Tag: autocratie

  • ‘Met elke concessie worden autocraten brutaler en wordt terugdraaien moeilijker’

    ‘Met elke concessie worden autocraten brutaler en wordt terugdraaien moeilijker’

    De democratie verliest aan kracht in landen als Hongarije, India, Turkije en de VS. De geschiedenis van de Weimarrepubliek herinnert ons eraan dat de afbrokkeling vaak geleidelijk gaat, door de stapsgewijze overgave van degenen die haar zouden moeten verdedigen.

    Op 23 maart 1933, in een schemerige kamer die blauw stond van de sigarenrook, probeerde Ludwig Kaas zichzelf ervan te overtuigen dat hij de juiste beslissing nam. De katholieke priester en leider van de Duitse Centrumpartij stond op een keerpunt. Al enkele jaren probeerde zijn partij de opkomst van Adolf Hitler tegen te gaan, maar in 1932 waren Hitlers nationaalsocialisten (NSDAP; de nazi’s) uitgegroeid tot de grootste partij in het parlement, en in januari 1933 werd Hitler zelf kanselier. De Centrumpartij was het laatste obstakel op Hitlers weg naar totale macht in Duitsland.

    Hij had de Machtigingswet geïntroduceerd, die hem en zijn kabinet verstrekkende bevoegdheden zou geven om per decreet te regeren en daarmee de democratie in haar kern af te breken. De wet had een tweederdemeerderheid nodig om te slagen. De sociaaldemocraten – de enige andere belangrijke groep parlementariërs die de democratie nog steeds fundamenteel steunden – waren te klein om de maatregel in hun eentje te stoppen. Alleen als de Centrumpartij zich ook verzette, kon deze worden voorkomen.

    Maar Kaas aarzelde. Hij vreesde wat er zou gebeuren als zijn partij de nazi’s zou trotseren. Zou ze het overleven? Kon de democratie standhouden als zijn partij zich verzette? Hitlers stormtroepen waren al begonnen politieke tegenstanders te arresteren. Kaas overtuigde zichzelf ervan dat zijn beste optie was om samen te werken – om binnen de nieuwe realiteit te werken in plaats van zich erdoor te laten verpletteren. ‘We moeten onszelf trouw blijven,’ zei hij tegen zijn collega’s, ‘maar een verwerping van de Machtigingswet zal resulteren in onaangename gevolgen voor onze partij.’ De wet werd aangenomen met 444 tegen 94 stemmen, waarmee de weg naar Hitlers dictatuur was geëffend.

    Met elke concessie worden autocraten brutaler, verdedigingen zwakker en wordt terugdraaien moeilijker

    Deze episode illustreert de gevaarlijke logica van overgave: het geloof dat, wanneer de democratie wordt bedreigd, toegeven de beste strategie is, dat je met een autocraat moet samenwerken om te overleven en dat het vermijden van onmiddellijke consequenties voor de eigen partij belangrijker is dan het afwenden van langdurige autoritaire heerschappij. Kaas stond niet alleen in dit soort denken. In de jaren die aan het moment voorafgingen, effenden drie rampzalige misrekeningen – elk geworteld in kortetermijndenken en zelfrechtvaardiging – het pad voor Hitlers opkomst.

    Vandaag de dag zou dit hoofdstuk uit de geschiedenis van de Weimarrepubliek opnieuw moeten worden bekeken. Op een moment dat de democratie aan kracht verliest op uiteenlopende plekken als Hongarije, India, Turkije en de Verenigde Staten, herinneren deze gebeurtenissen ons eraan dat de afbrokkeling vaak geleidelijk gaat, door de stapsgewijze overgave van degenen die haar zouden moeten verdedigen. Met elke concessie worden autocraten brutaler, verdedigingen zwakker en wordt terugdraaien moeilijker. Reacties die in een vroeg stadium nog pragmatisch kunnen lijken – afwachten, zwijgen, een compromis sluiten – werken in het voordeel van de autocraten en leiden uiteindelijk tot de algehele ondergang van de democratie.

    Fatale misrekeningen

    De noodlottige beslissingen waaraan de Weimarrepubliek ten onder ging, werden genomen na de Eerste Wereldoorlog, kort na de geboorte van een nieuwe democratie in Duitsland. De Weimar-grondwet, opgesteld in 1919 onder invloed van vooraanstaande personen zoals de rechtsgeleerde Hugo Preuss en socioloog Max Weber, verankerde burgerlijke vrijheden, breidde de rechten voor vrouwen uit en introduceerde bescherming voor arbeiders. Dankzij de steun van een al stevig maatschappelijk middenveld kon een brede, zelfverzekerde coalitie van progressieven, liberalen, sociaaldemocraten en de katholieke Centrumpartij na de Eerste Wereldoorlog de Duitse republiek oprichten. Maar die republiek was nog kwetsbaar. Ze werd geteisterd door wijdverspreid politiek geweld, frequente politieke moorden en straatgevechten tussen communisten en fascisten, die beide het nieuwe regime afwezen. Pas na drie turbulente jaren van hyperinflatie en onrust brak in 1924 in de Weimarrepubliek een periode aan van relatieve stabiliteit.

    Maar vanaf 1929 kwam daar weer verandering in, toen de Amerikaanse beurscrash een catastrofale economische neergang en massale werkloosheid veroorzaakte. De Communistische Partij en de nazi’s wonnen terrein bij de verkiezingen zodat het voor het Duitse parlement moeilijk werd om regeringen te vormen, en de president moest zijn toevlucht nemen tot het benoemen van kanseliers zonder parlementaire steun – een buitengewone maatregel. De daaruit voortvloeiende politieke impasse vergrootte de aantrekkingskracht van de nazi’s. 

    Maar het was niet de Grote Depressie alleen die de ondergang van de Weimarrepubliek inluidde. Veel andere geteisterde staten in Europa en Noord-Amerika wisten deze periode van economische en politieke onrust te doorstaan, waaronder jonge democratieën als Tsjechoslowakije en Finland. Het ging niet zozeer om de tegenslagen zelf, het waren de reacties van de Duitse leiders daarop die het lot van de republiek bepaalden.

    Hij bedacht een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken

    De conservatieve bovenlaag beging de eerste fout. Eind jaren twintig had de grote rechtse partij, de Duitse Nationale Volkspartij, het zwaar. Hun leider, Alfred Hugenberg, was een machtige zakenman en mediamagnaat, maar hij miste charisma en aantrekkingskracht. Toen Hugenberg zag hoe Hitlers nazibeweging in de staat en bij de nationale verkiezingen eind jaren twintig aan populariteit won, bedacht hij een plan – niet om Hitler te stoppen, maar om hem te gebruiken.

    Hugenberg betrok de nazi’s bij een campagne om de Duitse verplichting tot het betalen van herstelbetalingen voor de Eerste Wereldoorlog ongedaan te maken. Hij hoopte dat hun gedrevenheid de conservatieve zaak nieuw leven zou inblazen.

    Een referendum in 1929 dat de Duitse bevolking moest mobiliseren om de schuld ongedaan te maken – en politici die met betaling instemden als verraders te bestempelen – mislukte, maar het partnerschap veranderde alles. Het verhief de nazi’s van een groep marginale extremisten tot een politieke kracht die door een van de invloedrijkste politieke figuren van Duitsland was erkend.

    En daar hielden Hugenbergs misrekeningen niet op. In 1931 organiseerde hij een grote rechtse manifestatie in kuuroord Bad Harzburg, waar Hitler werd uitgenodigd om zich aan de zijde van de nationalistische elite van Duitsland te scharen. Het idee was om een ​​verenigd conservatief front te presenteren, in plaats daarvan stal Hitler de show. Terwijl zijn paramilitaire troepen door de straten marcheerden als vertoon van discipline en macht, verdween Hugenberg naar de achtergrond. In 1933 realiseerde laatstgenoemde zich de volledige omvang van zijn fout. Hij zou tegen een conservatieve collega hebben gezegd: ‘Ik heb de grootste dwaasheid van mijn leven begaan; ik heb me verbonden aan de grootste demagoog uit de menselijke geschiedenis.’ Maar tegen die tijd was het al veel te laat. Op een cruciaal moment had Hugenberg Hitler gegeven wat hij het hardst nodig had: aanzien.

    Een vermijdelijke dood

    De volgende misrekening van het Duitse politieke establishment was nog ernstiger: Hitler rechtstreeks aan de macht brengen. In 1932 was het Duitse parlement nog steeds verlamd. Het lukte niet een regerende meerderheid te vormen. Conservatieven waren wanhopig op zoek naar een stabiele regering die de sociaaldemocraten en communisten uitsloot, maar ze hadden te weinig stemmen om zonder hen te kunnen regeren. President Paul von Hindenburg, een wat oudere oorlogsheld, bleef maar kanseliers vervangen omdat hij niemand kon vinden die de steun van een meerderheid van de parlementariërs genoot of de steeds dieper wordende economische crisis in Duitsland kon indammen. 

    De toenmalige voormalige bondskanselier Franz von Papen deed een gewaagde suggestie: bied Hitler het kanselierschap aan, maar omring hem met conservatieve ministers om hem te controleren.

    Von Papen had er vertrouwen in dat Hitler in het gareel kon worden gehouden. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij tegen zijn rechtse collega’s. ‘Binnen twee maanden hebben we Hitler zo ver in het nauw gedreven dat hij gaat piepen.’ In januari 1933 tekende Hindenburg het plan, in de overtuiging dat Hitler slechts een boegbeeld zou blijven.

    Het tegenovergestelde gebeurde. Hitler begon onmiddellijk de macht te consolideren, zette zijn beschermheren buitenspel en schakelde de oppositie uit door leidende figuren te arresteren, onder wie de voormalige Pruisische minister van Binnenlandse Zaken en andere sociaaldemocratische en communistische parlementsleden. De nazipartij was geen keuze van de meerderheid: bij de verkiezingen van 1932 stemde zo’n twee derde van de Duitsers tegen, en Hitlers gewelddadige pogingen om zijn macht uit te breiden veroorzaakten een nieuwe golf van angst in het land. Het idee dat antidemocraten onder controle gehouden konden worden als ze eenmaal macht hadden, pakte desastreus uit.

    De meesten vreesden de gevolgen van verzet

    De Rijksdagbrand van februari 1933, die zo veel schade aan het parlementsgebouw veroorzaakte dat de volksvertegenwoordiging tijdelijk moest uitwijken naar het Kroll-operahuis enkele straten verderop, bood het perfecte voorwendsel voor repressie. Hitlers nieuwe regering gaf de communisten de schuld van de brand en beweerde ook bewijs te hebben dat ze explosieven opsloegen. De naziregering verrichtte massaal arrestaties, waarna Hitler de Rijksdagbrandverordening afkondigde: een draconische wet die de persvrijheid en het recht op vergadering inperkte en de politie machtigde verdachten voor onbepaalde tijd en zonder proces vast te houden.

    Het was dit klimaat van noodtoestand na de Rijksdagbrand dat Hitler in staat stelde de Machtigingswet in te dienen. Kaas en zijn collega-leiders van de Centrumpartij debatteerden er urenlang over, verscheurd tussen principe en zelfbehoud. Sommigen riepen op tot verzet en waarschuwden dat Hitlers macht gecontroleerd moest worden. Maar de meesten vreesden de gevolgen van verzet. Weer anderen hielden vast aan de hoop dat ze Hitler van binnenuit konden beïnvloeden, bijvoorbeeld door hun sociaaldemocratische rivalen te verzwakken of door garanties voor de Centrumpartij en katholieke leiders veilig te stellen. Bij de uiteindelijke stemming gaven alle 73 parlementsleden van de Centrumpartij zich gewonnen en rechtvaardigden ze hun overgave als een noodzakelijk kwaad om de partij te redden. Zoals Kaas zelf tegen zijn collega’s zei: ‘Als er geen tweederdemeerderheid wordt bereikt, zal de regering haar plannen op andere manieren doorvoeren.’

    Maar de gekozen strategie werkte averechts. Net als alle andere oppositiepartijen in Duitsland werd de Centrumpartij binnen enkele maanden ontbonden. Haar steun voor de nieuwe wet remde Hitler niet af, maar gaf hem volledige macht. Dit was de laatste, fatale misrekening: het idee dat de democratie kon overleven terwijl haar beschermingsmechanismen werden wegonderhandeld.

    Gevaarlijke gok

    Geen enkele democratische grondwet handhaaft zichzelf, ook niet als deze veel ouder is dan de Weimarrepubliek begin jaren dertig. Burgers en leiders moeten voor democratische instituties opkomen zodra ze worden bedreigd – hoe groot of klein die dreiging ook is.

