De staat Kwara kampt met ‘aanhoudende en complexe onveiligheid’
Bola Tinubu kondigde aan dat een bataljon gemobiliseerd zou worden ‘in het kiesdistrict Kaiama in de staat Kwara, waar Boko Haram-terroristen ‘s nachts weerloze dorpelingen in Woro hebben vermoord’, aldus een verklaring die woensdagavond door het presidentschap werd vrijgegeven. Dit is een van de ergste bloedbaden in het land in enkele maanden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De staat Kwara kampt met ‘aanhoudende en complexe onveiligheid, gekenmerkt door zowel het geweld van gewapende bendes, die verantwoordelijk zijn voor plunderingen en ontvoeringen, als door de geleidelijke uitbreiding van jihadistische groeperingen’, meldt Koaci. De aanval van dinsdag kwam nadat de minister van Defensie tegenover de BBC bevestigde dat een kleine groep Amerikaanse soldaten in het land is om te helpen met inlichtingen en training. ‘Dit is de eerste officiële erkenning van de aanwezigheid van Amerikaanse troepen in Nigeria sinds Donald Trump het leger in november opdracht gaf zich voor te bereiden op een interventie in het land om islamitische militanten te bestrijden’, merkt het Britse medium op.
Bij een reeks zelfmoordaanslagen op zaterdag in Gwoza, in het noordoosten van Nigeria, zijn volgens de autoriteiten ten minste achttien mensen gedood en dertig gewond geraakt. ‘Een van de vermoedelijke explosies doodde zes mensen en verwondde anderen tijdens een bruiloftsfeest’, meldt de BBC. De aanslagen zouden zijn uitgevoerd door vrouwelijke zelfmoordterroristen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onder de doden bij de meervoudige aanvallen waren ‘kinderen, volwassenen en zwangere vrouwen’, aldus de autoriteiten. Gwoza ligt in de staat Borno, ‘het epicentrum van een vijftien jaar durende opstand onder leiding van islamitische militanten Boko Haram, die meer dan twee miljoen Nigerianen op de vlucht heeft gejaagd’ en ‘meer dan veertigduizend mensen heeft gedood’, merkt de Britse omroep op.
Saratu Dauda werd tien jaar geleden ontvoerd samen met 275 andere meisjes. Hun gevangenneming was het startsein voor een wereldwijde campagne om ‘onze meisjes terug te brengen’. Maar velen worden nog steeds vermist en het aantal ontvoeringen in Nigeria is sterk toegenomen.
Saratu Dauda was ontvoerd. Het was 2014, ze was zestien, en ze zat samen met haar klasgenoten in een stampvolle vrachtwagen die op weg was naar de rimboe in het noordoosten van Nigeria, met een lid van de terroristische groep Boko Haram achter het stuur. De kostschool voor meisjes in Chibok, kilometers achter hen, was in brand gestoken.
Na een tijdje kreeg ze door dat enkele meisjes van de achterkant van de truck sprongen, vertelt ze. Sommigen alleen, anderen met z’n tweeën, hand in hand. Ze renden weg en verstopten zich in het struikgewas terwijl de truck verder reed.
Maar voordat Dauda zelf ook kon springen, sloeg een meisje alarm en riep dat anderen ‘zich lieten vallen en wegrenden’. Hun ontvoerders stopten, sloten de truck af en vervolgden hun weg naar wat, voor Dauda, een levensveranderende gevangenschap van negen jaar zou worden.
‘Als ze dat niet had geroepen, waren we allemaal ontsnapt,’ aldus Dauda in een reeks interviews deze week in de stad Maiduguri, de bakermat van de gewelddadige opstand van Boko Haram.
De 276 gevangenen die precies tien jaar geleden uit hun slaapzaal werden ontvoerd en bekendstaan als de Chibok Girls, werden beroemd dankzij Michelle Obama, dankzij kerken die aandacht besteedden aan de zaak van de overwegend christelijke leerlingen en door campagnevoerders en hun slogan ‘Bring Back Our Girls’.
‘Deze meisjes hadden de pech die dag naar school te gaan,’ zegt Allen Manasseh, een jeugdleider uit Chibok die zich al jaren inzet voor hun vrijlating.
Hun levens hebben sinds de ontvoering totaal verschillende wendingen genomen. Sommigen ontsnapten vrijwel onmiddellijk; honderddrie van hen werden een paar jaar later na onderhandelingen vrijgelaten. Een tiental woont nu in het buitenland, onder andere in de Verenigde Staten. Maar liefst tweeëntachtig meisjes worden nog steeds vermist. Misschien zijn ze gedood of worden ze nog altijd vastgehouden.
Vergeten
De schoolontvoering in Chibok was de eerste massale in Nigeria – maar zeker niet de laatste. Vandaag de dag is ontvoering – ook van grote groepen kinderen – een business geworden in het West-Afrikaanse land, met losgeld als belangrijkste drijfveer.
‘De tragedie van Chibok speelt zich elke week opnieuw af,’ zegt Pat Griffiths, een woordvoerder van het Internationale Comité van het Rode Kruis in Maiduguri.
De Chibok-meisjes zijn slechts de beroemdste slachtoffers van een vijftienjarig conflict met islamistische militanten dat, ondanks de honderdduizenden doden en miljoenen ontheemden, grotendeels is vergeten te midden van andere oorlogen.
Meer dan 23.000 mensen in het noordoosten van Nigeria staan als vermist geregistreerd bij het Rode Kruis – wereldwijd het op een na grootste aantal, na Irak. Maar die inschatting ligt veel te laag, aldus Griffiths.
Voordat ze werd ontvoerd, vertelt Dauda, was ze een gelukkige tiener in een groot, hecht, christelijk gezin. Ze speelde graag met poppen en droomde ervan modeontwerpster te worden. Ze was het lievelingetje van haar vader en ook dol op haar moeder.
Nadat ze gevangen waren genomen, sliepen de meisjes maandenlang buiten in het Sambisa-woud, de schuilplaats van Boko Haram. Ze werden gedwongen naar een constante monoloog te luisteren van islamitische predikers en ze vochten om de beperkte watervoorraden. Toen twee meisjes probeerden te ontsnappen, vertelt ze, kregen ze zweepslagen in het bijzijn van de anderen.
Daarna kregen ze een keuze: ofwel trouwen, ofwel slaaf worden en worden opgeroepen voor huishoudelijk werk of seks.
Dauda koos voor het huwelijk, bekeerde zich tot de islam en veranderde haar voornaam in Aisha. Ze kreeg een man toegewezen van achter in de twintig die voor zijn werk video-opnames maakte van de gevechten van Boko Haram. Enkele uren nadat ze elkaar hadden ontmoet, waren ze getrouwd.
‘Speel je met afgoden? Wil je me problemen bezorgen?’
Hij behandelde haar niet slecht, zegt ze, maar na een paar maanden kwam hij op een dag thuis en betrapte haar terwijl ze met een pop speelde die ze van klei had gemaakt en waar ze een jurk voor had gemaakt.
‘Speel je met afgoden? Wil je me problemen bezorgen?’ herinnert ze zich dat hij zei. Ze werd boos en verliet hun huis, waarna ze bij een ander meisje uit Chibok ging wonen. Toen hij zich realiseerde dat ze niet terug zou komen, scheidde hij van haar.
Ze trouwde al snel met een andere Boko Haram-strijder, Mohamed Musa, een lasser die wapens maakte. Ze kregen drie kinderen. Hoewel ze nog steeds een gijzelaar was van de moorddadige leider van Boko Haram, Abubakar Shekau, en zijn handlangers, kreeg ze alles wat ze nodig hadden, werd ze omringd door mensen ‘die om elkaar gaven als een familie’, en, zegt ze zelf, was ze gelukkig.
De Chibok Girls werden veel beter behandeld dan andere slachtoffers van ontvoeringen, zeiden ook andere ontsnapten.
Haar man zei vorige week in een interview dat Dauda weigerde zich aan te sluiten bij de groep Chibok-meisjes die in 2017 na regeringsonderhandelingen werden bevrijd. ‘Er waren veel van hen die weigerden om naar huis te worden gebracht, simpelweg omdat ze bang waren dat hun familie hen zou dwingen te breken met de islam,’ aldus Musa, of dat ‘ze misschien gestigmatiseerd zouden worden’.
Kort gebed
Maar in de loop der jaren ging Dauda bijhouden welke vrienden uit Chibok waren omgekomen. Zestien tijdens luchtaanvallen en bomaanslagen. Twee tijdens een bevalling. Een als zelfmoordterrorist, gedwongen door Boko Haram. Een door ziekte en een door een slangenbeet. Het viel haar op dat vooral vrouwen en kinderen stierven tijdens de luchtaanvallen en ze vroeg zich af wanneer zij aan de beurt zou zijn.
En het leven werd moeilijker. Toen de leider van Boko Haram stierf en zijn machtige aftakking, Islamitische Staat West-Afrikaanse Provincie (ISWAP), de macht overnam in het Sambisa-woud, bevonden Dauda en haar man zich aan de verkeerde kant. Ze waren bang dat ze tot slaven zouden worden gemaakt. ’s Avonds laat spraken ze fluisterend over ontsnappen. Maar Dauda wilde sneller tot actie overgaan dan haar man. Hij stond niet toe dat ze de kinderen zou meenemen en zei dat hij haar later samen met hen achterna zou komen.
Op een nacht, om drie uur, maakte ze een klein pakketje eten, keek naar de gezichten van haar slapende dochters en zei een kort gebed voor hun bescherming. Stiekem verliet ze hun huis. Ze wachtte onder een boom en keek of niemand haar gezien had. Daarna liep ze dagenlang door de rimboe, van dorp naar dorp, vertelde de mensen dat ze op weg was om vrienden te bezoeken en vertrok altijd tijdens het ochtendgebed, het moment waarop de mannen in de moskee waren en haar niet zagen weggaan.
Onderweg ontmoette ze andere vluchtende vrouwen en afgelopen mei gaven ze zich samen over aan de militairen. Ze had op de radio gehoord dat de Chibok-meisjes een cause célèbre waren geworden, en ondervond dat nu in levenden lijve.
‘Is dit een Chibok-meisje?’ herinnert ze zich de verwondering van een soldaat toen hij haar identiteit te weten kwam. ‘We danken God.’
Het was zes jaar sinds de laatste onderhandelde vrijlating en veel families hadden de hoop opgegeven. Manasseh vertelt dat hij wanhopig werd toen drie regeringen er niet in slaagden om alle meisjes naar huis te brengen en de gesprekken met de families in de meeste gevallen stopzetten.
‘Praat me er niet van,’ zei hij. ‘Het is een gigantische misser van de overheid.’
‘Ik ben niet gehersenspoeld. Ik werd overtuigd door wat ik te horen kreeg’
Sinds Chibok zijn Nigeriaanse scholen een jachtterrein geworden voor ontvoerders van allerlei pluimage. In slechts een van de vele gevallen werden vorige maand tientallen – of mogelijk honderden – kinderen ontvoerd in de staat Kaduna, honderden kilometers verwijderd van het grondgebied dat wordt gecontroleerd door Boko Haram en zijn uitloper Islamitische Staat. Een paar dagen eerder werden honderden vrouwen en kinderen ontvoerd in het noordoosten, terwijl ze brandhout zochten.
Na haar overgave werd Dauda naar Maiduguri gebracht en ingeschreven in het rehabilitatieprogramma van de overheid voor begeleiding en deradicalisering. Een paar maanden later kreeg ze te horen dat haar man ontsnapt was met hun drie dochters en werden ze herenigd.
Ze vertelt dat ze ervan droomde om haar ouders weer te zien, ze vast te houden en hun warmte te voelen. Op een dag mocht ze met haar kinderen de overheidsinstelling verlaten om hen te bezoeken in hun dorp, Mbalala.
Ze omhelsde haar vader en moeder.
‘Zij huilde en ik huilde,’ vertelt Dauda.
Haar vader bood haar en haar man een verblijfplaats aan als ze christen zouden worden, zegt ze. Maar ze weigerde en zei dat ze uit vrije wil moslim was geworden en dat wilde blijven, ook al dachten veel mensen dat zij en andere ontsnapten het slachtoffer waren van de indoctrinatie van Boko Haram.
‘Ik ben niet gehersenspoeld,’ vertelt ze. ‘Ik werd overtuigd door wat ik te horen kreeg.’
Twee van haar dochters zijn vernoemd naar haar vrienden uit Chibok. Zannira, zeven, is vernoemd naar een meisje dat ontsnapte. De vijfjarige Sa’adatu naar iemand die nog steeds gevangenzit.
Onlangs, vertelt ze, kregen haar dochters van haar man een pop cadeau.
Bij een reeks aanslagen in Nigeria zijn de afgelopen drie dagen ten minste twaalf mensen gedood. De aanvallen vonden plaats op verschillende plekken in het land. Ook zijn er meerdere mensen ontvoerd, bericht The Guardian Nigeria.
Op zaterdag vielen schutters verschillende dorpen in de centraal-westelijke deelstaat Niger aan, waarbij ten minste zeven mensen werden gedood en zesentwintig anderen werden ontvoerd. Op zondag drongen gewapende mannen een kerk binnen in een dorp in de staat Benue (Oost-Nigeria), waarbij één gelovige werd gedood, twee mensen ernstig gewond raakten en drie andere werden ontvoerd. Ten slotte werd de staat Adamawa (Noordoost-Nigeria) maandag in rouw gedompeld door de moord op drie mensen in een dorp. Verschillende plaatsen in het centrum van het land waren maandag eveneens doelwit.
Volgens de autoriteiten zijn de aanslagen nog niet opgeëist en zouden verschillende groeperingen erachter kunnen zitten, aangezien Nigeria te maken heeft met een jihadistische opstand in het noordoosten (van de groep Boko Haram), criminele bendes in het noordwesten en het centrum en afscheidingsbewegingen in het zuidoosten, aldus The Guardian Nigeria.
Vrouwen die zwanger werden door verkrachting waren doelwit
De Nigeriaanse strijdkrachten laten al bijna tien jaar systematisch gedwongen abortussen uitvoeren bij vrouwen die zwanger zijn geworden nadat ze werden verkracht door jihadistische Boko Haram-strijders. Dat blijkt uit onderzoek van persbureau Reuters. Het gaat om zeker tienduizend meisjes en vrouwen bij wie de zwangerschap gedwongen beëindigd is.
De Nigeriaanse autoriteiten ontkennen de uitkomsten van het onderzoek. Volgens journalisten van Reuters, die spraken met militairen en hulpverleners, gaat het echter om een grootschalige operatie waarbij vrouwen naar ziekenhuizen of militaire bases werden gebracht. Vrouwen kregen daar een injectie of pil, en wie niet meewerkte werd fysiek mishandeld.
In sommige gevallen overleden vrouwen nadat de illegale abortus had plaatsgevonden. De Nigeriaanse militairen zouden de abortussen toepassen om te voorkomen dat er nieuwe Boko Haram-strijders geboren zouden worden. De terreurbeweging is zeer actief in het noordoosten van het Afrikaanse land en pleegt met regelmaat dodelijk aanslagen in het gebied.
