Tag: buitenland nieuws

  • Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Zwart New Orleans heeft niet zo veel te juichen

    Onder de zwarte bevolking van New Orleans leeft veel wrok over de reactie van de autoriteiten op Katrina en de veranderingen die de stad sindsdien heeft ondergaan. Kunstenaars vertolken deze gevoelens van onvrede, en proberen de lokale tradities in ere te houden.

    New Orleans is een stad die onuitwisbaar getekend is door blanke suprematie. Reusachtige monumenten gewijd aan ‘helden’ van de Geconfedereerden, zoals Robert E. Lee, Jefferson Davis en P.G.T. Beauregard, zijn zowel geestelijk als geografisch lelijke littekens in de stad. Maar New Orleans is ook een zwarte stad. Een plek waar een cultuur van verzet is ontstaan tegenover de blanke minderheidsklasse. De tradities van de stad vinden hun oorsprong in de diaspora van Afrikanen die elkaar ontmoetten op Congo Square en daar kunst en magie uitwisselden, en in de oorspronkelijke indiaanse bevolking die in Louisiana leefde voordat het een kolonie werd. Deze ontmoeting en uitwisseling van Afrikaanse en indiaanse volkeren vormt de kern van de cultuur van het New Orleans dat ik ken.


    In 1977 werd Ernest ‘Dutch’ Morial tot burgemeester van New Orleans gekozen en daarmee werd een tijdperk van zwarte burgemeesters ingeluid dat tot 2010 zou duren, toen Mitch Landrieu aan de macht kwam. Landrieu, de eerste blanke burgemeester in dertig jaar, werd in 2014 herkozen voor een tweede termijn. De bevolking van de stad was radicaal veranderd. De orkaan Katrina, die duizenden mensen het leven had gekost, had ook gezorgd voor de gedwongen verhuizing van zwarte inwoners. De zwaar getroffen ‘Ninth Ward’ zag in de eerste tien jaar na Katrina zijn zwarte bevolking met 50 procent afnemen, terwijl in dezelfde buurt de blanke bevolking met meer dan 20 procent toenam.

    Geesten

    Er waren nog wel steeds veel geesten rond. Van onze voorouders, die vanuit de westkust van Afrika en later Haïti arriveerden, tot de slachtoffers van grote en kleine opstanden, waaronder de grootste Amerikaanse slavenopstand in 1811. In de dagen na Katrina werd Henry Glover vermoord door de politie van New Orleans, werd zijn lijk weggehaald van de moordplek en later door weer andere agenten verbrand. Zijn schedel is nooit teruggevonden. En dan de ernstigste gebeurtenis van allemaal: de autoriteiten van New Orleans, een van de grote steden in Amerika, hadden besloten tot een verplichte evacuatie, maar de 25 procent van de mensen die geen vervoer had, werd achtergelaten. Er waren geen bussen, geen treinen die de stad uit reden. Het zou vijf dagen duren voor er extra vervoer werd geregeld en de federale overheid ingreep, en toen gebeurde dat meteen ook onder bedreiging van vuurwapens.

    Het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans is een macaber verhaal geworden

    In New Orleans leven we nog steeds met het trauma van die vijf dagen en de vele dagen die erop volgden. Om in de stad te blijven wonen moest je snel herstellen, vergeten zonder te rouwen. De waarheid bleef onder tafel, en je kreeg geen schadevergoeding voor wat je was kwijtgeraakt, voor wat je was afgenomen. Nooit werd toegegeven wat we allemaal weten: dat de ergste gevolgen van de orkaan Katrina niet 
de schuld waren van Moeder Natuur.

    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH
    Twee leden van The Max Band, een van de vele schoolfanfares in New Orleans. © Jamie James Medina / HH

    Zwarte middenklasse

    Nooit zijn er meer blanke mensen en non-profitorganisaties nodig geweest om het tekort aan leraren en naschoolse programma’s op te vullen. Tegenwoordig is het leerlingenbestand in New Orleans voor 90 procent zwart. In 2005 was bijna 75 procent van de leraren ook zwart. Maar in 2013 zou volgens gegevens van het Cowen Institute van de Tulane-universiteit ongeveer 54 procent van de leraren aan charter schools – openbare scholen, maar onder onafhankelijk bestuur, tegenwoordig voor de meeste ouders in New Orleans de enige keuze – uit de zogenaamde ‘minderheden’ afkomstig zijn. Dat heeft tot veel onenigheid geleid tussen docenten, ouders en leerlingen, en ook kwamen er studentendemonstraties tegen het tekort aan zwarte onderwijzers dat steeds verder oploopt in de stad.


    Het massaontslag van 7500 onderwijzers, vooral zwarten, in december 2005 maakte de weg vrij voor de ontmanteling van het traditionele systeem van openbare scholen en het begin van het eerste schooldistrict in het land met alleen maar charter schools. Die ontslagen onderwijzers vormden een groot deel van de zwarte middenklasse van New Orleans, en velen van hen hebben sindsdien geen vergelijkbaar werk kunnen vinden. Een ‘prachtig’ sociaal experiment heeft de onafhankelijke, artistieke en politiek bewuste zwarte mensen in het nauw gebracht, mensen die New Orleans wereldwijde bekendheid verschaffen. In de bijna tien jaar na Katrina is het verhaal van een ‘nieuw’ Orleans een vertrouwd maar macaber verhaal geworden.

    We overleven en houden vol, gewoon omdat dat de traditie is

    Schone lei

    Het Downtown Development District – het bureau dat plannen maakt voor de ontwikkeling van de binnenstad – hangt in het zakenkwartier van de stad spandoeken op met de tekst: ‘Welkom op een schone lei’. Een verhaal waarin het leed en de dood van zwarten een onvermijdelijk en niet te betreuren gevolg is van de ‘vooruitgang’ wordt voor zoete koek aangenomen. Dat verhaal vertelt dat het ‘nieuwe’ New Orleans een plaats is waar creatieven en innovatieven van elders massaal naartoe trekken, een plaats die ‘diverser’ is dan ooit.

    Het verhaal van het ‘nieuwe’ New Orleans vertelt de nieuwkomers niets over de zwarte en Vietnamese wijken waar ik ben opgegroeid. Of over de avonden waarop we enkel indianen op straat zagen, geen enkele blanke. De tijd dat we recht hadden op onze identiteit en we niets tegenover iemand van buiten hoefden te bewijzen. Toen we elke gelegenheid te baat namen om uitbundig feest te vieren, en onze waardigheid en identiteit wisten te behouden.

    Maar het vermogen om te creëren in de woelige nasleep van een gedwongen verhuizing is ouder dan het rampenkapitalisme en onlosmakelijk verbonden met de cultuur van New Orleans. De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd.

    Succesvol toneelschrijver, artiest en sjamaan Geryll ‘Dr. G Love’ Robinson is zo’n kunstenaar die onze cultuur niet verloren laat gaan. Robinson heeft, samen met een groep die Category 5 Arts heet, na de verwoestingen van Katrina helende mandala’s gemaakt voor de stad. Robinson is ook een voorbeeld van iemand die gebruikmaakt van de traditie van de collectiviteit die vanuit Afrika over de oceaan naar New Orleans was meegenomen en ook bij de indiaanse volkeren van Noord- en Zuid-Amerika leefde.

    Het is een traditie die nog steeds springlevend is. Die vind je terug in Spirit House, een toneelstuk geschreven door Robinson en kunstenares en activiste LaKeesha J. Harris, in samenwerking met de Greater New Orleans Housing Foundation en de Cripple Creek Theatre Company. Met behulp van spirituele elementen zoals de orisha’s – bovennatuurlijke wezens afkomstig uit verschillende Afrikaanse religies – behandelt het toneelstuk de discriminerende huisvestingspolitiek en de huurpraktijken waar de zwarte inwoners van New Orleans zo veel last van ondervinden.

    Zwarte kunstenaars in New Orleans maken nog steeds kunst, zoals ze altijd hebben gedaan, creëren een nieuwe connectie met de diaspora en houden de oude drie-eenheid in ere: het optreden, de ceremonie en de traditie, die al sinds lange tijd de basis vormen van de cultuur van het zwarte New Orleans.

    Spirit House brengt de gedwongen verhuizing van de zwarte inwoners van New Orleans in verband met het patroon van verjagen en landjepik dat zo onlosmakelijk met de uitbreiding van de Verenigde Staten is verbonden. Het huis waar Spirit House zich afspeelt is de woning van Mama Celeste en Joe, en een groep pensiongasten die er voor korte of lange tijd verblijven en lijden onder de woningnood in New Orleans. De eigentijdse spanning komt vooral voort uit het feit dat Celeste en Joe uit hun woning gezet dreigen te worden vanwege een niet betaalde onroerendgoedbelasting. Er hangt een bittere ironie over dit conflict. Tremé is de oudste zwarte wijk van het land, opgebouwd en bewoond door vrije gekleurde mensen en later door bevrijde zwarten. Katrina heeft de economie van die wijk volledig ontwricht. Joe is een Mardi Gras-indiaan, afstammend van de oorspronkelijke inwoners van Louisiana. Ondanks die geschiedenis, zijn band met het land en het repressieve verleden van ons land, kan hun belastingschuld niet worden kwijtgescholden.

    De orkaan Katrina is niet de eerste ramp die onze cultuur heeft overleefd

    Recht op leven

    In Spirit House worden alle verliezen gecompenseerd door de vreugde die wordt ontleend aan het behoud van het gemeenschapsritueel en de wetenschap dat als mensen worden verjaagd, ze nog niet dood zijn. Het valt niet mee om je weer op te richten en te gaan creëren na zo’n heftige verwoesting, maar het gebeurt in New Orleans. Het verzet, de ceremonie, de traditie en de schoonheid blijken niet onverenigbaar in het werk dat wordt geproduceerd, die bijten elkaar niet, en dat doen wij ook niet. We werken samen in een gemeenschap om ervoor te zorgen dat het New Orleans dat we kennen in ere wordt gehouden. Zwarte kunstenaars laten zien dat er een recht op leven bestaat, en op het ervaren van vreugde los van het lijden. Het verlangen naar vreugde en het putten uit het machtige potentieel ervan vormt een krachtig onderdeel van het werk dat door zwarte kunstenaars in deze stad wordt verricht. We herdenken de doden en leiden in hun schaduw een groots leven, en we komen voor onszelf op in een tijd waarin niet wordt gerouwd om de moord op onze mensen. Het is een drastische keuze van ons om door te zetten, maar we komen uit New Orleans, en daar overleven we en houden we vol, gewoon omdat dat de traditie is.

    Guernica

    Verenigde Staten, guernicamag.com
    Tweewekelijks tijdschrift dat in 2004 in New York werd opgericht door twee 
vrienden met een hartstochtelijke belangstelling voor literatuur en journalistiek. 
In de afgelopen tien jaar slaagden zij erin een stevige reputatie op te bouwen bij lezers in meer dan honderd landen.

  • Vier simpele manieren om maar twee uur per dag te hoeven werken

    Vier simpele manieren om maar twee uur per dag te hoeven werken

    Noah Charney is een Amerikaans schrijver met een jaloersmakende productie. Hieronder geeft hij vier tips om meer te doen in minder tijd.

    Twee jaar geleden schreef ik anderhalf boek, gaf ik drie cursussen en schreef ik 66 stukken (waarvan er 62 werden gepubliceerd), plus de 52 afleveringen van mijn wekelijkse serie over schrijven. En dat terwijl ik in april van dat jaar ook nog eens mijn eerste kind had gekregen, zodat de helft van mijn agenda in beslag werd genomen door de zorg voor de kleine en aanverwante huiselijke beslommeringen.

    Sinds de geboorte was ik niet meer op alle fronten zo actief als ik wel zou willen: ik las niet half zoveel boeken als het jaar ervoor, en van films kijken, voor de buis hangen en languit op de bank een blaadje lezen kwam bedroevend weinig terecht. Maar het schrijven ging me op de een of andere manier vlotter af dan dan ooit. Ik kreeg zo veel verbaasde en belangstellende reacties van vreemden en vakgenoten dat het me een goed idee leek om eens uit te zoeken wat die ‘een of andere manier’ eigenlijk was. Hoe had ik het voor elkaar gekregen, en wat is mijn recept?

    Welaan, hier volgt mijn persoonlijke methode om meer te doen in veel minder tijd. Mijn complete ‘plan voor de twee-urige werkdag’ (of elementen daaruit) is geschikt voor iedereen die zijn tijd efficiënter wil besteden, en in het bijzonder voor mensen zoals ik die mobiel werken (d.w.z. op een laptop) en iets creatiefs doen (dus geen data invoeren of zoiets). Geen nood voor wie gewoon op kantoor werkt, in zijn normale kloffie en niet – zoals ik vaak doe – in zijn pyjama. Mijn methode is even goed te gebruiken voor andere vormen van arbeid. Dus stroop de spreekwoordelijke mouwen op (al heb ik zelf vaak een T-shirt aan bij mijn pyjamabroek) en ga aan de slag – maar met mate.

