Tag: boek

  • De H is van havik

    De H is van havik

    Als de vader van valkenier Helen Mcdonald plotseling sterft, besluit ze een havik te nemen om haar verlies te verwerken. In haar alombejubelde en meermaals bekroonde bestseller H is van havik beschrijft ze hoe ze de felle roofvogel stapje voor stapje tam maakt. Een voorpublicatie.

    Drie kwartier ten noordoosten van Cambridge bevindt zich een landschap waaraan ik verknocht ben geraakt. Vochtig veen maakt er plaats voor droge zandgrond. Het is een gebied met kromme naaldbomen, uitgebrande auto’s, door kogels doorzeefde verkeersborden en Amerikaanse luchtmachtbases. Er waren geesten rond: op genummerde bospercelen staan huizen te vervallen. In grasrijke grafheuvels achter vier meter hoge hekken zijn ruimtes gemaakt voor kernraketten die per vliegtuig worden aangevoerd, er zijn tatoeagesalons en er liggen golfbanen voor de Amerikaanse luchtmacht. In het voorjaar is het er een kabaal van jewelste: aanhoudend vliegverkeer, bulderende gaskanonnen op erwtenvelden, boomleeuweriken, vliegtuigmotoren. Het gebied heet de Brecklands – de ‘gebroken gronden’ – en daar belandde ik die ochtend in het vroege voorjaar zeven jaar geleden, tijdens een totaal onverwacht uitstapje. Om vijf uur ’s ochtends had ik naar een rechthoekig vlak straatlicht op het plafond liggen staren, luisterend naar een paar late feestgangers die op de stoep stonden te praten. Ik voelde me raar: hondsmoe, overspannen, een naar gevoel alsof mijn hersenen waren gelicht en mijn schedel een magnetron vol verfrommelde, geblakerde en kortsluitingachtig vonkende aluminiumfolie was. Nnngh, ik moet eruit, dacht ik terwijl ik de dekens wegsloeg. Eruit! Ik schoot een spijkerbroek, laarzen en een trui aan, brandde mijn mond aan gloeiendhete koffie, en pas halverwege de A14 kreeg ik in mijn ijskoude, aftandse Volkswagen in de gaten waar ik naar onderweg was en waarom. Daarbuiten, achter de beslagen voorruit en de witte lijnen, bevond zich het bos. Het ‘gebroken’ bos. Daar ging ik naartoe. Om haviken te zien.

    Op zoek gaan naar haviken is alsof je op zoek bent naar verlossing

    Ik wist dat het lastig zou worden. Haviken zíjn lastig. Heb je ooit in je achtertuin een havik een vogel zien verschalken? Ik niet, maar ik weet dat het gebeurt. Ik heb sporen gevonden. Af en toe kleine stukjes op de terrastegels: een insectachtig zangvogelpootje met een verkrampt, door de pees aangetrokken klauwtje of, gruwelijker nog, een losse snavel, bijvoorbeeld de boven- of onderkant van die van een huismus, een staalgrijs, enigszins doorschijnend kegeltje met een rossige gloed en een paar ragfijne snavelveertjes er nog aan. Maar jij misschien wel: misschien keek jij wel uit je raam en zag je op je gazon een duif, merel of ekster vermoord worden door een grote, bloeddorstige roofvogel die eruitzag als het grootste, indrukwekkendste brok ongerepte natuur dat je ooit hebt aanschouwd, als een in je keuken gedumpte sneeuwluipaard die je op heterdaad betrapt terwijl hij de kat opeet. Ik heb weleens meegemaakt dat er in de supermarkt of de bibliotheek iemand met ogen als schoteltjes op me af kwam gestormd en riep: ‘Vanochtend heb ik een havik een vogel in mijn achtertuin zien grijpen!’ Ik sta op het punt mijn mond open te doen om: ‘Je bedoelt een sperwer!’ te roepen als diegene zegt: ‘Ik heb het opgezocht in de vogelgids. Het was een hávik.’ Maar dat is het nooit; die gidsen bieden geen uitkomst. Als een roofvogel op je gazon worstelt met een duif, lijkt hij groter dan hij in werkelijkheid is, en illustraties uit vogelgidsen stroken nooit met je herinnering. Kijk, daar heb je de sperwer. Hij is grijs, met een zwart-wit gestreepte borst, gele ogen en een lange staart. Die ernaast is de havik. Ook die is grijs met een zwart-wit gestreepte borst, gele ogen en een lange staart. Hmm, denk je. Je leest de beschrijving. Sperwer: dertig tot veertig centimeter groot. Havik: vijftig tot zestig centimeter. Zie je wel. Hij was gigantisch. Het moet wel een havik zijn geweest. Ze zien er precies hetzelfde uit. Alleen zijn haviken groter. Dat is alles. Gewoon groter.

    Een havik met een kap.  Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons
    Een havik met een kap. Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons

    Geheimzinnige graal

    Niet dus. In werkelijkheid lijken haviken net zo veel op sperwers als luipaarden op huiskatten. Ja, ze zijn groter, maar ook steviger, bloeddorstiger, dodelijker en angstaanjagender en veel, veel schuwer. Als vogels van het diepe woud, en niet van de tuin, zijn ze de geheimzinnige graal van vogelaars. Je kunt een week in een bos vol haviken doorbrengen en er niet één zien, hooguit een spoor van hun aanwezigheid. Een plotselinge stilte, gevolgd door de roep van bange bosvogels en het idee dat iets zich net buiten je blikveld verroert. Wie weet vind je een uiteengereten, half opgegeten duif tussen her en der verspreid liggende witte veren op de bodem van het bos. Of misschien heb je geluk, als je bij zonsopgang tijdens een wandeling over een nevelig bospaadje omkijkt en in een fractie van een seconde een vogel voorbij ziet suizen, zijn enorme poten met de klauwen enigszins samengeknepen, zijn ogen gericht op een ver doel. Een fractie van een seconde waarin dat beeld in je geheugen wordt gegrift en die je doet verlangen naar meer. Op zoek gaan naar haviken is alsof je op zoekt bent naar verlossing: die komt, al is het niet vaak, en je kunt niet zeggen waar of wanneer. Maar je maakt iets meer kans op een heldere, windstille ochtend vroeg in het voorjaar, want dan verlaten haviken hun wereld onder de bomen om elkaar in de open lucht het hof te maken. Dat hoopte ik te gaan zien.

    Daar waren ze. Een paartje, hoog boven het bladerdek

    Ik sloeg het roestige portier van mijn auto dicht en trok met mijn verrekijker een bos in dat door de vorst de kleur van tin had gekregen. Hele bospercelen waren verdwenen sinds ik er voor het laatst was geweest. Ik stuitte op vierkante stukken verwoeste grond: open gekapte, omwoelde arealen met stukgetrokken wortels en her en der verspreide dorre naalden. Open plekken. Precies wat ik zocht. Langzaam hervond mijn brein zijn evenwicht in een gebied als dit, waar het maandenlang niet was geweest. Heel lang had ik namelijk in bibliotheken en universiteitskamers naar beeldschermen zitten turen en artikelen aangevinkt, op jacht naar wetenschappelijke verwijzingen. Dit was een ander soort jacht. Hier was ik een ander dier. Heb je ooit een hert zijn schuilplaats zien verlaten? Het zet een paar stappen, staat stil, steekt zijn neus in de lucht en blijft roerloos staan kijken en snuffelen. Misschien loopt er een trilling van een zenuw over zijn flank. En dan, als het zeker weet dat de kust veilig is, komt het uit het kreupelhout gelopen en begint te grazen. Die ochtend voelde ik me als zo’n hert. Niet dat ik stond te snuffelen of bang bleef stilstaan, maar net als een hert was ik onderhevig aan een oeroud instinct dat geheel zelfstandig mijn lichaam stuurde en waardoor ik op alles gespitst was. Iets in me zei hoe en waar ik mijn voeten moest neerzetten zonder dat het echt tot me doordrong. Misschien komt het door een miljoen jaar evolutie of is het intuïtie, maar wanneer ik in het volle zonlicht naar haviken speur ben ik gespannen en sluip ik onbewust in de richting van een plek waar het licht minder fel is, of glip de smalle, kille schaduw naast tussenliggende dennenbosjes binnen. Ik krimp ineen bij een kreet van een Vlaamse gaai of een getergd raspende, alarmerende kraaienroep. Allebei kunnen ze: ‘Pas op, een mens!’ of: ‘Pas op, een havik!’ betekenen. Die ochtend probeerde ik de laatste te vinden door de eerste aan het zicht te onttrekken. Dat oude, spookachtige instinct dat ziel en zenuw al duizenden jaren met elkaar verbindt had het overgenomen, ging zijn eigen gang, zorgde ervoor dat ik me in fel zonlicht slecht op mijn gemak voelde, met tegenzin aan de verkeerde kant van een richel ging lopen en om een of andere ongrijpbare reden via de achterkant van een bult met vergeeld gras ergens aan de andere kant verderop uitkwam, bij iets wat een meertje bleek te zijn. Vogels verhieven zich in wolken van de oever: vinken, kepen en een vlucht staartmezen die zich als bezielde wattenstaafjes aan wilgentakken vastklampten.

    Het meertje was een krater, ontstaan door een van de vele bommen die een Duitse bommenwerper in de oorlog boven Lakenheath had laten vallen. Het was een anomalie, een watertje in de duinen op vele kilometers van zee, met volle bossen zandzegge eromheen. Ik schudde mijn hoofd. Het was vreemd. Maar ja, alles hier is heel vreemd. Als je door het bos loopt stuit je op allerlei onverwachte dingen. Complete vlakten rendiermos, bijvoorbeeld: sterretjes, bloemetjes en aanwijzingen die oeroude, op schrale grond gedijende flora doen vermoeden. Het spul, in de zomer bros als je erop trapt, is net een flard poolgebied dat op de verkeerde plaats op de aarde is beland. Overal vind je botachtige knobbels en lemmeten van vuursteen. Op vochtige ochtenden kun je scherven rapen die door neolithische ambachtslieden van vuursteenknollen zijn geslagen, kleine flinters die glanzen dankzij een dun laagje koud water. De streek was in neolithische tijden het centrum van de vuursteenindustrie. Later werd hij vermaard om de konijnen die er voor vlees en bont werden gefokt. Dwars door het zanderige landschap strekten zich reusachtige omheinde konijnenparken uit waaraan de gebieden – Wangford Warren, Lakenheath Warren – hun naam ontlenen. Uiteindelijk veroorzaakten de konijnen een ramp. Doordat ze het land in eendrachtige samenwerking met schapen intensief begraasden, veranderde het korte gras in een dunne korst wortels op het zand. Waar het meest was gegraasd ontstonden door de wind zandbanken die zich vervolgens over het land verplaatsten. In 1688 blies een krachtige zuidwester de gebroken grond de lucht in. Een gigantische gele wolk verduisterde de zon. Tonnen land verschoven, werden verplaatst, vielen neer. Brandon raakte ingesloten door zand, Santon Downham werd verzwolgen, de rivier slibde volledig dicht. Toen de wind ging liggen strekten zich tussen Brandon en Barton Mills kilometers lange duinen uit. Het gebied werd berucht omdat het zo vreselijk ontoegankelijk was: ’s zomers waren de zachte duinen gloeiend heet en ’s avonds wemelde het er van de struikrovers. Zo kreeg Groot-Brittannië zijn hoogsteigen Arabia deserta. De zeventiende-eeuwse schrijver John Evelyn noemde het gebied het ‘Wandelende Zand’ dat ‘het land dermate beschadigde door her- en derwaarts te rollen, als het Zand in de Woestijn van Libië, dat het hele landgoederen van enkele eerzame heren overweldigde’.


    Daar stond ik dan, te midden van Evelyns wandelende zand. De meeste duinen gaan schuil onder naaldbomen – het bos werd hier in de jaren twintig aangeplant om tijdens oorlogen in timmerhout te kunnen voorzien – en de struikrovers zijn allang verdwenen. Maar het heeft nog altijd iets gevaarlijks, half onderaards, beschadigds. Ik kom er graag omdat ik geen enkele andere Engelse streek met zo’n wilde natuur ken. Het is geen ongerepte wildernis, als op een bergtop, maar een rommelige, eigenaardige woestenij waaraan mens en gebied in gelijke mate hebben bijgedragen. Het brengt je op het idee dat het platteland ook een andere geschiedenis heeft gekend; niet louter de grootse, bevoorrechte droomlevens van de landadel, maar een geschiedenis van industrie, bosbouw, rampspoed, handel en werk. Ik kon geen geschiktere locatie bedenken om naar haviken te speuren. Die passen vrijwel naadloos in dit vreemde Brecklands-landschap, want de geschiedenis van de havik is al evenzeer door de mens gevormd.

    Soms is het ongerepte mensenwerk

    Uitgestorven

    Het is een fascinerend verhaal. Havikachtigen kwamen ooit overal op de Britse eilanden voor. ‘Er zijn diverse Soorten en Maten Haviken,’ schreef Richard Blome in 1618, ‘die in uitnemendheid, kracht en onversaagdheid verschillen naargelang het Land in hetwelk ze zijn gefokt; doch geen ander land voorziet in zulke voortreffelijke als die van Moskovië, Noorwegen en het Noorden van Ierland, met name het Graafschap Tyrone.’ Maar de kwaliteiten van jachtvogels raakten in vergetelheid doordat privéterrein werd omheind, wat de mogelijkheden voor de gewone man om met roofvogels te vliegen aan banden legde, en door de komst van precisievuurwapens, waardoor jagen met geweren in plaats van vogels in de mode raakte. Haviken werden als ongedierte beschouwd, niet als jachtgezelschap. Dat ze door jachtopzieners werden vervolgd betekende de nekslag voor de populatie, die toch al leed onder inperking van haar leefgebied. Aan het einde van de negentiende eeuw waren haviken in Groot-Brittannië uitgestorven. Ik heb een foto van de geprepareerde overblijfselen van een van de laatste die werden geschoten, een zwart-witkiekje van een verfomfaaid, opgezet exemplaar met troebele ogen, afkomstig van een Schots landgoed. Ze waren er niet meer.