    De ineenstorting van de Weimarrepubliek was niet onvermijdelijk. De NSDAP verwierf nooit de steun van een meerderheid van het Duitse electoraat; ze haalde net iets meer dan 30 procent van de stemmen bij de laatste vrije en eerlijke nationale verkiezingen van de republiek. Voor de gevestigde politieke leiders waren er vele kansen om terug te slaan. Maar Hugenberg dacht dat hij Hitler kon inzetten om zijn conservatieve beweging nieuw leven in te blazen. Von Papen dacht dat hij Hitler kon controleren door hem tot kanselier te maken. Kaas dacht dat toegeven aan Hitlers wensen zijn partij zou beschermen en tijd zou kopen voor een groter verzet. Ze hadden het allemaal mis.

    Een democratie gaat zelden van de ene dag op de andere ten onder

    Een democratie gaat zelden van de ene dag op de andere ten onder. Ze wordt geleidelijk uitgehold door overgave: rationalisaties en compromissen van machthebbers die zichzelf wijsmaken dat een klein beetje toegeven veiligheid biedt, of dat meebewegen met een ontwrichter praktischer is dan hem te weerstaan. Dit is de blijvende les van Weimar: extremisme triomfeert nooit op eigen kracht. Het slaagt doordat anderen het mogelijk maken – vanuit ambitie, angst of een verkeerde inschatting van de gevaren van een kleine concessie. Uiteindelijk verliezen degenen die een autocraat macht geven niet alleen hun democratie, maar ook juist de invloed die ze dachten veilig te stellen.

    Daniel Ziblatt is hoogleraar politicologie en directeur van het Minda de Gunzburg Centrum voor Europese Studies aan Harvard University. Hij is auteur van Conservative Parties and the Birth of Democracy en co-auteur van How Democracies Die.

  • Een autocratie wordt niet verslagen vanaf de zijlijn

    Een autocratie wordt niet verslagen vanaf de zijlijn

    Als kritiek of verzet door de autoriteiten wordt afgestraft, is de stap naar een autocratie al gezet. Ook al is het regime democratisch aan de macht gekomen.

    Autocratische regeringen zijn tegenwoordig moeilijker te herkennen dan vroeger. De meeste autocraten van deze eeuw zijn gekozen. In plaats van oppositie met geweld de kop in te drukken, zoals Castro en Pinochet deden, maken zij de openbare instituties tot een wapen en gebruiken ze politie en justitie, de fiscus en andere instanties om tegenstanders af te straffen en de media en maatschappelijke organisaties te intimideren. Wij noemen dit ‘concurrerend autoritarisme’, een systeem waarin partijen het wel tegen elkaar opnemen in verkiezingen, maar de oppositie geen kans meer maakt vanwege systematisch machtsmisbruik door de zittende regering. Zo blijven autocraten aan de macht in Hongarije, India, Servië en Turkije, en zo deed Hugo Chávez het in Venezuela.

    Bij het afglijden naar deze vorm van autoritarisme gaan de alarmbellen niet altijd af. Doordat regeringen gebruikmaken van op zichzelf wettige instrumenten zoals politiek gemotiveerde smaadprocessen, belastingcontroles en strafrechtelijke onderzoeken, hebben burgers niet meteen door dat ze zich aan een autoritair regime onderwerpen. Na ruim tien jaar onder Chávez dachten de meeste Venezolanen nog steeds dat ze in een democratie leefden.

    Grens overschreden

    Hoe kunnen wij dan bepalen of de VS de grens tussen democratie en autoritair regime hebben overschreden? Ons criterium is simpel: de prijs van verzet tegen de overheid. In een democratie wordt vreedzaam verzet tegen de zittende macht niet bestraft. Burgers kunnen met een gerust hart kritiek uiten, een oppositiekandidaat steunen of meedoen aan vreedzame betogingen, omdat ze weten dat de overheid hun dit niet betaald zal zetten. De hele gedachte van legitieme oppositie is een grondbeginsel van de democratie.

    Maar onder een autoritair bewind kleeft er een prijs aan oppositie. Wie dan met de regering botst, wordt slachtoffer van een keur aan strafmaatregelen. Politici kunnen worden vervolgd voor onbenullige of onbewezen feiten, media krijgen te maken met vergezochte smaadzaken of strenge toezichthouders, bedrijven met belastinginspecties en het verlies van opdrachten of vergunningen, universiteiten met het dichtdraaien van de geldkraan of het wegvallen van belastingvrijstellingen, en journalisten, activisten en andere critici met intimidatie, bedreiging of zelfs fysieke mishandeling door regeringsaanhangers. Als burgers moeten oppassen omdat hun kritiek of verzet door de autoriteiten kan worden afgestraft, leven ze niet langer in een volwaardige democratie. Volgens dat criterium heeft Amerika de stap naar een autocratie al gezet. Met de inzet van overheidsinstanties tegen burgers en een hoos aan sancties tegen critici heeft de regering-Trump de tol van oppositie verhoogd. Zo worden politie en justitie nu selectief ingezet tegen critici, worden grote advocatenkantoren geboycot en gedwarsboomd en moeten ook donateurs van de Democratische Partij en andere progressieve organisaties het ontgelden. Daarnaast richt de regering, zoals zo veel autocratische regimes, haar pijlen op de media. Trump heeft rechtszaken aangespannen tegen ABC News, CBS News, Meta, uitgeverij Simon & Schuster en regionale krant The Des Moines Register. Bovendien is de mediatoezichthouder gepolitiseerd om vooral onafhankelijke media op de korrel te nemen. En opmerkelijk genoeg zijn deze aanvallen op de media en politieke tegenstanders sneller en harder uitgevoerd dan vergelijkbare maatregelen in de eerste jaren van het bewind van verkozen autocraten in Hongarije, India, Turkije en Venezuela.

    Ook in zijn aanval op universiteiten volgt Trump het draaiboek van andere autocraten. Zoals Jonathan Friedman van non-profitorganisatie PEN America zegt: ‘Het is alsof op alle universiteiten bij de geringste misstap de geldkraan kan worden dichtgedraaid.’ Tot slot worden zelfs Republikeinse politici fysiek bedreigd als ze zich tegen Trump uitspreken. De Republikeinse senator Thom Tillis zegt dat hij door de FBI werd gewaarschuwd over ‘serieus te nemen doodsbedreigingen’ toen hij overwoog om tegen de benoeming van Pete Hegseth als minister van Defensie te stemmen. Voor veel Amerikaanse burgers en organisaties is de prijs van oppositie dus sterk gestegen. Het is nog niet zo erg als in een dictatuur zoals Rusland, waar critici simpelweg in de cel belanden of worden verbannen of vermoord, maar de VS zijn met verbluffende snelheid afgegleden naar een situatie waarin tegenstanders van de regering moeten vrezen voor strafvervolging, civiele rechtszaken, belastingcontroles en andere sancties.

    Het is niet de eerste keer dat critici van de regering te maken krijgen met intimidatie, dreigementen en strafmaatregelen

    Het is niet de eerste keer dat critici van de Amerikaanse regering te maken krijgen met intimidatie, dreigementen en strafmaatregelen. In de communistenjacht van vlak na de Eerste Wereldoorlog en tijdens het McCarthy-tijdperk werden kopstukken van de burgerrechtenbeweging en linkse activisten decennialang door de FBI op de huid gezeten, en ook Nixon zette de fiscus en andere instanties in tegen politieke tegenstanders. Dat was natuurlijk ondemocratisch, maar het ging niet zo ver als wat we nu zien. En Nixons pogingen om het staatsapparaat voor zijn politieke karretje te spannen leidden uiteindelijk tot zijn aftreden en tot een reeks hervormingen die zulk machtsmisbruik na 1974 aan banden legde.

    Na Watergate kende Amerika de meest democratische halve eeuw van zijn bestaan. Met het aantreden van Trump kwam er niet alleen een abrupt einde aan dat tijdperk: het is ook de eerste keer – althans sinds de vervolging van de Jefferson-Democraten onder president Adams, eind achttiende eeuw – dat de regering niet alleen de rivaliserende politieke partij, maar een heel segment van de samenleving op de korrel neemt.

    Want het autoritair offensief sorteert duidelijk effect. Burgers denken nu wel twee keer na voordat ze gebruikmaken van hun grondwettelijke recht op het voeren van oppositie. Veel politici en maatschappelijke organisaties die als waakhond en controleur van de zittende macht zouden moeten fungeren, doen er het zwijgen toe. De angst voor vergelding zet een rem op donaties aan de Democratische Partij en andere progressieve organisaties. En na Trumps aanval op prominente advocatenkantoren is het voor critici van de regering moeilijker om een advocaat te vinden, want de rijke en gerenommeerde kantoren die vroeger de strijd met de regering wel aandurfden, zijn nu huiverig om Trumps toorn over zich af te roepen. De Columbia-universiteit is gezwicht voor de eis om de vrije meningsuiting van studenten in te perken.

    Zelfcensuur

    Bij de media zie je verontrustende signalen van zelfcensuur. Paramount, het moederbedrijf van CBS, heeft het journalistieke programma 60 Minutes onder verscherpt toezicht gesteld. En ook Republikeinse politici verzaken hun taak als controleur van de macht. In de woorden van senator Lisa Murkowski: ‘We zijn allemaal bang. Dat is nogal een statement, maar we zitten in een situatie die voor mij ongekend is. En ik moet zeggen dat ik vaak bang ben om me uit te spreken, want het wordt echt afgestraft. En dat is niet goed.’

    Wij Amerikanen leven dus onder een nieuw bewind. Nu is de vraag of we toelaten dat dit ook wortel schiet. De reactie van de samenleving houdt nog niet over – het blijft angstwekkend stil. Maatschappelijke kopstukken komen moeilijk tot collectief optreden. De overgrote meerderheid leeft liever in een democratie en zou graag een eind maken aan dit machtsmisbruik. Maar op individueel niveau hebben ze eerder reden om de regering-Trump tegemoet te komen dan er de strijd mee aan te binden.

    Ze willen hun eigen organisatie immers beschermen tegen aanvallen van de overheid. Ze zien ook wel in dat iedereen beter af zou zijn als iemand vooropging in de strijd tegen Trump, maar slechts weinigen zijn bereid daarvoor zelf de tol te betalen. Met als gevolg dat enkele van de meest invloedrijke Amerikanen aan de zijlijn blijven staan en hopen dat iemand anders de kastanjes uit het vuur haalt. Een klein beetje meewerken uit zelfbehoud lijkt hen het beste. Maar dat is de fatale fout van het appeasement-denken: het geloof dat stilletjes meebuigen op ondergeschikte, ogenschijnlijk tijdelijke punten uiteindelijk minder schade op de lange termijn zal opleveren.

    Individuele meegaandheid verzwakt de weerbaarheid van de Amerikaanse democratie als geheel

    Meestal werkt het niet zo. En daden van individueel zelfbehoud hebben een hoge collectieve prijs. Meebuigen zal de regering waarschijnlijk alleen maar moed geven en stimuleren haar aanvallen te verhevigen. Autocraten bestendigen hun macht meestal niet alleen met geweld: ze worden geholpen door de meegaandheid en passiviteit van mensen die verzet hadden kunnen bieden.

    Individuele meegaandheid verzwakt ook de weerbaarheid van de Amerikaanse democratie als geheel. Als één partijdonateur of één advocatenkantoor zich drukt, maakt dat misschien niet veel verschil, maar als ze zich collectief terugtrekken, ontbreekt het tegenstanders van de regering straks aan afdoende financiële en juridische middelen om zich te verweren. Alle nieuwsberichten die niet gepubliceerd worden, alle toespraken of preken die niet gehouden worden en alle persconferenties die niet gegeven worden, kunnen bij elkaar een aanzienlijk cumulatief effect hebben op de publieke opinie. Zolang de oppositie stommetje speelt, trekt de regering aan het langste eind.

    Demoraliserend signaal

    Het meebuigen van vooraanstaande burgers geeft een intens demoraliserend signaal af aan de samenleving. De boodschap die eruit spreekt, is dat de Amerikaanse democratie het verdedigen niet waard is, of dat verzet zinloos is. Als de meest bevoorrechte mensen en organisaties niet willen of kunnen opkomen voor de democratie, wat verwachten we dan van de gewone burger?

    De tol van verzet is wel te dragen. En het afglijden naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. In Brazilië, Polen, Slowakije, Zuid-Korea en elders hebben democratische krachten het tij van de democratische neergang weten te keren. De Amerikaanse rechtspraak is nog steeds onafhankelijk en zal ongetwijfeld een aantal van de meest onrechtmatige regeringsmaatregelen tegenhouden. Maar rechters – nu ook zelf doelwit van dreigementen, intimidatie en zelfs arrestatie – kunnen de democratie niet in hun eentje redden. Bredere maatschappelijke oppositie is geboden.

    De meest uitgesproken oppositie komt momenteel niet van prominenten, maar van gewone burgers

    Ons maatschappelijk middenveld heeft genoeg financiële en organisatorische slagkracht om Trumps autoritaire offensief te weerstaan. Het telt honderden miljardairs, tientallen advocatenkantoren met een jaaromzet van een miljard dollar, ruim zeventienhonderd universiteiten en hogescholen, een enorm netwerk van kerken, vakbonden, particuliere stichtingen en non-profitorganisaties en een goed georganiseerde en goed gefinancierde oppositiepartij. Maar dan moeten die wel samen optrekken. Als ze zich samen inzetten voor de collectieve verdediging van de democratische rechtsstaat, dragen ze ook samen de tol van hun verzet. De regering kan niet iedereen tegelijk aanvallen.

