Tag: basisinkomen

  • Is een basisinkomen de oplossing als AI ons werk overneemt?

    Is een basisinkomen de oplossing als AI ons werk overneemt?

    Kunstmatige intelligentie dreigt de arbeidsmarkt op zijn kop te zetten. Volgens voorstanders kan een universeel basisinkomen de klap opvangen. Maar moeten we dat wel willen?

    Het idee van een gegarandeerd inkomen voor iedereen doet al eeuwen de ronde. De populariteit ervan is afhankelijk van de tijdgeest. Veel mensen vinden het universeel basisinkomen (UBI) nog steeds een te radicaal concept. Voorstanders daarentegen zien het niet alleen als een oplossing voor armoede, maar ook als remedie tegen een aantal van de grootste moeilijkheden waar werknemers vandaag de dag mee kampen: loonongelijkheid, baanonzekerheid – en de dreiging dat AI tot verlies van banen gaat leiden.

    Elon Musk zei onlangs op de Bletchley Park-top dat de ontwikkeling van AI ervoor kan zorgen dat ‘banen niet meer nodig zijn’ en hooguit nog dienen ter ‘persoonlijke voldoening’. Econoom en politiek theoreticus Karl Widerquist, hoogleraar filosofie aan de Georgetown University in Qatar, ziet dat anders.

    ‘Zelfs als AI je baan inpikt, betekent dat niet dat je voor de rest van je leven werkloos bent,’ zegt hij. ‘In plaats daarvan zak je af op de arbeidsladder, en begin je de lagere-inkomensberoepen te verdringen.’

    Widerquist denkt dat de groei van AI er in ieder geval op korte termijn voor zal zorgen dat mensen met een kantoorbaan veroordeeld worden tot de gigeconomie [tijdelijk werk voor kortlopende projecten] en andere vormen van slecht betaald, onzeker werk. Hij vreest dat een dergelijke verschuiving in de beroepsbevolking zal leiden tot lagere lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden, terwijl de ongelijkheid toeneemt.

    Een uitweg

    Volgens Widerquist kan een UBI een uitweg bieden in deze tijden van AI en automatisering. Het zou uitkomst bieden tegen het onvermogen van werkgevers om de opbrengsten van economische groei – die op zijn minst gedeeltelijk is aangedreven door automatisering – eerlijk te verdelen onder werknemers.

    Sommige mensen gaan nog verder en zien het UBI als een dividend waar werknemers recht op hebben vanwege hun rol in de ontwikkeling en verspreiding van kennis die wordt gebruikt om AI-modellen zoals ChatGPT te trainen. ‘Waarom,’ vraagt Scott Santens, redacteur van de website Basic Income Today, ‘zouden slechts een of twee bedrijven rijk mogen worden van het kapitaal, het menselijke werk, dat we allemaal samen hebben gecreëerd?’

    Als werknemers in de toekomst wél overbodig worden door automatisering en niet een nieuwe baan kunnen krijgen, dan is het UBI een veelbelovende optie, aldus Loek Groot, universitair hoofddocent economie van de publieke sector aan de Universiteit Utrecht.

    Tussen 2017 en 2019 voerden Groot en collega-onderzoekers in Nederland een onderzoek uit waarbij werklozen die voorheen een uitkering ontvingen, een basisinkomen kregen toebedeeld. Het onderzoek wees op verhoogde participatie op de arbeidsmarkt. Volgens Groot was dat niet alleen te danken aan de financiële steun die het basisinkomen bood, maar ook aan het schrappen van voorwaarden die werkzoekenden normaliter krijgen opgelegd – en de bijbehorende sancties in het geval van een overtreding.

    ‘Waarom zou je proberen iedereen betaald werk te geven als je objectief kunt vaststellen dat er niet genoeg banen zijn?’

    Deelnemers die niet de verplichting hadden om werk te vinden en te aanvaarden, hadden een grotere kans om een vast contract te krijgen – in tegenstelling tot het onzekere werk waar Widerquist het over heeft.

    Experimenten met het UBI tonen over het algemeen niet aan dat het werknemers aanmoedigt om de arbeidsmarkt volledig te verlaten. Hogere vergoedingen leidden er echter wel toe dat sommige mensen minder uren zijn gaan werken. Maar Groot zegt dat dit geen probleem is. ‘Waarom zou je proberen iedereen betaald werk te geven als je objectief kunt vaststellen dat er niet genoeg banen zijn?’ vraagt hij. ‘Waarom zouden we mensen die goede alternatieven hebben niet de kans geven om minder of helemaal niet te werken en van het basisinkomen gebruik te maken?’

    Een voorbeeld van zo’n ‘goed alternatief’ is de mogelijkheid om jezelf bij of om te scholen. Het is ook mogelijk dat het beleid onze maatschappelijke opvattingen over werk totaal verandert. Zorgverleners – voornamelijk vrouwen – zouden betaald worden voor werk dat traditioneel onbetaald is geweest, zoals de opvoeding van kinderen of de zorg voor oudere familieleden.

    Ondernemerschap

    In Kenia is sinds 2017 de grootste UBI-regeling ter wereld van kracht. Bijna vijfduizend mensen ontvangen ongeveer zeventig cent per dag. Het experiment, dat is georganiseerd door GiveDirectly en wordt gefinancierd door donaties, gaat twaalf jaar duren. Tavneet Suri, lid van het onderzoeksteam van GiveDirectly en hoogleraar Toegepaste Economie aan het Massachusetts Institute of Technology, zegt dat ze tot nu toe een aantal verrassende resultaten heeft gezien.

    ‘We zien dat mensen laagbetaalde banen verlaten,’ zegt ze. ‘Ze beginnen een bedrijf en die bedrijven doen het geweldig, omdat er geld is. Deze onverwachte golf van ondernemerschap heeft ook een positief effect gehad op mensen met betaalde banen, aangezien de krimpende arbeidsmarkt een positieve invloed heeft op de hoogte van de salarissen. 

    ‘Als het aantal bedrijven in een ontwikkelingsland met twintig procent stijgt, zorgt dat voor mensen die belasting gaan betalen,’ zegt Suri. ‘Omdat boeren [die een hoog percentage van de beroepsbevolking in Kenia uitmaken] over het algemeen niet belast worden, is het verschil groot: ineens heb je een heleboel mensen die belasting betalen en spullen kopen. En een van de grootste inkomstenbronnen voor de overheid is eigenlijk de omzetbelasting.’

    Robotbelasting

    Suri en haar collega’s wijzen er ook op dat werknemers de arbeidsmarkt niet hebben verlaten en dat lokale economieën worden gestimuleerd door de toegenomen koopkracht. Desondanks is Suri voorzichtig. In Kenia is armoede nog steeds een veel groter probleem voor werknemers dan automatisering. Voordat een door de overheid gesteund UBI-programma serieus kan worden overwogen, moet volgens haar worden aangetoond dat het echt voordelen biedt.

    Rosanna Merola, macro-econoom en onderzoeker bij de ILO [Internationale Arbeidsorganisatie], stelt ten aanzien van landen waar automatisering wel een grotere zorg is, een heel andere aanpak voor: een robotbelasting. In een onderzoekspaper uit 2022 noemt Merola het ‘filosofisch aantrekkelijk’ om bedrijven te belasten die werknemers vervangen door robots, zodat van dat geld een UBI gefinancierd kan worden. Ook al noemt ze dat plan op dit moment nog niet realistisch.

    ‘In dit stadium is het nog heel onduidelijk hoe een robotbelasting in de praktijk geïmplementeerd kan worden,’ zegt ze. ‘Wetgevers zullen waarschijnlijk de zeer complexe vraag moeten beantwoorden wat een “robot” is en hoe die belast moet worden. Het onderscheid tussen een machine en een robot of tussen een computerprogramma en AI is bijvoorbeeld nog steeds niet duidelijk.’

    Desondanks denkt Merola dat het concept van een robotbelasting kan worden toegepast op meer herkenbare vormen van AI – grote taalprogramma’s als ChatGPT bijvoorbeeld. Ze suggereert dat bedrijven die AI gebruiken om taken te automatiseren, beslissingen te nemen of diensten te verlenen, belasting zouden kunnen betalen over de winst die wordt gegenereerd door AI-gedreven processen. Of overheden zouden belasting kunnen heffen op het verzamelen, verwerken of verkopen van de gegevens waarvan AI afhankelijk is. Een deel van deze inkomsten kan dan worden gebruikt om de impact van technologie op werknemers die zijn vervangen te verkleinen.

    Een dergelijk beleid zou ‘tot een veelvoud van onzekere banen kunnen leiden‘

    Joe Chrisp, onderzoeker aan de University of Bath’s Universal Income Beacon, gelooft dat een UBI positieve resultaten zou kunnen opleveren voor werknemers, maar noemt zichzelf een ‘goedgezind scepticus’. Hoewel sommigen beweren dat AI werknemers tot de gig-economie zal veroordelen, en dat een UBI ze daartegen kan beschermen, denkt Chrisp dat dergelijk beleid ‘tot een veelvoud van onzekere banen zou kunnen leiden, in plaats van mensen te stimuleren om stabieler werk te vinden.’

    Ook wat de mogelijkheden voor toepassing van het UBI betreft, is hij sceptisch. Hij denkt dat de meest bescheiden voorstellen waarschijnlijk al grote belastingverhogingen zullen vereisen en daarom ‘moeilijk verkoopbaar’ zijn.

    Onderzoek van denktank Autonomy toont aan dat een bescheiden UBI-regeling waarschijnlijk hogere bijdragen vraagt van de meest welgestelden, maar niet zal leiden tot een netto belastingverhoging. ‘Zo’n model is in feite kostenneutraal en zou armoede onder kinderen en gepensioneerden halveren,’ zegt Will Stronge, onderzoeksdirecteur bij Autonomy. ‘Maar ik denk niet dat het volstaat om grotere culturele veranderingen tot stand te brengen, die meer zullen kosten.’

