zero in New York. – Spencer Platt / Getty
    Deel van het door Santiago Calatrava ontworpen PATH-station op Ground Zero in New York. – Spencer Platt / Getty

    Om al deze redenen zou ik willen betogen dat treinstations onze hedendaagse architectuur van de democratie zijn. Ze zijn open en toegankelijk, het zijn gedeelde ruimtes, ze brengen ons samen en ze vieren al dat samenkomen en verbinden met grandioze en vaak prachtige structuren.

    Bovendien doen de beste van deze stations dat door toe te voegen, niet door aan te passen. Anders dan luchthavens combineren ze verschillende schalen en functies en brengen die bij elkaar in een stedelijke collage. Ze zijn expressief, maar niet als een grote veeg of bult. Anders dan voor onze grote nieuwe semipublieke monumenten, culturele instellingen en stadions heb je er geen toegangskaartje voor nodig en zijn het geen monoculturen.

    Dat je van het Arnhemse knooppunt aan de ene kant in de parkeergarage kijkt en aan de andere in de fietsenstalling, en daarna omhoog naar de taluds waarover zich voetgangers reppen, schept een beeld van stedelijke spanning. De actie vindt plaats in ruimtes waar het licht en de geuren van de omgeving doordringen. De menselijke maat en het metropolitaanse bereik komen samen.

    In de meeste stations vind je tegenwoordig nog maar weinig graffiti of artiesten, en dat is jammer

    Ik wil niet naïef zijn in mijn liefde voor deze nieuwe stations. Ik ben me er terdege van bewust dat het in veel opzichten veredelde winkelcentra zijn die de circulatieruimte financieren met de huur van Starbucks en H&M, zodat je op ooghoogte alleen maar een overdekte winkelstraat ziet.

    Ik ben me er ook van bewust dat Big Brother te allen tijde meekijkt en de feitelijke hoeveelheid vrijheid beperkt die je in treinstations kunt genieten. In de meeste stations vind je tegenwoordig nog maar weinig graffiti of artiesten, en dat is jammer.

    De centrale hal van het nieuwe Station Arnhem. – Harold Versteeg / HH
    De centrale hal van het nieuwe Station Arnhem. – Harold Versteeg / HH

    Toch komt op de een of andere manier alles nog altijd samen in het treinstation. Treinkaartjes zijn relatief goedkoop, afhankelijk van waar je bent, wat deze reizigerscentra democratischer maakt dan luchthavens. Vroeg of laat zullen we allemaal de Sprinter of Intercity moeten nemen, ook al stappen we niet over op de TGV.

    De eed die de grondslag vormde voor de Franse Revolutie werd afgelegd op een tennisbaan; revoluties plachten zich te voltrekken op boulevards en openbare pleinen. Misschien zullen de volgende vormen van democratie zich ontwikkelen vanuit de flitsmeute van forenzen onder de overkoepelende bogen en daken van een van deze nieuwe stations.

    Auteur: Aaron Betsky
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Passagiers in het Ground Zero-station in New York. – © Gary Hershorn / Getty

    Dezeen
    VS | dezeen.com

    Sinds 2006 een door velen geprezen site voor architectuur-, interieur- en designliefhebbers.

  • 3. Een woongroep voor 1200 man

    3. Een woongroep voor 1200 man

    Zürich loopt voorop als het gaat om coöperatieve woningen. De laatste aanwinst is een complex van 380 appartementen, compleet met meditatieruimte, filmzaal en wintertuin.

    Het grote gemeenschappelijke terras op de achtste verdieping, uitgerust met barbecues, heeft vrij uitzicht op de heuvels rondom Zürich. En als het weer zich niet leent voor een barbecue met de buren, kunnen de bewoners nog altijd hun toevlucht nemen tot de sauna die voor iedereen toegankelijk is en bereikbaar via dezelfde overloop. We zijn in Schwamendingen, een wijk ver van de hippe cafés in het centrum, waar afgelopen zomer een van de meest innovatieve woningprojecten van Zwitserland is opgeleverd. Projectontwikkelaars, openbare instanties en architectuurstudenten uit binnen- en buitenland haasten zich om een bezoek te brengen aan dit immense coöperatieve project met 380 appartementen en 1200 bewoners, verdeeld over dertien gebouwen.

    ‘We wilden een innovatief laboratorium voor duurzaam wonen creëren, met een redelijke huurprijs en veel sociale interactie,’ zegt Claudia Thiesen, lid van de directie van de coöperatieve vereniging Mehr als wohnen. Iedereen beschikt 
er over 35 vierkante meter, terwijl het Zwitserse gemiddelde rond de 50 vierkante meter ligt, een manier om de ecologische en economische doelstellingen te verwezenlijken. Het feit dat de privéruimten kleiner zijn wordt gecompenseerd door de aanwezigheid van talrijke gedeelde ruimten. Zo kent de coöperatie tien gemeenschappelijke zalen die de bewoners naar eigen inzicht kunnen bestemmen. Een ervan is een meditatieruimte geworden, een andere een reparatieatelier, een derde een filmzaal. Nog een voorbeeld: een van de gebouwen, dat niet over een balkon beschikt, heeft een grote wintertuin en een binnenplaats voor iedereen.

    ‘De meeste bouwers gaan nog uit van het traditionele gezinspatroon.’ – © Andreas Hofer
    ‘De meeste bouwers gaan nog uit van het traditionele gezinspatroon.’ – © Andreas Hofer

    Mehr als wohnen heeft ook extra 
ruimtes beschikbaar die door bewoners gehuurd kunnen worden naargelang hun behoefte. Zo zijn er in sommige gebouwen kantoren waarvoor een huurcontract voor een bepaalde tijd kan worden aangegaan. Hetzelfde principe geldt voor kamers met een badkamer. ‘Die hebben we bedacht als interessante oplossing voor gezinnen die enige tijd een bejaarde ouder in huis willen nemen,’ legt Thiesen uit. ‘Maar momenteel worden de meeste bewoond door jongeren die onafhankelijk van hun familie willen wonen zonder helemaal het huis uit te gaan.’ Ook zijn er vier ruimtes om muziek te maken die per uur door de bewoners kunnen worden gereserveerd. Ten slotte zijn er in het gebouw bij de ingang van het complex, dat tevens dienstdoet als hotel, 22 logeerkamers te huur.

    Deze nieuwe scheiding tussen gemeenschappelijk en privé wordt het duidelijkst geïllustreerd door een vijftiental appartementen dat volgens het ‘clusterprincipe’ is gebouwd: private wooneenheden (bestaande uit twee kamers, een badkamer en een kitchenette) die worden verbonden door een ruimte met een grote woonkamer en een keuken erin. ‘Wij bieden een groot scala aan woonvormen, variërend van studio en cluster tot meer conventionele appartementen in ieder formaat,’ aldus Claudia Thiesen.

    Ook andere coöperatieve verenigingen in Zürich hebben de afgelopen jaren voor soortgelijke projecten gekozen, 
zij het op kleinere schaal. In Franstalig Zwitserland wint deze nieuwe organisatie van de ruimte langzaam terrein. De coöperatieve woonvereniging Codha speelt daarbij een pioniersrol door in 
al haar nieuwe projecten clusters op te nemen. De eerste zullen worden opgeleverd in de Geneefse wijk Chêne-Bougeries, in 2017, en het jaar daarop in de ecowijk La Jonction in diezelfde stad.

    Kleinere privéruimten worden gecompenseerd door talrijke gedeelde ruimten

    ‘De meeste bouwers gaan nog uit van het traditionele gezinspatroon van twee ouders en twee kinderen. Maar dat voldoet nog maar aan 30 procent van de woonbehoefte,’ constateert architect Yves Dreier van bureau Dreier Frenzel in Lausanne, dat een voortrekkersrol vervult bij de ontwikkeling van de ecowijk La Jonction. ‘De uitdaging bestaat erin dat je rekening houdt met de woonbehoeften van alleenstaanden, stellen, woningdelers, eenoudergezinnen en nieuw gevormde gezinnen van wisselende omvang, en met het feit dat de gezinsstructuren ongeveer om de tien jaar veranderen.’


    Bij Codha is de ontwikkeling in gang gezet door een groep senioren. ‘Zij hadden geen zin om in hun eentje in een te groot appartement te wonen, maar wilden ook weer niet een te kleine woning waar ze geen familiemaaltijden konden organiseren of een weekend hun kleinkinderen konden ontvangen,’ aldus Rosanna Ulmi, architect van Codha. ‘Wat dat betreft biedt de clusteroplossing een grote flexibiliteit.’

    Meer flexibiliteit

    Uiteindelijk sprak het idee niet alleen de oorspronkelijke groep aan, maar ook gezinnen met studerende kinderen die gecharmeerd waren van deze nieuwe gemeenschappelijke woonvorm, waarbij de autonomie groter 
is dan bij woningdelen. Zo kan een appartement plaats bieden aan een gezin van vier mensen, of aan twee senioren en drie jongeren. De plannen zijn aangepast om aan de verschillende eisen te kunnen voldoen. Sommige clusters krijgen een logeerkamer, andere een gedeelde kantoorruimte. ‘Door kleine appartementen op deze manier samen te voegen kun je economischer omspringen met de hoeveelheid vierkante meters,’ onderstreept architect Yves Dreier.

    Voorlopig ontwikkelen deze initiatieven zich bijna uitsluitend binnen een coöperatief kader. In Zürich is in een gebouw dat in 2011 is neergezet door architect Vera Gloor ook een clusterappartement opgenomen. En projectontwikkelaars raken steeds meer geïnteresseerd, omdat ze een markt zien voor jonge expats die mensen willen ontmoeten zonder afstand te doen van een bepaalde mate van comfort. ‘Maar het blijft een niche, al constateren we toenemende belangstelling van de publieke sector,’ aldus Yves Dreier. ‘In tegenstelling tot de coöperatieve verenigingen die, vooral dankzij hun participerende benadering, de wensen en aspiraties van hun leden kennen, blijft het herverdelen van ruimtes een riskante zaak voor de privé-investeerder.’ Toch sluit de architect niet uit dat het concept zich zal uitbreiden als de eerste experimenten zich hebben bewezen.

    Auteur: Sophie Gaitzsch
    Vertaler: Peter Bergsma

    Beeld bovenaan: © Hajo

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000
    Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

  • Het ei 
van Brussel

    Het ei 
van Brussel

    De Europese Raad neemt dit jaar zijn intrek in een glazen huis. Alleen is het glas staalhard en zijn zelfs de gordijnen kogelwerend. 
Het gebouw kraakt onder de extreme veiligheidsmaatregelen.

    In de schemering kun je ’t het beste zien. Als je er dan voor staat – waarschijnlijk ingeklemd tussen de laatste bouwschuttingen en de auto’s die in het spitsuur door de Europese wijk van Brussel kruipen – denk je dat je droomt: daar voor jou zweeft een reusachtig ei. Alsof René Magritte zelf het achter de bijna vierkante glasfaçade heeft geschilderd, straalt het daar, van binnen belicht, via een web van houten kozijnen naar buiten, op het asfalt van de straat. Maar het is geen schildering en evenmin een zinsbegoocheling: het is het nieuwe gebouw van de Europese Raad.

    Bomvrij

    Die onwezenlijke indruk zal voor de meesten ook niet veranderen als de bouwvakkers binnenkort vertrekken, de kantoorruimtes in het aangrenzende oude gebouw zijn ingericht en na de zomer hier eindelijk in de conferentiezaal de eerste bijeenkomsten van de Raad worden gehouden. Want de nieuwe zetel van de Europese Raad is extreem beveiligd, ook al is de façade doorzichtig en hebben de houten kozijnen een 
filigraanpatroon. Alleen het glas suggereert toegankelijkheid. Maar de façade is in diverse lagen opgebouwd en 
daarmee even bomvrij als een betonnen muur. Ook een scherpschutter die iemand in dit gebouw zou willen raken, maakt geen kans. Het glas is onbreekbaar. De Belgische politie heeft het getest. Niettemin zijn er toch ook nog kogelwerende gordijnen opgehangen.

    Eerst de beide zwaar beveiligde torens van de Europese Centrale Bank in Frankfurt en nu het nieuwe gebouw van de Europese Raad in Brussel. Het is duidelijk: hier schermt men zich heel bewust af van buiten. Verkeerspalen omhoog, veiligheid voorop.

    Een te grote nabijheid tot de burger vergroot het risico op een aanslag en vormt het beste argument voor steeds extremere veiligheidsmaatregelen.

    ‘Het is het net als bij een ui’: vele lagen bieden samen veel bescherming

    ‘De veiligheidsnormen waaraan wij ons hier moet houden, komen overeen met die van bijvoorbeeld een vliegveld of een treinstation,’ zegt Philippe Samyn. Met zijn architectenteam wist hij in 2004 de opdracht voor het gebouw in de wacht te slepen. De Belgische architect, die bekendstaat vanwege zijn gave zakelijke bouwwerken met grote ingenieurskunst neer te zetten, zal met zijn vergelijking de veiligheidsvoorschriften voor het gebouw van de Europese Raad misschien wat overdrijven. Maar de tendens is duidelijk: angst manifesteert zich als een vaste grootheid in de architectuur. Dat blijkt uit elke nieuwe luchthaven.

    De Europese Raad wordt gevormd door de regeringsleiders van alle 28 lidstaten plus de voorzitter van de Europese Commissie, en is een van de belangrijkste gremia van de Europese Unie. Dat alleen al was reden genoeg om voor een centrale plek in de Europese wijk van Brussel te kiezen, en niet voor het noorden van de stad, waar de grote hoeveelheid ruimte voor een veilige afstand tot de omgeving zou hebben kunnen zorgen. Nu moet het gebouw zelf de functie van slotgracht overnemen.

    Voor projectarchitect Benedetto Clacagno ‘is het net als bij een ui’: vele lagen bieden samen veel bescherming. ‘Zo kan men diverse aanvallen heel goed weerstaan.’

    Het gebouw bestaat uit een uivormige constructie van twaalf verdiepingen en 54.000 m², omgeven door een glazen kubus. – © Philippe Samyn and Partners Architects & Engineers
    Het gebouw bestaat uit een uivormige constructie van twaalf verdiepingen en 54.000 m², omgeven door een glazen kubus. – © Philippe Samyn and Partners Architects & Engineers

    Dit systeem maakt het ook mogelijk om op de verdiepingen verschillende veiligheidsniveaus te activeren. 
Daardoor kunnen de regeringsleiders elkaar op een bepaalde etage ontmoeten zonder dat, zoals in het huidige raadsgebouw, het complete gebouw afgegrendeld dient te worden.

    Nadat in 2004 het besluit voor de destijds op 240 miljoen euro becijferde nieuwbouw genomen was, zijn er 
dertien lidstaten bijgekomen. Maar de uitbreiding van de Europese Unie is na de Griekse crisis gaan haperen. Het geloof in de Europese eenheid brokkelt af. ‘U kunt zich niet voorstellen wat een nachtmerries mij dat bezorgd heeft,’ schertst Samyn, maar hij is half serieus. De zevenenzestigjarige wilde ‘een vrolijk gebouw’ ontwerpen. Een gebouw ‘waar mensen van houden’. Vandaar dat de plafonds, de deuren en de tapijten zo veel kleur bevatten dat het lijkt of je sterretjes ziet, zulke grote oppervlakten van het conferentiegebouw nemen ze in beslag. Bovendien heeft Samyn ‘al het mogelijke gedaan om te voorkomen dat de strenge voorzorgsmaatregelen zichtbaar zijn’.


    Glazen vesting

    Er zijn veel details die de architect niet mag verklappen, zoals de plek in het gebouw waar het kantoor van de voorzitter van de Europese Raad zich bevindt, hoe dik het glas van de façade precies is, of waar de extra beveiligde ruimte voor noodgevallen is ingericht. Maar ook zonder deze details is duidelijk dat Philippe Samyn een glazen 
vesting heeft geschapen, waarin Europa zich kan verschansen

    Auteur: Laura Weißmüller
    Vertaler: Marten de Vries

    Beeld bovenaan: Vooraanzicht met op de voorgrond de Wetstraat. – © Philippe Samyn and Partners

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | oplage 445.000
    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.