Tag: Bangladesh

  • 1. De stille strijd voor het recht om te leven

    1. De stille strijd voor het recht om te leven

    Meer dan 5000 moeders sterven elk jaar in Bangladesh bij de bevalling. Vroedvrouwen moeten levens redden – maar ze moeten zich ook verdedigen tegen vooroordelen van artsen en families. Zo worden ze voortrekkers van de emancipatie.

    Ze trekt haar witte kiel over haar hoofd, pakt haar stethoscoop in en verlaat de kraamkliniek in Dhaka, Bangladesh. De hete lucht van de hoofdstad waar 8 miljoen mensen wonen waait Afroja Akter tegemoet. Het riekt naar uitlaatgassen en rijpe bananen. Vandaag bezoekt de vroedvrouw een jongetje van zeventien dagen oud. De kelderkamer is donker. De ventilator snort tegen de middaghitte.

    ‘Zuster, kijk eens,’ zegt Afroja tegen de moeder terwijl ze het gezichtje van de zuigeling streelt. ‘Zijn oogwit is geelachtig. Hij heeft daglicht nodig.’

    ‘Maar ik kan niet naar buiten,’ zegt de 25-jarige. ‘Buiten zijn zoveel mensen.’

    ‘’s Morgens tien minuten, dat is genoeg,’ zegt Afroja.

    Afroja Akter, 23 jaar oud, in roze hoofddoek en roze gewaad, werkt sinds acht maanden als vroedvrouw. In die tijd heeft ze ongeveer honderd baby’s ter wereld gebracht. Ze geeft zwangere vrouwen voorlichting over geelzucht bij pasgeborenen en helpt moeders bij de borstvoeding. Geboortebegeleiding, preventieve zorg en nazorg – het zijn dezelfde diensten die ook opgeleide vroedvrouwen in Kaapstad, Londen of Hamburg aanbieden.

    Het verschil is dat dit beroep in Bangladesh tot acht jaar geleden niet bestond. Afroja Akter behoort tot de pioniersters in deze professie. De wens kwam vanuit de politiek, om de sterfte onder jonge moeders in het land terug te dringen. Maar Afroja is niet alleen aangesteld in de strijd tegen de vermijdbare dood. Haar beroep heeft in het islamitische land een neveneffect: het emancipeert Afroja en haar collega’s – en meteen ook de jonge moeders van de wijk.

    Een goed alternatief

    Bangladesh heeft de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondertekend, waarvan ook de verbetering van gezondheidszorg voor moeders deel uitmaakt. Het sterftecijfer in het land was sinds de jaren negentig voortdurend gedaald. Maar het streefdoel van de VN – een vermindering van de sterfte met driekwart – haalde het land niet. Per jaar sterven hier meer dan 5000 vrouwen aan complicaties bij de bevalling [ter vergelijking: is Nederland zijn dat er minder dan tien]. De meesten bloeden dood. Voor 2015, zo kondigde de premier Sheikh Hasina toen aan, zouden er 3000 vroedvrouwen aan het werk gaan. Het idee daarachter was simpel: de meeste moeders stierven in de landen met de minste vroedvrouwen.

    Maar de praktische uitvoering in het dichtbevolkte Bangladesh was ingewikkelder. Bijna de helft van alle vrouwen bevalt thuis, ondersteund door ongekwalificeerde helpsters. Velen leven verstoken van medische zorg, en zijn moeilijk bereikbaar. Vaak staat de man niet toe dat de vrouw naar het ziekenhuis gaat. Een reden zijn ook de kosten. Het aantal keizersneden ligt in veel privéziekenhuizen in de buurt van 80 procent. En die zijn tienmaal zo duur als een natuurlijke bevalling. Sommige kraamafdelingen hebben wel operatiekamers, maar geen zaal met kraambedden.