    Vangnet

    Chrisp is het ermee eens dat er op de middellange termijn een strategie moet komen om werknemers te helpen bij het vinden van een nieuwe baan in een veranderende economie. Op de kortere termijn moet er voor diezelfde werknemers een vangnet komen. Hij is er echter niet van overtuigd dat één enkele maatregel de oplossing kan bieden voor een probleem dat zo complex is als de invloed van AI op de banenmarkt.

    ‘Het idee dat een UBI allerlei mensen die geen baan kunnen vinden voor onbepaalde tijd een vast inkomen zou bieden, vind ik zelf nogal deprimerend,’ zegt hij. ‘Kapitalistische economieën zijn er heel goed in manieren te genereren waarop mensen geld kunnen verdienen, maar of dat goede banen zijn, is nog maar de vraag.’

  • EU-sancties tegen Belarus | Zweedse regering valt over huurplafond

    EU-sancties tegen Belarus | Zweedse regering valt over huurplafond

    Ongekende economische sancties tegen Belarus

    Het gebeurt niet elke dag dat de lidstaten van de Europese Unie eensgezind stemmen. Maar maandag in Luxemburg besloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de 27 EU-landen unaniem om het regime van Aleksander Loekasjenka aan te pakken. De maatregelen zijn zeldzaam volgens de internationale pers.

    ‘Een regen van sancties daalt neer op dictator Loekasjenka’, kopt het Belgische dagblad Le Soir. De EU heeft met name de activa bevroren van zeven bedrijven die worden gerund door familieleden van Aleksander Loekasjenka. De zoon van de president, Dmitri, en de vrouw van zijn oudste zoon Viktor, Lilia Loekasjenka, zijn op de zwarte lijst van de EU gezet.

    Kalium

    De ministers bevestigden vervolgens unaniem de reeks maatregelen die gevolgen hebben voor zeven sectoren van de Belarussische economie. Deze sancties omvatten ‘financiële diensten en verzekeringen, een embargo op petrochemische producten en de handel in kalium en tabak’, aldus L’Echo. Ook is een verbod ingesteld op nieuwe bankleningen aan de staat, de centrale bank, en overige banken en organisaties die voor het merendeel in handen van de staat zijn.

    ‘De export van kalium, een belangrijk ingrediënt voor het bemesten van landbouwgrond, is een onmisbare bron van inkomsten voor Belarus’, schrijft The New York Times . Het staatsbedrijf Belaruskali beweert 20 procent van de wereldvoorraad te produceren.

    Volgens L’Echo vereisten de financiële sancties een overeenkomst met Oostenrijk, aangezien Belarussische activa zijn ondergebracht bij Oostenrijkse banken.

    ‘We moeten nu het regime en de staatsoligopolies die verbonden zijn met Loekasjenka aanpakken’

    ‘Het instellen van economische sancties, een maatregel die zelden door Europa wordt genomen, is lang verworpen door de 27 staten, die de voorkeur gaven aan individuele beperkende maatregelen’, merkt Le Soir op. ‘Economische sancties werden tot dusver uitgesloten omdat ze “een negatieve impact op de bevolking” zouden kunnen hebben. Een ander argument was dat Loekasjenka alleen maar verder in de armen van Poetin zal worden geduwd als de Belarussische economie op de knieën wordt gedwongen. Daarnaast maakte elk van de 27 EU-landen de rekening op door een inschatting te maken van wat ze te verliezen hadden door hun zakelijke belangen met Minsk op te geven’, is de analyse van het Belgische dagblad.

    Volgens een Europese diplomaat die met Le Soir sprak, was de kaping van de Ryanair-vlucht doorslaggevend. ‘We moeten nu het regime en de staatsoligopolies die verbonden zijn met Loekasjenka aanpakken, en tegelijk zo min mogelijk de Europese belangen en die van de Belarussische bevolking aantasten’, zei hij.

    Verandering

    Deze economische sancties ‘markeren een stap voorwaarts in de strijd tegen het autoritaire regime van Loekasjenka’, merkt Financial Times op. De EU had al sancties opgelegd aan 88 leden van het regime, waaronder president Aleksander Loekasjenka zelf en zijn zoon. Maar deze individuele sancties hebben vooral geleid tot verdere repressie. Met de nieuwe economische sancties hopen de EU-leiders nu het regime tot verandering te dwingen.

    Om de strafmaatregelen nog meer gewicht te geven, hebben de EU-landen maandag in samenwerking met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Canada ook nog eens sancties opgelegd aan tientallen personen en bedrijven die nauw samenhangen met de macht in Minsk.

    Lees ook:


    Andrew ‘Basisinkomen’ Yang toch niet de nieuwe burgemeester van New York

    De uitslag is nog niet definitief, maar gisteren waren in New York de Democratische voorverkiezingen voor de burgemeesterspost van New York. In een stad met meer dan zes keer zoveel Democraten als Republikeinen, is een overwinning in die voorverkiezing bijna een garantie voor het burgemeesterschap.

    Als pleitbezorger van optimisme en een universeel basisinkomen, viel ondernemer Andrew Yang al op als kandidaat tijdens de presidentsverkiezingen van 2020. Hij heeft zich kandidaat gesteld als burgemeester van New York met dezelfde ideeën, schrijft The Wall Street Journal.

    Toen Andrew Yang zich in de strijd om de Democratische voorverkiezingen stortte voorafgaand aan de presidentsverkiezingen van november 2020, na enkele jaren steun voor zijn project voor een basisinkomen te hebben vergaard, logenstrafte hij alle peilingen en hield hij het langer vol dan veel anderen, zo schrijft The Wall Street Journal. Hij gooide uiteindelijk de handdoek in de ring na de voorverkiezingen in New Hampshire in februari 2020.

    Zijn campagne draaide om één project: een maandelijkse uitkering van 1000 dollar aan alle Amerikanen tussen de 18 en 64 jaar

    Zijn campagne draaide om één project: een maandelijkse uitkering van 1000 dollar, ongeveer 820 euro, aan alle Amerikanen tussen de 18 en 64 jaar. Dankzij zijn energie en de interesse die hij destijds opwekte, was Andrew Yang een van de favorieten in de race om het burgemeesterschap van New York, maar zijn voorsprong werd al in de laatste peilingen kleiner. De voorlopige uitslag van dinsdagnacht wijst erop dat zijn rivaal Eric Adams hem voorbij is gestreefd en een grote kans maakt de Democratische kandidaat voor het burgermeesterschap van New York te worden, bericht The New York Times.

    Yangs kandidaatstelling voor het burgemeesterschap heeft de verkiezingscampagne door elkaar geschud en op slag werd hij het doelwit van tegenstanders, die hem bekritiseren omdat hij niet de nodige ervaring zou hebben om New York te leiden, vooral in deze periode van heropening na de pandemie.

    Andrew Yang, 46, is een van de dertien Democratische kandidaten die hopen de zittende burgemeester Bill de Blasio, ook een Democraat, op te volgen. Deze laatste zal aan het einde van dit jaar aftreden, aangezien hij het maximum aantal toegestane mandaten, twee periodes van vier jaar, heeft bereikt.

    Toen Yang in januari zijn kandidatuur aankondigde, waren het management en de politiek van de stad hem volkomen vreemd, in tegenstelling tot sommige van zijn tegenstanders, zoals het huidige Hoofd Financiën van New York Scott Stringer, voormalig directeur Stadssanering Kathryn Garcia en Eric Adams, de huidige stadsdeelvoorzitter van Brooklyn.

    Yang genoot echter al grote bekendheid, gevoed door zijn presidentiële kandidatuur, twee boeken die hij publiceerde en zijn optredens op CNN als politiek commentator. Hij had een campagnebudget van meerdere miljoenen dollars en de steun van ten minste drie politieke actiecomités om zijn campagne te financieren.

    Hij bracht bondgenoten uit alle lagen van de bevolking samen, zoals Ritchie Torres en Grace Meng, beide Democratische afgevaardigden in het Huis van Afgevaardigden in Washington, en verschillende leiders van de ultraorthodoxe joodse gemeenschap in de stad, die hem veel stemmen zouden opleveren.

    ‘Ik wil deze baan omdat ik denk dat ik de politiek in New York kan helpen verbeteren’, zei Yang, die in Hell’s Kitchen in het westen van Manhattan woont met zijn vrouw, Evelyn, en hun twee jonge zoons, Christopher en Damian.

    Basisinkomen in het klein

    De belangrijkste strekking van zijn campagne was het opzetten van een breed programma voor directe financiële hulp, een soort verkleinde versie van het universele basisinkomen, waar hij zijn presidentiële campagne omheen had gebouwd. Met dit programma zou 6 procent van de meest behoeftige New Yorkers, zo’n 500.000 mensen, gemiddeld zo’n 2000 dollar per jaar krijgen, ofwel ongeveer 140 euro per maand.

    In eerste instantie dacht hij deze kosten, die op 1 miljard dollar per jaar worden geschat, te financieren via de stadskas en gulle donoren. Maar in mei zei hij uitsluitend gemeentelijke financiering te overwegen.

    Hij wilde zijn project financieren door een einde te maken aan de vrijstelling van onroerendgoedbelasting die bepaalde gebouwen is vergund, zoals Madison Square Garden, de beroemde sporttempel en evenementenhal, en door andere inefficiënties op te sporen in het stadsbudget van ruim 98 miljard dollar. Een deel van het geld zou kunnen komen van bestaande sociale programma’s, die met de nieuwe aanpak hun nut zouden verliezen.