    Maar in de jaren zestig en zeventig zetten valkeniers stilzwijgend een onofficieel programma op om ze te laten terugkeren. De Britse valkeniersvereniging, de British Falconers’ Club, had ontdekt dat je tegen het bedrag waarvoor je vanaf het Europese vasteland een havik voor de valkerij importeerde er een tweede bij kon nemen, die je de vrijheid kon geven. Koop er twee, laat er één vrij. Dat vrijlaten was een koud kunstje met een dier dat zo onafhankelijk en roofzuchtig is als een havik. Je zocht gewoon een bos uit en zette de doos open. Valkeniers die het idee een warm hart toedroegen deden overal in Groot-Brittannië hetzelfde. De vogels waren afkomstig uit Zweden, Duitsland en Finland: de meeste waren enorme, lichtgekleurde haviken uit de taiga. Sommige werden met opzet vrijgelaten. Andere ging er zelf vandoor. Ze overleefden, zochten elkaar op en plantten zich voort, in afzondering en met succes. Tegenwoordig telt hun nageslacht ongeveer vierhonderdvijftig paartjes. Het doet me plezier dat de ongrijpbare, spectaculaire havik zich in Groot-Brittannië volledig op zijn gemak voelt. Zijn bestaan logenstraft het idee dat de harten én de handen van de mensen de wilde natuur onberoerd hebben gelaten. Soms is het ongerepte mensenwerk.

    Helen Macdonald met Mabel
    Helen Macdonald met Mabel

    Het was exact halfnegen. Ik keek naar beneden, naar een aan de turf ontsproten mahoniascheut met bladeren die wijnrood waren, als pasgewreven varkensleer. Ik keek omhoog. En toen zag ik de haviken. Daar waren ze. Een paartje, hoog boven het bladerdek in de snel opwarmende lucht. De zon lag als een hete hand in mijn nek, maar ik rook ijs toen ik de vogels daarboven zag zweven. Ik rook ijs, varens en dennenhars. Een havikencocktail. Ze lieten zich meevoeren op de thermiek. In de lucht hebben haviken een moeilijk te duiden kleur. Ze zijn lei- noch duifgrijs, eerder een soort regenbuigrijs. En ook al waren ze ver weg, ik zag de grote, verwaaide poederdons van witte broekveren, de stevige, stompe staart erachter en de fraai gewelfde en gedraaide kleine slagpennen, waardoor een havik op thermiek er zo anders uitziet dan een sperwer. Ze werden lastiggevallen door kraaien, maar het hinderde ze niet in het minst, zo van: Nou en! Een kraai stortte zich omlaag naar het mannetje, dat achteloos een vleugel optrok om hem door te laten. De kraai was ook niet gek en dook niet al te diep onder de havik door. De haviken lieten niet alles zien wat ze in huis hadden: ze maakten niet van die vrije vallen die ik uit de boeken ken. Maar ze genoten van de ruimte tussen hun lijven en kliefden er allerlei prachtige concentrische koorden en afsnijdertjes in. Een paar vleugelslagen en het mannetje, de tarsel, vloog boven het wijfje, waarna hij zich noordwaarts van haar weg liet drijven om vervolgens snel, als een mes, met een fraaie kalligrafische haal onder haar door te glijden, waarop zij een vleugel liet zakken en ze zich samen weer omhoog lieten stuwen. Ze vlogen pal boven een dennenbosje iets verderop. En toen waren ze weg. Het ene moment beschreef mijn havikenpaartje nog figuren in de lucht die ik uit natuurkundeboeken kende, het volgende moment was er helemaal niets. Ik kan me niet herinneren dat ik omlaag- of wegkeek. Misschien had ik met mijn ogen geknipperd. Misschien was het niet meer dan dat. En tijdens zo’n piepklein zwart interval dat het brein buitensluit waren ze het bos in gedoken.

    Jonge havik met een boek over het trainen van haviken.  Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons
    Jonge havik met een boek over het trainen van haviken. Andrea Pokrzywinski/Flickr Creative Commons

    Geduld

    Moe en voldaan ging ik zitten. De haviken waren verdwenen, de hemel was leeg. De tijd verstreek. De golflengte van het licht om me heen nam af. De dag zwol aan. Een sperwer, licht als een stuk speelgoed van balsahout en gelakt zijdepapier, zoefde op kniehoogte langs en zweefde over een braambos het geboomte in. Ik zag hem verdwijnen, in gedachten verzonken. Het waren hevige, onontkoombare herinneringen. Ze roken naar dennenhars en bijtend bosmierenzuur. Ik voelde mijn door het gaashek gehaakte kleinemeisjesvingers en het gewicht van een Oost-Duitse verrekijker die om mijn nek hing. Ik verveelde me. Ik was negen. Pap stond naast me. We speurden naar sperwers. Ze nestelden in de buurt, en die julimiddag hoopten we op zo’n waarneming die ze ons soms gunden: een soort onderwatergolf die door de toppen van de naaldbomen trok wanneer er daar een aankwam en weer vertrok, een glimp van een geel oog, een gestreepte borst tegen de achtergrond van bewegende naalden of een zwart, snel silhouet dat een stempel in de hemel boven Surrey zette. Het was een tijdje spannend om te turen naar het donker tussen de bomen en het bloedsinaasappelrood-met-zwarte mozaïek van de zon op de dennen. Maar als je negen bent valt wachten je zwaar. Ik trapte met mijn gelaarsde voeten tegen de onderkant van een hek. Draaide en wiebelde. Zuchtte. Ging aan mijn vingers aan het hek hangen. Mijn vader keek me half geërgerd, half geamuseerd aan en begon iets uit te leggen. Hij legde uit wat ‘geduld’ was. Het belangrijkste wat je volgens hem moest onthouden was dit: als je iets dolgraag wilde zien, moest je soms heel lang op dezelfde plek blijven zitten, bedenken hoe graag je het wilde zien en geduld hebben. ‘Als ik aan het werk ben, foto’s neem voor de krant,’ zei hij,‘moet ik soms urenlang in de auto zitten om de foto te krijgen die ik wil hebben. Ik kan niet weg voor een kop thee en zelfs niet om naar de plee te gaan. Ik moet gewoon geduldig blijven. Als je sperwers wilt zien, moet je ook geduldig zijn.’ Hij was bloedserieus, niet geërgerd; hij vertelde een Grotemensenwaarheid, maar ik knikte pruilend en keek naar de grond. Het klonk als een preek, niet als goede raad, en ik begreep niet wat hij wilde zeggen.

    Een mens wordt wijzer. Ik was geen negen meer, verveelde me niet langer en dacht: Vandaag ben ik geduldig geweest en zijn de haviken gekomen. Ik kwam langzaam overeind, mijn benen een beetje slaperig omdat ik zo lang had stilgezeten, en werd me ervan bewust dat ik een klompje rendiermos in mijn hand had, zo’n klein stukje zich vertakkend, licht groengrijs korstmos dat zo ongeveer alles weerstaat wat de wereld erop loslaat. Het is het vleesgeworden geduld. Bewaar rendiermos in het donker, vries het in, droog het tot het knapperig wordt en nog gaat het niet dood. Het trekt zich terug en wacht betere tijden af. Indrukwekkend spul. Ik voelde het gewicht van het bolletje minitwijgjes in mijn hand. Alsof het er bijna niet was. In een opwelling borg ik het kleine gestolen aandenken aan het moment waarop ik de haviken had gezien in mijn binnenzak op en ging naar huis. Ik legde het op een boekenplank naast de telefoon. Drie weken later keek ik ernaar toen mijn moeder me belde om me te vertellen dat mijn vader dood was.

    Helen Macdonald

    Van H is van havik werden in Engeland meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Het boek werd bekroond met de Samuel Johnson Prize en de Costa Book Award. De Nederlandse editie verschijnt deze maand bij De Bezige Bij.

    360 Magazine organiseert samen met De Balie en De Bezige Bij een bijeenkomst met Helen Mcdonald op 28 september. Zij gaat in gesprek met publicist en vogelkenner Kester Freriks. Kaarten kunt u bestellen bij de kassa van De Balie.


    (Foto boven Jo Garbutt/Flickr Creative Commons)

  • De schrijver die zijn familie kruisigde

    De schrijver die zijn familie kruisigde

    Karl Ove Knausgård boekte een wereldsucces met een zesdelige autobiografische roman, Min kamp. Daarmee en daarna was het met zijn schrijverschap gedaan. Maar ook zijn bloed kruipt waar hij het niet wilde laten gaan. Knausgård werkt aan een nieuw boek met veel ‘bovenaardse elementen’.

    Toen hij nog wel eens in eigen land voor publiek optrad, werd de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård geïnterviewd in het Huis van de Literatuur in Oslo, een statig gebouw tegenover het koninklijk paleis. Het was december 2009, een paar maanden na de publicatie van het eerste deel van zijn zesdelige autobiografische roman Min kamp (in het Nederlands verschenen als Mijn strijd). In dit werk vertelt Knausgård in 3600 pagina’s over een leven vol banaliteiten en vernederingen, over veel plezierige intieme momenten maar ook over zijn donkerste gedachten, van het soort dat de meeste mensen zichzelf niet eens in stilte durven toegeven.

    De boeken veroorzaakten vrijwel meteen een sensatie. Er stond een rij tot ver om de hoek van het blok en het gesprek met Knausgård moest, om de massale toestroom te verwerken, via een videoverbinding in belendende zalen worden getoond. Twee uur lang werd Knausgård geïnterviewd door een andere schrijver, Tore Renberg, een vriend met wie hij in de jaren negentig nog studentenradio had gemaakt. Het tweetal sprak over Min kamp en de totstandkoming ervan.

    Na afloop had niemand veel zin om naar huis te gaan. Een grote groep mensen dromde samen in het restaurant van het gebouw, een koude, helverlichte ruimte, waar de bezoekers nog twee, of soms wel zes biertjes bleven drinken. Zij vertelden hoezeer ze zich met Knausgård konden vereenzelvigen en begonnen zelf ook persoonlijke herinneringen op te halen. Cathrine Sandnes, de 42-jarige hoofdredacteur van het gerenommeerde Oslose tijdschrift Samtiden, dacht bij zichzelf: Wat gebeurt hier?

    Later waren de reacties elders op de wereld precies dezelfde als op die avond in Oslo. Wanneer je met bewonderaars van Knausgård praat, komt één thema steeds weer naar voren: Knausgård schrijft weliswaar over zichzelf, maar het gaat evenzeer over jou. Bij het lezen van het boek, zeggen ze, is het alsof je het dagboek van iemand anders opslaat en er je eigen geheimen in terugvindt. In Noorwegen, waar één deel van de gebonden uitgave ruim veertig euro kost, hebben bijna een half miljoen mensen er ten minste één van gekocht, oftewel één op de negen volwassen Noren.

    Hij is door de geluidsbarrière van de autobiografische roman gegaan

    Nietsontziend zelfportret

    Volgens Sandnes betekent Knausgård voor veel Noren net zoiets als Nirvana ooit betekende in hun tienertijd. ‘Je weet wel, zoiets waar je mee opstaat en waar je mee gaat slapen.’ Er zijn in maar liefst 22 talen vertalingen van het werk verschenen of aangekondigd. In 2012, toen Knausgård pas 43 jaar was, kon er bij de goksite Ladbrokes al worden gewed op zijn kansen op de Nobelprijs. De Noorse auteur telt in de Verenigde Staten, waar het derde deel deze maand verschijnt, Jeffrey Eugenides, Zadie Smith en Jonathan Lethem onder zijn bewonderaars. ‘Knausgård heeft iets gedaan wat nog niet eerder gedaan was’, zegt Eugenides, ‘hij is door de geluidsbarrière van de autobiografische roman gegaan.’

    Voor de schrijver zelf is zijn compromisloze aanpak niet zonder consequenties. Alhoewel het werk het etiket ‘fictie’ kreeg, is het eerder een nietsontziend zelfportret, met Knausgård in de hoofdrol en zijn familie en dierbaren in de bijrollen. Bijna allemaal worden ze met naam en toenaam genoemd, en de enorme populariteit van het werk heeft ook hun leven niet onberoerd gelaten. Sommigen uit zijn omgeving hebben de auteur hier publiekelijk bittere verwijten over gemaakt, bijvoorbeeld dat hij hun privacy zou hebben geschonden en hun reputatie beschadigd.

    Momenteel woont Knausgård met zijn gezin aan een achterafweggetje in een klein dorp in het uiterste zuiden van Zweden, waar hij in 2011 naartoe verhuisde. De wind blaast er hard over de omringende akkers. Opvliegende ganzen doorbreken de ochtendstilte. ‘Hier kan literatuur niemand iets schelen’, zegt hij, als ik hem in februari opzoek. Het bevalt hem prima. Hij probeert nu vooral zijn vrouw en vier kinderen te beschermen tegen de onophoudelijke storm van aandacht.

    Zichzelf afschermen lukt al niet meer. Ondanks het reusachtige succes van Min kamp spreekt hij eerder met spijt dan met trots over de enorme uitwerking van het boek. Ik praat met hem in zijn rustieke studeervertrek achter op het erf van zijn huis. Hij slaat zijn ogen neer en zegt: ‘Elke keer als ik erover praat, word ik verdrietig.’

    Zijn beste vriend, de schrijver Geir Angell Øygarden, zegt: ‘Karl Ove kan niet omgaan met het idee dat hij iets verkeerd heeft gedaan – of liever gezegd, dat iemand vindt dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Absoluut niet. Dat trekt hij niet.’

