Tag: Boeren

  • Waarom China rijkere boeren nodig heeft

    Waarom China rijkere boeren nodig heeft

    China moet de gapende kloof tussen platteland en stad dichten, wil het land werkelijk welvarend worden en niet in een middle-income trap vallen, schrijft correspondent Goh Sui Noi.

    Sinds maart zijn de huizen van duizenden boeren in de Chinese provincie Shandong kort na kennisgeving door de overheid gesloopt. De reden: de bewoners krijgen nieuwe, moderne woningen.

    Klinkt mooi, maar wie weigerde de sloopovereenkomst te ondertekenen, werd ingerekend. De sloop voltrok zich bovendien nog vóór de verhuizing, de nieuwe woningen waren nog niet af, en mensen moesten in afwachting van de oplevering zelf maar tijdelijke woonruimte zien te vinden. Sommige ontheemden, die nergens terecht konden, bouwden provisorische onderkomens aan de rand van hun erf.

    De Shandong-affaire is een extreem voorbeeld van de wijze waarop China zijn moderniseringspolitiek van het platteland aanpakt. Onderdeel daarvan is de bouw van nieuwe, grotere gemeenschappen voor boeren, zodat publieke goederen efficiënter kunnen worden geleverd en er tegelijkertijd meer land vrijkomt voor landbouw en ander gebruik. Maar dit beleid kent ook nadelige effecten.

    GettyImages 494598816 1
    De Chinese overheid probeert het platteland radicaal te hervormen door huizen van boeren te slopen en er modernere woningen voor in de plaats neer te zetten. – © Zhang Peng / LightRocket / Getty

    Schulden

    Omdat de vergoeding voor de sloop van hun huis meestal laag is en de nieuwe woningen duur zijn, steken boeren zich vaak diep in de schulden om kleine appartementen te betrekken, waar ze hun landbouwgereedschap niet kwijt kunnen. Sommigen komen zo ver van hun boerderij te wonen dat ze het boeren helemaal eraan moeten geven en gedwongen zijn elders een baan te zoeken. Ouderen worden volledig afhankelijk van hun pensioentje of van het geld dat hun kinderen die in de steden werken overmaken.

    De ellende van de boeren in Shandong is kenmerkend voor de problemen op het platteland, die de Chinese overheid al tientallen jaren met weinig succes probeert op te lossen. In de afgelopen zeventien jaar zijn de sannong wenti – de drie plattelandskwesties: landbouwproductie, plattelandsontwikkeling en het boereninkomen – onderwerp geweest van het zogeheten Centraal Document nr. 1. Daarmee is het belang wel aangegeven. Dat plattelandsproblemen al zeventien jaar op rij de topprioriteit van de overheid zijn, toont aan hoe hardnekkig ze zijn en, zo stellen sommigen, hoezeer het regeringsbeleid tekortschiet.

    De afgelopen veertig jaar heeft China honderden miljoenen mensen uit de klauwen van de armoede bevrijd, ook boeren. De kloof tussen platteland en stad blijft echter groot. Dit jaar zal de Chinese overheid waarschijnlijk de overwinning uitroepen in haar strijd tegen absolute armoede. Daarnaast zal ze verkondigen dat het doel om een redelijk welvarende samenleving op te bouwen is verwezenlijkt.

    Waarnemers vinden echter nog steeds dat China de gapende kloof tussen platteland en stad doeltreffender moet dichten, wil de droom van een verjongd land uitkomen, en wil China niet in de middle-income trap vallen, dat wil zeggen een middeninkomensland blijven in plaats van werkelijk welvarend te worden.

    China’s transformatieproces van een geplande naar een markteconomie begon in 1978 op het platteland, toen nooddruftige boeren in een dorp heimelijk hun gezamenlijke landbouwgrond in kaveltjes verdeelden om hun eigen voedsel te kunnen verbouwen. Daarmee was het systeem van ‘huishoudelijke verantwoordelijkheid’ geboren, een hervorming van het platteland die boeren in staat stelde hun eigen lapje grond te bewerken en de producten die ze overhielden op particuliere markten te verkopen, nadat ze aan de overheidsquota hadden voldaan.

    De eerste groep Chinezen die ‘rijk’ werden waren boeren in de jaren tachtig. Dankzij de eerste hervormingen nam de armoede op het platteland duidelijk af, al bleven de inkomens er nog steeds lager dan in de steden.

    In de jaren negentig kwam er een kentering, toen versnelde economische hervormingen vooral gericht waren op industriële ontwikkeling en ondernemerschap. Stedelijke centra aan de kust vergaarden op die manier rijkdom. Er waren ook wel hervormingen op het platteland, maar die hielden geen gelijke tred met die in de steden. De ontwikkelingskloof leidde tot een grotere welvaartskloof. In 1990 bedroeg het jaarlijks beschikbaar inkomen per hoofd van de stedelijke bevolking iets meer dan het dubbele van het plattelandsinkomen: 1.510 tegen 686 yuan. In 2000 was die factor gestegen tot 2,78 en in 2010 was het stedelijk inkomen 3,23 keer zo hoog als het plattelandsinkomen.

    De kloof verkleinde in 2018 tot 2,68, met een stedelijk inkomen van 39.251 yuan tegen een plattelandsinkomen van 14.617 yuan. Maar dit was inclusief het overgemaakte geld door arbeidsmigranten in de steden, dat 90 procent van het totale beschikbare inkomen op het platteland vertegenwoordigde. Geschat wordt dat het inkomen op het platteland sinds 2014 is gedaald, de overmakingen van arbeidsmigranten niet meegerekend.

    Collectief bezit

    Er zijn tal van redenen te bedenken voor deze kloof: problemen rond landbezit, het hukou-systeem van persoonsregistratie dat de bewegingsvrijheid van plattelanders beperkt en het gebrek aan toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en andere sociale voorzieningen, ten opzichte van stadsbewoners.

    De vroege Chinese plattelandshervormingen leidden tot het systeem van huishoudelijke verantwoordelijkheid, waarbij vrijwel al het te bebouwen land aan individuele huishoudens werd toegewezen. Al dat land blijft echter collectief bezit: boeren hebben alleen gebruiksrechten. Naarmate de industrialisatie en verstedelijking versnelden en de druk op land toenam, begonnen lokale overheden boeren hun land af te nemen, omdat ze dat wilden herbestemmen voor woningbouw en bedrijven. Deze overheden maakten vervolgens winst uit de verkoop van landgebruiksrechten. Boeren kregen geringe of zelfs helemaal geen financiële compensatie, ontwikkelaars kregen gepeperde rekeningen toegestuurd.

    In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt

    In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt. Velen trokken noodgedwongen naar de steden om werk te zoeken, al waren er ook veel boeren die hun land niet verloren maar toch voor een leven in de stad kozen.

    Ondertussen konden de boeren met hun kleine lapjes grond hun opbrengst en dus hun inkomen moeilijk verhogen. Aan de andere kant lag er veel grond braak: de vroegere gebruikers waren naar de stad getrokken, waar ze laagbetaalde fabrieksarbeiders werden of in de informele sector terechtkwamen. Dit leverde doorgaans nog altijd meer op dan op het platteland blijven ploeteren.

    Dankzij veranderingen in de landwetten door de jaren heen konden boeren de grond van hun buren huren om hun boerderij uit te breiden. Ondertussen werd het platteland geconfronteerd met een leegloop van jongeren, waardoor vooral ouderen en jonge kinderen achterbleven.

    President Xi Jinping presenteerde in 2017 een plan om plattelandsgebieden nieuw leven in te blazen. Bedoeling was om de komst van grote, efficiëntere, moderne boerenbedrijven te stimuleren. In gebieden waar dergelijke hervormingen zijn doorgevoerd, krijgen boeren aandelen voor hun kavels. Lokale collectieven verhandelen deze grond namens hen.

    Boeren met grotere bedrijven hebben echter niet altijd genoeg aan een contract voor een dertigjarig gebruiksrecht op landbouwgrond. Voor perzikboeren zijn bomen bijvoorbeeld een investering die vijftig jaar loopt.

    Het valt nog te bezien hoe gunstig de hervormingen zullen uitpakken. Afgezien van de problemen met land heeft het hukou-systeem van persoonsregistratie Chinese boeren ook economisch belemmerd. Dit systeem, dat uiteindelijk verblijfsvergunningen regelt, verdeelt de Chinese bevolking in plattelands- en stadsbewoners; deskundigen zijn van mening dat het de plattelandsbevolking discrimineert.

    Het stelsel werd in 1958 ingevoerd om plattelandsbewoners te beletten naar de stad te verhuizen. Dankzij een versoepeling in de jaren tachtig konden boeren in stedelijke centra gaan werken, omdat de vraag naar arbeidskrachten daar toenam.

    Zonder permanente verblijfsvergunning kunnen dergelijke arbeidsmigranten echter nauwelijks aanspraak maken op de sociale uitkeringen waar andere stedelingen wel recht op hebben. Daardoor is het voor hen moeilijk en duur om toegang te krijgen tot huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs voor hun kinderen. Velen laten hun kinderen daarom achter bij grootouders in de dorpen.

    Alle veranderingen door de jaren heen ten spijt, staan arbeidsmigranten nog altijd bloot aan sociale discriminatie.

    In 2016 werd een nieuw beleid doorgevoerd om rond dit jaar honderd miljoen arbeidsmigranten een verblijfsvergunning in de stad te verlenen. Doel is de stadsbevolking een impuls te geven en de middenklasse te laten groeien, aangezien China de transitie wil maken van een exportgerichte naar een consumptiegerichte economie. Eerder dit jaar zijn er nog meer hukou-hervormingen beloofd.

    Middelbaar onderwijs

    Tot nu toe zijn vooral in kleine steden beperkingen opgeheven, in de hoop dat arbeidsmigranten daarnaartoe trekken. Maar veel arbeiders verhuizen liever naar of blijven graag wonen in de grote steden, waar banen zijn, en waar het niveau van voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs hoger is.