    ‘We hoeven daartoe slechts de effecten van die programma’s vast te stellen. Maar het zal niet gemakkelijk zijn om mensen te vertellen dat we bepaalde sociale programma’s niet meer nodig hebben omdat we een systeem van directe financiële hulp gaan invoeren.’

    Misstappen

    In de straten van New York staan mensen in de rij om met hem op de foto te gaan. Sommigen bedanken hem voor zijn kandidatuur want ze willen dat dingen veranderen. Maar zijn gebrek aan ervaring in gemeentelijk management heeft ertoe geleid dat hij verschillende misstappen maakte in enkele belangrijke kwesties.

    Zo stelde hij vorige maand voor dat de stad New York het openbaar vervoer weer in handen neemt, dat momenteel wordt beheerd door de staat New York, maar zijn voorstellen bleven vaag. Tijdens een openbare bijeenkomst sprak hij zich ook uit voor de oprichting van opvangcentra voor slachtoffers van huiselijk geweld. Dergelijke plekken bestaan echter al.

    Meer recentelijk, toen hij zijn plannen voor de hervorming van de politie verdedigde tijdens een persconferentie, raakte hij in verwarring toen een journalist hem om zijn mening vroeg over de intrekking van artikel 50-a. Die wet, enkele decennia oud, verhinderde het grote publiek om toegang te krijgen tot tuchtrechtelijke dossiers van de politie. Intrekking van die wet is een van de grootste strafrechtelijke hervormingen van het afgelopen jaar.

    ‘Andrew Yang is even pragmatisch, vooruitstrevend en bezorgd over deze kwesties als elke andere kandidaat voor deze functie, en New Yorkers die naar hem luisteren, malen er niet om of hij de juiste naam van bepaalde wetten kan opdreunen’, zo verdedigde woordvoerder Jake Sporn zijn campagne.

    Voorbeeld voor Aziatische Amerikanen

    Als we zijn aanhangers mogen geloven, is het vooral dankzij zijn energie dat hij zoveel kiezers voor zich heeft gewonnen. John Liu, Democraat en Senaatslid voor New York, steunt de kandidatuur van Andrew Yang. Yang is een inspiratie geweest voor veel Aziatische Amerikanen, vooral in New York, sinds zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen, zegt hij.

    ‘Hij belichaamt onze hoop, onze droom’

    ‘Hij belichaamt onze hoop, onze droom’, verklaarde Liu, de eerste politicus van Aziatische afkomst die een zetel in de gemeenteraad verwierf en vervolgens in 2009 Hoofd Financiën van New York werd. ‘Hij biedt nationale zichtbaarheid aan Aziatische Amerikanen’, aldus Liu.

    Hij zei onder de indruk te zijn van de voorstellen van Andrew Yang, vooral die over onderwijs en de politie. Gevraagd naar het gebrek aan politieke ervaring van Yang, benadrukte hij diens praktijkervaring, die zeker zo belangrijk is. ‘Andrew Yang heeft veel ideeën om deze stad vooruit te helpen na de moeilijke en ongekende tijden die we net hebben doorgemaakt’, aldus Liu.

    Dinsdagnacht verklaarde Yang naar aanleiding van de voorlopige uitslag, dat hij geen kans meer maakt op de Democratische kandidatuur en gaf hij zijn verlies toe, meldt The New York Times. De huidige stadsdeelvoorzitter van Brooklyn, Eric Adams, gaat met 84 procent van de stemmen geteld aan de leiding met 31,7 procent. Yang zelf blijft steken op 11,7 procent en ziet zich ook voorbijgestreefd door Maya Wiley en Kathryn Garcia, die beide nog kans maken om de eerste vrouwelijke burgermeester van New York te worden.

    ‘We geloven nog steeds dat we kunnen helpen, maar niet als burgemeester en first lady’, zei Yang, die had gehoopt de eerste Aziatische Amerikaanse burgemeester van de stad te worden, dinsdagnacht, geflankeerd door zijn vrouw Eve.


    Motie van wantrouwen werpt Zweedse regering omver

    Het Zweedse parlement heeft een motie van wantrouwen tegen premier Stefan Löfven aangenomen, zo meldt BBC. In totaal stemden 181 van de 349 parlementsleden voor de motie, met 51 onthoudingen. Het is de eerste keer in de Zweedse geschiedenis dat een premier met een dergelijke stemming wordt afgezet.

    De regering van Löfven moest opstappen nadat een geschil over huurbescherming ertoe leidde dat de Linkse Partij haar steun aan de coalitie introk. Dit betekende een ineenstorting van de minderheidscoalitie van de sociaaldemocraten en de Groene Partij.

    De sociaaldemocratische leider heeft nu een week om af te treden of vervroegde verkiezingen uit te schrijven. Als Löfven besluit af te treden, moet de voorzitter van het parlement met alle partijen gaan onderhandelen om een nieuwe regering te vormen. Een mogelijk nieuwgevormde regering zal aanblijven tot de algemene verkiezingen, die in september volgend jaar zullen plaatsvinden.

    De Linkse Partij riep vorige week op tot de motie van wantrouwen na een ruzie over voorstellen om een huurplafond voor nieuwbouw op te heffen. Hoewel de partij van Löfven die maatregel niet steunt, heeft zij ermee ingestemd de plannen te overwegen om oppositiepartijen gunstig te stemmen.

    Het al dan niet afschaffen van huurplafonds is al lang een heet hangijzer in Zweden

    De vertrouwensstemming werd voorgesteld door de extreemrechtse Zweedse Democraten en werd gesteund door twee centrumrechtse oppositiepartijen.

    Het al dan niet afschaffen van huurplafonds is al lang een heet hangijzer in Zweden, dat kampt met woningnood. Maar tot vorige week hadden maar weinig politieke waarnemers voorspeld dat de kwestie de huidige regering ten val zou kunnen brengen.

    De ironie is dat de centrumlinkse premier van Zweden, Stefan Löfven, zelf voorstander is van de bestaande huurbeperkingen. Zijn coalitie stemde alleen in met het idee om te onderzoeken of de beperking in geval van nieuwbouw zou kunnen worden afgeschaft, om twee kleine centrumrechtse oppositiepartijen tegemoet te komen en zo de fragiele minderheidsregering overeind te houden.

    Maar daardoor verloor Löfven uiteindelijk de steun van een oude bondgenoot, de Linkse Partij. Die trok vorige week zijn steun aan de regering in, wat de weg vrijmaakte voor de motie van wantrouwen.

    Een tweede ironische wending is dat het huisvestingsdebat nu wel eens veel verder in de onderste regionen van de politieke agenda zou kunnen belanden. Nieuwe verkiezingen of een nieuwe regering zullen namelijk meer gefocust zijn op wat de centrumrechtse tegenstanders van Löfven als dringender kwesties beschouwen, zoals economisch herstel van het land na de pandemie, het toenemende aantal geweldsmisdrijven en immigratie.

    Lees ook:

  • De 300.000 jaar oude casus voor een 15-urige werkweek

    De 300.000 jaar oude casus voor een 15-urige werkweek

    Onze voorvaderen, de jager-verzamelaars, zouden een zwaar bestaan hebben geleid, waarin ze voortdurend tekortkwamen en meestal vroeg stierven. Dit idee, en het voortdurende streven om schaarste te bestrijden, vormt de basis van onze huidige economie en samenleving. Er blijkt alleen niets van te kloppen.

    Al drie decennia documenteer ik de levens van de Ju/’hoansi-bevolking in de noordwestelijke Kalahari, en hun vaak traumatische confrontaties met de moderne samenleving. De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen. De koste wat kost groeiende wereldeconomie vinden ze meestal weinig zinnig.

    Waarom, vroegen ze bijvoorbeeld, kregen overheidsfunctionarissen die in kantoren met airconditioning zaten en de hele dag koffie dronken en kletsten, zoveel meer betaald dan de jonge mannen die ze op pad zonden om greppels te graven? Waarom gingen mensen nadat ze betaald hadden gekregen de volgende dag weer terug naar hun werk, in plaats van te genieten van de vruchten daarvan? En waarom werken mensen zo hard om meer geld te verdienen dan ze ooit nodig zullen hebben, of waar ze ooit van kunnen genieten?

    Het was niet verwonderlijk dat de Ju/’hoansi deze vragen stelden. Tegen de tijd dat ik met hen begon te werken, was het al algemeen aanvaard dat ze het beste moderne voorbeeld vormen van hoe onze jagende en verzamelende voorouders moeten hebben geleefd. Maar hoe meer tijd ik met hen doorbracht, hoe meer ik begon te vermoeden dat hun benadering van de economie ons niet alleen inzichten in het verleden opleverde, maar ook liet zien hoe we ons in een steeds verder geautomatiseerde toekomst zouden kunnen organiseren.

    Zelden leken deze lessen urgenter. Nu het aantal werklozen stijgt als gevolg van de verspreiding van covid-19, zijn regeringen bereid tot revolutionaire financiële injecties, van door de staat gesponsorde verlofregelingen tot het uitdelen van contant geld om in restaurants te kunnen eten – alles om de mensen weer aan het werk te krijgen.

    Mantra

    Voor de pandemie ging het ook al vaak over de toekomst van werk. Men maakte zich toen vooral zorgen over de niet-aflatende kannibalisatie van de arbeidsmarkt door steeds efficiëntere geautomatiseerde systemen en kunstmatige intelligentie.

    Het is een begrijpelijke angst. Het werk dat we doen bepaalt mede wie we zijn. Het bepaalt onze toekomstperspectieven, waar en met wie we de meeste tijd doorbrengen en het vormt onze waarden. Zozeer zelfs dat we strebers bewonderen, luiheid afkeuren en dat universele werkgelegenheid een mantra vormt voor iedere politici, van welke partij ook.