    De Scandinavische kranten stellen op hun voorpagina’s het boek overigens schunniger voor dan het is. Knausgård gaat zelfs bewust het risico niet uit de weg om de lezer te vervelen met zijn extreme realisme. Hij richt zijn blik op bezigheden en gedachten waar we normaal gesproken nauwelijks bij stilstaan. Een boodschap doen, jezelf googelen, op een bankje in het park zitten met een sigaret en een kop thee. Nu en dan maakt het alledaagse echter plaats voor diepgaandere beschouwingen – speculaties, zoals zijn redacteur Geir Gulliksen ze noemt – die het gebeurde in een breder perspectief plaatsen. ‘Zoals ’t het hart niet uitmaakt voor welk mensenleven het klopt, maakt het de stad helemaal niets uit wie er precies wát uitvoert. Wanneer alle passanten van nu dood zijn … zal hun komen en gaan nog net zo klinken en er nog net zo uitzien. Alleen hun gezichten zullen veranderd zijn.’ Dertig pagina’s later zit hij nog steeds op het bankje, met dezelfde sigaret.

    De dramatische gebeurtenissen in Knausgårds relaas zijn als plotselinge golven op een verder kalme zee, net zoals in de meeste mensenlevens. Uiteindelijk krijg je, zegt Sandnes, ‘sterk het gevoel dat je er zelf bij was’. Ik spreek haar op het elegante redactieadres van haar tijdschrift. ‘Begrijp je? Alsof je met hem versmelt’, verduidelijkt ze en drukt ter illustratie haar handpalmen vóór haar gezicht tegen elkaar.

    Karl Ove Knausgård - © Ulf Andersen/Getty Images
    Karl Ove Knausgård – © Ulf Andersen/Getty Images

    Deze levensechte nabijheid maakt Min kamp tegelijk ook zo controversieel. Knausgård werd op een schrijversconferentie verliefd op zijn huidige vrouw, de Zweedse schrijfster Linda Boström Knausgård, terwijl hij nog getrouwd was met de journaliste Tonje Aursland. Linda wees zijn avances toen nog af. De auteur beschrijft in het tweede deel haar kleding op de dag van hun ontmoeting, hoe ze gedachteloos met een grassprietje speelde en hoe hij, nadat ze hem had afgewezen, in een dronken bui zijn gezicht openhaalde. Aursland hoorde dat allemaal pas voor het eerst toen ze, tegelijk met de rest van Noorwegen, de bewuste passage onder ogen kreeg. Ze voelde zich enorm gekwetst, zou ze later in een emotioneel beladen radiodocumentaire – met als titel Tonjes versie – vertellen. Ook Knausgård zat in de uitzending (hoe kon hij ook weigeren) en Aursland confronteerde hem ermee. Hij bracht het er niet best van af.

    Wie schrijft er nou zoiets over zijn eigen vrouw?

    Voor Knausgårds familie was het pijnlijkste gedeelte een cruciale episode rond de dood van zijn vader. In het eerste deel reist Knausgård na het bericht van zijn vaders overlijden met zijn broer naar het mooie huis niet ver van de oceaan bij Kristiansand, waar de vader en hun geliefde grootmoeder samenwoonden. Het is een populaire vakantiebestemming in Noorwegen, aan de voet van een rotsachtig heuvellandschap. Bij aankomst treffen ze een onbeschrijflijke ravage aan, overal liggen lege flessen en rotzooi, de meubels en rondslingerende kleren zijn bedekt met uitwerpselen. De grootmoeder is incontinent, onmiskenbaar seniel en hunkert naar drank. Na dagen van huilen en opruimen zitten de twee broers in de keuken en drinken met haar een glas wodka. Daar leeft ze van op en ze begint honderduit te vertellen. Er wordt gelachen en gedronken. Een paar dagen eerder nog was de vader in de kamer ernaast aan de gevolgen van alcoholisme overleden.

    Knausgårds vader was een alom gerespecteerd leraar en een lokaal politicus. Met veel moeite had de familie de schijn van keurigheid weten op te houden. De oom van de schrijver gaf in 2011 in een verklaring lucht aan zijn verontwaardiging over hoe zijn neef uit de school was geklapt. ‘Stel je voor dat het jouw familie was geweest, hoe denk je dat jij zou hebben gereageerd?’ In een andere brief, van veertien familieleden van de auteur aan de Oslose krant Klassekampen, werd Min kamp ‘judasliteratuur’ genoemd.

    Redacteur Gulliksen spreekt al jaren niet meer met journalisten over Knausgård, uit frustratie omdat ze diens werk als een kwaadwillende daad bestempelen. ‘Soms schrijven auteurs inderdaad om wraak te nemen op de wereld of op hun familie’, zegt hij me, ‘maar bij Knausgård speelt dat geen rol.’ Volgens Gulliksen is het ‘niet het soort werk waarin de auteur zichzelf voordelig neerzet. Integendeel. Vooral hijzelf moet het ontgelden.’ Wat Knausgårds critici wreedheid noemen, ziet de redacteur eerder als een vorm van masochisme. In beide oordelen schuilt een kern van waarheid. In de roman stelt Knausgård werkelijk iedereen bloot aan het oordeel van de lezer, het is simpelweg het relaas van een leven, zonder ook maar een zweem van zelfrechtvaardiging.

    Wanneer Knausgård eindelijk met Linda samen is, wordt zijn blinde vervoering – hij valt flauw tijdens de eerste kus – geheel niet getemperd door scrupules. Hij laat ons vooral zijn gekwelde passie meebeleven. Later maken we mee hoe hij getrouwd is en de twee elkaar alweer in de haren zitten. ‘Ik had haar het liefst verlaten’, schrijft hij, ‘want ze zat aldoor te zeuren, nooit was ze tevreden, ze zeurde maar en zeurde maar.’ Het is genadeloos een dergelijke opmerking over je vrouw te maken, maar Knausgård zelf komt er nog het slechtst van af. Wie schrijft er nou zoiets over zijn eigen vrouw?

    ‘Ik had nooit verwacht dat Karl Ove een boek als Min kamp zou schrijven’, zegt Hilde Engenes. ‘Ik was geschokt.’ We zitten in een klaslokaal van de middelbare school in Kristiansand waar zij en Knausgård vroeger samen naartoe gingen en waar ze goede vrienden werden. Later stuurden ze elkaar brieven die ze nog af en toe met genoegen herleest. Knausgård woonde toentertijd nog niet zo lang in de stad, zijn vroege jaren bracht hij door op een eiland niet ver daarvandaan. Samen met Engenes was hij een tijdlang hoofdredacteur van een satirisch krantje. Na hun eindexamen werkten ze samen in een psychiatrische kliniek, waar ze patiënten verzorgden en mee uit wandelen namen. In haar ogen, benadrukt ze, heeft hij niets verkeerds gedaan, alleen iets heel ongewoons. ‘Hij was juist altijd erg bang om mensen te kwetsen.’

    Een eigen gezin leidt niet tot meer levensgeluk.
    Een eigen gezin leidt niet tot meer levensgeluk.

    Eigen gezin

    In zijn kinderjaren moest Knausgård voortdurend op zijn hoede zijn om zijn vaders woede niet over zich af te roepen. In die tijd was Knausgård vrijwel altijd bang, of in tranen, een neiging waar zijn vader hem hardvochtig om bespotte. Bij zijn oudere broer ging het heel anders. Knausgårds haat voor zijn vader werd echter nooit zo sterk dat hij ophield om op diens goedkeuring te hopen, al kwam die nooit. Hij strafte eerder zichzelf voor elke misstap die hij maakte. Als tiener maakte de schrijver een imposante groeispurt door en werd bijna twee meter lang, maar zijn ‘spirituele groei’, zoals hij het noemt, bleef daarbij achter. ‘Ik heb de neiging om mijn hoofd te buigen, zodat ik korter lijk’, vertelt hij me, ‘misschien uit een onbewust verlangen mezelf klein te maken.’

    Knausgård studeerde aan de universiteit van Bergen, Zuid-Zweden, had daarna allerlei baantjes, waaronder eentje als betongieter op een olieplatform, terwijl hij probeerde om schrijver te worden. Hij geloofde in zijn eigen talent, maar verging van afgunst voor vrienden die al iets hadden gepubliceerd. ‘Ik zag groen van jaloezie vanbinnen, wanneer ik met ze praatte.’ In plaats van harder te werken, leefde Knausgård naar het romantische beeld van de ongeremde kunstenaar, denkend dat hij rebelleerde tegen zijn burgerlijke afkomst. Hij dronk vaak te veel en ging dan zwaar over de schreef, waarna hij verteerd werd door spijt. Nadat hij op een feestje met een andere vrouw naar bed was gegaan, ging het met zijn huwelijk met Aursland (die ook hem ontrouw was) bergafwaarts. Toen het stel uit elkaar ging, bood Geir hem een slaapplaats aan in Stockholm. Daar nam hij weer contact op met Linda. Dit keer was de liefde wel wederzijds.

    Onder aansporing van Gulliksen zette Knausgård zich toen eindelijk aan het schrijven van een roman. Met het boek, Ute av verden, werd hij op zijn dertigste de eerste debutant die de Prijs van de Noorse Kritiek won. Zijn tweede boek, uit 2004, En tid for alt [in de Nederlandse vertaling Engelen vallen langzaam] bracht hem nog meer prijzen en werd veel vertaald. Maar wat hij ook bereikte, herinnert Geir zich, ‘Karl Ove bleef ontevreden’. Knausgård zegde interviews toe en las voor uit eigen werk, omdat anderen dat nu eenmaal van hem verlangden, maar hij voelde zich meer en meer een charlatan. ‘Hoe kan je daar nou rustig zitten en applaus in ontvangst nemen, terwijl je weet dat wat je geschreven hebt niet deugt?’ zou hij later schrijven. Hij trouwde met Linda en ze kregen kort achtereen drie kinderen. Dat bracht weer nieuwe verwikkelingen met zich mee. De sleur van luiers, kinderwagens en ritjes naar Ikea zette het huwelijk onder druk. Het stel ruziede aan één stuk door en Knausgård hunkerde naar afzondering en naar meer tijd om te schrijven. ‘Eigenlijk wilde ik gewoon weg’, zegt hij, ‘maar dat kon niet.’ Hij schaamde zich voor zijn egoïstische verlangen naar ontsnapping, maar voelde tegelijkertijd paniek omdat hij zijn ambitie om een boek van blijvende waarde te schrijven niet kon verwezenlijken. Later schreef hij over deze periode: ‘De tijd ontglipt me, loopt als los zand door mijn vingers, terwijl ik… wat eigenlijk? Vloeren boen, kleren was, de afwas doe, boodschappen haal en met de kinderen speel. Het is een gevecht, en al is er niets heroïsch aan, toch sta ik tegenover een macht die sterker is dan ik.’

    Onderwijl werkte Knausgård aan een roman waarin hij zijn relatie met zijn vader onderzocht, maar wist de juiste toon niet te treffen. Hij voelde dat hij iets niet aandurfde, en dat knaagde aan hem. Hij geloofde er niet in. Misschien geloofde hij wel helemaal niet in fictie. ‘Hij was wanhopig en verscheurd’, zegt Geir over die periode.

    Begin 2008 gooide Knausgård het over een andere boeg. Hij besloot om het zorgvuldig gecomponeerde proza overboord te zetten en rechttoe rechtaan over zijn leven te gaan schrijven. Niet dat het iemand zou interesseren, dacht hij – en zijn Britse uitgever interesseerde het aanvankelijk inderdaad niet – maar het was een manier om de impasse te doorbreken. Eraan terugdenkend zegt hij: ‘Ik wilde de dingen gewoon zeggen zoals ze zijn.’

    Minstens één keer per dag belde Knausgård met zijn vriend Geir om het geschrevene voor te lezen. Telkens dacht hij in stilte dat het vast vreselijk zou zijn. Hij voelde zich ‘enorm in de hoek gedrukt’, zegt Geir, en had er behoefte aan dat iemand die hij vertrouwde zou zeggen: ‘Dit is goed, ga door.’

    Deze eerste aanzetten van wat Min kamp zou worden, schreef Knausgård vanuit een verregaande naïviteit, waarbij hij bewust negeerde wat de mensen uit zijn directe omgeving ervan zouden vinden. ‘Ik dacht niet na over de gevolgen.’ Hij stond er geen moment bij stil dat hetgeen hij schreef ooit in heel Scandinavië het gesprek van de dag zou kunnen worden. Pas toen hij de passage over zijn grootmoeder schreef, waarin hij haar jurk met vetvlekken beschreef en haar verstoorde denkwereld, begon hij de risico’s in te zien: ‘Kan ik dit zomaar opschrijven? Toen wist ik wel waar ik mee bezig was, ja.’

    1 470426089

    Ik had behoefte aan een cynicus

    De dagelijkse telefoongesprekken met zijn vriend hielpen hem om door te zetten. In totaal luisterde Geir naar wel vijfduizend pagina’s. Hij heeft een vrolijker en meer ontspannen karakter dan Knausgård. De schrijver vertrouwt me toe dat het hem zonder Geir nooit gelukt zou zijn.

    Ik antwoord: ‘Hij lijkt mij iemand die niet snel van zijn à propos te brengen is.’

    ‘Absoluut!’

    ‘En niet bang voor wat men ervan zou kunnen gaan denken.’

    ‘Nee. Een cynicus. Je kunt hem het beste beschrijven als een cynicus. Ik had behoefte aan een cynicus.’

    Geir kwam met het idee voor de titel op de proppen. Hij vond die perfect bij het boek passen. Niemand anders met wie ik gesproken heb was dat met hem eens. Misschien hebben Engelstalige lezers niet onmiddellijk door dat Min kamp hetzelfde betekent als Mein Kamp, maar in het Noors is dat meteen duidelijk. Het zesde deel bevat een essay van 400 pagina’s over Mein Kampf en de jonge jaren van Hitler, maar voor sommige critici was dat niet afdoende. Toen Sandnes de titel van het boek zag, belde ze Gulliksen en zei: ‘Ben je gek geworden?’ Gulliksen verbood Knausgård in eerste instantie om de titel te gebruiken, maar draaide later bij. ‘Het gevoel dat dit belachelijk was, dat het te ver ging’, zegt hij, ‘hoorde bij het project.’