Hoewel Nigeria het rijkste land van Afrika is, gemeten naar het bruto binnenlands product, staat het op nummer vier van de lijst met het hoogste aantal vrouwen dat overlijdt bij de bevalling. Dat heeft te maken met Boko Haram, maar ook met een gebrekkige gezondheidszorg en traditionele kraamgewoontes. Stella Aneto wil daar iets aan wil doen.
In de kleine medische kliniek met witgeverfde muren in Banki, een van de grootste kampen voor intern ontheemden in het noordoosten van Nigeria, veroorlooft vroedvrouw Stella Aneto zich zo heel nu en dan tussen de bevallingen door een korte pauze om even op adem te komen. Voordat ze het enige kraambed van de kliniek schoonmaakt met desinfecterend middel, werpt ze een blik in het logboek van de kliniek. Er zijn twee vrouwen die zojuist een kind op de wereld hebben gezet en er zijn minstens drie vrouwen bij wie de bevalling net op gang is gekomen. Ze geeft een assistent opdracht extra spullen voor een spoedingreep klaar te zetten. Bij bevallingen kan er van alles en nog wat misgaan, al helemaal in een gebied waar veelvuldig sprake is van kindhuwelijken, ondervoeding en malaria, en waar het voor een vroedvrouw niet ongebruikelijk is een achttienjarige bij te staan bij de geboorte van haar vierde kind.
In een spartaanse kliniek zonder elektriciteit of stromend water, dik honderd kilometer van het dichtstbijzijnde ziekenhuis, is er een grote kans om in het kraambed te overlijden. Maar sinds Aneto een jaar geleden in de kliniek is begonnen, heeft ze nog niet één patiënt verloren. ‘Ik ben altijd bang voor complicaties,’ zegt ze. ‘Als er iets fout gaat, beschikken we niet over de juiste middelen om hulp te bieden.’ Aneto’s voornaamste doel is dan ook zorgen dat er niets fout gaat. En de enige manier om dat voor elkaar te krijgen, zegt ze, is door een goede voorbereiding. ‘Preventie komt hier neer op voorbereiding.’
1549 vs. 3
Nigeria is een riskante plek om te bevallen.
In Nigeria sterven jaarlijks zo’n 58 duizend moeders in het kraambed en 240 duizend baby’s overlijden binnen 28 dagen na de geboorte. Hoewel Nigeria het rijkste land van Afrika is, gemeten naar het bruto binnenlands product, staat het op nummer vier van de lijst met het hoogste aantal vrouwen dat overlijdt bij de bevalling. De situatie is het ergst in het noordoostelijke deel van het land. Hier, in de staat Borna, het epicentrum van het gebied dat al decennia wordt geteisterd door de islamitische opstand onder leiding van Boko Haram, sterven jaarlijks meer dan 6500 baby’s aan aandoeningen die voorkomen hadden kunnen worden – twee keer zoveel als in de rest van het land, volgens cijfers van de Nigeriaanse overheid. Jaarlijks overlijden er tussen de 3500 en 4500 vrouwen aan oorzaken die verband houden met de bevalling.
Nog voor de strijd oplaaide had deze chronisch ondervoede regio al te kampen met een hogere sterfte onder moeders en pasgeboren kinderen dan in de rest van het land, goeddeels als gevolg van een traditionele aanpak en een geschiedenis van politieke verwaarlozing. Toen Boko Haram zo rond 2012 terrein begon te winnen, ontvluchtte de helft van alle artsen de regio. Gezondheidscentra werden overvallen en geplunderd, waardoor met name zwangere tieners en vrouwen extra kwetsbaar waren. Met 1549 sterfgevallen op 100.000 levend geboren kinderen was de moedersterfte in het noordoosten bijna twee keer zo hoog als het landelijk gemiddelde van 814, volgens een onderzoek van de WHO. In Finland is het gemiddelde 3.
UNICEF schat dat er nog maar een handvol verloskundig-gynaecologen is achtergebleven in het gebied rondom Maiduguri, de hoofdstad van de staat Borno en tevens de grootste stad van het noordoosten. Maar volgens Pernille Ironside, de UNICEF-vertegenwoordiger in Nigeria, bevallen er jaarlijks 250.000 vrouwen in de regio. Afgaande op globale statistieken verwacht zij dat er zonder hulp bij zo’n 50.000 van die vrouwen tijdens de bevalling levensbedreigende complicaties kunnen optreden. ‘In de meerderheid van deze gevallen is het overlijden absoluut te voorkomen,’ zegt Ironside. ‘Geen enkele moeder, waar ook ter wereld, zou hoeven meemaken dat zij tijdens de bevalling haar kind verliest of zelf het leven laat.’
Deze getallen wijzen niet alleen op tragische tegenslag; het zijn ook sterke indicatoren van een gebrekkig nationaal gezondheidsstelsel. De kwestie speelde een belangrijke rol bij de presidentsverkiezingen, die uiteindelijk hebben plaatsgevonden op 23 februari. Voor Aisha Buhari, de vrouw van president Muhammadu die zich opnieuw verkiesbaar heeft gesteld, is het terugdringen van het aantal sterfgevallen bij de geboorte een prioriteit. ‘Als een land niet in staat is haar meest kwetsbare inwoners te beschermen tegen een dood die te voorkomen zou zijn geweest, zegt dat iets over de kracht van het systeem in bredere zin,’ aldus Sanjana Bhardwai, die zich namens UNICEF bezighoudt met de gezondheidssituatie in Nigeria. Nigeria probeert de situatie in het noordoosten te veranderen, met hulp van UNICEF.
Aneto
Aneto, een energieke dertigjarige met een bril met hoekige glazen en een stijlvol zwierige paardenstaart, is een van de vijftig vroedvrouwen die sinds september 2017 in dienst zijn genomen om in Borno aan de slag te gaan in de klinieken van de kampen voor intern ontheemden. De vroedvrouwen, meestal jonge vrouwen afkomstig uit heel Nigeria, werken in roulerende diensten: vier weken werken en dan een week vrij om naar huis te gaan. Aneto, die duizend kilometer verderop woont, in de staat Anambra, zegt dat ze meer tijd kwijt is met op en neer reizen dan ze thuis kan doorbrengen, maar dat ze het toch de moeite waard vindt omdat ze op deze manier de kans krijgt echt iets aan de situatie te veranderen.
Ook het salaris is aantrekkelijk. Dankzij steun van UNICEF verdienen de vroedvrouwen die aan dit programma meedoen bijna twee keer zoveel als vroedvrouwen in een staatsziekenhuis. En terecht ook. Veel van de kampen bevinden zich in actieve oorlogsgebieden en zijn alleen toegankelijk via de lucht. Aneto, die vóór dit interview nog nooit in een vliegtuig had gezeten, was als de dood toen ze vertelde dat ze zich per helikopter zou moeten verplaatsen. Inmiddels is het voor haar net zoiets als een busritje. Waar ze moeilijker aan kon wennen is het geweervuur dat haar geregeld uit haar slaap houdt.
Volgens de Verenigde Naties neemt Nigeria wereldwijd 19 procent van alle sterfgevallen in het kraambed voor zijn rekening, en bijna een tiende van de mondiale kindersterfte. Aneto vindt het pijnlijk om daarbij stil te staan, al die levens die verloren gaan, al helemaal omdat zij zich ervan bewust is dat met een beetje scholing en de juiste apparatuur, die percentages dichter in de buurt zouden kunnen komen van het Europese gemiddelde, dat met 16 sterfgevallen op 100.000 geboorten zo’n twee procent bedraagt van het Nigeriaanse percentage.
Het kan enkele dagen kosten om een militair konvooi naar een ziekenhuis in Maiduguri te regelen, zeker wanneer er zwaar wordt gevochten
Het leven in Banki zou makkelijker zijn als ze 3G op haar mobieltje zou hebben, zegt ze lachend, maar over het geheel genomen is er niet eens zulke heel geavanceerde technologie voor nodig om levens te redden. ‘We moeten gewoon zorgen dat vrouwen naar de kliniek komen, met enige regelmaat.’ Voor haar begint preventie met geregeld monitoren, zodat mogelijke problemen zich al in een vroeg stadium openbaren en kunnen worden opgelost voordat de vrouw in kwestie op de kraamtafel ligt. De aanbeveling van het Nigeriaanse ministerie van Gezondheid is om gedurende de zwangerschap vier keer een arts of verpleegkundige te bezoeken. In 2016 veranderde de WHO die aanbeveling van vier naar acht bezoekjes. Aneto wil haar patiënten minstens eens per maand zien en ze vindt het geen enkel punt als ze vaker komen. Zo kan ze zich ervan vergewissen dat ze hun malariapillen nemen en onder een klamboe slapen. Malaria is een van de belangrijkste oorzaken van vroeggeboorten, uterusrupturen en overmatig bloedverlies.
In een afgelegen gebied als Banki, of de tientallen andere kampen voor intern ontheemden waar UNICEF medische klinieken heeft opgezet, is het nog belangrijker om mogelijke problemen zo snel mogelijk op het spoor te komen, aldus dokter Saidu Hassan, een verloskundig-gynaecoloog verbonden aan het Maternal and Newborn Health program van UNICEF. Medische evacuaties zijn weliswaar mogelijk, maar het kan enkele dagen kosten om een militair konvooi naar een ziekenhuis in Maiduguri te regelen, zeker wanneer er zwaar wordt gevochten. Als duidelijk is dat een zwangere vrouw specialistische zorg nodig heeft, kunnen vroedvrouwen haar ruim voordat ze is uitgerekend doorsturen naar de hoofdstad om complicaties te voorkomen, zegt Hassan. Maar ‘als een vrouw een inwendige bloeding krijgt in Banki en een bloedtransfusie nodig heeft, tja, dan is de kans groot dat ze het niet haalt.’ Een geoefende vroedvrouw kan niet alleen de bevalling zo begeleiden dat er minder kans is op inwendige bloedingen, maar ook tijdens de bevalling mogelijke problemen voorzien en in een vroeg stadium ingrijpen.
Aneto is het bed nog aan het schoonmaken als Halima Musa, een vrouw van dertig, de verloskamer binnen komt strompelen, ondersteund door een paar medewerkers van de kliniek. Binnen enkele momenten klinkt het boze gehuil van een pasgeboren meisje – Musa’s zevende kind. Aneto is nog niet eens klaar met het wassen van het kind als Musa snel van de tafel moet om ruimte te maken voor Fanna Balama, een meisje van vijftien. Balama’s baby – haar eerste – komt al met haar hoofdje naar buiten en een andere vroedvrouw neemt het over. Aneto wist het zweet van haar voorhoofd en lacht. ‘Soms komen er zoveel vrouwen binnen dat het hier net de markt lijkt.’
De aansporing om niet thuis te bevallen maar naar de kliniek te komen, begint zijn vruchten af te werpen in het noordoosten. De Banki-kliniek heeft in 2018 maar liefst 1271 baby’s ter wereld geholpen zonder dat er ook maar een vrouw in het kraambed is gestorven. Maar in het kamp zijn wel vrouwen overleden die het kind thuis hebben gebaard. ‘Thuisbevallingen zijn hier een serieus probleem,’ zegt Kellu Dauda, een achtentwintigjarige vroedvrouw in een kliniek in Ngala, dat ook aan de grens met Kameroen ligt. ‘Als je in een kliniek bevalt, kunnen wij iets doen als er problemen zijn. Als een vrouw inscheurt, kunnen wij haar hechten. Als er een bloeding is, kunnen wij daar iets aan doen. Als je thuis bevalt kan er van alles misgaan.’
Zo’n tachtig procent van de vrouwen in het noordoosten van Nigeria bevalt nog altijd gewoon thuis, waar geen toegang is tot de voorzieningen die levensreddend kunnen zijn. Velen zijn afhankelijk van de hulp van traditionele bakers die het ongetwijfeld goed bedoelen maar die complicaties tijdens de geboorte soms alleen nog maar verergeren.
Insmeren met koeienmest
Vaak trekken ze de placenta naar buiten, waardoor de baarmoeder kan scheuren, in plaats van te wachten tot de placenta vanzelf naar buiten komt. Soms maken ongeschoolde bakers gebruik van vieze instrumenten om de navelstreng door te knippen waardoor de baby onbedoeld bloedvergiftiging krijgt of tetanus oploopt. De traditie om de navelstreng van het kindje in te smeren met koeienmest is ook niet erg bevorderlijk. Maar de traditionele bakers maken niet altijd traditionele fouten. Onlangs merkte Hassan dat sommige bakers hun klanten injecteren met oxycotine om de weeën op te wekken. Als dat middel verkeerd wordt toegediend kunnen de gevolgen fataal zijn.
UNICEF heeft besloten niet de strijd aan te binden met de traditionele bakers, maar ze naar de klinieken in de kampen te halen, waar ze werk kunnen krijgen als assistent of schoonmaker en ondertussen worden opgeleid. Ze krijgen een beloning als ze zwangere vrouwen overhalen om naar de kliniek te komen, en als die vrouwen dan terugkeren met een gezonde baby, behoudt de baker haar status van vertrouwde figuur binnen de gemeenschap.
De vroedvrouwen hebben alle hulp nodig die ze maar kunnen krijgen. Dauda houdt van haar werk, maar de omstandigheden zijn zwaar. In de kliniek in Ngala krijgt Dauda soms wel vijftig zwangere vrouw per dag binnen en ze kan elk moment worden opgeroepen voor een bevalling. Niets is zo mooi als helpen een kind op de wereld te zetten, zegt ze, maar aan de andere kant is niets zo erg als ’s nachts een vrouw moeten hechten met het licht van een mobieltje omdat er geen elektriciteit in de kliniek is.
Het Nigeriaanse ministerie van Gezondheid zegt er alles aan te doen om de situatie voor zwangere vrouwen te verbeteren, niet alleen in het noordoosten maar in heel Nigeria. Maar de nood is groot en de middelen zijn zeer beperkt in een land waar de verhouding tussen medisch hulpverleners en aantal inwoners tot de slechtsten ter wereld behoort. Nigeria heeft maar twintig artsen, verpleegkundigen en vroedvrouwen op tienduizend inwoners, minder dan de 23 die volgens de WHO noodzakelijk is om ‘een beduidend aantal zwangere vrouwen adequate hulp te bieden bij de geboorte.’ UNICEF is van plan om verspreid over het land vijfduizend vroedvrouwen op te leiden, maar voor Ironside ‘voelt dat soms als een druppel op een gloeiende plaat. Er gaapt zo’n enorme kloof als je kijkt naar de beschikbaarheid van medische dienstverlening in het algemeen; waar het feitelijk op neerkomt is dat de overheid veel meer moet investeren in gezondheidszorg en opleiding in het noordoosten, zodra de situatie weer veilig is.’
Ze zaten in dezelfde Whatsapp-groep, maar Dauda kende geen van beide geëxecuteerde vroedvrouwen persoonlijk
Los van dit alles is er de voortdurende dreiging van Boko Haram in het gebied. Op 1 maart 2018 zijn bij een aanval van opstandelingen in de nabijgelegen stad Rann elf mensen vermoord, onder wie twee hulpverleners en een UNICEF-arts. Er werden een verpleegster en twee vroedvrouwen van het Rode Kruis in gijzeling genomen. Toen er geen losgeld werd betaald hebben ze op 17 september een van de vroedvrouwen geëxecuteerd, en de ander een maand later. Op 6 december sloeg Boko Haram weer toe en legde de UNICEF-kliniek in Rann in de as. UNICEF heeft de aanvallen veroordeeld en opgeroepen om alle hulpverleners te beschermen.