    2db5923341296c74661b3bd43265eb2135990fe2
    De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen. – © Getty

    Maar dat is niet de juiste weg. Sinds de prille begin van de Industriële Revolutie worden mensen geprikkeld door het vooruitzicht van een toekomst waarin automatisering ons geleidelijk bevrijdt van het saaie werk. In 1776 bezong Adam Smith, grondlegger van de moderne economie, de ‘prachtige machines’ die volgens hem na verloop van tijd ‘onze arbeid zouden vergemakkelijken en verminderen’; in de twintigste eeuw beschreef Bertrand Russell hoe, in een binnenkort geautomatiseerde wereld, ‘gewone mannen en vrouwen, die kans hebben op een gelukkig leven, vriendelijker en verdraagzamer zullen worden’ en zelfs hun ‘neiging tot oorlog zullen verliezen’.

    Russell hoopte dat deze verandering tijdens zijn leven zou plaatsvinden. ‘De oorlog toonde onomstotelijk aan dat het door de wetenschappelijke organisatie van de productie mogelijk is om de moderne bevolking in vrijwel alles te voorzien met slechts een klein gedeelte van de huidige arbeidscapaciteit,’ merkte hij in 1932 op. En vanaf het begin van de twintigste eeuw tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog namen de wekelijkse werkuren in geïndustrialiseerde landen daadwerkelijk gestaag af.

    We blijven gefixeerd op het vinden van nieuw werk – ook al lijkt dat vaak geen ander nut te dienen dan de wielen van de commercie draaiende houden

    Econoom John Maynard Keynes, tijdgenoot van Russell, was een vergelijkbare mening toegedaan. Hij voorspelde dat tegen 2030 kapitaalvorming, productiviteitsverbeteringen en technologische vooruitgang het ‘economische probleem’ zouden hebben opgelost en een tijdperk zouden inluiden waarin niemand, afgezien van een paar ‘doelgerichte geldmakers’, meer dan vijftien uur per week zou werken.

    Hij was ook van mening dat het metaalachtige gezoem van geautomatiseerde productielijnen de doodsteek was van de orthodoxe economie. De instellingen en structuren die onze economieën organiseren, zijn volledig gebaseerd op de veronderstelling van schaarste: de verlangens van mensen zijn grenzeloos, maar de beschikbare middelen om aan hun behoeften en wensen te voldoen zijn dat niet. In de geautomatiseerde toekomst, zo meende hij, zou absolute schaarste tot het verleden behoren, zodat we met gerust hart afstand zouden kunnen doen van onze inmiddels verouderde economische infrastructuur en werkcultuur.

    Gouden tijdperk

    Helaas bleken ze geen gelijk te hebben. We hebben de drempels al overschreden waarvan Keynes beweerde dat ze toegang boden tot een ​​‘gouden tijdperk van vrije tijd’, en toch werken de meesten van ons nu meer uren dan de tijdgenoten van Keynes en Russell. En aangezien automatisering en covid-19 de arbeidsmarkt aantasten, blijven we gefixeerd op het vinden van nieuw werk dat mensen kunnen doen – ook al lijkt dat werk vaak geen ander nut te dienen dan de wielen van de commercie draaiende te houden en de groei weer in het zwart te krijgen.

    Tijdens ruim 95 procent van de homosapiengeschiedenis hadden mensen meer vrije tijd dan wij nu

    Toch zijn er, ook afgezien van de urgentie van onze huidige hachelijke situatie, goede redenen om vast te houden aan deze beroemde visies op een toekomst van vrije tijd. Als we verder terugkijken binnen de geschiedenis van de mens dan economen vaak doen, zien we dat veel van onze ideeën over werk en schaarste stevig geworteld zijn in de bodem van de landbouwrevolutie, en dat bovendien tijdens ruim 95 procent van de geschiedenis van de homo sapiens, mensen meer vrije tijd genoten dan wij nu.

    Heel fundamenteel bezien zijn we geboren om te werken. Alle levende organismen zoeken, winnen en verbruiken energie om te groeien, in leven te blijven en zich voort te planten. Dit elementaire werk is een van de dingen die levende organismen zoals bacteriën, bomen en mensen onderscheiden van dode dingen, zoals rotsen en sterren. Maar ook onder de levende organismen vallen mensen op door hun manier van werken.

    De meeste organismen zijn ‘doelgericht’ in hun energieverbruik, wat betekent dat, hoewel het voor een externe waarnemer mogelijk is om het ​​doel van hun acties te bepalen, er weinig reden is om aan te nemen dat ze aan een karwei beginnen met een duidelijke visie op wat ze willen bereiken. Mensen daarentegen zijn buitengewoon doelgericht. Als we naar ons werk gaan, doen we dat meestal om meer redenen dan alleen om energie te winnen en verbruiken.

    Als we ons evolutionaire traject volgen, zien we dat ons lichaam en onze geest gedurende duizenden generaties zijn gevormd door de verschillende soorten werk die onze evolutionaire voorouders hebben verricht. Ook zien we dan dat natuurlijke selectie meestergeneralisten van ons heeft gemaakt, die tijdens hun leven een verbazingwekkende variatie aan vaardigheden kunnen verwerven.

    Uit onze evolutionaire geschiedenis blijkt bovendien dat hoe doelgerichter en vaardiger onze voorouders werden in het besparen van energie – dankzij de eenvoudige gereedschappen die ze maakten en uiteindelijk, misschien een half miljoen jaar geleden, door hun beheersing van het vuur –, hoe minder tijd en energie ze besteedden aan het zoeken naar voedsel. In plaats daarvan besteedden ze tijd aan andere doelgerichte activiteiten als muziek maken, verkennen, hun lichaam opsmukken en samen zijn. Het is zelfs mogelijk dat onze voorouders nooit taal zouden hebben ontwikkeld als ze geen vrije tijd hadden verworven met de uitvinding van vuur en gereedschap; net als onze neven, de gorilla‘s, zouden ze tot 11 uur per dag hebben moeten spenderen aan foerageren, kauwen en het verwerken van taai en moeilijk verteerbaar voedsel.

    Het is mogelijk dat onze voorouders nooit taal zouden hebben ontwikkeld als ze geen vrije tijd hadden verworven door de uitvinding van vuur en gereedschap

    Nieuwe genomische en archeologische gegevens suggereren nu dat homo sapiens ongeveer 300.000 jaar geleden voor het eerst in Afrika opdook. Maar uit de gegevens is het lastig om af te leiden hoe ze leefden. Voor een beter begrip van de stukken bot en gebroken stenen die het enige bewijs vormen van hun levenswijze, begonnen antropologen vanaf de jaren zestig nog bestaande foeragerende volkeren te bestuderen.

    De bekendste van deze studies had betrekking op de Ju/’hoansi, een gemeenschap die afstamt van een aaneengesloten lijn van jager-verzamelaars die sinds het begin van onze soort grotendeels geïsoleerd in zuidelijk Afrika hebben geleefd. De studie zette gevestigde ideeën over de sociale evolutie op hun kop, omdat werd aangetoond dat onze jager-verzamelaarvoorouders vrijwel zeker geen ‘nare, gewelddadige en korte’ levens hebben gehad. De Ju/’hoansi bleken goed gevoed en tevreden te zijn, en langer te leven dan de meeste mensen in agrarische samenlevingen. En doordat ze zelden meer dan vijftien uur per week hoefden te werken, hadden ze voldoende tijd en energie over voor ontspanning en plezier.

    Delen

    Later onderzoek leverde een beeld op van hoe verschillend Ju/’hoansi en andere kleinschalige foerageergemeenschappen zich economisch gezien organiseerden. Het onthulde bijvoorbeeld een samenleving die tegelijkertijd uitermate individualistisch en egalitair was, en waarin het belangrijkste herverdelingsmechanisme bestond uit een systeem dat iedereen het absolute recht gaf om een beroep te doen op eventuele overschotten van een ander. Het toonde ook aan hoe in deze samenlevingen individuele pogingen om middelen of macht te verwerven of te monopoliseren alom werden afgekeurd en bespot.

    Maar het belangrijkste was dat deze studies verrassende vragen opriepen over de manier waarop we onze eigen economieën organiseren, niet in de laatste plaats omdat ze aantoonden dat, in tegenstelling tot de aannames over de menselijke aard waar onze economische instellingen op zijn gebaseerd, verzamelaars niet voortdurend bezig waren met schaarste, of verwikkeld in een concurrentiestrijd om middelen.

    Terwijl aanhoudende schaarste veronderstelt dat we gedoemd zijn tot een sisyphiaans bestaan, altijd bezig om de kloof tussen onze onverzadigbare verlangens en onze beperkte middelen te overbruggen, werkten verzamelaars zo weinig omdat ze weinig behoeften hadden, die ze bijna altijd gemakkelijk konden bevredigen. In plaats van zich bezig te houden met schaarste, hadden ze vertrouwen in de voorzienigheid van hun woestijnomgeving en in hun vermogen om deze te benutten.

    Als we het succes van een beschaving afmeten aan de hand van haar uithoudingsvermogen door de tijd heen, dan komt de economie van de Ju/’hoansi – en andere zuidelijk Afrikaanse verzamelaars – naar voren als meest succesvolle en duurzame in de hele menselijke geschiedenis. Met een flinke marge.