    Afroja’s vader, een handelaar in fietsonderdelen, wilde dat zijn middelste dochter medicijnen ging studeren. Maar haar schoolcijfers waren niet goed genoeg. ‘Deze opleiding was een goed alternatief,’ zegt ze. De drie jaren waren kosteloos, gefinancierd onder andere door het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar wat een vroedvrouw precies is, begreep Afroja pas toen ze bijvoorbeeld leerde hoe hormonen die de borstvoeding regelen beïnvloed worden door huidcontact.

    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures
    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures

    Ook veel burgers weten niet wat een vroedvrouw precies doet. Familieleden vragen bij de geboorte geïrriteerd waar de dokter blijft, vertelt Afroja. Een keer riep een schoonmoeder uit: ‘Hoe moet dit kleine meisje, ongetrouwd en kinderloos, onze kleinzoon op de wereld brengen?’ Afroja, 1 meter 52 lang en tenger als een dertienjarige, lacht. Intussen is ze er wel aan gewend. ‘Ik leg steeds weer uit dat ik voor bevallingen ben opgeleid.’

    Haar kennis van zaken heeft haar zelfverzekerder gemaakt. Tegenwoordig slaat ze haar blik niet meer neer, ook niet wanneer ze argumenten tegen tradities inbrengt of over seks praat. Ze legt families uit dat pasgeborenen geen honing verdragen. Velen geloven dat kinderen daar zoeter van worden.

    Als Afroja een vrouw naar het ziekenhuis verwijst omdat ze syfilis vermoedt, zegt ze: neem je man mee. Wat ze niet zegt is dat de echtgenoot, een riksjarijder, het waarschijnlijk bij prostituees heeft opgelopen. Bij een huisbezoek vertrouwt een textielarbeidster, in de vierde maand van haar zwangerschap, Afroja haar angst toe. Ze is bang dat het weer een miskraam wordt. ‘Als ik slaap merk ik dat mijn man aan mijn buik luistert of hij de baby hoort,’ fluistert ze. Maar haar gebrek aan eetlust en haar knagende angst met hem bespreken? Ze houdt haar sjaal voor haar mond. O nee, dat gaat niet. ‘Wij zijn allemaal vrouwen. Je hoeft je niet te schamen,’ zegt Afroja.

    Afroja is een stille strijdster voor de rechten van vrouwen. ‘De meesten weten gewoon niet beter,’ zegt ze op weg naar de kraamkliniek. Ze weet dat ze haar taal moet aanpassen. Bovendien heeft ze het vertrouwen van de wijk nodig. Ook daarom wordt ze bij haar visites altijd begeleid door een medewerkster van de gemeente die in de betreffende buurt is opgegroeid.

    ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig’

    Afroja werkt zes dagen in de week, ze moet dagelijks drie uur door de chronische verkeersopstoppingen van Dhaka rijden. Ze heeft klem zittende baby’s uit moeders bevrijd, bloedingen gestopt en beslist wanneer de vrouwen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis moeten. Ze is trots op zichzelf: bij haar is geen moeder gestorven.

    Tijdens de nachtdienst slaapt ze in de behandelkamer van het geboortecentrum op de vloer. Ze verdient omgerekend 270 euro per maand; slechts ongeveer een derde meer dan textielarbeidsters. Toch zegt ze: ‘Ik heb mijn doel bereikt.’ Ze is de uitzondering onder haar voormalige vriendinnen uit de klas. Die zijn bijna allemaal getrouwd en hebben geen vak geleerd. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen trouwen ligt in Bangladesh in de buurt van negentien jaar. Ook daarom moesten de vroedvrouwen zich verplichten, tijdens hun opleiding niet te trouwen. ‘Het huwelijk sluit veel vrouwen op achter de voordeur,’ zegt Afroja.