    Beloon jezelf: drink een kop koffie, eet een fruitbeertje of kijk een filmpje van een kat die van tafel lazert

    Verdeel je tijd in behapbare porties

    Mijn schrijfwerk valt grofwerk uiteen in boeken en artikelen. Een non-fictieboek is in feite niets anders dan een lang uitgevallen artikel, of een serie artikelen met een duidelijke rode draad. Waar het om gaat is dat je je werk in porties verdeelt: in blokken met een tijdsduur die je elke dag redelijkerwijs kunt halen en waarin je je zonder farmaceutische hulpmiddelen kunt concentreren.

    Mijn systeem werkt niet voor fictie, tenminste niet in mijn geval. Fictie schrijven kan ik alleen als ik voor langere tijd alleen kan zijn, liefst zonder limiet, zodat ik helemaal kan opgaan in de wereld die ik schep.

    Dan heb ik een prinses-op-de-erwtachtige behoefte aan rust, plus sloten koffie, een waterpijp of een elektronische peuk, en mijn Peruaanse naakthond aan mijn voeten. Maar voor non-fictieboeken en artikelen werkt het prima. En je hoeft geen schrijver te zijn om de vruchten van aan deze aanpak te plukken. Je kunt elke klus, van data invoeren tot belastingaangifte doen, in mootjes hakken zodat je je productiever voelt (doordat je meer hokjes kunt afvinken, al staan die hokjes dan voor delen van een groter project) en er minder tegenop ziet (zes kilometer hardlopen lijkt een hele toer, maar zes keer een kilometer is goed te doen). Doe als Pavlov met zijn conditioneringstheorie en geef jezelf na elke portie een beloning: drink een kop koffie, eet een fruitbeertje, kijk een YouTubefilmpje van een kat die van een tafel lazert. Het werk valt je lichter als je weet dat er na afloop iets leuks in het verschiet ligt.

    Je productiviteit daalt als je de hele dag op dezelfde plek zit

     © Gregor Schuster/ Getty Images
    © Gregor Schuster/ Getty Images

    Door de zorg voor het kind en het huishouden kan ik meestal maar hooguit twee uur achter elkaar werken. Daarom splits ik mijn non-fictieprojecten meestal op in porties ter grootte van een artikel. Een boek telt doorgaans 80.000 tot 100.000 woorden, wat neerkomt op zo’n zestig tijdsblokken van twee uur à 1500 woorden. Natuurlijk gaat er in een boek altijd meer tijd zitten dan je denkt (je moet research doen, een opzet maken, mensen interviewen en schaven, schaven en nog eens schaven), maar dat doet niets af aan het basisprincipe: je deelt het schrijven van de kladversie op in een x-aantal porties van twee uur, zoals je dat ook doet met artikelen of andere mobiele klussen om ze behapbaar te maken.

    Aan de ruwe versie van mijn meest recente boek, Kunstvervalsing, heb ik twee maanden lang twee uur per dag gewerkt. Bij het maken van de opzet had ik de inhoud in hapklare brokken van 1500 woorden verdeeld, die ik in korte sessies zou kunnen schrijven. Zelf gebruik ik dit systeem voor mijn schrijfwerk, maar het leent zich evengoed voor andere bezigheden, en ook de duur van het tijdsblok kan naar believen worden aangepast. Zelfs iets als data invoeren kun je in porties verdelen die makkelijker te behappen zijn: duizend cijferreeksen intikken lijkt een heidens karwei, maar tien keer honderd is best haalbaar, zeker als je pauzes inlast als beloning voor je noeste arbeid.

    Kun je meer dan twee uur per dag aan je werk besteden, des te beter. En het geeft ook niet als je geen twee maar acht uur doet over de kladversie van een stuk, of wat voor klus ook. Het gaat niet om hoe snel of hoelang je werkt, maar om het principe dat je het werk opdeelt in tijdsblokken waarin je scherp en geconcentreerd kunt blijven. Voor mij blijkt dat twee uur te zijn; daarna dwalen mijn gedachten onherroepelijk af en móét ik Twitter checken, pinda’s eten, Hubert van Eyck uitlaten (zo heet mijn Peruaanse naakthond) of voor de tigste keer dat kattenfilmpje kijken.

    Ik heb sowieso om de twee uur pauze nodig om acute oververhitting van de hersenpan te voorkomen, dus dan kan ik net zo goed helemaal stoppen en later verdergaan in een nieuw tijdsblok van twee uur. Die tijdsblokken kun je zo lang of kort maken als je prettig vindt – of wat praktisch is. Advocaten die kwartier-tarieven hanteren gaan hun werk op den duur vanzelf in kwartieren opknippen. Deze methode werkt twee kanten op: behalve een groot project in kleine brokken hakken kun je ook alert zijn op loze momenten en die vervolgens zo nuttig mogelijk besteden. Wat kun je doen als je ineens een half uurtje over hebt? Ben je bijvoorbeeld secretaresse en schrijf je in je schaarse onbezoldigde uren een roman, beschouw dan elk vrij kwartiertje als een mooie meevaller en haal eruit wat erin zit.

    Ben ik klaar met een taak, dan vink ik meteen het hokje af

    Zorg voor een aparte werkplek

    Een aparte werkplek is een must, of je nu thuis werkt of op kantoor. Ik heb een tijd weinig uit mijn handen gekregen omdat ik thuis zat te tikken met een half oog op de baby en dus zowel mijn werk als de kleine tekortdeed. Nu ga ik voor mijn twee-urige werksessies naar een café of zonder me af in een andere kamer met een koptelefoon op mijn knar. Ik houd van afwisseling qua werkplek en verkas zelfs binnen een en dezelfde kamer (van de bank naar de eettafel) als ik aan een nieuw tijdsblok begin.

    In veel moderne kantoren, vooral in de ITC-sfeer, is er rekening mee gehouden dat je productiviteit daalt als je de hele dag op dezelfde plek zit. Daarom zijn er geen vaste werkplekken: je krijgt een bureau, maar er zijn ook luie stoelen, lekkere banken en andere mogelijkheden om van plaats te verwisselen. Als je iets dergelijks als thuiswerker ook kunt doen, zul je merken dat je steeds met een frisse blik naar de dingen kijkt. De essentie is dat je je werktijd en -plek weet te scheiden van ontspanning, sociale verplichtingen en je gezinsleven.

    Ga je ’s ochtends naar kantoor, dan lukt dat vanzelf (werken doe je immers op je werk). Maar anders moet je jezelf strenge regels opleggen. Als ik aan het werk ben, wil ik me daar voor de volle honderd procent op kunnen storten, zodat ik als ik níét werk er ook voor de volle honderd procent ben voor mijn gezin (of voor de volle honderd procent op de bank kan hangen met een bak pinda’s). Laat je je werk, gezin en ontspanning in elkaar overvloeien, dan heeft alles daar uiteindelijk onder te lijden.

    © Getty Images
    © Getty Images

    Maak lijstjes

    Stel dat je per week maar tien tijdsblokken hebt waarin je echt ongestoord kunt werken (liever meer, maar als er tijd bijkomt is dat mooi meegenomen), dan moet je structuur aanbrengen in je activiteiten. Dat kan in verschillende gradaties van dwangmatigheid, maar mijn methode is redelijk relaxed. Aan het begin van elke week pak ik mijn Moleskine-weekplanner (ik doe dit klusje liever analoog dan digitaal) en maak een lijstje van wat ik allemaal moet doen. Voor elke taak zet ik een hokje.

    Pas als ik alle hokjes heb afgevinkt, mag ik van mezelf de bladzijde om-slaan en het lintje verleggen; zo dwangmatig ben dan weer wél. Ben ik klaar met een taak, dan vink ik meteen het hokje af en noteer in het zevendagenoverzicht wat ik heb gedaan, inclusief het aantal woorden als het om een schrijfopdracht gaat. Zo kan ik mijn werk in cijfers uitdrukken en in één oogopslag zien hoe productief ik ben, en dat is goed voor het moreel. Als ik op termijn een aantal artikelen af moet hebben, teken ik alvast hokjes voor een paar weken vooruit, met aparte hokjes voor de kladversie en de eindversie.

    Ik maak ook hokjes voor deadlines, afspraken en andere bezigheden buiten de deur. Hoe meer hokjes om af te vinken, hoe beter. Op deze manier kun je precies zien hoeveel werk je verzet en daar rekening mee houden in je planning. Voor Kunstvervalsing had ik een lijstje gemaakt van zo’n veertig boekdelen ter lengte van een artikel waarvoor ik research moest doen (een hokje) en die ik vervolgens moest schrijven (een tweede hokje). Zo kon ik steeds precies zien hoe ik vorderde en wat er nog openstond.


    Ik vind dit een geweldig systeem. Het is niet alleen de ideale planningtool, ook mentaal werkt het beter om veertig keer tien pagina’s te schrijven die je elke keer kunt afvinken dan aan te hikken tegen een gapend gat van vierhonderd pagina’s dat je moet zien te vullen. En ook dit principe is algemeen toepasbaar – het hele huis schoonmaken een helse opgave, maar zes kamers in elk tien minuten? Dat valt reuze mee.

    Blijf je e-mail de baas

    Een groot deel van de werkdag, zowel thuis als op kantoor, gaat heen met mailen en internetten. Dat is geen nieuws, maar ik krijg zo veel complimenteuze en soms ronduit jaloerse reacties van vrienden, vreemden en collega’s die mijn e-mailhandtekening hebben gelezen dat ik mijn methode toch maar uit de doeken doe. Onder de meeste mails die ik verstuur, staat de mededeling dat ik ‘maar twee keer per week mijn mail bekijk en beantwoord’, met excuses voor het geval ik wat laat reageer en een verwijzing naar een e-mailadres voor dringende zaken. Het idee om je e-mail de baas te zijn in plaats van andersom spreekt mensen enorm aan in deze tijd dat iedereen permanent geacht wordt online te zijn. Als ik met administratieve dingen bezig ben (mailen, factureren, bellen en dergelijke) kan ik mijn hoofd meestal niet zo een-twee-drie in de ‘creatieve stand’ krijgen die nodig is om te kunnen schrijven. Daarom probeer ik aparte momenten in te plannen voor dit soort klusjes, zodat ze niet ten koste gaan van mijn echte werk, het schrijven.

    Maar ik begrijp heus wel dat niet iedereen het zich kan permitteren om maar twee keer per week zijn mail te checken. De meeste mensen moeten voor hun werk immers voortdurend bereikbaar zijn. Toch zijn er manieren om je niet door je e-mail te laten ondersneeuwen zonder dat je compleet van de radar verdwijnt. Wat prima werkt, is om meerdere e-mailadressen aan te maken, die je op verschillende manieren checkt en voor verschillende toepassingen gebruikt. Eén adres reserveer je voor dringende zaken (noodgevallen, deadlines, e-mails van je baas), en omdat je deze berichten snel moet kunnen zien, zet je dit mailaccount op je telefoon. Maar je geeft het adres niet aan Jan en alleman, anders word je gek van het geping in je broekzak. Daarnaast kun je een of meer adressen aanhouden voor werkgerelateerde zaken die geen haast hebben en die je maar één keer per dag (of twee keer per week) hoeft te checken.

    Dit artikel, van welgeteld 
2386 woorden, heeft me exact 
205 minuten gekost

    Zorg ervoor dat je sociaal mailverkeer, zoals berichtjes van je tante Gertrude of een oude studievriend, ergens anders onderbrengt, zodat je niet constant wordt bestookt met privéberichtjes (of die overhaast afhandelt om snel door te kunnen werken). Zelf gebruik ik voor privézaken liever een chatdienst en houd ik de e-mail alleen aan voor werk. Tegenwoordig kun je je berichten ook door één enkel e-mailaccount laten sorteren. Gmail bijvoorbeeld splitst je binnenkomende mails automatisch uit naar ‘primair’, ‘sociaal’ en ‘reclame’, en desgewenst ook nog andere categorieën. Dat is mooi, maar het nadeel is dat je die categorieën niet op verschillende apparaten kunt laten binnenkomen. Zelf heb ik drie e-mailadressen. Nummer een, voor urgente zaken, zit op mijn telefoon. Nummer twee, voor de gewone werkcorrespondentie, komt via Outlook binnen op mijn laptop; dit zijn de mails die ik zo’n twee keer per week afhandel. En nummer drie is voor dingen die geen haast hebben en waar ik dus maar eens in de week naar hoef te kijken, en dat doe ik via webmail.

    Verder voer ik al mijn e-mailcorrespondentie terwijl ik offline ben. Dat wil zeggen dat ik op een icoontje moet klikken om mails te kunnen ontvangen en versturen, en dan weer offline ga om ze te lezen en beantwoorden. Zo bespaar ik me de ellende dat er vijf nieuwe mails binnenploppen terwijl ik mijn inbox leeg probeer te krijgen. Want ik ben wel zo’n neuroot dat ik elke binnenkomende mail meteen moet lezen en beantwoorden, dus deze aanpak is echt mijn redding. Net als met hokjes afvinken en je werk in blokken van twee uur hakken is ook dit een kwestie van de dingen goed indelen, zodat je meer kunt doen in minder tijd.