    Toch schieten Ju/’hoansi daar tegenwoordig weinig mee op. De afgelopen vijf decennia werden ze grotendeels beroofd van hun land, zodat de meesten nu rondscharrelen in sloppenwijken aan de rand van Namibische steden en in ‘hervestigingsgebieden’, waar ze vechten tegen honger en aan armoede gerelateerde ziekten. Aangezien ze niet in staat zijn banen te vinden in een kapitaalintensieve economie waar de jeugdwerkloosheid net onder de 50 procent schommelt, zijn ze afhankelijk van bedelarij, sporadisch werk – vaak in ruil voor maïspap of alcohol – en overheidssteun.

    Cultureel artefact

    Als onze preoccupatie met schaarste en hard werken geen deel uitmaakt van de menselijke natuur, maar een cultureel artefact is, hoe is dat dan ontstaan? Er is nu goed empirisch bewijs dat de omarming van de landbouw, die iets meer dan 10.000 jaar geleden begon, niet alleen de oorzaak was van ons geloof in de deugden van hard werken, maar ook de basis vormde voor onze aannames over de menselijke natuur waar de instellingen, structuren en normen van ons huidige economische – en sociale – leven uit zijn ontstaan.

    Het is geen toeval dat onze concepten van groei, rente en schulden, evenals een groot deel van ons economisch vocabulaire – woorden als ‘vergoeding’, ‘kapitaal’ en ‘geld’ – tijdens de eerste grote landbouwbeschavingen ontstonden.

    Landbouw was veel productiever dan foerageren. Snelgroeiende landbouwpopulaties hadden de neiging om de maximale draagkracht van hun land steeds verder op te rekken, zodat ze steeds één droogte, overstroming of plaag verwijderd waren van hongersnood en rampspoed. En hoe gunstig de elementen ook waren, door de niet-aflatende jaarlijkse cyclus waaraan boeren onderworpen waren, zouden de meeste inspanningen pas in de toekomst worden beloond.

    Bovendien weet elke boer dat je voor het uitstellen van een dringende klus, zoals het repareren van een hek of het tijdig inzaaien van een veld, genadeloos zal worden gestraft, terwijl je beloond wordt voor iedere extra inspanning om onvoorziene omstandigheden voor te zijn.

    Tol

    Als Russell nog leefde, zou hij waarschijnlijk blij zijn met het bewijs dat onze houding ten opzichte van werk een cultureel bijproduct is van de ellende die vroege landbouwsamenlevingen hebben doorstaan. Een dergelijke erkenning zou zijn utopie niet alleen realiseerbaarder maken, maar bovendien de opvatting versterken dat automatisering een einde kan maken aan schaarste en aan de economie zoals wij die kennen – samen met haar sociale instellingen, structuren en normen. Maar hij zou evengoed ontmoedigd kunnen zijn over onze pertinente weigering ons gedrag te veranderen, zelfs al zien we welke tol die eindeloze groei van ons eist.

    Er zijn redenen genoeg om onze werkcultuur te herzien, niet in de laatste plaats dat werk de meesten weinig meer oplevert dan een loonstrook. Zoals enquêteur Gallup in een gedenkwaardig onderzoek uit 2017 naar het beroepsleven in 155 landen liet zien, beschreef slechts een op de tien West-Europeanen zichzelf als betrokken bij hun baan. Dit is misschien niet verrassend, aangezien in een ander onderzoek, dat YouGov in 2015 uitvoerde, 37 procent van de werkende Britse volwassenen al aangaf dat hun baan geen zinvolle bijdrage leverde aan de wereld.

    Maar er is een nog veel dringender reden om onze manier van werken te veranderen. Als we in ogenschouw nemen dat werk in de meest fundamentele zin een energietransactie is en dat er een samenhang bestaat tussen de hoeveelheid werk die we met zijn allen verrichten en onze ecologische voetprint, is het heel aannemelijk dat minder werken – en minder verbruiken – niet alleen goed zal zijn voor onze gesteldheid, maar bovendien essentieel om een duurzame leefomgeving te waarborgen.

    Het economische trauma dat door de pandemie werd veroorzaakt, heeft ons de gelegenheid geboden om onze relatie tot werk opnieuw te bezien en opnieuw te evalueren welke banen we echt van belang vinden.

    Je hoort nu vrijwel niemand roepen dat er meer derivatenhandelaren moeten komen ten koste van epidemiologen en verplegers, en ooit marginale ideeën als een universeel basisinkomen of de formalisering van een vierdaagse werkweek, zijn weer vol tot bloei gekomen.

    Bovenal heeft de pandemie ons er heel duidelijk op gewezen dat we veel flexibeler zijn in onze manier van werken dan we ons vaak realiseren.

    James Suzmans Work: A History of How We Spend Our Time verschijnt bij Bloomsbury.

    Beeld: In Tokio krijgen kantoorwerkers een yogales aangeboden. – © Getty

  • Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Het gevaar dreigt dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld nog verder wordt vergroot door de coronacrisis, zegt de VN-hulporganisatie UNDP. Een basisinkomen biedt een vangnet en voorkomt sociale onrust. Hiermee worden naast de kosten ook de baten van globalisering eerlijk verdeeld.

    Regel 1 voor crisismanagement: maak de zaak niet erger dan die al is. Om de coronacrisis het hoofd te bieden overwegen veel landen grootschalige fiscale stimuli in te stellen en ruimhartig geld bij te drukken. Ze hopen daarmee twee vliegen in één klap te slaan: de pandemie bestrijden en de economische neergang temperen. 

    Zulke plannen zijn op zich niet slecht, maar ze moeten wel strategisch en houdbaar zijn. In onze ijver de crisis te bestrijden moeten we niet de kiem voor een nieuwe crisis zaaien: daarvoor staat er te veel op het spel.

    Wel wordt het tijd om aan alle genomen maatregelen een nieuw element toe te voegen, een oude bekende die we uit het oog hadden verloren: het universeel basisinkomen. Het zou onderdeel moeten worden van een breder pakket om ons door deze diepe crisis te loodsen.

    Ongelijkheid

    De – talrijke – tegenstanders van dit idee zullen aanvoeren dat geen enkel land het zich kan veroorloven geld uit te delen aan al zijn burgers. In die optiek zouden er onhoudbaar grote tekorten ontstaan die niet te financieren zijn.

    Die zorg is uiteraard terecht. Maar het alternatief is dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld verder groeit. Bestaande maatschappelijke conflicten zouden op de spits worden gedreven, en dat kan ons nog veel duurder komen te staan.

    De pandemie verspreidde zich vanuit China over Azië, waarna ook de rest van de wereld werd getroffen. Ze legde daarmee de grote ongelijkheid in Azië bloot, maar ook de kwetsbaarheid van grote groepen mensen. Zoals die van informele arbeiders, naar schatting 1,3 miljard mensen, oftewel tweederde van de bevolking van het Aziatisch-Pacifisch gebied.

    Ook migranten hadden het zwaar: alleen al in India waren bijna honderd miljoen mensen op drift. Als een groot deel van een generatie zonder werk komt te zitten en een vangnet ontbreekt, zijn de maatschappelijke kosten onaanvaardbaar hoog. Economische instabiliteit zal het onherroepelijke gevolg zijn van opflakkerende sociale onrust.

    De vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden

    In deze tijden, nu we proberen onze economieën weer aan de praat te krijgen, is sociale stabiliteit een groot goed. Die overweging alleen al is een sterk argument voor de invoering van een universeel basisinkomen.

    Deze crisis vraagt om een nieuw sociaal contract dat de grote ongelijkheid overal ter wereld doet afnemen. Simpel gezegd is de vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden. Het universeel basisinkomen is een nuttig instrument om mensen zekerheid te geven waarop ze kunnen bouwen.

    De Verenigde Staten en Canada werken al aan zulke plannen. Alaska keert alle burgers zelfs jaarlijks een bepaald bedrag uit, in wezen een soort universeel basisinkomen. De Canadese premier Justin Trudeau zegde iedereen die door de pandemie zonder werk kwam te zitten 2000 Canadese dollar per maand toe. Deze eerste aanzetten moeten een blijvend en grootschaliger karakter krijgen; onmogelijk is dat zeker niet.

    Eerlijker

    Wel moeten we het anders aanpakken dan in het verleden. Het basisinkomen moet noch als een vrijblijvende uitkering worden gezien, noch als extraatje voor mensen die toch al niets te kort kwamen. In plaats daarvan moeten we deze dubbele crisis aangrijpen om na te gaan of we de dingen inderdaad niet ‘nog erger maken dan ze al zijn’.

    Belastingen zullen eerlijker moeten worden. Landen moeten meer gaan samenwerken, data uitwisselen, zodat mensen en bedrijven niet langer ongehinderd belasting kunnen ontduiken. Iedereen moet het zijne bijdragen. We kunnen niet met een zuiver geweten winsten privatiseren, terwijl we verliezen afwentelen op het collectief.

    Verder moeten we subsidies stopzetten, vooral die op fossiele brandstoffen. Door hun marktverstorende werking zitten die duurzame ontwikkeling in de weg, waardoor klimaatdoelen onbereikbaar worden. Dit is in ons aller belang; het levert geld op voor een basisinkomen, maar ook voor het overeind houden van olie- en gasmaatschappijen.

    Warren Buffett en Bill Gates, twee van de rijkste mensen op aarde, hebben ervoor gepleit de superrijken meer belasting te laten betalen. Nu betalen ze veel te weinig en daardoor groeien hun vermogens buitenproportioneel. Volgens het Global Wealth Report van Credit Suisse uit 2018 heeft wereldwijd de rijkste 10 procent van de mensen 85 procent van het bezit in handen.