    Statistisch is nog niet na te gaan hoe de vroedvrouwen de sterftecijfers onder moeders in Bangladesh beïnvloeden. Rondi Anderson, de vroedvrouwenspecialiste van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties in Dhaka, hoopt dat dit over ongeveer tien jaar mogelijk is. In totaal had men ongeveer 20.000 vroedvrouwen nodig om alle vrouwen te kunnen bedienen. Tot op heden is slechts een tiende van dat aantal gerealiseerd. Daar komen andere problemen bij. Er zijn geen ervaren collega’s die pas opgeleide vrouwen kunnen instrueren. Veel klinieken zetten de vroedvrouwen weer als verpleegster in, en niet in de ruimte waar de bevallingen plaatsvinden. Bovendien ontbrak het aan medicijnen, vertelt Rondi Anderson: ‘Bangladesh staat nog aan het begin.’

    Aangekomen

    Maar alleen al in Afroja’s kleine kraamkliniek werden verleden jaar meer dan 500 baby’s geboren. De families lijken er dus voor open te staan, de bevalling zonder artsen en traditionele helpsters te laten plaatsvinden. Ook al is er zeker nog een tweede generatie vroedvrouwen nodig om het beroep ingeburgerd te krijgen – Afroja Akter lijkt door de vrouwen in de wijk geaccepteerd te worden.

    ‘Jij weet het beste wat goed is voor jouw zoon,’ bemoedigt ze de moeder wiens baby aan geelzucht lijdt. ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig.’ Dan zet ze de weegschaal klaar. 3,2 kilo. De zuigeling is aangekomen. De moeder belooft dat ze de volgende dag naar buiten zal gaan. Tien minuten, heel vroeg in de ochtend.

    Auteur: Fiona Weber-Steinhaus
    Vertaler: Piet Meeuse

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages.

  • Myanmars onopgeloste kwesties

    Myanmars onopgeloste kwesties

    Volgens historicus Thant Myint-U ligt de oorzaak van het huidige etnische conflict in Myanmar, de exodus van 120.000 Rohingya naar Bangladesh, in het koloniale en xenofobe verleden van het land. Een geschiedenisles.

    In 1935 nam het Britse parlement de Government of Burma Act aan; halverwege 1937 veranderde Birma van een provincie van het Indiase rijk in een soort dominion: een autonoom onderdeel van de Gemenebest, met een deels gekozen regering, een parlement en een gouverneur die rechtstreeks verantwoording schuldig was aan Londen. Het was bedoeld als een eerste stap naar autonomie en een erkenning van Birma’s eigen identiteit.

    De scheiding was het gevolg van jarenlange verhitte discussies. Maar de problemen met betrekking tot identiteitskwesties waren nog maar net begonnen en zouden in de rest van de twintigste eeuw leiden tot oorlog, isolatie en armoede. Tegenwoordig zijn het diezelfde kwesties die een bedreiging vormen voor het vredesproces tussen de overheid en op etniciteit gebaseerde gewapende organisaties, voor het lot van moslimgemeenschappen en zelfs voor de openstelling van het land voor de mondiale handel. Ze blijven grotendeels onopgelost en zijn van immens belang voor de toekomst van Myanmar.

    De afscheiding van India was een overwinning voor het Birmese nationalisme. De Birmezen, ook wel Bamar genoemd, zijn de voornamelijk boeddhistische, Birmees sprekende meerderheid van de Irrawaddyvallei. Drie conflicten in de negentiende eeuw, de Engels-Birmese Oorlogen, hadden hun rijk ernstig verzwakt en vervolgens te gronde gericht, een rijk dat zich uitstrekte van Bhutan tot de buitenwijken van Bangkok. In 1885 hadden de Britten hun duizend jaar oude monarchie afgeschaft en de Irrawaddyvallei bij de nieuwe Indiase provincie ‘Brits-Birma’ gevoegd. Daar is het Birmese volk nooit helemaal overheen gekomen.

    De koloniale overheersing bracht economische groei en daarmee ook een ongereguleerde immigratie van miljoenen mensen uit heel het Indiase subcontinent. Birma was destijds een welvarender land, het ‘eerste Amerika’ voor menig Indiaas gezin, een plek van kansen en een nieuwe start.