    Dit artikel, van welgeteld 2386 woorden, heeft me exact 205 minuten gekost, oftewel twee blokken van twee uur. Zo, nu snel een hokje afvinken in mijn Moleskine-planner en dan met een zak fruitbeertjes binnen handbereik fijn een kattenfilmpje kijken.

    Noah Charney

    Noah Charney is op 24 september te gast bij het John Adams Instituut in Amsterdam. In De Duif aan de Prinsengracht gaat hij in gesprek met Pieter van Os over zijn boek Kunstvervalsing, dat onlangs verscheen bij uitgeverij Terra Lannoo. 
Aanvang: 20.00 u
    Noah Charney is op 24 september te gast bij het John Adams Instituut in Amsterdam. In De Duif aan de Prinsengracht gaat hij in gesprek met Pieter van Os over zijn boek Kunstvervalsing, dat onlangs verscheen bij uitgeverij Terra Lannoo. 
Aanvang: 20.00 u
  • Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Aziatische uitvaarten zijn gouden handel

    Van Japan tot Singapore wordt de bevolking grijzer en rijker. Daarmee groeit de behoefte aan uitvaartdiensten op maat. Voor begrafenisondernemers is niets te gek om aan de buitenissige wensen van hun klanten te voldoen.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week werd bekend dat de Indonesische hoofdstad Jakarta Tokio voorbijgestreefd is als grootste stad ter wereld. Een van de redenen waarom het inwoneraantal van de Japanse hoofdstad nauwelijks of niet groeit, is de vergrijzing waarmee Japan al jaren te kampen heeft.
    Als gevolg daarvan hebben begrafenisondernemers hun handen vol, getuige dit artikel van tien jaar geleden. Ze sparen kosten noch moeite om aan de wensen van hun klanten te voldoen. Hier geldt wel heel letterlijk: de een zijn dood is de ander zijn brood.

    De teint van geelzucht, afzichtelijke kogelwonden, gebroken botten als gevolg van auto-ongelukken op hoge snelheid: geen zee gaat de verfspuit van Lee Jonglan te hoog.

    ‘U ziet dat de rechterkant van haar gezicht er normaal uitziet,’ zegt Lee, terwijl haar tengere model met moeite haar ogen dichthoudt. ‘Maar links ziet het er een beetje gezwollen uit omdat we zo veel foundation hebben aangebracht.’

    Het is niet perfect, stelt Lee vast. Maar ze streeft dan ook niet naar perfectie. Ze streeft naar troost voor de nabestaanden. ‘Kijk eens hoe mooi ze eruitziet,’ zegt ze. Het model, herrezen uit de dood, glimlacht. De omstanders verdringen zich rond haar, visitekaartjes in de aanslag.

    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters
    Een make-updemonstratie op de Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs in Macau. © Tyrone Siu / Reuters

    Kunstdiamanten van as

    Lee, in Zuid-Korea dé topvisagiste voor doden, was zichtbaar in haar element, en niet alleen vanwege haar tv-sterrenglimlach. Ze was de koning te rijk toen ruim honderd begrafenisondernemers, fabrikanten, ambtenaren en zakenlui in mei de jaarlijkse Aziatische Uitvaart- en Begrafenisbeurs en -Conferentie bezochten, die werd gehouden in Macau, een semiautonome bestuurlijke regio aan de Zuid-Chinese kust.

    Drie dagen lang wisselden deelnemers – uit alle windstreken, van het nabijgelegen Hongkong tot helemaal uit Bolivia – handdrukken en contactgegevens uit. Ze hadden afspraken met Mongoolse begrafenisondernemers, Maleisische begraafplaatsontwikkelaars, Chinese doodskistenmakers en strak in het pak gestoken Nederlandse zakenlui die na een crematie fonkelende kunstdiamanten maken van de as, zodat vermogende nabestaanden de overblijfselen van hun geliefde bij zich kunnen dragen. De expobezoekers luisterden onder een kristallen kroonluchter in een weelderige conferentiezaal naar lezingen met titels als ‘DNA zit in het DNA van de begrafenissector’ en ‘Lessen uit ebola’.

    ‘De Aziatische uitvaartsector verschilt totaal van die in het Westen,’ zegt Kenny Lo, directeur van Vertical Expo Services, het in Hongkong gevestigde bedrijf dat de beurs organiseert. ‘Hier in Azië is die zeer behoudend, vooral in China. Heel traditioneel. En tot op zekere hoogte – hoe zal ik het zeggen – nogal gesloten, niet erg transparant.’

    Een Chinese ondernemer gaf 770.000 dollar uit om afscheid te nemen van zijn moeder

    Regels zijn er nauwelijks, zegt hij. Het overheidsbeleid is vaak stroperig en star. Een hele reeks tradities ‘maakt alles er erg ingewikkeld op, zelfs in één land’.

    Maar voor wie in Azië de weg weet, zijn uitvaarten gouden handel. De bevolking in de regio, van Japan tot Singapore, wordt grijzer en rijker. Rond 2050 is naar verwachting een op de vier Oost-Aziaten ouder dan 65. Intussen raken hun kinderen steeds vertrouwder met de moderne technologie en komen steeds vaker in contact met de rest van de wereld. Ze willen uitvaartdiensten die bij hun status passen en dagen begrafenisondernemers uit nieuwe manieren te bedenken om klanten te lokken.

    Nergens ontwikkelt de sector zich zo snel als in China, de grootste economie in de regio, waar families van oudsher afscheid van hun dierbaren nemen met offerandes als namaakgeld, kleren en gereedschap. Eeuwenlang beschouwden Chinezen extravagante uitvaarten als noodzakelijk om de doden te behagen.

    ‘Het idee dat de doden op de een of andere manier blijven voortbestaan wanneer het fysieke leven is afgelopen, is in China oeroud,’ zegt Michael Szonyi, een hoogleraar Chinese geschiedenis aan Harvard. ‘Dat gaat terug tot nog voor het confucianisme en het taoïsme, en ruim voor het boeddhisme.’

    Maar Mao Zedong, die van 1949 tot 1976 over het land heerste, deed traditionele begrafenisrituelen af als ‘feodaal bijgeloof’ en verving ze door uitvaarten in socialistische stijl, zogeheten herdenkingsbijeenkomsten. Socialistische begrafenissen eindigden met een soort korte toespraak door de voorman van de arbeidseenheid van de overledene, waarin diens bijdrage aan het socialisme werd gememoreerd. De meeste begrafenissen duurden niet langer dan een kwartier.

    Na die tijd heeft China zich echter ontwikkeld tot een economische supermacht, met na de Verenigde Staten het hoogste aantal miljonairs ter wereld, en sindsdien maken buitenissige begrafenissen een grootschalige comeback, ondanks pogingen van hogerhand ze de kop in te drukken.

    In de afgelopen jaren hebben rijke nabestaanden de krantenkoppen gehaald met uitvaartceremonies een keizer waardig. In 2011 gaf een ondernemer in de Oost-Chinese stad Wenling 770.000 dollar uit om met enorme LED-schermen, een honderdkoppig orkest, een rij goudkleurig geschilderde kanonnen en een vloot Lincoln-limousines afscheid te nemen van zijn moeder.

    Uitvaartbeurs

    In april traden overheidsfunctionarissen met harde hand op tegen twee grootscheepse begrafenissen in de provincies Hebei en Jiangsoe, waar de dorpelingen exotische danseressen hadden ingehuurd om een grote menigte op de been te brengen.

    Het zal geen verbazing wekken dat de toestroom naar de uitvaartbeurs elk jaar is toegenomen sinds Lo’s bedrijf het evenement is gaan organiseren.

    In een hoekje van de beurshal heeft een Chinees bedrijf een stand ingericht met voorbeelden van dodenoffers, voornamelijk grote papier-machébeelden van buitenverblijven en dure auto’s, waarvan het de bedoeling is dat ze bij wijze van geschenk aan de overledene in ovens op de begraafplaats worden verbrand.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben

    Aan de overkant van het gangpad haalt Han Dingyu van het concurrerende, bijna tien jaar oude Taiwanese bedrijf SKEA, een acroniem van Spectacular Kind of Elysium Accessories [‘Spectaculair soort hemelse toebehoren’], zijn spullen uit de verpakking. ‘Eersteklas vakmanschap,’ zegt Han terwijl hij allerlei handgemaakte papierminiaturen tevoorschijn haalt, waaronder een prachtig stuk vlees, een dienblad met cupcakes en een assortiment kleurige macarons ter grootte van een muntje.

    Het bedrijf maakt papieren modellen van alles wat je in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben, zegt hij: afleiding, eten en onderdak. ‘Jonge mensen geven elkaar vaak (miniatuur-)iPhones,’ voegt hij eraan toe. ‘Als mensen iets aan een meisje offeren, dan is het vaak make-up of zijn het kleren. Oude mensen, het voorgeslacht, zijn degenen die huizen krijgen.’

    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters
    Papieren modellen van bedienden, waarvan men gelooft dat overledenen ze gebruiken. – © Tyrone Siu / Reuters

    Bestemming: ‘home’

    Hij bladert door de glimmende catalogus van het bedrijf, waarin maquettes van huizen met een scala aan luxueuze extra’s worden aangeprezen: dakterrassen, binnentuinen en ramen van vloer tot plafond. In het zwembad achter een postmoderne ‘droomvilla in Ibiza-stijl’ ligt een jacht afgemeerd.

    En de geest van verandering waait tot ver buiten China. Ongeveer vijf jaar geleden kwam de marktleider van de Singaporese uitvaartsector, de 103 jaar oude Ang Chin Moh-groep, met Flying Home, een dienst waarmee het samen met luchtvaartmaatschappijen en ambassades pas overledenen repatrieert. Niet ver van Lee’s stand met uitvaartmake-up delen vertegenwoordigers van Flying Home bagagelabels uit met het logo van het bedrijf en folders die op instapkaarten lijken (maatschappijcode: ‘FH’, bestemming: ‘home’).

    Singapore is een van de belangrijkste bestemmingen van expats in Azië. Grace Hung, assistent-marketing-manager van Flying Home, zegt dat de zaken voor de wind gaan. ‘Singapore loopt voorop in dingen als financiën, accountancy en recht,’ zegt ze. ‘Maar niet als het gaat om de dood.’

    Haar bedrijf probeert dat te veranderen. Ze zegt dat haar collega’s een groot aantal talen spreken – Indonesisch, Maleis, Engels, Spaans, Frans – en gemiddeld veertig jaar oud zijn, ongeveer tien jaar jonger dan het gemiddelde in de sector als geheel. ‘We doen ook repatriëringen náár het buitenland,’ zegt ze. ‘Singapore is een medische hotspot. Mensen laten zich hier behandelen en komen daar soms bij te overlijden.’

    In de conferentiezaal beneden spreekt de Chinese ondernemer Wang Dan, een 34-jarige ingenieur die in 2012 een rouwcentrum in Beijing begon, een publiek van enkele tientallen mensen toe, van wie de meesten goedgeklede mannen. ‘Social media zijn belangrijk in onze bedrijfstak,’ zegt hij. ‘Wat kunnen we doen, wanneer er iemand overlijdt, om de herinneringen die familieleden en vrienden aan de overledene hebben te laten voortleven? We kunnen filmpjes maken en foto’s nemen, en die op het internet zetten. Ik vind dat een uitstekend idee.’

    Hij zegt dat zijn bedrijf, ‘De Overkant’, met standaardprijzen werkt en ze online zet, terwijl de meeste Chinese begrafenisondernemers rekenen wat ze denken dat hun klanten kunnen betalen. De Overkant biedt betaalbare adviesgesprekken aan waarin het nabestaanden helpt contact te leggen met rouwverwerkingsinstanties en chique begraafplaatsen; het bedrijf heeft de handen ineengeslagen met een Amerikaans bedrijf dat as van overledenen de ruimte in schiet.

    ‘Ik denk dat de maatschappij ingrijpend verandert,’ zegt Dan. ‘Jonge mensen kijken heel anders tegen de wereld aan dan wij. En als wij vakmensen niet meebewegen, lopen we een achterstand op.’

    Jonathan Kaiman

  • Israël en Palestina moeten niet de strijd maar de dialoog aangaan

    Israël en Palestina moeten niet de strijd maar de dialoog aangaan

    Toen zijn broer werd doodgeschoten tijdens de tweede Palestijnse intifada, wilde Ali Abu Awwad wraak. Tegenwoordig is hij pacifist en gaat hij de dialoog aan met Joodse kolonisten. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren.’