    Ook multinationals betalen minder dan ze zouden moeten. Apple, Amazon, Google en Walmart, om er maar een paar te noemen, behalen duizelingwekkende winsten, terwijl ze door handig gebruik te maken van mazen in de wet absurd weinig belasting betalen. Als de duizend grootste bedrijven in de wereld een redelijke som belasting afdroegen, dan zou er uit de opbrengst nu al een bescheiden basisinkomen kunnen worden gefinancierd, op wereldschaal. Er klopt duidelijk iets niet als regeringen rechtmatige inkomsten mislopen waar ze idealiter een betere staat mee kunnen opbouwen.

    GettyImages 162036034
    Scholieren in Denver, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Colorado, hielden in 1981 een mars om hun steun te betuigen aan het recht op basisbehoeften zoals voedsel, huisvesting en kleding. Dit is een van de grondvesten van de VN-organisatie UNDP, die zich onder andere als doel heeft gesteld dat armoede en honger in 2030 de wereld uit moeten zijn. © – Glen Martin / The Denver Post / Getty

    Tegenstanders noemen het misschien linkse praat, maar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarschuwt al jaren voor de gevaren van belastingconcurrentie. Van deze mondiale organisatie zijn onder andere de VS, Canada en West-Europese landen lid. De fiscaal expert van de OESO zegt het volgende: ‘De wereldeconomie functioneert alleen naar behoren als er acceptabele spelregels bestaan waaraan zowel overheden als bedrijven zich dienen te houden. Die stellen bedrijven in staat om hun kapitaal daarheen te verplaatsen waar zij hun winsten kunnen maximaliseren, terwijl nationale overheden kunnen voldoen aan de legitieme verwachting van hun burgers om zowel in de kosten als baten van de globalisering te delen.’

    Om zulke ‘acceptabele spelregels’ en een ‘aandeel in zowel de kosten als baten’ te realiseren is mondiale samenwerking nodig. Legt slechts één land een belasting op, dan zal het uiterst wendbare kapitaal zich snel verplaatsen naar landen die dat niet doen.

    Complicaties

    Het zal zonder twijfel lastig worden om een universeel basisinkomen van de grond te krijgen. De voor- en nadelen dienen goed tegen elkaar af worden gewogen, er moet worden nagegaan waarom het niet op veel plaatsen al lang bestaat, en nader uitgewerkt welke vorm het precies kan krijgen.

    Een andere zorg, naast de hoge kosten, is het gevaar dat zo’n programma in een vacuüm terechtkomt. Het moet goed in te passen zijn in bestaande sociale programma’s en het moet die aanvullen, zowel de uitkeringen waarvoor werknemers premies hebben betaald als de werkeloosheidsuitkeringen van de staat. En natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen meerdere uitkeringen tegelijk ontvangen.

    Je kunt alleen op een dergelijk universeel systeem overgaan als het blijft lonen om een baan te hebben. Moeilijk is dat niet: een universeel basisinkomen zou voldoende moeten zijn om in de eerste basisbehoeften te voorzien, maar meer niet, zodat er genoeg redenen blijven bestaan om te werken, sparen en investeren.

    Tot slot is het een idee om er voorwaarden aan te verbinden die het publieke belang dienen. Eisen dat kinderen gevaccineerd worden en naar school gaan, bijvoorbeeld. Zulke voorwaarden hoeven de voornaamste doelstelling, armoedebestrijding, niet in de weg te zitten. Mensen met een laag inkomen kunnen dan zelf de afweging maken en ervoor kiezen de armoede achter zich te laten.

    Het alternatief voor een universeel basisinkomen is groeiende sociale onrust, strijd, oncontroleerbare massamigratie en een wildgroei van extremistische groeperingen die garen spinnen bij sociale teleurstelling. Een weinig aanlokkelijk perspectief, en daarom moeten we het instellen van een goed doordacht universeel basisinkomen ernstig overwegen. Het zal ons beter in staat stellen toekomstige klappen op te vangen. 

  • Maakt basisinkomen een einde aan de armoede in Kenia?

    Maakt basisinkomen een einde aan de armoede in Kenia?

    ‘Blijf thuis. Werk vanuit huis’, luidt de officiële coronarichtlijn in Kenia. Welk thuis? Welk werk? vragen veel Kenianen zich af. Oby Obyerodhyambo pleit, ondanks alle kritiek, voor een economisch ‘vaccin’ dat de kwetsbaren beschermt.

    Op het hoogtepunt van de coronapandemie deed de Keniaanse minister van Volksgezondheid Mutahi Kagwe een uitspraak die hem tot het mikpunt van spot maakte op sociale media. Hij zei: ‘Als we doorgaan ons normaal te gedragen, zal de ziekte ons abnormaal behandelen. Je onder deze omstandigheden normaal gedragen komt neer op het koesteren van een doodswens.’ Het getuigt van defaitisme, dit klagen over de vermeende onwil van de bevolking om zich aan officiële preventiemaatregelen te houden.

    De regering heeft het verkeer van en naar de hoofdstad Nairobi aan banden gelegd, evenals dat van en naar de provincies Mombassa en Kilifi. In het hele land geldt een avondklok en alle Kenianen moeten een mondkapje dragen, sociale gelegenheden en drukke plaatsen mijden, waaronder religieuze gebouwen, en geregeld de handen wassen met zeep en stromend water. ‘Blijf thuis. Werk vanuit huis’, is de officiële richtlijn.

    ‘Welk werk? Welk huis?’ vraagt een 32-jarige vader van twee kinderen zich af, een man die door de economische gevolgen van het virus zijn baan heeft verloren en kampt met gezondheidsproblemen. ‘Die verplichte thuisisolatie vond ik te streng, veel te streng. Mijn gezin moet toch eten? Ik leef van dag tot dag. We kunnen net eten van wat ik op een dag verdien. De volgende dag ga je zonder een cent op zak de deur uit. En je kunt zeggen wat je wilt, maar ontbijt of lunch koop je er niet voor. Zodra ik op tafel zet wat ik verdiend heb, gaat het schoon op. Dus social distancing is een doodsvonnis, en thuiswerken ook. Ik heb thuis helemaal geen werk. Hoe stel je je dat voor, als ik alleen met mijn handen kan werken?’

    ‘Normaal’

    Zijn verhaal illustreert dat de regering niet goed beseft wat ‘normaal’ betekent voor de meerderheid van de Kenianen. Ze mag dan wel zeggen dat doorgaan met je normale leven getuigt van een stille doodswens, maar het tegendeel is waar.

    De minister richtte zich tot een klein deel van de Keniaanse bevolking, namelijk diegenen die het zich kunnen veroorloven om feestjes te organiseren en gezondheidsadviezen in de wind te slaan. Voor de meerderheid van de Kenianen, die leven in armoede, gaan zijn woorden niet op. Het coronavirus heeft hun leven overhoop gehaald en om te overleven moeten ze, zoals altijd, hun bestaan bij elkaar schrapen.

    In een rapport van [de Zweedse armoedebestrijdingsorganisatie] SIDA staat dat bijna 80 procent van de Kenianen arm is of net boven de armoedegrens leeft. Dat betekent dat de meerderheid van hen zich op de rand van de afgrond bevindt en maar een klein zetje nodig heeft om erin te vallen. Het rapport schetst een somber beeld van de economische situatie in Kenia: ‘De informele sector bestaat uit kleine zelfstandigen, bijvoorbeeld huishoudelijk personeel, groente- en fruitverkopers, wasvrouwen, straatverkopers, ambachtslieden, motor- en fietstaxichauffeurs en bouwvakkers. 72 procent van de huishoudens van mensen die in deze informele sector werken, heeft geen vast inkomen en leeft van dag tot dag.’

    Volgens een verkenning door het Keniaanse Rode Kruis uit april 2020 lijdt de meerderheid van de bevolking ernstig honger. Slechts één op de vier huishoudens in de krottenwijken van Nairobi kan rekenen op een stabiel inkomen.

    Water is in krottenwijken 150 procent duurder dan in welgestelde buurten

    Al voordat het coronavirus toesloeg, ging het slecht met de Keniaanse economie; covid-19 was de nagel aan de doodskist. Wie maar met moeite rondkwam, vecht nu om te overleven. Toen de pandemie om zich heen greep, schoten de voedselprijzen omhoog en bereikten het hoogste punt in drie jaar. Veel essentiële producten, zoals paraffine, voor de verlichting en om op te koken, werden ruim 20 procent duurder.

    Mildred Lucia, een alleenstaande moeder van vier kinderen, die voor de coronacrisis als wasvrouw werkte, klaagt over de stijgende prijzen van alledaagse producten: ‘Alles is opeens veel duurder geworden, maismeel was eerst 40 shilling en kost nu 50 tot 55 shilling. Of rijst: dat kostte altijd 40 shilling voor een halve kilo, maar nu opeens ook 55!’

    Sinds het uitbreken van de pandemie zijn de voedselprijzen met ruim 25 procent gestegen. Voedsel en huur zijn voor de meeste mensen in de krottenwijken de grootste doorlopende kostenpost, gevolgd door gezondheid. Doordat ze geen of te weinig werk hebben, moeten veel bewoners zich in de schulden steken. In andere steden is de situatie al even desolaat.

    Coronamaatregelen

    Bouwvakkers kwamen zonder werk te zitten nadat veel bouwplaatsen moesten worden gesloten. En ging het werk wel door, dan konden er door de avondklok minder uren worden gedraaid. De bouwvakkers werkten hierdoor niet alleen minder uren, maar kregen ook minder per uur betaald. De vrouwen die voedsel en water aan de bouwvakkers verkochten, raakten hun waren niet meer kwijt. Wasvrouwen, die een magere 200 shilling per dag verdienden, werden opeens tot persona non grata verklaard in de huizen van de rijken, die bang waren dat de vrouwen het virus aan hen zouden overdragen. Verkopers van groenten, fruit en andere waren kregen niet alleen te maken met allerlei restricties, maar verkochten ook een stuk minder, doordat hun klanten bijna niets meer verdienden. En boda boda [fiets- en motorfietstaxi]-chauffeurs hadden door de reisbeperkingen en het thuiswerken nauwelijks nog klanten.