Ze zaten in dezelfde Whatsapp-groep, maar Dauda kende geen van beide geëxecuteerde vroedvrouwen persoonlijk. Hoewel ze bang is en haar familie erop aandringt dat ze weer naar huis komt, is ze niet van plan om te vertrekken. ‘Als wij er niet meer zijn, hoe moet het dan met al die zwangerschappen? Hoe moet het dan met al die baby’s? Zonder onze hulp zijn ze nog slechter af dan met Boko Haram.’
Time (gestileerd als TIME, ook wel Time Magazine) werd in 1923 opgericht als een publicatie met ‘lichtere en spannender geschreven’ stukken. Inmiddels worden er ook edities in Europa, Azië en Canada gemaakt en is er een speciale uitgave voor kinderen.
Lang stond Kameroen bekend als een rustige, vreedzame haven in een woelige regio. Maar sinds enkele jaren lijkt president Biya zich weinig aan te trekken van de gewone burger. Overheidsfunctionarissen spiegelen zich aan de werkstijl van de president, wat neerkomt op ‘niets doen, of extreem weinig’.
Op de grofkorrelige beelden, gefilmd met een mobiele telefoon, drijven Kameroense soldaten twee vrouwen voort over een zandweg. Een van de vrouwen draagt een baby op haar rug. De andere vrouw houdt een jong meisje bij de hand. Ze worden op de voet gevolgd door een kleine menigte. De soldaten schelden de vrouwen uit, slaan ze in het gezicht. Iemand zegt: ‘BH, jullie gaan eraan.’ ‘BH’ staat voor Boko Haram, de Nigeriaanse terreurgroep, sinds een aantal jaren actief in het noorden van Kameroen, waarmee het Kameroense leger de strijd heeft aangebonden. De vrouwen worden van de weg geleid en geblinddoekt. Een soldaat trekt het zwarte T-shirt van het meisje uit en bindt het om haar hoofd. De persoon die alles filmt, vermoedelijk een soldaat, zegt: ‘We doen dit echt niet voor de lol, meisje, maar je ouders dwingen on…’ Hij wordt onderbroken door geweerschoten en de vier slachtoffers – de twee vrouwen, het meisje en de baby – vallen op de grond. Terwijl de soldaten met hun laarzen zand over de lijken schoppen, merkt een van hen dat het meisje nog leeft. Een soldaat laadt zijn geweer opnieuw en vuurt een laatste schot af. Hier eindigt het filmpje.
In een onderzoek dat eind september werd gepubliceerd, concludeerde de BBC dat deze moorden in maart of april 2015 plaatsvonden in het dorpje Krawa Mafa. Maar het filmpje dook pas afgelopen juli op in sociale media. Regeringswoordvoerder Issa Tchiroma Bakary deed het meteen af als ‘nepnieuws’, maar kwam een maand later met de aankondiging dat zeven soldaten in verband met dit incident waren gearresteerd. Vlak voor zijn aftreden betoonde Zeid Raad al-Hussein, de chef van de VN-mensenrechtenraad, zich bezorgd in reactie op het filmpje. ‘Ik maak me ernstige zorgen dat deze moorden die op camera zijn vastgelegd geen geïsoleerde gevallen zijn.’
Tweederangsburgers
De terreur van Boko Haram is niet het enige probleem van Kameroen. Sinds 2016 kampt het land ook met een opstand onder de Engelstalige minderheid in de westelijke regio’s. In tegenstelling tot de strijd tegen Boko Haram, die zijn hoogtepunt in 2015 beleefde, zal dit conflict de komende maanden, zo niet jaren, zwaar drukken op de politiek en de binnenlandse veiligheid van het land.
Met deze twee conflicten werd in de aanloop van de presidentsverkiezingen van 7 oktober serieus gezaagd aan de troon van de zittende president, Paul Biya, die zich juist jarenlang liet voorstaan op het bewaren van de vrede en de orde in een anderszins onstabiele regio. [De verkiezingen zijn inmiddels geweest. Oppositiepartij Kamto claimt te hebben gewonnen, maar de officiële uitslag laat op zich wachten. Experts verwachten dat Biya als winnaar uit de strijd zal komen en zijn zevende termijn zal ingaan.] Naar het zich laat aanzien staan hem moeilijke tijden te wachten, vergelijkbaar met enkele van de woeligste periodes uit de recente geschiedenis van het land: de mislukte coup van 1984, de wekenlange algemene staking tegen het bewind in 1991, en de straatprotesten tegen de stijgende voedselprijzen in 2008, waarbij meer dan honderd doden vielen.
De crisis rondom de Engelstalige minderheid, die in oktober 2016 uitbrak, resoneert in het hele land. Dit heeft twee redenen. Ten eerste zijn de Engelstalige militante groeperingen, anders dan Boko Haram, ontstaan op eigen bodem. Ten tweede worden de grieven van de separatisten over het gebrek aan ontwikkeling en kansen gedeeld door veel burgers. Het conflict vindt zijn oorsprong in de complexe geschiedenis van Kameroen. Als voormalige Duitse kolonie werd het land na de Eerste Wereldoorlog opgesplitst in een Frans en Engels protectoraat, dat ieder de taal van het ‘moederland’ als voertaal instelde, hoewel er tot op de dag van vandaag nog altijd meer dan tweehonderd talen worden gesproken. In 1961, een jaar na de onafhankelijkheid, stemde de helft van de Engelssprekenden voor aansluiting bij buurland Nigeria, terwijl de andere helft ervoor koos een federatie te vormen met het Franstalige deel van Kameroen.
De Engelstalige Kameroeners, die in twee regio’s wonen en officieel een zesde van de totale bevolking uitmaken, voelen zich sindsdien behandeld als tweederangsburgers. Ze klagen over het gebrek aan investeringen en beleidsmaatregelen die indruisen tegen het beloofde federalisme. Zo wordt het gebruik van de Franse taal overal doorgedrukt, ten koste van het Engels. Eind 2016 kwam het tot een uitbarsting, toen advocaten en leraren, gefrustreerd over de opmars van het Frans in plaatselijke scholen en rechtbanken, de straat op gingen. De betogingen breidden zich razendsnel uit en werden hard neergeslagen. Een jaar later, op 1 oktober 2017, vonden in diverse steden in de twee Engelstalige provincies, Zuidwest en Noordwest, vreedzame marsen plaats. Een aantal separatisten riep een onafhankelijke staat uit; Ambazonia, vernoemd naar de Ambas Baai aan de Atlantische kust, waarop veiligheidstroepen hardhandig ingrepen. Er vielen meer dan twintig doden en honderden betogers belandden in de gevangenis, aldus Amnesty International.
De vrouwen die ervan werden beschuldigd bij Boko Haram te horen worden samen met hun kinderen door een groep soldaten naar de dood geleid. Still uit het filmpje dat viral ging.
David, een Engelstalige Kameroen, herinnert zich het harde optreden van de veiligheidstroepen nog goed. Hij liep met zijn familie mee in een vreedzame mars toen de soldaten het vuur opende. Zijn broer werd dodelijk geraakt. De familie ontvluchtte de plaats des onheils, op de voet gevolgd door de soldaten, die vervolgens hun dorp aanvielen. De dorpelingen verscholen zich in de jungle en staken de grens over met Nigeria. Liever dan als vluchteling door het leven te gaan, nam David – niet zijn echte naam – de wapens op. ‘Ik wil me wreken, want dit is mijn land.’ Hij sloot zich aan bij de Ambazonia Defense Force (ADF), een groepering die zo’n 1500 strijdkrachten telt, verspreid over twintig kampen. De meeste strijders hebben alleen oude jachtgeweren, maar tegenover hun povere uitrusting staat een ongekende strijdlust.
Ik ontmoette David in juli toen ik als embedded journalist meeliep met de ADF in de graslanden in Zuidwest. Het is een moeilijk toegankelijk gebied, ten eerste omdat de regering journalisten uit de regio weert en ten tweede omdat de transportinfrastructuur er veel te wensen overlaat. Het leent zich dus perfect voor een guerilla; Kameroense soldaten wagen zich zelden buiten bewoond gebied. Er zijn een handvol Engelstalige milities actief. Volgens de regering hebben deze milities meer dan 120 leden van de veiligheidstroepen gedood, maar het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. De separatisten hebben ook civiele ambtenaren en tribale leiders die aan de kant van de regering staan ontvoerd, en in sommige gevallen gemarteld en vermoord. Mensenrechtenorganisaties hebben de gewapende milities ervan beschuldigd scholen, soms met geweld, te sluiten. Volgens Amnesty zijn 42 scholen aangevallen. De separatisten maken zich schuldig aan mensenrechtenschendingen: volgens Amnesty hebben ze dit jaar meer dan vierhonderd burgers geëxecuteerd, en volgens Human Rights Watch en de BBC zijn minstens twintig dorpen platgebrand. Talloze aanvallen zijn waarschijnlijk niet eens gemeld.
Naar schatting zijn 256 duizend Kameroeners door het escalerende conflict ontheemd. Een van hen is Charity Achu, een kapster die een eigen salon had in de provincie Zuidwest. Op een dag vielen soldaten haar dorp binnen en begonnen in het wilde weg te schieten. Halsoverkop ontvluchtte ze samen met haar man en hun vier kinderen het huis, met achterlating van al hun bezittingen. De jongste, een baby nog, droeg ze in haar armen. Vijf maanden hield het gezin zich schuil in de jungle, waar ze met moeite wisten te overleven. Achu vernam van andere vluchtelingen dat drie van haar broers waren vermoord. Het gezin bereikte uiteindelijk een dorp aan de kust. ‘Behalve de kleren aan ons lijf hadden we niets’, vertelt ze. ‘We waren gedwongen te bedelen.’ Ze kregen schone kleding van behulpzame dorpsbewoners en vluchtten met een bootje naar Nigeria, dat volgens de Verenigde Naties inmiddels meer dan 21 duizend Kameroense vluchtelingen telt.
De oppositie is het erover eens dat een dialoog met de Engelstalige Kameroeners en meer autonomie van de Engelstalige regio’s kunnen bijdragen aan de beëindiging van het conflict. President Biya heeft onlangs een Ministerie voor Decentralisatie in het leven geroepen en twee Engelstaligen aan het hoofd van andere ministeries geplaatst. Maar zijn regering weigert te onderhandelen met de Engelstalige leiders, die als terroristen worden beschouwd. En Ayuk Tabe, de eerste president van de interim-regering van Ambazonia, die in januari werd opgepakt, zit nog altijd zonder enig vorm van proces vast. De halsstarrige weigering om te onderhandelen heeft de roep om onafhankelijkheid alleen maar aangewakkerd; wat in de Engelssprekende regio’s ooit de wens van een splinterbeweging was, wordt nu meer en meer omarmd. Ondertussen werkt het conflict onder de Franstalige bevolking als een splijtzwam. Anders dan het streven van Boko Haram naar een fundamentalistisch-islamitische staat, kan de roep van de Engelstaligen om beter bestuur en betere basisinfrastructuur rekenen op veel bijval. In de afgelopen tien jaar heb ik alle uithoeken van het land bezocht en de wensenlijst is overal hetzelfde: goede wegen, een ziekenhuis en een school, kortom basisvoorzieningen die de staat domweg niet levert. Op sociale media werd om die reden vooral aan het begin van deze crisis veelvuldig geschreven dat de Engelstaligen met hun roep om beter bestuur als voorbeeld konden dienen voor de rest van het land.
Voor veel Kameroeners bevestigen de mensenrechtenschendingen die in de Engelstalige gebieden door de veiligheidstroepen worden begaan het beeld dat de regering zich weinig gelegen laat liggen aan de gewone burger. In veel opzichten is het soms willekeurige geweld van het leger exemplarisch voor de regering in het algemeen. ‘Het is een soort gedecentraliseerde tirannie’, zegt de prominente Kameroense politieke filosoof Achille Mbembe. ‘Dat betekent dat iedere staatsambtenaar op zijn eigen, lage niveau een kleine tiran is. Het is een opmerkelijke democratisering van autoritaire dynamiek.’
De integriteit van staatsambtenaren is af te lezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges
Het hart van dit regeringsapparaat bevindt zich in Yaoundé, de groene heuvelachtige hoofdstad in het binnenland. De ministeries zijn gehuisvest in een handvol sjieke art-decogebouwen die in de jaren zeventig niet ver van de breedste boulevard zijn gebouwd. Zet één stap over de drempel, en alle glans verbleekt. Gammele liften brengen bezoekers naar donkere gangen met versleten tapijten. Achter de deuren in deze gangen gaan sjofele kantoren schuil waar regeringsambtenaren onderuitgezakt in hun bureaustoel een dutje doen, de krant lezen of vastgekluisterd zitten aan hun mobiele telefoon. De werkdagen zijn kort. Tot elf uur ’s ochtends melden secretaresses dat hun bazen ‘ieder moment kunnen binnenlopen’ en na vier uur ’s middags zijn ze meestal ‘in vergadering’.
Mbembe legt uit dat deze overheidsfunctionarissen zich spiegelen aan de werkstijl van president Biya zelf, wat neerkomt op ‘niets uitvoeren, of extreem weinig’. Biya brengt een groot deel van zijn tijd in het buitenland door, meestal in een vijfsterrenhotel in Genève. Van de 36 jaar dat hij nu president is, is hij opgeteld zo’n viereneenhalf jaar op privéreisjes naar het buitenland geweest. Hoewel het salaris van staatsambtenaren niet hoog is, gelden overheidsfuncties doorgaans als de best betaalde baantjes vanwege de wijdverbeide corruptie en de hoge dagvergoedingen die overheidsmedewerkers krijgen voor het bijwonen van vergaderingen. Een van mijn vrienden die voor een multilaterale organisatie werkt, zegt dat hij de integriteit van staatsambtenaren kan aflezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges.
Om zijn greep op de macht te behouden, houdt president Biya deze worsten aan vriend én vijand voor. Hij schuift hun bovendien lucratieve baantjes toe, zoals ministerposten of directeursfuncties van overheidsbedrijven. Met name potentiële opponenten worden op die manier afgekocht. Gedurende zijn regeerperiode heeft deze aanpak Biya genoopt tot het vinden van creatieve oplossingen bij het in steeds kleinere punten snijden van de overheidstaart, wat ertoe heeft geleid dat er inmiddels 64 ministers en staatssecretarissen zijn. Het onderwijs alleen al is verdeeld over vier ministeries: een voor de lagere school, een voor de middelbare school, een voor hoger onderwijs en een voor beroepsonderwijs. Biya heeft ook altijd een stok achter de deur voor wanneer zijn positie wordt bedreigd. Hij degradeert zijn ondergeschikten wanneer het hem uitkomt en desnoods zet hij ze achter slot en grendel. Er zitten ondertussen zoveel hoge functionarissen in de bekende Kondengui-gevangenis in Yaoundé, meestal op beschuldiging van corruptie, dat het hele land de grap kent dat ze een schaduwregering kunnen vormen. Dankzij deze tactieken is Biya het op één na langst zittende niet-koninklijke staatshoofd; na de president van zuiderbuur Equatoriaal-Guinea, Teodoro Obiang Nguema, die sinds 1979 aan het roer staat.