    Keuze uit het archief

    Sinds vorige week zaterdag woedt het conflict tussen Israël en Palestina heviger dan ooit tevoren. De Palestijnse organisatie Hamas nam verschillende plaatsen in Israël onder vuur, doodde daarbij honderden burgers en nam nog eens honderden mensen gevangen. Als antwoord daarop begon Israël een groot bombardement op Gaza, waarbij eveneens honderden burgers werden gedood. De grote vraag die zich dan voordoet is: zal er ooit vrede tussen deze twee gebieden komen, en zo ja, hoe?
    Hierop geeft pacifist Ali Abu Awwad in dit artikel van Christian Science Monitor uit 2015 antwoord. Volgens hem zouden geweldloosheid, solidariteit met elkaars leed en een open dialoog tussen de beide partijen een einde kunnen maken aan de Israëlische bezetting. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de individuele verantwoordelijkheid van iedere burger, ‘of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ aldus een van Awwads aanhangers.

    We schrijven het jaar 2000 – de tweede Palestijnse intifada is net begonnen. Ali Abu Awwad zit in Saoedi-Arabië, waar hij herstellende is van een Israëlische drive-by shooting. Daar krijgt hij te horen dat zijn broer Youssef van dichtbij door een Israëlische soldaat door het hoofd is geschoten. ‘Hij heeft ons een zoon en een dochter nagelaten, en een enorme hoeveelheid verdriet, gemis en woede,’ zegt Abu Awwad. Een deel van hem hongert naar wraak. ‘Maar dan dringt zich de vraag op: Hoeveel mensen moet ik vermoorden? Hoeveel Israëli’s moeten er dood om deze pijn weg te nemen?’ Op dat moment neemt zijn moeder, een Palestijnse activiste die nauwe banden onderhoudt met Yasser Arafat, een opmerkelijk initiatief. Ze nodigt een aantal Israëli’s uit die hun kind zijn verloren. ‘Ik vond het een schok om een Israëli te zien huilen,’ zegt Abu Awwad, die als tiener tien jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn betrokkenheid bij de eerste Palestijnse Intifada. ‘Ik had geen benul dat Joden ook tranen hebben.’

    Sindsdien is Abu Awwad een groot pleitbezorger van geweldloosheid als middel om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Hij heeft meer dan tien jaar samengewerkt met vredesorganisaties en hij is zelfs de wereld over gereisd met een Israëlische moeder wier zoon, een vredesactivist, door een Palestijnse sluipschutter om het leven is gebracht. Maar de afgelopen jaren is hij tot de conclusie gekomen dat de vrede niet zal worden gesloten door de Israëli’s die hun wortels hebben in Tel Aviv, een kosmopolitische stad ver van de gewapende strijd.

    Ali Abu Awwad met zijn dochter, die net een douche heeft genomen uit de watertank in zijn tuin. – © Nati Shohat / HH
    Ali Abu Awwad met zijn dochter, die net een douche heeft genomen uit de watertank in zijn tuin. – © Nati Shohat / HH

    Kolonisten

    Veel vredesactivisten distantiëren zichzelf van de Israëli’s die de grenzen van vóór 1967 over zijn getrokken – de door de internationale gemeenschap erkende grens van de Israëlische soevereiniteit. Ze mijden de Westelijke Jordaanoever, waar sinds de Oslo-akkoorden van 1993 het aantal kolonisten is verdrievoudigd. Abu Awwad heeft daar begrip voor, en hij ziet ook wel dat de nederzettingen een Palestijnse staat in de weg staan, maar zelf heeft hij een andere kijk op de kwestie. ‘Er wonen meer dan zeshonderdduizend kolonisten in Oost-Jeruzalem en op de Westoever. Wie gaat er met al die mensen praten?’ vraagt hij, onder een geïmproviseerd zonnedak op het land van zijn familie, ergens tussen Bethlehem en Hebron, omgeven door nederzettingen. ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit. De wortel van het probleem zit hier, niet in Tel Aviv.’

    Dus bedacht Abu Awwad dat hij, om rechten voor de Palestijnen te verwerven, op de Israëlische kolonisten af moet stappen. Wanneer dat verhaal eenmaal de ronde doet, zoekt Rabbi Hanan Schlesinger uit het nabijgelegen Alon Shvut contact met hem. Hoewel de rabbijn hier al tientallen jaren woont, is dit de eerste keer dat hij van een Palestijn hoort hoe het is om onder de Israëlische bezetting te leven. ‘Het was pijnlijk, het was ongemakkelijk, het was spannend en ik voelde me aangevallen,’ herinnert Schlesinger zich. ‘Maar hij was niet kwaad, hij was niet vervuld van woede en rancune. Hij vertelde me zijn levensverhaal.’ En door dat te doen brengt Abu Awwad een verandering teweeg in Schlesingers leven. De rabbijn zegt dat hem duidelijk is geworden dat hij zijn ogen heeft gesloten voor de realiteit waarin hij leeft. Hij gaat nog eens met Abu Awwad praten. En nog eens.

    Ze krijgen gezelschap van Israëli’s uit het nabijgelegen Tekoa, waar wijlen Rabbi Menachem Froman woonde, die actief betrekkingen onderhield met Palestijnse leiders, onder wie Yasser Arafat, de legendarische strijder die was uitgegroeid tot president, en sjeik Ahmed Yassin, de oprichter van Hamas.

    ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit’

    Vorig jaar heeft de immer groeiende vredesbeweging een organisatie in het leven geroepen, Roots, die ervoor pleit dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Roots schaart zich niet achter één bepaalde politieke oplossing, maar onderschrijft waarden als respect en geweldloosheid, en Roots erkent dat beide partijen diepe banden met het land hebben.

    Tot nog toe zijn er meer dan zesduizend mensen op bezoek geweest, onder wie zeshonderd Israëlische studenten die nog in dienst moeten. ‘Ik geloof dat dit de juiste manier is,’ zegt Gal Rosenberg, een student met rechtse denkbeelden, nadat hij Abu Awwad heeft horen spreken. ‘Dit is de droom.’ In juni heeft Abu Awwad, samen met Schlesinger, een tournee gemaakt door de Verenigde Staten. En zowel Roots als Froman spelen een prominente rol in A Third Way, een documentaire die dit najaar in roulatie gaat in de Verenigde Staten en West-Europa. ‘Hopelijk geeft de film het publiek een goed beeld van dit dialoogmodel en hopelijk verandert de film het beeld van de ander, dat over het algemeen vrij stereotiep is, hopelijk ontstaat er een meer menselijke visie,’ aldus regisseur Harvey Stein, die zegt dat hij vraagtekens is gaan plaatsen bij zijn eigen ‘linkse opvattingen’.

    Hij hoopt na afloop van de voorvertoningen in gesprek te kunnen gaan met het publiek – een gesprek dat wellicht een afspiegeling zal zijn van de dilemma’s waarmee de personages worstelen. Momenteel zijn het vooral buitenlanders die bij Roots betrokken zijn. Zij lijken eerder bereid tot een gesprek dan de lokale bevolking, die dagelijks wordt geconfronteerd met spanningen, checkpoints en aanslagen.

    Binnen de Palestijnse gemeenschap leeft veel verzet tegen een ‘normalisering’ van de betrekkingen met Israël, en dat strekt zich uit naar alles en iedereen die lijkt te berusten in de status quo. En aan Israëlische zijde heeft de steun voor een tweestatenoplossing een historisch dieptepunt bereikt tijdens de oorlog in Gaza van het afgelopen jaar. Er is ook een sterke zionistische beweging die van mening is dat het hele land aan de Joden toebehoort, in tegenstelling tot Froman, die van mening is dat de Joden aan het land toebehoren.

    Krankzinnig

    Abu Awwad zegt dat hij weet dat zijn idee ‘krankzinnig’ klinkt – net als de ideeën van Froman, die ooit, met gebedsriem en al, samen met sjeik Yassin in Gaza-Stad voor duizenden Hamas-aanhangers is verschenen. Stein heeft gefilmd dat de sjeik tegen mevrouw Froman zei dat haar man een groot hart had, maar dat hij zich met opzet naïef opstelde. ‘En dat is pas echt wijsheid… als je weet hoe je naïef moet zijn,’ luidden zijn woorden. Anderzijds zijn Froman en zijn medewerkers ook pragmatisch. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren – of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ zegt Shaul Judelman, een van Fromans leerlingen. Logistiek gezien is het nog niet zo eenvoudig om Israëli’s en Palestijnen bij elkaar te brengen op de Westoever, aangezien hun goeddeels de toegang tot het gebied van de ander is ontzegd.

    ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft’

    Het landgoed van Abu Awwad is een van de weinige plekken waar beide bevolkingsgroepen welkom zijn. Er is geen bordje, alleen een openstaand hek dat toegang biedt tot een schaduwrijke plek waar bezoekers een plastic bekertje water krijgen. Men zit in een kring, moet soms moeite doen elkaar te verstaan wanneer een briesje de piepende metalen deur naar Abu Awwads eenvoudige eenkamerwoning openblaast.

    Een paar minuten verderop is de liftplaats waar afgelopen zomer drie Israëlische tieners zijn ontvoerd en vermoord, wat uiteindelijk is geëscaleerd in de Gaza-oorlog. De jesjieve-klasgenoten van twee van deze jongens zijn onlangs bij Roots geweest. Judelman is met zijn partner naar een Palestijnse school geweest. De plaatselijke Israëlische commandant is gekomen en heeft een paar uur gepraat met Abu Awwad, die kans zag hem een rol te laten vervullen in de oplossing. Schlesinger heeft Abu Awwad zijn woonkamer ter beschikking gesteld om met zijn buren te praten – twee keer zelfs. Hij heeft van verschillende kanten het verwijt gekregen dat hij een ‘terrorist’ binnen heeft gehaald, maar er zijn tientallen mensen komen luisteren. Na afloop zei een van hen: ‘Het is moeilijk om niet overtuigd te zijn.’

    Een ander gesprek

    ‘Er is bijzonder weinig wederzijds begrip in dit conflict,’ zegt Judelman in de documentaire. ‘Maar dan ineens tref je iemand aan de andere kant die naar je heeft geluisterd, en kun je met hem praten op een manier waaruit blijkt dat hij begrijpt wat je hebt doorgemaakt. Dan krijg je een heel ander soort… gesprek.’ Abu Awwad is bescheiden over de resultaten van zijn werk tot nog toe en hij benadrukt dat geweldloosheid een middel is, geen doel op zich, en dat de rechten van de Palestijnen nog verworven moeten worden. ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Vroeger werd ik wakker met de gedachte: Was ik maar nooit geboren. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft,’ zegt hij.

  • Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Sloppenwijken vinden hun eigen toekomst uit

    Nieuwe vormen van muziek die zich wijd verspreiden, maar ook het ontwikkelen van een systeem om afvalwater te zuiveren: naast alle misère barsten de Afrikaanse sloppenwijken ook van creativiteit en zelfredzaamheid.

    In een van de uitzendingen van 
A Richer World van de BBC sprak de gerenommeerde Zweedse statisticus Hans Rosling over hoe West-Afrika de uitbraak van ebola heeft weten te bedwingen. Zijn fascinerende presentatie toonde onder meer aan hoe de loop der dingen in een Afrikaanse sloppenwijk een drastische wending kan nemen. Soms pakt het slecht uit, zoals in het geval van ebola. Andere keren gaat het juist goed, bijvoorbeeld als het cultuur betreft. Neem semba, het soort aanstekelijke muziek dat zelfs de schuchterste toeschouwers de dansvloer opdrijft. Het 
is een mengeling van opzwepende Afrikaanse ritmen, samba en Caraïbische zouk die zijn naam dankt aan 
het enkelvoud ‘masemba’, wat ‘buikcontact’ betekent.

    Vernieuwingsdrift

    Semba ontstond in het begin van de jaren zestig in de sloppenwijken of musseques van Luanda, de hoofdstad van Angola. Dankzij hervormingen in het koloniale beleid zagen de inwoners hun dagelijkse leven verbeteren en overal in de stad ontstonden nieuwe culturele centra. Semba, een lokale vorm van populaire stadsmuziek, was een boegbeeld van deze positieve ontwikkelingen. Sterker nog: als je het over hedendaagse Angolese muziek wilt hebben, kun je niet om semba heen. Ook buiten Angola is semba immens populair, vooral in de Portugeestalige landen en in West-Afrika.

    Dat bewijst maar weer dat je niet altijd op een eerste indruk kunt afgaan: zo op het eerste gezicht springen namelijk vooral de erbarmelijke omstandigheden van de Afrikaanse sloppenwijken in het oog. Kijk je echter verder, dan tref je er een vitaliteit, bezieling en vernieuwingsdrift aan die je nergens anders in de stad vindt. Bovendien hoor je er alle belangrijke muziekgenres, waaronder semba, die ontsproten in de uitdijende nederzettingen van werkzoekenden aan de rand van Afrikaanse steden. En tegen de verdrukking in ontstaan hier nog altijd nieuwe genres. In Zuid-Afrika begon de ondergrondse muziekcultuur met marabi, een muziekstijl uit de townships met Amerikaanse ragtime- en bluesinvloeden, meestal uitgevoerd op een keyboard.