    Nadat ze de hele dag hebben geprobeerd wat geld te verdienen voor het avondeten, kunnen ouders bij thuiskomst niet eens hun kinderen omarmen, omdat ze geen water hebben om hun handen te wassen

    Van de ene dag op de andere kregen kinderen uit krottenwijken helemaal geen onderwijs meer, omdat ze geen computer bezaten om de onlinelessen te volgen. Kinderen liepen doelloos buiten rond, wat hun ouders veel zorgen baarde. In de overbevolkte krottenwijken is het vaak geen optie om thuis te blijven, maar als kinderen alleen rondlopen, maken ouders zich zorgen dat ze besmet raken. Nadat ze de hele dag hebben geprobeerd wat geld te verdienen voor het avondeten, kunnen ouders bij thuiskomst niet eens hun kinderen omarmen, omdat ze geen water hebben om hun handen te wassen. Water is in de krottenwijken 150 procent duurder dan in welgestelde buurten, waar het uit de kraan komt.

    Toen er geen werk meer was en al het spaargeld was opgebruikt, maakten mensen schulden om voedsel, brandstof en de huur te kunnen betalen. Huisbazen zetten hun huurders zonder pardon op straat en deden een slot op het huis, soms nog met de spullen van de bewoners erin. Veel mensen in krottenwijken bouwden een enorme huurachterstand op, wat veel van hen aanzette tot wanhoopsdaden.

    Universeel basisinkomen

    ‘Het universeel basisinkomen is het antwoord op de door covid-19 verscherpte ongelijkheid.’ Deze boude stelling is de titel van een blog van Kanni Wignaraja en Balazs Horvath van het UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. Kanni pleitte er al eerder voor om het universeel basisinkomen een prominente plek te geven in het coronabeleid. Ze schreef dat de sociale gevolgen op de lange termijn zeer ernstig kunnen zijn, als er niet iets aan de armoede wordt gedaan. Alle maatregelen om getroffen economieën weer aan de praat te krijgen, zouden dan voor niets zijn geweest.

    Van alle vormen van sociale hulp is het universeel basisinkomen waarschijnlijk de radicaalste. Sociale hulp is eigenlijk een verzamelnaam voor een scala aan interventies – zowel directe als indirecte, in geld of in goederen. Denk aan sociale dienstverlening, publieke en private initiatieven om mensen minder kwetsbaar te maken, onder andere voor catastrofes als de huidige pandemie, steun bij het overwinnen van acute en chronische armoede en verbetering van de sociale status en rechten van gemarginaliseerde groepen.

    Toen het coronavirus om zich heen begon te grijpen, startte een consortium van niet-gouvernementele organisaties met steun van de Europese Unie een financieel hulpprogramma in de krottenwijken van Nairobi. Het begon in juni en was bedoeld als aanvulling op een al bestaand programma van de Keniaanse overheid. 11.250 huishoudens die maandelijks 2000 shilling van de regering ontvingen, kregen daar nog eens 5668 shilling bovenop.

    Daarnaast wees het project via deze al bestaande structuur nog eens 8250 huishoudens aan die vervolgens maandelijks hetzelfde bedrag kregen als de anderen: 7668 shilling. Dit bedrag was zo gekozen dat het kon voorzien in tenminste 50 procent van de zogenaamde Minimum Expenditure Basket, oftewel het geld dat een gemiddeld huishouden nodig heeft om te kunnen overleven. De Deense ambassade gaf ook geld, waarmee nog eens veertigduizend kwetsbare huishoudens in krottenwijken in Mombassa en Nairobi konden worden ondersteund. Een druppel op een gloeiende plaat, maar wie weet kan zo’n model worden opgeschaald om chronische armoede tegen te gaan.

    Meer effect

    Over het algemeen hebben sociale hulpprogramma’s waarin direct geld wordt overgedragen meer effect dan initiatieven van de overheid. Sociale hulpprogramma’s van de Keniaanse regering wisten zo’n 90 procent van de informele werknemers niet te bereiken, zo bleek uit onderzoek, terwijl dat in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied maar 50 procent is. Mensen in de informele sector hebben niet, zoals vaste werknemers, via hun werk toegang tot medische hulp. En ouderen en gehandicapten zijn vaak nog slechter af.

    Kanni Wignaraja van het UNDP stelde dat het absoluut nodig is om een minimuminkomen te garanderen; anders dreigen de allerarmsten te sterven van de honger of als gevolg van andere ziekten, nog voordat covid-19 hen te pakken neemt. In de krottenwijken van Nairobi wist het sociale hulpprogramma mensen te redden uit de klauwen van de dood.

    Voor het eerst sinds hij zijn baan was verloren, at zijn gezin weer drie maaltijden per dag

    Beatrice Mbendo, een 39-jarige zwangere, alleenstaande moeder van drie kinderen, die als wasvrouw bijna niets meer verdiende, kon met het geld eindelijk haar huur- en andere schulden aflossen. Zij vindt dat de regering ook als de pandemie voorbij is een sociaal hulpprogramma zou moeten instellen. Mildred Lucia, die nu zakdoekjes verkoopt op straat, is het daarmee eens. De moeder van vier kinderen kreeg toen de pandemie begon opeens geen werk meer als wasvrouw, omdat klanten bang waren het virus van haar op te lopen. Het bedrag dat aan steun ontving gaf ze bijna helemaal uit aan voedsel voor haar gezin, dat daarvóór maar één maaltijd per dag kreeg. Een klein deel investeerde ze in haar business en zo hoopt ze de armoede te kunnen ontvluchten.

    De ontvangers vertellen hoe ze dankzij deze financiële steun weer overeind konden krabbelen. Albert Otieno liep zijn huurachterstand in, kocht voedsel voor zijn gezin en kankermedicijnen voor zichzelf. Ook zorgde het geld voor minder spanningen in huis en bracht het een glimlach op het gezicht van zijn vrouw. Voor het eerst sinds hij zijn baan was verloren, at zijn gezin weer drie maaltijden per dag. Otieno kan nog steeds niet geloven dat hij aan het programma mocht meedoen zonder daarvoor iemand te hoeven kennen, een peetoom in te schakelen of iemand om te kopen.

    Margaret Mutambi werd na een gewelddadig huwelijk van elf jaar uit huis gegooid. Met de financiële steun kon zij haar nieuwe huis een beetje inrichten, achterstallige huur betalen en haar kinderen te eten geven. Ze vindt het belachelijk dat er geen echte banen zijn voor al die vrouwen die in de informele sector werken; volgens haar zijn zij door hun afhankelijkheid van mannen kwetsbaarder voor seksueel en andere geweld.

    Als sociale ontwikkelingsstrategie stuit het direct uitkeren van geld ook op kritiek. Het zou economisch onhaalbaar zijn en afhankelijkheid in de hand werken. Ontvangers zouden niet langer hun best doen om zelfredzaam te worden. Anderen vinden ‘gratis geld’ oneervol; het zou het zelfrespect van de ontvangers schaden. Ook wordt wel beweerd dat het lethargie en luiheid in de hand zou werken, dat de ontvangers eraan gewend raken en geen reden hebben om ervan af te zien zodra hun omstandigheden verbeteren. Veel tegenstanders zeggen dat arme mensen niet met geld kunnen omgaan en het geld dat ze krijgen alleen maar uitgeven aan onzinnige dingen. Talloze onderzoeken en evaluaties hebben deze mythes echter ontkracht: de directe overdracht van geld blijkt een prima manier om sociale hulp te bieden.

    Steuntje in de rug

    Een goed ontworpen sociaal hulpprogramma moet hele gemeenschappen kunnen helpen om zich op te werken uit diepe armoede en door sociale bedrijvigheid de eigen levensstandaard te verhogen. Het model van de Grameen Bank [uit Bangladesh] heeft overtuigend aangetoond dat armen zich vanuit de armoede omhoog kunnen werken als ze aan het begin een financieel steuntje in de rug krijgen. Eind 2008 had de bank 7,6 miljard dollar uitgeleend aan armen op het platteland van Bangladesh; 99,6 procent van het geld werd netjes terugbetaald. 97 procent van de leners waren vrouw. De bank en zijn oprichter Muhammad Yunus kregen er in 2006 de Nobelprijs voor de Vrede voor.

    De Grameen Bank gaat ervan uit dat armen zelf het best weten hoe zij hun situatie moeten verbeteren. De bank gelooft niet dat armen misbruik zullen maken van onvoorwaardelijke steun en alleen maar dieper in de armoede raken. Onderzoek laat zien dat het hun inderdaad de steun geeft die ze nodig hebben om weer op te krabbelen. Het idee dat ze niet geneigd zouden zijn om weer aan het werk te gaan, klopt simpelweg niet.

    In krottenwijken gaat het normale leven noodgedwongen door. Het is een schamel normaal, dat nog schameler wordt door alle pogingen het virus te beteugelen. Zolang er voor de bewoners geen directe financiële ondersteuning komt, is het minder gevaarlijk de officiële richtlijnen te negeren dan je eraan te houden.

    Inmiddels is de geldelijke steun van de staat en zijn partners opgedroogd, terwijl miljoenen mensen nog steeds gevangen zitten in armoede. Welke lessen kunnen we leren uit deze tijdelijke ‘vaccinatie’ tegen armoede met een universeel basisinkomen? Een tijdlang beschermde ze twintigduizend huishoudens tegen covid-19. Is het wellicht een blauwdruk voor nationale en regionale overheden, voor een sociaal hulpprogramma dat mensen iets van bestaanszekerheid kan bieden?