    Onderwijs is een andere reden waarom plattelandsbewoners het nog altijd slechter hebben dan hun landgenoten in de stad. Volgens de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Scott Rozelle van de Stanford-universiteit, die de armoede en ongelijkheid in China onderzoekt, is slecht middelbaar onderwijs een probleem op het platteland: amper de helft van de kinderen gaat naar de middelbare school, tegen 90 procent in grote steden. Nog geen 5 procent van de studenten aan elite-universiteiten komt van het platteland. Ook het leren zelf moet je leren, en die vaardigheid bezitten veel plattelandsjongeren niet, zegt Rozelle. ‘Ze zullen niet kunnen profiteren van de economische kansen die nieuwe technologie in China inmiddels biedt.’

    Met name op arbeidsmigranten heeft dit een verwoestend effect, aangezien het aantal beter betaalde banen in de industriële sector afneemt naarmate fabrieken automatiseren of zich in het buitenland vestigen. Zelfs laagbetaalde banen in de dienstensector zijn niet voor hen weggelegd. En wie als professionele boer in een groot landbouwbedrijf wil werken of een eigen bedrijf wil beginnen, heeft eerst toegang tot beter onderwijs nodig om de benodigde vaardigheden op te doen.

    De overheid moet de kwaliteit en beschikbaarheid van plattelandsscholen verbeteren en de kinderen die daar wonen aanmoedigen om meer dan de verplichte negen jaar onderwijs te volgen, aldus analisten.

    Het volgende vijfjarenplan omvat waarschijnlijk nog meer hervormingen die tot doel hebben het inkomen en de koopkracht van huishoudens op het platteland en van arbeidsmigranten te verhogen.

    Volgens een rapport van de bank HSBC over het nieuwe vijfjarenplan wordt de landhervorming versneld om plattelandshuishoudens een groter deel van de winst uit herwaardering van land te gunnen. Dit als onderdeel van het streven om consumptieve bestedingen onder de 551 miljoen Chinezen op het platteland te verhogen.

    De verwachting is ook dat de hervorming van het hukou-systeem wordt versneld, om de 290 miljoen arbeidsmigranten toegang te geven tot stedelijke sociale voorzieningen. Dit zal waarschijnlijk leiden tot een vermindering van hun spaargeld uit voorzorg, het ‘appeltje voor de dorst’ dat het dubbele bedraagt van dat van gemiddelde stedelijke huishoudens, en hen aanmoedigen om meer uit te geven.

    Het is nog maar de vraag of deze hervormingen, die ook toegang tot beter onderwijs betreffen, ingrijpend genoeg zullen zijn om de welvaartskloof tussen platteland en stad te verkleinen. Net als de boeren die ze wil helpen, moet de overheid eerst zaaien, in de wetenschap dat er bij beleidsplanning, net als in de landbouw, vaak een kloof zit tussen wens en resultaat.

  • Bio voor de massa

    Bio voor de massa

    De Europese markt voor biologische producten is booming. Waren deze vroeger alleen te koop in kleine biowinkels, tegenwoordig storten zelfs prijsvechters als Aldi en Lidl zich op de lucratieve groeimarkt. Pure milieuwinst, of verkwanselt de sector zo zijn idealen? Het Brusselse tijdschrift Médor ging op onderzoek uit.

    ‘Ja tegen de diversiteit van lokale bioproducten, nee tegen de macht van het grootwinkelbedrijf.’ Onder die slogan werd afgelopen zomer geprotesteerd tegen de vestiging van een Bio-Planet-supermarkt in de Waals-Brabantse stad Korbeek. En die protesten kwamen uit de biowereld zelf! Onder andere van Archenterre, een kleine producent van biologische groenten en fruit en van Bi’Ok , een van de eerste biologische winkels in Wallonië. Een intern conflict tussen bio-bedrijven – gewoon een gevecht om marktaandeel? Niet alleen. Het protest kwam ook voort uit de angst dat deze brutale nieuwkomer, onderdeel van de Colruytgroep [Belgische multinational met een omzet van 9,5 miljard euro en honderden supermarkten in België, Luxemburg en Frankrijk], met zijn in plastic verpakte en op duizenden kilometers afstand geproduceerde biologische waren het einde zou betekenen van het bio-ideaal: langzame productieprocessen en bewuste consumptie met respect voor mens en milieu.

    ‘Biologische landbouw betekent niets anders dan: geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, geen toevoegingen aan bewerkte voedingsmiddelen en geen kunstmest,’ brengt François de Gaultier, landbouwdeskundige en assistent-hoogleraar aan de Hogeschool van de provincie Namen, in herinnering. ‘Dat is alles. Je kunt aan “biologisch” geen eisen stellen die de term zelf niet belooft.’

    Maar voor de activisten moet ‘biologisch’ aan meer criteria voldoen dan alleen aan de officiële. ‘Er zijn twee stromingen in de biowereld,’ zegt Pauline Henrion van Bi’OK, een keten van vier winkels in Waals-Brabant. ‘Aan de ene kant de mensen die gewoon beter willen eten, en aan de andere kant de mensen die het welzijn van de wereld beogen.’ Dat geldt niet alleen voor de klanten maar ook voor de winkeliers: sommigen willen alleen maar verkopen, anderen willen een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij.

    Aldi: ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment’

    In de wereld van het biologisch voedsel draait het tegenwoordig steeds meer om de detailhandel. Nieuwe spelers storten zich en masse op een aantrekkelijke groeimarkt. Claude Gruffat, auteur van 
Les dessous de l’alimentation bio (de achterkant van biologisch voedsel) ziet dat ook. ‘In Frankrijk staan we nu voor een verandering van schaal in de consumptie van biologische producten. De laatste tijd noemt iedereen het een markt. In Frankrijk beslaat die nu 
4 procent van de totale voedingswarenmarkt, en meestal is dat het punt waarop ook nieuwkomers zich ook in de niche willen begeven.’

    4 procent? Dat is precies het marktaandeel dat ‘bio’ heeft op de Belgische voedingsmiddelenmarkt. Een koek die steeds groter wordt, maar waarvoor zich steeds meer eters melden: Bi’OK (4 vestigingen) Bio-Planet (27), Färm (6), Al Binète (4), Sequioa Bio & Natural Market (6), Biocap (4), Biostory (3), Ekivrac (2), La Ruche qui dit oui (102) en ontelbare andere lokale winkels die we hier onmogelijk allemaal kunnen opnoemen…
    Om de schappen in al die nieuwe zaken te kunnen vullen breidt het landbouwaanbod zich uit. Sinds 2003 is het aantal biologische boeren in Wallonië vrijwel verviervoudigd: hun aantal is van 455 gecertificeerde boeren in 2003 gestegen naar 1493 in 2016, ofwel 12 procent van alle Waalse boerderijen. De hoeveelheid bouwland is meer dan verdrievoudigd: van 20.736 hectaren naar 71.289 hectaren, ofwel 10 procent van het Waalse boerenland.

    Ook de grote supermarkten nemen biologische producten nu serieus, en zelf ondervinden zij weer concurrentie van discounters als Aldi en Lidl, die nu 10 procent van de biologische producten verkopen, tegen 1,2 procent in 2008. En daarmee doen ook de prijzenoorlogen hun intrede.
    ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment,’ zegt Julien Wathieu, woordvoerder van de Lidl/Aldi-groep. Ondanks dat agressieve prijsbeleid zijn biologische producten in het algemeen nog steeds duurder dan gewone. En de winstmarges zijn hoger.

    Volgens een onderzoek uit augustus 2017 door de Franse consumentenorganisatie UFC-Que choisir, verdient het grootwinkelbedrijf aanzienlijke marges op de biologische producten. De organisatie vergeleek 24 soorten fruit en groenten en ontdekte dat het groene boodschappenmandje 79 procent duurder uitkwam dan het mandje met conventionele producten. Er zijn twee verklaringen voor die hogere vraagprijs: voor een deel heeft die te maken met de hogere productiekosten in de biosector en voor het andere deel is ze te wijten aan… de extra winstmarges die 
de grote winkelketens erop leggen. Die winst is met name mogelijk doordat deze bedrijven grootschalig kunnen inkopen bij bedrijven uit heel Europa.
    ‘De grootste concurrent, biologisch of niet-biologisch, is Spanje, omdat daar de sociale normen lager zijn,’ verklaart landbouwkundige François de Gaultier. ‘De concurrentie komt ook van Nederland, waar de productie heel sterk gemoderniseerd is, met hightechkassen en geautomatiseerde teelt.’

    Een bezoek aan de Lidl van Molenbeek biedt natuurlijk maar een momentopname, maar klopt precies met het verhaal van de landbouwkundige. Op de afdeling biologische groenten en fruit komen de cocktailtomaatjes uit België, maar de wortelen, courgettes, krielaardappeltjes en citroenen hebben een reis uit Nederland of Spanje achter de rug. Wat al deze producten gemeen hebben? De laagste prijs.

    Belgisch-Mexicaanse komkommers

    De eerste Bio-Planet in Brussel ligt in een chique buurt. Al op de besloten parkeerplaats maakt deze zaak in de Brusselse deelgemeente Ukkel je duidelijk dat je hier een duurzaam gebouw binnengaat, met zo min mogelijk CO2-uitstoot, een geheel geïsoleerd gebouw, ledverlichting. Met zijn ruwhouten planken die in de verte de sfeer van een Canadese blokhut oproepen, vertelt deze supermarkt dat hier alles puur natuur is. En gecertificeerd ‘bio’.