    Alle grote dansorkesten hebben marabi omarmd en die swingstijl bracht weer mbaqanga voort, de meest karakteristieke vorm van Zuid-Afrikaanse jazz. In sommige sloppenwijken bestaat de artistieke expressie uit geschilderde teksten en kleurrijke muurschilderingen die de wijk een compleet andere aanblik kunnen geven. Zo maken jongeren in de sloppenwijk Korogocho van Nairobi muurschilderingen vol hoop waarmee ze de gemeenschap willen inspireren. Graffiti voor vrede is ook een groot succes in Kiberia, Nairobi’s grootste krottenwijk, en dat culmineerde in Kiberia Walls for Peace, een kunstproject voor jongeren.

    Dit project moest in de aanloop naar de presidentiele verkiezingen van 2013 eenheid en samenwerking tussen de verschillende etnische en politieke groepen bevorderen. Het resulteerde in een trein met tien wagons die beschilderd met positieve boodschappen en vredestekens door de sloppenwijken rijdt – wellicht de eerste trein in Afrika met graffiti die van hogerhand is goedgekeurd. Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd.

    Zo put het sloppenfestival van Kampala, in Oeganda, uit het lokale creatieve talent. Het festival richt zich op de meest kansarme groepen in meer dan tien stadswijken. De bewoners worden één dag per jaar getrakteerd op een openluchtfestival met exposities, muziek, poëzie, films en workshops. Ook het jaarlijkse Slum Film Festival 
in Kenia, begonnen in 2011, is een ode aan de creativiteit. Een week lang zijn er openluchtvoorstellingen met films van en over sloppenwijkbewoners. Het festival dient twee doelen: het biedt een platform aan lokaal creatief talent, en daarnaast krijgen deze gemeenschappen die slechts beperkt toegang tot bioscopen hebben de mogelijkheid om een verscheidenheid aan films te zien.

    Kunst uit de krottenwijken wordt steeds meer gewaardeerd en geïnstitutionaliseerd

     Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –
    Een catwalk georganiseerd door de Miss Koch beauty and talent contest in de sloppenwijken van Nairobi. – © Thomas Mukoya / Reuters. (r) Het Orkest Ghetto Classics, eveneens in Nairobi. De optredens laten jongeren kennismaken met klassieke muziek. –

    Proeftuin

    Dit soort initiatieven laat zien dat in Afrikaanse sloppenwijken voortdurend vernieuwing plaatsvindt, en dat geeft de inwoners de gelegenheid mee te werken aan de verandering van hun omgeving van binnenuit, waarbij de sloppen een proeftuin worden voor een aantal van de meest ongelofelijke programma’s van stadsvernieuwing. In Dakar, Senegal, hebben inwoners van de sloppenwijk Yoff de handen ineengeslagen met een ngo die werkzaam is op het gebied van milieu en ontwikkeling om een duurzaam afvalwatersysteem te ontwerpen en te bouwen. Yoff, een stedelijk gebied dat aan de Atlantische Oceaan grenst, heeft in de afgelopen jaren te maken gekregen met een enorme migratie waar de infrastructuur niet tegen bestand bleek.

    Omdat watertrucks de nauwe straatjes niet in konden om het afvalwater op te halen, loosden de inwoners van Yoff het direct op het strand. In het systeem dat door de inwoners is ontworpen, wordt het afvalwater eerst in kleine bezinkbassins opgevangen waarna het naar grotere verzamelbassins wordt afgevoerd, waar het met behulp van waterplanten wordt gezuiverd. Het gezuiverde water – een waardevol goed in een gebied waar water schaars is – wordt vervolgens gebruikt voor irrigatie, stadslandbouw en toiletsystemen. De gemeenschap heeft een commissie in het leven geroepen om het systeem te beheren en er zijn pictogrammen ontworpen om anderen duidelijk maken hoe het gebruik ervan in zijn werk gaat.

    man

    Een andere veelbelovende innovatieve stap werd gezet in Khayelitsha, de 
op één na grootste township in Zuid-Afrika. Hoewel hier nauwelijks sprake is van enige stadsplanning, openbare voorzieningen of een herkenbaar stadscentrum, heeft The CiTi (Cape Innovation and Technology Initiative) hier kortgeleden een broedplaats voor start-ups geopend, geënt op het model van de populaire incubator Bandwidth Barn in Kaapstad. Bandwidth Barn biedt met name ondersteuning op het gebied van technologische innovaties om zo lokale problemen op te lossen en banen te scheppen. The Barn Khayelitsha wil verschillende programma’s opzetten voor het ontwikkelen van ict-vaardigheden gericht op algemene bedrijfsontwikkeling, in het bijzonder voor vrouwelijke ondernemers, jongeren, kleine boeren en ondernemers in de toeristensector.

    Ten slotte vervullen sloppenwijken in sommige landen een cruciale rol. Van oudsher bestaan sloppenwijken naast de officiële stad en helpen ze ondanks de overduidelijke beperkingen mee aan haar groei.


    Neem bijvoorbeeld Makoko, de Nigeriaanse krottenwijk op palen in de lagune van Lagos, al meer dan honderd jaar bewoond door een trotse, traditionele vissersgemeenschap. Hoewel de regering hen dreigt met herhuisvesting elders, wil het merendeel van de vissers, markthandelaren en visrokers het liefst op het water blijven wonen. Elk huishouden bezit een kano. De grote kano’s worden gebruikt op open zee en de kleinere in de lagune. De gemeenschap voorziet de inwoners van Lagos van vis. Op de Asejere-markt, de bekendste in Makoko, wordt de vangst – barracuda’s, garnalen en krabben – tegen lage prijzen verkocht.

    Culturele smeltkroes

    Aan de andere kant van het continent, in Kigali, ligt Nyamirambo, een sloppenwijk ‘in overgang’: de wijk wordt inmiddels meer als voorstad dan als sloppenwijk beschouwd, hoewel de infrastructuur en de veiligheid in delen van Nyamirambo nog veel te wensen overlaten. Vijftig jaar geleden was het nog een doodgewoon Rwandees dorp maar in korte tijd vestigden zich er veel migranten en kwam het bekend te staan als een bruisend maar gevaarlijk deel van de stad, lokaal bekend onder de naam ‘Gangster Paradise’. Het is een culturele smeltkroes met inwoners afkomstig van het hele continent en het heeft een grote moslimgemeenschap. Het nachtleven is er bruisend, met winkeltjes die zeven dagen per week geopend zijn, vierentwintig uur per dag. Nyamirambo wordt beschouwd als de bakermat van het Kinyarwanda-slang (naast het Engels en het Frans de derde officiële taal van Rwanda), de taal waarin het merendeel van de lokaal geproduceerde muziek wordt opgenomen. De wijk vormt een levendig muziekcentrum met tal van studio’s zoals Touch Record, F2K, Super Level en Top5sai.


  • Land van ham en honing

    Land van ham en honing

    Varkensvlees gold in Israël lang als een verboden vrucht. Maar in het kosmopolitische Tel Aviv doorbreekt een nieuwe generatie Israëli’s het culinaire taboe.

    Als de zon ondergaat op het Dizengoff-plein in Tel Aviv sluit een nabijgelegen Kabbalah Centrum zijn lezingenserie op straat af, gaan boetiekjes en galerieën dicht en parkeren strandgangers, nog steeds in hun bikini’s, hun fiets bij de stalling. In de buurt melden volgens de laatste normen geklede hipsters zich bij een van de weinige barbecue-tenten van de stad. Zij komen in drommen voor cocktails en soulfood, maar ook voor iets wat, ook al is het 
in de meeste kosmopolitische steden niets opmerkelijks, in Israël lang als een verboden vrucht is gezien: varkensvlees. Bij Truck De Luxe kun je urenlang op een terras zitten dat zich tot in de straat uitstrekt, koud bier drinken en een zachte pretzel met bacon-jam wegwerken, of de kenmerkende pannenkoeken met laagjes varkensvlees, bestreken met ahornsiroop, bestellen. De afgelopen vijf jaar is 
de belangstelling van Israëli’s voor varkensvlees geëxplodeerd, zegt een van de eigenaren van het restaurant, Ori Marmorstein. En omdat de varkensvleesindustrie wordt gemonopoliseerd door slechts een paar boerderijen, grotendeels gelegen in Israëls noordelijke Arabisch-christelijke regio, heeft de vraag de prijs van varkensvlees met bijna honderd procent doen stijgen, zegt hij, tot ongeveer 8 dollar per pond.

    De afgelopen vijf jaar is de belangstelling voor varkensvlees geëxplodeerd

    De nieuwste vondst van Marmorstein 
is Israëls eerste barbecue-truck (eigenlijk een in een restaurant geparkeerde vrachtwagen), geïnspireerd door de voorbeelden uit Williamsburg, Brooklyn. Als overtuigd atheïst ziet hij de truck als deel van een grotere beweging binnen Israël. Hij beseft dat de nadrukkelijke aanwezigheid van varkensvlees op het menu sommige potentiële klanten afschrikt, die het voedsel als taboe blijven zien, maar hij hoopt dat dit snel zal veranderen. Hij geeft het Joodse geloof, dat de consumptie van varkensvlees verbiedt, de schuld van de sterke tegenstelling tussen Tel Aviv, dat alom bekend staat als een ‘seculiere zeepbel’, en de rest van Israël. ‘Religie verpest alles,’ zegt hij zonder veel emotie.

    Een hamburger van Truck De Luxe.
    Een hamburger van Truck De Luxe.

    Religieuze kloof

    Op plekken als deze spitst de al langer sluimerende rivaliteit tussen Tel Aviv en de rest van het land zich toe. Veel Israëli’s drijven de spot met de culturele hoofdstad, omdat die te liberaal en te mondiaal georiënteerd zou zijn – en, wellicht absurd genoeg, gezien de kleine omvang en de dichtbevolktheid van het land – te ver verwijderd van de plaatselijke realiteit. Maar in de truck staat het personeel in alle opzichten model voor Tel Aviv: mooi, hedonistisch, blasé – flirterige jongeren die goed voedsel en alcohol niet als een symbool van tijdelijke bevrediging 
zien, maar als een manier van leven. Het negeren van de beladen en steeds deprimerender politieke scene van 
het land is precies waar het om gaat, 
en het eten van varkensvlees zorgt ervoor dat je je daarvan kunt afkeren. Hoewel het debat historische wortels heeft, heeft het vandaag de dag nieuwe dimensies gekregen nu de religieuze kloof in Israël groter is geworden.

    Een paar weken geleden kreeg een Amerikaans-Israëlische soldaat een celstraf van elf dagen – die uiteindelijk werd omgezet – omdat hij een sandwich met ham naar zijn basis had meegenomen, klaargemaakt door zijn grootmoeder met wie hij op een nabijgelegen kibboets woont. De soldaat zei dat hij niet op de hoogte was van de koosjere regels op de basis, en hoewel het leger de straf snel terugdraaide, was er een nauwelijks geheelde wond in de ongemakkelijke religieus-seculiere balans van het land opengehaald. Rabbijn Eli Ben Dahan, de onderminister van Defensie, twitterde: ‘De staat Israël is een Joodse staat, waarvan we de Joodse identiteit willen versterken.’ Haaretz-schrijver Rogel Alpher zei echter precies het omgekeerde: dat de koosjere regels discrimineren tegen seculiere Joden en dat ‘in Israël de kashrut-cultuur [die van het koosjere establishment] een cultuur van dwang is, van het uitoefenen van controle over de bevolking.’

    Israëli’s zijn steeds meer geïnteresseerd in andere voedselculturen

    ‘In Israël ken ik veel mensen die niet koosjer leven, maar die toch geen varkensvlees willen eten, vanwege de traditie of wat dan ook,’ zegt Inbal Baum, een voormalige procureur en yoga-instructeur, wier firma, Delicious Israel, tours organiseert langs de culinaire hotspots van Israël. Zij groeide op met bacon bij het ontbijt, wat volgens haar voor veel Israëli’s en Joden in het buitenland een minder grote misdaad is dan het eten van ham of varkenskarbonaadjes. Het taboe, zegt ze, heeft meer dan wat dan ook te maken met het gevoel dat varkensvlees niet mag worden gegeten omdat dat altijd al zo is geweest. Maar ze geeft toe dat niemand van haar familieleden haar grootmoeder – een 94-jarige overlevende van Auschwitz uit een Pools religieus tehuis – zou durven ‘beledigen’ door varkensvlees mee te nemen.