    Voordat het eerste deel gepubliceerd werd, stuurde Knausgård het manuscript naar een tiental mensen die er een prominente rol in speelden. Hij bood ze aan om hun namen te veranderen, mochten ze dat wensen. Zijn oudere broer, Yngve, antwoordde met een e-mail waarvan de onderwerpsregel luidde: ‘Jouw kutstrijd’. Daar schrok Karl Ove even van, maar het bericht ging door met de regel: ‘Ik wilde je even bang maken’. Ook Knausgårds moeder gaf haar toestemming. Maar familieleden aan vaderskant daarentegen dreigden met een proces en probeerden publicatie te voorkomen. Later verklaarden ze: ‘Het is een boek vol insinuaties, onwaarheden, onjuiste karaktertekeningen en onthullingen.’ Knausgård stond voor een dilemma en beleefde een crisis. ‘Ik zag natuurlijk wel in dat dit zou gaan ontploffen en hoe gevaarlijk het was. En ik was erg bang’, zegt hij. De schrijver verbeterde een paar evidente fouten, veranderde hier en daar een naam en schrapte één persoon, op diens verzoek, geheel uit de tekst. Maar het leek er toch echt op dat het boek gepubliceerd ging worden, en niet alle eisen willigde hij in. De episode waarin hij zijn seniele alcoholische grootmoeder aantrof in het vuil, bleef erin.

    Knausgård had pas twee delen van Min kamp voltooid toen het eerste deel uitkwam. Het plan was om ze alle zes binnen één jaar te publiceren. ‘Het was gekkenwerk’, herinnert Gulliksen zich. Maar Knausgård wilde graag ‘doorschrijven met een deadline op zijn hielen’, en Gulliksen zag in dat hem dat zou helpen. Hij was immers een auteur die ‘bijna altijd last had van een soort writer’s block’.

    Maar ze hadden er geen rekening mee gehouden dat Knausgård zijn werk zou moeten voortzetten terwijl er een storm over hem heen raasde. Journalisten probeerden iedereen te spreken te krijgen die ooit door zijn leven was gegaan. Het bleek niet moeilijk te zijn om zijn familie te vinden: in heel Noorwegen bestaat maar één familie Knausgård. Maar journalisten wisten bijvoorbeeld ook zijn schoonmoeders ex-man op te sporen, een zeventiger die geheel alleen in een bos woonde. Knausgård zonderde zich af en vermeed verder kranten, radio en televisie.

    Hij verbood zijn vrienden om hem ook maar iets te vertellen over wat er in de media over het boek verscheen, zelfs over de juichende kritieken. Hij stond om half vier, vier uur op en werkte tot zeven uur, bracht dan, wanneer het zijn beurt was, de kinderen naar school en schreef vervolgens door tot hij ze om vier uur weer op moest halen. In die tijdsspanne kon hij twintig pagina’s schrijven. Het kwam zelfs voor dat hij, meegesleept door de emotie, 24 uur achter elkaar opbleef en vijftig pagina’s aan één stuk schreef over zijn prille relatie met Linda. Het vijfde deel, van 550 pagina’s, schreef hij in acht weken. Voor hem werkte die snelheid bevrijdend: hij hoefde niet langer stil te staan bij wat hij deed.

    Maatschappelijke dwang

    Er bestaat een lange traditie van boeken waarmee een auteur zijn familie en vrienden van zich vervreemdt. In het nauw gedreven verzint zo’n schrijver daar dan een goed verhaal bij en verschuilt zich achter zijn artistieke vrijheid. In Humboldt’s Gift gebruikte Saul Bellow de nogal beschamende anekdote van een oude vriend die hem op het hart drukte zoiets nooit te doen. Bellow antwoordde de man: ‘Ik dacht dat het je raken zou als ik de behoefte voelde om een hand op je schouder te leggen en aan je te denken terwijl ik naar de maan reisde.’ Thomas Wolfe kreeg ooit, nadat hij met zijn roman Look Homeward, Angel een schandaal had ontketend in zijn geboorteplaats Asheville, een brief van een oude leraar, waarin deze schreef: ‘Je hebt je familie gekruisigd en de mijne kapot gemaakt.’ Bijna alle personages waren gemakkelijk te herkennen, maar Wolfe verschuilde zich, in tegenstelling tot Knausgård, achter het feit dat hij hun namen had veranderd. Iedereen die er aanstoot aan nam, noemde hij ‘zo bekrompen dat hij zelfs naar bekrompenheid ruikt’.

    Knausgård reageert heel anders. In zijn studeervertrek gaat hij tegenover me in een versleten leunstoel zitten. De kamer heeft iets van een rokerige studentensoos – met propvolle boekenkasten, versleten meubels, een drumstel en een gitaar. Knausgård werd groot met de Talking Heads, Echo & the Bunnymen, R.E.M. Linda heeft twee weken geleden hun vierde kind ter wereld gebracht, en de afgelopen nacht was hij aan de beurt om op te staan als de baby huilde. Hij ziet er moe uit.

    Knausgård gelooft dat een schrijver, wanneer hij tenminste literatuur van blijvende waarde wil scheppen, zich moet bevrijden van maatschappelijke dwang, van het idee dat hij rekening moet houden met anderen en daarom niet eerlijk mag zijn. Maar hoe belangrijk hij dat principe zelf ook vindt, toch pleit het hem in zijn verhouding tot deze anderen niet vrij. ‘Ik… ben… hier schuldig aan’, zegt hij aarzelend. ‘En ik heb geen goed excuus. Ik heb wel principiële redenen, maar in deze individuele gevallen doen die er niet toe.’
    ‘Ik zou nu niet meer de kracht of ook maar de mogelijkheid hebben om nog eens zoiets op papier te zetten’, zegt hij over Min Kamp. ‘Maar toen kon ik het wel, omdat ik er vreselijk aan toe was. Ik was wanhopig en het kon me allemaal niks schelen. Maar nu wel, snap je?’

    Naderhand schuld bekennen, vervolgt Knausgård, is niet meer dan een laffe daad, want ‘het blijft een feit dat ik het gedaan heb’. Het is net zoiets als iemand doodmaken en dan sorry zeggen. Met steeds luider wordende stem maakt hij me duidelijk dat hij, toen zijn verwanten publicatie wilden voorkomen, nog terugkon. ‘Ik heb toen een keuze gemaakt, ervoor gekozen om te publiceren, wat er ook gebeurde.’ Knausgård tipt zijn as af in een koffiekopje. Zijn handpalmen richting plafond kerend zegt hij nadenkend: ‘Het probleem is dat ik eigenlijk heel graag een goed mens wil zijn. Dat wil ik het liefst van alles. Maar met deze boeken heb ik dat niet gedaan. Ze zijn in zekere zin immoreel.’

    Knausgårds pogingen om de controverse, veroorzaakt door de eerste twee delen, tot bedaren te brengen, waren maar gedeeltelijk succesvol. Volgens de schrijver hebben het derde, vierde en vijfde deel daaronder geleden. Door het besef hoe hard zijn woorden bij de door hem geportretteerden aan zouden komen, durfde hij niet goed meer, of werd milder. Welk van de twee was het? Beide, waarschijnlijk.

    Om ‘het project te redden’, vervolgt Knausgård, hernam hij in het laatste deel de genadeloze oprechtheid van de eerste twee delen. Hij vernietigde een vierhonderd pagina’s lange, vroege versie (‘Het was een soort pantomime’) en begon opnieuw. Deel zes liep een jaar vertraging op en is grotendeels gewijd aan de gevolgen van de publicatie van de eerdere delen.

    484149631 1

    Een van die gevolgen, zo vermoedt hij, was wat er in die tijd met Linda gebeurde. Ze had al in een radio-uitzending die ze jaren eerder maakte, aangegeven manisch-depressief te zijn. Tijdens het tumult over Min kamp maakte ze een crisis door, waar de schrijver in dit laatste deel uitgebreid bij stilstaat. Hoewel Linda soms diep gekwetst was door haar mans werk, had ze slechts om één kleine aanpassing gevraagd; een correctie van iets wat hij verkeerd had onthouden. In haar schaarse publieke uitlatingen had ze ferm aan zijn kant gestaan. ‘Een van de pijnlijkste dingen die ik in mijn leven heb gedaan’, vertelt Knausgård me, ‘was haar op deze meest kwetsbare momenten portretteren. Ik heb mijn gezin weggegeven, en iedereen kan ons zien.’ Min kamp eindigt met de verklaring: ‘Ik zal blij zijn, erg blij, geen schrijver meer te hoeven zijn.’

    Tijdens mijn bezoek nodigt Knausgård me uit om de maaltijd met hem en zijn gezin te delen. Hij kookt zelf: boeuf bourguignon met aardappels. Ik vind, ondanks zijn misschien geringe spirituele lengte, nu ik hem hier zo rond zie lopen de blankhouten deurposten van de negentiende-eeuwse boerderij wel gevaarlijk laag voor hem.

    Binnen bij de voordeur ligt een zee van kinderschoenen. Aan de eettafel zitten zijn drie oudste kinderen, elk in Min kamp nauwkeurig als apart personage geschilderd: Vanja, Heidi en John. Linda houdt haar baby, een meisje, in de armen. Vooralsnog heeft zij nog niets van alle opschudding gemerkt, maar op een dag zal ook zij over haar ouders, zussen en broer kunnen lezen. Knausgård maakt zich hier voor zijn kinderen zorgen over, maar is van plan om ze gedeelten te gaan voorlezen, om deze voor hen ongetwijfeld erg ingrijpende ervaring te vergemakkelijken. Tijdens het gesprek komt Ingmar Bergman ter sprake. Ik zeg dat ik me uit deel twee herinner hoe Knausgård en Linda tijdens een van hun eerste uitjes samen naar een voorstelling van Ibsens Spoken gingen. Het is een romantische scène, maar ik merk dat ik iets verkeerds gezegd heb. Mijn opmerking laat hen voelen dat hun persoonlijke herinneringen publiek bezit zijn geworden. Al snel trekken de kinderen gelukkig lachend de aandacht weer naar zich toe. Knausgård en zijn vrouw kijken naar hen zoals alle ouders dat plegen te doen.

    Knausgård beschrijft zichzelf in zijn boeken als iemand die heen en weer wordt geslingerd tussen een banale alledaagse huiselijkheid en een enorm, bijna puberaal, verlangen om grote kunst te scheppen. Het personage Knausgård heeft de trekken van een herkenbaar type: de creatieveling die zijn gezin als een verplichting ziet, die hij het liefst zo veel mogelijk van zich afschuift om maar weer zo snel mogelijk achter zijn bureau te kunnen duiken. Waar het echt om draait in het leven, is immers werk. Maar de boeken zelf getuigen van een heel ander inzicht: waar het in het leven werkelijk om draait, is uiteindelijk het leven zelf. Het echte onderwerp van zijn boeken zijn de kindertijd, het huwelijk, het ouderschap, de opvouwbare kinderwagen die hem in de weg staat, de tijd die hij dacht te verspillen. Wat er in Min kamp het meeste toe doet, gebeurt juist niet achter het bureau. Het gebeurt hier, in het grote huis, bij zijn vrouw en kinderen.

    Knausgård is jong voor iemand die een 3600 pagina’s lange levensbeschrijving heeft geproduceerd. In december wordt hij 45. ‘Hij is een van de weinige mensen die ik ken die alles in het leven bereikt hebben wat ze wilden.’ Toch is hij niet tevreden, voegt Geir eraan toe. ‘Wat is dat toch met die man, zo veel kracht, zo veel talent, en toch zo verschrikkelijk lijden?’ En wat staat iemand nog te doen, vraagt Geir, ‘wanneer al zijn wensen in vervulling zijn gegaan?’

    Voordat ik vertrek, vertelt Knausgård me iets onverwachts. ‘Ik zou er eigenlijk niet over moeten beginnen’, zegt hij hoofdschuddend en met een besmuikte glimlach. In interviews benadrukt Knausgård steevast dat hij echt meent wat hij in de laatste regel van zijn grote werk schreef, dat hij genoeg heeft van het schrijven van romans. Maar nu vertelt hij me dat hij toch aan een nieuw boek werkt. Te midden van alle ophef over Min kamp kan hij zo tenminste even gaan zitten en heel ergens anders naartoe gaan, iets heel anders doen. Dat helpt hem om het vol te houden. Het nieuwe boek is beïnvloed door Borges en Calvino en zal fantastische, bovenaardse elementen bevatten.

    Over zijn leven zal het in ieder geval niet gaan.

    Auteur: Evan Hughes (met aanvullende verslaggeving van Morten Gilje)
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Evan Hughes is journalist en auteur en woont in Brooklyn, New York. Hij schrijft voor de grote Amerikaanse bladen, onder andere over schrijvers en het stadsleven.

    Bij uitgeverij De Geus verscheen van Knausgård En tid for alt (2004), vertaald als Engelen vallen langzaam.
    Van Min kamp (2009-2011), vertaald in het Nederlands als Mijn strijd, verschenen tot dusver vier van de zes delen: Vader, Liefde, Zoon en Nacht.

    The New Republic
    VS, tweemaandelijks, 65.000
    Links-liberaal tijdschrift voor politiek en cultuur, met een grote focus op de VS zelf. Becommentarieert al vanaf de oprichting in 1914 de grote sociale en economische verschuivingen in de Amerikaanse samenleving en pleit voor een liberalisme met meer betrokkenheid van de overheid.

  • De ontluistering van Amerika

    De ontluistering van Amerika

    Wat betekent de crisis nou écht voor Amerika? In zijn nieuwste boek The Unwinding: An Inner History of the New America schetst George Packer het indringende portret van een wankelende grootmacht. De ontluistering van Amerika verschijnt deze maand in Nederlandse vertaling. Deze voorpublicatie is exclusief voor de lezers van 360.