    Achter in de zaak doet een met glas afgescheiden gedeelte dienst als koelruimte. Even daarbuiten liggen uien (uit Nederland), sjalotjes (uit Frankrijk), zoete aardappelen (uit de VS en Spanje), afgeprijsde Boni-aardappelen (uit Italië), krielaardappeltjes (uit Engeland), avocado en gember (uit Peru), knoflook (uit Spanje). De losse wortelen komen uit Nederland en de ongewassen wortelen zijn regelrecht uit Spanje gekomen. Maar de frambozen, appels, peren, komkommers en raapjes zijn Belgisch. Net als de tomaten, pompoenen, paprika’s, pepers, kerstomaatjes, sla, spinazie, peterselie, jonge uien, boontjes, radijsjes, courgettes, champignons, venkel, selderie, aubergine en kool. Een van de belangrijkste leveranciers van deze groenten is EcoVeg, een bedrijf dat in 2000 is opgericht door Krist Hamerlinck en Cindy Declercq, op de grens tussen Nederland en België. EcoVeg had in 2016 een omzet van 10 miljoen euro. De familie Hamerlinck runt ook het Luxemburgse Organic Farming Invest, dat via een eigen bedrijf in Mexico levert aan de Amerikaanse markt. Dit bedrijf voorziet de New Yorkers dus van biologische komkommers, na een reis van 4000 kilometer.

    ‘In Wallonië bestaat nog het model van het familiebedrijf met een menselijke schaal, of dat nu biologisch of conventioneel is, terwijl Vlaanderen zich meer op de intensieve landbouw richt,’ zegt Pierre Wiliquet, woordvoerder van de Waalse minister van Landbouw René Collin (cdH). Het is dan ook in Vlaanderen dat BelOrta, de grootste groentekweker van Europa, met een half miljard omzet, groot is geworden. BelOrta is nu ook bezig met de ontwikkeling van een biologische tak.

    ‘We komen nu op een punt dat de gebruikelijke consumentenstandaarden gaan gelden, denkt Claude Gruffat, directeur van de Franse keten Biocoop. ‘Biologisch voedsel was ooit een maatschappijvisie, een gedeeld ideaal, waaraan men een Europees regelement had opgehangen. Nu hebben we alleen nog die Europese regelgeving.’ Anders gezegd: de enige norm die geldt om iets ‘biologisch’ te mogen noemen is die gemeenschappelijke regelgeving.

    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm
    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm

    Al brandt er nog wel ergens een ethisch lichtje in het duister van de massaconsumptie, de Europese biosector is inderdaad zijn glans kwijtgeraakt. Die sector doet nu meer dan het gebruik van pesticiden en kunstmest verbieden. Ze eist gewasrotatie, maar laat producten toe die voor 5 procent uit niet-biologische ingrediënten bestaan en tolereert producten met maximaal 0,9 procent besmetting door genetisch gemodificeerde organismen. Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid betreft biedt het label ‘bio’ geen enkele garantie. ‘We zien nu dat de oorspronkelijke waarden verdwijnen en dat er een oneerlijke concurrentie ontstaat tussen een systeem dat die waarden nog koestert en een systeem waarin alleen het geld telt. Als je het over de waarden van eerlijke landbouw hebt, van eerlijke handel, dat is allemaal verloren gegaan,’ volgens Claude Gruffat.

    De tomaten, komkommers, aubergines, courgettes van EcoVeg zijn te vinden in de schappen van Bio-Planet, maar ook bij supermarktketen Delhaize en bij verscheidene klanten van Interbio. En misschien wel bij iedereen. Want de Waalse kweker levert onder andere aan Färm, Sequoia, Bi’OK, Bio Fagnes, Biocap en aan veel biologische zaken en boerderijwinkels in Wallonië die zo hun assortiment compleet maken.

    Onder de detailhandels is Färm (met zes winkels, binnenkort zeven, in Brussel en Louvain-la-Neuve,) een geval apart. Dit bedrijf geldt als een afschrikwekkend voorbeeld in de sector, die altijd twijfelt aan de goede bedoelingen van mogelijke financiers. Färm is allereerst het verhaal van Baptiste Bataille en Alexis Descampe. Deze twee leerden elkaar kennen tijdens hun studie biologie, en openden vervolgens samen een winkeltje, The Peas, in het Brusselse Etterbeek. Hun ideaal is het verkopen van biologische, lokaal verbouwde producten. Met respect voor de gezondheid, het milieu, de mens.

    Een van hun klanten, een dertigjarige hipster op een fiets, geeft hun zijn visitekaartje. Dat leidt tot gesprekken, tot plannen en de uitvoering daarvan. Plannen om groter te worden. Heel groot. Heel héél groot. Want de fietser zit in de autobusiness. Hij heet Lionel Wauters en is lid van de familie Moorkens, een van de rijkste families van België, die haar fortuin heeft verdiend met de import en verkoop van auto’s, waaronder Mitsubishi en Toyota. Het familiebedrijf heet Alcopa en het is een zwaargewicht met meer dan 2300 medewerkers in 19 landen en een jaaromzet van 1,7 miljard. Tot 2015 was Lionel Wauters lid van de raad van aandeelhouders van het familiebedrijf, die de langetermijnvisie moest bewaken. Deze ingenieur en architect is ook CEO van Urbani, een vastgoedbedrijf dat gespecialiseerd is in ‘duurzaam en gebruiksvriendelijk vastgoed’. Het verhuurt meer dan 160 appartementen, voornamelijk in Brussel.

    De nieuwe partners laten er geen gras over groeien en praten over schaalvergroting. ‘We willen niet groeien om het groeien, maar om werkelijk gewicht in de schaal te kunnen leggen als het om maatschappelijke kwesties gaat,’ verklaarde Färm-oprichter Alexis Descampe. Maar geld telt, en Lionel Wauters wordt in 2015 bestuursvoorzitter van Färm.coop. In zijn kielzog komen zijn oom François Stoop en Olivier van Cauwelaert mee, die ook partner zijn bij Urbani en bij Scale Up, de tak van het bedrijf die duurzame projecten financiert (waaronder nu Färm en vooral Färm Louvain-la-Neuve, waarin Scale Up 750.000 euro heeft geïnvesteerd). Scale Up belooft zijn aandeelhouders een rendement van 7 procent per jaar. De drie mannen zitten nu in de raad van bestuur van Färm-coop en Alexis Descampe is CEO geworden.

    Het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger

    Baptiste Bataille is inmiddels weggewerkt. Een behoorlijke schok voor veel mensen in de biowereld. ‘Hij was de ziel van Färm,’ legt een leverancier uit. Nu echter een verdoemde ziel, die geen antwoord wilde geven op onze vragen. ‘Het vertrek van Baptiste, waarbij wij gezien werden als de schurken in het spel, heeft vooral te maken met een verandering van onze rollen bij het groter worden van Färm,’ verklaart Alexis Descampe. Directeur Olivier van Cauwelaert wijst op het verschil in ambities bij het uitbouwen van de onderneming. ‘Twee jongemannen van nog geen dertig, die een winkel hebben met zes medewerkers en een omzet van een miljoen. Nu is Färm een bedrijf met zes winkels en honderd medewerkers. De stijl van leidinggeven is veranderd. Je moet planmatiger werken, meer als management optreden. En in die ontwikkeling voelde Baptiste zich niet thuis.’ En de waarden van de biowereld, het vermenselijken van de handel, zullen die zich er wel thuis voelen? Want de uitbreiding is nog lang niet afgelopen. Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. Oftewel: een zaak per twee maanden.

    Afgelopen november kondigde de krant L’Echo aan dat de regio Brussel via de regionale investeringsmaatschappij SRIB vijfhonderdduizend euro in het Färm-avontuur zou stoppen, en de grootste aandeelhouder van het bedrijf zou worden. En de winkels zijn maar één aspect van de ontwikkeling van Färm, dat ook producent wil worden. Het idee daarachter? Investeren in de bewerking en de productie om zo een compleet bioplatform te hebben. ‘Als je niet wilt dat de klassieke grootwinkelbedrijven de biosector overnemen, moet je iets doen,’ verklaart Olivier Van Cauwelaert, de vertegenwoordiger van Scale Up. ‘We moeten onszelf niet voor de gek laten houden door het industriële bio-aanbod van Delhaize en Colruyt. Om dat soort volumes wortelen te leveren hebben ze 100 hectaren nodig. Onze producenten werken op tussen de 1 en 20 hectare, en daar verbouwen ze ook nog verschillende gewassen. Dat is een andere filosofie.’ Colruyt wordt dus afgewezen door Färm, dat zelf wordt afgewezen door de kleine biowinkels.

    Nu Färm voor zijn vleesproducten de hele keten in eigen hand heeft, kondigt Olivier Van Cauwelaert vier nieuwe productketens aan – eerlijke ketens waarvan elke schakel door Färm wordt gecertificeerd, wat meteen ook de mogelijkheid biedt om de prijs en de herkomst van de producten te controleren: groenten (met twaalf producenten in de buurt van Louvain-la-Neuve), zuivelproducten, oliehoudende producten en vis. Allemaal zullen ze worden verhandeld onder een andere merknaam dan Färm, zodat ook derden ze kunnen verkopen.

    De medewerkers van het bedrijf maken zich niet zozeer zorgen over de kwaliteit van de Färm-producten, want die staat niet ter discussie. Wel hebben ze hun twijfels over het profiel van de investeerders, hun managementmethoden, hun snelle uitbreidingsplannen en over het wegwerken van een van 
de oprichters. ‘Toen Baptiste eruit ging, hebben we vragen gesteld,’ verklaart een werknemer. ‘Hij stond meer op één lijn met ons, hij streefde naar transparantie. De bestuurders profiteren van het feit dat de medewerkers zich betrokken voelen bij biologische producten. Ze zeggen tegen ons “Jullie zijn de winkel”, hebben het over “färmers” in plaats van werknemers, over “het plan” in plaats van de onderneming. Allemaal nieuwe managementtaal. Maar het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger.’ Is Färm dus een onderneming als alle andere? ‘Nee,’ vindt de medewerker. ‘Je kunt nog wel rechtstreeks contact hebben met Alexis. Er zijn werkgroepen ingesteld. Er heerst wel de sfeer van een collectief.’