    Zelfbewustzijn

    Eind jaren twintig van de vorige eeuw concurreerde Rangoon, het huidige Yangon, met New York als ’s werelds grootste immigratiehaven; in de stad kwamen alleen al in 1927 428.300 mensen binnen (op een totale bevolking van tien miljoen). Rangoon werd een Indiase stad.

    Voor de Birmezen betekende de moderniteit een maatschappij met Europeanen aan het hoofd en Indiërs die de zelfstandige beroepen en de handel domineerden en de nieuwe werkende klasse in de stad verder aanvulden. De Birmezen raakten verbitterd, ook jegens de veel kleinere maar belangrijke Chinese immigrantengemeenschap. Tijdens de Grote Depressie kwam het tot een uitbarsting: de eerste anti-Indiase rellen in Rangoon vonden plaats in 1930, de eerste anti-Chinese in 1931.

    In deze periode stond een nieuwe generatie politici op die het zelfbewustzijn van haar volk wilde herstellen. Een van de radicalere groepen noemde zich Do Bama (‘Wij Birmezen’), vooral geïnspireerd door het Ierse nationalisme van Sinn Féin. In hun lied, dat tegenwoordig het volkslied is, luidt een regel: ‘Dit is ons land’. Met andere woorden: het is niet van jullie. Velen beschouwden buitenlandse bedrijven als uitbuiters en voelden zich zowel aangetrokken tot uiterst rechts als tot uiterst links in Europa. Volgens sommigen werd het boeddhisme bedreigd, en het volksoproer begon rond 1938 steeds meer een anti-islamkarakter te krijgen. Het Birmese nationalisme begon als wat we tegenwoordig een antiglobaliserings- en een anti-immigratiebeweging zouden noemen.

    Zo is het echter niet altijd geweest. In de achttiende en negentiende eeuw claimden Birmese koningen dat ze afstamden van de Sakiyan-stam van Gautama Boeddha; ze beschouwden India als een heilig land en het centrum van de kennis. Tot de val van Mandalay in 1885 werd geprobeerd de Indiase leefwijze na te streven. In dat jaar werd Govinda, een brahmaan uit Benares, gevraagd om de koninklijke rituelen te beoordelen en zo nodig te verbeteren.

    In mei van dit jaar deed Facebook het woord Kala in de ban, omdat het racistisch zou zijn en zou aanzetten tot haat. Nog niet zo lang geleden bezat je als Kala een hoge status. Maar zelfs in de prekoloniale periode groeide de angst voor de Kala. Voor de Birmese rechtbank was dit woord een etnoniem waaronder alle (in de ogen van de plaatselijke bevolking) op elkaar lijkende mensen uit het Westen vielen: vooral Indiërs, maar ook Perzen, Arabieren en Europeanen, zoals de Kala van Bilat (Engeland, van het Urdu-woord Wilayat). Maar in de loop van de negentiende eeuw vatte de gedachte post bij de Birmezen dat ze afstammelingen van Boeddha waren en dat de christelijke en islamitische Kala indringers waren in het heilige land.

    Onder het kolonialisme werd respect gemengd met angst, wat resulteerde in raciale vijandigheid. Met de afscheiding kwam de rem op de immigratie. Toen de Japanners in 1942 Birma binnenvielen, sloegen honderdduizenden Indiërs uit angst voor Birmees nationalistisch geweld op de vlucht en kwamen niet meer terug. Nog vele anderen verlieten het land bij de onafhankelijkheid [in 1948] en in 1960, toen zowel Indiase als Chinese bedrijven werden genationaliseerd als onderdeel van de ‘Birmese weg naar het socialisme’. Tegen die tijd was xenofobie officieel beleid geworden.

    schermafbeelding 2017 09 20 om 12 00 49 pm

    De Burma Act uit 1935 versterkte de interne verdeeldheid. Het Birma van voor het kolonialisme was altijd een plek geweest voor verschillende volkeren en koninkrijken, die bloeiden en dan weer in verval raakten, zoals overal elders. De kaart van het moderne Birma is nieuw. Maar in de nadagen van de koloniale overheersing werd niets gedaan om dit land tot één geheel te maken, etnische en politieke scheidslijnen werden alleen maar verscherpt.