    De gedwongen verkopen kwamen met duizenden tegelijk. Je had ze in Country Walk en Carriage Pointe, in de binnenstad van Tampa en aan de rand van de stad in Pasco, richting Gulfport en St. Pete in het noordoosten. Ze troffen huizen waar een stapel post van drie maanden achter de voordeur lag en huizen waar kinderen naar Dora the Explorer keken en volwassenen de telefoon niet meer opnamen, motels met een bezettingsgraad van 20 procent en speculatiepanden met obscure namen en zonder bekend adres. Ze kwamen in de vorm van een bezoekje van zo’n steile deurwaarder, de engel des doods.

    De gedwongen verkopen waren begonnen met een klacht, steeds dezelfde klacht: ‘Je bent me geld schuldig!’ De klacht was afkomstig van financiële instellingen met doorzichtige namen als HSBC Bank USA, EMC Mortgage Corporation, BAC Home Loans Servicing, L.P., voorheen Countrywide Home Loans Servicing, L.P., LSF6 Mercury REO investeringstrust serie 2008-1, Citibank, N.A., als gevolgmachtigde van certificaathouders van Alt-A Trust 2006-6 van Bear Stearns 6, Deutsche Bank Trust Company, Americas f/k/a Banker’s Trust Company, als gevolgmachtigde en beheerder van IXIS 2006-HE3 van Saxon Mortgage Services, Inc. f/k/a Meritech Mortgage Services, Inc. als feitelijk gevolgmachtigde. De klachten van de instellingen waren opgesteld door executieverkoopfabrieken als advocatenkantoren David J. Stern, P.A. en Marshall C. Watson, P.A. en de Florida Default Law Group en als aanmaningen afgeleverd door deurwaarders als ProVest, LLC-Tampa, Gissen & Zawyer Deurwaarders en het kantoor van de sheriff van Hillsborough County. De aanmaningen werden in handen besteld, aan de voordeur gespijkerd, bij een buur achtergelaten of tussen de rotzooi gegooid bij het lege huis van Olivia M. Brown c.s., Jack E. Hamersma, Mirtha De La Cruz, ook bekend als Mirtha Delacruz, Aum Shree uit Tampa, LLC, LSC Investor, LLC, Jan met de Pet en Josephine Givargidze en onbekende echtgenoot van Josephine Givargidze. De aanmaning luidde:

    Er is een rechtszaak tegen u aangespannen. U hebt twintig kalenderdagen na dagtekening van deze aanmaning om een schriftelijke reactie in te dienen bij de griffier van de rechtbank. Bellen volstaat niet: u moet een schriftelijke reactie indienen, inclusief het hierboven vermelde zaaknummer en de namen van beide partijen, indien u wilt dat de rechtbank uw kant van het verhaal hoort. Stuurt u uw reactie niet op tijd, dan verliest u de rechtszaak mogelijk, waarna uw loon, uw geld en uw bezittingen eventueel worden ingevorderd zonder voorafgaande waarschuwing van de rechtbank.

    Flats te koop in Tampa - © Drew Coffman
    Flats te koop in Tampa – © Drew Coffman

    Aldus in gang gezet hoopten de rechtszaken zich op in het centrum van Tampa, op de derde verdieping van de George E. Edgecomb-rechtbank van het dertiende gerechtsarrondissement. Aan de overkant van de baai hoopten ze zich bij bosjes op op de tweede verdieping van het gerechtsgebouw van St. Petersburg van het zesde gerechtsarrondissement. Ze werden omgezet in een miljoen pagina’s wetsdocumenten, die op hun beurt in dikke, matbruine wetsdossiers werden opgeborgen, en die weer in dozen, waarna de dozen op trolleys werden geladen die de rechtszaal in werden gereden door gerechtsdienaren die eruitzagen alsof ze moe waren van de inspanning. Daar gingen in zwarte toga gestoken rechters – van wie degenen die al met pensioen waren gegaan speciaal voor dat doel waren teruggekeerd en van wie de zeshonderd dollar per dag grotendeels betaald werden uit griffierechten – aan de slag met het wegwerken van de achterstand van een half miljoen executieverkopen, zoals eerdere generaties de mangrovemoerassen hadden weggewerkt om plaats te maken voor Tampa.

    Er waren zo veel executieverkopen en de druk van het Hooggerechtshof om ze snel af te handelen was zo groot dat een rechter van een jaar of vijfenzeventig soms drieduizend zaken tegelijk onder handen had. Op een gemiddelde decemberdag stonden er in Hillsborough County ’s ochtends ongeveer zestig zaken op de rol, die om 9.00 uur begonnen met bijvoorbeeld National City Mortgage vs. Christopher Meier en rond het middaguur eindigden met Chase Home Finance vs. William Martens, zodat er voor elke zaak drie minuten was – meestal nog minder – om het recht zijn beloop te laten. Na de lunch, om 13.30 uur, deed de rechter uitspraak in nog eens zestig zaken, te beginnen met Wells Fargo Bank vs. Stephanie Besser, en om 17.00 uur eindigend met Deutsche Bank vs. Raymond Lucas.

    In het geval waarin mevrouw Besser of de heer Lucas door een advocaat werd bijgestaan kon de rol tijdelijk langzamer gaan en achter raken op het schema. Het ergste was wanneer mevrouw Besser of de heer Lucas in hoogsteigen persoon kwam opdagen, want dan moest de rechtbank de confrontatie aangaan met het gezicht achter de gedwongen verkoop, de groeven van angst die erin waren geëtst doordat iemand het verlies van zijn huis in het vooruitzicht was gesteld. Gêne maakte zich dan van de zitting meester, alsof een terminale patiënt de zaal betrad waar artsen zonder blikken of blozen zijn hopeloze vooruitzichten bespraken, en de rechter had ongetwijfeld liever de raadsheer van de beklaagde een paar lastige vragen gesteld. Gelukkig kwam dat bijna nooit voor. De meeste zaken hadden geen verdediging, want de enige advocaat die aanwezig was vertegenwoordigde de bank – het was er bijna altijd een van de diverse advocatenkantoren in Florida die bekendstonden als executiefabrieken en die de zaak door een computersysteem toegewezen hadden gekregen – en was soms zelfs niet eens fysiek aanwezig, maar klonk uitsluitend als een stem met meesterstitel uit de hoorn van de rechtbanktelefoon en hamerde veertien zaken per halfuur af. Elke zaak eindigde met dezelfde vragen van de rechter: ‘Is er nog iets bijzonders aan dit dossier? Ontbreekt er niets?’, waarna twee verdiepingen lager, in kamer 202, een datum voor de executieveiling werd vastgesteld.

    Bevel voor een gedwongen verkoop - © Steven Depolo
    Bevel voor een gedwongen verkoop – © Steven Depolo

    Soms was alleen de rechter in de zaal aanwezig, met een of twee rechtbankmedewerkers en een gerechtsdienaar die de trolleys heen en weer reed. Om tijd te besparen, en misschien zelfs om deze juridische veemarkt aan het oog van het publiek te onttrekken, werden veel zittingen niet eens in een rechtszaal gehouden, maar in de beslotenheid van de privévertrekken van de rechter.
    In de zomer van 2010 begon het de gerechtsdienaren in zaal 409 van de George E. Edgecomb-rechtbank op te vallen dat een vrouw bij de dagelijkse rol met executieverkopen aanwezig was die er schijnbaar niets had te zoeken. Ze zat op de achterste rij, zei nooit iets, maar maakte uitgebreide aantekeningen. Als ze al in een zaak verwikkeld was, dan kwam die nooit voorbij, en ze zag er eerder uit als een juridisch secretaresse dan als een jurist, met haar truitje met V-hals en slangenprint, haar zwarte pantalon, haar jasje met borduursels en haar schildpadmontuur. Ze was een dikkerdje van in de zestig, met droog, strokleurig haar tot in haar nek en een vermoeide uitdrukking op haar gezicht: zo iemand die niet opvalt, tenzij ze iets ongewoons doet.

    Sylvia Landis – want zo heette ze – was een gewone burger, een particulier, maar ze had persoonlijke belangstelling voor de manier waarop de rechtbanken de stroom gedwongen verkopen afhandelden en voor de mensen die erin werden meegesleurd. Zoals bijna iedereen in Tampa kwam ze van elders, namelijk uit Doylestown, in Pennsylvania. Haar vader was vertegenwoordiger en chronisch werkloos geweest, waardoor ze in een financiële puinhoop was opgegroeid. Ze was in de dertig toen ze geen last meer had van nachtmerries over de hongerdood. Ze studeerde af in persoonlijke financiën en werkte zich op tot de middenklasse, waar haar ouders uit waren getuimeld. Ze had twintig jaar als loopbaancoach bij de politie van Los Angeles gewerkt.

    In 1999 begon Sylvia zich op haar pensioen voor te bereiden door zich aan te sluiten bij de groeiende middenklassensubcultuur van mensen die in het onroerend goed stapten. Ze volgde een cursus bij de Zuid-Californische investeringsgoeroe Marshall Reddick, die zijn seminars met goddelijke inspiratie kruidde en als motto had: ‘Help de armoede van de middenklasse de wereld uit.’ De cursus was net een revival, met mensen die de zaal uit renden om huizen te kopen. Sylvia werd aangestoken en bezat op een gegeven moment vijf huizen: twee in Californië, die ze met winst verkocht, een appartement in Asheville in North Carolina en twee in Florida, waarvan één in Tampa, dat ze voor huurinkomsten aanhield, en één spiksplinternieuw in Cape Coral, waar ze na haar pensionering wilde gaan wonen.

    Maar het liep anders.

    In 2004 dwong eierstokkanker haar met vervroegd pensioen te gaan. Ze verhuisde in 2007 naar het appartement in Asheville met het idee een nieuwe loopbaan te beginnen. Begin 2008, toen de markt instortte, kon ze plotseling niet meer ademen en werd ze op de hartafdeling van het ziekenhuis opgenomen. Ze had een schuld van 157.500 dollar op het huis met drie slaapkamers in Cape Coral – het epicentrum van de crisis, met het hoogste aantal gedwongen verkopen van het land – en de huur die ze incasseerde was met de helft gedaald. Ze wist dat ze het huis zou kwijtraken, en voordat de Bank of America het gedwongen verkocht probeerde ze er snel vanaf te komen. Ze verkocht het voor minder dan de hypotheekwaarde. Dat was het moment waarop Sylvia bekend werd met de manier van optreden van banken.

    Begin 2009 vond ze een koper (ze zou de helft van haar investering verliezen), maar het leek wel alsof ze elke dag iemand anders aan de lijn had en ze werd van het kastje naar de muur gestuurd. De verkoop ketste af, en ze begon te geloven dat de bank haar kosten liet oplopen. Het begrip robosigning was nog niet uitgevonden, maar ze ontving documenten die er niet erg authentiek uitzagen: computergegenereerde exemplaren, voorzien van onjuiste data en verdacht uitziende handtekeningen, van de overdracht van haar hypotheekakte aan de Bank of America nadat die Countrywide had gekocht, de oorspronkelijke hypotheeknemer. Ze schreef adjunct-bankdirecteuren aan, procureurs-generaal, Gretchen Morgenson van The New York Times: iedereen die zich de zaak mogelijk zou aantrekken. Het geld voor haar advocaat begon op te raken en ze moest haar eigen verdediging voeren. Al die tijd herstelde ze van de kanker, en het behoeft geen betoog dat de stress haar gezondheid geen goed deed.

    Eind 2009 verkocht ze het huis in Cape Coral. Alsof dat nooit was gebeurd stelde het advocatenkantoor van de bank, David J. Stern, Sylvia twee weken later in gebreke. (Stern was de grootste en beruchtste executieverkopenfabriek van Florida en werd met honderdduizend zaken per jaar – de meeste van Fannie en Freddie – gerund als een legaal slavenbedrijf, waarvan de directeur de winst spendeerde aan vier huizen, tien luxueuze auto’s, twee privévliegtuigen en een jacht van 40 meter, totdat het bedrijf werd gesloten na een fraudeonderzoek door de staat.) Het duurde vier maanden voordat Sylvia iemand bij de bank trof die de puinhoop van de onterechte executieverkoop opruimde, maar haar krediet was op.

    George Packer - © uitgeverij Atlas Contact
    George Packer – © uitgeverij Atlas Contact

    Tegen die tijd was ze naar Tampa verhuisd. Ze had een overwaarde van vijftigduizend dollar op haar huis daar, waarop een hypotheek van negentigduizend dollar met een vaste rente rustte. Financieel gezien zou het verstandig zijn om van het appartement in Asheville af te komen, zelfs met een groot verlies, en in het huis in Tampa dat ze voor huurinkomsten gebruikte te gaan wonen. Bovendien had haar enige metgezel, een hyperactieve, kleine shih tzu – Sylvia had geen kinderen – behoefte aan een tuin. Het was een zeer bescheiden woning, in een arbeiderswijk die Sugarwood Grove heette, waar de buren in pick-uptrucks reden en hun eigen huizen opknapten. Maar ja, ze had nu eenmaal behoefte aan een huisgenoot. In 2007 had ze nog een vermogen gehad van een miljoen.

    Is het tegen de regels als ik hier kom zitten?

    Nu bezat ze niets meer. Haar spaargeld was in rook opgegaan. Ze zou geen dak meer boven haar hoofd hebben gehad als ze geen overheidspensioen had gekregen. Intussen had ze een groot deel van haar geld aan Wajed ‘Roger’ Salam gegeven, ‘jointventure-expert’ uit Tampa, ‘oprichter van Mastermind Forum’ en ooit partner van motivatiespreker Anthony Robbins. Natuurlijk zou ze nooit meer iets van dat geld terugzien. Toen ze nog in Los Angeles woonde hadden leden van de club van onroerendgoedgoeroe Marshall Reddick een groepsproces tegen hun mentor aangespannen wegens frauduleuze huizenverkopen in Florida (volgens Sylvia had Reddick meer armoede veroorzaakt dan weggenomen). Hoewel ze er spijt van had dat ze niet op haar instinct had vertrouwd en met een smak geld uit het onroerend goed was gestapt toen ze de crisis zag aankomen speet het haar niet dat ze er ooit aan was begonnen, ook al werd inmiddels kwaad gesproken van beleggers omdat ze de crisis zouden hebben veroorzaakt en kregen ze daarmee dezelfde status als verstrekkers van rommelhypotheken. Het was toch typisch Amerikaans om initiatief te nemen en jezelf vooruit te helpen?