  • Heb je de overheid wel nodig?

    Heb je de overheid wel nodig?

    De Amerikaan Scott Santens wacht een overheidsinitiatief over het basisinkomen niet af, maar probeert via crowdfunding in zijn levensonderhoud te voorzien.

    Scott Santens denkt de laatste tijd veel aan vis. En dan vooral aan het aforisme: ‘Als je iemand een vis geeft, heeft hij voor een dag te eten. Als je iemand leert vissen, heeft hij zijn hele leven te eten.’ Wat Santens wil weten is het volgende: ‘Als je een robot bouwt die kan vissen, verhongeren alle mensen dan, of hebben alle mensen dan te eten?’ Santens is 37 en een van de leiders van de beweging voor een basisinkomen, een wereldwijd netwerk van duizenden voorstanders (alleen al 26.000 op de Amerikaanse nieuwssite Reddit) die vinden dat regeringen elke burger een maandelijkse toelage moeten geven die groot genoeg is om hun basisbehoeften te dekken.

    Met het idee van een basisinkomen wordt al decennia lang gespeeld, en het heeft op steun kunnen rekenen van uiteenlopende leiders als Martin Luther King Jr. en Richard Nixon. Maar in plaats van op een regeringsinitiatief te wachten is Santens begonnen om via crowdfunding een eigen basisinkomen van 1000 dollar per maand te verwerven. Hij is al bijna halverwege. Santens denkt dat de banengroei niet langer gelijke tred houdt met de automati-sering, en hij ziet een inkomen van regeringswege als een bruikbare oplossing. ‘Het gaat er niet om dat we in de toekomst een basisinkomen nodig hebben, we hebben het nu nodig,’ zegt Santens, die in New Orleans woont. ‘De mensen hebben het niet in de gaten, maar we zien de effecten al overal om ons heen, in de banen en in het loon dat we krijgen, in de uren die we voor lief nemen, in de extreme inkomensongelijkheid en in het verlies van koopkracht.’

    Als je een robot bouwt die kan vissen, verhongeren alle mensen dan, of hebben alle mensen te eten?

    Robots

    Veel deskundigen geloven dat, anders dan in de twintigste eeuw, de mensen in deze eeuw de automatisering niet één stap voor zullen kunnen blijven door middel van beter onderwijs en het vergroten van hun vaardigheden. Een recente studie van de Universiteit van Oxford waarschuwt dat 47 procent van alle bestaande banen binnen de komende twee decennia geautomatiseerd zal kunnen worden.

    Zorgen over robots die menselijke arbeid vervangen duiken steeds vaker op in de toonaangevende media, zoals op de voorpagina van The Wall Street Journal. Recente boeken zoals The Second Machine Age en Who Owns the Future? voorspellen dat als het om robots en werk gaat, de tijden zijn veranderd. In Europa, waar het sociale vangnet groter is, lijken mensen meer open te staan voor het idee van een basisinkomen dan in de Verenigde Staten.

    De Zwitsers gaan in 2016 een referendum houden voor een basis-inkomen [van 2000 euro per maand]. De meeste kandidaten voor de recente parlementsverkiezingen in Finland staan achter het idee. Maar in de VS is de kwestie nog taboe voor de toonaangevende politici: zij blijven twijfels houden over de rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid van een basisinkomen en verwerpen de vooronderstelling dat automatisering kantoorbanen kost.

    Vandaar dat Santens het heft in eigen handen heeft genomen. ‘Ik heb voor crowdfunding gekozen om mezelf en anderen onmiddellijk in staat te stellen voor het basisinkomen van alle anderen te pleiten,’ zegt Santens. Anders dan de meeste crowdfunders vraagt Santens geen beginkapitaal voor een specifiek project, zoals een technologische start-up, een non-profitorganisatie of een speelfilm.

    Evenmin vraagt hij geld voor een specifiek probleem, zoals onbetaalde medische kosten. Hij vraagt om gratis geld om zijn leven te leiden. Alles wat hij meer bijeenkrijgt met crowdfunden dan 1000 dollar per maand zal aan andere basisinkomensactivisten worden gedoneerd. Maar het geld dat hij als freelanceschrijver verdient houdt hij zelf. Volgens hem zou met een basis-inkomen van overheidswege hetzelfde gebeuren: de mensen zouden het extra geld dat ze met hun werk verdienen zelf houden.

    Techno-optimisme

    Santens crowdfundingproject valt niet alleen in goede aarde bij progressievelingen die van nature voor overheidsuitkeringen zijn, maar ook bij sommige voorstanders van het libertarisme, zoals Matt Zwolinski, hoogleraar Filosofie aan de Universiteit van San Diego. Naar zijn mening zou een basisinkomen de bureaucratische nachtmerrie van het huidige Amerikaanse sociale vangnet van 1 biljoen dollar kunnen verkleinen. Hij juicht Santens poging toe, omdat die bewijst dat een basisinkomen mogelijk is zonder overheidsbemoeienis. ‘Veel mensen gaan ervan uit dat als sociale zekerheid of postbezorging of een basisinkomen een goed idee is, daar automatisch uit volgt dat we de uit-voering ervan aan de staat moeten overlaten,’ aldus Zwolinski. ‘Maar dat volgt daar helemaal niet uit. Soms – en ik denk heel vaak – worden belangrijke sociale doelstellingen beter gerealiseerd door middel van vrijwillige gedecentra-liseerde actie dan door de dwingende gecentraliseerde controle die karakteristiek is voor de moderne staat.’

    Maar andere voorstanders van het basisinkomen staan sceptisch tegenover crowdfundingprojecten. ‘Als dit een paar activisten helpt om het idee voor het voetlicht te brengen en er steun voor te verwerven, dan kan dat volgens mij een positieve maar waarschijnlijk uiterst marginale ontwikkeling zijn,’ zegt Martin Ford, een pleitbezorger voor het basisinkomen en de auteur van The Rise of the Robots, waarin een zich snel uitbreidende overname van banen door automatiserings-systemen wordt voorspeld. ‘De treurige werkelijkheid is dat veel van de mensen die een basisinkomen het hardste nodig hebben waarschijnlijk niet op veel sympathie van vrijwillige donoren kunnen rekenen,’ zegt Ford.

    ‘Dat zie je al bij liefdadige doelen: de mensen geven voor gezinnen, kinderen en huisdieren, maar niet zo gauw voor alleenstaande dakloze mannen.’ Ford waarschuwt tegen wat hij de ‘libertarische/techno-optimistische fantasie’ van een particulieresectoroplossing noemt. ‘De overheid is ondanks al haar gebreken het enige aangewezen instrument dat we hebben.’

    Zullen mensen die genoeg hebben om van te leven, niet stoppen met werken?

    Publieke financiering

    Degenen die sceptisch staan tegenover een basisinkomen zullen misschien vragen: Als je mensen genoeg geeft om van te leven, zullen ze dan niet stoppen met werken? Zullen ze niet lui worden? Bevindingen uit pilotstudies van Guy Standing, hoogleraar Ontwikkelingsstudies aan de Universiteit van Londen en medeoprichter van het Basic Income Earth Network, wijzen op het tegendeel. ‘Wanneer mensen niet langer uit angst werken, worden ze productiever,’ aldus Standing. Karl Widerquist, een andere leider van de wereldwijde basisinkomensbeweging, juicht het project van Santen eveneens toe, maar zegt er wel bij dat het doel van de beweging niet is om een particulier gefinancierd basisinkomen te creëren.

    ‘Wat we nodig hebben is een publiek gefinancierd basisinkomen voor iedereen; particuliere liefdadigheids-instellingen kunnen – en moeten – dat niet doen,’ zegt Widerquist, hoogleraar Filosofie aan de School of Foreign Service in Qatar (onderdeel van de Universiteit van Georgetown) en auteur van diverse boeken en artikelen over het basis-inkomen. Widerquist organiseerde afgelopen maart ook de laatste editie van het North American Basic Income Guarantee Congress in New York. ‘Het doel van een particulier basisinkomen is om te laten zien hoe goed het werkt, er aandacht voor te vragen en de invoering van een echt algemeen basisinkomen te bevorderen,’ aldus Widerquist.

    ‘Wat we nodig hebben is een publiek gefinancierd basisinkomen voor iedereen’

    Kwaliteit van leven

    Ondertussen vraagt Santens in New Orleans via Twitter aan voorstanders van een basisinkomen om een beetje te dagdromen en zich voor te stellen wat ze met hun tijd zouden doen als ze een basisinkomen hadden. ‘Ik zou tijd hebben om te schrijven, en nu op een waardiger manier,’ twitterde een respondent. Een andere schreef: ‘Twintigjes voor muzikanten. Fooien. Werk van plaatselijke kunstenaars aan mijn muren. Dikke pakken poen voor fietstaxibestuurders. Ik zou dolgraag #mybasicincome delen.’ Santens zelf zal doorgaan als freelance-schrijver, maar nu met meer gemoedsrust. ‘Het enige verschil tussen nu en toen zal eigenlijk mijn kwaliteit van leven zijn, omdat ik me niet meer druk zal hoeven te maken over hoe ik in mijn basisbehoeften kan voorzien,’ zegt hij. ‘Dat is al heel wat… weten dat ik aan het begin van elke maand genoeg geld voor huur en eten zal hebben, dat ik eindelijk mijn schulden zal kunnen aflossen en op een dag misschien zelfs wat kan gaan sparen. Maar op de vraag of ik met een basis-inkomen alles zal kunnen doen wat ik het liefste doe,’ voegt hij eraan toe, ‘kan ik tot mijn grote geluk antwoorden dat dat precies is wat ik nu al doe.’

    David R. Wheeler