    De meest uitgesproken oppositie komt momenteel niet van prominenten, maar van gewone burgers die zich roeren op bijeenkomsten van hun volksvertegenwoordigers. Onze leiders moeten hun voorbeeld volgen. De collectieve verdediging van de democratie heeft de meeste kans van slagen als prominente en bemiddelde mensen en organisaties, zij die het best bestand zijn tegen de klappen van de regering, ook meedoen aan de strijd.

    Er zijn tekenen dat ze wakker worden. Harvard weigert te voldoen aan eisen die de academische vrijheid ondermijnen. Microsoft heeft gebroken met een advocatenkantoor dat aan de regering toegeeft en in plaats daarvan een kantoor in de arm genomen dat het er juist tegen opneemt. Als de invloedrijkste leden van een samenleving in verzet komen, geven zij anderen politieke rugdekking. En dat stimuleert gewone burgers ook weer om mee te vechten. Het afglijden van de VS naar autoritarisme is niet onomkeerbaar. Maar niemand heeft ooit een autocratie verslagen vanaf de zijlijn.

  • Gaan de VS het Hongarije van Orbán achterna?

    Gaan de VS het Hongarije van Orbán achterna?

    MAGA-conservatievelingen zijn dol op Viktor Orbán. Maar dankzij hem is Hongarije inmiddels corrupt en verarmd en is de economie gestagneerd. Als Orbáns autoritaire overname als voorbeeld wordt genomen, ziet Anne Applebaum de toekomst van Amerika somber in.

    Sjieke hotels en dure restaurants bepalen tegenwoordig het aanzien van het centrum van Boedapest, een stad die ooit bekendstond om haar vervallen gevels. In het centrum van de stad zijn ook nieuwe monumenten verrezen. Een daarvan, een imitatie van het Vietnammonument in Washington D.C., is een eerbetoon aan het verloren gegane, negentiende-eeuwse Hongaarse Rijk. In plaats van namen van oorlogsslachtoffers staan er namen op van voormalige ‘Hongaarse’ plaatsen – dorpen en steden die nu in Roemenië, Slowakije, Oekraïne of Polen liggen. De in lange granieten muren gegraveerde namen vormen een plechtig eerbetoon met een eeuwig brandende vlam.

    Maar achter de nationalistische kitsch en de toeristische attracties gaat een heel andere realiteit schuil. Hongarije, dat ooit werd gezien als het rijkste land van Centraal-Europa (‘de gelukkigste barak in het socialistische kamp’ zoals het land tijdens de Koude Oorlog werd genoemd), en dat later het Centraal-Europese land was waar investeerders het meeste heil in zagen, is tegenwoordig een van de armste landen, om niet te zeggen hét armste land, van de Europese Unie.

    Orbán in Amerika

    De industriële productie neemt jaar na jaar af. De productiviteit is de laagste in de wijde omtrek. De werkloosheid neemt steeds meer toe. Ondanks alle grote woorden van de regeringspartij over traditionele waarden, krimpt de bevolking. Misschien komt dat doordat jonge mensen geen kinderen willen krijgen in een land waar twee derde van de inwoners het landelijke onderwijssysteem als ‘slecht’ betitelt en waar afdelingen van ziekenhuizen sluiten omdat er zo veel artsen zijn uitgeweken naar het buitenland. Misschien dat getalenteerde mensen niet in een land willen blijven dat al drie jaar op rij als het meest corrupte land binnen de EU wordt gezien. Zelfs de Index van Economische Vrijheid – die wordt gepubliceerd door de Heritage Foundation, de aan MAGA-gelieerde denktank achter Project 2025 – plaatst Hongarije helemaal onderaan de EU-lijst waar het de integriteit van de overheid betreft.

    Toeristen in het centrum van Boedapest merken niets van deze neergang. Net zo min als rechts Amerika, kennelijk. Want hoewel de premier van Hongarije, Viktor Orbán, geen minerale rijkdommen heeft weg te geven en niet over een noemenswaardig leger beschikt, speelt hij een buitenproportionele rol in het politieke debat in Amerika. Tijdens de presidentiële campagne van 2024 had Orbán diverse ontmoetingen met Donald Trump.

    Een Republikeins Congreslid omschreef het land als ‘een van de succesvolste modellen van conservatief bestuur’

    In mei 2022 organiseerde een pro-Orbán-denktank de rechtse Conservative Political Action Conference (CPAC) in Boedapest, en drie maanden later ging Orbán naar Texas om te spreken op de CPAC-conferentie in Dallas. Tijdens de derde editie van CPAC-Hongarije, vorig jaar, omschreef een Republikeins Congreslid het land als ‘een van de succesvolste modellen van toonaangevende conservatieve opvattingen en bestuur’. In een videoboodschap noemde Steve Bannon Hongarije ‘een inspiratiebron voor de hele wereld’. Kevin Roberts van de Heritage Foundation heeft, in weerwil van de analyse die zijn eigen instituut heeft gemaakt van de manier waarop Hongarije wordt bestuurd, het moderne Hongarije geprezen als ‘niet zomaar een model voor moderne staatskunde, maar hét model’.

    Orbáns autocratische overname

    Wat is dit dan voor model, dat zo veel bewondering oogst? Op de eerste plaats heeft het niets van doen met moderne staatskunde. Het is een zeer oude, zeer bekende blauwdruk voor een autocratische machtsovername, die is gehanteerd door zowel rechtse als linkse leiders, van Recep Tayyip Erdoğan tot Hugo Chávez.

    Na Orbáns herverkiezing in 2010 heeft hij stelselmatig ambtenaren vervangen door loyalisten; economische drukmiddelen en regelgeving ingezet om de vrije pers de mond te snoeren; universiteiten hun onafhankelijkheid ontnomen en zelfs een universiteit gesloten; het rechtssysteem gepolitiseerd; en meer dan eens de grondwet aangepast voor zijn eigen electorale gewin. 

    Orbáns autocratische overname is precies waar ze in Amerika zo’n bewondering voor koesteren

    Tijdens de coronaepidemie verleende hij zichzelf noodbevoegdheden, die hij tot op de dag van vandaag heeft gehouden. Hij is openlijk banden aangegaan met Rusland en China, heeft zich op EU-vergaderingen doen gelden als spreekbuis van het Russische buitenlandsbeleid en heeft schimmige Chinese investeerders toegang geboden tot zijn land.

    Deze autocratische overname is precies waar onder meer Bannon en Roberts zo’n bewondering voor koesteren, en het is precies wat ze nu zelf proberen te bewerkstelligen in Amerika. De uitholling van het ambtenarenapparaat is al gaande, de druk op de pers en de universiteiten wordt opgevoerd en er wordt ook al gesproken over grondwetswijzigingen. Maar we horen de pleitbezorgers van deze ideeën zelden over hoe het de Hongaarse economie is vergaan, of de gewone Hongaar, toen die wijzigingen eenmaal waren doorgevoerd. Evenmin kijken ze naar de tegenstellingen tussen Orbáns retoriek en de realiteit van zijn beleid. Orbán heeft het bijvoorbeeld heel veel over het weren van emigranten, maar op zeker moment heeft zijn regering visa verstrekt aan willekeurig welke inwoner van een land buiten de EU, als diegene voor 300.000 euro aan staatsobligaties kocht van geheimzinnige offshorebedrijven.

    Orbán en de oligarchie

    Orbán heeft de mond vol van familiewaarden, al geeft zijn regering per hoofd van de bevolking minder uit aan gezondheidszorg dan welk ander EU-land ook. Hij heeft ook de toegang tot IVF aan banden gelegd. En dan is er nog het beruchte geval van een man die seksueel misbruik van kinderen in tehuizen bleek te hebben toegedekt, maar die Orbán evengoed gratie verleende. 

    Orbán praat ook graag over ‘het volk’, terwijl hij zijn vrijwel absolute macht niet gebruikt om de Hongaarse welvaart te bevorderen maar om nog meer geld toe te spelen aan een klein groepje rijke zakenlieden, van wie sommige familie van hem zijn. In Boedapest worden deze oligarchen soms NER genoemd, of NER-mensen, of NERistani – bijnamen die zijn afgeleid van Nemzeti Együttműködés Rendszere, ofwel het Systeem van landelijke samenwerking, de Orwelliaanse naam die Orbán zijn politieke systeem heeft gegeven – en deze NERistani profiteren direct van hun nauwe banden met de leider.

    Direkt36, een van de weinige overgebleven teams van onderzoeksjournalisten in Hongarije, heeft onlangs een documentaire gemaakt, The Dynasty, waarin onder meer is te zien hoe aanbestedingen voor staats- en EU-contracten vanaf ongeveer 2010 bewust zo zijn opgezet dat Elios Innovatív, een energiebedrijf dat deels in handen is van Orbáns schoonzoon István Tiborcz, de opdrachten in de wacht zou slepen. De EU heeft uiteindelijk 35 contracten onderzocht en in vele daarvan onrechtmatigheden aangetroffen, naast bewijzen van belangenverstrengeling. (In een verklaring uit 2018 zei Elios dat hij alle wet- en regelgeving had nageleefd, wat ongetwijfeld waar is; het punt van dit systeem is nu juist dat het allemaal legaal is gemaakt.)

    Lőrinc Mészáros, ooit de rijkste man van Hongarije, heeft zijn rijkdom toegeschreven aan ‘God, geluk en Viktor Orbán’

    Dit is slechts een van de vele verhalen die Hongaren elkaar vertellen, maar niet in het openbaar. The Dynasty gaat ook over het Kisfaludy Tourism Development Programme, dat het toerisme diende te bevorderen en daartoe 316 miljard Hongaarse forinten (860 miljoen dollar) aan subsidies mocht verdelen. Twee derde daarvan ging naar 0,5 procent van de aanvragers; bijna een vijfde ging naar projecten waar Tiborcz iets mee van doen had, of mee van doen zou krijgen.

    Niet dat Tiborcz de enige is die zich mag verheugen in de vrijgevigheid van de overheid. Lőrinc Mészáros, ooit de rijkste man van Hongarije, een gasinstallateur die later ondernemer is geworden, en tevens een oude vriend van de premier, heeft zijn rijkdom ooit toegeschreven aan ‘God, geluk en Viktor Orbán.’ Andere gunstelingen komen en gaan, al naar gelang Orbáns grillige voor- en afkeuren. Een Hongaarse zakenman zei ooit tegen me dat ‘je kunt merken wie in de gunst is en wie niet door te kijken welke ondernemingen floreren. Als je in de gunst bent, groeit je bedrijf. Als je eruit ligt, zal je bedrijf krimpen. Dat is binnen een jaar of twee merkbaar.’

    Orbán en de ‘onvoorstelbare successen’

    Dergelijke vormen van corruptie zijn, zoals gezegd, meestal legaal omdat de wetten, contracten en aanbestedingsregels zo zijn opgesteld dat die ruimte er is. En zelfs als bepaalde activiteiten illegaal zouden zijn, zouden door de overheid gecontroleerde aanklagers geen onderzoek instellen. De corruptie vindt plaats op een dermate grote schaal dat de rest van de economie erdoor wordt verstoord. De Hongaarse zakenman en een Hongaarse econoom met wie ik heb gesproken – en die beiden absoluut anoniem wilden blijven, uit angst voor represailles – hadden onafhankelijk van elkaar berekend dat NERistan zo’n twintig procent van de Hongaarse economie uitmaakt.

    Dat wil zeggen, zo legde de econoom me uit, dat twintig procent van de Hongaarse bedrijven niet draait ‘op basis van marktwerking, niet op basis van verdiensten, maar feitelijk op basis van loyaliteit.’ De bedrijven hebben geen normaal personeelsbeleid en ze gebruiken geen echte businessmodellen, omdat ze niet zijn opgezet om efficiënt te zijn en winst te maken, maar om de kleptocratie te faciliteren – het doorsluizen van overheidsgeld naar de eigenaars van de bedrijven.

    Het Sovereignty Protection Office is een sinister orgaan dat onafhankelijke Hongaarse organisaties intimideert en zwartmaakt

    Niet dat het regime ooit zal toegeven dat de oligarchie een rol speelt binnen het systeem, of zelfs maar zal onderkennen dat Hongarije mogelijk aan de vooravond staat van een structurele crisis. Een andere Hongaarse econoom vertelde me dat Orbán altijd ‘een stralende toekomst’ voorspelt, met ‘successen, onvoorstelbare successen.’