    Een zinnetje dat ze ooit in een column in The New York Times had gelezen typeerde haar perfect: ‘de voormalige middenklasse’. Ze wist dat talloze anderen hetzelfde lot hadden ondergaan als zij. Sylvia was apolitiek opgegroeid, met een onvoorwaardelijk respect voor de autoriteiten – ze wist niet eens hoe de politievakbond heette –, maar de ervaring met de bank had haar veranderd. Ze noemde het ‘regelrechte fraude’, iets wat ze nooit voor mogelijk had gehouden. Een zeer conservatieve impuls die was terug te voeren op Doylestown, namelijk angst voor chaos en een verlangen naar recht en gezag, leidde haar naar het centrum, naar de George E. Edgecomb-rechtbank van het dertiende gerechtsarrondissement. Ze wilde zien wat er met de gedwongen verkopen gebeurde zodra ze op de rechtbank belandden. Ze dacht dat wat ze zag anderen van pas kon komen.

    Sylvia voelde een zeker ontzag toen ze op een maandagochtend voor het eerst naar de rechtbank ging. Van nature was ze beleefd en schopte ze geen stennis, maar het kostte haar moeite de zaal te vinden waar de verkopen werden afgehandeld; nergens hing een programma van de zittingen. Een receptionist op de vijfde verdieping zei dat de zaken in zaal 513 werden gehouden, maar ze kwam erachter dat zaal 513 zich in een afgesloten gedeelte op de vierde verdieping bevond, waar geen rechtbankmedewerker te bekennen viel. Ze ging nog een verdieping lager, naar rechtszaal 409, waar volgens de receptionist ook zittingen plaatsvonden (maar niets leek zeker, want nergens stond iets geschreven, en de wet betekende niets als hij niet op schrift stond). De deur naar zaal 409 stond open. Binnen zat een gerechtsdienaar. Ze zei tegen Sylvia dat er niets te zien viel, alleen administratieve procedures.

    ‘Is het tegen de regels als ik hier kom zitten?’ vroeg Sylvia.

    Op de rechtersstoel heerste rechter Doug Little over een telefoon en een trolley vol dozen met dossiers. Via de luidspreker van de telefoon was een advocaat te horen van het kantoor van David J. Stern, Esq. ‘Goedemorgen, edelachtbare,’ snerpte de telefoon, geheel in stijl met de plechtigheid van de zitting. Terwijl de rol werd afgewerkt begon Sylvia aantekeningen te maken. De originele hypotheekakte zat vaak niet in het dossier, dus zei de rechter tegen de advocaat die aan de lijn hing dat hij die aan het einde van de week moest hebben overgelegd. In sommige gevallen ontbrak het hele dossier. Verschillende beklaagden kwamen opdagen of lieten zich door een advocaat bijstaan. Je had Michael Mcrae, die achttien jaar met zijn twee zoons in zijn huis had gewoond, een nieuwe baan had en zijn hypotheek opnieuw probeerde te financieren (de rechter schortte de verkoopdatum op). Je had Howard Huff, een zwarte, laagopgeleide man die niet leek te weten waar het huis in kwestie stond, omdat hij er simpelweg in had toegestemd zijn handtekening te zetten onder een hypotheek die diende als investeringsvehikel voor een aandelenhandelaar die hij kende, en nu werd hij ineens door de bank voor de rechter gedaagd. (Ongerust rende Sylvia Huff achterna en drong er bij hem op aan pro-Deobijstand te vragen. Hij keek haar verbijsterd aan.) Maar bij het overgrote deel van de zaken was geen verdediging aanwezig.

    Sylvia wist hoe dat kwam, wist dat de banken de beklaagden net zolang hadden verpletterd, tegen hen hadden gelogen, hen van het kastje naar de muur hadden gestuurd en hun telefoontjes niet hadden beantwoord tot ze het allang hadden opgegeven wanneer de dag van de rechtszaak aanbrak. Er werd recht gesproken in hun afwezigheid, in één luttel ogenblik.

    ‘Ik sta langer voor het loket van de McDrive,’ zou Sylvia later zeggen, ‘dan die mensen die hun huis kwijtraakten de tijd krijgen.’ Terwijl zíj daar aanwezig was in plaats van hen voelde ze iets anders dan de stress die haar eigen beproeving met zich meebracht, iets wat meer op empathie leek.

    Bijna aan het einde van de ochtendsessie richtte rechter Little zich plotseling tot haar. ‘Kan ik iets voor u doen?’

    ‘Kan ik een exemplaar van de rol krijgen?’

    De rechter keek onzeker naar de gerechtsdienaar. Die schudde verwoed van nee: ‘De rol gaat elke dag door de papierversnipperaar.’ Later zag Sylvia haar iets tegen een van de andere rechtbankmedewerkers fluisteren.

    Gedwongen verkoop - © Justin Sullivan/Getty Images
    Gedwongen verkoop – © Justin Sullivan/Getty Images

    Maar op dat punt in haar leven liet Sylvia zich niet zo gemakkelijk afschepen als ze misschien deed voorkomen. Ze wachtte tot het einde van de dag, vroeg toen nog een keer naar de rol en kreeg een exemplaar van de griffier. Met de rol kon ze de namen van de huiseigenaren en de banken
    in verband brengen met de zaken waar ze bij aanwezig was geweest en aantekeningen van had gemaakt. Die avond verwerkte ze haar aantekeningen tot een verslag en stuurde dat naar een netwerk van advocaten in Florida die actief waren in de verdediging van executieverkopen. Zo werd ze, zonder ervoor te worden betaald, hun ogen en hun oren in de rechtbank. Op die manier sloot Sylvia Landis zich aan bij de eerste beweging waar ze ooit deel van uitmaakte – ze sprak van ‘een middenklassenbeweging’ – waarin mensen zich zorgen maakten over de rechtspraak, over eigendomsrecht, over transparantie en democratie, met alle naïviteit van de middenklasse van Amerikanen die altijd in het systeem hadden geloofd en er nooit tegen hadden gestreden. En zo leerde ze Matt Weidner kennen.

    Onze ouders waren vadsig en lui

    MATTHEW D. WEIDNER, ADVOCAAT, stond op de deur van plaatglas te lezen. ONROEREND GOED CIVIELE ZAKEN FAMILIERECHT BEDRIJFSRECHT. Eigenlijk accepteerde Weidner iedereen die de deur bij hem binnenliep: hij was een allesvreter, de zelfvoorzienende boer van de juridische wereld, iemand die een voorschot van een paar rooitjes vroeg. Hij werkte vanuit een luizige winkelruimte op de begane grond tussen een kroeg en een bikinibar in een smoezelig deel van het centrum van St. Petersburg. Zijn rommelige, ronde bureau nam het grootste deel van het vloeroppervlak in beslag. Op het eerste gezicht zag Weidner er zelf een beetje smoezelig uit.

    Hij was eind dertig en geboren in Florida. Uit een oud bankpasje bleek dat hij ooit dik was geweest, maar hij was triatlons gaan doen en afgeslankt. Onder zijn diploma’s aan de muur achter zijn bureau hingen ingelijste medailles. Hij was gescheiden en zijn ex-vrouw woonde nog in het huis met de te hoge hypotheek; ze wilde het niet verkopen. Hij wist dat er een crisis aan zat te komen toen er Hummers in hun wijk begonnen te verschijnen – de arrogantie, de absurditeit. Weidner leaste meteen een witte Cadillac – zijn bijdrage aan de Amerikaanse auto-industrie – met in de kofferbak een overlevingsrugzak met camouflagepatroon. Hij had een levendig, roze gezicht, o-benen en een gevatte opmerking voor elke situatie waarin hij terechtkwam. Ging hij zaal 400 van het gerechtsgebouw van St. Petersburg binnen, dan sperde hij met geveinsde schrik zijn lichtblauwe ogen open wanneer hij de aanwezige advocaten in donkere pakken zag en zei hij: ‘Zooitje tuig in de zaal.’ Was hij eenmaal op dreef, dan rolden de zinnen in vloeiende golven van opwinding en verontwaardiging van zijn lippen: ‘We consumeren rotzooi die overal vandaan komt, maar maken zelf niks. Ja, schulden, die maken we. En als hier nou zomaar de elektriciteit uitvalt en New York of Chicago op z’n gat ligt? Hoe lang denk je dat het duurt voordat er totale paniek uitbreekt?’ Maar dan, als hij zwaar overdreef, nam hij verbaal gas terug en vroeg hij: ‘Ik doe toch niet al te hysterisch, hè?’

    Weidner had er niet altijd van die apocalyptische ideeën over Amerika op na gehouden. Hij was als padvinder begonnen in het land van de spring break: Daytona Beach. Zijn oom, Don, was voorzitter van de Republikeinse Partij in Florida toen die staat nog grotendeels Democratisch was. Onder zijn leiding had de partij zich over alle zesenzeventig districten verspreid en de eerste staatsconventie gehouden, in 1979. Matt had Ronald Reagan met de paplepel ingegoten gekregen, bezocht bijeenkomsten van jonge Republikeinen en geloofde vroom in God, land, het Amerikaanse exceptionalisme, zelfvoorzienendheid en een kleine overheid. Toen hij in de tijd van Gingrich’ revolutie in het Congres op de universiteit zat had hij zijn boxer Newt genoemd. Hij stond volledig achter de inval in Irak: ‘We doen iets goeds en krijgen er de vooruitgeschoven basis van een tankstation voor terug.’ En toch zag hij, als hij erop terugkeek, dat het al was misgegaan bij zijn ouders en hun generatie, in de jaren zeventig. Weidners grootouders hadden zich na de Tweede Wereldoorlog uit de naad gewerkt en lieten na hun dood een afbetaald huis na. Zijn opa werkte goddomme nog toen zijn vader, met zijn verhoogde hypotheek, al met pensioen was en al een jaar of tien zat te niksen. ‘Onze ouders waren vadsig en lui,’ zei hij. ‘Onze grootouders zouden nooit alles hebben geleend en op krediet hebben geleefd. Als je kijkt naar het bruto binnenlands product van de afgelopen twintig jaar, vooral van de afgelopen tien jaar, dan hebben we dat niet te danken aan iets wat we hebben geproduceerd. Het is handel in virtuele aandelen op basis van wat in de dertig jaar daarvoor is geproduceerd.’

    Weidner studeerde in 1999 aan Florida State University af in de rechten, waarna hij als lobbyist voor de Florida Academy of Pain Medicine ging werken. Hij vloog de hele staat door om artsen te fêteren en vertegenwoordigers van Pfizer en Novartis cheques van anderhalve ton voor de jaarlijkse conferentie van de Academy te laten uitschrijven. Hij ging naar bijeenkomsten in Tallahassee waar de zaal zo was ingericht dat de stoet lobbyisten soepeltjes via het buffet langs het wachtende Congreslid werd geleid. Het moment van de waarheid was de handdruk, wanneer Weidner de afgevaardigde in de ogen keek, de envelop barstensvol cheques uit zijn zak haalde, de afgevaardigde die aanpakte, voelde hoe dik de envelop was, bepaalde hoeveel tijd Weidner kreeg om uit te leggen waarom het belangrijk was een wet te blokkeren die bepaalde dat patiënten voor hun herhaalrecept hydrocodon elke keer naar hun huisarts moesten omdat hun moeders geen hoestsiroop voor hun kinderen mochten kopen en… Weidner werd halverwege zijn zin afgekapt, het werd tijd om verder te gaan.

    Wat er ook gebeurt, ik laat me mijn huis niet afpakken

    Na verloop van tijd werd hij er letterlijk ziek van. Hij liep de zaal uit en dacht: Ik wil verdomme een eerlijk beroep, zoals een rechtspraktijk.

    In 2001 ging hij op het advocatenkantoor van zijn oom Don in Jacksonville werken. Op 12 december zou Weidner met zijn oom, nog een advocaat en twee cliënten in Dons eenmotorige Piper Cherokee naar Fort Lauderdale heen en weer vliegen. Vanwege een laat telefoontje van een rechter moest Matt op kantoor blijven. Die avond verongelukte het vliegtuig in dichte mist in een moerasachtig naaldbos dicht bij het vliegveld van Jacksonville. Alle inzittenden kwamen om.

    Na dat ijzingwekkende respijt vloog Weidner naar St. Petersburg, waar hij een eenmanspraktijk opzette. De eerste paar jaar had hij niet eens een plek om te zitten. Hij pakte gewoon een bureau wanneer een van de andere juristen in het winkelpand naar een zitting was. Met hard werken en zuinig aan doen hield hij het hoofd boven water, voornamelijk dankzij echtscheidingszaken, totdat rond 2007 in groten getale de executieverkopen kwamen. De eerste deden zich voor in arme wijken, zoals die in het zuiden van St. Pete. Vervolgens kwamen vrijeberoepsbeoefenaren uit de middenklasse opdagen. Het was een slachting, maar buiten beeld, want niemand wilde erover praten. Beschaamd kijkende mannen konden het nauwelijks opbrengen Weidner te vertellen over de hypotheekzwendel waar ze in waren getrapt.

    Echtparen namen plaats en gingen elkaar verbaal te lijf, waarbij de vrouw haar man ervan beschuldigde dat hij zijn baan was kwijtgeraakt en de man de vrouw dat ze een groter huis had gewild, totdat Weidner ingreep: ‘Hé, ophouden nu. Het is wij tegen zij, en het maakt niet uit wat er is gebeurd. We moeten gezamenlijk optrekken.’ Dan liep hij naar hun kant van het ronde bureau en trok een bureaustoel bij: ‘Ik wil dat jullie je bezighouden met hoe dit er bij de kinderen in hakt.’