    Culturele belangstelling

    De immigratie in de jaren negentig van zo’n 1,6 miljoen Joden uit de voormalige Sovjet-Unie, van wie vele niet-religieus, zorgde voor de grootschalige introductie van varkensvlees in de Israëlische keuken, maar Inbal zegt dat de recente varkensvleestrend een bredere culturele belangstelling weerspiegelt onder een nieuwe generatie Israëli’s. Voor velen geldt een jaar met een rugzak door Zuidoost-Azië of Zuid-Amerika trekken, na het verplichte jaar militaire dienst, als een soort rite de passage. Israëli’s zijn steeds meer geïnteresseerd in de voedselculturen die zij onderweg tegenkomen en in 
het imiteren van de nieuw ontdekte smaken als ze weer thuiskomen. 
Tijdens haar voedseltour door Tel Aviv wandelt Inbal door de centrale buitenmarkt van de stad, waar bok choy, groene papaja en Aziatische en Zuid-Amerikaanse kruiden naast varkensvlees zijn verschenen. En hoewel Truck De Luxe een bijzonder internationaal sfeertje heeft, integreren andere chefs varkensvlees in de traditionele Joodse keuken.

    De productie van varkensvlees onder Joden is nog steeds zeldzaam

    Op Hahalutzim 3, in de hippe Florentijnse buurt van zuidelijk Tel Aviv, wordt de conventionele Joodse keuken aangevuld met gerechten als challah-broodjes gevuld met gekruide varkenspoot. Leehee Goldenberg, een Israëlische foodblogger, is een fan van de stijl van het restaurant, maar beschrijft haar relatie met varkensvlees ook als extatisch en met schuldgevoel overladen. ‘Ik herinner me dat toen ik een klein meisje was,’ schrijft ze op haar blog, ‘mijn grootvader van moederskant herinneringen ophaalde over het eten van stukjes varkensvlees op droog brood – iets waarmee hij is opgehouden toen hij met mijn grootmoeder trouwde, die afkomstig was uit een religieus gezin.’ Goldenberg beschrijft hoe ze misselijk werd toen ze als tiener voor het eerst varkensvlees probeerde te eten, een ervaring waarvan ze nu zegt dat die psychosomatisch was. ‘Vandaag de dag houd ik van het andere witte vlees,’ schrijft ze.

    Culinair auteur Eli Landau test een stuk bacon in een slagerij in Tel Aviv. Landau schreef een varkensvleeskookboek in het Hebreeuws, The White Book. – © Rina Castelnuovo / HH
    Culinair auteur Eli Landau test een stuk bacon in een slagerij in Tel Aviv. Landau schreef een varkensvleeskookboek in het Hebreeuws, The White Book. – © Rina Castelnuovo / HH

    Rechtvaardiging

    Hoewel de consumptie van varkensvlees mainstream aan het worden is, 
is de productie ervan door Joden nog steeds zeldzaam en zijn daar soms nog steeds bepaalde rechtvaardigingen voor nodig. Kibboets Lahav in Zuid-Israël, die net als vele kibboetsim als een radicaal seculier project is opgezet, is de enige in zijn soort die bijdraagt aan de Israëlische varkensvleesindustrie, zij het als bijproduct van een programma om proefdieren te fokken. Omdat varkens fysiologisch op mensen lijken, zijn het de beste dieren voor medisch onderzoek, aldus Mosje Tayar, een kibboetsnik en woordvoerder namens het onderzoeksinstituut van de kibboets, waar ze werken aan behandelingen voor aandoeningen die uiteenlopen van diabetes tot diverse soorten kanker. Overtollige varkens worden verwerkt in de kibboetsfabriek, die het vlees aan winkels en hotels in het hele land levert. Tot de werknemers behoren belijdende moslims en joden die zelf geen varkensvlees eten, legt Tayar uit. (Bij wijze van zeldzaam voorbeeld van overeenstemming tussen moslims en Joden onder de Israëli’s, ziet 
de Islam het varken ook als een zeer onhygiënische en derhalve geestelijk giftige diersoort, en de consumptie ervan wordt in de Koran expliciet als ‘haram’, ofwel verboden, verklaard.)

    Omdat hij er thuis niet mee is opgegroeid onthoudt hij zich van varkensvlees, maar hij zou zijn kinderen nooit verbieden te eten wat ze willen. Zijn toon is enigszins vijandig als de indruk ontstaat dat hij dat zou kunnen doen. Hij zegt dat ‘het religieuze establishment of wie dan ook niet het recht heeft om op mijn bord te kijken, om te zien wat ik eet!’ en voegt eraan toe dat het fokken van varkens deel uitmaakt van de cultuur van de gemeenschap sinds de oprichting van de kibboets in 1952. ‘Ik geloof in een verscheidenheid aan ideeën, in “ieder het zijne”,’ zegt hij. ‘Niemand heeft het recht om iets anders te beweren.’

    Shira Rubin

  • Cubaanse oldtimer kost een fortuin

    Cubaanse oldtimer kost een fortuin

    We associëren de indrukwekkende oldtimers in het Cubaanse straatbeeld graag met allure, stijl en vakmanschap. 
Maar de zogenaamde ‘almendrones’ zijn duur, bewerkelijk en nieuwe onderdelen zijn ver te zoeken.

    Ze lijken thuis te horen in een Hollywoodfilm uit de jaren vijftig, maar ze zijn lawaaiig en smerig en roepen vaak de woorden van Galileo in gedachten: ‘En toch beweegt ze.’ De almendrones, auto’s van voor 1959 waar het in de straten van Havanna van wemelt, hebben hun oorspronkelijk carrosserie behouden maar het mechaniek is bijna altijd modern. Zo kan het gebeuren dat een Ford uit 1954 een motor heeft van een Hyundai-busje, een versnellingsbak van een Mitsubishi, een differentieel van een Toyota, een stuurinrichting van een Suzuki Vitara, een dashboard van een Peugeot, remblokken van een Moskovic uit de Sovjet-tijd, een rempomp van een Mercedes Benz en chassis, buitenspiegels en radiatorgril van het oorspronkelijke merk.

    Met al die kuilen in het wegdek van Havanna heeft zo’n allegaartje tot gevolg dat de stuurbekrachtiging na drie maanden kapot is en de handrem niet goed werkt. Doordat de wetten van de natuurkunde en de techniek met voeten zijn getreden, past het gewicht van de auto niet bij het remsysteem. Het lijkt erop dat dit het euvel is bij vrijwel alle oude auto’s die in de Cubaanse hoofdstad rijden. De oldtimers gaan van hand tot hand. De meeste Cubanen die in een vintage auto rijden, hebben die op de kop getikt met financiële hulp van familie in het buitenland. Op de vrije markt liggen 
de prijzen boven de negenduizend euro. De boteros, taxi’s met een vast tarief tussen de 10 en 20 euro, hebben vaste routes van het stadscentrum naar diverse punten in de periferie.

    Keuring

    Voor je in zo’n Amerikaanse bak mag rijden, moet hij worden onderworpen aan een keuring bij de Empresa de Revisión Técnica Automotor, in de volksmond ‘somatón’ (dreun). En of het nu is omdat ze altijd wel een technisch mankement hebben of simpelweg omdat ze oud zijn, voor het ‘verkrijgen’ van het fiat moet tussen de 20 en 40 euro worden betaald.


    Maykel Perdomo is 32 en rijdt in een Plymouth uit ’54. ‘Zulke controles zijn begrijpelijk en nodig,’ zegt hij, nadat hij de reggaeton uit de versterker boven de achterbank zachter heeft gedraaid. ‘Iets anders is de corruptie en de hoge eisen, terwijl er geen echte markt is waar je reserveonderdelen kunt kopen.’

    Cubanen mochten tot twee jaar geleden alleen auto's  kopen en verkopen die in het tijdperk voor de revolutie waren gemaakt. Sindsdien is het toegestaan ook nieuwe en tweedehands auto's aan te schaffen, op voorwaarde dat dit gebeurt via door de overheid ge
    Cubanen mochten tot twee jaar geleden alleen auto’s kopen en verkopen die in het tijdperk voor de revolutie waren gemaakt. Sindsdien is het toegestaan ook nieuwe en tweedehands auto’s aan te schaffen, op voorwaarde dat dit gebeurt via door de overheid ge

    Onderhoud en vervanging van onderdelen vindt helemaal plaats op de vrije markt. De staatswinkels hebben geen goed aanbod van reserveonderdelen en om eraan te komen moet je een voet tussen deur hebben bij staatsbedrijven als Rent a Car, waar een deel onderhands wordt verkocht. ‘De lui bij Rent a Car kunnen niet van hun loon leven. Ze drukken zoveel mogelijk achterover en verkopen het dan. Daar vind je normaal gesproken onderdelen voor de huurauto’s voor toeristen,’ aldus Perdomo.


    Maar er zijn ook monteurs die in clandestiene garages hun best doen om genoemde antiquiteiten op te lappen. ‘Als een origineel onderdeel stukgaat moet het nieuw worden gemaakt, vervangen gaat niet. Je moet naar een monteur die het voor je kan doen. Dat kost bakken geld en vaak past het niet goed en moet je weer terug.’

    De autokeuring, heet in de volksmond ‘dreun’

    Sleutelen aan een Russische Lada in een garage in Havana.  
© Enrique De La Osa / Reuters
    Sleutelen aan een Russische Lada in een garage in Havana. 
© Enrique De La Osa / Reuters

    De wetten van natuurkunde en techniek zijn met voeten getreden, het gewicht van de auto past niet bij het remsysteem

    Met de brandstof is het al net zo. Het overgrote deel van de ouwe brikken 
die als huurauto fungeren hebben een nieuwe motor om op diesel te kunnen rijden. Ze worden door de staat aangeboden en kunnen 6500 euro kosten, maar garantie is er niet bij. Van een groothandel waar brandstof tegen een lagere prijs kan worden gekocht is evenmin sprake. Bij de 
benzinestations van de CUPET, ook 
van de staat, kost een liter een euro. 
De chauffeurs kopen liever bij vrachtwagenchauffeurs of buschauffeurs, 
die illegaal doorverkopen voor de helft van die prijs. ‘Als je bij de CUPET koopt, moet de prijs van je ritten omhoog.’ Als gevolg van al dat gesjacher is de balans tussen inkomsten en uitgaven in de administratie scheef. De chauffeurs kunnen moeilijk aangeven dat 
ze iets in het illegale circuit hebben gekocht, dus laten ze de plekken waar ze hun uitgaven zouden moeten opvoeren open. Perdomo: ‘Je krijgt op de zwarte markt nooit een bon én het is verboden. Begin je erover, dan beken je in feite een overtreding. Je bent wel gedwongen je inkomsten omlaag te schroeven door de onkosten die je niet kan opvoeren in mindering te brengen.’

    Bij de nationale belastingdienst (ONAT) wordt een schatting gemaakt van wat iedere vervoerder moet hebben verdiend. Bestaat het vermoeden dat een kleine zelfstandige met de gegevens heeft gesjoemeld, dan kunnen op basis van zo’n schatting torenhoge boetes worden opgelegd. ‘Het is je reinste 
willekeur, want er zijn genoeg dagen dat je niet kunt werken omdat de auto stuk is, of omdat je een persoonlijk 
probleem hebt, of gewoon omdat je 
een slechte dag hebt gehad. Dat je de ene dag 900 euro binnenhaalt, zegt niks over de andere werkdagen,’ verzucht Perdomo. De almendrón van Tomás Quintana, eveneens chauffeur, was vaker stuk dan dat hij het deed, wat niet betekende dat hij dan geen belasting betaalde. 
Op een dag zag hij in dat hij het niet langer bolwerkte en leverde zijn vergunning in. Na anderhalf jaar niet-werken als chauffeur in een huurauto, legde de ONAT hem een boete op van rond de 60.000 peso [bijna 2,5 duizend euro] omdat hij met zijn inkomsten zou hebben gesjoemeld. ‘Ze zeiden dat ze daar vijf jaar lang het recht toe hadden. Als je je vergunning inlevert, moet je al die jaren alle papieren bewaren van toen je wel werkte,’ zegt Quintana, die een advocaat in de arm heeft moeten nemen om onder de boete uit te komen; het proces loopt nog.

    En er is nog een ander probleem. 
Een kleine zelfstandige die meer dan 1800 euro per jaar verdient, komt in 
de hoogste belastingschijf en moet 
50 procent aan de staat afstaan. 
De chauffeurs ontvangen maandelijks nog drie aanslagen: een maandelijkse van 10 procent over de aangifte van hun inkomsten, een driemaandelijkse voor sociale zekerheid en een fixum. Dat laatste is door de gemeente op de Plaza de la Revolución tussen mei 2013 en maart 2014 verhoogd van 400 naar 730 euro. ‘Als je vraagt waarom dat fixum omhoog is gegaan, komt er 
geen logisch antwoord. Feit is dat wij, kleine zelfstandigen, ondanks die 
verhoging, geen verbetering bij de publieke diensten of de sociale zekerheid bespeuren. Ook is er nog geen spoor van een groothandel waar je onderdelen of brandstof kunt kopen, en de conditie van de wegen en het zicht op een investeringskrediet is 
nog even beroerd,’ aldus Quintana.