    ‘Schenk ons alstublieft uw vertrouwen,’ zei Orbán begin 2023 tijdens zijn jaarlijkse toespraak. ‘Gelooft u mij: Tegen het einde van dit jaar zal de inflatie niet langer dubbele cijfers bedragen.’ Maar in 2023 bedroeg de jaarlijkse inflatie maar liefst dik 17 procent. In 2024 voorspelde de regering een groei van 4 procent; de werkelijkheid was 0,6 procent. Wie met tegengeluiden komt, zal vermoedelijk nauwelijks gehoord worden. Onafhankelijke economen worden zelden gevraagd in televisieprogramma’s en ze komen ook nauwelijks aan bod in de verschillende door de regeringspartij gecontroleerde media.

    Orbáns onderdrukking

    In februari 2024 heeft het regime het Sovereignty Protection Office in het leven geroepen, een sinister orgaan dat onafhankelijke Hongaarse organisaties intimideert en zwartmaakt. Sinds de Amerikaanse verkiezingen en de aanval op USAID heeft deze dienst haar inspanningen verdubbeld. De dienst richt zijn pijlen onder meer op de Hongaarse tak van Transparency International, de anticorruptieonderzoeksgroep, en op het portal voor onderzoeksjournalistiek Atlatszo.hu – en op willekeurig welke instelling die de waarheid zou kunnen vertellen over hoe het land werkelijk functioneert.

    Maar voor wie bereid is te kijken is die waarheid overal zichtbaar, aangezien de gunstelingen van dit corrupte systeem er geen enkel probleem mee hebben om te pronken met hun rijkdom. Toen ik tegen een Hongaarse vriend begon over alle glimmende hotelgevels in de binnenstad van Boedapest, snoof hij: ‘Ja, wat wil je, daar wonen al die NER-lui. Die willen dat alles blinkt.’ Bovendien hebben ze zelf een groot deel van die hotels in bezit. In The Dynasty, de documentaire, zitten ook beelden van de Hongaarse elite die feest in clubs en paleizen. De film is binnen een maand meer dan 3 miljoen keer bekeken, wat veel is voor een land met 9,6 miljoen inwoners. In de duizenden reacties op YouTube worden de Direkt36-journalisten bedankt dat ze de ‘echte waarheid’ hebben getoond, die nergens anders te zien is.

    Hongarije is in veel opzichten haast het tegenovergestelde van Amerika: het land is klein, arm en homogeen. Maar de film riep bij mij een angstig voorgevoel op. Terwijl Elon Musk, die door de overheid is ingehuurd, ons ambtenarenapparaat ontmantelt en beslissingen neemt over de ministeries die hem reguleren; terwijl de FBI en het ministerie van Justitie worden overgenomen door partizanen die nooit hun collega’s zullen vervolgen voor corruptie; terwijl inspecteurs-generaal worden ontslagen en wetgeving over belangenverstrengeling aan de laars wordt gelapt, tolt Amerika in sneltreinvaart richting Hongaars populisme, Hongaarse politiek en een Hongaars rechtssysteem. Dat betekent ook dat ons Hongaarse stagnatie, Hongaarse corruptie en Hongaarse armoede staan te wachten.

  • Erdoğans laatste zet naar autocratie

    Erdoğans laatste zet naar autocratie

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar Turkije, waar grote protesten zijn uitgebroken nadat Erdoğan zijn grootste politieke rivaal Ekrem Imamoğlu vorige week woensdag heeft gearresteerd. Wat is er gebeurd en wat betekent dit voor het land?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    Wat is er gebeurd?

    Slechts enkele dagen voordat de belangrijkste oppositiepartij van Turkije haar presidentskandidaat zou kiezen, werd de belangrijkste kandidaat, de burgemeester van Istanbul Ekrem Imamoğlu, vorige week woensdag gearresteerd en gevangengezet. ‘Met deze schaamteloze daad van politieke onderdrukking heeft de Turkse regering een gedenkwaardige stap gezet in de richting van een volwaardige autocratie’, schrijft Foreign Affairs. Volgens het Amerikaanse tijdschrift was dit een berekende zet van Erdoğan. Op dinsdag trok Imamoğlu’s alma mater, de Universiteit van Istanbul, zijn diploma in – volgens de wet moeten Turkse presidentskandidaten in het bezit zijn van een universitair diploma. De volgende dag werd Imamoğlu gearresteerd op beschuldiging van corruptie en terrorisme. ‘Deze gerechtelijke uitspraken weerhouden hem niet alleen van zijn presidentiële ambities, maar ontheffen hem ook van zijn positie als burgemeester van de grootste stad en economische grootmacht van Turkije.’

    Imamoğlu was een van de meer dan honderd mensen, waaronder andere politici en journalisten, die in hechtenis werd genomen in het kader van een grootschalig onderzoek. Het hoofd van het Openbaar Ministerie in Istanbul beschuldigt Imamoğlu van ‘het oprichten van een criminele organisatie, het aannemen van steekpenningen, afpersing, het onrechtmatig vastleggen van persoonlijke gegevens en het manipuleren van een aanbesteding’. Het openbaar ministerie sprak ook het ‘sterke vermoeden’ uit dat Imamoğlu betrokken was bij ‘het helpen van een gewapende terroristische organisatie’, een verwijzing naar vermeende banden met pro-Koerdische groepen, aldus Politico

    ANP 522944054 1
    Ekrem Imamoğlu tijdens een toespraak in Istanbul in 2019. – © Ozan Kose / AFP

    Imamoğlu vecht al jaren tegen de rechtbank. Nadat hij in 2019 de kandidaat van Erdoğan had verslagen bij de burgemeestersverkiezingen, moest hij zich enkele maanden later opnieuw verkiesbaar stellen nadat de autoriteiten de uitslag ongeldig hadden verklaard. In 2022 werd hij veroordeeld tot meer dan twee jaar gevangenisstraf, in afwachting van hoger beroep, nadat hij de ambtenaren die zijn eerste overwinning ongeldig hadden verklaard ‘dwazen’ had genoemd. Hij won de lokale verkiezingen van vorig jaar en bezorgde de CHP de beste verkiezingsuitslag sinds de jaren 1970, aldus The Economist. ‘Dat Imamoğlu zo lang heeft kunnen overleven, is precies wat hem zo gevaarlijk heeft gemaakt voor de leider van Turkije en zo aantrekkelijk voor de kiezers. Al maanden heeft hij in de peilingen een comfortabele voorsprong op Erdoğan.’

    In berichten op sociale media bekritiseerde Imamoğlu zijn arrestatie als een ‘zwarte vlek op onze democratie’ en zei hij dat de gerechtelijke procedure niet werd gevolgd. Op zondag bepaalde de rechtbank dat hij zonder borgtocht opgesloten moest worden in afwachting van zijn proces onder verdenking van corruptie. De beschuldiging van terrorisme werd echter ingetrokken. Een Turkse rechtbank hield de aanklacht van corruptie staande en zei: ‘Hoewel er een sterke verdenking is van het helpen van een gewapende terroristische organisatie, wordt (zijn arrestatie) in dit stadium niet nodig geacht, omdat al besloten is dat hij gearresteerd zal worden voor misdrijven van financiële aard.’ Omdat Imamoğlu niet werd beschuldigd van terreur, zal de rechtbank geen regeringscommissaris kunnen benoemen voor de gemeente Istanbul, meldt Al Jazeera.

    ‘Turkije nadert een punt waarop er geen weg terug meer is’

    The Economist schrijft dat ‘Turkije een punt nadert waarop er geen weg terug meer is’. Vorige week was de Turkse regering nog wat politicologen een ‘concurrerend autoritair regime’ noemen: hoewel Erdoğan ongecontroleerde uitvoerende macht heeft en de facto controle heeft over de rechtbanken en het grootste deel van de media, zijn de verkiezingen grotendeels vrij gebleven. ‘Maar op 19 maart arresteerde de politie Imamoğlu, samen met tientallen anderen, waaronder zijn topadviseurs en andere lokale functionarissen. Wat overblijft komt dicht in de buurt van een volledige autocratie.’ Foreign affairs vult aan: ‘Door de burgemeester van Istanbul buiten de politiek te zetten, heeft de regering de grens overschreden die het autoritaire systeem van Turkije scheidt van een volledige autocratie naar Russisch model, waarin de president zijn tegenstanders uitkiest en verkiezingen puur voor de show zijn.’

    Wat zijn de reacties op de aanhouding?

    De arrestaties hebben geleid tot de grootste protesten in Turkije in meer dan tien jaar. Demonstranten zijn in botsing gekomen met politieagenten die gewapend waren met waterkanonnen en traangas, aldus BBC. Er zouden volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken inmiddels meer dan veertienhonderd mensen gearresteerd zijn. ‘Dit gaat niet meer alleen om Imamoğlu. Het gaat over een strijd voor democratie en gelijke rechten,’ aldus een demonstrant tegen The Guardian

    Aanhangers van de burgemeester zeiden dat driehonderdduizend mensen zich vrijdagavond hadden aangesloten bij een protest in Istanbul. De Turkse autoriteiten namen extra maatregelen om de groeiende protesten de kop in te drukken. Zo blokkeerden ze het verkeer dat over de twee bruggen naar het stadhuis in Istanbul rijdt en sloten ze verschillende doorgangen in de buurt af met rijen oproerpolitie. ‘Nu de regering de steun van de kiezers heeft verloren en afstand heeft genomen van het volk, probeert ze de samenleving met geweld en repressie weer op het rechte pad te krijgen. Deze leiders wisten dat ze geen kans zouden maken om te winnen of zelfs maar de 30 procent te halen als er vrije verkiezingen zouden zijn’, schrijft een columnist van het linkse Turkse dagblad Birgün.

    ANP 523007985 1
    Demonstranten en oproerpolitie tijdens een protest in Istanbul, Turkije op 23 maart 2025. – © Pavel Nemecek / CTK Foto/Pavel Nemecek

    De protesten zijn de grootste die het land heeft gezien sinds de Gezi-protesten van 2013, die in Istanbul ontstonden naar aanleiding van de sloop van een plaatselijk park. De staat reageerde destijds hardhandig – veiligheidstroepen doodden verschillende mensen, verwondden duizenden demonstranten en verrichtten massa-arrestaties, aldus Foreign Affairs. Sindsdien heeft Erdoğan openbare bijeenkomsten aan banden gelegd om ervoor te zorgen dat demonstraties nooit meer dezelfde omvang bereiken.

    De regering heeft afgelopen week enkele socialmedia-accounts van oppositieleden geblokkeerd en WhatsApp een aantal keer uit de lucht gehaald. Regeringsgezinde media hebben de straatprotesten gemeden, schrijft Politico. In een scherpe waarschuwing aan de demonstranten voor de mogelijke gevolgen van hun acties, omschreef Erdoğan de demonstraties als ‘straatterreur’ en had hij ook een boodschap voor de CHP waartoe zijn gearresteerde rivaal behoort. ‘We zullen zeker niet toestaan dat de CHP en haar aanhangers de openbare orde en de vrede van onze natie verstoren door middel van provocaties,’ zei de president in een bericht dat op X werd geplaatst.

    ‘Erdogan wil misschien op Poetin lijken, maar Turkije is Rusland niet’

    In een gebaar van verzet kondigde de CHP aan dat ze door zou gaan met haar voorverkiezing op 23 maart. De CHP nodigde alle Turken – niet alleen partijleden – uit om deel te nemen en Imamoğlu als kandidaat te kiezen. Volgens de nieuwswebsite Turkish Minute stemden ongeveer 15 miljoen mensen zondag bij de door CHP georganiseerde symbolische voorverkiezing om massaal hun steun te betuigen  aan de onlangs afgezette burgemeester van Istanbul.

    Internationaal blijven de reacties zo goed als uit, merkt The Guardian op. ‘Ondanks de binnenlandse verontwaardiging over de detentie van Imamoğlu, bleef de internationale reactie gematigd.’ Een woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN zei te hopen dat ‘de normale regels voor een eerlijk proces worden gevolgd’, terwijl Tammy Bruce, woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, zei dat Washington ‘geen commentaar zal geven op de interne besluitvormingsprocessen van een ander land’.

    Hoe gaat Turkije nu verder?

    Turkije staat op een kritiek punt. Volgens de Turkse grondwet mag een president maximaal  twee termijnen dienen en de huidige termijn van Erdoğan eindigt in 2028. Als het parlement vraagt om vervroegde verkiezingen, zou de eenenzeventigjarige Erdoğan zich legaal opnieuw verkiesbaar kunnen stellen voordat zijn tweede termijn afloopt. 