    Sommige cliënten die voor het eerst kwamen zeiden: ‘Wat er ook gebeurt, ik laat me mijn huis niet afpakken.’ Dan zei Weidner: ‘Dan ben ik jullie man. Ik zal voor jullie knokken.’ Het grootste deel van 2008 en 2009 ging hij ervan uit dat de overheid en de banken wel een oplossing zouden vinden: de niet-afbetaalde leningen delen, waarbij het ministerie van Financiën de banken de helft zou betalen en de banken de andere helft afschreven, zodat de hypotheken van de federale overheid werden, die opnieuw met de huiseigenaar om de tafel ging en ze in hun huis zou laten wonen. Een soort reddingsoperatie van de banken: gewoon al die spookschulden in rook laten opgaan, die in de hele geschiedenis van de wereld toch nooit zouden worden afbetaald. Maar er kwam geen reddingsoperatie voor de huiseigenaren. Zijn cliënten waren tevergeefs maanden bezig iemand van hun bank te spreken te krijgen die akkoord wilde gaan met een verkoop tegen een lagere prijs of een aanpassing van de hypotheek, totdat ze het zat werden en bij Weidner kwamen: ‘Ik ben er klaar mee. Mijn moeder heeft wel iets waar ik kan gaan wonen,’ of: ‘We huren wel ergens iets in de stad.’

    Dan zei Weidner: ‘Ik heb nog nooit een executieverkoopzaak verloren.’ Dat was waar. Niet één. Niet omdat hij zo goed was, hoewel zijn cliënten hem een onverschrokken advocaat vonden, maar omdat het systeem verrot was.

    Weidner kwam erachter dat de zaak van de bank als los zand aan elkaar hing zodra hij enige weerstand bood. De oorspronkelijke akte was zoek. Dossieronderzoek wees uit dat het pand soms de verantwoordelijkheid van geen van de medewerkers was geweest. Het elektronische hypotheekregistratiesysteem had het juiste, oude fysieke document in het rechtbankarchief vervangen door een digitale facsimile, die volgens de wet van Florida niet rechtsgeldig was. Op de papieren stonden een valse handtekening, een gefingeerde datum, een nepstempel. Niemand had het in de gaten zolang de economie voorthobbelde, maar zodra alles naar de kloten ging en mensen hun rekeningen niet meer konden betalen bleken de Amerikaanse hypotheken een en al bedrog. Een cliënte die Arlene Fuino heette, een makelaar en ‘vraagbaak op het gebied van aandelen- en executieverkoop’, werd in gebreke gesteld door ‘U.S. Bank National Association, als gevolmachtigde voor Structured Asset Securities Corporation Trust 2006-WF2. Wat betekende dat in godsnaam? Weidner stapte met de zaak naar een rechter van het zesde gerechtsarrondissement en eiste dat de advocaat inzicht gaf in wie de eiser was: ‘Wij vragen alleen of ze bekend willen maken wie de rechtspersoon is die mijn cliënt vraagt hem een paar honderdduizend dollar te geven.’ Wall Street (‘Gotham’ noemde hij het, ‘de anus, het nationale zwarte gat dat al het geld opslokt, het hart van de apocalyps’) had de hypotheken zo vaak door middel van aandelenuitgiftes opgeknipt en er pakketten van gemaakt, waarna de banken zoveel formaliteiten hadden omzeild om de rommelhypotheken te verdoezelen dat niet één instelling recht op iemands huis kon doen gelden. Wat hulpsheriffs er niet van weerhield bij de mensen aan te kloppen.

    Ons hele systeem van de eigendom van onroerend goed is in beroering en is één grote chaos

    Verbijsterd

    Weidner had nooit getwijfeld aan de bekwaamheid van de rechtbanken, maar was verbijsterd over de gevolgen: ‘Ons hele systeem van de eigendom van onroerend goed is in beroering en is één grote chaos.’
    Op een dag zat hij in zaal 300 van het gerechtsgebouw van St. Petersburg te wachten tot zijn zaak voorkwam toen de advocaat van een eiser in een andere executieverkoopzaak tegen de rechter zei dat ze helemaal niet de advocaat van de eiser was. Ze was door een computer van een gigantische gedwongenverkoopfabriek, Lender Processing Services, opgeroepen om Wells Fargo te vertegenwoordigen, maar het bleek dat Wells Fargo niet de hypotheeknemer was; dat was U.S. Bank, tenminste, dat dacht zij. Rechter Pamela Campbell zei dat ze het moest uitzoeken. Toen Weidners zaak werd afgeroepen ging hij op het vaalgroene tapijt van de rechtszaal staan en zei: ‘Edelachtbare, ik kan er met mijn verstand niet bij wat we zojuist in de vorige zaak gehoord hebben.’ Rechter Campbell glimlachte flauwtjes. ‘Hopelijk komen ze erachter wie de ware eiser is.’

    De rechters hoorden Weidners betogen aan en besloten tot opschorting van de executieverkopen, maar weigerden zijn verzoeken om afwijzing. Zijn cliënten waren een ander tenslotte geld schuldig. Dus sleepten de zaken zich jaar na jaar in een soort niemandsland voort, terwijl hypotheeklasten niet werden voldaan, banken verzoeken om andere regelingen afwezen en cliënten geen uitsluitsel kregen. Maar ze bleven tenminste in hun huis wonen.

    Zo had je Jack Hamersma. Toen Jack voor het eerst bij Weidner binnenliep was hij een stevige vertegenwoordiger in boten, een mannenman die ooit een autoreparatiewerkplaats had gehad en huizen had opgeknapt en doorverkocht. Hij was begin vijftig en had een schuld van zeshonderdduizend dollar wegens twee leningen op zijn huis in St. Pete, een belachelijk hoog bedrag, want tegen de tijd dat hij Weidner in de arm nam was het misschien de helft waard. Jack wilde dat zijn advocaat en iedereen die maar wilde luisteren wist dat hij zijn hele leven hard had gewerkt en zich het huis kon veroorloven toen hij het kocht. Toen Weidner zich ermee ging bemoeien kregen de banken het belangrijkste document niet boven water. De zaak sleepte al jaren, een periode waarin Jack zijn baan kwijtraakte, inteerde op zijn spaargeld en drie soorten kanker bleek te hebben: endeldarm-, lever- en lymfekanker. Het overkwam veel van Weidners cliënten: baan kwijt, huis kwijt, gezondheid kwijt, meestal in die volgorde. Weidner zag Jack voor zijn ogen verschrompelen; hij verloor 50 kilo, totdat hij drie jaar na hun eerste ontmoeting op een middag het kantoor binnenstrompelde om het over zijn zaak te hebben, met vermagerde benen uit zijn korte broek en een canvas tas over zijn schouder waaruit een slangetje van een infuus naar een verband op zijn borst liep. Hij had net vijf uur chemotherapie achter de rug en dat was het begin van achtenveertig uur medicijnen toegediend krijgen.

    ‘Het valt me op dat veel van mijn cliënten ziek zijn,’ zei Weidner tegen Jack nadat hij hem had gevraagd of hij niet wilde gaan zitten. ‘Ik weet niet wat het verband is. Jij wel?’ ‘Ze hebben duidelijk veel stress,’ zei Jack met een dikke stem. Vanaf zijn nek omhoog waren nog steeds de sporen van zijn knappe, ruige uiterlijk te zien. ‘Als je niet kunt werken heb je jarenlang geen inkomen, en dat leidt tot allerlei ellende. Je geld raakt op. Je doet het niet expres, maar je kunt gewoon niemand meer betalen.’
    ‘Jij bent een van degenen die het langst meedraaien,’ zei Weidner.
    ‘Straks overleeft het me nog!’
    ‘Nog niet opgeven.’ Er was niet veel voor nodig om Weidner te doen losbranden, en dat Jack er was, was genoeg. ‘We doen wat we moeten doen, het is onze roeping, we willen iets voor elkaar krijgen, en ik ben allejezus over de zeik omdat de overheid ons elke mogelijkheid om iets gedaan
    te krijgen heeft ontnomen.’
    ‘Ik weet niet of de overheid banen moet creëren,’ zei Jack, ‘maar ik weet wel dat de overheid iets aan de situatie moet doen. Toen ik financiële hulp vroeg keken ze me aan alsof ik van Mars kwam.’ Jack was zo goed als failliet, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor het programma van de overheid dat huiseigenaren noodhulp bood. Zijn behandeling kostte vijfendertigduizend dollar per maand, en als Medicaid zijn aanvraag afwees werd de behandeling gestaakt. ‘Mijn wereldje is maar heel klein en ik vind geen uitweg. Vroeg of laat gaat het helemaal mis.’
    ‘Ze hebben mijn moeder niet veel langer gegeven dan jou, en zij leeft nog.’

    ‘Ik mag graag denken dat ik het aankan. Dat wil zeggen: wat mijn instelling betreft, de spirituele kant. Maar klinisch gezien, nee, het valt niet te opereren. Volgens de statistieken heb je nog twee jaar als je hebt wat ik heb.’
    Het gesprek kwam op Jacks zaak. Die leek op sterven na dood. ‘Ik heb al zowat een jaar niks meer van de Bank of America gehoord,’ zei Jack. ‘Af en toe krijg ik een FedExgram van Wells Fargo waarin staat dat ik van ze af ben als ik ze vandaag honderddrieëntachtigduizend dollar betaal.’
    ‘Dus als jij het vandaag krijgt en zij krijgen het morgen…’
    ‘Technisch gesproken is dat te laat.’ Jack wist een lachje op te brengen. ‘Ik begin er niet over.’
    ‘Geen slapende honden wakker maken.’ Weidner zat zich weer op te winden. Hoe kon de vijftig biljoen dollar schuld van de Verenigde Staten godverdomme ooit afbetaald worden? ‘Het wordt zo abstract dat niemand nog betaalt. Waarom zou je? Dat hele schuldengedoe… Alsof we met z’n allen een monster voeden. Als iedereen ermee ophoudt zijn de rapen pas echt gaar.’
    ‘Ik betaal niemand nog iets,’ zei Jack. ‘Dat kan ik niet, ik zou niet weten hoe.’ Toen er iemand met een dwangbevel voor de deur stond omdat hij een schuld had op zijn klantenkaart van Home Depot had hij gewoon niet opengedaan.
    ‘Het enige wat misschien nog haalbaar is, is wereldwijd alle schulden kwijtschelden,’ zei Weidner. ‘Het wordt verdomme alleen maar erger, want doe je niets, dan moet je zoon zijn hele leven werken en bouwt hij nooit wat op. Dan is hij alleen maar bezig zijn eigen schuld, die van de staat en die van de banken af te lossen.’
    ‘Als je het van mijn kant bekijkt: ik kan er niets tegen doen, dus wat moet je?’

    ‘Niks.’
    ‘Niks,’ zei Jack. ‘Maar zo denk ik niet, zo zit ik niet in elkaar, dat is niets voor mij, maar ik word zo in een hoek geduwd dat ik geen andere mogelijkheid meer heb.’
    Het was Weidner een raadsel waarom de banken niet achter Jacks huis aan zaten, dat nog steeds iets waard was, maar bij anderen tot het uiterste gingen. Het leek volstrekte willekeur, wat nog griezeliger was dan elk ander scenario: dat de banken de schuld in hun boeken wilden laten staan als creditposten die ze hun aandeelhouders konden laten zien, dat ze perverse financiële prikkels kregen of dat ze eigenlijk dachten dat de markt binnenkort wel weer zou opleven. Wat Weidner ook niet begreep was waarom alle werkloze huiseigenaren in het land voor wie een gedwongen verkoop dreigde zich niet verenigden in een massabeweging. Hij vroeg Jack ernaar, en Jack had een antwoord.

    ‘Je raakt van alles afgesneden. Moet je je voorstellen dat je elke dag opstaat en geen doel hebt. Je werkt niet, je eigenwaarde is nul. Je gaat contact uit de weg, komt de deur niet uit, neemt de telefoon niet op. Je raakt in een isolement. Ik ga niet eens de deur uit om een hapje te gaan eten. Ik ga geen vijftien dollar uitgeven.’
    Weidner leunde achterover in zijn stoel en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. ‘Het goede nieuws is dat je nog in je huis woont.’
    ‘Dat is geweldig,’ zei Jack. ‘Morgen is er weer een dag.’
    ‘Zo is het. En jij zit daar om hem te verwelkomen. Jij blijft lekker zitten waar je zit.’
    ‘Liever failliet en levend dan dood. Hoe zeggen ze dat ook weer? Ze kunnen je kapotmaken, maar opvreten kunnen ze je niet?’ Jack en Weidner moesten lachen.
    En dus sleepte de zaak van BAC Home Loans Servicing, L.P., f/k/a Countrywide Home Loans Servicing, L.P. tegen Jack E. Hamersma zich voort en bleef Jack in zijn huis wonen, totdat hij er twee maanden later stierf.

    Een leegstaand huis - © Michael Williamson/Getty Images
    Een leegstaand huis – © Michael Williamson/Getty Images

    Decadente kleptocratie

    Weidner kon er wel vaker met zijn verstand niet bij. Hij had talloze visioenen van een snel in verval rakende, decadente kleptocratie die beide politieke partijen bediende: Amerikanen die voorbewerkt gif aten dat ze kochten met van een magneetstrip voorziene voedselbonnen, laaggeschoolde arbeiders die structureel niet bekwaam genoeg waren om ooit nog iets te kunnen betekenen en te stom om te beseffen dat ze hun oude baan nooit meer zouden terugkrijgen, banken in ‘Gotham’ die de laatste druppels welvaart uit het land zogen, bedrijven die niet gehinderd werden door enig besef van nationaal belang, het eigendomsrecht dat aan duigen lag, de wereld die verzoop in schulden…

    Zo zag de toekomst eruit: maatschappelijke onrust, sociale desintegratie

    Weidner was lid van de National Rifle Association, beschikte over een vergunning om een verborgen wapen te dragen en had een semiautomatische Smith & Wesson AR-15 met drie magazijnen van veertig kogels naast zijn bed liggen. Maar hij voelde zich er niet veiliger door; hij werd er eerder doodsbang van, want zag op beurzen wapenorgies van verzamelaars en wist hoeveel staatsgenoten bewapend waren: goede vaderlanders die trouw hadden gezworen aan de grondwet, zoals hijzelf, oorlogsveteranen en sportievelingen in camouflagekleding en getatoeëerde kinderen uit de steden die eruitzagen alsof ze een burgerleger aan het optuigen waren. Het werd een gekkenhuis toen Obama aan de macht kwam; er kwam een stormloop op munitie, terwijl wapenhandelaren T-shirts verkochten waarop stond: WAARSCHUWING: IK BEN EEN VETERAAN. Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid heeft vastgesteld dat ik kan radicaliseren en een gevaar voor de nationale veiligheid kan zijn. NADEREN OP EIGEN RISICO. U BENT GEWAARSCHUWD! Dus wat er zou gebeuren wanneer het elektriciteitsnetwerk van Tampa uitviel? Chaos. Zo zag de toekomst eruit: maatschappelijke onrust, sociale desintegratie.