    Via de volkstellingen, die van 1861 tot 1931 iedere tien jaar werden gehouden, probeerden de Britten een beeld te krijgen van de etnische mix. In India waren de mensen verdeeld naar kaste. Een tijdlang werden Birmezen, Arakanezen en enkele andere groeperingen in kastetabellen vermeld als ‘semi-gehindoeïseerde inlanders’. Rond 1900 begonnen de Engelsen de inwoners van Birma te categoriseren naar taal, waarbij ze putten uit destijds populaire ideeën in de vergelijkende taalwetenschap. Dat sloot nauw aan bij prekoloniale opvattingen waarin ook onderscheid werd gemaakt tussen Birmezen, Shan, Mon en andere ‘rassen’ (lu-myo of ‘soorten mensen’). Maar in de twintigste eeuw werd etniciteit gezien als iets onveranderlijks en maakte het onderdeel uit van de staatspolitiek. Sommige ‘rassen’ werden gezien als inheems, andere niet. Sommige groeperingen werden gerekruteerd voor het leger, terwijl andere daar grotendeels van werden gevrijwaard.

    Demonstratie in 1939 tegen de door Engeland voorgetrokken mohammedanen en hindoes. – © Ullstein BildFotograaf / Getty
    Demonstratie in 1939 tegen de door Engeland voorgetrokken mohammedanen en hindoes. – © Ullstein BildFotograaf / Getty

    Er was ook een geografische scheidslijn. De lage landen van Birma werden rechtstreeks onder koloniaal bestuur geplaatst en kregen daarna geleidelijk steeds meer zelfbestuur. Dat was het Birma van de globalisering, de immigratie, de antikoloniale politiek en het opkomende Birmese nationalisme. De grootste ‘inheemse’ minderheid werd gevormd door de Karen, met hun christelijke leiders en hun eigen opkomende nationalistische aspiraties; samen met Indiërs en ‘Anglo-Indiërs’ verkregen ze in 1937 enkele zetels in het parlement.

    In de aanloop naar onafhankelijkheid vroegen Karen-leiders Londen om een eigen etnisch thuisland binnen de Gemenebest. Ze hadden tijdens de oorlog loyaal meegevochten aan de zijde van de Engelsen en voelden zich verraden toen hun dit beleefd werd geweigerd.

    Maar er was ook nog een geheel ander Birma: de ‘Grensgebieden’, die ongeveer de helft van het land besloegen, indirect werden bestuurd, onder overerfbaar leiderschap, en geheel werden uitgesloten van de economische modernisering en van de politieke hervormingen in de jaren dertig. Toen in 1947 de Engelsen hals over kop het land verlieten, kozen de Shan en andere leiders er met enige aarzeling voor om zich bij de rest aan te sluiten in een nieuwe republiek. Er werd hun autonomie beloofd, en zo begonnen begrippen als etniciteit en territorium samen te vallen.

    De tientallen jaren die daarop volgden, waren een tijd van mislukte pogingen om een staat op te bouwen, van onmacht om af te rekenen met de koloniale erfenis, van oorlogen tussen verschillende etnische groeperingen en van de zelfopgelegde isolatie ten opzichte van de buitenwereld.

    De kern van het probleem is hoe het Birmese nationalisme zich verhoudt tot een inclusieve nationale identiteit. Het Birmese nationalisme stelde zich tot doel om het land te verenigen en te beschermen tegen wat werd gezien als een existentiële bedreiging van buiten, vooral van de grote buurvolkeren. De integratie van minderheden die worden geaccepteerd als ‘inheems’, is iets waar veel Birmezen naar streven. Maar voor andere ‘inheemse’ volken vormt het Birmese nationalisme een probleem: ongelijkheid, uitsluiting van economische mogelijkheden en de angst dat hun eigen identiteit zal opgaan in een door Birmezen gedomineerd proces van modernisering.