Buitenlandse investeerders
De internationale gemeenschap heeft Kameroen decennialang bewierookt vanwege de vrede en stabiliteit, wat het land aantrekkelijk maakt voor buitenlandse investeerders. Ondanks de welig tierende corruptie blijft de internationale geldkraan open. In 2017 ontving Kameroen 700 miljoen euro aan ontwikkelingshulp. Washington haalde de banden met de Kameroense regering aan toen het land de strijd met Boko Haram aanbond, waarmee het in één klap bondgenoot werd in de oorlog tegen het terrorisme.
Maar de Amerikaanse steun ligt onder het vergrootglas: vorig jaar onthulde Amnesty International en het onderzoeksbureau Forensic Architecture dat Kameroense soldaten vermeende Boko Haram-aanhangers hadden gemarteld op bases waar ook Amerikaanse militairen zijn gelegerd. De Amerikaanse ambassadeur in Yaoundé, Peter Henry Barlerin, die eerder nog de loftrompet over Kameroen had gestoken, koos na deze onthulling voor een hardere lijn. Na een ontmoeting met Biya verklaarde hij de ‘executies’ en ‘het plunderen en platbranden van dorpen’ in de Engelstalige regio’s ter sprake te hebben gebracht. Tevens had hij de president op het hart gedrukt ‘zich te bezinnen op zijn nalatenschap en te bedenken hoe hij de geschiedenis in wilde gaan’. Hij had er nog aan toegevoegd dat George Washington en Nelson Mandela uitstekende rolmodellen waren.
De Kameroense regering vatte dit op als een regelrechte aanval en riep Barlerin op het matje. De ambassadeur moest verzekeren dat hij de oppositie niet financieel steunde. ‘We hebben geen voorkeur voor een presidentskandidaat’, zei hij nadien in een interview met The New York Times. ‘We zijn voor een sterk en stabiel Kameroen.’ Dat standpunt had president Macron ook al uitgedragen. In zijn samenvatting van het telefoongesprek dat hij in juli met Biya had gevoerd, liet hij in één minuut tijd vier keer het woord ‘stabiliteit’ vallen.
Wat de crisis rondom de Engelstaligen betreft verschillen Frankrijk en de VS wel van aanpak: Frankrijk weigert tot dusver de mensenrechtenschendingen van het leger openlijk te bekritiseren. Macron benadrukt in plaats daarvan het belang van ‘nationale cohesie’, een statement waarmee hij Biya, die fel gekant is tegen onafhankelijkheid van de Engelstaligen, lijkt te steunen. Dit weerspiegelt de diepgewortelde bond tussen het regime en Frankrijk, de voormalige koloniale macht. Frankrijk heeft het bewind van Biya van meet af aan gesteund. In de loop der jaren heeft Biya Frankrijk 35 keer bezocht, volgens gegevens van het internationale journalistieke onderzoekscollectief OCCRP, en hij heeft alle Franse presidenten sinds François Mitterrand de hand geschud. Franse bedrijven hebben veel activa in het land. Het olieconcern Perenco bezit concessies voor olie-exploitatie. The Bolloré Group exploiteert een spoorlijn, de internationale containerterminal in Douala en de diepzeehaven in Kribi in de Golf van Guinea. Lafarge heeft een aantal cementfabrieken. De export van bananen en hout is grotendeels in handen van Franse bedrijven.
Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts
Hoe de verkiezingen ook mogen uitpakken, de situatie voor de gewone bevolking zal niet een-twee-drie veranderen. In de periode van langdurige stagnatie zijn de Kameroeners geconditioneerd om klein te dromen. Veel werkeloze afgestudeerden staan met beltegoedstalletjes langs de weg, handenwringend in de genadeloze zon of in de striemende regen, wachtend op klanten. Anderen proberen op straat geld in het laatje te brengen met de verkoop van tweedehandskleren of -schoenen. Sommigen besluiten hun geluk elders te beproeven. Op internationale sportevenementen zijn er altijd wel Kameroense atleten die in het gastland achterblijven, in de hoop op een nieuw leven. Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië bijvoorbeeld, keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts. Ook bij de Olympische Spelen van 2008 in Beijing en de Olympische Spelen van 2012 in Londen ontsnapte ongeveer een derde van de Kameroense ploeg uit het atletendorp. En dan is er nog de groep die de gevaarlijke overtocht over de Middellandse Zee waagt. De frustratie wordt misschien nog het best verwoord in de populaire rapsong This Country Kills the Youth van de Kameroense rapper Valsero: ‘This country kills the youth, and the old don’t let go. Once they get in power, they don’t let go… This country is like a bomb, and for the youth, it’s a grave.’
Platform dat diepgaande analyses biedt van internationale ontwikkelingen om deze voor beleidsmakers, academici en geïnteresseerde lezers in context te plaatsen. Onpartijdig, maar noemt zichzelf liberaal en internationaal. De content wordt geleverd door een wereldwijd netwerk van experts.
De Spaanse journalist Xavier Aldekoa reisde naar het Tsjaadmeer, de schuilplaats van Boko Haram. Het geweld van de islamitische terreurbeweging brengt miljoenen burgers in een uitzichtloze situatie.
De naam die Djafana Ali haar vijfde kind gaf was een kleine daad van verzet, bijna een genoegdoening, geboren uit trots. De man die Djafana uit de groep vrouwen pikte om te verkrachten was minder subtiel. Luttele weken na haar ontvoering in april 2015 door de Nigeriaanse fundamentalistische terreurorganisatie Boko Haram duwde een van de jihadisten de poort van het erf open waar Djafana samen met honderden andere vrouwen en meisjes (het waren er zo’n zevenhonderd, schat ze, opgedeeld in verscheidene groepen) opgesloten zat. De man pakte haar arm vast en nam haar mee naar een bos, waar hij haar misbruikte. De Boko Haram-strijder wees haar aan als zijn vrouw en niet lang daarna raakte ze zwanger van hem.
Een paar dagen voor haar ontvoering had Djafana haar man en kinderen achtergelaten in haar geboortedorp Melea, op het vasteland van Tsjaad, omdat haar zieke moeder, die alleen in Buduma woonde (een eiland midden in het meer van Tsjaad), haar zorg nodig had. Djafana wist maar al te goed hoe riskant de tocht was. Het labyrint van vaarwegen en de talrijke eilanden in het Tsjaadmeer, dat een natuurlijk grensgebied vormt tussen Nigeria, Kameroen, Niger en Tsjaad, is sinds een paar jaar de schuilplaats van islamitische extremisten. Maar haar moeder was ziek en daarom ging Djafana toch naar haar toe.
Een paar uur na het weerzien met haar moeder vielen Boko Haram-strijders het eiland binnen en ontvoerden ze alle jonge vrouwen en kinderen. Over de precieze toedracht geeft Djafana geen details prijs. Ze vertelt alleen hoe ze een deur opentrokken, een vrouw pakten en die aan een van de strijders gaven. Wanneer een vrouw weigerde, dan was ze een hoer en werd ze of ter plekke vermoord, of mocht iedereen zich aan haar vergrijpen.
Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden
Er zaten meisjes van tien tot twaalf jaar tussen. Ook zij stonden op het keuzemenu. De drieëntertigjarige Djafana was getrouwd – in haar streek trouwen meisjes jong – maar niemand vroeg ernaar en het leek niemand iets te kunnen schelen. De moslimextremist sloot haar op in een hutje en kwam af en toe langs om zijn lusten bot te vieren. Achttien maanden lang hield de radicale terreurbeweging, die in 2015 trouw zwoer aan Islamitische Staat, haar gegijzeld. Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden.
Nu, vier maanden na haar ontsnapping, is ze terug in haar dorp, waar het veilig is. Op het Tsjadische vasteland is het afgelopen jaar de jihaddreiging afgenomen, op de eilanden niet.
Djafana weigert zijn naam te noemen. Soms is het besluit van de vrouwen om de rebellen dood te zwijgen hun manier om wraak te nemen. Het is misschien wel de enige wraak die ze kúnnen nemen. Daarom heeft Djafana het bij haar verwekte kind dat nu, een jaar oud, hongerig naar haar borst hapt, Hissein genoemd, naar haar eerdere man.
Djafana slaagde erin om samen met honderden andere vrouwen te ontsnappen toen Nigeriaanse legerhelikopters eind 2016 het eiland aanvielen dat in handen was van Boko Haram. Tijdens het zwaarste militair offensief sinds de zomer van 2015 werden de rebellen grotendeels verjaagd uit de gebieden die ze in het noorden van Nigeria in handen hadden en moesten ze zich terugtrekken in het ondoordringbare Sambisa-reservaat, dat op de grens tussen Nigeria en Kameroen ligt, en in het labyrint van eilanden en vaarwegen in het Tsjaadmeer. Daar hadden ze alleen te vrezen van aanvallen uit de lucht. Zoals op de dag dat Djafana wist te vluchten. Die ochtend stierven tientallen strijders en gegijzelde burgers door kogels en bommen, maar lukte het rond de vijfhonderd ontvoerde meisjes en vrouwen om in de chaos te ontkomen.
Omdat er niemand was om hen op te vangen, deden de vrouwen er dagen over om de Tsjadische kust bereiken. Van eiland naar eiland liepen ze door het water, de langsten tilden de baby’s boven hun hoofd zodat ze niet zouden verdrinken. Slechts honderd vrouwen bereikten hun eindbestemming, al denkt (hoopt?) Djafana dat veel vrouwen het mogelijk wel hebben gered maar via andere routes zijn gegaan. Toen ze aankwam in haar dorp kreeg ze te horen dat haar man Hissein tijdens haar ontvoering ziek was geworden en was gestorven. Als haar jongste zoon volwassen is, zal ze niet zeggen wie zijn vader is. ‘Dat komt niet eens in mijn hoofd op, al zou het kunnen dat iemand anders dat wél doet.’
Sinds haar vrijlating woont Djafana weer in Melea, een gehuchtje van strohutjes in the middle of nowhere op een kale vlakte. Overal waar je kijkt is zand of droog struikgewas en krabt de wind je huid open. Rond het middaguur komt het leven traag tot stilstand, de mannen, die in de schaduw bij elkaar zitten, mompelen af en toe iets, waarna ze weer terugvallen in hun lethargisch stilzwijgen. Alleen een handvol kinderen, spelend met lemen speelgoed – een koe, een pan, een radio met een draadje dat een koptelefoon moet voorstellen – zorgt voor wat leven in de brouwerij. De vrouwen zijn aan het werk: twee vermalen ritmisch het kleine beetje graan in een houten kom. Djafana woont daar vlakbij. De inrichting van haar huis is sober. Op de aangestampte zandgrond heeft ze een donkere mat gelegd, in een hoek liggen een deken met tijgerprint, twee verkreukelde stukken stof en een blauwe plastic emmer, aan de andere kant staat een zilverkleurige kom. Djafana woont daar met haar baby Hissein en haar vier andere kinderen, die tussen vier en veertien jaar oud zijn. Ze klaagt dat niemand zich om hen bekommert.
Omdat ze niet in een vluchtelingenkamp wonen, krijgen ze geen voedsel en lijden haar kinderen honger. Ze kijkt moe uit haar ogen. Monotoon vertelt ze over het afschuwelijke dat haar is aangedaan. Ondanks haar verhalen over massale verkrachtingen en meedogenloze executies blijft Fatima, een van haar dochtertjes, dicht tegen haar aan zitten met de onschuldige en geconcentreerde blik van een kind dat naar een verhaaltje of een liedje luistert. Djafana draagt een zwart gewaad bedrukt met rode, oranje en gele figuurtjes, waarmee ze ook haar hoofd bedekt; haar gouden neusring, bij de Buduma-stam een teken dat ze getrouwd is, heeft ze afgedaan. Haar gezicht is versierd met scarificaties, in haar huid gekerfd toen ze zes was en waaraan men kan zien bij welke stam ze hoort. Het zijn niet haar enige littekens. De verse op haar armen zijn het gevolg van de luchtaanval op het eiland waarbij de jihadstrijder omkwam die een kind bij haar verwekte. Ook de kleine Hissein heeft littekens op zijn hoofd.
De hele regio vormt een wond die maar niet sluiten wil. Het grensgebied rondom het Tsjaadmeer dat Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger met elkaar delen gaat sinds acht jaar gebukt onder een enorme geweldsgolf. De opkomst van Boko Haram in het noorden van Nigeria en hun invasie van de buurlanden heeft vijftigduizend levens gekost, duizenden mensen zijn gegijzeld en op de vlucht geslagen. Volgens de Verenigde Naties zijn bijna tweeëneenhalf miljoen burgers dakloos. Het overgrote deel is weggetrokken van het platteland, waar Boko Haram meestal huishoudt, en zoekt bescherming in vluchtelingenkampen, in de steden of bij familieleden of kennissen.
Dat Boko Haram onder druk van een multinationale strijdmacht, aangevoerd door Nigeria en Tsjaad, een groot deel van hun gebied moest inleveren – de rebellen riepen in 2014 in Noord-Nigeria het kalifaat uit – heeft niet tot een afname van succesvolle dodelijke aanslagen geleid. Naast snelle, guerrilla-achtige aanvallen waar weinig materieel voor nodig is, zet Boko Haram nu ‘zelfmoordenaars’ in om de samenleving te ontwrichten. Boko Haram heeft de afgelopen drie jaar meer dan honderd zelfmoordaanslagen gepleegd, zo blijkt uit gegevens van UNICEF en The Long War Journal, een organisatie die de geweldsdelicten van de terreurbeweging bijhoudt. Alleen al in het eerste trimester van 2017 hebben zevenentwintig meisjes zichzelf onder dwang opgeblazen.
Op 1 januari heeft een meisje van nog geen tien jaar oud, aldus ooggetuigen, haar bomgordel laten afgaan op een markt in Maiduguri. Dat het in tachtig procent van de gevallen meisjes zijn die zelfmoordaanslagen plegen is niet toevallig. Boko Haram gebruikt de ruimvallende gewaden van meisjes en vrouwen om bomgordels te verstoppen en stuurt ze vaak gedrogeerd naar een markt of moskee om zichzelf tot ontploffing te brengen.
Volgens de Nigeriaanse analist en veiligheidsdeskundige Fullan Nasrullah is het een effectieve militaire tactiek. ‘De strategie van de opstandelingen is onder meer om het moreel van de samenleving en de strijdmacht te breken, én om de landen te dwingen hun schaarse middelen aan te wenden ter bescherming van makkelijke doelwitten en niet te gebruiken voor de strijd.’
Jaren van angst en de geur van kruitdampen hebben tot miljoenen lege buiken geleid. En niet alleen wie gevlucht is voor het geweld, ook de mensen die hun land niet durven te bewerken of die de gevolgen van een ingestorte economie dragen, lijden honger. Door de oorlog is handel niet meer mogelijk en zijn levensmiddelen peperduur geworden, veel mensen kunnen geen voedsel meer kopen. De omvang van deze ramp zal nieuwe slachtoffers maken: de Verenigde Naties waarschuwen dat meer dan zeven miljoen burgers urgent medische hulp nodig hebben en in de gebieden waar Boko Haram het felst tekeer gaat is al sprake van een hongersnood.