    Erdoğan heeft vaker zijn toevlucht genomen tot extreme maatregelen om zichzelf en zijn partij voor te blijven. In de gemeenteraadsverkiezingen van 2019 in Istanbul, toen Imamoğlu de kandidaat van Erdoğans partij versloeg, eisten ze een herhaalde verkiezingen – die Imamoğlu opnieuw won, met ditmaal een grotere marge. De gevaarlijkste tactiek van Erdoğan is echter het arresteren van zijn sterke rivalen. Selahattin Demirtas, de charismatische Koerdische politicus die Erdoğan uitdaagde in de presidentsverkiezingen van 2014 en 2018, zit sinds 2016 achter de tralies (hij voerde zijn tweede campagne vanuit de gevangenis) op beschuldiging van terrorisme. Imamoğlu werd in 2022 ook veroordeeld tot een gevangenisstraf. Maar omdat de zaak nog in hoger beroep loopt, heeft de veroordeling de burgemeester er niet van weerhouden om zich opnieuw verkiesbaar te stellen.

    ANP 523024669 1
    De Turkse president Erdoğan spreekt het kabinet toe na de kabinetsvergadering in het presidentiële complex in Ankara, Turkije op 24 maart 2025. – © Utku Ucrak / Anadolu

    Erdoğan speelt een risicovol spel. Maar als hij slaagt, gaat hij de volgende verkiezingen in tegen een tegenstander die hij zelf heeft uitgekozen, waardoor zijn bewind voor het leven is veiliggesteld. ‘Erdoğan is nu gevaarlijk dicht bij het bereiken van wat hij wil, en hij volgt een vergelijkbaar pad als Poetin in Rusland om dat doel te bereiken’, schrijft Foreign Affairs. Twee decennia geleden was Rusland niet de strak gecontroleerde autocratie die het nu is. De economie van het land bloeide en Poetin was populair, dus hij tolereerde enige oppositie en liet delen van het democratische systeem intact. Maar na de financiële crisis van 2008, toen de economische groei stagneerde en protesten tegen de regering uitbraken, reageerde Poetin met repressie. ‘En in 2020 verstevigde hij zijn heerschappij als onbetwiste alleenheerser.’

    Maar toch is er een groot verschil tussen de twee. ‘Erdoğan wil misschien op Poetin lijken, maar Turkije is Rusland niet’, analyseert Foreign Affairs. In tegenstelling tot Rusland, dat leeft van de rijkdom aan grondstoffen, is de Turkse economie sterk afhankelijk van buitenlandse investeringen. Steeds meer investeerders vluchten naarmate het land autoritairder wordt, en een volledige autocratie zal er maar weinig terugbrengen. ‘De Turkse economie zou in een crisis blijven steken. En zelfs een sterke leider moet resultaten boeken om zijn greep op de macht te behouden.’

    Ook het Turkse volk bijt van zich af. ‘Wat de regering niet inziet, is dat ze oorlog voert tegen de meerderheid van de bevolking die repressie openlijk afwijst’, schrijft een columnist in Birgün. ‘Zijn tijd raakt dus op. Onder deze omstandigheden is het niet langer mogelijk om te praten over wetten, een grondwet of vrije verkiezingen. Maar één ding weten we: moed is minstens zo besmettelijk als angst.’

  • Tunesië: Kais Saied algemeen uitgeroepen tot winnaar verkiezingen

    Tunesië: Kais Saied algemeen uitgeroepen tot winnaar verkiezingen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Hooggerechtshof in Georgia herstelt verbod op abortus na zes weken

    » Rusland beveelt de arrestatie bij verstek van twee Italiaanse journalisten

    De opkomst was met 27,7 procent bijzonder laag

    Aan het einde van een verkiezingsdag die werd gekenmerkt door een lage opkomst van 27,7 procent, was het geen verrassing dat de zittende president Kais Saied won, met 89,2 procent van de stemmen in zijn voordeel. De lage opkomst van dit jaar is volgens experts een uiting van de ontevredenheid onder de bevolking en laat zien dat veel Tunesiërs het vertrouwen in de politiek verloren hebben.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De officiële resultaten werden maandagavond gepubliceerd, meldt Middle East Eye, dat het Noord-Afrikaanse land betitelt als een ‘groeiende autocratie’. De nieuwssite wijst erop dat Saied, een voormalig professor in de rechten die in 2019 werd verkozen, het parlement in 2021 heeft ontbonden.

    Slechts drie tegenstanders mochten zich dit jaar verkiesbaar stellen. Dit recht werd verleend door een commissie waarvan de leden allemaal door de president waren benoemd. Een van de twee kandidaten die zich uiteindelijk kandidaat stelde, zat in de gevangenis.

  • Paul Kagame, de autocraat die het Westen fascineert 

    Paul Kagame, de autocraat die het Westen fascineert 

    Rwanda dient als voorbeeld op het continent: stabiel, veilig, arm maar met veel ontwikkelingsmogelijkheden. Welke prijs heeft het land hiervoor betaald? Le Monde deed onderzoek naar de excessen van het regime van Paul Kagame.

    De jaren verstrijken, maar het ritueel blijft hetzelfde. Op 7 april, op de dag af dertig jaar na het uitbreken van de genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda, wakkerde Paul Kagame de vlam van de herdenking weer aan bij het Gisozi Memorial, waar de stoffelijke overschotten begraven liggen van 250.000 van de 800.000 mannen, vrouwen en kinderen die in 1994 in honderd dagen tijd methodisch werden afgeslacht. 

    Tijdens de genocide ‘heeft de internationale gemeenschap ons allemaal in de steek gelaten, uit minachting of uit lafheid’, verklaarde de Rwandese president enkele uren later voor een publiek van vooraanstaande personen, waaronder Bill Clinton, Nicolas Sarkozy, voorzitter van de Afrikaanse Unie, Moussa Faki Mahamat en talrijke Afrikaanse staatshoofden. Zij werden verantwoordelijk gehouden voor de medeplichtige passiviteit van de verschillende landen.

    Landen van wie Paul Kagame inmiddels een belangrijke partner is geworden. In dertig jaar tijd heeft Rwanda onder zijn onbuigzame bewind een metamorfose ondergaan. Van een failliete, op sterven na dode staat die werd geteisterd door de meest barbaarse daden die een bevolking heeft moeten doorstaan sinds de Shoah, dient het land nu als voorbeeld op het continent; stabiel, veilig, arm maar met veel ontwikkelingsmogelijkheden.

    ‘Chaos’

    Tegen welke prijs is dit gebeurd? Sinds enkele maanden onderzoeken Le Monde, Forbidden Stories en een consortium van internationale media de donkere kant van het Rwandese regime, de speciale partner van veel westerse landen. Een land waarvan de naam op de shirts van PSG prijkt, maar dat dissidente stemmen controleert en opjaagt, zelfs in het buitenland, met name dankzij spyware. Het is een land dat zich onmisbaar heeft gemaakt voor missies van de Verenigde Naties in Afrika, maar tegelijkertijd een sleutelrol speelt in de oorlog die woedt in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC), waar Rwanda actief een rebellenbeweging steunt die er vele doden, honderdduizenden ontheemden en een van de ernstigste humanitaire crises ter wereld veroorzaakt.

    Wat bijdraagt aan de fascinatie van het Westen voor Rwanda, is dat slechts één man deze metamorfose belichaamt: Paul Kagame, die het land in 1994 bevrijdde, toen hij als leider van een opstand de strijdkrachten van de genocidale regering versloeg. Als Tutsi-kind uit een gedecimeerde familie is heeft hij een zeer complexe achtergrond, waarvan hij echter weigert slachtoffer te zijn. Hij stippelt zijn eigen koers uit en duldt daarbij geen tegenstand of protest.

    De verkiezingen op 15 juli zijn dan ook een uitgemaakte zaak. In 2000 werd Paul Kagame gekozen door het parlement. Maar sinds de invoering van het algemeen kiesrecht dateert zijn slechtste verkiezingsresultaat uit 2010: ‘slechts’ 93 procent van de stemmen bij een opkomst van 88 procent. De keer erna, in 2017, bedroeg het percentage 98,63. En zo zal het in 2024 ongetwijfeld ook gaan. Een grondwetswijziging die in 2015 per referendum werd aangenomen (met 98 procent van de stemmen) verkortte de presidentiële ambtstermijn van zeven naar vijf jaar. Maar door de herziening werden alle presidentschappen die Paul Kagame tot dan toe bekleedde tenietgedaan. De ‘baas’ kan nu nog twee termijnen van vijf jaar aan de macht blijven, tot 2034.

    Hoe dan ook moet de waarheid niet in de grondwet worden gezocht, maar in het hoofd van de Rwandese leider. Gevraagd naar de geheimen van zijn lange bestuursperiode legde Paul Kagame eind maart uit dat hij nog geen ‘opvolger’ had gevonden. Iemand die, net als hij, ‘stevig genoeg is om een post-genocidale samenleving te besturen waarin de slachtoffers en daders van misdaden naast elkaar leven met totaal verschillende verwachtingen’. ‘Natuurlijk zou iemand mijn plaats kunnen innemen en de dingen heel anders aanpakken: de beulen zouden worden opgehangen, de slachtoffers zouden vergelding krijgen. Er zou chaos ontstaan,’ voegde hij eraan toe.

    HRW voorspelt dat ‘Rwanda’s staat van dienst op het gebied van persvrijheid hoogstwaarschijnlijk verder zal verslechteren’

    Hoe bepaal je je plaats en laat je je stem horen als niet van het officiële verhaal mag worden afgeweken? Omdat ze deze regel overtrad, werd oppositiepolitica Victoire Ingabire in 2013 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens een ‘samenzwering om de regering te destabiliseren’ en vanwege ‘het ontkennen van genocide’. Het proces werd door Amnesty International als ‘oneerlijk’ omschreven. Omdat haar burgerrechten haar werden ontnomen, kon ze zich niet kandidaat stellen voor de presidentsverkiezingen van 2024.

    Frank Habineza staat aan het hoofd van de Democratische Groene Partij van Rwanda, de enige oppositiepartij die in het parlement vertegenwoordigd is, met twee parlementsleden op een totaal van tachtig. In 2010 vluchtte hij naar Zweden, kort na de nog steeds onopgehelderde dood van de vicevoorzitter van zijn partij, wiens bijna onthoofde lichaam in een moeras werd gevonden. Hijzelf had anonieme bedreigingen ontvangen. Nu is hij weer presidentskandidaat – hij won 0,43 procent van de stemmen in 2017 –, maar, weet Frank Habineza, slechts als figurant. In een op 18 januari gepubliceerd rapport voorspelt mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) dat ‘Rwanda’s staat van dienst op het gebied van persvrijheid hoogstwaarschijnlijk verder zal verslechteren, tenzij de rechterlijke macht onafhankelijk gaat optreden en journalisten vrijlaat die in strijd met hun recht op vrijheid van meningsuiting gevangen zijn gezet, en tenzij de autoriteiten voor eens en altijd ophouden journalisten aan te vallen’. HRW uitte vooral bezorgdheid over het lot van journalist en YouTube-presentator Dieudonné Niyonsenga, ook bekend onder het pseudoniem Cyuma Hassan, die sinds 2021 gevangenzit onder omstandigheden die als ‘onmenselijk’ worden omschreven. 

    In hetzelfde rapport veroordeelt de ngo ook ‘het gebrek aan transparantie van de autoriteiten met betrekking tot de verdachte dood in 2023 van een onderzoeksjournalist, John Williams Ntwali’; een sterfgeval waardoor ‘Rwanda’s slechte staat van dienst op het gebied van mediavrijheid nog verder verslechterde’, benadrukte HRW. Eerder, in 2010, werd Jean-Léonard Rugambage doodgeschoten, en in 2011 Charles Ingabire (geen familie van Victoire Ingabire), een overlevende van de genocide. Wanneer niet-Rwandese organisaties hem ter verantwoording roepen, antwoordt Paul Kagame dat ze ‘zich moeten bezighouden met de situatie in de landen waar ze vandaan komen’.

    Pegasus-spionagesoftware

    Om zijn tegenstanders in de gaten te houden maakt Rwanda onder meer gebruik van Pegasus, een zeer geavanceerd spionageprogramma voor telefoons dat op de markt is gebracht door het Israëlische bedrijf NSO Group. Hoewel de autoriteiten het gebruik ervan eerder hebben ontkend, is uit onderzoek van Forbidden Stories en Le Monde gebleken dat het is ingezet tegen dissidenten van het regime. De vrijwel enige partij in het land controleert en organiseert het leven van de Rwandezen, van de kleinste administratieve afdeling tot de hoogste politieke echelons. Ook de economie wordt nog steeds gedomineerd door bedrijven die banden hebben met de staat, zoals Crystal Ventures, de ondernemerstak van het RPF, die zowel actief is in de financiële sector als in de voedingsindustrie en de mijnbouw en die de afgelopen jaren zijn activiteiten heeft gediversifieerd naar het buitenland. 

    Maar het land bevindt zich niet in een vacuüm. Er is iets van een publiek debat aan het ontstaan. Paul Kagame bevordert een vorm van een participatiedemocratie, waarvan transparantie in het bestuur een van de pijlers is. In tegenstelling tot de systemen in de buurlanden, die bol staan van corruptie en nepotisme, moeten ministers in ‘start-up nation’ Rwanda verantwoording afleggen over de jaarlijkse doelstellingen die op het hoogste niveau worden vastgesteld. Elke ambtenaar, groot of klein, weet dat hij bij de minste geringste fout lager op de ladder belandt. Wee degene die geen verklaring kan geven voor zijn gebrek aan resultaten tijdens de jaarlijkse introspectieronde, waar Paul Kagame meedogenloos toezicht op houdt. Alleen hijzelf kan de dans ontsnappen.