    De militaire leiders van Myanmar publiceerden rond 1990 een lijst van 135 inheemse “nationaliteiten”

    En wie is inheems? Deels puttend uit gegevens afkomstig uit een volkstelling die in 1921 door de Britten was gehouden, publiceerden de militaire leiders van Myanmar rond 1990 een lijst van 135 inheemse ‘nationaliteiten’. Daar hoorden de Kaman (een islamitisch volk dat afstamt van de lijfwacht van een in de zeventiende eeuw gevluchte Mogolprins) en de Chinees sprekende Kokang (van wie de voorvaderen in de zeventiende eeuw waren gevlucht voor de Mantsjoes) nog net bij. Het oude etnoniem Myanmar werd uit de kast gehaald als naam waaronder al die als inheems beschouwde volken zouden vallen.

    Erbuiten vielen de afstammelingen van Indiase en Chinese immigranten uit de negentiende eeuw. Ook werd de islamitische bevolking van de staat Rakhine buitengesloten, waar moslims ongeveer een derde van de totale bevolking van ruim 3,1 miljoen mensen uitmaken. Birmese nationalisten beschouwen hen als het product van Bengaalse immigranten uit de koloniale tijd, of van recentere illegale immigranten. Zelf nemen ze steeds vaker de naam ‘Rohingya’ aan, waarmee ze te kennen willen geven dat ook zij inheems zijn. Dat wordt echter vurig bestreden; alleen al het woord ‘Rohingya’ vormt een belangrijk strijdpunt in heftige debatten.

    Het sinds 2012 toenemende geweld is deels een lokaal etnisch conflict dat teruggaat tot de Tweede Wereldoorlog, maar de felle discriminatie is nauw verbonden met de anti-immigratiegeschiedenis van de moderne politiek. Aan beide kanten wordt etniciteit als iets vaststaands beschouwd en ziet men etnische groeperingen als groeperingen die wel of niet tot de opkomende natie behoren.

    Hoe ziet de toekomst eruit? Myanmar is een land dat snel verandert. Mensen reizen rond als nooit tevoren, zowel naar het buitenland als binnenslands, ze mengen zich, sluiten gemengde huwelijken. De urbanisatie versnelt en binnenkort wonen de meeste mensen in een klein aantal grote steden. Myanmars leiders zeggen dat ze streven naar democratie, vrede en economische integratie in de rest van de wereld. Maar het land sleept de last van de koloniale etnografie en de postkoloniale anti-immigrantenpolitiek met zich mee, die het etnische conflict en de xenofobie verder kunnen doen oplaaien.

    In dat opzicht schuilt het grootste gevaar voor Myanmar niet in een terugkeer naar de dictatuur, maar in een onverdraagzame democratie in combinatie met een negatief nationalisme. Het is tijd voor een eerlijke en kritische herbeoordeling van de geschiedenis en een nieuw streven naar een inclusievere eenentwintigste-eeuwse identiteit voor Myanmar.

    Auteur: Thant Myint-U

    Openingsbeeld: Rohingya steken de rivier de Naf over op weg naar Bangladesh. – © Getty

    Nikkei Asian Review
    Tokio | weekblad | oplage onbekend

    Nikkei voert zijn berichtgeving over Azië op door wekelijks een publicatie aan deze regio te wijden. Dankzij zijn reportages, analyses en onderzoeksjournalistiek, met name op economisch gebied, is het blad een waardevolle bron voor het volgen van de actualiteit.

  • Alweer een kapmesmoord

    Alweer een kapmesmoord

    Kort na elkaar werden in Bangladesh een hoogleraar en een redacteur van een homotijdschrift op brute wijze vermoord. Volgens de krant The New Age reageren regering en politie veel te slap.