    9 euro en een short

    De chauffeurs moeten hun werkvergunning jaarlijks vernieuwen, wat ze per keer op 460 euro komt te staan. Daarbij komen nog de bedragen waar velen aan moeten geloven: die voor corrupte politiemannen. Maykel Perdomo herinnert zich dat hij eens werd aangehouden omdat hij te snel reed. Hij kon de boete afkopen voor 9 euro plus zijn short. ‘Als zij zich al zo gedragen, waar kunnen we dan nog heen? Je kunt naar een andere afdeling gaan, maar ze houden elkaar de hand boven het hoofd.’ Je almendrón binnen twee, drie jaar terugverdienen gaat niet, en dan is er ook nog eens het risico om alles kwijt te raken. ‘Stel je auto heeft 15.000 euro gekost en er knalt iemand tegen je aan; dan heb je een jaar lang belasting betaald, plus al die andere kosten, en de staatsverzekering kan niet alles dekken; dan ben je failliet,’ besluit Perdomo zijn relaas.

    Lilianne Ruiz

    Een kleine zelfstandige moet 50 procent aan de staat afstaan

  • Getijden- energie moet Swansea 
uit het slop trekken

    Getijden- energie moet Swansea 
uit het slop trekken

    Swansea, de tweede stad van Wales, kende ooit een bloeiende scheepvaartindustrie, maar ligt er nu verlopen bij. De hoop voor de toekomst is gevestigd op een duurzame waterkrachtcentrale.

    Swansea is geen fraaie stad. Als 
je van de trein stapt, beland je 
in een winkelstraat vol dichtgespijkerde of ingegooide etalages. Naar het westen strekt zich een lang strand uit, maar de huizen op de helling van Swansea Bay zijn van het strand afgesneden door parkeerterreinen, een drukke verkeersweg en het gemeentehuis, een betonnen kolos in brutalistische stijl. En juist deze in het slop geraakte stad van 240.000 inwoners 
in Zuid-Wales, ooit het centrum van een welvarende scheepsbouw- en metaalindustrie, gaat pionieren met 
een nieuwe vorm van duurzame energie.

    Swansea heeft schreeuwend behoefte aan een project dat investeringen aantrekt

    De combinatie van sterke getijden-verschillen en een grote behoefte aan stadsvernieuwing heeft geleid tot 
een project om alle huishoudens in 
de stad straks van stroom te voorzien uit getijdenenergie. Het plan is om 
’s werelds eerste waterkrachtcentrale in een kunstmatige lagune te bouwen. Met een ringdijk van opgespoten 
zand en rotsblokken wordt straks 
11,5 vierkante kilometer zee omsloten. In de zeewering worden 16 turbines 
van 8 meter doorsnee geplaatst. Als de poorten worden opengezet, stroomt 
het water langs de turbines en wordt 
er energie opgewekt. Dat gebeurt iedere keer als het niveauverschil van het water aan weerszijden van de dijk op zijn hoogst is, dus viermaal per dag: 
bij eb en bij vloed telkens eenmaal in beide richtingen.

    120 jaar energie

    Volgens Tidal Lagoon Power, het bedrijf dat is opgezet om een aantal van deze projecten uit te voeren, levert dit genoeg energie op voor 155.000 huishoudens. Dat is 90 procent van het particuliere stroomverbruik in de stad. Voor een project van meer dan een 
miljard pond (bijna anderhalf miljard euro) is dat een bescheiden opbrengst. Maar er zijn nog andere voordelen, zoals de lange levensduur: de lagune is ontworpen om diezelfde hoeveelheid energie 120 jaar lang te blijven leveren. Een ander pluspunt is de grote voorspelbaarheid: wind en zonlicht zijn wisselvallig, de getijden bewegen in vaste en zeer voorspelbare patronen.

    Een andere reden voor dit project heeft meer te maken met de wensen van de regio maar is daarom niet minder urgent: Swansea heeft schreeuwend behoefte aan een project dat investeringen aantrekt. Het stadsbeeld van deze in de oorlog verwoeste en in de jaren zestig herbouwde gemeente wordt gedomineerd door beton en dichtgespijkerde winkels. De stad trekt nauwelijks bezoekers. Door onhandige stadsplanning is het prachtige strand afgesneden van het stadshart. En slechts weinigen wagen zich de zee in, omdat de stadsriolering op de baai uitkomt. Vanaf het strand kijk je uit op 
de schoorstenen van de staalfabriek 
in Port Talbot, verderop langs de kust.

    De definitieve vergunning voor de aanleg van de ringdijk moet nog worden afgegeven, maar na vierenhalf jaar ontwikkeling heeft Tidal Lagoon 
Power al 200 miljoen pond aan kapitaal bij elkaar gekregen. Het is nu bezig 
met behulp van infrastructuurfonds Macquarie voor 800 miljoen aan schuldfinanciering rond te krijgen. 
In oktober 2014 werd verzekeraar Prudential als hoofdinvesteerder genoemd en afgelopen februari sloot vermogensbeheerder InfraRed zich daarbij aan. Beide hebben niet officieel bekendgemaakt hoeveel ze in het project investeren, maar het zou rond de 100 miljoen pond zijn. Een waterkrachtcentrale
 in een getijdenlagune is iets nieuws, deelname van grote investeerders aan zo’n project niet. En in een tijd waarin staatsobligaties uitzonderlijk weinig opbrengen, kan een waterkrachtcentrale die meer dan honderd jaar geld blijft opbrengen een aantrekkelijke investering zijn. Om het draagvlak voor het project te verhogen, is ook bijna een half miljoen pond opgehaald met de uitgifte van aandelen voor inwoners en lokale bedrijven.

    Kosten

    De kosten per megawattuur energie zijn hoger dan bij andere energiebronnen: naar schatting 168 pond. Energie uit fossiele brandstoffen kost doorgaans nog geen 100 pond, en zelfs bij windmolens in zee, de duurste vorm van groene energie, kost de stroom maar zo’n 140 pond per megawattuur.

    Duurzame energie is, net als kernenergie en andere vormen van energiewinning, afhankelijk van overheidsgeld om de investeringskosten te dekken. Kosten die bij de consument terechtkomen in de vorm van hogere energieprijzen. Het onafhankelijke adviesorgaan Citizens Advice heeft al gezegd dat het project ‘ontstellend’ weinig opbrengt en roept de betrokken ministers op om er een stokje voor te steken. Er kleeft één heel groot ‘maar’ aan het hele project: ook volgens de ontwikkelaars zelf is het economisch onrendabel als er maar één lagune wordt aangelegd. Daarom wil men er nog vijf aanleggen. Met twee lagunes in Cardiff en Newport erbij zegt Tidal Lagoon Power alle huishoudens in Wales langer dan een eeuw van stroom te kunnen voorzien voor een prijs die vergelijkbaar is met die van kernenergie. Verder hebben ze plannen voor nog drie andere lagunes in Wales, en als ze alle zes worden gerealiseerd, kunnen ze uiteindelijk voorzien in 8 procent van de totale Britse energiebehoefte.

    Er is elders ter wereld wel ervaring opgedaan met getijdenenergie, maar dan in iets andere vorm. Bij het Koreaanse Sihwa-meer is een waterkracht-centrale verwerkt in een zeewering die oorspronkelijk was aangelegd om overstromingen tegen te gaan. En de Franse waterkrachtcentrale van Rance (geen lagune maar een stuwdam) is al sinds 1966 in bedrijf. Bovendien is de technologie nog veel ouder.

    Volgens een adviesorgaan brengt het project ‘ontstellend weinig’ op

    Steenkool nummer 1
    Steenkool nummer 1

    Volgens Simon Boxall van Southampton University, gespecialiseerd in fysische 
oceanografie, wordt er al heel lang graan mee gemalen. ‘Getijdenmolens zijn hier al honderden jaren in gebruik, en in andere landen al duizenden jaren,’ zegt hij. ‘En die werken volgens hetzelfde principe als de geplande getijdencentrale in Swansea Bay.’ Stroom opwekken door getijdenenergie is volgens hem ‘volkomen logisch’ en had al veel eerder moeten gebeuren. Omdat het veel stabieler is dan andere duurzame energiebronnen en daarom bij uitstek bruikbaar als basisvoorziening waar je als land van afhankelijk bent.

    Groene toekomst

    Critici zijn bang dat de lange dam in het water het uitzicht zal bederven. Voorstanders zeggen dat de dam eerder bezoekers zal aantrekken dan wegjagen. Tidal Lagoon Power schat dat er zo’n honderdduizend dagjesmensen per jaar op af zullen komen. Er zijn plannen voor een boulevard, een fietspad, een bezoekerscentrum en een restaurant. Met het waterbedrijf van Wales is afgesproken dat rioolwater niet langer in de baai zal worden geloosd, zodat de lagune geschikt wordt om te zeilen, 
te kanoën en te zwemmen. Een oesterkwekerij kan bijdragen aan het herstel

    Hoe de branding energie levert
    Hoe de branding energie levert

    van de gedecimeerde oesterpopulatie. Er zijn plannen voor een kreeftenkwekerij en de verbouw van zeegroenten als bruinwier en zeekraal. Op een groot videoscherm in het centrum van Swansea komt af en toe een promofilmpje van Tidal Lagoon Power langs, met meeslepende muziek en flitsende computeranimaties. Maar het scherm staat voor de McDonald’s op een uitgestorven plein, omringd door wegwerkzaamheden. Sommigen zien in het laguneproject een utopisch visioen van een groene toekomst. Voor de lokale bevolking betekent het 2000 banen voor de aanleg van de dam en 180 banen voor langere duur, alsmede een manier om meer investeerders naar Swansea te trekken.

    Cassie Werber

  • China’s seksdokter

    China’s seksdokter

    De Chinese sociologe 
Li Yinhe (63) probeert haar landgenoten te bevrijden van hun preutsheid. 
Dat lijkt aardig te lukken.

    Een van haar laatste artikelen heet: ‘Hoe je werk vermijdt en beter kunstwerken kunt gaan maken’. Het grootste kunstwerk van allemaal natuurlijk: je eigen leven. Want mevrouw de professor doceert niet, mevrouw de professor leeft. Het gaat erom de mensen de ogen te openen, juist voor het vanzelfsprekende, voor wat ze niet meer zien. De 63-jarige Li Yinhe, woonplaats Beijing, voedt in zekere zin een heel volk op. Ze laat de Chinezen zien hoe je ook tegen seks kunt aankijken en tegen het leven in het algemeen. Hierbij moet ze niet alleen opboksen tegen zes decennia communistische moraal, maar ook tegen de tweeënhalfduizend jaar daarvoor. Li Yinhe onderwijst door zichzelf als voorbeeld te nemen. Dat heeft ook als voordeel dat ze na alle inspanningen in elk geval zichzelf heeft gered. Hoewel je het nauwelijks inspanningen kunt noemen als je er lol in hebt.
    Inzicht nummer één is dus: de mens is vrijer dan hij denkt. Hij mag dan geboren zijn in de ketenen van de familie, van de maatschappij, maar wat weerhoudt hem er als volwassene eigenlijk van deze af te schudden, vandaag nog, op dit moment?


    Li Yinhe kijkt op: ‘Niets’.


    Inzicht nummer twee: als god niet be-staat en het leven geen zin heeft, dan kun je het ook aan de liefde wijden, en elke ademtocht aan het genieten van woeste schoonheid. Doe wat je leuk vindt. Stort je in het avontuur. En ja, zegt Li Yinhe, dat kan ook in China.


    Inzicht nummer drie: een man en een vrouw, goed. Ook goed: een man en een man. Een vrouw en een vrouw. Of twee mannen en twee vrouwen. Of een vrouw en een man die vroeger een vrouw was.

    Opboksen tegen zes decennia communistische moraal

    Ridder

    Deze laatste situatie geldt voor Li Yinhe zelf, ze heeft haar ridder gevonden. Zo noemt ze hem echt: ridder. Hij heeft haar gered uit een ‘zee van verdriet’. Zij, de atheïste, zit in een theehuis aan de rand van Beijing, drinkt groene thee, kauwt zonnebloempitten en spreekt over haar levenspartner als over een door God gezonden engel die met de kracht van tienduizend donderslagen op haar is neergedaald. Toen Li Yinhe eind vorig jaar bekendmaakte een verhouding te hebben met de nu 50-jarige Zhang Hongxia, was ze een tijdlang nog meer onderwerp van gesprek dan anders. Het stel stond op de cover van het populaire magazine People Weekly, het partijblad Renmin Ribao leverde commentaar op de relatie en ook op internet stonden de twee in de schijnwerpers. Wat een verhaal.