    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm
    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm

    Färm zou in een overgangsfase zitten. En dat geldt ook voor het personeel. Alexis Descampe geeft het toe: ‘Met de groei van het bedrijf hebben we een periode gehad waarin er nogal top-down werd gewerkt, maar dat was voor niemand houdbaar.’ Sindsdien zijn er werknemerscomités ingesteld (waar iedereen welkom is) waar gediscussieerd en beslist wordt over verschillende aspecten van Färm, zoals het verantwoord ondernemerschap, de uitbreiding van het plan Färm of de vraag of producten van anderen al dan niet via de website worden aangeboden. (Zo is het bier Ginette uitgesloten, sinds het is opgenomen door ABInBev). Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? En zonder de diversiteit van het huidige assortiment teniet te doen? De mensen uit de biosector die we ernaar hebben gevraagd staan argwanend tegenover alle ontwikkelingen. Wanneer de top van Färm spreekt over ‘samenwerken’ horen kleinere spelers ‘overname’ en ‘standaardisatie’.

    Strohoedje voor reclame

    In de strijd tussen Bio-Planet en Färm kun je als heel kleine speler de klappen ontwijken. Sterker nog, ‘kleine’ producenten worden het hof gemaakt door de nieuwe spelers in de sector. BioPlanet, Färm, e-Farmz, Sequoia, allemaal hebben ze geprobeerd Pia Monville, biologisch boerin uit Court-Saint-Etienne, aan boord te krijgen. Pia werkt samen met haar man al acht jaar op drie hectare grond. Sinds kort voelt ze dat er ‘iets broeit’. ‘Vroeger waren onze klanten heel trouw. Nu bestaat eenderde van onze klantenkring uit “sprokkelaars”, de rest is vast. Voor mij is dat het begin van een teruggang.’ Maar ze heeft elke samenwerking met de nieuwkomers geweigerd. ‘Als ik een deel van mijn zeggenschap kwijtraak, moet ik vast mijn productie verhogen of me gaan specialiseren. Dat zou het einde zijn van wat me altijd voor ogen heeft gestaan. Het kan me niet schelen of ze me aardig vinden of niet. Ik wil goed zijn in wat ik doe. Maar zij willen me vooral een strohoedje opzetten voor hun reclame…’
    Als zo’n samenwerking wel lukt, wordt daar inderdaad overvloedig aandacht aan besteed door de partnerwinkels, die maar al te graag hun landelijkheid en authenticiteit etaleren.

    Voor Pia Monville is het duidelijk: ‘Je voelt gewoon dat de klassieke detailhandels de marketing overnemen, en zich voordoen als ons. Ze profiteren van ons imago.’

    De bio-mainstream wil alles voor zichzelf hebben, tot en met de boerin zelf. Bij de Biostory in Ottignies staan tien gezichten afgebeeld met de slogan: ‘Onze lokale producenten hebben talent’.

    ‘Die barbecue waarop ze zogenaamd hun producenten ontmoeten, is in werkelijkheid een barbecue met de groothandelaren,’ beweert Pia. Inderdaad zijn maar drie van die gezichten boeren die direct aan Biostory leveren. De anderen zijn groothandelaren uit België of Griekenland.

    Ook bij Bio-Planet schuiven ze graag de Belgische producenten naar voren. Die heten Steven Lauwers, uit Duffel (Herbio) of Lies Heyns (Provamel) en zijn te zien in het magazine of op de website van Bio-Planet. Volgens de supermarkt is het bedrijf Provamel gevestigd in het West-Vlaamse Welvegem. Maar volgens de LinkedIn-pagina van de sympathiek ogende producente Lies Heyns is zij eigenlijk ‘Senior Divisional Strategic Buyer’ bij Alpro. Dat bedrijf, dat producten op basis van soja maakt, is inderdaad gevestigd in Welvegem (maar het valt te betwijfelen of de soja uit België komt) en vermeldt een jaaromzet van 448 miljoen euro in 2016. Dat klinkt ineens heel wat minder landelijk.

    De strijd tegen de commercie is een ongelijke strijd. Maar toch kan ook een kleine producent wel uit die ruif mee-eten. ‘Wij vertellen onze klanten wat er allemaal gebeurt op het land,’ zegt Benoît Redant, van de boerderij ‘As veyou l’porê?’ in Jallet (1,5 hectare biologische groenten). ‘Op onze Facebookpagina zetten we geregeld foto’s van het leven op de boerderij, van de aardappeloogst met ons paard. We houden ook om de twee jaar een open dag, en dat is veel werk. Ik zou subsidie moeten vragen voor de voorlichting over biologisch voedsel die ik geef!’ Het resultaat: elke week komen er tweehonderd mensen boodschappen doen.

    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm
    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm

    Voor dit artikel heeft _Médor _zo’n twintig kleine producenten gesproken. Telers uit heel Wallonië die op kleine oppervlaktes (van 1 tot 10 hectare) hun groenten verbouwen. Hoe het verder zal gaan met deze onzekere bedrijfstak begint zich af te tekenen. De landbouwers die hadden gegokt op de logica van de ‘schappen’ hebben het moeilijker dan de anderen, en over de verwachting dat biologische sector een goede toekomst biedt, ook economisch gezien, zijn de meningen verdeeld. ‘De verkoopprijs van biologische producten blijft hoger,’ zegt Ariane Beaudelot van Biowallonie, een organisatie die producenten en detailhandelaren bij elkaar brengt. ‘De producenten krijgen een hogere marge, maar dat is niet de enige factor. De prijzen van biologische producten blijven hoog omdat de vraag altijd groter is dan het aanbod.’

    Wat niet wegneemt dat de ongerustheid over de komende jaren opkomt. Wat zal er gebeuren als het aanbod de vraag overstijgt? Zal met de komst van financiers van de ‘oude wereld’, van de Lidls en de Colruyts de werkwijze van de conventionele landbouw ook doordringen in de biologische landbouw? Voor de producenten is het van levensbelang dat ze zelf de baas blijven: zelf hun prijzen kunnen vaststellen, zelf bepalen hoe en aan wie ze verkopen, om zo macht te houden tegenover de detailhandelaren. Of om het zelfs zonder hen te doen.

    Een mogelijkheid daartoe is de vorming van coöperaties. Of gebruikmaken van een platform, mogelijk gemaakt door de internettechnologie die belooft consumenten en producenten met één klik bij elkaar te brengen.

    Dat is de koers die La ruche qui dit oui! volgt, de Franse start-up die in 2013 ook in België werd gelanceerd [sinds 2016 is er ook een Nederlandse tak: Boeren en Buren]. Dit bedrijf heeft een hoge vlucht genomen, met een jaaromzet van 3,5 miljoen euro en telt nu bij ons 102 ‘ruches’ (bijenkorven) waar voor 
5 miljoen euro per jaar wordt verkocht. Het principe is eenvoudig: een ‘abeille’ (bij) kan zelf een ruche beginnen waarin hij of zij consumenten en producenten probeert te verenigen; de ene groep kan er lokaal geproduceerde (niet per se biologische) producten kopen en de andere kan er zijn koopwaar verkopen. Deze mensen ontmoeten elkaar uiteindelijk fysiek, in een gezellige ambiance, om de koop te sluiten. Het doet denken aan Airbnb of BlaBlaCar: de site houdt zich vooral bezig met het betaalplatform en promotie en zorgt voor een zeer effectieve site. En verdient 8,35 procent per transactie. Degene die de ruche heeft georganiseerd, verdient ook 8,35 procent voor zijn dienstverlening. Dit is een prima idee voor kleine producenten die graag hun klantenkring willen uitbreiden, maar niet de financiële middelen hebben om in een webshop te investeren. En het is ook verleidelijk voor consumenten die belang hechten aan ‘korte ketens’. Want zij hoeven zich nergens aan te verbinden. Maar dat is ook meteen de beperking van dit idee.

    Bij dit systeem draait het om ‘vrijheid’ en de consequentie daarvan is de afwezigheid van regels. Er bestaat wel een overeenkomst van goed gedrag tussen de drie partijen, maar die heeft geen juridische waarde. Dat bevestigt ook Hannes Van den Eeckhout, de Belgische directeur van La ruche qui dit oui! ‘We voelen er niet voor om er een juridisch kader aan te geven. We streven naar zelfregulering; in het geval van een conflict stellen we ons op als bemiddelaars, en in 90 procent van de gevallen werkt dat goed.’

    Ze moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken

    Het bedrijf benadrukt wel dat het zich niet opstelt als overkoepelende organisatie, maar als dienstverlener en dat het de bijen dus ook niet in dienst heeft. Maar de bijen die een korf beginnen, verplichten zich wel voor een schijntje tot werk dat hen ‘minstens tien uur per verkoop’ kost, volgens de bijen die wij hebben gesproken. Zij moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken.

    In Frankrijk hebben enkele plaatselijke producenten al in 2014 alarm geslagen, en de organisatie bestempeld tot ‘die Parijse horzels’. Hun kritiek: Het zijn opportunisten. Ze willen meesurfen op een vraag uit de markt, door mensen op een onzekere basis voor zich te laten werken, zonder ze in dienst te nemen. La Ruche qui dit oui! rekent een marge terwijl de boeren en mensen die verantwoordelijk zijn voor de korven het werk doen. Het is gewoon de ‘UberPop van de landbouw’. Dit protest is inmiddels weggezakt, maar het toont wel aan dat de sector van het ‘bewust consumeren’, die bezig is de niche te verruilen voor de mainstream, moeite heeft om zijn oorspronkelijke waarden overeind te houden.

    Auteurs: Olivier Baily, Sandrine Warsztacki, Chloé Andries, Céline Gautier, m.m.v. Steven Vanden Bussche (Apache) en François Heinrich
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Alexis Descampe en Baptiste Bataille, de stichters van bioketen Färm, in 2013. Baptiste is intussen weg. – © HH

    Médor
    België | medor.coop

    Médor is een Belgisch Franstalig tijdschrift dat onderzoeksjournalistiek bedrijft, sinds 2014 online en vanaf eind 2015 ook op papier. Het wordt uitgegeven door een coöperatie van journalisten, waarin ook lezers kunnen participeren. Het verschijnen van het eerste nummer op papier werd vertraagd doordat het Belgische bedrijf Mithra Pharmaceuticals vooraf bezwaar maakte tegen de inhoud, die eerder online was verschenen, omdat ‘reputatieschade’ aan het bedrijf zou worden toegebracht. De rechter verwierp het gevraagde verschijningsverbod, omdat ‘dit neigt naar censuur’. Médor wisselt artikelen uit met het Nederlandstalige magazine Apache.be, dat eveneens vanuit Brussel wordt gemaakt door een groep voormalige journalisten van het dagblad De Morgen. ‘Médor is onafhankelijker dan een Vlaamse nationalist en vrijer dan een Waalse regionalist samen’, aldus een slogan.

  • Van opiumteler in Laos tot marihuanaboer in Californië

    Van opiumteler in Laos tot marihuanaboer in Californië

    In hun thuisland Laos verbouwden de Hmong papaver, in Californië storten ze zich sinds kort massaal op de marihuanateelt. Commercieel aantrekkelijk, maar ook een kans om terug te keren naar hun boerenwortels en hun rurale levensstijl.

    De rode en paarse papaverbollen die zijn familie een halve wereld hiervandaan op een bergflank verbouwde waren gevuld met een bedwelmend, kleverig sap dat zijn moeder voor zilvergeld ruilde om haar kinderen te voeden en hun ontsnapping te betalen.

    Adam Lee glimlacht bij de herinnering aan een kindertijd in het door oorlog verscheurde Laos en de reis naar Amerika, waar hij tientallen jaren heeft geprobeerd zich aan het grotestadsleven aan te passen.

    Nu is de inmiddels 47-jarige Lee teruggekeerd naar de bergen – de Trinity Alps in Noord-Californië – om voor zijn levensonderhoud een ander geestverruimend gewas te verbouwen: marihuana.

    ‘We hebben grote dromen,’ zegt Lee op een heuveltop met uitzicht op zijn marihuanakwekerij.

    Radertje

    Lee maakt deel uit van een diaspora van zo’n duizend etnische Hmong-families die naar deze betrekkelijk arme uithoek van Californië zijn gekomen om marihuana te verbouwen.

    Met bijna honderdduizend zielen herbergt Californië de grootste Hmong-populatie in de Verenigde Staten, waarvan het merendeel zich aanvankelijk in de Central Valley vestigde. De afgelopen tien jaar zijn de meesten naar het noorden verhuisd, en ook van elders uit het land trekken Hmong naar dit deel van Californië om te profiteren van de groeiende marihuanahandel.

    Ze zijn een klein radertje in wat overal in de staat tot een reusachtige industrie is uitgegroeid. Ze blazen Trinity County, een ruraal gebied dat zijn bevolking zag wegtrekken, nieuw leven in.

    De legalisering van recreatieve marihuana afgelopen november heeft een ware cannabiskoorts ontketend in Californië, dat al decennialang de grootste producent van dit gewas was. Net als de goudzoekers die de Noord-Californische heuvels honderdvijftig jaar geleden afschuimden, hopen de marihuanaondernemers grote kapitalen te verdienen.

    Een Hmong-marihuanateler in Hayfork, Californië. – Jim Wilson / The New York Times / HH
    Een Hmong-marihuanateler in Hayfork, Californië. – Jim Wilson / The New York Times / HH

    De Hmong, een stam uit de heuvels van Laos die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw aan de zijde van de CIA een geheime oorlog voerde tegen de communistische strijdkrachten, stonden bekend als kundige opiumtelers, een handel die nog steeds opstandelingen financiert in een deel van Zuidoost-Azië dat de Gouden Driehoek wordt genoemd. En sommige Hmong die nu in een deel van Californië wonen dat de Smaragden Driehoek wordt genoemd, naar de bloeiende marihuanahandel, zijn het vak nog niet verleerd.

    Veel mensen in de staat zien de marihuanateelt als een commerciële buitenkans, maar voor de Hmong, van wie velen in de beginjaren moeite hadden zich aan het leven in Californië aan te passen, is het ook een kans om terug te keren naar hun boerenwortels en hun rurale levensstijl.

    Dankzij de pastorale omgeving worden sommige oudere Hmong, die na hun aankomst in Amerika als conciërge of fabrieksarbeider werkten, in de gelegenheid gesteld hun nog altijd aanwezige oorlogstrauma enigszins te vergeten en zich te omringen met familie en vrienden uit een ver verleden.

    ‘Dat je van het land kunt leven geeft je een vrij en onafhankelijk gevoel,’ zegt You Ping Vang, een etnische Hmong die in de Verenigde Staten is geboren en de oprichter is van Lonestar Trade, een bedrijf dat de hier verbouwde marihuana verkoopt. ‘Dit is het leven dat ze hebben achtergelaten. Ze vinden het heerlijk.’

    ‘Toen ze hier acht jaar geleden kwamen, durfden ze niet eens naar de kruidenier te gaan’

    In een district dat voor meer dan 85 procent blank is, lopen de Hmong in het oog. Hun assimilatie is nog lang niet voltooid, zeggen oorspronkelijke bewoners.

    ‘We hebben ons uiterste best gedaan om hun tradities in het onderwijs te integreren,’ zegt Debbie Miller, hoofd van het Mountain Valley Unified School District, waar 30 van de 280 leerlingen Hmong zijn.

    ‘We kampten een tijdlang met een teruglopend leerlingenaantal, en dankzij hen hebben we er kinderen bij gekregen,’ aldus Miller. ‘Ik hoop dat er nog meer komen.’

    Mai Vue, de oprichter van Conscious Cannabis Resources, een non-profitorganisatie die Hmnong-telers wegwijs maakt in het almaar dichter wordende oerwoud van regels voor de marihuanateelt, schat dat er meer dan vijftienhonderd Hmong in Trinity County wonen, op een totale bevolking van zo’n dertienduizend.

    ‘Toen ze hier acht jaar geleden kwamen, durfden ze niet eens naar de kruidenier te gaan,’ zegt Vue. ‘Ikzelf ging er wel heen, omdat mijn man blank was. Het was gewoon angst, denk ik, van beide kanten. Zo van: “Dit is een klein stadje. Misschien accepteren ze ons niet.”’

    In het naburige Siskiyou County hebben marihuana telende Hmong vorig jaar de sheriff en andere ambtenaren aangeklaagd omdat ze hen zouden hebben geïntimideerd bij het stemmen.

    Maar in Trinity worden de Hmong steeds meer geaccepteerd. Vorig jaar won een Hmong-team een prijs tijdens een prestigieuze plaatselijke barbecuewedstrijd. En tijdens het eindfeest voor de zomervakantie gaven Hmong-leerlingen een modeshow.


    In november werd boerin Bobbi Chadwick in de Raad van Toezichthouders gekozen met de slogan ‘Verenig Trinity’, waaronder het verenigen van de Hmong en de blanke bevolking werd verstaan. Chadwick was bevriend geraakt met haar Hmong-buren en had een feestmaal georganiseerd en een vergelijking van slachttechnieken.
    ‘Er kwamen zes mannen naar de boerderij en we hebben twee zwijnen en een geit geslacht,’ zegt Chadwick.

    Toen de communisten in 1975 de macht grepen en Saigon viel, kwamen de Hmong vanuit de jungle en de vluchtelingenkampen in Zuidoost-Azië naar Amerika. Ze waren verarmd, gedesoriënteerd door de geïndustrialiseerde samenleving waarmee ze werden geconfronteerd en voor het merendeel ongeschoold. Ze kwamen in klimaten terecht die hun als bewoners van tropische heuvels volkomen vreemd waren, van de ijskoude winters in Minnesota en Wisconsin tot de verzengende hitte van de Central Valley in Californië.

    Vang senior zegt dat hoewel de Hmong zich thuis voelen in Trinity County, hij niet weet hoe lang ze er nog zullen blijven

    Mark E. Pfeiffer, Zuidoost-Aziëdeskundige en hoofdredacteur van de Hmong Studies Journal, beschrijft de Hmong als een succesverhaal van geïmmigreerde laatbloeiers die overheidssteun voor gezien hielden en niches in de Amerikaanse economie ontdekten, zoals Aziatische restaurants in Michigan en de bloemenhandel in Washington State.

    In 2015 woonden er naar schatting 285.000 Hmong in de Verenigde Staten.

    In een streek die hier de Trinity Pines wordt genoemd, drie bergen die worden verbonden door een netwerk van hobbelige onverharde wegen, hebben de oudere Hmong een levensstijl hervonden die ze vertrouwd is, het bebouwen van kleine percelen op steile heuvelflanken.

    Terwijl hij zijn pick-uptruck door de Pines stuurt somt Vang de staten op waar zijn Hmong-buren vandaan komen: ‘Deze mensen komen uit Alaska, en die uit Arkansas. Texas… Minnesota… Hij komt uit Wisconsin.’

    Vangs vader, Nen Vang, werkte in Laos als radiotelegrafist voor de CIA tijdens de zogeheten geheime oorlog. Hij was luitenant in het leger van Vang Pao, de leider van de anticommunistische Hmong-troepen die samenwerkte met Amerikaanse militaire adviseurs.

    ‘We hebben ons over de hele Verenigde Staten verspreid – noord, zuid, oost, west,’ zegt Vang senior.

    Nu hij inmiddels 61 is geniet hij van het onverwachte, ontroerende weerzien met oude bekenden. Hij ontmoet vroegere kameraden uit het leger, jeugdvrienden en al jaren uit het oog verloren neven en nichten die allemaal naar Hayfork zijn gekomen om marihuana te verbouwen.

    Bij een benzinestation in het stadje liep hij een onderofficier tegen het lijf, zijn vroegere ondergeschikte in Laos. In een plaatselijke winkel voor tuingereedschap sprak een vroegere klasgenoot hem aan.

    ‘Hij zei tegen me: “Ik dacht dat je nog in Laos was. Ik dacht dat je dood was,”’ zegt Vang senior. ‘We hadden elkaar niet meer gezien sinds onze vlucht naar Amerika.’

    Regels

    Wie de boerderij van de Vangs bezoekt wordt begroet door aandenkens aan het oude vaderland. In de keuken ligt een hakmes naast een dikke plak vurenhout die als snijplank wordt gebruikt. Op de gasbrander staat een zandlopervormige pan voor het koken van kleefrijst.

    Vang senior zegt dat hoewel de Hmong zich thuis voelen in Trinity County, hij niet weet hoe lang ze er nog zullen blijven. Door de regels waaraan het district en de staatsambtenaren de marihuanatelers onderwerpen – elke kwekerij moet een huis hebben dat aan bepaalde specificaties voldoet –, beginnen veel Hmong zich af te vragen hoe lang de bedrijfstak nog winstgevend blijft. Overal in de staat moeten kleine telers het steeds vaker opnemen tegen veel grotere industriële kwekerijen.

    De Hmong zijn niet de eerste Oost-Aziaten die in een bloeitijd in groten getale naar Trinity County zijn gekomen. In Weaverville, zo’n 45 minuten rijden van Hayfork, is het enige wat rest van de Chinese gemeenschap die er tijdens de negentiende-eeuwse goudkoorts neerstreek een taoïstische tempel die een museum is geworden.
    Vang zegt dat hij hoopt dat de Hmong vergunning krijgen om zich voor langere tijd in Trinity County te vestigen.

    ‘Als ze ons laten telen, zullen de Hmong blijven,’ zegt hij.

    Auteur: Thomas Fuller
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De gedrukte oplage is onder de 1 miljoen gedaald maar de website trekt meer dan 30 miljoen bezoekers per maand.

  • Oergezonde waterslurper

    Oergezonde waterslurper

    De avocado is hét lievelingsvoedsel van dit moment, geliefd om zijn gezonde vetten bij vegetariërs en andere bewuste eters. Maar de massale consumptie van avocado’s is desastreus voor het milieu.

    Elke tijd heeft zijn eigen lievelingsvoedsel. In de vijftiger jaren, in Duitsland het decennium van de geforceerde vrolijkheid, troonde op de toetjes, op de punchtaarten en de kaashapjes een cocktailkers, een van kleur- en smaakstoffen doordrenkte vrucht. In de jaren zeventig ontdekten de Duitsers de buitenwereld en de spaghetti. In de jaren tachtig werd de gerookte zalm een massaproduct, wat perfect paste in het neoliberale tijdperk, toen rijkdom voor iedereen – nou ja, voor velen – binnen handbereik leek.

    Wat is tegenwoordig het lievelingsvoedsel? Daarop zijn natuurlijk meerdere antwoorden mogelijk. Een daarvan luidt: de avocado. Dat is vooral omdat de avocado niet van een dier komt. De avocado behoort tot de belangrijkste ingrediënten van de veganistische keuken met haar uitgesproken gevoeligheid ten aanzien van dieren en natuur. De avocado kan namelijk de problematische ingrediënten boter en eieren vervangen. Er zijn nu kookboeken met titels als Mijn recepten voor een betere wereld [een vertaling van The Kind Diet van Alicia Silverstone] en bakrecepten die aanbevolen worden met de oproep ‘Geniet van de klassieke taarten en cakes zonder spijt of slecht geweten’. De avocado is de vrucht van de wereldverbeteraars, ook geliefd bij velen die geen veganist zijn, maar af en toe het gevoel willen hebben in harmonie te zijn met de wereld en met zichzelf.

    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty
    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Zo komt het dat de avocado figureert als de grote ster in kooktijdschriften en op kookblogs; dat hij op het sociale netwerk Pinterest het meest geliefde voedsel van 2015 was, en dat er intussen in Duitsland waarschijnlijk geen Fair Trade-cafetaria meer bestaat zonder avocadotoast op de kaart. In 2010 werd in Duitsland 28.000 ton avocado’s geïmporteerd, in 2015 was dat 45.000 ton. In de winter komen ze uit Brazilië, Chili en Spanje, in de zomer uit Zuid-Afrika en Peru. De vrucht is net zo vanzelfsprekend geworden als een aardappel.

    De avocado geldt – en dat is de belangrijkste reden voor zijn succes – als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. Superfoods zouden super zijn voor het hart en de bloedsomloop en werken tegen kanker en rimpels, reden waarom sommige zelfs in de vorm van capsules te koop zijn bij drogisterijketens. Met het begrip superfood wordt vooral een gevoel verkocht: het gevoel dat met deze voedingsmiddelen van ergens ver weg de oorspronkelijkheid teruggebracht zou worden in de westerse industriële samenleving, de natuurlijkheid en de gezondheid die tegenwoordig niet meer als voorwaarden voor een goed leven worden beschouwd, maar blijkbaar als een waarde op zich.

    De avocado, misschien wel het meest geliefde superfood, is inderdaad heel gezond. Hij bevat zoveel onverzadigde vetzuren, vitamines en mineralen dat het lijkt of hij de mens van al zijn kwalen wil genezen. Hoewel hij romig is als een volle pudding, maakt hij niet dik. Diëtistisch is hij zo onschuldig als een blaadje sla. Tot zover de avocadofantasie.

    Zuid-Afrika

    Vlieg je vanuit Duitsland elf uur in zuidelijke richting naar Johannesburg, en van daar verder, een stukje naar het noorden, naar Polokwane in de Zuid-Afrikaanse provincie Limpopo, dan zie je de andere kant van het avocadoverhaal.

    De wegen zijn stoffig, de kuilen zo diep en talrijk dat je ertussendoor moet slalommen. Maar opeens verandert het landschap. Geen schraal struikgewas meer, geen dood gras en geen golfplaathutten van de Zoeloes, geen overreden honden meer langs de weg, in plaats daarvan avocadobomen zo ver het oog reikt. Allemaal even groot, net twee meter, de bladeren verzadigd donkergroen, alsof ze onkwetsbaar zijn voor stof en droogte.

    Kilometers ver moet je rijden om het centrum van het avocadorijk te bereiken. In de buurt van een oord dat Mooketsi heet woont in een bungalow de koning, Tommie van Zyl. Hij is de eigenaar van farm ZZ2, die behoort tot de grootste avocadoleveranciers van Europa. Tommie van Zyl is een grote, stevige man van 57 jaar in kaki broek en gestreken overhemd. Als hij het vertrek betreedt, zwijgt zijn personeel. Spreekt hij, dan kijken ze hem dienstvaardig aan. Aan de wanden van het kantoor hangen stillevens in olieverf, voornamelijk van avocado’s, die zijn dochters hebben geschilderd, met niet heel vaste hand, maar als Van Zyl ze aan de gast toont, knikken de medewerkers waarderend.

    Hoe is het hem gelukt om dit stukje aarde zulke grote hoeveelheden van een zo weelderige vrucht af te dwingen?

    Toen Van Zyls grootvader in het begin van de twintigste eeuw de boerderij begon, verbouwde hij aardappelen voor de lokale markt. ‘ZZ2’ was het registratienummer dat hem door de autoriteiten werd toebedeeld. Van Zyls vader zag in zijn jonge jaren in dat tomaten lucratiever waren dan aardappelen. Op de aardappeloogst moet je maandenlang wachten, tomaten groeien snel en kunnen het hele jaar door aangeplant worden. In 1953 haalde zijn vader de eerste oogst binnen. Toen hij in 2005 stierf liet hij zijn erfgenaam de grootste tomatenkwekerij van het zuidelijk halfrond na.

    Tommie van Zyl vroeg zich af wat hij nog meer verbouwen kon. De markt voor tomaten was verzadigd. Maar verder weg, in Europa, leken de mensen avocado’s lekker te vinden. ZZ2 moest groeien, en Tommie van Zyl zag een kans.

    De avocado is de vrucht van de rijke boeren

    Maar avocado’s kweken is niet gemakkelijk. Het is zelfs heel gecompliceerd. Avocado’s verlangen van de kweker aandacht, intelligentie en kapitaal. Tommie van Zyl was er klaar voor.

    Om te beginnen groeit een avocadoboom niet zomaar. ZZ2 had land genoeg, maar het ontbrak aan bomen. Daarom is er bij ZZ2 sinds enige tijd een boomkwekerij.
    De scheuten ontstaan doordat men ze in een pikdonkere ruimte laat geloven dat ze wortels zijn die zich onderaards uitbreiden. Een van de kwekers heeft de taak om met een zaklamp in deze donkere ruimte de scheuten uit te kiezen die klaar zijn voor de volgende stap. In een andere ruimte, die in zachtgroen licht baadt, zodat de schok voor het plantje niet te groot is, worden met een wattenstaafje hormonen aangebracht. Met een scheermesje schaaft de tuinier iets van de bleke huid af en stipt het aan opdat het boompje groot en sterk wordt. Dan brengt hij het in een van de broeikassen. Belangrijk is dat de kweker, voor hij de deur doorgaat, in een desinfecteerbad stapt. Hij mag met zijn schoenen geen ziekteverwekkers in de avocadokraamkamer binnenbrengen.

    Omdat de wortels van de avocadoboom heel kwetsbaar zijn, wordt de scheut op die van een andere, gewonere plant, bijvoorbeeld van een appelboom, geënt.

    Is het gelukt een boom te kweken en wil je die in de grond planten, dan moet je erop letten dat de bodem vrij van stenen is. Een avocadoboom stoort zich aan stenen in de bodem zoals de prinses aan de erwt. Met zware apparatuur wordt de aarde gezeefd. Als de stam uitgegroeid is, moet hij met een zonwerende verf worden bestreken. De avocadoboom kan niet tegen te veel zon.

    Tommie van Zyl draagt zijn zoon Bertie op de gast over de landerijen te rijden. Bertie, begin dertig, een agronoom die in Amerika is afgestudeerd, heeft een nieuwe auto, een reusachtige witte pick-up in luxe-uitvoering. Nog niet zo lang geleden heeft zijn vader hem tot ‘Head of Avocados’ benoemd. Niet alleen zijn avocado’s Berties passie, deze beslissing van de baas was ook een teken aan de wand: avocado’s zijn de toekomst van de onderneming. Tot dusver maakten tomaten 70 procent van de omzet uit en avocado’s 30 procent. In de komende jaren moet die verhouding verschuiven in de richting van 50/50, minstens.

    De pick-up rijdt door dunbevolkt land, passeert een paar Zoeloes die langs de weg lopen. Algauw gaat het zo steil bergopwaarts dat de auto bijna rechtop staat. Van bovenaf hebben we een uitzicht over het dal en de aangrenzende hellingen. De aarde is vers omgewoeld. Hier moeten nieuwe avocadobossen ontstaan.

    Deze bossen worden als volgt aangelegd: de aarde wordt in kaarsrechte lijnen opgeschud, op regelmatige afstanden worden er stokken in gestoken, aan elke stok komt een boompje. Dan kunnen de planten aangesloten worden op een bewateringssysteem dat met een iPad kan worden bediend. De bomen moeten als soldaten in het gelid staan, zegt Bertie.

    Duidelijker kun je niet gedemonstreerd krijgen dat het avocadobedrijf een hightechbranche is geworden. Een branche die mijlenver verwijderd is van de natuurlijkheid en duurzaamheid waar de avocado voor staat, en ook van de kleinschalige regionale landbouw waar men zo graag de lof van zingt. De avocado is de vrucht van de rijke boeren. Dat er überhaupt zo veel avocado’s naar Europa worden geëxporteerd is alleen mogelijk doordat in de Zuid-Afrikaanse landbouw onder zeer ongelijke condities wordt geproduceerd. Slechts enkele bedrijven – de meeste in het bezit van blanke Afrikaners – worden steeds groter, zoals de ZZ2-farm. Zij kunnen investeren, de natuur onderzoeken en begrijpen. Veel kleine bedrijfjes, van zwarten, leggen het loodje.

    Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. Dat betekent: 1000 liter water voor tweeënhalve avocado. En er is weinig water in Limpopo. Sinds vier jaar is er zelfs minder dan ooit. Het fenomeen El Niño, versterkt door de klimaatverandering, brengt hitte en droogte.

    Als gevolg van El Niño verdorstten in het afgelopen jaar duizenden runderen in Zuid-Afrika. De oogsten vielen zo enorm tegen dat het land een basaal voedingsmiddel als mais, dat het vroeger exporteerde, nu moet importeren. Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet: hij heeft een dertig kilometer lange pijplijn aangelegd die het water uit de bergen naar het dal brengt.

    De vraag die als een donkere wolk boven de avocadobusiness hangt, luidt: wanneer zullen de gebruikers in de westerse industrielanden merken dat ze een ecologisch hoogst dubieuze vrucht tot symbool van bewuste voeding hebben gemaakt? Wanneer zullen ze zich van de avocado afkeren?

    Het water is niet het enige probleem. Er is ook de weg die de vrucht aflegt voordat hij in een Duitse supermarkt verkocht wordt. Een ZZ2-avocado rijdt van haar geboortegrond in het noorden van het land met de vrachtwagen naar Durban aan de kust in het zuidoosten. Dan wordt hij op een schip geladen dat hem naar Rotterdam brengt. De overtocht duurt 26 dagen. Gedurende die hele reis ligt de avocado bij een comfortabele 6 graden in een van stroom voorziene container waarin naast de temperatuur ook de luchtvochtigheid en het CO2-gehalte gecontroleerd worden – een energievretend transport.

    De vraag is hoe dit misverstand kon ontstaan.

    Slagroom

    Wanneer de omslag kwam is niet meer precies te zeggen. In haar boek The Queen of Fats beweert auteur Susan Allport dat het in het jaar 2003 was. Nadat men decennialang had geloofd dat je om slank en gezond te zijn weinig vet moest eten, meende men nu dat je vooral van koolhydraten moest afzien. Opeens waren vetten gezond, koolhydraten werden verantwoordelijk gesteld voor de epidemie van overgewicht. Het tijdperk van vetarm was voorbij, de lightproducten die de levensmiddelenindustrie lang goede winsten hadden opgeleverd verdwenen uit de schappen van de supermarkt. De vrucht met een vetgehalte als slagroom kon aan haar opmars beginnen.

    Steeds opnieuw zijn het de op gezondheidsadviezen berustende voedingstrends die de markt aanzwengelen. En elke revolutie voedt de hoop op een volgende.
    Ja, superfoods als de avocado zijn bijzonder goed voor de gezondheid. Maar wie graag avocado eet, zal daarom nog niet voor ernstige ziekten gespaard blijven. Het begrip superfood verdoezelt het feit dat er eigenlijk geen fruit en geen groente is die geen positieve werking op het menselijk lichaam heeft. Ook inheemse appels en bijvoorbeeld rode biet zijn voortreffelijke leveranciers van vitaminen en mineralen.

    Maar bij het eten gaat het om veel meer dan alleen om het voorzien in wat het lichaam nodig heeft. De keuze van voedingsmiddelen diende altijd al eveneens om zich te onderscheiden. In de middeleeuwen at de adel niets wat uit de aarde kwam, maar wel boomvruchten en zangvogels. Tegenwoordig, in een vergevorderd stadium van globalisering, gaat het om het exotische, en om het behoren tot de avant-garde, die haar wereldwijsheid demonstreert door gojibessen uit Tibet (‘50 gram is voldoende om je ijzerbehoefte te dekken’) door haar muesli te mengen, of muffins te bakken met Peruaans macapoeder (‘sporters gebruiken maca om hun prestaties te verbeteren, terwijl slimmeriken van maca houden omdat het de geest scherp houdt’).

    Dat in de afgelopen jaren steeds meer schapruimte voor de avocado werd ingeruimd, heeft ook te maken met wat er gebeurt in een geheimzinnig gebouw met donkere gevels dat als een reusachtige architectenvilla oprijst tussen de voortuintjes en de kleine kassen in Maasdijk, in de buurt van Rotterdam. Hier is Nature’s Pride gevestigd, een van de grootste importeurs van exotisch fruit en groenten in Europa.

    Hier groeide de avocado uit tot wat hij nu is.

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty
    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Een avocado kan niet rijpen aan de boom. Tot hij geoogst wordt, is hij keihard, reden ook waarom geen schadelijk insect zich ervoor interesseert en pesticiden nauwelijks nodig zijn. Een voordeel dat tegelijk lange tijd een nadeel was. De avocado-eters van voorgaande generaties herinneren zich de hardheid van de vrucht nog wel: je kocht de avocado en moest dan twee of drie dagen, of zelfs een week wachten tot hij eetbaar was. Als je een avocado wilde eten moest je dat eigenlijk op de kalender inplannen.

    Was dat zo gebleven, dan was de avocado nu nog de ongenaakbare exotische vrucht die hij toen was. Maar hier, bij Nature’s Pride, veranderde men hem in een fastfood, een soort voedsel zo praktisch als een broodje kaas.

    Als de avocado na zijn bijna vier weken durende reis uit Afrika in de haven van Rotterdam aankomt, wordt hij overgeladen in een vrachtwagen die hem naar Maasdijk, dertig kilometer verderop, vervoert. De vrachtwagen rijdt achteruit naar een van de laadplatformen van Nature’s Pride. Daar neemt de ripening master, de rijpmeester, de avocado’s in ontvangst, die op dat moment nog zo hard als kokosnoten zijn. De meester pakt een avocado en snijdt hem met een klein mesje doormidden. Het gaat om de huid die om de ronde pit groeit: afhankelijk van hoe dik die is, moet de avocado kortere of langere tijd de rijpkamer in.

    De rijpkamer is een onopvallende opslagruimte achter een metalen rolluik. Daarin staan de avocadokisten drie meter hoog opgestapeld. Achterin is een soort windmachine ingebouwd. Die verdeelt het gas ethen gelijkmatig door de ruimte. Ethen is een grondstof van veel bestrijdingsmiddelen en werd vroeger voor narcoses gebruikt. Voor Nature’s Pride is ethen niet minder dan een godsgeschenk. Eindelijk had men een mogelijkheid gevonden om de avocado te rijpen tot het punt waarop de koper van alle zorg bevrijd is. Het gas is in geringe hoeveelheden volkomen onschadelijk. Het is wat uit een banaan komt als die rijpt – iedere huisvrouw weet dat je bananen gescheiden van andere vruchten en groenten moet bewaren.

    Zes dagen lang blijft de avocado gemiddeld in de kamer. De temperatuur beweegt zich tussen 6 en 25 graden, volgens berekeningen die Nature’s Pride niet vrijgeeft. De rijpmeester zegt dat de variërende opslagtemperatuur berust op onderzoek en ervaring, maar er komt ook feeling aan te pas. Er vindt een soort stille communicatie met de avocado plaats. Zijn beroep is vergelijkbaar met dat van een affineur of kaasmaker, die de kaas beklopt, eraan ruikt, erop drukt en op die manier met de kaas communiceert over de vraag wanneer de smaak zich optimaal heeft ontwikkeld.

    Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien

    Als de rijpingstijd voorbij is, wordt met ultrasonore trillingen onderzocht of de avocado’s, ondanks alle voorzichtigheid, vanbinnen geen donkere vlekken hebben. Ten slotte worden de avocado’s automatisch op kleur gesorteerd. Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien. Als de avocado’s alle tests hebben doorstaan, worden ze door de meestal Poolse arbeiders van de lopende band geraapt en in kisten gesorteerd. Een arbeider kan er 52 per minuut pakken en hij werkt acht uur per dag. De avocado’s moeten allemaal in dezelfde hoek, een beetje schuin, met het smalle uiteinde naar boven, in de kist liggen – keurig in het gelid, zoals de Zuid-Afrikaanse bomen. Dan plakt een andere arbeider een sticker op de donkere schil van de avocado’s, waarop de koning der vruchten een laatste bevel uitvaardigt: ‘Eet mij, ik ben rijp!’ staat erop.

    Sinds Nature’s Pride zijn rijpkamers heeft, zijn de omzetten geëxplodeerd. Op de Duitse markt werd in 2015 bijna een derde meer avocado’s verkocht dan het jaar ervoor. Daarmee is de avocado de mango en de papaja ver voorbijgestreefd.

    © Getty
    © Getty

    Enige tijd geleden gaf Nature’s Pride een bekroond architectenbureau uit Amsterdam de opdracht voor een nieuw gebouw voor de onderneming. Het gebouw, in gedekte kleuren, met minimalistisch gewelfde gevels, is energieneutraal. Het spoelwater van de toiletten wordt uit regenwater gewonnen, zo staat op kleine bordjes die naast de wc’s in huis zijn aangebracht. Op het grote platte dak slaan zonnecellen het zonlicht op. Tussen de perken lavendel heeft de firma een vlindertuin aangelegd die beschikbaar is voor wetenschappelijk onderzoek. Vlak daarnaast staan elektrische Tesla’s geparkeerd, die een vermogen kosten.

    De zorg om het milieu, zo kan hier worden vastgesteld, is vooral een statussymbool in bepaalde kringen. Bescherming van het milieu is niet meer dan een gebaar, een verhaal dat men zichzelf vertelt en waarvan het werkelijkheidsgehalte helemaal niet meer wordt onderzocht.

    Wat de avocado werkelijk te vertellen heeft, is een nuchter, ook wat deprimerend inzicht: als het echt ernst was met de milieuvriendelijke keuken, dan zou men van een vrucht als de avocado moeten afzien. Zelfs een biologische avocado is een van ver gekomen, mateloze drinkster. In plaats van exotische vruchten te eten zou men de armeluiskeuken opnieuw moeten ontdekken. Witte kool, raapstelen. We zouden eraan moeten wennen dat supermarktmedewerkers op de vraag naar tomaten antwoorden: ‘Hebben we niet, buiten het seizoen. Over twee maanden weer.’ Misschien zou het zelfs verstandig zijn om terug te grijpen – Duits trauma – op de provinciale keuken van de vijftiger jaren, toen het in de trappenhuizen naar doodgekookte groenten rook omdat wat in het koude noorden groeit – wortels, knolrapen, kolen – oneindig lang gekookt moesten worden.

    Dadelplantages

    Het ziet er niet naar uit dat het echt zover zal komen. Nature’s Pride heeft zich voorgenomen nog meer avocado’s te verkopen. Nog lang niet alle Duitse huishoudens hebben die smaak ontdekt. Als het zover is, als ze eindelijk normaal zijn, zullen de avocado’s hun charisma waarschijnlijk grotendeels kwijt zijn. De karavaan zal verder trekken, de avant-garde zal naar iets nieuws omzien. Dat nieuwe zal wel niet de kool zijn.

    Bij Nature’s Pride gokt men op kiwi’s. Die zijn wel wijd en zijd bekend, maar bij aankoop vaak overrijp of te hard. Als men het rijpingsproces optimaal maakt, zoals bij de avocado, zou dat iets kunnen worden.

    Bij ZZ2 in Limpopo zien ze meer in dadels. Dadels bevatten veel mineralen en vitaminen en smaken zoet: het zou kunnen dat ze populair worden als gezonde snack. Er zijn al dadelplantages in Namibië opgekocht.

    Dadels hebben nog meer water nodig dan avocado’s.

    Auteur: Elisabeth Raether
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: Avocado’s kweken is niet makkelijk. Een avocadoplantage zoals deze verlangt aandacht, intelligentie en kapitaal. – © Brett Gundlock / Getty Images

    Die Zeit
    Duitsland, dagblad, oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Satelliet neemt werk cowboys over

    Satelliet neemt werk cowboys over

    Australische cowboys kunnen hun vee tegenwoordig in de gaten houden zonder dat ze de deur nog uit hoeven. Vaarwel zweep en zadelpijn.

    Murray Grey heeft de pest aan de traditionele veehouderij. Jarenlang besteeg hij zijn paard om zo’n vijfduizend stuks vee bijeen te drijven op een lap grond ter grootte van twee keer New York in de Outback, het ruige binnenland van Australië. Heel romantisch, slapen onder de sterrenhemel, maar niet met wolken zoemende vliegen en giftige reptielen in de buurt. Het vee raakte door de lange trek vaak veel gewicht kwijt, waardoor Grey duizenden dollars winst misliep. Sinds kort gooit de dertigjarige cowboy het over een andere boeg. Hij heeft zijn zadel verruild voor een bank en zijn zweep voor een mobieltje.

    Het beeld van zwepen knallende en tabak pruimende cowboys dat we danken aan acteurs als John Wayne ligt onder het vuur van een zeer moderne vijand: de technologie. Grey en andere veeboeren in de Outback doen mee aan een experiment waarin gegevens van NASA-satellieten worden gebruikt om hun kuddes te beheren.

    Nieuwste snufje

    Australische veeteeltbedrijven zijn zo groot en liggen zo afgelegen dat de boeren zelden de verste gedeelten van hun land bezoeken. Ze zien slechts 2 procent van het hele gebied regelmatig. Dankzij satellietdata en andere gegevens die op grote afstand worden verzameld kunnen ze hun vee in de gaten houden terwijl het door het struikgewas banjert. En wat ook best fijn is: het scheelt zadelpijn.

    Undoolya Station, het oudste veeteeltbedrijf in het Noordelijk Territorium, een dunbevolkt gebied dat twee keer zo groot is als Texas, telt vijfduizend stuks vee. Waar het zes generaties lang ooit een man of twintig in dienst had, werken er tegenwoordig nog maar twee: de 43-jarige Ben Hayes en zijn vrouw Nicole van 42. Helikopters hebben het al lang geleden overgenomen van de paarden, als middel om het vee op te drijven. Maar ook zij zullen nu misschien verdwijnen, na een succesvol experiment met het nieuwste snufje op het gebied van agrarische technologie.

    Het Outback-project is het eerste ter wereld waarin uitsluitend technologie wordt gebruikt om in zulke afgelegen gebieden runderen te volgen, aldus een overheidsorganisatie die de proef, met vijf bedrijven, heeft opgezet. Satellieten maken dagelijks opnames van elke are van de bedrijven. Op de grond wegen automatische weegstations de runderen elke keer dat ze naar de drinkbak komen. De data worden verwerkt door een computerprogramma en naar de boeren gestuurd. Die besluiten vervolgens of er voldoende voedsel is en of elk dier zwaar genoeg is voor de markt.

    Ben Hayes denkt niet dat de pioniers die de ranch ooit hebben gesticht zich in hun graf zouden omdraaien vanwege de technologische ommezwaai. In een interview van een paar jaar geleden werd zijn grootvader gevraagd hoe het was om te boeren in ‘de goede oude tijd’. Zijn antwoord, aldus zijn kleinzoon: alleen dankzij moderne uitvindingen als airco, elektriciteit en koelkast had hij nu zelf een goede oude dag.

    Het barre landschap van de Outback in Noord-Australië. – © Auscape / Getty Images
    Het barre landschap van de Outback in Noord-Australië. – © Auscape / Getty Images

    Australië volgt Brazilië op de voet als grootste rundvleesproducent, en beleidsmakers en boeren denken dat het land kan uitgroeien tot dé voedselschuur van Azië, waar steeds meer mensen eiwitten op hun bord willen.

    Het fragiele milieu van de Outback heeft echter geregeld weerstand geboden tegen pogingen om er vee te houden en gewassen te verbouwen. Een groot deel van Noord-Australië kampt vaak met droogte. De droge periode van 2001 tot 2009 verdreef veel boeren voorgoed van het land en veroorzaakte grote schulden in de agrarische sector. Deskundigen beweren dat technologie het barre landschap van de Outback, dat soms meer lijkt op Mars dan op de aarde, kan helpen ontginnen.


    Maar niet iedereen is blij. Tijdens een recente vakantie in Nieuw-Zeeland combineerde Murray Grey de zorg voor zijn kind met het checken van zijn mobieltje, waarop zijn vrouw begon te klagen en hem vroeg of hij zijn werk voortaan thuis wilde laten.

    Ook komen er problemen kijken bij het gebruik van technologie. Als gevolg van de temperaturen van ruim 40 graden werken de zonnepanelen die de weegapparatuur en de elektronische oormerken voeden niet altijd naar behoren. Zandstormen bedekken de panelen vaak met een dikke laag rode stof. Kaketoes – een inheemse papegaaiensoort – knagen aan de bedrading.

    Het moeilijkst is nog om de boeren ervan te overtuigen dat de techniek echt werkt, zegt Sally Leigo, onderzoeksleider van het Precision Pastoral Management Tools Project, een initiatief van de overheid om boeren te stimuleren de satellietdata te gebruiken. Ze zegt dat sommigen eerst niet konden geloven dat de koeien, die gewend zijn om ongestoord over grote stukken land te zwerven, met de weegstations overweg zouden kunnen, waarbij ze om te kunnen drinken eerst door een soort nauwe poort moeten.

    Wat vinden de dieren ervan? Zonder mensen, met hun lawaaiige vrachtwagens en hun paarden, ‘gedragen ze zich als een stelletjes oude melkkoeien’ en lopen ze volgens Leigo een voor een naar de drinkbak.

    ‘Sommige boeren zullen niet gediend zijn van deze nieuwe technologie,’ zegt Murray Grey. ‘Maar wij merken het verschil; het levert per dier kilo’s meer rundvlees op.’

    De droge periode van 2001 tot 2009 verdreef veel boeren voorgoed van het land en veroorzaakte grote schulden in de agrarische sector

    Auteur: Rachel Pannett
    Vertaler: Nico Groen

    The Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 2.000.000
    De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.