    Slechts drie dagen nadat Rezaul Karim Siddiqi, hoogleraar aan de universiteit van Rajshahi, op straat met kapmessen werd vermoord, is een redacteur van ’s lands eerste tijdschrift voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders, samen met zijn vriend, een theateractivist, in zijn appartement in de hoofdstad Dhaka met messen om het leven gebracht. Volgens ooggetuigen drong een groep jonge mannen, allemaal twintigers, het appartement binnen nadat ze zich als koeriers hadden voorgedaan.

    De afgelopen jaren zijn in Dhaka en elders in het land een tiental bloggers, schrijvers en uitgevers op soortgelijke wijze afgeslacht. Het ging in alle gevallen om kunstminnende vrijdenkers, en de regering doet niets om hen te beschermen. Tot dusver zijn de autoriteiten er zelfs niet in geslaagd om de daders van het merendeel van deze slachtpartijen te achterhalen. Weliswaar heeft de rechtbank in Dhaka in 2013 een aantal mannen veroordeeld voor de moord op de atheïstische blogger Ahmed Rajib Haider, maar de familie van het slachtoffer wacht nog altijd op gerechtigheid omdat de zaak nog in hoger beroep moet worden behandeld. Ondertussen is het veroordeelde brein achter de moord op vrije voeten.

    Blogger en schrijver Ranadipan Basu overleefde vorig jaar een aanslag met negen messteken, op dezelfde dag dat uitgever Faisal Are n Deepan werd vermoord. Sindsdien vreest hij voor zijn leven. – © Allison Joyce / Getty Images
    Blogger en schrijver Ranadipan Basu overleefde vorig jaar een aanslag met negen messteken, op dezelfde dag dat uitgever Faisal Are n Deepan werd vermoord. Sindsdien vreest hij voor zijn leven. – © Allison Joyce / Getty Images

    Het is niet overdreven om te stellen dat de lakse houding van de politie de daders van de dubbele moord heeft aangemoedigd bij het uitvoeren van hun missie. Net als bij de vorige moorden wijst de politie nog voordat er een onderzoek is ingesteld naar niet nader genoemde islamitische extremisten. Op zich zouden de beschuldigingen van de politie kunnen kloppen, vooral omdat de verantwoordelijkheid voor de eerdere moorden door verschillende islamitische groeperingen is opgeëist. Een aantal van de slachtoffers die zich kritisch uitlieten over religie, en met name de islam, hadden zich inderdaad de woede van verschillende islamitische groeperingen op de hals gehaald. Feit blijft dat de politie er tot nog toe niet in is geslaagd haar beschuldigingen door middel van gedegen onderzoek hard te maken.

    Het is hoe dan ook overduidelijk dat de aanvallen op de slachtoffers goed gecoördineerd waren en dat de daders getraind op pad gingen. Alle goede bedoelingen ten spijt is het moeilijk te geloven dat de politie er niet in slaagt de trainingskampen of de betrokken opdrachtgevers op te sporen. Intussen rijst onder de bevolking de vraag of er niet andere goed georganiseerde groeperingen achter de moorden zitten, die de verantwoordelijkheid op de beschuldigde islamitische extremisten proberen af te wentelen.

    Het is de hoogste tijd dat de regering doeltreffende maatregelen neemt, niet alleen om herhaling van zulke slachtpartijen te voorkomen, maar vooral ook om een einde te maken aan de heersende cultuur van straffeloosheid én aan alle wilde speculaties omtrent deze brute moorden. Om het zover te laten komen moet het weldenkende deel van de bevolking onverminderd druk uitoefenen op de regering.

    Auteur: Mubashar Hasan

    New Age
    Bangladesh | dagblad | oplage onbekend

    Een van de meest uitgesproken kranten in Bangladesh, kritisch tegenover het establishment. In 2004 viel de politie de redactie binnen, een verslaggever werd gemarteld.