    Benjamin Chemouni, docent en onderzoeker aan de Universiteit van Leuven en samensteller van een nummer van tijdschrift Politique africaine over Rwanda sinds de genocide, schrijft: ‘Het is moeilijk om een ander machtscentrum in Rwanda te creëren nadat enkele RPF-zwaargewichten die openlijk hun onenigheid met hem hebben geuit werden gevangengenomen en vermoord.’

    De behandeling van het Rwanda National Congress (RNC), een oppositiegroep die officieel in de Verenigde Staten is opgericht door voormalige aanhangers van Paul Kagame, is hierbij exemplarisch. In december 2010 hekelden de oprichters van het RNC ‘een extremistische politiestaat met één partij achter een democratische façade’.

    Amper een maand na de lancering van deze zelfbenoemde pacifistische beweging werden vier van de oprichters – generaal Kayumba Nyamwasa (voormalig stafchef van het Rwandese leger), Theogene Rudasingwa (voormalig secretaris-generaal van de RPF), Gerald Gahima (voormalig procureur-generaal) en Patrick Karegeya (voormalig hoofd van de buitenlandse inlichtingendienst) – veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens ‘bedreiging van de staatsveiligheid, bevordering van etnische verdeeldheid en belediging van de president’. Drie jaar later werd Patrick Karegeya, die de RPF mede met Paul Kagame heeft opgericht, doodgewurgd gevonden in een hotelkamer in Johannesburg, Zuid-Afrika, waar hij in ballingschap leefde. 

    In dit geval en in andere gevallen is de verantwoordelijkheid van het Rwandese regime nooit precies vastgesteld. Maar de opmerkingen van Paul Kagame de dag na de dood van zijn voormalige kameraad klinken als een waarschuwing voor ieder die hem in de weg staat. ‘Waarom zouden we willen rouwen om het lot van een man die opdracht gaf tot moorddadige granaataanvallen?’ verklaarde hij. 

    Hij verwees naar een reeks dodelijke aanvallen in Kigali begin 2010, die door de autoriteiten werden toegeschreven aan RNC-aanhangers. ‘Terrorisme heeft een prijs, verraad heeft een prijs. (…) Ieder krijgt de dood die hij verdient’, aldus de voormalige guerrillastrijder, die bekendstaat om zijn woedeaanvallen.

    ‘We werden er altijd op de een of andere manier aan herinnerd dat we hier niet hoorden, dat we hier niet hoorden te zijn’

    De agressie van deze uitspraken wordt geëvenaard door de gewelddadige gebeurtenissen die zijn leven hebben gekenmerkt; regionale oorlogen en guerrillaoorlogen sinds het midden van de jaren tachtig, de genocide die in 1994 werd gepleegd tegen de Tutsi’s, zijn gemeenschap. 

    Maar hoewel het lot van deze in 1957 in Ruhango (Zuidelijke Provincie) geboren man nu verweven is met dat van zijn land, bracht hij de eerste helft van zijn leven in het buitenland door; in Oeganda. Hij was vier toen zijn ouders vluchtten voor het anti-Tutsi-geweld tijdens de Muyaga, de ‘sociale revolutie’ die werd geleid door een deel van de Hutu-bevolking – de meerderheid in het land – tegen het feodale systeem dat werd gedomineerd door de Tutsi’s. De moeder van Paul Kagame was een nicht van de laatste koningin van Rwanda. Zijn vader behoorde tot de adel.

    Er volgden lange jaren van degradatie in kampen voor stateloze Rwandese Tutsi-vluchtelingen. Zijn vader, Deogratias, stierf toen Kagame vijftien was. ‘Ik rebelleerde tegen alles in mijn leven in die tijd. We werden er altijd op de een of andere manier aan herinnerd dat we hier niet hoorden, dat we hier niet hoorden te zijn. We hadden geen thuis,’ vertelt Kagame aan Stephen Kinzer, zijn biograaf in A Thousand Hills. Rwanda’s Rebirth and the Man Who Dreamed It (John Wiley & Sons, 2008).

    Zijn vriend Fred Rwigema, een opgewekt en charismatisch figuur, en net als hij vluchteling, haalde hem eind jaren zeventig over om bij het leger te gaan en vervolgens om zich aan te sluiten bij de National Resistance Army (NRA). Deze Oegandese guerrillagroep stond toen nog in de kinderschoenen en werd geleid door Yoweri Museveni. In januari 1986 trokken Yoweri Museveni (sindsdien president van Oeganda) en Paul Kagame zegevierend Kampala binnen. Kagame werd benoemd tot hoofd van de inlichtingendienst van het Oegandese leger. De stafchef was niemand minder dan zijn vriend Fred Rwigema. Voormalige NRA-guerrilla’s beschrijven Paul Kagamee als een man van puriteinse soberheid en compromisloze discipline; eigenschappen die hem nooit steeds kenmerken.

    Hoewel Rwanda een ingesloten land is, heeft het het hoogste groeipercentage van alle landen in de Oost-Afrikaanse gemeenschap

    Profiterend van hun respectieve posities en bekendheid binnen de Rwandese diaspora, legden Paul Kagame en Fred Rwigema vervolgens de basis voor de RPF, een politiek-militaire structuur met veel invloeden, van marxisme tot pan-Afrikanisme, met als doel het Hutu-regime in Kigali omver te werpen. De RPF viel Rwanda aan op 1 oktober 1990. De volgende dag werd ‘Fred Rwigema, die het bevel voerde over de binnenvallende troepen, onder duistere omstandigheden gedood door een van zijn eigen officieren. Zoals veel andere gebeurtenissen op Paul Kagames weg naar de macht werd deze moord nooit opgehelderd’, schrijft historicus Gérard Prunier in een artikel dat in 2018 werd gepubliceerd op de website van het Institut Montaigne.

    De burgeroorlog was begonnen. Vier jaar later zou deze leiden tot genocide, een wervelwind van ongebreidelde haat, georkestreerd door de Hutu-autoriteiten, waarbij 800.000 Tutsi’s werden afgeslacht, ongeacht leeftijd of geslacht, met machetes en schoffels. Het was een misdaad der misdaden, een genocide die van dichtbij werd gepleegd, tussen buren, onder de neus van een internationale gemeenschap die toekeek. 

    Het was een van de gebeurtenissen die maakten dat Kagame enkel op zichzelf vertrouwt, een gevoel tijdens zijn Oegandese jaren al ontstond. ‘De minachting die hij voelt voor de internationale gemeenschap, haar diplomatieke cynisme en haar humanitaire hypocrisie is het gevolg van zijn ervaring met de Oegandese burgeroorlogen tussen 1978 en 1986’, schrijft Gérard Prunier. ‘Oeganda was in de jaren zeventig en tachtig een jungle bezaaid met lijken, waar iedereen elkaar verraadde. De internationale gemeenschap waste haar handen in onschuld toen die periode voorbij was’, aldus de historicus.

    Het duurde ook nog lang totdat de internationale gemeenschap dit land, dat op instorten staat, na de genocide te hulp schiet. Paul Kagame maakte een eigen plan, waarvoor hij zijn inspiratie ver weg zocht; in Singapore, waar hij de ontwikkelingsmethode bestudeerde van wijlen Lee Kuan Yew, de onbetwistbare premier (van 1959 tot 1990) van deze kleine republiek.

    Om er weer bovenop te komen, zet Rwanda in op technologische vooruitgang en de ‘verantwoordingsplicht’ van de staat tegenover investeerders, internationale financiële instellingen en bilaterale partners. Door de nieuwe generatie en door actief in te spelen op de diaspora, die werd aangemoedigd om terug te keren, was Paul Kagame in staat om een jonge technocratische garde te promoten die alles aan hem te danken heeft en zich inzet voor verandering. 

    En het gezicht van het land is veranderd: veiligheid op straat, minder corruptie, schone steden, verbeteringen van vervoer, onderwijs en volksgezondheid, een flinke toename van luxueus toerisme, bevordering van groenfinanciering en een verbod op plastic tassen. Rwanda, dat er regelmatig van wordt beschuldigd de minerale rijkdommen van zijn Congolese buurland te plunderen, wil zichzelf positioneren als regionaal centrum voor mineraalverwerking. Het hypergecentraliseerde Singaporese model werkt. Ondanks het feit dat Rwanda een ingesloten land is, heeft het het hoogste groeipercentage van alle landen in de Oost-Afrikaanse gemeenschap.

    Maar voor de rest, en vooral voor de dodelijke etnische ideologie, is de lijn ongrijpbaar. Paul Kagame verwoordde het in 2014, in een interview met het tijdschrift Jeune Afrique, als volgt: ‘De Rwandese identiteit die wij voorstaan behelst niet de ontkenning van diversiteit. Je kunt beweren dat je Tutsi, Hutu of Twa bent, zolang dat maar niet ten koste gaat van anderen. Dat is alles en dat is duidelijk.’ 

  • Extreem weer werkt regeringsonderdrukking in eilandstaten in de hand

    Extreem weer werkt regeringsonderdrukking in eilandstaten in de hand

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Nieuwe doodstraffen uitgedeeld in Iran

    » Oekraïne en Rusland wijzen naar elkaar in raketincident

    Regeringshulp? Burgerlijke vrijheden ingeperkt

    Natuurrampen kunnen volgens nieuw onderzoek leiden tot een toename van autocratieën. De vrees bestaat dat de klimaatcrisis dit alleen maar zal verergeren, aldus The Guardian.

    Het onderzoek, dat deze maand is gepubliceerd in het Journal of Development Economics, onderzocht gegevens van 47 kleine eilandstaten, onder meer in de Stille Oceaan, Zuidoost-Azië en het Caribisch gebied, van 1950-2020. Zo werd het verband geschat tussen extreme weersomstandigheden, zoals cyclonen en zware stormen, en de mate van democratie in een land.

    Mehmet Ulubaşoğlu, hoogleraar economie aan de Australische Deakin University, is een van de coauteurs van het rapport. ‘Na een natuurramp is er vaak sprake van een soort wederzijds overeengekomen onderdrukking, tussen de regering en de bevolking. De regering komt tussenbeide om hulp te bieden, maar ziet dit ook als een kans politieke en burgerlijke vrijheden te beperken.’

    Tegen de tijd dat je begint te herstellen van de storm is er weer een nieuwe storm en begint het opnieuw

    De onderzoekers geven aan dat hun bevindingen tot op zekere hoogte verklaren waarom stormgevoelige kleine eilandlanden over de hele wereld, zoals Haïti, Fiji en de Filippijnen, lange tijd politiek onderdrukt zijn gebleven. Ulubaşoğlu: ‘Je kunt niet echt je hoofd omhoog houden als burgers, want tegen de tijd dat je begint te herstellen van de storm is er weer een nieuwe storm en begint het opnieuw.’

    De situatie kan verergeren door de klimaatcrisis. ‘Er gaan mensenlevens en eigendommen verloren, de infrastructuur wordt aangetast, maar deze schokken treffen ook het politieke systeem. Dat is de overkoepelende les hier.‘

    De inzet van het leger in de nasleep van een natuurramp vaak dient om de democratische praktijken in de landen uit te hollen, aldus Ulubaşoğlu. ‘Het leger is uiteraard getraind voor deze noodsituaties en veel landen over de hele wereld zet hun leger in bij rampen. Maar de vraag is hoe je ze na de rampen weer terug naar hun kazernes krijgt. Deze stormautocraten lijken dit rampenmilitarisme naar een hoger niveau te tillen.’

  • ‘We staan aan het begin van een nieuw tijdperk van pure machtspolitiek’

    ‘We staan aan het begin van een nieuw tijdperk van pure machtspolitiek’

    De democratische achteruitgang is zo ernstig dat autocraten nu openlijk staatsgrepen plegen, verkiezingen stelen en andere landen binnenvallen, stelt Yascha Mounk in The Atlantic aan de kaak. ‘Despotische leiders van Myanmar tot Nicaragua voelen zich niet langer verplicht de schone schijn op te houden.’

    Vladimir Poetin houdt de schijn niet meer op. Maandenlang beweerde de Russische president dat hij slechts geïnteresseerd was in de veiligheid van zijn land. Maandenlang verzekerde hij de wereld dat hij geïnteresseerd was in een diplomatieke oplossing. Maandenlang hoonde hij waarschuwingen over een dreigende Russische invasie in Oekraïne weg. 

    Vervolgens gaf hij bevel tot een grootschalige aanval op een soevereine natie. Russische raketten bliezen doelen op in belangrijke steden als Kyiv, Lviv en Charkov. Russische troepen trokken in hoog tempo Oekraïens grondgebied binnen. Er is weer oorlog in het hart van Europa.