    Weidner legde een overwinningstuintje met wortelen, sla, tomaten en paprika’s aan op de binnenplaats van zijn appartement in St. Pete. Het was geweldig om echte groenten te proeven, zelfs al om ze aan te raken. Hij overwoog een stuk land te kopen in het oosten van Hillsborough County, in een afgelegen gebied waar hij in het weekend met zijn vriendin naartoe ging en onderweg ruwe honing en melk kocht op boerderijen van mensen die leefden van wat ze verbouwden en van de jacht op herten en wilde zwijnen. Dat zou het enige antwoord kunnen zijn: Amerikanen moesten weer boer worden. Al die effectenmakelaars en beleggers moesten modder onder hun nagels krijgen en zonverbrand en uitgeput naar bed gaan. Het zou een einde maken aan hun angst en hun depressies. De eenvoudigste gemeenschappen zouden de aarde erven. Hij zou er als vluchteling gaan wonen wanneer de hele zooi in elkaar donderde, misschien een paar veteranen met militaire vaardigheden die het slachtoffer van een executieverkoop waren geworden de klus laten klaren. Je wilde niet al die zwaargestoorden laten rondlopen zonder dat ze iets omhanden hadden.

    Weidner begon in 2009 te bloggen. Eerst deed hij het om klanten te werven, maar het duurde niet lang of hij vond een eigen stem – hoogdravend, angstaanjagend, kwetsend, woedend – en werd aanvoerder van een beweging van juristen die de verdediging voerden in gedwongenverkoopzaken. De beweging was voortgekomen uit een groepje advocaten uit Jacksonville, aangevoerd door een pro-Deoadvocaat die April Charney heette en die Weidner voorstelde aan Sylvia Landis. Weidner, die blogde onder de slogan ‘Vechtend voor het Amerikaanse volk, zonder blad voor de mond zolang de vrije meningsuiting beschermd blijft’, schreef elke dag ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat, vaak zeer uitgebreid. In de week van Martin Luther Kings verjaardag postte hij een essay aan zijn ‘Waarde collega-advocaten’, dat sterk was gemodelleerd naar Kings ‘Letter from a Birmingham Jail’:

    Terwijl ik hier zit opgesloten in een rechtszaal voor executieverkoopzaken stuitte ik op uw recente verklaring waarin u mijn huidige activiteiten “onverstandig en prematuur” noemt… Misschien is het voor hen die nooit de pijnlijke steek van een gedwongen verkoop hebben gevoeld gemakkelijk om te zeggen: “Wacht.” Maar wanneer u keurige gezinnen op straat gegooid hebt zien worden, wanneer u de banken deuren hebt zien intrappen en zonder gerechtelijk bevel de sloten hebt zien veranderen, wanneer u zonder in te grijpen de rechtshandhaving terzijde hebt zien staan, zeggende: “Het is een civiele zaak”, wanneer u rechtszittingen hebt bijgewoond die indruisen tegen fundamenteel recht, wanneer u directeuren van banken en bedrijven gewetenloos winsten hebt zien opstrijken, wanneer u cliënten ziek hebt zien worden en hebt zien sterven als gevolg van de stress en de pijn van een gedwongen verkoop en van hun economische situatie, wanneer u alleenstaande vrouwen doodsangsten hebt zien uitstaan omdat ze bang zijn dat hun voordeur voor de derde keer zal worden ingetrapt, wanneer u kinderen ziet die hun ouders alleen maar hebben zien lijden, dan begrijpt u waarom het wachten ons zwaar valt.

    Wortels uit eigen tuin - © Steven Depolo
    Wortels uit eigen tuin – © Steven Depolo

    Weidner werd door het zesde gerechtsarrondissement op de vingers getikt omdat hij de rechtsgang zou hebben verstoord toen hij een oude vrouw die haar eigen verdediging deed had aangeboden haar bij te staan. De rechtbank beweerde dat hij cliënten wierf, hij beweerde dat opperrechters hem wilden straffen omdat hij de federale overheid had opgeroepen de rol van de rechtbanken in Florida op zich te nemen. Hij werd ook aangeklaagd wegens smaad door een bedrijf uit Palm Harbor dat hij ervan had beschuldigd hypotheekdocumenten automatisch te ondertekenen, waarbij hij de term ‘robosigning’ muntte. Sommige journalisten bewezen hem eer door de term populair te maken. Hij kreeg telefoontjes van The New York Times en The Wall Street Journal en was vaak op de pagina’s van The St. Petersburg Times te vinden. Hij sprak graag met journalisten; de pers was voor zijn zaak de laatste hoop, het enige instituut waarin hij nog vertrouwen had, meer dan in de meeste mensen die ervoor werkten. Weidner bleef echter een gewone advocaat die vanuit een rommelig kantoor werkte en in zijn witte Cadillac de zes straten naar de plaatselijke rechtbank reed. ‘Ik zou graag een soort Gloria Steinem zijn,’ zei hij, ‘want ik heb een grote mond en laat mensen op de een of andere manier naar me luisteren. Maar er moet wel brood op de plank komen.’ De enige gedachte die voorkwam dat hij er echt niet meer met zijn verstand bij kon was die aan de miljoenen dollars voor juridische bijstand die hij en zijn blog – waarop hij gerechtsstukken publiceerde zodat anderen ze konden gebruiken – de grote banken in Gotham kostten.

    Als ik niet vecht sta ik op straat, na twintig jaar hard werken

    Op een dag kreeg Weidner een telefoontje van een Indiase vrouw die Usha Patel heette. Een commerciële geldverstrekker, Business Loan Express, probeerde de Comfort Inn in Pasco County waarvan ze de eigenares was van haar af te pakken. Usha mailde Weidner een stapel documenten. Hij las ze en hoorde haar uit, maar hij nam haar niet als cliënt aan. Hij vertegenwoordigde huiseigenaren, en haar zaak was commercieel en uiterst ingewikkeld. Later, toen de zaak voor de rechter kwam, raakte hij er zijdelings bij betrokken. Daar was hij blij om, want Weidner had nooit een cliënt als Usha Patel onmoet, die zo hard vocht, die zo fanatiek in de Amerikaanse droom geloofde dat hij er zelf bijna weer vertrouwen in kreeg.

    Usha wist dat zij verantwoordelijk was voor de hypotheek – zij had immers haar handtekening onder de akte gezet – en had begin 2010 geprobeerd een nieuwe betalingsregeling met Business Loan Express overeen te komen net toen ze met haar gezin voor een bruiloft naar Londen ging. Ze waren nog maar net op het vliegveld van Tampa geland of haar zoon keek op zijn telefoon en zei: ‘Mam, we moeten naar een spoedhoorzitting.’ Usha’s spoedhoorzitting was klein bier vergeleken met de grote fraudezaken en faillissementen aan het begin van het nieuwe millennium. Business Loan Express, dat was omgedoopt in Ciena, was verwikkeld in een bankroet en werd door het ministerie van Justitie aangeklaagd wegens frauduleuze leningen. Een bankroet op Wall Street was een bedreiging voor Usha’s noodlijdende motel in Pasco County omdat Ciena zocht naar manieren om zijn schuldeisers te betalen. Weidner zei: ‘De titanen van de financiële wereld daar in Gotham vechten om het kadaver van Ciena, terwijl Ciena op hetzelfde moment zijn tentakels om Usha’s nek heeft.’ De leninggever had Usha om de tuin geleid – hij was helemaal niet van plan geweest om tot een nieuwe betalingsregeling te komen – en tijdens de spoedhoorzitting op 19 maart oordeelde de arrondissementrechtbank van Pasco County dat het motel waarin Usha Patel haar ziel en zaligheid had gestoken onder curatele werd gesteld, wat inhield dat de opbrengst ervan ten goede kwam aan het bankroete Ciena en zijn schuldeisers, met als gevolg dat Usha zonder bedrijf kwam te zitten. Ze huilde tijdens de rechtszitting. Haar zoon zei: ‘Er komt niets van in. Ik heb geld en betaal een advocaat voordat de rechter het bevel ondertekent.’ Diezelfde dag vroeg Usha op grond van artikel 11 van de faillissementswet bescherming van haar bedrijf, Aum Shree in Tampa, aan bij de federale faillissementsrechtbank in de binnenstad. Het motel mocht openblijven. Daarna begon het ingewikkeld te worden.

    Tijdens de eerste zitting viel het Usha op dat de eiser niet langer Ciena was, of Business Loan Express, of een andere naam die ze had gehoord sinds ze haar hypotheek had gesloten. Haar nieuwe tegenstander was HSBC, de op één na grootste bank ter wereld, de ‘oorspronkelijke beheerder’ van het door hypothecaire leningen gedekte waardepapier waar Usha’s lening deel van uitmaakte. Plotseling werden documenten ingebracht waarin stond dat de hypotheek was toegewezen aan HSBC, documenten zonder notarisstempel, documenten zonder naam of datum eronder, documenten met verdachte handtekeningen van zogenaamde adjunct-directeuren. Usha’s zaak werd onderdeel van de grote executieverkopenpuinhoop die het land in zijn greep hield. Omdat ze geen schikking met de bank overeen kon komen klampte Usha zich vast aan het papierwerk, het enige wapen waarmee ze haar motel kon redden.

    Bijna twee jaar lang vocht Usha tegen HSBC en zijn leger advocaten. Ze las elk document dat het kantoor van haar advocaat binnenkwam en uitging en leerde alles over faillissements- en eigendomsrecht. Naarmate de rol langer werd vulden de documenten de ene doos na de andere, die ze in haar Toyota RAV4 laadde, waarin ze ze bewaarde, en reed heen en weer tussen het motel, haar huis en de computerwinkel van haar zoon. Toen haar eerste advocaat de zaak moest laten vallen nam ze een andere in de arm, en toen die ermee ophield huurde ze een derde in, daarna een vierde, waarna Matt Weidner als adviseur een van Aum Shrees aandeelhouders vertegenwoordigde, maar Usha kende de zaak beter dan zij allemaal. Usha moedigde haar advocaten aan te blijven knokken, niet andersom. Op het laatst bedroegen haar advocatenkosten tweehonderdduizend dollar. Tegen die tijd was haar geld allang op. Haar zoon en de rest van haar familie, in de Verenigde Staten, in Engeland en in Gujarat, steunden Usha in haar strijd, want anders dan Mike Ross, Sylvia Landis en Jack Hamersma was Usha Patel geen Amerikaan van origine, oftewel: ze stond er niet alleen voor.

    ‘Dit is mijn boterham,’ zei ze. ‘Mijn hart zit erin, en mijn geld. Als ik niet vecht sta ik op straat, na twintig jaar hard werken.’ In de weken voor de uitspraak bleven Usha, Weidner en haar laatste advocaat avond na avond in de zaak van haar zoon tot ver na middernacht op en namen ze elk woord van de zaak door. Twee dagen voor de uitspraak toonde HSBC, nu het werd geconfronteerd met een mogelijk verlies, zich bereid tot een schikking. Usha accepteerde een nieuwe betalingsregeling, van anderhalve ton in één keer en tienduizend dollar per maand tegen 6 procent rente. Het voelde nauwelijks als een overwinning, maar ze gaf nog eens een paar duizend dollar extra uit om die in het oudste restaurant van Tampa te vieren met haar vele advocaten en anderen die haar hadden gesteund.

    Door haar uitputtende strijd tegen een financiële dienstverlener van wereldformaat keek Usha anders aan tegen het land waar ze was gaan wonen. Ze concludeerde dat het recht er was voor de rijken, niet voor haar. Bankiers en juristen profiteerden ervan, terwijl zij failliet ging. De banken verdienden hun geld door de kleine luiden te koeioneren, eerst door haar net zolang te intimideren tot ze overstag ging, en daarna, toen ze terugvocht, door haar onder papierwerk te bedelven, door taxateurs en inspecteurs in te huren die gefingeerde rapporten schreven over de toestand van haar motel, waardoor ze haar goede naam besmeurden. Als ze het over HSBC had trok ze haar neus op en haar mondhoeken omlaag en kneep ze haar ogen tot spleetjes, waardoor ze net zo leek te walgen als wanneer ze de arbeidsmoraal van Amerikanen beschreef.
    Hoe dan ook was Usha niet tot dezelfde conclusie gekomen als Weidner. Zij geloofde niet dat Amerika naar de verdommenis ging. Ze zag nog steeds een schitterende toekomst voor zich, zo niet voor zichzelf, dan toch voor haar kinderen. ‘Juist nu,’ zei ze toen haar zaak achter de rug was, ‘zegene God Amerika. Daar geloof ik in.’

    George Packer, De ontluistering van Amerika, Atlas Contact (verschijnt mei 2014)

    George Packer is een Amerikaanse journalist, auteur en toneelschrijver. Hij is vooral bekend van zijn buitenlandpolitiekstukken voor The New Yorker en van zijn boek The Assassins’ Gate: America in Iraq, 2005.