    Zij: de vrouw die iedereen kende. Hij: de man die zeventien jaar lang haar geheim was. Maar vooral was hij de man die als vrouw was geboren. Terwijl dit liefdesverhaal als je er goed over nadenkt eigenlijk anders moet worden verteld. Vrouw houdt van transseksueel? Zeker, maar het minstens even verbazingwekkende aspect is toch eigenlijk: beroemde sociologe houdt van taxichauffeur. Voor Li Yinhe mocht Zhang Hongxia dan een ridder zijn die aan kwam galopperen, zijn hoofdberoep was taxichauffeur en in veel opzichten een van de typisch Beijingse soort. Dus iemand die het liefst tot diep in de nacht mahjong speelt en die met een grote boog om boeken heen loopt. Zhang is tegenwoordig haar assistent, doet het huishouden (‘Ik zorg ervoor dat ze geen vinger hoeft uit te steken!’), maar leest nog altijd geen letter van haar. Van haar, de intellectueel, van wie het ene na het andere boek furore maakte, wier ideeën de vensters wijd openzetten in dit land dat aan verplichte preutsheid dreigde te verstikken.

    Een Chinese agent inspecteert een sauna tijdens een politieactie tegen prostitutie in de stad Qingdao. Li Yinhe pleit voor legalisering van het oudste beroep. – © Hollandse Hoogte
    Een Chinese agent inspecteert een sauna tijdens een politieactie tegen prostitutie in de stad Qingdao. Li Yinhe pleit voor legalisering van het oudste beroep. – © Hollandse Hoogte

    Op die dag in 1997 toen ze hem ontmoette, treurde ze nog om haar eerste grote liefde, die haar nog maar net was ontvallen: Wang Xiaobo, de dappere, pas na zijn vroege dood gevierde absurdistisch schrijver, die het woeste leven van het vlees in de kooi van ideologie en traditie op eigen wijze had gevierd. Met Wang Xiaobo was ze jarenlang getrouwd geweest, met hem had ze in 1992 een baanbrekende studie over homoseksualiteit gepubliceerd. Zolang hij leefde, stond zij, de afgestudeerd sociologe, in zijn schaduw. Pas in de jaren daarna werd ze een autoriteit in het liefdesleven van de natie, nadat ze met haar trilogie van studies over de seksualiteit van de vrouw, over de liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht en over het sadomasochisme, de grenzen van waarover in China kon worden gesproken weer eens een heel stuk had verlegd. Het tijdschrift Asian Weekly rekende haar destijds onder de ‘vijftig invloedrijkste Chinezen’.

    Verboden liefde

    Het maakt Li Yinhe niet zoveel uit. ‘Schoonheid en liefde zijn het belangrijkste in het leven,’ zegt ze. ‘De rest interesseert me eerlijk gezegd niet.’ Dat klopt niet helemaal, want ten eerste wil ze natuurlijk haar inzicht dat geluk mogelijk is met zo veel mogelijk landgenoten delen. En ten tweede is alleen al het streven naar persoonlijk geluk een zeer politieke daad in China: het woord ‘hedonisme’ was in het woordenboek van de Communistische Partij steeds synoniem met ‘individualisme’ en ‘egoïsme’, een verwerpelijk burgerlijk streven. Toen Li Yinhe in de jaren tachtig aan een manuscript werkte met de titel ‘Genieten van het leven’, was haar moeder verbijsterd over zo’n aanstootgevend plan. ‘Hoe kun je toch zo positief schrijven over genot?’ Een paar jaar later en wat kalmer geworden, noemde ze haar dochter alleen nog maar spottend ‘Dokter Seks’. Li Yinhe en Wang Xiaobo waren allebei kinderen van de Culturele Revolutie, die China tussen 1966 en 1976 verwoestte. In die tijd veranderden de Chinezen op bevel van Mao Zedong in een volk van aseksuele revolutieschepsels (terwijl de grote roerganger zelf zich met ontelbare liefjes vermaakte). Liefde was als burgerlijk concept verboden, betekende verraad aan de revolutie en was alleen toegestaan in de vorm van totale overgave aan Mao. Een ontdekte liefdes-brief kon een openbare vernedering, een pak slaag of zelfs werkkamp betekenen. De ouders van Li Yinhe werkten bij Renmin Ribao, het partijblad. Haar vader was zelf een communist, zij het sceptisch van aard. Na haar terugkomst uit Binnen-Mongolië, waar ze in het kader van de Culturele Revolutie naartoe was gestuurd, stuitte Li bij een collega van haar ouders op een goudmijn: een bibliotheek van meer dan tienduizend boeken, de hele verzameling wereldliteratuur, allemaal verboden werken. De 20-jarige Li sloot zich maandenlang op met de boeken en verslond er zoveel als ze kon.

    Twee boeken lieten haar niet meer los. Het ene was The Catcher in the Rye. ‘Sommigen vrienden van me kenden het uit hun hoofd.’ Het andere was 1984.

    Haar moeder noemt haar spottend ‘Dokter Seks’

    Seksuele revolutie

    China is niet altijd preuts geweest. Vroeger gaven de Chinezen, met name de taoïsten, zich over aan de ‘harmonie van yin en yang’. Seks gold als gezond en natuurlijk, en bepaalde praktijken – bijvoorbeeld wanneer de man zich de ejaculatie ontzegde – stonden als levensverlengend te boek. Tijdens de Song-dynastie (960-1279) stonden waarden als kuisheid en reinheid hoog in het vaandel. Onder de Mantsjoes, die van 1644 tot 1911 de laatste keizerlijke dynastie vormden, werd het land nog een stuk bedeesder. Maar zelfs in die tijd werden homoseksualiteit en prostitutie beschouwd als normaal en werd het toegestaan. Mao’s Communistische Partij predikte enerzijds de vooruitgang door de gearrangeerde huwelijken te verbieden en de vrije partnerkeuze bij wet vast te leggen, maar tegelijkertijd bereikte de door de overheid opgelegde preutsheid onder deze partij haar hoogtepunt.

    ‘De partij kwam aan de macht met de belofte de hongerende Chinezen te verzadigen,’ zegt Li Yinhe.

    ‘In hun ogen was seks een overbodige luxe, een gevaarlijke afleiding, verdorven.’ De Chinezen zijn inmiddels verzadigd, en warm aangekleed zijn ze ook. Er ontstaat dus een verlangen naar meer. In 1989, net na haar studie in de Verenigde Staten, deed Li Yinhe onderzoek naar het seksleven van de Beijingers. Slechts 15 procent van de ondervraagden had seks voor het huwelijk, de meesten met hun verloofde. In 2013 deed ze hetzelfde onderzoek landelijk. Nu was het al meer dan 70 procent. ‘Het is een revolutie,’ zegt Li Yinhe. ‘De Chinezen hebben meer seks. Ze gaan met meer partners naar bed. En ze leren steeds meer verschillende seksuele handelingen.’ Natuurlijk zijn er ook critici die deze ontwikkeling en Li Yinhe verdorven noemen. ‘Maar wordt hierdoor nu de maatschappij te gronde gericht?’ vraagt ze. ‘Nee, het maakt de mensen gelukkiger.’ Zoals met alles is het China van tegenwoordig ook rond het thema seks een vat vol tegenstrijdigheden. Enerzijds bevrijdt een nieuw generatie zich in rap tempo van banden en taboes, anderzijds sprak Li Yinhe onlangs weer een vrouw die geen idee had hoe ze zwanger was geworden en wat de seks met haar echtgenoot daarmee te maken had. De onwetendheid is groot. Op scholen is seksuele voorlichting in theorie verplicht, maar valt het in de praktijk meestal uit. Zo groot is de schaamte van de onderwijzers en zo groot de angst van de ouders dat hun kinderen hierdoor verpest raken.

    Zelfs het partijblad Renmin Ribao wenste haar geluk met haar relatie

    Middeleeuwen

    Er valt veel te doen voor iemand als Li Yinhe. Op Weibo, China’s tegenhanger van Twitter, heeft ze meer dan een miljoen volgers, en op haar blog zijn bijna vierhonderdduizend mensen geabonneerd. Hier breekt Li Yinhe een lans voor de legalisering van prostitutie en pornografie, en voert ze strijd voor het recht op groepsseks en een partner van dezelfde sekse. ‘Waarom moet iemand worden gestraft voor iets wat niemand schade berokkent?’ Al twee decennia probeert ze elk jaar weer afgevaardigden in het Chinese Volkscongres te winnen voor de legalisering van het homohuwelijk. Tot aan haar pensioen, twee jaar geleden, werkte Li Yinhe aan de Academie voor Sociale Wetenschappen, de belangrijkste denktank van de Chinese regering. Van het beleid op het gebied van seks heeft ze geen hoge pet op, want dat blijft ver achter bij de ontwikkelingen in de samenleving en is deels ‘in de middel-eeuwen’ blijven steken. Toch waardeert Li Yinhe de vooruitgang, mijlpalen zoals het schrappen van de ‘onzedelijkheidsparagraaf’ in 1997, die vooral homoseksuelen achter de tralies deed belanden.

    Prostitutie wordt nog altijd gecriminaliseerd en sinds kort voor lastercampagnes gebruikt, maar de laatste veroordeling van een bordeelhoudster dateert ook alweer van twintig jaar geleden. Als het gesprek op de televisiesoap Keizerin van China komt, rolt Li Yinhe met haar ogen. De kostbare serie over keizerin Wu Zetian was een hit bij de kijkers, tot ze in december door de censoren van de buis werd gehaald. Toen de uitzendingen werden hervat, waren de royale decolletés van de knappe hofdames van de Tang-dynastie digitaal weggewerkt.

    Tolerant

    Sinds 17 jaar woont Li Yinhe samen met Zhang Hongxia. De twee hebben een jongen geadopteerd, die nu veertien jaar is. Al toen hun zoon zes was, zegt Li Yinhe, heeft ze hem verteld hoe het zat met zijn ouders. De buitenwereld was nu pas aan de beurt. Op internet deden geruchten de ronde dat ze lesbisch was en dus ging Li opnieuw aan de slag om het land voor te lichten. In december schreef ze op haar blog dat ze zich aangetrokken voelde tot mannen, niet tot vrouwen. Haar partner was ‘zowel qua voorkomen als psychologisch een man’ en wel ‘een stereotiepe man, van wie vrouwen schrikken als hij in het damestoilet opduikt’. Ook al is hij als vrouw geboren. ‘Ze is geen zij. Ze is een hij,’ schreef Li Yinhe. Alleen al in de eerste 24 uur werd haar tekst 33.000 keer op Weibo gedeeld. Het overgrote deel van de commentaren was positief, men prees haar moed en dankte haar voor haar openheid. Zelfs het partijblad Renmin Ribao wenste haar geluk en appelleerde aan tolerantie.

    ‘Ieder is uniek op zijn eigen manier, laten we allemaal ons best doen om de samenleving gelijke tred te laten houden met de stand van de wetenschappelijke inzichten,’ schreef de krant op haar microblog. Het debat over haar en haar partner is weer een les voor haar land, zegt Li Yinhe. ‘Twintig jaar geleden heb ik de Chinezen uitgelegd wat homoseksuelen zijn en nu maak ik hun duidelijk wat transseksuelen zijn. En al met al is het toch verbazingwekkend hoe tolerant de mensen zijn.’ Niettemin heeft Li Yinhe onlangs na drie jaar werken een dik manuscript voltooid dat, zoals ze zelf zegt, ‘nul kans’ heeft op publicatie in China. ‘Te pornografisch.’ Ze giechelt, maar is vervolgens weer serieus: ‘Nu verschijnt het in Hongkong.’ Het zijn korte verhalen, met als belangrijkste thema sadomasochisme. De 63-jarige somt op: ‘Vrouwelijke meesteressen en manne-lijke slaven, allemaal net andersom, met z’n tweeën, met z’n drieën, met z’n vieren, een hoop orgasmen, het staat er allemaal in.’ […] Het is het eerste literaire werk van Li Yinhe.

    Kai Strittmatter

    Storm in een glas water

    ‘Li Yinhe veroorzaakt storm over seks’, luidde de kop in het Kantonese blad Nanfang Renwu Zhoukan. In december 2014 deden op internet geruchten de ronde dat Li Yinhe homoseksueel zou zijn. Een onbekende commentator beweerde dat ze een lesbiënne was die ‘al jarenlang samenwoont met een tomboy’. Hij vroeg zich ook af of de zoon die Li en haar partner hadden geadopteerd wel ‘naar school kon en vriendjes kon maken’ vanwege ‘de abnormale gezinsomstandigheden’ waarin hij opgroeide. De seksuologe, die eerder vrijwel nooit iets losliet over haar privéleven, antwoordde op haar blog dat ze samenwoonde met een persoon die als vrouw was geboren, maar die zich nu als man beschouwde. Zijzelf, preciseerde ze, was volledig heteroseksueel. Er volgde een ‘storm’ van commentaren op de Chinese sociale media. Los van haar eigen voorkeuren is Li er overigens van overtuigd dat China op termijn het homohuwelijk zal invoeren. ‘Het is een trend in de wereld. China zal zich hier zeker bij aansluiten, in weerwil van de obstakels waarmee we nu geconfronteerd worden.’

  • Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

    Frank Bruni: Ja

    Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

    Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

    Robert Pondiscio: Nee

    Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

    Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.