    Hoewel Poetin bleef volhouden dat het een ‘speciale militaire operatie’ betrof, was het duidelijk de bedoeling dat de wereld zijn boodschap zou horen. De wereldorde van na de val van de Sovjet-Unie is verleden tijd. Poetin is niet langer bereid zijn ambities te laten fnuiken door zelfs maar de meest elementaire internationale normen – zoals het verbod op verovering van grondgebied met militaire middelen. 

    We staan aan het begin van een nieuw tijdperk van pure machtspolitiek.

    Democratische recessie

    De aanval op Oekraïne viel samen met de lang geplande publicatie van het jaarlijkse rapport van de Amerikaanse waakhond Freedom House over de staat van de democratie in de wereld. Terwijl het rapport op 24 februari net na middernacht op de website van de ngo verscheen, zond CNN livebeelden uit van Russische troepen die de grens overstaken en van donkere rookwolken die boven Oekraïense steden opstegen. 

    Op basis van uitgebreid onderzoek naar de ontwikkelingen over de gehele aardbol, concludeert Freedom House dat de wereld het zestiende achtereenvolgende jaar is ingegaan van wat politicoloog Larry Diamond een ‘democratische recessie’ heeft genoemd. In 2021 was het aantal landen waar de democratie verloren dreigt te gaan wederom veel groter dan het aantal landen waar de democratie zich ontplooit. 

    In zestig landen zijn de burgerrechten verslechterd en democratische instellingen beknot, waarbij Afghanistan, Nicaragua, Tunesië en Soedan de kroon spannen. Aan het begin van de democratische recessie leefde ongeveer de helft van de wereldbevolking in een land dat als ‘vrij’ werd bestempeld. Inmiddels leeft nog maar twee op de tien mensen in een ‘vrij’ land, vier op de tien in ‘halfvrije’ landen zoals India, en nog eens vier op de tien in ‘onvrije’ landen zoals Saoedi-Arabië. 

    Voor alle aanvallen op de democratie uit het afgelopen jaar geldt dat ze steeds brutaler zijn geworden

    Ook nu weer vertonen landen waarvan de democratische instellingen door politicologen als stabiel werden beschouwd – dat wil zeggen dat het zeer onwaarschijnlijk werd geacht dat ze in de nabije toekomst zouden wankelen – serieuze tekenen van zwakte en instabiliteit. Zo verstoorde een aanslag op het Amerikaanse Capitool, op 6 januari 2021, de vreedzame machtsoverdracht in de Verenigde Staten, die lange tijd als het prototype van de duurzame democratie werden beschouwd.

    De interessantste bevindingen van het rapport helpen de tragische gebeurtenissen in Oost-Europa in een bredere context te plaatsen. De ogenschijnlijke plannen van Rusland om delen van Oekraïne in te lijven zijn een grove schending van het internationale recht, maar voor alle aanvallen op de democratie uit het afgelopen jaar geldt dat ze steeds brutaler zijn geworden. Nu de democratie overal ter wereld in een crisis verkeert, steken antidemocraten hun autocratische ambities niet langer onder stoelen of banken. 

    Tijdens de Koude Oorlog zijn tal van democratische regeringen waarin antidemocraten openlijk het gebruik van politiek geweld omarmden, onder wapengekletter gesneuveld. Maar in de afgelopen decennia kwamen dictators in spe meestal via de stembus aan de macht, door (relatief) vrije en eerlijke verkiezingen te winnen. Pas daarna begonnen zij de macht naar zich toe te trekken, onafhankelijke instellingen uit te hollen en de vrijheid van meningsuiting dusdanig in te perken dat ze niet meer langs democratische weg uit het zadel konden worden gelicht. 

    Staatsgrepen

    Midden jaren tachtig was het aantal landen dat een democratische verschraling beleefde hoog, maar het aantal militaire staatsgrepen bleef laag. In 2021 daarentegen telde maar liefst zeven coups, het hoogste aantal sinds het jaar 2000. In onder andere Myanmar, Soedan en Mali hebben militairen het afgelopen jaar hun favoriete politieke leider met geweld aan de macht geholpen. 

    De democratische normvervaging heeft er ook voor gezorgd dat zittende (minister-)presidenten harder kunnen optreden. In de periode vlak na de Koude Oorlog hadden zelfs dictators het gevoel dat ze de schijn van democratie moesten ophouden. Politieke leiders deden meestal hun best om de illusie van democratische legitimiteit in stand te houden. Hoewel deze democratische geloofsbelijdenissen nooit oprecht waren, vormden ze voor autoritaire regimes een prikkel om oppositieactivisten of gewone burgers niet al te openlijk of al te wreed te onderdrukken. Dat is nu aan het veranderen.

    In Rusland zijn Aleksej Navalny en veel van zijn aanhangers in de cel beland en is zijn organisatie van de verkiezingen uitgesloten

    Hoewel bijvoorbeeld de Russische oppositie lange tijd onder extreem moeilijke – en gevaarlijke – omstandigheden moest opereren, konden enkele partijen die kritisch tegenover Poetin stonden soms meedoen aan de verkiezingen. Zo niet in 2021, toen Aleksej Navalny en veel van zijn aanhangers in de cel belandden en zijn organisatie van de verkiezingen werd uitgesloten. 

    En bij de Nicaraguaanse verkiezingen van dit jaar, om nog een voorbeeld te noemen, arresteerden de sandinistische leiders een aantal oppositiekandidaten op grond van valse beschuldigingen. ‘Verkiezingen hebben autoritaire leiders lange tijd een schijn van legitimiteit gegeven’, schrijven Sarah Repucci en Amy Slipowitz van Freedom House. ‘Maar naarmate de internationale normen in de richting van autocratie verschuiven, worden deze schijnvertoningen steeds wranger.’ 

    Een ander treurig stemmend aspect van het rapport is dat het aantal landen dat democratischer wordt, de laatste tijd drastisch is gedaald. In 2006, het eerste jaar van de democratische recessie, bewogen 56 landen in de richting van meer vrijheid en democratie. Vorig jaar gold dat nog maar voor 25 landen. 

    De Amerikaanse droom

    Aan het einde van de Koude Oorlog wezen alle tekenen in de richting van democratie. De Amerikaanse droom, de welvaart uit Hollywoodfilms en de in de Bill of Rights vastgelegde vrijheden werden overal ter wereld nagejaagd. Ook andere stabiele en succesvolle westerse democratieën vormden een inspiratiebron voor democratische gezinde inwoners van andere landen. Met de Verenigde Staten als enige supermacht werden de geopolitieke ambities van dictators, die zich min of meer gedwongen zagen met een fluwelen vuist te regeren, ingetoomd.

    De veranderingen van de afgelopen drie decennia hebben de aantrekkingskracht van democratie wezenlijk verminderd. Wie in de eerste plaats geïnteresseerd is in materiële rijkdom, kan zich tegenwoordig in welvarende autocratieën als China of de Verenigde Arabische Emiraten vestigen; voor veel inwoners van de allerarmste landen is de droom van het goede leven niet langer synoniem aan leven in een democratisch land. Veel democratieën worden nu verscheurd door scherpe tegenstellingen en worstelen met binnenlandse spanningen die de stabiliteit bedreigen; ook in de VS staan de democratische instellingen onder druk. Daarbij wordt aan de poten van de democratische wereld gezaagd door een opkomend China en een revanchistisch Rusland; de autocraten op deze aardbol kunnen voor economische investeringen, militair materieel en internationale legitimiteit terecht bij opkomende autoritaire regimes. 

    Despotische leiders van Myanmar tot Nicaragua voelen zich niet langer verplicht de schone schijn op te houden

    Daarom voelen dictators zich vrij om hun masker af te werpen. Despotische leiders van Myanmar tot Nicaragua voelen zich niet langer verplicht de schone schijn op te houden of het ministerie van Buitenlandse zaken gunstig te stemmen. En die dictators die over aanzienlijke militaire slagkracht beschikken, zoals Vladimir Poetin, proberen de wereldorde nu naar hun hand te zetten. 

    De democratie krijgt er een tegenspeler bij op het wereldtoneel. In de komende decennia zal er niet alleen fysiek strijd worden geleverd tussen democratieën en autocratieën op belangrijke slagvelden zoals Oekraïne, maar ook intellectueel, tussen de voorvechters van democratie en diegenen die het zelfbeschikkingsrecht van een volk resoluut naar de prullenmand verwijzen.

    Lees ook:

  • Europees Parlement bestempelt Hongarije als ‘geen democratie meer’

    Europees Parlement bestempelt Hongarije als ‘geen democratie meer’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De wereldeconomie stevent af op recessie in 2023

    » Perseverance vindt mogelijk organisch materiaal op Mars

    Hongarije is een ‘electorale autocratie’, concludeert EU-rapport

    Hongarije kan niet langer als een democratie worden beschouwd en de Europese waarden in het land worden systematisch bedreigd, aldus het Europees Parlement in een donderdag aangenomen verslag, bericht Politico. Momenteel, concludeert het rapport, is Hongarije een ’electorale autocratie’ geworden.

    De actie van het Parlement zal waarschijnlijk niet leiden tot specifieke straffen

    De motie – die werd aangenomen met 433 stemmen voor, 123 tegen en 28 onthoudingen – ‘is de zoveelste symbolische berisping van de EU-instellingen aan het adres van Hongarije, dat al jaren te kampen heeft met verwijten over de rechtsstaat’, schrijft de website. Maar de actie van het Parlement zal waarschijnlijk niet leiden tot specifieke straffen.

    In hun verslag noemen de parlementsleden een reeks punten van zorg – van het functioneren van het kiesstelsel van het land tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ze uiten ook hun bezorgdheid over de academische en religieuze vrijheid en de rechten van kwetsbare bevolkingsgroepen, aldus Politico.

    Lees ook:

  • Autocratieën en fossiele brandstoffen gaan hand in hand

    Autocratieën en fossiele brandstoffen gaan hand in hand

    Democratieën boeken meer vooruitgang in de strijd tegen klimaatverandering dan autocratieën. Maar desinvesteringscampagnes kunnen ook de meest recalcitrante politiek leiders onder druk zetten.

    Op het eerste gezicht leek de klimmaattop van afgelopen herfst in Glasgow veel op zijn vijfentwintig voorgangers. Er waren:

    • een conferentiezaal ter grootte van een vliegdekschip waar breed werd uitgepakt door dubieuze partijen (zoals een gigantisch paviljoen van de Saoedi’s waar een ‘agenda voor een circulaire koolstofeconomie’ werd gepromoot);
    • eskaders van afgevaardigden die zich continu naar geheimzinnige sessies spoedden waar gepronkt werd met de resultaten van allerhande internationale milieubeschermingsprogramma’s, terwijl de echte onderhandelingen in een paar achterkamertjes plaatsvonden; 
    • oprechte betogers met uitstekende protestborden (‘De verkeerde Amazon brandt af’).

    Maar terwijl ik door de zalen en de omliggende straten dwaalde, viel me opnieuw op hoeveel er was veranderd sinds de laatste grote milieuconferentie in Parijs in 2015, en niet alleen omdat de CO2-niveaus en de temperaturen almaar hoger waren geworden.

    De grootste verandering betrof het politieke klimaat. In die paar jaar leek de wereld een sterke ommezwaai te hebben gemaakt van democratie naar autocratie, wat onze mogelijkheden om de klimaatcrisis te lijf te gaan dramatisch heeft beperkt. Allerlei oligarchen hadden de macht gegrepen en gebruikten die om de status quo te handhaven; de hele bijeenkomst had iets Potemkinachtigs, alsof iedereen zinnen uit een scenario opzei dat de feitelijke politieke situatie van de planeet niet langer weerspiegelde.

    Nu we hebben gezien hoe Rusland een oliegestookte invasie in Oekraïne heeft ondernomen worden we eens te meer met onze neus op deze trend gedrukt, maar Poetin is lang niet het enige geval. Hier volgen nog wat voorbeelden.

    ‘Alleen God…’

    In 2015 in Parijs stond de Braziliaanse delegatie onder leiding van Dilma Roussef van de Arbeiderspartij, die een grote rol had gespeeld bij de beperking van de ontbossing van het Amazonegebied. In sommige opzichten kon Brazilië claimen dat het meer had gedaan om de klimaatschade te beperken dan enig ander land, simpelweg door de houtkap af te remmen. Maar in 2021 had Jair Bolsonaro de leiding, het hoofd van een regering die opkwam voor elke grote veeboer en mahoniestroper in het land. Als mensen zo begaan waren met het klimaat, zei hij, dan konden ze minder eten en ‘om de dag poepen’. En als ze zo begaan waren met de democratie, dan konden ze… de gevangenis in. ‘Alleen God kan me het presidentschap ontnemen,’ verkondigt hij in aanloop naar de verkiezingen dit jaar.