Daarom hebben de baby’s uit het gebied rond het Tsjaadmeer koude handjes. Aan het eind van de woestijnstrook die Niger scheidt van zijn buurland Tsjaad – een stuk niemandsland waar de nabijheid van jihadstrijders een militaire escorte noodzakelijk maakt – woont Ache Gomborom, en zijn handjes zijn ijskoud. Hij heeft ook andere symptomen van ondervoeding: je kunt zijn ribben tellen, hij heeft spillebeentjes en een starende blik. Als hij in een weegschaal wordt getild, trekt er een kleine frons over zijn gezichtje. Het gezicht van de Tsjadische arts die hem behandelt spreekt boekdelen: voor zijn zeventien maanden is zijn gewicht alarmerend laag. Wanneer zijn moeder, Bakouli Maloum, hem overneemt wikkelt ze hem in een rode sjaal en kijkt naar de grond. Na een poosje is hij in slaap gevallen. Zijn moeder protesteert: ‘Op ons eiland was alles normaal, we werkten op land en visten in het meer. Nu is alles anders. Als Boko Haram je te pakken krijgt, snijden ze je keel door. Hoe kun je daar blijven?’ Bakouli, geboren op Kindjira, een klein eiland in het Tsjaadmeer, draagt twee zwarte armbanden om haar rechterpols en groene oorbellen in haar oren. Al haar andere bezittingen zijn afgepakt door de jihadstrijders.
Ofschoon Noord-Nigeria en de streek rondom het Tsjaadmeer hoofdzakelijk islamitisch zijn, zijn er maar een paar stammen, zoals de Buduma, die hun geloof in Allah belijden met traditionele rituelen. Het handjevol christenen is de streek al jaren geleden ontvlucht. Maar de fundamentalisten maken geen enkel onderscheid: wie hun radicale geloofsopvatting niet deelt, is een ongelovige die gestraft en gedood moet worden. Bakouli kent die fatale minachting maar al te goed: ‘Ze zeggen dat we christenen zijn, zo noemen ze iedereen die in hun ogen geen goede moslim is. Daarom vermoorden ze ons. Daarom snijden ze onze keel door. Ze vinden ons minderwaardig, net als dieren.’
Voor de deuren van de winkel die dienstdoet als mobiele kliniek wacht een grote groep vrouwen en uitgeteerde kinderen op hun beurt onder de schaduw van een boom. Het zijn er zo veel dat niet iedereen een plaatsje in de schaduw kan bemachtigen, een enkeling staat in de volle zon. Vliegen zoemen om de ogen, neuzen en monden van de kinderen. Niemand probeert ze te verjagen. In de omgeving staan zo’n vijftienhonderd geïmproviseerde hutjes van takken, stro en plastic. Hier is de voorbode van de honderden kampen in de regio waar niemand naar omkijkt. Zo’n negenduizend vroegere eilandbewoners wonen nu op een lap woestijngrond, Magui gedoopt, en wachten op hulp. Er is zo onnoemelijk veel zand dat je alleen traag kunt voortbewegen, de zon prikt op je voorhoofd en de wind dwingt je met dichtgeknepen ogen te lopen.
De Tsjadische UNICEF-voedingsdeskundige Ngandolo Kouyo strijkt de kreukels uit zijn witte doktersjas alvorens op een witte plastic stoel plaats te nemen. Of we het kort kunnen houden, is zijn verzoek. ‘Het is druk vandaag,’ zegt hij verontschuldigend, waarna hij de toekomst van zijn patiënten analyseert. Door de haast, of misschien wel de dagelijkse confrontatie met deze catastrofe, zijn zijn woorden weinig diplomatiek. ‘Deze mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Als die niet komt, sterven ze bij bosjes. Allemaal. Geen twijfel mogelijk. Er is geen voedsel, er is geen water, geen toegang tot medische zorg. En als die zorg er wel is, hebben ze de middelen niet om de hulpposten te bereiken. Ergo: er gaan veel doden vallen.’ Eigenlijk verwoordt Kouyo in telegramstijl met onderkoelde onmacht de alarmkreet die negentien mensenrechtenorganisaties eind 2016 lieten horen over de crisissituatie rond het Tsjaadmeer, de grootste, door iedereen vergeten humanitaire crisis van 2016. Cijfers van de hulp die in 2017 is geboden stemmen niet vrolijk: van de 1500 miljoen dollar die de Verenigde Naties nodig denken te hebben om de voedselcrisis rond het Tsjaadmeer het hoofd te bieden, is in het eerste kwartaal van 2017 slechts 169 miljoen binnengekomen, 11 procent van het geld dat nodig is.
Eilanden ontvlucht
Tientallen kilometers zuidwaarts verraden de kapotte en halflege visnetten van Barkay Idriss dat je niet zo makkelijk uit deze val ontsnapt. In Tagal, een dorpje aan de oevers van het Tsjaadmeer, is het al bijna avond, maar op de bodem van zijn kano glibberen slechts een dozijn vissen. De lucht is hier fris, het groene landschap legt een zachte waas over de horizon en vanaf de oever komt de geur van tientallen vissen die op houten spijlen in de zon liggen te drogen. Gehurkt op een van de uiteinden van zijn boot bekijkt de zeventienjarige Barkay de dagvangst en schudt boos en beschaamd zijn hoofd. ‘Het visnet is oud, zodra de vissen zich een beetje uitrekken zijn ze weg.’
Zijn vader leerde hem vissen toen hij twaalf was, hij kent alle fijne kneepjes. Je moet bijvoorbeeld ’s ochtends vroeg je visnetten uitzetten, voordat de nijlpaarden zich laten zien, want je kunt beter uit de buurt blijven van de snijtanden van deze lichtgeraakte beesten. Ook weet hij dat je in diepe, stille wateren de beste vis vangt, maar dat kan nu niet. ‘Boko Haram houd zich schuil op de eilanden, en omdat we bang zijn, vissen we allemaal dicht bij de oever. We zijn met te veel, daarom zijn er te weinig vissen.’
De afgelopen jaren zijn duizenden burgers de eilanden ontvlucht, op zoek naar de relatieve veiligheid – vaak zit de terreurbeweging maar op een paar kilometer afstand – op het vasteland, waar meer militairen zijn en humanitaire hulporganisaties hulp kunnen bieden. De vluchtelingengolf heeft voor een demografische explosie gezorgd: de bevolking in de regio is verdriedubbeld.
Barkay draagt een lichtblauw overhemd en een gele broek, kleding die betere tijden heeft gekend en verraadt dat het vroeger beter was. Toen hij op een van de eilanden woonde, verdiende hij met gemak veertig dollar per week, had hij een prima kano en meer dan genoeg visnetten. Nu haalt hij niet eens dertig dollar per maand en deelt hij zijn boot met twee andere vissers. Hij vertelt het met gepaste verbitterdheid, beseffend dat hij van geluk mag spreken.
Gekrijs redde het leven van Barkay. Om drie uur ’s nachts vielen Boko Haram-strijders zijn dorp Bulari aan, op een van de Tsjadische eilanden, en namen als eerste de medicijnman van het dorp te grazen, want ‘zo gaan ze altijd te werk’. Voor de jihadisten is het geloof van de medicijnmannen in magische krachten en geesten een zonde. Ze onthoofden hem voor zijn deur. Met één simpel gebaar regen ze een van de dorpshoofden aan hun mes. ‘Ik werd wakker van zijn gegil en kon wegvluchten.’ Barkay en veel van zijn dorpsgenoten lieten noodgedwongen hun dieren en bezittingen achter, die de jihadisten meenamen als oorlogsbuit.
Door het geweldsconflict zijn de handelsroutes met buurlanden afgesloten, wat funest is voor de economie. Naast het verbod van lokale overheden om met auto’s de grens over te steken zodat de jihadisten-strijders zich niet vrij kunnen verplaatsen, bleek een ander verbod de genadeslag voor de lokale handel. Omdat de rebellen hun activiteiten onder meer financierden met de verkoop van gestolen vee – duizenden stuks vee, die goed waren voor honderdduizenden dollars – besloot men een van de diepst gewortelde handelsactiviteiten in de streek, de handel in dieren, stil te leggen. De wereldwijde daling van de olieprijs, een van de steunpilaren van de Nigeriaanse en Tsjadische economie, en de hogere investeringen in defensie ten koste van de sociale voorzieningen heeft de wond nog verder opengereten.
Hoe dan ook, Barkay peinst er niet over om naar huis terug te keren. ‘Wat ik daar heb gezien wil ik nooit meer zien, ik blijf hier de rest van mijn leven.’ Maar hij ziet als een berg op tegen zijn toekomst. Het liefst zou hij trouwen en een gezin stichten, maar hij heeft geld nodig voor de bruidsschat, een met de schoonfamilie afgesproken aantal koeien of geiten. Meestal, aldus Barkay, betaal je een bedrag van zo’n achthonderd dollar, al kan de prijs oplopen als het meisje gestudeerd heeft of uit een rijk gezin komt. Op dit moment en in deze situatie is dat een onmogelijk te vergaren fortuin. Evenwel, als Barkay er niet in slaagt zo veel geld bij elkaar te krijgen, is zijn eer aangetast. ‘In onze cultuur moet een man trouwen. Slaag je daar niet in, dan is dat een sociale schande.’
‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen’
Boko Haram heeft munt weten te slaan uit deze traditie waarin de jonge mannen klemzitten. De oprichting van de Nigeriaanse terreurgroep, de groei en de uitbreiding naar de buurlanden hangen nauw samen met de armoede en de sociale ongelijkheid in Nigeria: het rijke, ontwikkelde zuiden van Nigeria met zijn moderne steden (al is daar ook een kloof tussen arm en rijk) vormt een schril contrast met de arme, veronachtzaamde noordelijke regio’s, waar nauwelijks infrastructuur en geasfalteerde wegen zijn.
De UNESCO schat het aantal alfabeten in het noorden van Nigeria, de bakermat van Boko Haram, in 2002 op een krappe 14,5 procent. In Lagos, Zuid-Nigeria, ligt dat percentage op 92. De opstandelingen wisten wat hen te doen stond: in 2014 begonnen ze aan een nog altijd voortdurende reeks ontvoeringen van meisjes – de bekende gijzeling van de 219 schoolmeisjes in Chibok, in het noordoosten van Nigeria, maakte deel uit van deze strategie –, waar de jonge mannen die zich bij hen aansloten voor niks mee konden trouwen. Het bleek een uiterst effectieve zet. De nieuwelingen kwamen bij bosjes. Honderden jonge mannen zagen dat ze een vrouw en kinderen konden krijgen en geen sociale vernedering hoefden door te maken omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen.
De zeventienjarige visser Djibirine Mbodou, die meer dan een jaar lang gevangen werd gehouden en in januari 2017 wist te ontsnappen, bevestigt deze lezing. Veilig aan de oever van het Tsjaadmeer herinnert hij zich glashelder hoe Boko Haram-strijders op een nacht zijn eiland Galoa in Tsjadische wateren aanvielen en het voltallige dorp, zo’n zevenduizend bewoners, meenamen. Meteen werden er strikte regels opgelegd: bij diefstal werd je hand afgehakt en op voetballen stond de doodstraf. Dagelijks werden ze in groepen opgedeeld om te bidden. ‘Ze schreeuwden naar ons dat we vroeger verkeerd baden.’ Nog steeds heeft hij nachtmerries, want hij zag hoe ze een veertienjarige meisje martelden omdat ze weigerde seks te hebben met een strijder en hoe mensen die probeerden te ontsnappen werden gekeeld. Een aantal van zijn vrienden en buren besloten zich vrijwillig aan te sluiten. ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen.’
Jihadist zijn stelt je bovendien in staat om in no time oude ruzies te beslechten. Eenmaal ingelijfd bij Boko Haram maak je met een kalasjnikov in je handen fluitend een eind aan een conflict met die snel gepikeerde buurman over een stuk land, vereffen je een rekening met die jongen die er ooit met je vriendinnetje vandoor ging of krijgt die rijke, gierige kennis op wie je zo jaloers was eindelijk zijn vet. De fundamentalistische terreurbeweging heeft zich aan de tijd moeten aanpassen. Initieel heette ze niet eens Boko Haram. Begin deze eeuw predikte de radicale geestelijke Mohammad Yusuf in de straten van de Nigeriaanse stad Maiduguri voor een strikt islamitische samenleving die een einde zou maken aan sociale ongelijkheid. Zijn vijand was de inefficiënte en corrupte Nigeriaanse overheid, die hij ervan beschuldigde decennialang niet naar het noorden te hebben omgekeken. In zijn preken, die steeds grotere menigten trokken, gebruikte hij in het Hausa het mantra Bokoisharam! Bokohisharam! Hij bedoelde dat het gebruik van boeken – symbool van westerse educatie dat haaks staat op het gebruik van houten plankjes op de koranscholen – een zonde was en de oorzaak van een falend systeem. Eigenlijk gebruikten ze dus niet de naam Boko Haram maar hun officiële naam: Zij die de leer van de Profeet en de jihad zullen verkondigen.
Zijn radicale discours viel in vruchtbare aarde bij een generatie wanhopige werkloze jongeren en ontaardde in gewelddadige protestacties waarbij Nigeriaanse veiligheidsagenten en politici werden vermoord. Yusuf wilde een nationale koers varen: zijn doel was om de regering af te zetten en de sharia in te voeren. De beweging kon rekenen op machtige peetvaders. Ofschoon ze hun inkomsten later uit bankroven, afpersingen en plunderingen haalden, werden ze aanvankelijk financieel gesteund door hoge politici en geestelijken uit het noorden van Nigeria. Met de moord op Yusuf tijdens zijn gevangenschap in 2009 en de standrechtelijke executies van honderden van zijn aanhangers brak de hel los. Enkele maanden later nam Abubakar Shekau de leiding over en sloeg de terreurgroep een nog bloederiger koers in met aanslagen en moordpartijen op grote schaal en gebruikten ze het zaaien van paniek als pressiemiddel. Vanaf dat moment danken ze hun machtspositie aan het aura van geweld dat hen omringt. Alleen de naam Boko Haram al doet iedereen verstijven van schrik.
Gevraagd naar Boko Haram laat de jonge Mbodou, die langer dan een jaar door de rebellen werd gegijzeld, zien hoezeer zijn angst is geïnternaliseerd. Hij zit op zijn knieën onder een bladerdek dat hem tegen de zon beschermt en er is er geen spoor van rancune te horen in zijn antwoord. ‘Wie de rebellen zijn? Het zijn de mannen die ’s nachts op pad gaan. Als je ze tegenkomt, snijden ze je strot door. Daar krijgen ze een kick van.’
De verhalen die je hoort in het gebied rond het Tsjaadmeer worden gevoed door de angst voor nachtelijke verrassingsaanvallen en de ongekende wreedheid. In Baga Sola, de belangrijkste stad in het Tsjadische grensgebied, doet een afschuwelijk verhaal de ronde. Op een nacht bereikten twee Boko Haram-strijders een gehuchtje, even buiten de stad. Ze namen hun intrek in de lemen hut van een doodsbange oude man die, niet in staat om te vluchten, zijn enige overlevingskans zag in het zo gastvrij mogelijk behandelen van de twee mannen. Hij stond vroeg op om bij de put water voor de thee te halen. Hij ververste het stro in hun matrassen en bereidde zelfs een geit voor hen. Hij probeerde niet te ontsnappen. De dag voor hun vertrek zeiden ze tegen hem: ‘Je gastvrijheid en opofferingsgezindheid hebben diepe indruk op ons gemaakt. Je bent een goed man, je verdient een plek in het paradijs. Maar stervelingen zijn zwak en je loopt het risico verleid te worden en de weg kwijt te raken. Daarom, opdat Allah je toelaat tot het paradijs, gaan we je vermoorden.’ En ze sneden zijn keel door.
Dit verhaal, bij de ene verteller met een wat langere monoloog of met iets meer nadruk op de goedheid van de oude man dan bij de ander (omdat er geen getuigen zijn is de precieze inhoud niet te verifiëren), laat zien hoe de angst zelfs is doorgedrongen tot de horrorverhalen in de streek. Voor velen is Boko Haram de duivel.
Naast religieus-extremisme en armoede zijn er twee andere factoren die verklaren waarom een handjevol fanatiekelingen – tussen de vier -en zesduizend goed getrainde strijders, volgens de CIA – Nigeria, de belangrijkste economie van Afrika, en de buurlanden helemaal klem heeft gezet: dat ze vergeten worden en zich gekwetst voelen.
In Dar es Salaam, het grootste vluchtelingenkamp aan de Tsjadische zijde van het meer, tekent Nasiru Saidu beide factoren met zijn vingers in het zand. Met zijn handpalm egaliseert hij de zandgrond en trekt met drie vingers een golvende baan. Aan één kant schrijft hij Doro, de naam van zijn Nigeriaanse dorp, aan de andere Tsjaadmeer. Zittend tegenover een voetbalveld waar ngo’s potjes voetbal organiseren om de kinderen hun trauma’s te laten verwerken, roept Saidu herinneringen op aan begin januari 2015, toen zijn leven als vis- en uienhandelaar voorgoed een andere wending nam. Terwijl Parijs beefde onder de fundamentalistische terreuraanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo en de westerse wereld bedolven werd onder spandoeken met de tekst ‘Je suis Charlie’, pleegde Boko Haram aan de Noord-Nigeriaanse kust van het Tsjaadmeer de heftigste aanval uit hun geschiedenis. Na de verovering van een legerbasis belegerden jihadstrijders vijf dagen lang de stad Baga en zestien dorpjes zonder ook maar enige vorm van tegenstand te ondervinden. Duizenden burgers – enkele bronnen spreken van tweeduizend, maar niemand bleef achter om ze te tellen – werden vermoord, duizenden anderen staken in paniek het meer over in de richting van Tsjaad. Saidu was een van hen. ‘Toen we zagen hoe een Nigeriaanse soldaat met een schotwond op een bromfiets werd vervoerd, wisten we dat dit geen gewone aanval van Boko Haram was.’
Een paar weken daarvoor had Saidu eindelijk na twee jaar al zijn moed verzameld om zijn dorp te bezoeken. Omdat het Tsjaadmeer nu militair grondgebied is, moest hij een omweg nemen. Hij was vier dagen onderweg en reisde mee met zes verschillende vrachtwagens. As was alles wat hij vond. ‘Alles is verlaten. Hier en daar zie je nog botten liggen.’
Saidu is 36 jaar en heeft niets meer, behalve zijn trots. Hij spreekt rustig maar vastberaden. ‘Eerlijk gezegd hebben we banen nodig. Wachten tot er hulp komt schiet niet op. Van niks doen krijg je honger, en een hongerige man is een boze man. Wij willen niet afhankelijk zijn van humanitaire hulp.’
Saidu is dun, maar lang en grofgebouwd. Hij draagt een lang wit hemd, zijn kortgeschoren hoofd en zwarte puntbaardje met grijze plukken accentueren zijn scherpe gelaatstrekken. Hij glimlacht aan één stuk door en boezemt vertrouwen in. Hij knoopt meteen een gesprek aan met de vrouwen die water komen halen bij een nabijgelegen put.
Zo op het eerste gezicht lijkt Saidu uit leidershout gesneden, wellicht omdat hij helder en genuanceerd spreekt. Hij beschouwt Boko Haram-strijders niet als de duivel en hij heeft recht van spreken: hij kent er een aantal. Hij weet dat mensen zich aansloten omdat ze honger leden, omdat Boko Haram naar hun dorp kwam en een salaris en voedsel beloofde. Hij heeft vrienden die niet diepreligieus waren en nog nooit iets misdaan hadden, maar uit wraakzucht toetraden tot Boko Haram. De corruptie en het misbruik van het Nigeriaanse leger zijn evengoed debet aan de huidige situatie als de moslimextremisten. Hij vertelt hoe het leger zich ineens in hun dorp liet zien en een dozijn jongeren meenam. Niemand heeft ze ooit nog teruggezien. En niet te vergeten de zo gevreesde regel één om vijftig: ‘Het was in Baga Sola, in een wijk die Flatari heette,’ herinnert hij zich. ‘Boko Haram had een soldaat vermoord en even later kwam het Nigeriaanse leger en brandde de hele wijk plat. Zieken, ouderen, blinden, allemaal onschuldige mensen kwamen om. En de reden: iemand had een militair gedood, maar niemand wist wie de moordenaar was.’
Geef ons je geld en maak dat je wegkomt
Lokale organisaties klagen al jaren over de gruweldaden die het Nigeriaanse leger pleegt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. Ook de internationale gemeenschap is hiervan op de hoogte. Amnesty International heeft een rapport gepubliceerd met beeldmateriaal en ander bewijs van martelingen en executies van honderden burgers. Human Rights Watch beschuldigt de mensen die de voor Boko Haram gevluchte vrouwen horen te beschermen van misbruik: militairen, politieagenten en opvangkampmedewerkers verkrachten meisjes of vragen seksuele gunsten in ruil voor bescherming of voedsel.
Djim en Abdoulhassan, Tsjadische hulpverleners van een internationale organisatie, willen alleen anoniem spreken. Djim werkte in Nigeria en wil niet terug. ‘Het leger begint meteen te schieten.’ Hun angst voor Boko Haram maakt dat zodra de situatie een beetje gespannen is hun vinger wel heel snel richting de trekker gaat. Dan zijn er nog de systematische overvallen. Djim heeft zijn lesje wel geleerd toen het op een dag iets later werd op kantoor en hij ’s avonds door de straten van Maiduguri in Noord-Nigeria liep. Hij werd tegengehouden bij een militaire controlepost. Het deed er niet toe dat hij uitlegde waar hij werkte en dat hij hulpverlener was. De militairen namen al zijn bezittingen af. ‘Het enige wat ze zeiden was: geef ons je geld en maak dat je wegkomt.’
Op het hoogtepunt van de radicale terreurbeweging maakte de paranoia van het slecht getrainde en nog slechter betaalde Nigeriaanse leger van elke routinematige controle op gevaarlijk terrein een vorm van Russische roulette. Een kleine blauwe plek kon voldoende zijn voor een veroordeling: had de verdachte op zijn schouder iets wat leek op een geweerafdruk, dan was dat het bewijs dat hij een Boko Haram-strijder was. Er waren nog andere methodes: de teennagels bestuderen, bijvoorbeeld. Had de persoon ingegroeide teennagels dan was dat voor sommige militairen een teken dat hij urenlang met militaire kisten aan had gelopen. Het onmiddellijke vonnis: Boko Haram-strijder, de gevangenis in, als de verdachte geluk had. Soms werd er snelrecht toegepast en kreeg de verdachte ter plekke een nekschot.
Toen eind 2015 de noodtoestand in Tsjaad werd uitgeroepen kwam het leger met een voor het volk niet mis te verstane mededeling: iedereen die zou achterblijven op de eilanden, was een Boko Haram-strijder, inclusief de dieren. De eilanden waar burgers eeuwenlang hadden geleefd werden een nog gevaarlijker plek.
Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land
Desondanks ontkent de hoogste lokale autoriteit van de regio Baga Sola, Dimonya Sonapébé, keihard dat er in zijn jurisdictie burgers zijn omgebracht. Gestoken in zijn mooiste kleren ontvangt hij me in het zitje van zijn kantoor en pareert elke kritische vraag. ‘In het leger noemen we dat collateral damage. Dit gebeurt overal. Welke militair schiet nu vrijwillig op zijn eigen bevolking. Onmogelijk! Soms worden er fouten gemaakt als je een hele groep wilt redden. Dan kan het voorkomen dat je per ongeluk iemand doodt, dat is betreurenswaardig.’ Als hij geconfronteerd wordt met getuigenverklaringen van bombardementen op Tsjadische dorpen vol ontvoerde vrouwen en kinderen en illegale executies op Nigeriaans grondgebied, kapt hij het gesprek af. ‘Wij hebben nergens spijt van. Wij verwijten onze veiligheidsmacht niets. Wij zeggen alleen: Bravo! Bravo! Jullie hebben de strijd gewonnen!’
De opkomst van burgerwachten in Nigeria, Tsjaad, Niger en Kameroen is evenmin bevorderlijk voor een strikte naleving van de wet. Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land. Af en toe vonden er rechtstreekse confrontaties plaats met de terreurgroep, die de mannen vanwege hun overduidelijke inferioriteit met hun leven moesten bekopen. Het zijn vrijwilligers die hun mensen en familie proberen te beschermen in een uitzichtloze situatie.
Abakar Salha en Souleymane Obusmaneissa voldoen op het eerste gezicht aan dit profiel. De een draagt een lilakleurige tulband, de ander een witte. Gewapend met een metaaldetector fouilleren ze elke bezoeker die de markt van Baga Sola wil betreden, inclusief de kamelen. Als ze niks verdachts vinden halen ze het over de hele breedte van de straat gespannen touw weg en mag de gefouilleerde persoon doorlopen. Vinden ze iets verdachts, dan wordt hij of zij meegenomen naar de autoriteiten. De burgerwacht en controlepost bestaan sinds oktober 2015, toen er verschillende zelfmoordacties plaatsvonden op de markt en in de buitenwijken, die aan veertig mensen het leven kostten. Ofschoon je op je vingers kunt natellen dat bij een volgende aanslag hun leven gevaar loopt, is er geen enkele aarzeling bij Salha te bespeuren.
‘Vreest u niet tegenover een zelfmoordenaar te komen staan?’
‘Nee, daarom zijn we hier, om dat te voorkomen.’
‘Maar als u iemand fouilleert die een bomgordel draagt, dan kunt u hem activeren.’
‘Wij willen alleen maar onze mensen beschermen. Als wij het niet doen, wie dan wel?’
De Spaanse journalist Xavier Aldekoa is sinds 2009 Afrika-correspondent voor de krant La Vanguardia. In 2014 publiceerde hij zijn eerste boek: Ocean Africa.
Gatopardo wordt verspreid in Latijns-Amerika en in Miami. Journalisten uit verschillende landen leveren bijdragen aan dit maandblad, dat ook het werk van schrijvers als Carlos Fuentes, Ernesto Sábato of Alma Guillermoprieto publiceert.
Omdat de militaire aanpak van Boko Haram faalt, probeert de overheid in Niger een nieuwe tactiek. Strijders wordt gevraagd zich over te geven, in ruil voor re-integratie.
In het Nigerese departement Diffa, op de zuidelijke grens met Nigeria, gaf een groep van veertien mannen zich over aan de autoriteiten. De mannen zeiden dat ze voormalig Boko Haram-strijders waren en dat ze hun wapens in de rimboe hadden achtergelaten. Het nieuws van deze spontane overgave kwam vrijwel overal in het gebied als een verrassing, behalve voor de lokale autoriteiten.
Sinds eind vorig jaar hanteert Niger een nieuwe tactiek, waarbij Boko Haram-strijders via hun familieleden amnestie wordt aangeboden. De strijders wordt reïntegratie in hun gemeenschap beloofd. Tot op dat moment bestond de reactie op de wrede islamitische groepering voornamelijk uit gewapend optreden. Hiermee was enig succes geboekt. In Niger dateerde de laatste grote aanval van Boko Haram waarbij burgers omkwamen alweer van september vorig jaar. In Nigeria, waar de groepering vandaan komt, gingen de gruwelijke aanvallen, ontvoeringen en bombardementen van scholen echter onverminderd verder.
Ook voor de mensen in Diffa waren dit soort aanvallen verschrikkelijk, maar wat velen veel verontrustender vonden, was het percentage jongeren in Niger dat zich vrijwillig bij de terreurbeweging aansloot. Imams en dorpshoofden braken zich het hoofd over de vraag: wat maakt deze wreedheden zo aantrekkelijk voor onze jongeren? Tegelijk weigeren veel families en lokale leiders te accepteren dat de jongeren die zich bij Boko Haram aansluiten ook daadwerkelijk zijn geradicaliseerd.
Met deze gedachten in het achterhoofd werd vorig jaar het experimentele amnestieplan gesmeed. Lokale leiders zijn trots op hun initiatief, dat nog steeds loopt. Zoals de prefect van Maïné-Soroa tegen me zei: ‘Gouverneur Dan Dano (van Diffa) belt me elke avond om te vragen hoeveel Boko zich hebben overgegeven.’
Honderdvijftig deserteurs
Op basis van aantallen lijkt het amnestieplan te werken. Eind maart stond het totaal in heel Diffa op bijna honderdvijftig. De logica achter het plan is ook duidelijk. Een vergelijkbare strategie in Oeganda om overlopers uit het Verzetsleger van de Heer te lokken, bleek te leiden tot een verzwakking van die rebellen.
Ondanks het enthousiasme van de lokale leiders is niet iedereen overtuigd. Er zijn mensen die vrezen dat het beleid afleidt van de aanpak van factoren als armoede en een zwakke overheid, die op langere termijn voor jongeren reden zijn om zich aan te sluiten bij Boko Haram. Anderen vrezen dat fondsen voor andere ontwikkelingsprojecten, die voor een bredere doelgroep van nut zijn, zullen worden weggesluisd naar de rehabilitatie van voormalige strijders. Nog een belangrijk obstakel voor de amnestiestrategie is het feit dat veel lokale gemeenschappen in Niger nog niet overtuigd zijn van het idee. Ze bekijken de deserteurs met argwaan en vijandigheid.
In tegenstelling tot in Oeganda is er in Niger momenteel geen wettelijk kader voor Diffa’s amnestie-initiatief, wat betekent dat er geen officieel proces is waarmee ex-strijders de wettelijke status van deserteur met gratie kunnen krijgen. Bovendien zijn er mensen die vrezen dat de strijders die zich overgeven door Boko Haram naar voren zijn geschoven.
Dano geeft toe dat de administratieve verwerking van de overlopers tijd zal kosten, maar benadrukt dat er maatregelen zijn getroffen om het dreigingsniveau te bepalen. ‘We controleren hun verhalen, hun beweringen dat ze uit een bepaald dorp of een bepaalde familie komen. We proberen zo veel mogelijk over ze te achterhalen: wanneer ze zijn vertrokken, of er getuigen zijn van aanvallen op dorpen door deze mensen,’ zegt hij. Strijders die echt geradicaliseerd zijn zul je waarschijnlijk niet bereiken, erkent hij.
Om steun voor het initiatief te verwerven, heeft Dano samen met lokale leiders publieke optredens georganiseerd, maar de vraag is of die de bevolking zullen overtuigen. Dit zou wel eens een ernstig probleem kunnen vormen. Voor een effectieve amnestie is het nog belangrijker om de slachtoffers mee te krijgen dan de ex-strijders en ambtenaren. Verzoening met en herintreding van voormalige strijders heeft alleen een kans van slagen als gemeenschappen bereid zijn hen weer tot hun leven toe te laten.
Zolang de gemeenschappen niet intensiever en directer bij het project worden betrokken, zien veel mensen het pardon gewoon als strafvrijstelling. Dat standpunt zou zich nog wel eens kunnen verharden als bekend wordt dat de deserteurs wellicht worden beloond met beroepsonderwijs en een tegemoetkoming in hun levensonderhoud, terwijl onschuldige, getraumatiseerde gemeenschappen niets krijgen. ‘We hebben het idee dat we Boko Haram verzwakken met deze amnestiestrategie, maar wat gaan we doen met de deserteurs?’ vraagt minister Amadou. ‘We vervolgen hen niet – hier zit voor ons niets goeds aan.’
De uitdagingen en risico’s van Diffa’s amnestieproef zijn dus duidelijk. Amnestieverlening aan en herintegratie van voormalige strijders onder onstabiele en onzekere omstandigheden is vol gevaren, zeker als de initiatieven niet zorgvuldig en gedetailleerd gepland en gefinancierd worden. Als lokale gemeenschappen zich tegen het idee blijven verzetten, kan het beleid zelfs leiden tot toenemende rancune, vijandigheid en argwaan.
Aangezien Boko Haram Niger en de Tsjaadmeerregio nog steeds terroriseert, houden de lokale autoriteiten echter vol dat de risico’s van een overwegend militaire benadering minstens zo ernstig zijn. Volgens lokale leiders kan het voor de bestrijding van Boko Haram nodig zijn controversieel beleid te voeren.
Op de vraag hoe hij de gratieverlening aan voormalig Boko Haram-strijders en de besteding van schaarse middelen aan hun herintegratie richting de mensen in Diffa rechtvaardigt, zegt de prefect van Maïné-Soroa met een zucht: ‘Ik kan alleen maar zeggen dat dit de prijs is die we voor de vrede moeten betalen.’
Auteur: Edward Rackley
Vertaler: Martinette Susijn
Dit onlinetijdschrift is gewijd aan analyses over al wat speelt in hedendaags Afrika, en dient tevens als platform voor discussies daaromtrent. De site werd in 2007 gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.
De Nigeriaanse Aisha Bakari Gombi jaagde vroeger met haar vader op antilopen en bavianen. Tegenwoordig jaagt ze op Boko Haram.
Terwijl zeven ontvoerde vrouwen en vier kinderen werden meegevoerd in het Sambisawoud, kreeg Aisha Bakari Gombi een telefoontje. De stem die ze hoorde was vertrouwd: een legercommandant die haar vroeg een groep jagers te verzamelen om de ontvoerden op te sporen. De elf waren eerder die dag verdwenen nadat een groep militanten van Boko Haram hun dorp, Daggu, had aangevallen. Ze schoten drie inwoners dood en staken auto’s, huizen en winkels in brand.
Daggu ligt op een halfuur rijden van Chibok, waar in april 2014 tweehonderd schoolmeisjes werden ontvoerd. Beide dorpen liggen in de staat Borno in het noordoosten van Nigeria, waar dit soort aanvallen door de dodelijkste terreurgroep ter wereld vaker voorkomen.
‘Boko Haram kent me en is bang voor me’
Bakari Gombi groeide op in de buurt van het Sambisawoud, waar de extremisten, ondanks het militaire offensief van vorig jaar, waarbij veel van hun kampen werden vernietigd, nog steeds actief zijn. Vroeger jaagde ze met haar grootvader op antilopen, bavianen en parelhoenders. Nu jaagt ze op Boko Haram.
In het gebied bevinden zich duizenden jagers die tijdelijk door het leger zijn ingezet. Bakari Gombi is een van de weinige vrouwen, en zowel voor de jagers als voor de bevolking is ze een heldin geworden. Haar moed heeft haar de titel ‘koningin van de jagers’ opgeleverd.
De eerste reddingsactie in Daggu mislukte ‘omdat Boko Haram zwaar bewapend was. Maar we zagen de plek waar de meisjes vastgehouden werden,’ legt Bakari Gombi uit. ‘We zouden ze kunnen bevrijden als het leger ons betere wapens zou geven,’ voegde ze er nog aan toe, met een blik op het dubbelloopsgeweer op haar schoot.
Evenals veel mensen op het platteland in het noordoosten is Bakari Gombi moslim, maar ze gelooft ook in traditionele geesten. In een van haar rituelen besprenkelt ze de andere jagers met een ‘geheime’ vloeistof om ze te beschermen tegen kogels.
De 38-jarige vrouw staat aan het hoofd van een commando mannen van vijftien tot dertig jaar, die communiceren via gebarentaal, dierengeluiden en zelfs door middel van vogelzang. ‘Boko Haram kent me en is bang voor me,’ zegt Bakari Gombi. Haar groep jagers heeft honderden mannen, vrouwen en kinderen gered.
Het Nigeriaanse leger begon in 2011 vrouwen te rekruteren, en hoewel de aantallen nationaal gezien laag blijven, hebben sommige vrouwen in dit gebied persoonlijke redenen om de terreurgroep te bestrijden. Zoals Hamsat Hassan, wier zus twee jaar geleden door Boko Haram werd gekidnapt. De zus is sindsdien niet meer teruggezien.
‘Ik kon nog niet met een geweer omgaan toen ik vroeg of ik me mocht aansluiten bij de Vereniging van Jagers. Ik wist alleen dat ik wraak wilde nemen op de mensen die mijn zus hadden ontvoerd,’ vertelt ze. Hassans grootouders zorgen voor haar zeven kinderen, zodat zij op jacht kan gaan als er een beroep op haar wordt gedaan.
Geldgebrek
Hoewel de meeste mensen in de groep vrijwilligers zijn, behoren Bakari Gombi en Hassan tot de 228 mannelijke en vrouwelijke jagers die vorig jaar op een meer officiële basis werden gerekruteerd door een lokale regeringsvertegenwoordiger. Maar in oktober stopten de toelagen van 10.000 naira (30 euro) die de jagers ontvingen. Twee maanden later had het grootste deel van het team zich teruggetrokken, al bleven sommigen, onder wie Bakari Gombi en Hassan, toegewijd aan de strijd.
Bukar Jimeta, de commandant van de Vereniging van Jagers in Gombi, zegt dat ze door het failliet van de missie en het gebrek aan geld niet meer in staat zijn om de toenemende dreiging af te wenden van Boko Haram, dat zich in de omliggende gebieden aan het hergroeperen is.
De jagers zijn niet de enigen die geldproblemen hebben. In december stuurde een groep Nigeriaanse soldaten een video naar YouTube waarin ze om een betere uitrusting, voedsel en water vroegen. Het leger heeft ook te maken met een corruptieschandaal op het hoogste niveau. Voormalig veiligheidsadviseur Sambo Dasuki moet voor de rechter verschijnen wegens het verduisteren van 2,1 miljard euro die bestemd was voor de strijd tegen Boko Haram.
De jagers vinden dat hun opsporingstechnieken van essentieel belang zijn voor de strijd van het leger tegen de terreurgroep, hoe weinig financiële middelen ze ook tot hun beschikking hebben. ‘Ik wacht op een oproep om terug te gaan en die vrouwen en kinderen uit Daggu te redden, maar ik weet niet of we meer wapens zullen krijgen,’ zegt Bakari Gombi.
Of ze die wapens nu krijgt of niet, ze zweert dat ze zal doorgaan met haar missie om Boko Haram te verdrijven uit het woud waarin zij is opgegroeid.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Onder de naam Guardian News and Media is het een van de meest succesvolle mediabedrijven van Groot-Brittannië, met als vlaggenschip guardian.co.uk, een van ’s werelds meest bezochte nieuwssites. Hoewel de krant dicht bij Labour zou staan, houdt zij de traditie van redactionele onafhankelijkheid in ere: het commentaar is vaak zeer kritisch over de regering.
Niet alleen in het Westen wordt geprobeerd om jihadisten te deradicaliseren. In een gevangenis in Nigeria is met geld van de EU een programma opgezet om strijders van Boko Haram weer op het rechte pad te brengen. Grote vraag is natuurlijk: werkt het?
Gevangenisbewaarder Mala Tata heeft een roeping. Hij ziet het als zijn religieuze plicht om mensen te helpen de staat van verlossing te bereiken. Daarnaast gelooft hij ook dat niet veel mensen zo ernstig hebben gezondigd als de 43 strijders van Boko Haram die hij onder zijn hoede heeft in de Kuje-gevangenis, aan de rand van Abuja, de Nigeriaanse hoofdstad. Tata werkt al zesentwintig jaar in de gevangenis. Hij leidt een team van imams in een unieke deradicaliseringstherapie gericht op de rehabilitatie van de Boko Haram-gevangenen. Zijn team, bestaande uit gevangenismedewerkers, heeft een zeer intensief contact met de groep en houdt dagelijks spirituele sessies met ze waarin de basis van hun geweldsideologie ter discussie wordt gesteld.
‘Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen zelf niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven,’ aldus Tata, een vrolijke, verzorgd uitziende man. ‘Anderen hebben wel op school gezeten. Ze hebben de Koran en de Hadith gelezen, maar ze begrijpen de islam niet echt. Satan heeft ze dingen in het oor gefluisterd.’
Kuje, een extra beveiligd detentiecentrum, is Nigeria’s proeftuin voor een programma dat bedoeld is om gewelddadig extremisme aan te pakken (‘countering violent extremism’, CVE) en in maart is gestart. In de kern komt de ‘behandeling’ van mannen die vastzitten vanwege aan terrorisme gerelateerde misdrijven erop neer dat hun gedrag via activiteiten zoals therapie, sport, scholing en vakonderwijs kan worden aangepast. Als ze vastzitten worden ze bovendien minder gauw gerekruteerd door Boko Haram, en uiteindelijk kunnen ze worden geïntegreerd in de maatschappij.
Het opbouwen van een band tussen het ‘behandelingsteam’ en de Boko Haram-gevangenen, die officieel cliënten worden genoemd, wordt gezien als de basis van het succes van de CVE-strategie. Tata heeft zich uit patriottische motieven bij het team aangesloten en ook vanuit het geloof dat hij door het verrichten van Gods werk een spirituele beloning zal krijgen.
Dat biedt enige troost. ‘Het zijn uiterst gevaarlijke mensen. Er kan van alles gebeuren. We weten dat ze contact hebben met hun mensen buiten de gevangenis,’ vertelt hij. Tata heeft die risico’s persoonlijk ervaren: hij is gewond geraakt toen Boko Haram een aanval uitvoerde op de gevangenis, maar hij wil er niet over praten. Hij is ervan overtuigd dat het tij op militair terrein is gekeerd en dat nu de rebellen op de vlucht zijn geslagen. ‘De “cliënten” in Kuje weten dat ze aan de verliezende hand zijn,’ zegt hij. ‘Zij kijken ook tv.’
Op de dag dat ik de gevangenis bezoek, speelt ‘Arsenal’ tegen ‘Chelsea’ in Kujes versie van de Champions League: beide gevangenisteams worden driftig aangemoedigd, het gejuich schalt over de muur.
Maar het doel van mijn bezoek is de ‘derad’-vleugel, een rustiger, meer afgeschermd gedeelte met moderne klaslokalen, die oorspronkelijk bedoeld waren voor een open universiteit. In tegenstelling tot de rest van de sobere gevangenis is hier zelfs airco.
Ik ga met een van de cliënten in een kamertje zitten. De forse kerel aan de andere kant van de tafel draagt een spijkerbroek en een strak T-shirt. Hij heeft een afrokapsel, een onverzorgde baard en een grote ring aan een vinger. Hij noemt zichzelf een commandant, maar ziet er meer uit als een man die je ook in een club kunt tegenkomen. Hij spreekt Hausa, de lingua franca van het noorden, in korte zinnetjes, en eindigt iedere gedachte met een ‘Zeg dat tegen hem’ tegen de imam die tolkt – erop gebrand dat zijn verhaal wordt gehoord.
Hij ziet zichzelf als een veranderd man, wat hij toeschrijft aan Tata en zijn team. Wanneer we hem tijdens het interview vragen waar in de Koran het doden van burgers wordt gerechtvaardigd, zegt de commandant herhaaldelijk dat hij zich dat niet meer kan herinneren. Kennelijk wil hij niet ingaan op zijn vroegere ideeën. ‘Ik ben veranderd, ik wil het niet hebben over rechtvaardiging.’ De imam stelt voor dat we verder gaan.
Vrijwillige deelname
Ferdinand Ikwang staat aan het hoofd van het nationale derad-programma, dat valt onder het Office of the National Security Adviser (ONSA). Hij heeft de leiding over een netwerk van projecten die de economische en sociale omstandigheden aanpakken die aanzetten tot radicalisme, maar zorgt er ook voor dat de basis wordt gelegd voor de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van Boko Haram als dat leger is verslagen en er een vredesovereenkomst is gesloten.
Hij neemt een ferm standpunt in ten opzichte van mannen die de wapens opnemen. Degenen die wreedheden hebben begaan, komen in een derad-programma in de gevangenis. Maar het lagere voetvolk dat het programma heeft doorlopen komt in aanmerking voor vrijlating en mogen ‘hun gewone leven voortzetten’, zij het onder toezicht.
De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze ‘een wapen zullen oppakken’, legt Ikwang uit.
Kuje is niet de enige gevangenis met Boko Haram-gedetineerden. Agwata, in de buurt van Onitsha, een stad in het oosten van Nigeria, heeft er ongeveer honderd, die zich eerder dit jaar hebben overgegeven. Daar begint binnenkort ook een derad-programma, onder leiding van personeel dat is opgeleid in Kuje. En nu steeds meer rebellen de wapens neerleggen komen er nog meer ONSA-centra die Boko Haramleden opnemen.
Deelname aan het derad-programma is vrijwillig. In Kuje hebben vier gevangenen ervoor gekozen om niet mee te doen aan het programma, maar dat deden ze meer om een praktische dan om een ideologische reden: ze vechten de beschuldiging van het OM aan dat ze lid van de groep zijn.
Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven
De meesten van de overige 39 cliënten – allemaal in voorarrest – worden al vier jaar vastgehouden, hoewel niet altijd in Kuje – en als ze in handen zijn van de veiligheidsdienst, is dat niet altijd onder de meest humane omstandigheden.
De voordelen van deelnemen aan het derad-programma zijn duidelijk: ten eerste krijgen de meesten een afgeschermde cel met een stapelbed, totaal anders dan de omstandigheden in de rest van de gevangenis, die in 1989 werd geopend als een detentiecentrum met plaats voor tachtig mensen. Nu zitten er 910 gevangenen in.
Ze hebben een gerenoveerde vleugel voor henzelf, gefinancierd door de Europese Unie, waar de gestructureerde dagelijkse activiteiten plaatsvinden. Ze hebben dingen als toiletpapier en zeep en dat is een voorzieningenniveau dat ongekend is in de met geldtekorten kampende gevangenissen van Nigeria, waar het woord rehabilitatie zelden valt.
‘Een belangrijk uitgangspunt van het programma is dat niemand gedwongen wordt eraan deel te nemen, het is op vrijwillige basis,’ vertelt Kasali Yusuf, coördinator van het gezamenlijke team van ONSA en de penitentiaire inrichting in Kuje. ‘Aanvankelijk melden ze zich waarschijnlijk alleen aan vanwege de privileges, die vervolgens toch ook maken dat ze milder gestemd worden.’
Maar omdat de gedetineerden van Boko Haram onder de overige gevangenen toch al buitengewoon weinig geliefd zijn, ‘leiden die privileges tot veel rancune, wat voor ons weer een uitdaging is. We hebben de andere gevangenen moeten uitleggen dat het speciale programma wordt gefinancierd door de EU,’ legt Yusuf uit.
Yusufs baas, de manager van het behandelingsteam, is de psycholoog dr. Wahaab Akorede. Na bestudering van de casestudy’s van de 43 cliënten komt hij tot de conclusie dat wat hen onderscheidt van de doorsneecrimineel, hun intense woede is, hun verlangen om ‘alles kort en klein te slaan’. Dat suggereert dat ze zelf een trauma hebben opgelopen: ze zijn zo wanhopig, hebben zo weinig toekomstmogelijkheden, dat ze bereid zijn om te geloven dat het paradijs de beloning voor hun martelaarschap zal zijn.’
In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen?
Geen diepe religiositeit
Noch Akorede noch Yusuf – allebei moslim en ervaren gevangenismedewerker – zien veel tekenen die wijzen op een diepe religiositeit onder de mannen in het derad-programma. Akorede noemt andere potentiële factoren: polygame gezinnen waar vrouwen concurreren om de liefde van de man ten koste van de kinderen; de traditionele wijze waarop de islam wordt onderwezen in het noorden, die de jongemannen onvoldoende voorbereidt op de moderne arbeidsmarkt; de harteloosheid van achtereenvolgende regeringen waaronder zovelen hebben geleden en een vroege dood zijn gestorven, ‘tot zelfs God er wel even genoeg van kreeg om die Nigerianen steeds weer te zien langskomen’.
‘Vervreemding’ is volgens hem de meest voor de hand liggende verklaring voor de aantrekkingskracht van Boko Haram. De aanhangers zijn voornamelijk mannen met weinig opleiding en alleen af en toe wat los werk aan de randen van de stad, ‘die ook door moslims in hun eigen gemeenschap als uitschot worden beschouwd’. Ze zijn boos, ‘en religie is het platform om die woede te ventileren’.
Akorede verdeelt de mannen in Kuje in twee groepen: de grote jongens en de volgers. ‘De grote jongens zijn de slimmeriken. Zij weten hoe ze mensen moeten manipuleren. Ze zeggen: “Jouw religie is bijzonder en die wordt bedreigd.”’ In wezen creëren ze een sekte voor wie iedereen de vijand is, inclusief de traditionele religieuze leiders.
En wanneer een beroep op de religie en het martelaarschap niet voldoende is, biedt Boko Haram aan om je familie te helpen. ‘Bijvoorbeeld: een man is niet gelukkig. Hij heeft niet de kans gekregen om een opleiding te volgen. Hij heeft geen toekomst. Als je hem 10.000 naira [$ 50] geeft, draagt hij die bom,’ zegt Akorede.
De commandant lacht wanneer hem wordt gevraagd naar de datum waarop hij zich aansloot bij Boko Haram. De sekte werd gesticht in 2002 door een jonge geestelijke, Mohammed Yusuf, in de noordoostelijke stad Maiduguri. Die stad ligt midden in een regio die eeuwenlang een centrum was van islamitisch onderwijs.
Maar het radicalisme van de commandant dateert al van voor de beweging. ‘Ik was al Boko Haram voordat Boko Haram bestond,’ pocht hij, en hij gebruikt de officiële naam van de groep, Jama’atu Ahlis Sunna Lidda’awati wal-Jihad (‘een beweging gewijd aan de verbreiding van de leer van de Profeet en de Jihad’).
De commandant komt uit ‘een familie waar onderwijs belangrijk werd gevonden’. Maar hij was opstandig, maakte zijn school niet af, en ging werken in een graanmolen in zijn geboorteplaats Biu. Toen zijn vader daarachter kwam, gooide hij hem het huis uit. Vanaf dat moment werd de commandant steeds meer aangetrokken tot de islam en belandde ten slotte in een koranschool in de naburige staat Adamawa, geleid door een Pakistaanse sjeik.
De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze een wapen zullen oppakken
In Nigeria was destijds veel beroering over de sharia. In 2000 was de sharia in twaalf overheersend islamitische staten in het noorden ingevoerd na de roep van de gewone islamiet om een tegengif tegen de corruptie waar de gewone Nigeriaan dagelijks mee werd geconfronteerd. Maar in plaats daarvan werden werkelijke hervormingen tegengehouden door een ‘politieke sharia’, die de belangen van de elite beschermde, waardoor de noordelijke religieuze en politieke leiders nu door sommige radicalen als doelwit werden gezien.
‘Het was niet moeilijk om jongeren aan te trekken. Ze waren nieuwsgierig naar verhalen over de jihad,’ zegt de commandant. Deels kwam dat door de traditionele Almajirai-scholen, waar miljoenen jongens in het noorden nog steeds naartoe worden gestuurd. Ze komen bij een koranleraar (die niet noodzakelijkerwijs over een goed begrip van de tekst beschikt) om teksten uit hun hoofd te leren, en voorzien met bedelen in hun eigen onderhoud en dat van hun leraar. Dat heeft het noorden qua opleiding op een achterstand gezet, waardoor op straat het verzet sluimert.
Het noordoosten van Nigeria heeft de slechtst denkbare sociale indicatoren. Tot de jaren tachtig bestond in het noorden een traditie van progressieve bewegingen. Die streden voor de rechten van de ‘talakawa’ (de gewone burgers) tegen het feodale conservatieve establishment, dat als de oorzaak van hun armoede werd gezien, maar tegenwoordig is het volksverzet tegen onrecht meer religieus georiënteerd.
De confrontatie tussen Boko Haram en de overheid explodeerde in juli 2009. Yusuf had ruzie gekregen met de autoriteiten van de staat Borno en na de moord op een groep van zijn volgelingen beloofde hij wraak te zullen nemen. Zijn mannen vielen politiebureaus en overheidsgebouwen aan in vier noordelijke staten. Tijdens die gevechten vielen zevenhonderd doden, onder wie ook Yusuf, vermoord terwijl hij in Maiduguri in voorarrest zat.
De commandant, die naar de noordelijke stad Kano vluchtte en daar tot zijn gevangenneming ondergedoken zat, brengt een onderscheid aan tussen de begindagen van Boko Haram en het extreme geweld van de groep onder Yusufs opvolger, Abubakar Shekau, een krijgsheer die als meer gewelddadig dan geschoold wordt beschouwd, en die gemene zaak maakt het de mondiale jihadistenbeweging.
‘Ik weet niet hoe het is gebeurd. In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen? Dat begrijp ik niet,’ zegt de commandant. Meer dan 25.000 mensen zijn omgekomen bij aan Boko Haram gerelateerd geweld, zowel in Nigeria als over de grens – voor het overgrote deel medemoslims.
Tata heeft nog een cliënt voor me om mee te praten, een tengere man met een bril, een keurig verzorgde baard en een schone witte dashiki, een tuniek. Hij spreekt vol respect over wat hij beschouwt als Yusufs integriteit en waarachtigheid. Zijn verklaring voor de opkomst van Boko Haram is dat de Nigeriaans maatschappij bevrijd moest worden van corruptie, onrecht en homoseksualiteit.
Hij had deel uitgemaakt van Yusufs kabinet, of ‘shura’, en zegt dat hij voordat hij werd opgepakt in 2011, de leider van Boko Haram was in drie staten: Bauchi, Gombe en Plateau. Hij beschuldigt de autoriteiten van ongerechtvaardigde agressie en geeft als voorbeelden het platgooien van de grote Markaz-moskee van de groep na de opstand in Maiduguri en de buitengerechtelijke moord op Yusuf, waarvoor geen politieman is veroordeeld. Als iemand het levende bewijs is van Akoredes stelling over de gevaren van gefrustreerde, boze individuen, dan is het wel deze gedreven man.
Hij had ‘38 of 40’ broertjes en zusjes en hoewel hij de basisschool had afgemaakt, ging hij op zijn twaalfde van de middelbare school af. Hij werd monteur van elektrische auto’s in Maiduguri, maar de armoede in het noorden en de onverschilligheid van de rijken wekten woede in hem op. ‘Ik geloofde dat als je bereid was om geweld te gebruiken, je je doel kon bereiken.’
Hij praat niet over waar hij heeft gevochten of wat hij heeft gedaan, hij zegt alleen: ‘Voor ik dit programma had gevolgd zou ik geen tijd voor je hebben gehad. Er zouden geen grapjes worden gemaakt. Ik was hard. Nu besef ik dat het belangrijk is om te luisteren en meningen uit te wisselen.’
Weinig mensen in Maiduguri geven toe dat familieleden van hen zich bij Boko Haram hebben aangesloten, maar Mohammed Garima wil zijn verhaal wel vertellen. Zijn 25-jarige neef sloot zich aan bij de groep en hij probeert nog steeds te begrijpen waarom.
‘Armoede zou een reden kunnen zijn,’ zegt hij. De jonge man was bandenreparateur, oftewel een vulkaniseerder, en verdiende waarschijnlijk zo’n vijf dollar per dag. ‘Maar er was nog iets. Hij zonderde zich altijd af van mensen, meende dat hij religieuzer was dan alle andere mensen.’
Garima had zelf Yusuf horen preken en was er niet van onder de indruk. ‘Hij veroordeelde alles: de wegen, de sociale voorzieningen, het onderwijs, de ziekenhuizen, dingen waar we gebruik van maken – dingen waar hij gebruik van maakte – en weinig van wat hij zei had iets spiritueels.’ In 2009 verdween zijn neef en de familie wist toen meteen dat hij zich had aangesloten bij Boko Haram. Af en toe zocht hij contact, en toen zijn oma overleed, eiste zijn vader dat hij langskwam. Toen hij in de stad was, werd hij herkend en gearresteerd. Garima heeft later gehoord dat hij in detentie is gestorven op de luchtmachtbasis Kainji bij Maiduguri.
Harde kern
Alle mensen met wie ik in Maiduguri sprak, deelden een overtuiging die de moeilijke positie van het derad- programma weergeeft: voor de harde kern van Boko Haram is re-integratie onmogelijk. ‘Ze verschijnen in de gedaante van een mens, maar eigenlijk zijn het duivels,’ zegt een man die anoniem wil blijven. ‘Zo iemand heeft je moeder of je vader vermoord, je huis in brand gestoken; hoe kan je met zo iemand samenleven? Dat is onmogelijk,’ voegt Garima eraan toe. Hij is iets verzoenender ten opzichte van hen die gedwongen werden zich aan te sluiten. In sommige gevallen kan er amnestie worden verleend, ‘maar ze zullen naar een andere staat moeten worden gebracht, anders gaan mensen wraak nemen,’ zeg hij.
Volgens Ikwang, de leider van het derad-programma, maar ook een deskundige op het gebied van ontwapening, demobilisatie en re-integratie, mogen ze in de maatschappij terugkeren via zogenaamde ‘halfway houses’ en komen dan onder toezicht te staan. Ze worden op basis van hun beroep ingedeeld in coöperaties, waar therapie verplicht is.
De acceptatie door de gemeenschap is essentieel. ‘Als je vierhonderd ex-krijgers laat terugkeren in de gemeenschap, moet je de gemeenschap erbij betrekken. Als er vierhonderd van die ex-rebellen bij komen, moet je ook voor vierhonderd lokale jongeren een plek bieden in een werkgelegenheidsprogramma van de overheid, anders gaat de ontvangende gemeenschap luidkeels protesteren en dreigen hen te zullen vermoorden,’ aldus Ikwang.
Maar gezien de slechte reputatie van de Nigeriaanse overheid als het aankomt op het uitrollen van wat langer durende programma’s, het oormerken van de fondsen en de efficiënte besteding ervan, rijst de vraag hoe voorkomen kan worden dat het derad-programma ten onder gaat in schandalen en verspilling. Akoredes antwoord is een koppig ‘We hebben geen andere keuze dan stug door te zetten’.
Acceptatie door de gemeenschap is essentieel
Resultaten
Er is een nog fundamentelere vraag: werkt zo’n deradicaliseringsprogramma nu echt? Natuurlijk is het in de Kuje-vleugel volkomen veilig, dat is zowel in het belang van het personeel als van de gedetineerden. De leden van het behandelingsteam dragen burgerkleding en bewegen zich vrijelijk onder de cliënten en praten gewoon met ze, een noviteit voor sommigen die gewend zijn aan gevangenissen waar een gedetineerde op zijn hurken moet gaan zitten voor hij een bewaarder mag aanspreken.
‘De uitdaging is om het hart en de ziel van de extremisten te bereiken,’ vertelt Ekpedeme Udom, het hoofd van alle derad-programma’s. ‘Dit is nieuw in Afrika en we hebben buitengewoon goede resultaten.’ Maar als ervaren gevangenismanager is ze heel goed op de hoogte van de discussies die er dagelijks in Kuje worden gevoerd tussen cliënten en de staf, waarbij beide partijen opkomen voor hun eigen belangen.
Udom behoort tot een nieuwe generatie hervormingsgezinde gevangenismanagers. Ze kreeg carte blanche om namens ONSA het programma in Kuje te ontwikkelen, voortbordurend op de CVE-programma’s die in Azië en het Midden-Oosten worden toegepast.
Deradicalisering vereist een reusachtige investering, van het opleiden van personeel tot het opschalen van voorzieningen en het financieren van programma’s die de ex-rebellen na hun vrijlating moeten volgen. De literatuur geeft geen duidelijke recidivismecijfers en biedt dus geen juist beeld van de resultaten. Een deel van het probleem is ‘dat het gewoon nog te vroeg is om er iets over te zeggen,’ legt Udom uit. ‘CVE wordt nog maar zo’n tien jaar in de wereld toegepast.’
Ikwang maakt zich wel zorgen over een meer structureel probleem, dat voorkomt uit Nigeria’s slechte bestuurlijke staat van dienst, waardoor Boko Haram – en andere sluimerende conflicten verspreid over het hele land – konden ontstaan. ‘Extremisme is een ideologie die bij de kern moet worden aangepakt, te beginnen op de kleuterschool, met een overheid die zich veel ontvankelijker en verantwoordelijker opstelt ten opzichte van haar burgers,’ waarschuwt hij. En peinzend verzucht hij: ‘Hoe hebben wij deze generatie kinderen zo in de steek kunnen laten?’
Obi Anyadike
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.