    Of neem India, dat gezien de verwachte toename van zijn energieverbruik misschien wel het land is waar het allemaal om draait en dat de Indiase Greta Thunberg zelfs een visum had geweigerd om de conferentie bij te wonen. (In elk geval zat Disha Ravi niet langer in de gevangenis.)

    Of Rusland (waarover straks meer) of China; tien jaar geleden konden we, zij het enigszins voorzichtig en niet geheel risicoloos, nog klimaatbetogingen in Beijing houden. Dat laat je nu wel uit je hoofd.

    Of, natuurlijk, de VS, waarvan de ernstige democratische gebreken lange tijd de klimaatonderhandelingen hebben gehinderd. Dat we het moeten doen met een systeem van vrijwillige toezeggingen in plaats van een bindende wereldwijde overeenkomst komt doordat de wereld uiteindelijk doorkreeg dat er nooit 66 stemmen in de Amerikaanse Senaat te vinden zouden zijn voor een echt verdrag.

    Die andere Joe

    Joe Biden had verwacht bij de gesprekken te arriveren met het Build Back Better-investeringsplan in zijn achterzak, dat op tafel te gooien en tegen de Chinezen op te bieden, maar die andere Joe, Joe Manchin uit West Virginia, de grootste individuele ontvanger van fossielebrandstofgelden in Washington DC, stak daar een stokje voor. In plaats daarvan verscheen Biden met lege handen en liepen de gesprekken uit op een zeperd.

    De bevolking snakt naar actie tegen klimaatverandering

    En dus stonden we oog in oog met een wereld waarvan de bevolking snakte naar actie tegen klimaatverandering, maar waarvan de systemen daarin niet voorzagen. In 2021 hield het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) een opmerkelijke wereldwijde opiniepeiling, waarbij de vragen via videogamenetwerken werden gesteld om ook mensen te bereiken die niet zo snel reageren op traditionele enquêtes. Zelfs tijdens de covidpandemie noemde 64 procent van de respondenten de klimaatverandering een ‘wereldwijde noodtoestand’ en drongen ze aan op een ‘veelomvattend klimaatbeleid dat verder gaat dan het huidige gefröbel’. Volgens UNDP-directeur Achim Steiner ‘laten de uitslagen van de enquête duidelijk zien dat acute klimaatactie overal te wereld brede steun geniet, ongeacht nationaliteit, leeftijd, geslacht of opleidingsniveau’.

    Het ironische is dat sommige milieubeschermers zo nu en dan naar minder democratie hebben verlangd, niet naar meer. Natuurlijk, als er overal alleen maar sterke mannen aan de macht waren, dan konden die gewoon de moeilijke beslissingen nemen en ons op het rechte pad brengen, zonder dat we last hadden van de voortdurende grillen van verkiezingen, lobbyisten en plaatselijke overheden.

    Verkeerd

    Maar dit is om minstens één morele reden verkeerd: sterke mannen die in staat zijn onmiddellijk tegen de klimaatcrisis in actie te komen zijn ook in staat op veel andere gebieden onmiddellijk in actie te komen, waarvan de bevolking van Xinjiang en die van Tibet zouden kunnen meepraten als ze hun mond mochten opendoen. Het is ook verkeerd om een aantal praktische redenen.

    Die praktische redenen beginnen met het feit dat autocraten rekening moeten houden met gevestigde belangen. Modi maakte tijdens zijn campagne om premier van de grootste democratie ter wereld te worden gebruik van de zakenjet van Adani, het grootste steenkolenbedrijf van het subcontinent. En reken maar dat er een fossiele lobby in China is; die vertelt Xi op ditzelfde moment dat economische groei afhankelijk is van meer steenkool.

    Autocraten zijn vaak een rechtstreeks uitvloeisel van fossiele brandstoffen

    Daar komt bij dat autocraten vaak een rechtstreeks uitvloeisel van fossiele brandstoffen zijn. Olie en gas zijn geconcentreerd op een paar plekken op de wereld, en daarom krijgen de mensen die erbovenop wonen of die plekken op een andere manier in hun greep hebben enorme hoeveelheden onterechte en ongebreidelde macht.

    Boris Johnson was kortgeleden in Saoedi-Arabië om wat koolwaterstoffen te ritselen, de dag nadat de koning 81 mensen die hem niet aanstonden had laten onthoofden. Zou iemand ook maar enige aandacht aan de Saoedische koninklijke familie besteden als ze geen olie bezaten? Nee. Net zomin als dat de gebroeders Koch de Amerikaanse politiek zouden hebben kunnen domineren op grond van hun ideeën; toen David Koch in 1980 een libertaire gooi naar het Witte Huis deed kreeg hij bijna geen stemmen. Dus besloten hij en zijn broer Charles van hun inkomsten als Amerika’s grootste olie- en gasbaronnen de Republikeinse Partij op te kopen, en de rest is (disfunctionele) politieke geschiedenis.

    Het behoeft nauwelijks betoog dat het opvallendste voorbeeld van dit fenomeen Vladimir Poetin is, een man wiens macht vrijwel geheel berust op de productie van spul dat je kunt verbranden. Als ik door mijn huis loop, vind ik volop elektronica uit China, textiel uit India, allerlei spullen uit de EU, maar niets waar ‘made in Russia’ op staat. Zestig procent van de export waarmee hij zijn leger bekostigt is afkomstig van olie en gas, en al het politieke machtsvertoon waardoor het Westen zich laat koeioneren vloeit voort uit het feit dat hij de gaskraan in handen heeft. Hij en zijn afschuwelijke oorlog zijn het product van fossiele brandstoffen, en zijn belangen in fossiele brandstoffen hebben de rest van de wereld in belangrijke mate gecorrumpeerd. 

    Despotisme

    Laten we niet vergeten dat Donald Trumps eerste minister van Buitenlandse Zaken, Rex Tillerson, drager is van de Orde van Vriendschap, persoonlijk op zijn revers gespeld door Poetin als dank voor de enorme investeringen die Tillersons bedrijf (lees: Exxon) in het noordpoolgebied heeft gedaan, een regio die inmiddels rijp is voor exploitatie omdat hij, eh, is gesmolten. En die jongens laten elkaar niet barsten: het is volkomen logisch dat toen Coca-Cola, Pepsi, Starbucks en Amazon Rusland vorige maand verlieten, Koch Industries bekendmaakte dat ze bleven waar ze waren. Het familiebedrijf is tenslotte begonnen met het bouwen van raffinaderijen voor Stalin.

    Je kunt ook zeggen dat koolwaterstoffen van nature goed samengaan met despotisme omdat ze over een grote energiedichtheid beschikken en daarom erg waardevol zijn; geografisch en geologisch gezien is de doorvoer ervan relatief gemakkelijk. Eén pijpleiding, één olieterminal volstaan.

    Zon en wind zijn veel democratischer: die zijn overal beschikbaar en diffuus

    Terwijl zon en wind in dit opzicht veel democratischer zijn: die zijn overal beschikbaar en diffuus in plaats van geconcentreerd. Ik kan geen olieput in mijn achtertuin hebben omdat daar, zoals in bijna alle achtertuinen, geen olie zit. En zelfs als er een olieput was, zou ik wat ik oppompte aan een raffinadeur moeten verkopen, en aangezien ik Amerikaan ben, zou dat vermoedelijk een bedrijf van Koch zijn. Maar wel kan ik een zonnepaneel op mijn dak hebben (en dat heb ik ook); mijn vrouw en ik runnen onze eigen minuscule oligarchie, geïsoleerd van de marktkrachten die de Poetins en de Kochs ontketenen en exploiteren. De kosten van zonne-energie zijn dit jaar niet gestegen, en zullen dat volgend jaar ook niet doen.

    Vuistregel

    Een vuistregel is dat gebieden met de gezondste democratieën die het minst worden gegijzeld door gevestigde belangen het succesvolst zijn in de strijd tegen klimaatverandering. Kijk wereldwijd maar naar IJsland of Costa Rica, in Europa naar Finland en Spanje, in de VS naar Californië en New York. Dus milieuactivisten moeten zorgen dat ze voor functionerende democratische staten werken, waar een werkzame toekomst belangrijker is dan gevestigde belangen, ideologie en persoonlijk leengoed.

    Maar gezien de fysische tijdsbeperkingen – de alom aanwezige noodzaak om snel actie te ondernemen – kan dat niet de hele strategie zijn. De activisten zijn misschien wel een beetje te veel gefocust geweest op de politiek als bron van verandering en hebben onvoldoende oog gehad voor dat andere machtscentrum in onze beschaving: geld.

    Als we de financiële reuzen van deze wereld er op een of andere manier toe zouden kunnen overhalen of dwingen om te veranderen, zou dat ook tot snelle vooruitgang leiden. Misschien nog wel snellere, omdat een hoog tempo eerder het kenmerk van de beursvloer is dan van een parlement.

    En hier is de situatie een klein beetje rooskleuriger. Neem mijn eigen land. De politieke macht heeft zich in de meest Republikeinse, meest corrupte delen van Amerika gevestigd. De senatoren die relatief gesproken een handjevol mensen in dunbevolkte staten in het westen vertegenwoordigen zijn in staat ons politieke leven lam te leggen, en die senatoren staan bijna allemaal op de loonlijst van grote oliemaatschappijen. Maar het geld dat is vergaard in de Democratische delen waar op Biden wordt gestemd, is goed voor zeventig procent van de economie.

    Dat is één reden waarom sommigen van ons zo hard hebben gewerkt aan campagnes voor bijvoorbeeld desinvestering in fossiele brandstoffen; we hebben grote overwinningen geboekt bij pensioenfondsen in New York en het onmetelijke universiteitssysteem van Californië, zodat we de grote oliemaatschappijen flink onder druk hebben kunnen zetten. Nu doen we hetzelfde met de grote banken die de financiële levensader van de olie-industrie vormen. We beseffen heel goed dat we Montana of Mississippi misschien nooit aan onze kant zullen krijgen, dus kunnen we beter een paar oplossingen bedenken die daar niet van afhankelijk zijn.

    Wereldwijd

    Hetzelfde geldt wereldwijd. We zullen misschien niet in staat zijn onze zaak in Beijing of Moskou te bepleiten, en ook in Delhi lukt dat steeds minder. Alleen al om die reden is het nuttig dat de geldpotten in Manhattan, in Londen, in Frankfurt en in Tokio blijven. Daar kunnen we tenminste nog wat lawaai maken.

    En het zijn plekken waar een reële kans bestaat dat dat lawaai wordt gehoord. Regeringen zijn geneigd mensen te bevoordelen die hun fortuin al hebben gemaakt, industrieën die al bloeien: zij hebben werknemers die en bloc naar de stembus gaan, en zij kunnen zich het smeergeld veroorloven. Maar investeerders gaat het om bedrijven die hierna geld zullen verdienen. Daarom is Tesla op de beurs veel meer waard dan General Motors, zij het niet in de zalen van het Amerikaanse Congres.

    Als we de wereld van het geld kunnen overhalen om in actie te komen, kan het heel snel gaan

    Bovendien, als we de wereld van het geld kunnen overhalen om in actie te komen, kan het heel snel gaan. Als bijvoorbeeld Chase Bank, momenteel de grootste geldschieter ter wereld van de fossiele-brandstofindustrie, dit jaar zou aankondigen dat die steun in hoog tempo zal worden afgebouwd, dan zou dat nieuws zich binnen enkele uren naar alle aandelenbeurzen verspreiden. Daarom vonden sommigen van ons het de moeite waard om steeds grotere campagnes tegen deze financiële instellingen te lanceren, en zich vanuit hun lobby’s naar de gevangenis te laten afvoeren.

    De wereld van het geld is minstens even onevenwichtig en oneerlijk als de wereld van de politieke macht, maar op zo’n manier dat milieuactivisten er iets gemakkelijker vooruitgang kunnen boeken.

    Groteske oorlog

    Poetins groteske oorlog is misschien de plek waar sommige van deze losse draden bij elkaar komen. Het is een illustratie van de manier waarop fossiele brandstof autocratie in de hand werkt, en van de macht die autocraten ontlenen aan de controle over schaarse middelen. Het heeft ons ook laten zien dat de macht van financiële systemen de meest recalcitrante politieke leiders onder druk kan zetten: Rusland wordt op een systematische en effectieve manier afgestraft door banken en bedrijven, al zouden die nog veel meer kunnen doen, zoals mijn Oekraïense collega Svitlana Romanco en ik kortgeleden hebben betoogd. Ook kan de schok van de oorlog de vastbeslotenheid en eensgezindheid van de resterende democratieën op de wereld versterken en, zo mogen we hopen, de aantrekkingskracht van aspirant-despoten als Donald Trump verminderen.

    Maar we hebben jaren, geen decennia, om de klimaatcrisis tot op zekere hoogte een halt toe te roepen. Momenten als dit zullen we niet meer krijgen. De dappere bevolking van Oekraïne vecht misschien wel voor meer dan ze zelf beseft.

    Lees ook: