Tag: Buitenland

  • Orchideeënstroperij: hoe een bloeiende onlinehandel deze zeldzame bloemen bedreigt

    Orchideeënstroperij: hoe een bloeiende onlinehandel deze zeldzame bloemen bedreigt

    Toen een Britse plantenverzamelaar in 1818 een doos vol exotische planten vanuit Brazilië naar Engeland verscheepte, was dat het startpunt van de ‘orchideeëngekte’. Inmiddels speuren obsessieve verzamelaars overal ter wereld naar zeldzame soorten en is er een snelgroeiende en destructieve onlinehandel ontstaan.

    In zijn boek Orchid Fever: A Horticultural Tale of Love, Lust and Lunacy (2000) geeft de Amerikaanse reisauteur Erik Hansen een levendig verslag van de complexe wereld van obsessieve bloemverzamelaars, onversaagde jagers en hebberige plantensmokkelaars.

    Hansen begint zijn boek in de jungle van Borneo, een gebied dat bijzonder rijk is aan orchideeën. Hij fungeert er, samen met leden van de seminomadische Penan-stam, als gids voor twee Amerikaanse orchideeënkwekers. Het tweetal wil dolgraag de Paphiopedilum sanderianum fotograferen, een zeldzame orchideesoort die endemisch is op het eiland. Deze soort is volgens Hansen ‘de heilige graal onder de orchideeën, een bloem die slechts enkele tientallen botanici ooit in het wild hebben gezien’.

    Orchideeëngekte

    De orchideeëngekte begon in 1818 in Engeland, nadat de Britse plantenverzamelaar William Swainson een doos vol exotische planten, waaronder orchideeën, uit Brazilië naar Engeland had verscheept. Niet lang daarna trotseerden obsessieve verzamelaars aanvallen van tijgers en werden ze soms gedood of levend verbrand in de verste uithoeken van de aarde, waar de gewilde plant te vinden was.

    Twee eeuwen later is Zuidoost-Azië nog steeds een van de topbestemmingen voor orchideeënliefhebbers. In Azië heeft Indonesië er, met meer dan ruim vierduizend endemische soorten, waarschijnlijk het meest, gevolgd door Maleisië, waar meer dan drieduizend soorten vandaan komen. De Filipijnen kennen elfduizend soorten en Myanmar 1040, volgens een inventarisatie van botanisch tijdschrift PhytoKeys uit 2020.

    Destructief aspect

    Nieuw Maleisisch onderzoek werpt nu ook licht op een minder bekend, maar zeer destructief aspect van deze botanische interesse: de verborgen, snelgroeiende onlinehandel in zeldzame wilde orchideeën.

    ‘Het internet heeft het toch al dramatische verlies aan biodiversiteit nog verder versneld,’ vertelt orchideeënexpert Rexy Prakash Chacko, een van de oprichters van de organisatie Penang Hills Watch, die de ontbossing op het Maleisische eiland Penang boekstaaft. Prakash Chacko publiceerde onlangs samen met botanist Santhi Velayutham Orchids of Penang Hill, een boek over de orchideeën in het natuurpark Penang Hills op het eiland. Het tweetal wil hiermee de diversiteit tonen van de wildeorchideeënflora, maar ook alarm slaan over de illegale handel in deze planten.

    GettyImages 1215460441 1 1 2 1
    Een orchideeënboerderij in China. – © Getty

    De publicatie van het geïllustreerde boek komt precies op het moment dat Penang Hills een aanvraag deed om te worden aangemerkt als Unesco Biosphere Reserve: een natuurgebied met internationaal beschermde status. De interesse van botanici voor het gebied is overigens niet nieuw. Al in 1894 beschreven de Britten Charles Curtis en Henri Ridley in een eerste catalogus van de orchideeën in het gebied negentig verschillende soorten, een aantal dat in 2017 was opgelopen tot 144.

    ‘Omdat wij merkten dat deze lijst nog verre van compleet was, besloten we zelf een inventarisatie te gaan doen, en daaruit kwam het idee voor een geïllustreerd orchideeënboek voort,’ vertelt Velayutham.

    Het doel van de auteurs is om de natuurlijke diversiteit van Penang Hills te bevorderen, en natuurliefhebbers en wandelaars te stimuleren om de bloemen te herkennen en te beschermen. ‘Meer in het oog springende wilde orchideeën als P. barbatum, ook wel bekend als het venusschoentje, vind je al een hele tijd niet meer, dus richten verzamelaars zich nu op alle andere orchideeën die ze kunnen vinden,’ aldus Prakash Chacko. ‘Via Facebookgroepen over orchideeën vinden ze klanten uit het hele land. Regulering is er nauwelijks en tegen de bulkverkoop van planten wordt niets ondernomen.’

    laura ockel FD84EgcTFsc unsplash 1 1 1
    Een Miltassia Shelob-orchidee genaamd ‘Tolkien’. Het is een hybride van twee Zuid-Amerikaanse orchideeën. – Laura Ockel / Unsplash

    De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, die de meeste Zuidoost-Aziatische landen respecteren, kent strenge regels ter beperking van de handel in maar liefst 35.000 soorten, waarvan ten minste 70 procent orchideeën zijn. Maar het blijkt erg moeilijk om digitale transacties op sociale media op te sporen en tegen te gaan.

    ‘In Maleisië verkopen verzamelaars op Facebook orchideeën vaak voor maar 5 ringgit (1 euro) per stuk, wat kan oplopen tot 100 ringgit voor de zeldzamere exemplaren, vertelt Prakash Chacko. Milieuorganisatie Mongabay beschreef in 2018 hoe orchideeënsmokkelaars via eBay een grote internationale groep kopers bedienen. Zo was zes maanden na de ontdekking in 2010 van de nieuwe orchideeënsoort P. canhii in Vietnam deze zeldzame soort al bijna uitgestorven door stroperij, aangejaagd door een sterke vraag op internet.

    De bedreiging die dit vormt voor orchideeën is onmiskenbaar: Ruth Kiew van het Forest Research Institute Malaysia (FRIM) vertelde vorig jaar aan nieuwswebsite The Malaysian Insight dat veel van de wilde orchideeënsoorten in het land de komende vijf tot tien jaar zullen uitsterven als de illegale oogst niet aan banden wordt gelegd. 

    Het district Noming in Putao, in Myanmar, is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee

    ‘Orchideeën kun je makkelijker beschermen als ze in nationale of provinciale parken groeien, of in wildreservaten. Ook helpt het om bossen alleen met toestemming vooraf toegankelijk te maken en een vergunning verplicht te stellen om levende planten te verzamelen,’ zegt orchideeënexpert Ong Poh Teck van FRIM. Volgens Teck is de kans dat de planten illegaal worden meegenomen het grootst als ze in onbeschermde gebieden groeien die te uitgestrekt zijn om te surveilleren.

    De orchideeënstroperij breidt zich nu ook uit naar minder ontwikkelde delen van Zuidoost-Azië, zoals Myanmar. In dit land is de orchideeënflora nog vrij onbekend, als gevolg van het langdurige politieke isolement.

    De meest unieke orchideeën van Myanmar zijn te vinden in de afgelegen streek Putao in de staat Kachin, 1500 kilometer ten noorden van Yangon, ingeklemd tussen de Indiase deelstaat Arunachal Pradesh, de autonome Chinese regio Tibet en de noordwestelijke provincie Yunnan. Putao ligt aan de voet van de Hkakabo Razi, met 5881 meter de hoogste bergtop van Zuidoost-Azië. Voordat het onlangs door een nieuwe weg werd ontsloten, was het gebied alleen door de lucht bereikbaar. 

    Het district Noming in Putao is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee, vanwege zijn kastanjebruine bloemen. Hij groeit tussen de rotsen en draagt de naam van de Britse botanicus Frank Kingdon-Ward, die in 1914 onderzoek deed naar de orchideeën van Kachin.

    alex hand VOhERUMvTMM unsplash 1 1 1 1
    © Alex Hand / Unsplash

    Hoe uniek deze plant ook is, bedreigd is hij nog niet, aangezien de lokale bevolking hem niet intensief verzamelt. Hij wordt wel gebruikt in traditionele medicijnen en zo nu en dan verkocht als souvenir aan het handjevol vasthoudende toeristen op de markten in Putao. Althans, voordat covid-19 plotsklaps een einde maakte aan het toerisme in de streek.

    Toeristengids Japha Se uit Putao, eigenaar van reisbureau Icy Myanmar, vertelt dat er op sociale media al wel een levendige handel is ontstaan in de zwarte orchidee. ‘Maar nog populairder dan orchideeën zijn medicinale planten en lichaamsdelen van dieren. Die handel is lucratiever en er is meer vraag naar bij Chinese handelaars,’ vertelt hij. ‘Maar ik ben bang dat er vroeg of laat ook veel belangstelling zal komen voor onze wilde orchideeën.’

    Wapen

    Volgens de Wildlife Conservation Society, een internationale organisatie voor natuurbehoud uit New York die samenwerkt met het Myanmarese ministerie voor Bosbeheer, zijn er in de streek meer dan tweehonderd verschillende soorten orchideeën te vinden.

    Helaas staat het plan om het Hkakabo Razi National Park op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst te krijgen sinds december 2017 door hevige lokale protesten in de ijskast. Het zou het natuurbehoud in de streek vergemakkelijken, ‘omdat het een wapen is tegen de schurken die nu de levende en niet-levende natuur van het park plunderen,’ aldus Se.

    De zeldzame orchideeën staan ook elders in Myanmar onder druk, zoals in de heuvelgebieden Chin en Naga, langs de grens met de Indiase staten Manipur en Nagaland. Daar verzamelt de lokale bevolking de planten en verkoopt die door op markten en aan kopers over de grens.

    ‘Doordat het wegennet er is verbeterd, is het veel makkelijker geworden voor handelaars om orchideeën en dierlijk materiaal over de grens te brengen,’ vertelt Se. ‘Daarom ben ik nog het meest bezorgd dat onze orchideeën daar snel zullen gaan uitsterven.’

  • Bollywood Bling

    Bollywood Bling

    De Zuid-Aziatische Chila Kumari Singh Burman versierde in opdracht van Tate Britain de neoklassieke gevel van het museum. Het werd een vrolijke installatie, die samenviel met Diwali, het hindoefeest van duizend lichtjes. ‘Achter elke decoratie zit een reden.’

    Chila Kumari Singh Burman, wier ouders uit de Punjab kwamen, maar geboren is in Liverpool, verkent al meer dan veertig jaar haar Brits-Indiase achtergrond, plus wat zij beschrijft als ‘de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid’. Haar uitbundige werk omvat schilderijen, prints, collages, fotografie en performances: Bollywood-bling ontmoet popart, met uitbundige kleuren, glitter en een uitdagende weigering om zich te laten beperken tot één enkele benadering of interpretatie. Burman was in de jaren tachtig lid van de Britse Black Art-beweging en een van de eerste Zuid-Aziatische vrouwen die politieke kunst maakte in het Verenigd Koninkrijk. Haar werk is nog steeds doordrenkt met boodschappen over vrouwelijk empowerment en de wens om meerdere culturele verbanden en identiteiten te verkennen, zoals te zien is in haar huidige werk op de gevel van het Tate Britain. Ze heeft het gebouw gehuld in kaleidoscopische referenties, van Indiase mythologie tot George Orwell, via de negentiende-eeuwse ‘Warrior Queen’, de vrijheidstrijdster Jhansi ki Rani, en de horentjes die Burmans vader vanuit zijn ijscowagen verkocht.

    Wat is de gedachte achter uw Tate Britain-opdracht?

    ‘Het zou mooi zijn als mensen zeggen: “Wow, is dat echt het Tate Britain?” Maar ik wil het ook hebben over mijn positie als Zuid-Aziatische vrouw die opgroeide als een Punjabi uit Liverpool, mijn interpretatie laten zien van de traditionele en populaire Indiase cultuur, de neoklassieke façade van het museum doorbreken en alles door elkaar mengen. Chaos in de orde brengen. Of het nu met fotomontages, collages, schilderijen, delen van mijn etsen of tekeningen op de iPad zijn.

    Er zitten allerlei elementen uit mijn verleden in: de neonreclame van de Bengaalse tijger die op de ijscowagen van mijn vader stond, een pauw zoals die in hindoetempels rondlopen en ikzelf die een Shotokan-vechtsportsprong maak. Samen met Britannia bovenaan het fronton van het Tate heb ik een figuur van een Bollywood-actrice met geheven vuist gezet, die op het omslag van Mukti komt, een tijdschrift voor Zuid-Aziatische vrouwen dat ik in de jaren tachtig mede heb opgericht. Zij is mijn versie van Kali, de godin van de schepping en de vernietiging, en daar heb ik de woorden “I’m a Mess” aan toegevoegd, die ik ooit op een badge zag staan – want het is een puinhoop in Groot-Brittannië op dit moment, nietwaar?

    Werk van Chila Kumari Singh Burman © Tate 2020/Joe Humphrys
    Werk van Chila Kumari Singh Burman © Tate 2020/Joe Humphrys

    Langs het fries van de voorgevel staan de woorden ‘Remembering a Brave New World’. Waarom heeft u die titel gekozen?

    ‘Omdat het suggereert dat er inspiratie gevonden kan worden in het verleden, en het biedt ook een gevoel van hoop voor de toekomst en geloof in een heerlijke nieuwe wereld. Het heeft een dubbele betekenis omdat Aldous Huxleys Brave New World (Heerlijke nieuwe wereld) een dystopische, totalitaire staat was waarin iedereen in de gaten werd gehouden. Ik weet dat sommige mensen misschien vragen: waarom citeer je dit witte manspersoon uit de upper class dat op Eton heeft gezeten? Maar Huxley was zijn tijd zo ver vooruit; hij was een verstandige man.’

    De opdracht valt samen met Diwali, het hindoefeest van de duizend lichtjes.

    ‘De datum van Diwali verschilt elk jaar en toevallig viel het net in de tijd waarin ik de opdracht van het Tate moest uitvoeren. Dus dat gaf me de geweldige gelegenheid om Diwali in het landschap van de westerse kunstwereld te plaatsen. Het festival gaat over het licht aan het einde van de tunnel, over goed boven kwaad. Dus daar heb ik Lakshmi aan toegevoegd, de belangrijkste godin van Diwali, van rijkdom, fortuin en luxe, en ik heb er de god Ganesha een plaats in gegeven, die dan ook aanbeden wordt en geluk en voorspoed brengt. In mijn jeugd hadden we geen kunst aan de muren, maar wel kalenders met goden en goeroes erin. Ik heb het Tate Britain een beetje op een moderne tempel laten lijken, zonder dat die veel met religie te maken heeft.’

    U beschrijft uw werk als ‘een en al bling met een vlijmscherp politiek bewustzijn’.

    ‘Het toont een overvloed aan decoratie en verfraaiing. Ik maak gebruik van versiering, maar met een boodschap. Achter elke decoratie die ik in het Tate Britain heb gebruikt, zit een reden. Op twee van de pilaren staan afbeeldingen van mijn Punjabi Rockers-prints – de titel en de inhoud vormen een combinatie van mij als Punjabi met mijn liefde voor alle soorten muziek, of het nu hippie, punk, reggae is, of de bhangra- en Bollywood-filmmuziek waar mijn ouders thuis naar luisterden. De centrale pilaren zijn gehuld in Indiase vuurwerkverpakkingen met Lakshmi en Ganesha erop die verwijzen naar Diwali. Op de andere pilaren staan bloemen en details uit mijn Jelly Handcuffs-serie. Op de trappen liggen mijn kaleidoscopische iPad-tekeningen, die verwijzen naar Indiaas vuurwerk, en precies in het midden boven de hoofdingang staat het hindoesymbool “aum”.

    ‘Ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen’ – © DACS/Artimage | Versierde riksja van Chila Kumari Singh Burman uit 2018. – © DACS/Artimage
    ‘Ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen’ – © DACS/Artimage | Versierde riksja van Chila Kumari Singh Burman uit 2018. – © DACS/Artimage

    Toen ik nog klein was, gingen we elke zondag naar de hindoetempel, en ik weet zeker dat ik daar mijn gevoel voor kleur vandaan heb. Ik vond het altijd heerlijk om me mooi aan te kleden om naar de tempel te gaan; sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik de ervaringen en esthetiek van Aziatische vrouwelijkheid verkend, en in die context speelde ik vaak met traditioneel ‘meisjesachtige’ accessoires – bindi’s, beha’s, bloemen, juwelen en make-up – om gender en ras te onderzoeken. Ik vind het leuk om het idee van arte povera en gerecyclede materialen één feministische stap verder te voeren door goedkope, mooie rommel te gebruiken die men normaal gesproken geen blik waardig zou keuren.’

    U bent naar de kunstacademie gegaan om te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk, en later raakte u nauw betrokken bij de Britse Black Arts-beweging. Hoe was het om in die tijd kunstenaar te zijn?

    ‘Ik mocht van mijn ouders nooit uitgaan en ik had geen vriendje tot ik in 1979 naar Leeds Polytechnic ging. Het was een fantastische tijd om kunstenaar te zijn, want het was de periode van punk en Rock Against Racism, en er was telkens meer belangstelling voor performance en marxistische, feministische kunst. Ik speelde in een vrouwelijke punkband die Delta 5 heette – het was een en al seks en drugs en rock-’n-roll. In de jaren tachtig zat ik op een kunstacademie, de Slade, en dat was een heel experimentele, politiek beladen tijd. Politiek, kunst en muziek waren sterker verbonden met ideeën rondom ras, klasse en gender. Toen ik later van de Slade af ging, raakte ik betrokken bij een groep Zuid-Aziatische vrouwen die Mukti hebben opgericht, een Aziatisch, feministisch tijdschrift dat in zes talen uitkwam.

    Ik sloot me aan bij een aantal activistische groepen en werd curator van Curation for Liberation in de Brixton Art Gallery en van Artists Against Apartheid in de Royal Festival Hall met Darcus Howe. Ik ontwierp toen ook de antiracistische Southall Black Resistance-muurschildering met Keith Piper. We dachten allemaal dat we ons “eigen ding” moesten doen, omdat de witte kunstwereld ons niet zou zien staan. Ik ben altijd activist en artiest geweest – er was nooit een tekort aan dingen om commentaar op te geven.’

    In 1988 schreef u uw inmiddels baanbrekende essay ‘There Have Always Been Great Black Women Artists’ in reactie op Linda Nochlins ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ Heeft u het idee dat de situatie erop vooruit is gegaan?

    ‘Er hebben grote veranderingen plaatsgevonden – het bestaan van onze kunst wordt meer erkend – maar er is nog veel meer te doen. Heel veel kunstenaars buiten de dominante cultuur – en vooral kunstenaars uit de diaspora in Groot-Brittannië – ontbreken nog in de grote kunstverzamelingen, en er zijn niet genoeg monografieën, retrospectieven
    of selecties voor opdrachten en internationale tentoonstellingen. Daarom is het zo fantastisch dat ik nu in het Tate Britain te zien ben.

    ‘Bachan Singh, mijn vader, kwam in het begin van de jaren vijftig naar Engeland en werkte eerst voor Dunlop in Liverpool, maar daarna kocht hij een ijscowagen. Hij werkte tevens als goochelaar die vuur, scheermesjes en verbrijzelde gloeilampen doorslikte. Ook had hij een vaste act in de Seaman’s Club en was hij een ervaren kleermaker die maatwerk leverde.

    Hij verkocht meer dan dertig jaar lang ijsjes op Freshfield Beach vanuit een grote bestelbus met bovenop een Bengaalse tijger. In de jaren zeventig hielp ik hem altijd in de bus, die ik elke avond na school schoonmaakte. Er was geen tijd voor huiswerk, maar ik mocht zoveel ijs eten als ik maar wilde en werd ondergedompeld in een wereld van kleur, smaak en materialen.

    ‘Dit zwart-witbeeld van politieagenten, bedekt met een rood raster over een naaipatroon voor een kledingstuk, is er een van zes unieke prints die een reactie vormden op de rellen in de jaren tachtig. Ik deed mijn Master of Arts aan de Slade en woonde op dat moment in Brixton, en mijn partner werd door de politie in de gevangenis gegooid omdat hij een zijstraat in rende tijdens de rellen in Leeds.

    De prints zijn gemaakt met de meester-graficus Stanley Jones op de grafische afdeling van de Slade, die erom bekendstond dat er met uiteenlopende technieken werd geëxperimenteerd, en hierop combineer ik etsen met zeefdrukken en lithografie. Ik vind het leuk om dingen door elkaar te mengen en ik volg de regels niet, zelfs niet als het om grafiek gaat. Dit is een plaat waarop de agenten gasmaskers dragen, maar die heb ik in een zuurbad gelegd zodat er stukjes af zouden breken en er zitten ook gaten in. Ik had het niet zo op de politie op dat moment, dus beeldde ik een Amerikaanse agent af en stopte hem ook in een zuurbad, en daaroverheen legde ik dat papieren patroon met uitsparingen erin. De spanning en de scheiding in de gelaagdheid en de gefragmenteerde beelden weerspiegelen het geweld en het conflict van het onderwerp.’

    Louisa Buck

    The Art Newspaper
    Verenigd Koninkrijk | maandelijks | oplage 20.000

    Sinds 1990 onderscheidt deze titel zich in de kunstwereld met serieuze artikelen en grondige onderzoeken. Niet voor niets staat The Art Newspaper aan de wieg van vele primeurs.

  • Hardnekkige stereotypen van jongens en meisjes

    Hardnekkige stereotypen van jongens en meisjes

    Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia enorm gestegen. Voorstanders van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes houden vol dat hun hersenen fundamenteel anders in elkaar zitten. Dergelijke overtuigingen versterken niet alleen verraderlijke genderstereotypen, maar ook raciale.

    Op een heldere herfstochtend in 2017 begaven de ervaren biologieleraar Mary Bozenmayer en haar collega’s zich naar de kantine van hun middelbare school in New Jersey voor een professionele ‘ontwikkelingssessie’, die de hele dag zou duren. De spreker betrad het podium, glimlachte opgewekt en legde uit dat hij er was om hen te vertellen hoe verschillend jongens en meisjes denken.

    Bozenmayer was sceptisch. Door haar biologieopleiding wist ze dat de meeste theorieën over seksegerelateerde hersenverschillen al lang geleden waren ontkracht. Toch probeerde ze open te staan voor het verhaal van de trainer, die werkzaam was voor een organisatie genaamd het Gurian Institute, en die de leraren vertelde dat meisjes het beste leren door rustig te zitten en aanwijzingen op te volgen, terwijl jongens competitie en fysieke activiteit nodig hebben om moeilijke concepten onder de knie te krijgen. ‘Mannen kunnen trivia (zoals sportstatistieken) beter opslaan dan vrouwen, en voor een langere periode’, stond op een van de kaarten die hij liet zien. Op een andere stond: ‘Jongens hebben meer tijd nodig om emoties te verwerken dan meisjes, waardoor ze over het algemeen emotioneel kwetsbaarder zijn.’ Moderne klaslokalen, zei de trainer, spelen in op de leerstijl van meisjes – met als gevolg, concludeerde hij, dat meisjes op school slagen terwijl jongens gevaarlijk achterop raken.

    ‘De opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’

    Dat ging Bozenmayer te ver. Ze stak haar hand op en vroeg: ‘Als jongens het zo moeilijk hebben, waarom zien we dan nog steeds dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het Congres, en in Fortune 500-bedrijven?’ De trainer reageerde door zijn punten te herhalen. ‘Ik voelde mijn bloeddruk stijgen,’ herinnert Bozenmayer zich. ‘Ik had zoiets van: dit is gewoon te scheef.’ Maar toen ze de ruimte rondkeek, zag ze veel van haar mannelijke en vrouwelijke collega’s instemmend knikken, ijverig de kaarten doornemen en aantekeningen maken.

    Het idee dat jongens en meisjes aangeboren kenmerken hebben waardoor ze anders leren, is het afgelopen decennium in een stroomversnelling geraakt. Het Gurian Institute zegt dat het 60.000 leraren heeft opgeleid in 2000 schooldistricten – voor een bedrag van maar liefst 10.000 dollar per sessie. Een andere prominente pleitbezorger van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs, psycholoog Leonard Sax, biedt een populaire tweedaagse workshop aan voor scholen over ‘de opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’. Op de Boy Brains & Engagement-conferentie scoren honderden leraren onderwijscredits door te luisteren naar uitleg over de leerstijlen van jongens en meisjes. ‘Wetenschappers hebben ongeveer 100 typische geslachtsverschillen in de hersenen ontdekt,’ aldus de brochure.

    Jongens op een Amerikaanse school met seksegedifferentieerd onderwijs hebben een time-out, zodat ze even wat energie kwijt kunnen. © Getty
    Jongens op een Amerikaanse school met seksegedifferentieerd onderwijs hebben een time-out, zodat ze even wat energie kwijt kunnen. © Getty

    De ideeën vonden ook aansluiting bij beleidsmakers. De in 2002 door president George W. Bush ondertekende No Child Left Behind-wet moedigt aparte klaslokalen voor jongens en meisjes aan. Hoewel de regering-Obama zich tegen dat idee heeft verzet, hebben wetgevers op staatsniveau de zaak opgepakt: de gouverneur van Florida, Rick Scott, heeft in 2014 een wet ondertekend die ‘genderspecifieke klaslokalen’ toestaat; Californië heeft in 2017 een soortgelijke wet aangenomen. Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia explosief gestegen, van een handvol begin 2000 tot een paar honderd vandaag.

    Achter de beweging die scholen ‘gendervriendelijker’ wil maken, schuilt de angst dat ons onderwijssysteem vooral jongens achterstelt. Een reeks bestsellers over hoe jongens worstelen met leren liet duidelijk zien dat ze achterblijven op het gebied van cijfers, toetsscores en afstudeerpercentages. ‘Het bewijs dat jongens achterop raken stapelt zich op,’ schreef de New York Times-columnist David Brooks in 2012. ‘Dit is een uitgemaakte zaak.’ In een opinieartikel uit 2015 in The Washington Post, getiteld ‘Waarom scholen onze jongens in de steek laten’, schreef een ouder (een moeder): ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon.’ Sommige schrijvers zien de zogenaamde jongenscrisis als een gevolg van het feminisme. In een National Review-artikel uit 2017 getiteld ‘De vervrouwelijking van alles gaat ten koste van onze jongens’, beschuldigt conservatief expert David French ‘de gefeminiseerde school, compleet met zijn zerotolerancebeleid, dodelijke angst voor alles wat ook maar enigszins martiaal is, en de niet-aflatende nadruk op medeleven en zorg in plaats van verkenning en avontuur (tenzij de avonturier een vrouw is).’

    De stereotypen van meisjes als van nature ijverige huiswerkmakers en jongens als verkeerd begrepen rebellen bieden een handig kader om de matige schoolprestaties van sommige jongens te verklaren. Maar er is één probleem: overweldigend bewijs toont aan dat onze culturele verwachtingen van gender een minstens even grote rol spelen als de zogenaamd kernachtige verschillen in de leerstijlen van jongens en meisjes. Hoewel sommige studies van een paar jaar geleden lieten zien dat meisjes het wat leren betreft beter doen dan jongens, suggereert recenter onderzoek dat deze bevindingen verre van universeel zijn: de genderkloof in schoolprestaties varieert enorm per afkomst, klasse en geografische locatie.

    ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon’

    En zelfs als meisjes een voorsprong hebben op school, is de oorzaak misschien niet biologisch: toonaangevend hersenonderzoek trekt het idee van consistente en significante hersenverschillen tussen meisjes en jongens in twijfel, en onderwijsonderzoekers hebben ontdekt dat seksegedifferentieerd onderwijs geen studievooruitgang garandeert. Integendeel, onze vooroordelen over hoe meisjes en jongens leren en zich gedragen, beïnvloeden juist hun schoolervaringen en versterken genderstereotypen. En het meest verontrustende is dat neurologisch onderzoek erop wijst dat deze stereotypen de hersenen van de leerlingen misschien zelfs vórmen.

    Bescheiden overwinning

    Bozenmayer deelde haar zorgen over de koers van haar school met het schoolhoofd en zijn superieuren. Toen ze geen actie ondernamen, nam ze contact op met Galen Sherwin, een senior advocaat bij de American Civil Liberties Union (ACLU), die leiding geeft aan de ‘Teach Kids, Not Stereotypes’-campagne. De ACLU betoogt dat het scheiden van jongens en meisjes op school bijna altijd oneerlijk is – en in veel gevallen kan het illegaal zijn volgens Title IX, de federale wet die discriminatie op grond van geslacht in het onderwijs verbiedt. Tot dusver heeft de ACLU seksegescheiden onderwijs in vijftien staten betwist, wat heeft geleid tot de sluiting van 36 programma’s. Nadat de ACLU in 2018 contact had opgenomen met het kantoor van de procureur-generaal van New Jersey voor burgerrechten, stopte het district van Bozenmayer met de trainingen.

    Sherwin noemt het een bescheiden overwinning.

    Maar nieuwe openbare single-sex-scholen blijven opduiken, meestal in arme gemeenschappen van kleur, waar ze volgens haar niet alleen verraderlijke genderstereotypen versterken, maar ook raciale. Uit een Education Week-rapport uit 2017 bleek dat openbare single-sex-scholen bestaan ​​uit een onevenredig groot aantal leerlingen van kleur – ongeveer 90 procent, vergeleken met ongeveer 50 procent door het hele land. Meer dan driekwart van de leerlingen op single-sex-scholen komt daarbij uit arme gezinnen, tegen ongeveer de helft in het hele land.

    Voor leraren die worstelen met discipline, overvolle klaslokalen en ondergefinancierde scholen, kan het argument voor leerverschillen tussen jongens en meisjes overtuigend zijn. Zoals Rebecca Bigler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, Austin, die onderzoek doet naar de genderrolontwikkeling bij kinderen, opmerkt: ‘Het biedt een eenvoudige oplossing voor een in werkelijkheid complex probleem.’

    The Wonder of Boys

    Deze manier van leren is natuurlijk niet nieuw. Het werd ooit als ongepast beschouwd dat meisjes en jongens samen zouden leren. Toen ik in de jaren negentig naar een middelbare meisjesschool ging, was de heersende gedachte dat jongens de klasgesprekken domineerden en meisjes zich niet van hun slimme kant durfden te laten zien. Maar de overheersende onderwijsfilosofie voor jongens en meisjes die in deze eeuw is ontstaan, is minder gericht op het vergroten van de macht van meisjes dan op het redden van jongens.

    In 2006 publiceerde auteur en zelfbenoemd ‘sociaal filosoof’ Michael Gurian The Wonder of Boys, waarin hij betoogt dat de mannelijke hersenstructuur, samen met de ontbinding van traditionele maatschappelijke structuren, jongens vatbaar heeft gemaakt voor ‘bende-activiteiten, seksueel wangedrag en misdaad’. Critici prezen het boek als het mannelijke antwoord op Reviving Ophelia van Mary Pipher, de bestseller uit 1994 over worstelende tienermeisjes. Van The Wonder of Boys zijn meer dan 400.000 exemplaren verkocht en het is vertaald in 17 talen. Op zijn site beweert Gurian het Congres over zijn werk te hebben ‘ingelicht’. In 1996 richtte hij het Gurian Institute op, dat schooldistricten helpt om aparte klaslokalen voor mannen en vrouwen in te richten en sommige ertoe heeft overgehaald om seksegescheiden scholen op te richten.

    Gurian, die geen certificaten heeft in onderwijs, psychologie of neurowetenschappen, heeft zijn ‘op de natuur gebaseerde theorie’ over gender in meer dan twee dozijn boeken uitgewerkt. In The Minds of Boys: Saving Our Sons From Falling Behind in School and Life trekt Gurian van leer tegen een onderwijssysteem dat is afgestemd op volgzame, goed opgevoede meisjes, maar dat onstuimige, competitieve jongens achterstelt en buitensluit. ‘Ouders die hun zonen naar hun eerste dag op de kleuterschool brengen, zullen in toenemende mate merken dat ten minste een van hun jongens uiteindelijk een onderwijscrisis krijgt te doorstaan,’ schrijft hij.

    Om dit tegen te gaan, zegt Gurian, moeten we klaslokalen en onderwijsstrategieën speciaal voor jongens inrichten. Dit zou moeten beginnen op de kleuterschool, waar leraren in plaats van geweld te verbieden ‘agressiezorg’ moeten onderwijzen, zodat jongens elkaar kunnen slaan en schoppen in plaats van woorden te gebruiken. ‘Gezien de hormonale en neurale samenstelling van mannen,’ schrijft hij, ‘geldt voor jongens (en mannen) vaak dat agressieve gebaren net zo vormend zijn als woorden, en voor net zo veel binding zorgen als een knuffel.’ (Sax, de eerdergenoemde psycholoog, beaamt deze ideeën en raadt slaan aan als straf voor jongens, maar niet voor meisjes.) Gurian stelt een reeks strategieën voor waarvan hij beweert dat ze het leren van jongens op alle niveaus zullen verbeteren: leraren mogen jongens niet in de ogen kijken – het mannelijke brein raakt gefrustreerd door direct oogcontact. Het licht moet altijd fel blijven, want bij weinig licht kunnen jongens ‘zich gaan misdragen’. Om jongens tot lezen te verleiden stelt hij voor om ze handleidingen, businessboeken en strips aan te bieden in plaats van To Kill a Mockingbird of Romeo en Julia.

    Gurian stelt dat jongens zeer geschikt zijn voor het soort lessen dat ze een paar eeuwen geleden zouden hebben gekregen: jagen, boer worden of een vak leren bij een ervaren ambachtsman. Hij geeft de Industriële Revolutie de schuld van de ondergang van dat type onderwijs. Amerikaanse scholen, zegt hij, zijn ontwikkeld om leerlingen op te leiden voor fabriekswerk. Gurian, die ook romanschrijver is, verwerpt de moderne nadruk op lezen en verbale taken, waar meisjes, zo beweert hij, van nature beter in zijn. ‘Omdat jongenshersenen van nature niet geschikt zijn voor klaslokalen die de nadruk leggen op lezen, schrijven en complexe woordvorming, ontstaan in elke cultuur die sterk afhankelijk is van die vaardigheden problemen bij de jongens.’ Bovendien, zegt hij, zijn jongens van nature minder veerkrachtig dan meisjes – dus een slecht cijfer kan hun kwetsbare ego’s beschadigen. ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal.’

    Geslachtsmozaïek

    Meer dan tien jaar geleden merkte Lise Eliot op dat ouders vaak verwezen naar zogenaamd aangeboren verschillen in hoe jongens en meisjes denken. Dat klonk aannemelijk, vond Eliot, een neurowetenschapper aan de Rosalind Franklin University in Chicago die de plasticiteit van de hersenen bestudeert – het vermogen van onze geest om zich te ontwikkelen en aan te passen. Dus besloot ze er een onderzoeksproject van te maken, waarbij ze een schat aan gegevens vergaarde uit brain imaging- onderzoek van kinderen en volwassenen.

    ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal’

    Eliot verwachtte consistente verschillen te zien in de structuren van mannelijke en vrouwelijke hersenen, dus ze was perplex toen de beelden iets heel anders onthulden. Sommige kenmerken kwamen inderdaad vaker voor in de hersenen van één geslacht. Bij vrouwen is de buitenste laag van de hersenen, die bekendstaat als de hersenschors, bijvoorbeeld dikker; de hippocampus, een regio die geassocieerd wordt met het geheugen, is bij mannen verhoudingsgewijs vaak groter dan bij vrouwen. Toch ontdekte ze dat individuele hersenen een mix van eigenschappen bevatten die als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ worden beschouwd. In feite vond ze slechts één consistent verschil tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen dat voor alle leeftijden gold: mannelijke hersenen zijn ongeveer 11 procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar dat leek niet echt veelzeggend, aangezien alle mannelijke organen iets groter zijn, wat in verhouding staat tot de grotere lichaamsomvang van mannen.

    Toen Eliot en haar collega’s naar beelden en studies van de hersenen van kinderen keken, zagen ze nog minder consistente verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Ik stond versteld,’ herinnert ze zich. ‘Mensen beweren dat als we ons anders gedragen, er ook iets anders moet zijn aan de hersenen. Maar dat is aan de grote hersengebieden of zenuwbanen zeker niet te zien.’ Daphna Joel, hoogleraar psychologie en neurowetenschappen aan de universiteit van Tel Aviv, beschrijft het algehele effect als een ‘geslachtsmozaïek’ – elk brein heeft een ‘specifieke configuratie’ van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken.

    Toen Eliot zich begon te verdiepen in psychologische onderzoeken viel haar iets soortgelijks op. Over het algemeen waren verschillen in gedrag op basis van geslacht bij zowel kinderen als volwassenen statistisch klein. Bij zeer jonge kinderen bestonden ze vrijwel niet, terwijl ze bij tieners en volwassenen iets aanweziger waren: meisjes hadden de neiging om iets op jongens voor te lopen in hun verbale taken, en jongens werden over het algemeen iets beter in ruimtelijke en wiskundige problemen. Tussen de vroege kinderjaren en het einde van de adolescentie ontdekten onderzoekers van de Emory-universiteit dat de voorsprong van jongens op meisjes bij ruimtelijke taken verdrievoudigde, van ‘klein’ tot ‘gemiddeld’. Er is een statistisch significante genderkloof te zien bij leestoetsen die aan Amerikaanse leerlingen worden gegeven, waarbij meisjes hoger scoren, vooral op de middelbare school. Maar zoals een rapport van de Brookings Institution opmerkt, is deze kloof kleiner geworden en kleiner dan de kloof tussen witte en zwarte leerlingen, tussen leerlingen in de stad en leerlingen uit voorsteden, en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. En deze genderkloof verdwijnt op volwassen leeftijd.

    Eliot wist vanuit haar vakgebied dat het menselijk brein uitzonderlijk goed is in zich aanpassen en veranderen als reactie op prikkels van buitenaf. Dat bracht haar ertoe te onderzoeken of we onbedoeld de hersenen van onze kinderen vormgeven volgens genderstereotypen. Hiervoor zijn goede bewijzen te vinden. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat het gebied van Broca, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor verbale verwerking, groter is bij meisjes en vrouwen. Toch is aangetoond dat ouders de taalvaardigheid van hun jonge kinderen kunnen verbeteren door met hen te praten – en dat moeders meer met babymeisjes praten dan met babyjongens, wat de ontwikkeling van deze regio zou kunnen stimuleren. ‘Hoe,’ vraagt Joel zich af in haar recente boek Gender Mosaic: Beyond the Myth of the Male and Female Brain (dat ze samen met Luba Vikhanski schreef), ‘kunnen we dan zien of de superieure verbale vaardigheden van de meisjes inderdaad het gevolg zijn van hun geslacht, of dat ze worden beïnvloed door de genderspecifieke zorg die ze krijgen?’ Ze haalt een onderzoek uit 2014 aan, waarin wetenschappers de hersenactiviteit bij ouders van zuigelingen analyseerden. Bij heteroseksuele koppels waren er consistenties langs geslachtslijnen – de vrouwenpatronen wezen de ene kant op, de mannenpatronen de andere kant. Maar bij homoseksuele paren, waar de opvoedingsrollen minder geslachtsgebonden zijn, vertoonden beide ouders typisch mannelijke én vrouwelijke patronen in de hersenactiviteit. Dit, schrijft Joel, roept een interessante vraag op: ‘Zijn dergelijke verschillen voorgeprogrammeerd in onze biologie, of worden ze gedicteerd door de rollen die vrouwen en mannen in onze samenleving krijgen toebedeeld?’

    De invloed van onze sociale omgeving op de vorming van ons lichaam, beperkt zich niet tot de hersenen. Terwijl Gurian en Sax beweren dat een overvloed aan testosteron ervoor zorgt dat jongens competitief zijn, kan het omgekeerde ook het geval zijn: studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes.

    Essentialistisch denken

    Als ik vrienden en kennissen vertel wat ik heb geleerd over het gebrek aan bewijs voor consistente op geslacht gebaseerde hersenverschillen, krijg ik vaak opmerkingen als: ‘Dat kan onmogelijk waar zijn! Ik heb mijn kinderen en hun vriendjes bestudeerd, en vanaf de peuterleeftijd leggen de meisjes de speelgoedtrucks als baby’s in bed en veranderen de jongens poppen in geweren.’ Dat is misschien zo, zegt Joel tegen mij, maar we weten niet hoeveel hiervan te wijten is aan de manier waarop stereotypen onze kinderen vormen. Als mensen hebben we een opmerkelijk vermogen om onze waarnemingen te filteren op informatie die onze overtuigingen versterkt. We zullen dus eerder de kleine meisjes opmerken die de vrachtwagens vertroetelen, dan degenen die het verschil kunnen zien tussen een shovel en een graafmachine. En zodra we gedrag opmerken dat overeenkomt met onze vooroordelen, hebben we de neiging dit te versterken. ‘Is die vrachtwagen jouw baby?’ vragen we het meisje bijvoorbeeld. ‘Wil je hem een ​​flesje geven?’

    Studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes

    Zulke stereotypen sluipen het klaslokaal binnen. Bigler, de psycholoog, heeft ontdekt dat het simpelweg gebruiken van de termen ‘jongens’ en ‘meisjes’ op school (en elders) de manier kan veranderen waarop kinderen over gender denken. Zelfs de schijnbaar onschadelijke begroeting ‘Goedemorgen, jongens en meisjes!’ bevordert wat psychologen essentialistisch denken noemen – het idee dat mensen in verschillende categorieën ‘op grote, ingrijpende manieren anders zijn’, zegt Bigler. Kinderen worden sterk beïnvloed door de houding van hun ouders en leraren – en, zegt Bigler, volwassenen verwerpen het ‘gendervooroordeel’ van kinderen gewoonlijk als schattig of onschadelijk. Bigler vroeg ooit een klas met basisschoolleerlingen om hun favoriete en minst favoriete klasgenoten te noemen. Veel van de jongens zeiden dat ze niet slechts vijf kinderen konden noemen die ze niet leuk vonden – ze vonden alle meisjes stom. Wanneer Bigler me dit verhaal vertelt, lach ik. ‘Ik vertel deze anekdote al dertig jaar en iedereen lacht,’ zegt Bigler. ‘Maar het is niet grappig. Het probleem is dat als kinderen zulke dingen zeggen, volwassenen er niet tegen ingaan.’

    Deze vicieuze cirkel van stereotypeversterking vindt Eliot kwalijk. ‘Als je wilt dat jongens en meisjes meer hetzelfde denken, moet je ze een vergelijkbaardere opleiding geven,’ vertelt ze. ‘Alles wat we weten over de hersenen ondersteunt dit.’ Het is één ding wanneer ouders de gendervooroordelen van hun kinderen beïnvloeden; het is iets anders wanneer die vooroordelen niet alleen weerspiegeld worden, maar bovendien worden gepromoot op onze openbare scholen.

    Toch is Gurian niet onder de indruk van de groeiende wetenschappelijke consensus omtrent het sekseneutrale brein – hij verzet zich zelfs vaak tegen de wetenschappers die dit hebben aangetoond. Toen Eliot Gurian op Twitter tagde om zijn bewering te bekritiseren dat vrouwelijke hersenen beter uitgerust zijn voor verbale taken, tweette Gurian terug: ‘Je bent net een klimaatontkenner: een wetenschapper die de wetenschap ontkent.’ (‘Laat me de gegevens zien,’ stuurde ze terug, Gurians misleidende argumentatie rechttrekkend. Hij reageerde niet.)

    Grabbelton

    Toen ik contact opnam met Gurian was zijn eerste opmerking: ‘Als je achter Lise Eliots ideeën staat, ben ik niet geïnteresseerd in een gesprek.’ Haar onderzoek staat volgens hem te ver af van het klaslokaal om van belang te zijn voor het onderwijs. Hij beweert dat zijn werk ter bevordering van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs en single-sex-scholen is gebaseerd op ‘meer dan 1000 onderzoeken naar mannelijke en vrouwelijke hersenen’. De bronnen die op zijn site worden vermeld, zijn op zijn zachtst gezegd een grabbelton: recentere, peer-reviewed studies worden afgewisseld met tientallen jaren oude artikelen met titels als ‘IJsconsumptie, de neiging tot overmatig eten en persoonlijkheid’ en ‘Vrouwelijke voorkeur voor aantrekkelijke make-up veroorzaakt veranderingen in hun testosteron’, en een boek uit 1999 genaamd Why Men Don’t Iron. (Toen ik contact met hem opnam om toelichting te vragen over zijn bronnen, wilde hij geen commentaar geven.)

    In tegenstelling tot wat Gurian beweert, wezen de experts met wie ik sprak op recent onderzoek waaruit blijkt dat de genderstereotypering van leraren zichzelf kan versterken. In een studie uit 2014 analyseerde Sarah Theule Lubienski, hoogleraar wiskunde aan de Indiana-universiteit, de manier waarop leraren van basisschoolleerlingen gedrag en leercompetentie beoordeelden. Ze ontdekte dat meisjes even goed in wiskunde konden zijn als ze door leraren werden gezien als hardwerkender en gretiger dan jongens. In een volgende studie toonde Lubienski aan dat de verwachting dat meisjes gehoorzaam zijn, hen ervan weerhoudt het gedurfde, creatieve, probleemoplossende denken te ontwikkelen dat vereist is voor wiskunde op een hoger niveau. Dat zou kunnen verklaren waarom meisjes over het algemeen gelijke tred houden met jongens bij gestandaardiseerde wiskundetoetsen, ook al zijn er onder de toppresteerders onevenredig veel jongens. ‘We leren meisjes om een goede leerling te zijn,’ zegt Lubienski. ‘In plaats daarvan zouden we hen moeten helpen strategieën te ontwikkelen om onbekende problemen op te lossen. Laten we leerlingen belonen als ze moedig zijn in hun denken.’

    Onderzoek toont aan dat single-sex-scholing de beweringen van Gurian niet waarmaakt. In 2010 onderzochten Bigler en een team van onderzoekers van de Universiteit van Texas een openbare middelbare school voor meisjes in het zuidwesten. Op papier was de school een lichtend voorbeeld van het succes van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes: de leerlingenpopulatie was divers en de toetsscores waren hoog. Maar toen de onderzoekers dieper in de gegevens doken, ontdekten ze dat de meisjes die werden toegelaten via een zogenaamd willekeurige loting al beter presteerden dan hun leeftijdsgenoten op andere gemengde scholen – terwijl meisjes aan wie de toelating werd geweigerd, lagere scores haalden. De leerlingen van de meisjesschool deden het niet beter op gestandaardiseerde toetsen dan hun leeftijdsgenoten op een gemengde school. In 2014 hebben onderzoekers in een meta-analyse, gepubliceerd door de American Psychological Association, 184 studies van 1,6 miljoen leerlingen over de hele wereld doorgekamd. Niet-gemengde scholen bleken ‘weinig of niets’ voor te hebben op gemengde scholen, waarbij werd opgemerkt dat die bevindingen de veronderstellingen over biologische verschillen tussen jongens en meisjes ondergraven.

    Om te zien hoe het er in het single-sex-onderwijs aan toegaat, reis ik naar een van de gebieden waar voor- en tegenstanders een harde strijd voeren. In 2014 diende de ACLU een klacht in bij het ministerie van Onderwijs tegen het schooldistrict Hillsborough County in Tampa, Florida, met het argument dat de betreffende scholen de rechten van leerlingen op grond van Title IX schonden. Het district, zo beweerde de klacht, had bijna 100.000 dollar uitgegeven aan trainingen door het Gurian Institute, Sax en anderen. (Een van die sessies heette Busy Boys, Little Ladies.) Daarop werden in achttien scholen klaslokalen voor jongens dan wel meisjes ingericht, waar leraren op gender gebaseerde instructiestrategieën implementeerden, zoals meisjes een vleugje parfum op hun polsen geven voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen. Dat programma werd uiteindelijk geschrapt. Maar in 2011 werden in het district opnieuw twee niet-gemengde middelbare scholen geopend: Ferrell Girls Preparatory Academy en Franklin Boys Preparatory Academy, die beide zijn benoemd tot Gurian Institute Model School.

    Vermoedelijk vanwege de ACLU-klacht heeft Tampa er alles aan gedaan te zorgen dat de single-sex-scholen niet in strijd waren met Title IX, dat over het algemeen verbiedt om kinderen volgens gender of geslacht te scheiden, terwijl het genderspecifieke scholen onder bepaalde omstandigheden toestaat. Zo is geen enkele leerling uit Tampa verplicht naar een jongens- of meisjesschool te gaan – het zijn programma’s waar gezinnen zelf voor moeten kiezen.

    Meisjes kregen een vleugje parfum op hun polsen voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen

    Franklin Boys Preparatory Academy bevindt zich in een buurt met lage inkomens aan de oostkant van Tampa. Leerlingen zijn gemiddeld armer dan op de meeste scholen in de buurt. Ongeveer 75 procent van de 530 leerlingen krijgt een gratis lunch of lunch met korting. Driekwart van de leerlingen is zwart of van Latijns-Amerikaanse afkomst, vergeleken met 57 procent in de rest van de wijk. Senior beheerder Kathy Wasserman leidt me rond in de school en wijst op de kenmerken die speciaal voor jongens zijn ontworpen. Bij de ingang staat een trofeekast met in het midden een grote beker. Die, vertelt ze, behoort toe aan de winnende afdeling van vorig jaar – de jongens zijn à la Harry Potter verdeeld over drie afdelingen, elk gestructureerd als een bedrijf, met hoofdmonitors die optreden als ‘directeur’. Door resultaten, sport en goed gedrag kunnen de afdelingen punten verzamelen, die elke twee weken worden opgeteld. Het afdelingssysteem, legt Wasserman uit, is een hoeksteen van de school. ‘Jongens gedijen bij concurrentie,’ vertelt ze me.

    De gangen worden in tweeën gedeeld door geel met zwart gestreepte lijnen. Wasserman vertelt dat de school tweebaansverkeer heeft ingesteld omdat ‘jongens gedijen bij structuur’. Dat is de sleutel van de aanpak van de school. ‘Alles wat we doen gaat volgens een bepaalde structuur en een bepaalde procedure.’ In een taalvaardigheidsles wijst Wasserman erop dat de bureaus in traditionele rijen zijn gerangschikt – omdat, zegt ze, jongens informatie het beste kunnen assimileren als ze recht vooruit kijken. Een assistent-leraar laat me een timer zien en vertelt dat deze elke 12 minuten afgaat, waarna de jongens naar de drinkfontein in de hal mogen gaan. ‘Jongens reageren heel goed op die timer,’ zegt Wasserman. ‘Schema’s, timers, al deze dingen liggen vast.’

    Als ik vraag wat ze denkt van het idee dat traditionele scholen het jongens moeilijk maken, zegt ze na even nadenken: ‘Meisjes zijn goed in zitten en stil zijn en doen wat ik zeg. Ik denk dat onderwijs vaak op dat principe is afgestemd. Maar wij zijn ingesteld op jongens, op beweging. We zijn luidruchtig. We hebben energie. We zorgen dat er tijdens de lunch genoeg tijd is om de jongens naar buiten te laten gaan.’

    Maar zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur. Tijdens de lunch in de kantine vertelt Wasserman: ‘Als je naar het toilet moet, gaat dat volgens protocol. Als je water wilt, gaat dat volgens protocol. Als je je vork bent vergeten, gaat dat volgens protocol. En het loopt op rolletjes.’

    Het Gurian Institute promoot seksuele voorlichting als onderdeel van de oplossing voor de specifieke uitdagingen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, zoals hoge schooluitval en de gang van-school-naar-de-gevangenis. De aanpak van het instituut wordt gepresenteerd door de lens van de veronderstelde jongenscrisis. ‘De meeste mannelijke problemen, inclusief de problemen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, houden verband met het onvermogen van onze samenleving om de aard van mannen te koesteren,’ schrijft Gurian. Een recente aflevering van zijn podcast heet: ‘We kunnen raciale en sociaaleconomische hiaten niet oplossen zonder de genderkloof te verhelpen.’

    Verontrustende raciale boventonen

    Hoewel deze inspanningen worden gedreven door oprechte bezorgdheid over de raciale kloof in prestaties, maakt Sherwin, de ACLU-advocaat, zich zorgen dat het op geslacht scheiden van leerlingen van kleur ‘berust op het stereotiepe idee dat deze kinderen zo weerbarstig en onbeheerst zijn dat jongens en meisjes zich niet samen in één klaslokaal kunnen bevinden’. Dit is bijzonder verontrustend in het licht van de recente geschiedenis van het openbaar onderwijs voor jongens en meisjes in de Verenigde Staten. Juliet A. Williams, hoogleraar genderstudies aan de University of California, Los Angeles, is nagegaan welke schooldistricten leerlingen in het verleden scheidden op basis van geslacht, in opdracht van witte ouders die in opstand kwamen tegen het idee dat hun witte meisjes samen met zwarte jongens werden onderwezen. Ideeën over op sekse gebaseerde verschillen, zegt ze, ‘kunnen een verontrustende racistische ondertoon hebben en het vooroordeel uitdragen dat zwarte en latinojongens chaotischer, onhandelbaarder en onbeheerster zouden zijn’.

    Zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur

    Seksegescheiden schoolprogramma’s worden steeds vaker aangeboden als alternatief voor lokale scholen en ingekaderd als een onderdeel van de schoolkeuzebeweging die door minister van Onderwijs Betsy DeVos wordt gepromoot. Bijgevolg heeft de organisatie van Sax, de National Association for Single Sex Public Education, haar naam veranderd in de National Association for Choice in Education. ‘De realiteit is dat ouders beperkte onderwijskeuzes hebben,’ zegt Bigler. ‘En misschien is een school voor één geslacht in sommige gemeenschappen de beste optie, omdat die meer middelen heeft.’ Het is veelzeggend, benadrukt Sherwin, dat de trend onder elitescholen naar gemengd onderwijs neigt. ‘Als single-sex zo goed zou werken, zou je zien dat het overal werd toegepast, niet alleen in arme minderheidsdistricten.’ Een meta-analyse uit 2014 van dit type onderwijs heeft geen bewijs gevonden dat het arme leerlingen van kleur vooruithelpt.

    Ondanks het gebrek aan bewijs, houden de voorstanders van single-sex-onderwijs voet bij stuk. De National Association for Choice in Education heeft in 2011 haar openbare lijst van seksegescheiden klaslokalen en scholen geschrapt om de ‘intimiderende aanpak van ACLU’ te belemmeren. In 2017, twee jaar nadat ACLU een klacht had ingediend tegen een overwegend door latinokinderen bezochte middelbare school in Los Angeles die leerlingen naar geslacht scheidde, hebben wetgevers in Californië een wet aangenomen die de oprichting van zulke scholen legaal maakt. In 2018 verloor ACLU een zaak over de middelbare seksegedifferentieerde scholen in Austin, het schooldistrict met het grootste aantal latinoleerlingen van Texas. Het is niet duidelijk wat de volgende stap in de juridische strijd zal zijn. Tot dusver heeft de Trump-regering geen beleid uitgevaardigd over openbare scholen voor één geslacht, maar de trend lijkt te zijn om schooldistricten maximale speelruimte te geven.

    55 procent van de scores van de Ferrell-meisjes in 2018 kwalificeerde zich als bekwaam, tegen 40 procent van de Franklin-jongens

    Ik sprak met een lerares Engels uit een groot, veelal arm en niet-wit schooldistrict in Texas, die zich had beklaagd dat ze van de onderwijsinspecteur een training moesten volgen op basis van het werk van Gurian en Sax, waarna haar middelbare school zich enkel nog op jongens richtte. Maandenlang verzette ze zich tegen wat zij zag als een schoolcultuur gebaseerd op valse stereotypen over mannelijkheid – die schadelijk was voor een kwetsbare populatie jongens. Ze maakte zich vooral zorgen over het feit dat een groep homoseksuele leerlingen werd gepest en dat een beginnende lerares seksueel werd lastiggevallen door leerlingen. Haar klachten bleven grotendeels onbeantwoord en aan het einde van het schooljaar werd ze zonder toelichting ontslagen.

    Zo’n 3 kilometer van de Franklin Boys Preparatory Academy hangt er in de Ferrell Girls Preparatory Academy, waarvan de leerlingen demografisch vergelijkbaar zijn met die van Franklin, een heel andere sfeer. Hier geen timers, stroken in de gang of bureaus in rijen. Het is er niet zozeer chaotisch maar wel een beetje vriendelijker. En dat is geen toeval. De tegenhanger van Wasserman, Lori Bartholomew, vertelt me dat haar leraren de nadruk leggen op samenwerking en inclusiviteit, en uitzoeken hoe het emotionele leven van meisjes hun leren beïnvloedt. Het is gebruikelijk, zegt ze, dat leraren met de les beginnen met de vraag wat er bij de meisjes speelt. Net als bij Franklin worden de leerlingen verdeeld over verschillende afdelingen, maar hier ligt de focus op samenwerking, niet op concurrentie.

    Bartholomew noemt veel generalisaties waarvan ik vermoed dat ze het bloed van Lise Eliot zouden doen koken. Ze wijst erop dat een leraar een ‘zachte toon’ gebruikt omdat ‘meisjes erg gevoelig zijn voor geluid’. De toegewezen zitplaatsen in de kantine worden om de twee weken vervangen omdat de vriendschapsgroepen van meisjes ‘als beton zijn, en je een sloophamer nodig hebt om ze uit elkaar te halen’. Ze vertelt me dat meisjes gevoeliger zijn voor emoties dan jongens. ‘Veel daarvan heeft te maken met moederen en verzorgen,’ zegt ze. ‘Ze zeggen zelfs dat vrouwen oxytocine aanmaken als ze een baby horen huilen, want dat is hun instinct.’

    Het resultaat van dit alles is pervers genoeg een educatieve omgeving die echt lijkt te werken. Ik zie hoe de leraar in een wiskundeles meisjes uitdaagt om samen te werken en creatief na te denken. Op een gegeven moment verdeelt ze de klas in verschillende groepen om erachter te komen hoe het concept van absolute waarde zich zou kunnen verhouden tot de echte wereld. Na een paar minuten de koppen bij elkaar te hebben gestoken, delen de meisjes hun ideeën. ‘Als je loopt, loop je nooit negatieve afstanden,’ zegt een meisje. De anderen knikken. Later in de les moedigt de leraar de meisjes aan om samen te werken aan een oefening in grafieken tekenen. ‘Communiceer met je buren. Kijk of ze dezelfde soort grafiek hebben als jij,’ zegt ze. ‘Zo niet, help ze dan.’

    Sociaal-emotioneel leren
    Het soort onderwijsstrategieën dat ik bij Ferrell heb gezien, legt de nadruk op wat bekendstaat als sociaal-emotioneel leren: kinderen helpen hun emoties te uiten en te beheersen, zelfrespect te ontwikkelen, relaties aan te gaan en empathie te ervaren. Onderzoek toont aan dat sociaal-emotioneel leren de schoolprestaties kan verbeteren. In 2011 analyseerde de nonprofitorganisatie Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning meer dan 200 schoolprogramma’s en ontdekte dat hoogwaardige sociaal-emotionele leerprogramma’s correleerden met een sprong van 11 percentiel in de lees- en rekenscores van leerlingen. Uit een vervolgonderzoek in 2017 bleek dat de voordelen van deze programma’s jarenlang aanhielden.

    Bij gestandaardiseerde toetsen presteerden Ferrell-meisjes in elk vak beter dan Franklin-jongens. Het verschil was het grootste in wiskunde: 55 procent van de Ferrell-meisjes in 2018 scoorde een ruime voldoende, tegen 40 procent van de Franklin-jongens. Deze kloof tussen mannen en vrouwen op single-sex-scholen in Tampa duidt op een grote ironie: naar geslacht gedifferentieerd onderwijs moest de ‘jongenscrisis’ in het onderwijs oplossen, maar de meeste experts die ik heb gesproken, zijn bang dat precies het tegenovergestelde gebeurt. ‘We leren jongens soms dat het niet oké is om hun emoties te uiten, en dat kan voor hun leerproces verstikkend zijn,’ zegt Justina Schlund, de coördinator veldonderzoek van de Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning. Ze is bezorgd dat stereotypen over emotioneel afstandelijke mannelijke hersenen docenten zouden kunnen ontmoedigen om belangrijke lessen te geven die jongens nodig hebben om te slagen: ‘Jongens moeten leren dat ze empathische wezens zijn, dat ze lid van een klas zijn, een gezin, een gemeenschap. Dit zijn cruciale lessen in het echte leven, maar ook in de klas.’

    Het bevorderen van kwetsbaarheid
    Een onderdeel van het sociaal-emotionele leerplan is het stimuleren van kwetsbaarheid – de bereidheid om mislukkingen te accepteren en om hulp te vragen. Edward Morris, een socioloog van de University of Kentucky, onderzoekt hoe de verwachtingen van mannelijkheid het leven van jongens bepalen. In zijn uitgebreide observatie van middelbareschoolklassen stelde hij een patroon vast van onwil bij jongens om leraren om hulp te vragen als ze iets niet begrijpen. ‘Jongens worden gesocialiseerd om geen zwakte te tonen,’ zegt hij. Die mentaliteit is van grote invloed: niet alleen de schoolprestaties van jongens kunnen erdoor worden belemmerd, ook hun loopbaan en relaties kunnen eronder lijden. ‘Deze beperkende visie op mannelijkheid levert mannen aan de oppervlakte macht op, maar is uiteindelijk vooral schadelijk voor hun eigen welzijn en de gezondheid van de samenleving in het algemeen.’

    Tijdens mijn rondleiding in de middelbare jongensschool stoppen we bij het mediacentrum. Een schildering van inspirerende leiders – allemaal mannen – siert de muur. Onder het toeziend oog van Martin Luther King Jr., Benjamin Franklin en Abraham Lincoln zitten twee jongens aan een tafel huiswerk te maken. Wasserman vraagt hen om op te staan ​​en de schoolbelijdenis te reciteren, die de leerlingen elke ochtend in koor opzeggen. De jongens schuifelen zonder te glimlachen overeind.

    ‘Ik zal een verantwoordelijke, respectvolle, eerlijke en integere man worden,’ zeggen ze. ‘Vertrouwen, doorzettingsvermogen, hoffelijkheid, beoordelingsvermogen en sportiviteit. Zo’n man zal ik worden.’

    Wasserman glimlacht en gebaart de jongens weer te gaan zitten. ‘Dank u, heren.’

    Kiera Butler

    Mother Jones
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 190.000Mary Harris Mother Jones (1837-1930) was een belangrijke Amerikaanse socialiste die het immer opnam voor de underdog en lid was van Industrial Worker of the World. Door middel van intelligente, onbevreesde journalistiek, die onder andere wordt mogelijk gemaakt door totale onafhankelijkheid, wilt de krant zijn bijdrage leveren aan de democratie. Sinds kort heeft dit blad een Digital-first verdienmodel.

  • Mijn leven als Avatar

    Mijn leven als Avatar

    Als de werkelijkheid niet meer bevalt biedt virtual reality tal van mogelijkheden. Misschien ontmoeten we elkaar daar in de toekomst, nu er in de fysieke wereld (tijdelijk) niet meer zo veel te beleven valt. Die virtuele realiteit wordt bovendien steeds echter. ‘Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult.’

    Het maakt allemaal een nogal onschuldige indruk. Een zonnestraal komt precies voor mijn voeten terecht, hij heeft een lange reis achter de rug, ook al bestaat hij eigenlijk niet echt. De zonnestraal heeft zich een weg gebaand door het dikke pak wolken buiten, is meegereisd op de piepkleine regendruppeltjes uit de hemel, tot hier bij mij. Zachtjes en warm kietelt hij mijn voet op de parketvloer. Ik kijk om me heen: de ruimte heeft de vorm van een kubus, aan drie zijden begrensd door enorme glazen wanden. De vierde muur is vrijwel over de hele breedte bedekt door een reusachtig scherm waarop een film speelt. Een paar lachende mannen staan ernaar te kijken.

    Waar ben ik? Ik ben in de toekomst. En tegelijk ben ik in het hier en nu. Ik ben in de realiteit. En tegelijkertijd in iets heel anders, iets dat wel wat weg heeft van een droom. Ik ben in de virtuele realiteit. Ze zeggen dat virtual reality onze toekomst is en dat we elkaar over een jaar of tien, twintig hier zullen ontmoeten, in plaats van verre reizen te maken om onze geliefden te zien. Nu zijn er nog maar weinig mensen op pad in deze wereld, die eigenlijk nog niet echt bestaat, ook al ziet hij er voor mij op dit moment verdomd echt uit.

    Andere wereld

    In de niet-virtuele werkelijkheid heb ik nu een grote koptelefoon en een enorme virtualrealitybril op die in het begin zwaar aanvoelde, en sta ik in mijn eigen woonkamer. Maar wat is nou echt: zodra ik me bevind in de kubusvormige ruimte met de glazen wanden die alleen in mijn bril bestaat, verdwijnt de andere realiteit. De headset voel ik niet meer, ik sta niet meer in mijn woonkamer, ik ben in deze met licht overgoten ruimte met het grote scherm tegen de muur. Als ik op de vloer van mijn woonkamer een stap zet, ga ik ook in de virtuele ruimte een stap naar voren. Buig ik mijn hoofd, dan doet mijn avatar, in wiens lichaam ik de andere wereld beleef, dat ook.

    Ik draai een rondje en ben verbaasd hoe echt het allemaal lijkt: boven, onder, links, rechts, waar ik ook kijk, de illusie is zo perfect dat mijn woonkamer en daarmee de hele andere wereld verdwijnt. Ik verbaas me over de bomen achter het raam die wiegen in de wind, net als echte bomen, ervoor loopt een beekje dat uitkomt bij een waterval. Als ik dichter bij de uitgang kom, hoor ik het beter, net als het getsjilp van de vogels en het ruisen van de bladeren, terwijl het gesprek van de mannen op de achtergrond zachter wordt. Dit hier is de ‘Hang out area’. Op het menu heb ik deze gekozen omdat het klinkt naar vrije tijd, gezelligheid, smalltalk, mensen leren kennen, relaxen. Ik voel de zon op mijn huid, ook al kan dat eigenlijk niet. Hier worden je zintuigen zo geprikkeld dat mijn lichaam de rest gewoon invult. Er komt een rust over me waarvan ik niet weet of die misschien ook alleen virtueel is.

    Worlding Worlds, MU – © Hanneke Wetzer
    Worlding Worlds, MU – © Hanneke Wetzer

    Wie zal me horen?

    Opeens wordt de zonnestraal verduisterd en staat er een grote, rode man voor me. Ik heb hem niet zien aankomen, maar nu hoor ik hem hijgen, vlak bij mijn oor, veel te dichtbij. Hier klopt iets niet. Zijn hand komt dichterbij, ik kijk omlaag, zie mijn blauwe jurk en zijn hand op mijn borst. Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd? Mijn avatar heeft een wespentaille en ziet er verder uit als een kleine robot, met ronde, lege oogkassen die oplichten als je spreekt. Mijn vrouwelijke avatar heeft de man ertoe verleid om mij te grijpen. Ik wil schreeuwen. Maar wie zal me horen? In welke wereld komt mijn kreet terecht? De rode man staat voor me, breedgeschouderd, met agressief flitsende groene ogen, hij betast me en zegt niets. Hij kijkt me recht in de ogen, alsof hij zich afvraagt hoe ver hij kan gaan. Grijnst hij? Verlustigt hij zich aan mijn hulpeloosheid? Wil hij zien wat er nu gaat gebeuren, als een klein kind? In dit gezicht kun je van alles menen te zien. Het voelt shit. Ik wil een stap achteruit doen, maar daar is een trap. Wat als ik struikel? Zijn het echte treden? Of beweeg ik me over de vlakke vloer van mijn woonkamer in de andere wereld?

    Ik probeer tegen mezelf te zeggen dat het allemaal niet echt is. Als door drijfzand banen de gedachten zich een weg door mijn hoofd. Deze ruimte lijkt te echt. Maar wat is nu echt? In mijn echte handen heb ik twee controllers, zwarte ringen ter grootte van een armband. Die brengen mijn bewegingen over naar de virtuele wereld. Daar heb ik dus geen handen met vingers, maar twee ringen. Ik probeer de man weg te duwen, maar de controllers gaan dwars door hem heen. ‘Look!’ roept hij naar opzij, ‘kijk!’ Er komt nog een man aan, even rood, even enorm. Nu staan ze daar allebei te lachen. Ik hoor ze ademhalen, de een bij mijn rechter- en de ander vlak bij mijn linkeroor, de ene lacht zo hard dat hij moet hoesten. Het komt allemaal mijn hoofd in alsof er echte mensen naast me staan. En ze zijn echt. Deze mannen staan net als ik ergens op de wereld in een woonkamer, ze hebben precies dezelfde stem, hoesten in werkelijkheid ook en grepen zojuist een vreemde vrouw bij haar borsten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Hun avatars hebben metalen blinddoeken voor, die oplichten als ze praten. Anders dan ik hebben ze wel handen: in plaats van een controller gebruiken ze een techniek die de bewegingen van hun echte handen en vingers filmt en overbrengt naar de virtuele werkelijkheid. De tweede man geeft een teken: met wijsvinger en duim maakt hij een rondje en steekt de wijsvinger van zijn andere hand erdoor. ‘Neuken’, betekende dat vroeger bij ons op school. Ik draai me om.

    Het is niet zo dat ik niet gewaarschuwd ben. In talloze gesprekken met ontwikkelaars, filosofen en psychologen heb ik vooral één ding steeds opnieuw gehoord: virtual reality is echt heel realistisch, bijna té. Gamers vertellen over veel te gewelddadige killergames, sommigen van hen hebben problemen een virtuele moord te verwerken, andere waarschuwen: in deze realiteit voelt misbruik zo echt dat mensen er trauma’s van kunnen krijgen en die meenemen naar de echte wereld. Weer anderen vertellen enthousiast over de mogelijkheden voor sociale interactie, net als in het echte leven. Onderzoekers garanderen me: in de toekomst, als deze technologie geschikt is gemaakt voor de grote massa, gaan we echt niet alleen driedimensionale computergames spelen. Mensen die te ver van elkaar af wonen om elkaar te ontmoeten, kunnen in de virtuele wereld samen avonturen beleven, musiceren, een film kijken of gewoon een beetje praten. Ruimte en tijd worden overwonnen. Ik moet bij zulke gesprekken altijd denken aan mijn vriendin in Nieuw-Zeeland of aan mijn broer in Brazilië, met wie ik weinig contact heb omdat ik, als we bellen, e-mailen of chatten, altijd iets mis. Social virtual reality, het klinkt als een mooie droom.

    Toekomst

    Hoe zou die toekomst voelen? Ik ga op zoek en vind AltspaceVR, tot nu toe de grootste chatroom van de virtual reality. Nog klein, maar vervuld van een groot optimisme. Optimisme niet alleen bij de eerste gebruikers, maar vooral bij Amerikaanse verstrekkers van durfkapitaal. De virtuele werkelijkheid lijkt hen een superinvestering voor hun in het geheel niet-virtuele geld. Via een forum zoek ik gebruikers van AltspaceVR en vraag hun: waar is hier de toekomst? Niemand van hen wil me in het echte leven ontmoeten. Een van hen schrijft: ‘Als je wilt weten waar de toekomst is, moet je absoluut met Crystal kennismaken! Ze is echt een beroemdheid in de community.’ Crystal, de toekomst, het klinkt geheimzinnig. Ik neem me voor Crystal te vinden en ga op reis in deze ver verwijderde, andere wereld.

    De dagen daarna zijn ontzettend opwindend. Ik ben weer kind, met iedere dag nieuwe speelkameraadjes. We verkennen allemaal verschillende ruimtes in Altspace, de ‘Welcome area’, een taveerne, we ontdekken wat we allemaal met onze avatars kunnen doen, beamen, vliegen, we zwerven door een labyrint en houden zwaardgevechten, die ook in het echt een beroep doen op alle spieren in je lijf. Want als ik met mijn zwaard zwaai, zwaai ik ook in de werkelijkheid van mijn woonkamer met mijn arm en de controller. Als een andere strijder door mijn dekking breekt, duik ik weg op de vloer van de woonkamer die voor mij op dat moment niet bestaat, ik zit immers op de krakende vloer van de taveerne. Gelukkig staat er in de echte wereld niemand naar me te kijken, denk ik af en toe als de herinnering aan mijn andere leven even opkomt.

    Sommige gebruikers zijn zo enthousiast over de nieuwe techniek, over wat ze kunnen en wat er in virtual reality mogelijk is, dat ze alle grenzen overschrijden. Ze rennen tussen andere gebruikers door, wapperen met hun handen voor het gezicht van andere gebruikers of bepotelen vreemde vrouwen.

    26511 original

    Ik word beter in het mezelf wegbeamen, dat is de nooduitgang uit de virtuele realiteit. Ik hoef alleen maar met mijn controller naar een plaats in de ruimte te wijzen en op een knop te drukken en dan land ik precies op die plek.

    Dat kan gevaarlijk zijn: op een dag heb ik me samen met mijn nieuwe speelkameraden op een rots gebeamd, pal voor mijn voeten gaat het honderden meters omlaag. Beneden zie ik de piramide die gisteren nog enorm en onoverwinnelijk voor me stond, nu is hij piepklein, de mensen die erop staan lijken luizen. Ik kijk voorzichtig achterom; achter me niets dan rots, geen mogelijkheid om weg te komen. Ik sta te trillen, kan me niet bewegen, denk even aan de andere wereld die zo ver weg is, en waar ik op de solide vloer van mijn woonkamer sta. Of niet? De gedachte stelt me niet gerust. Dit hier voelt te echt. Ik verstijf, mijn lichaam signaleert: gevaar!

    Ook dat wist ik en desondanks kon ik het niet geloven. Veel gamers en psychologen waarschuwden me al voor dat effect. Ontelbare keren heb ik het zinnetje gehoord: ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen.’ En ik moet zeggen: dat klopt. Maar tegelijk creëert juist datgene wat mij tot de grens brengt van wat ik aankan – hoewel ik in het echte leven niet erg bang ben uitgevallen – voor andere mensen enorme mogelijkheden. Zo kunnen er in de toekomst therapieën ontwikkeld worden voor allerlei angststoornissen. De eerste experimenten lopen al en de resultaten zijn veelbelovend. Mensen met hoogtevrees oefenen om in een virtuele afgrond te kijken.

    Mensen met ruimtevrees zitten in virtuele liften en rijden door tunnels, patiënten met sociale fobie kunnen virtuele mensen ontmoeten en leren met hen om te gaan. De therapie van de toekomst.

    Ik heb een vrouwelijke avatar gekozen, was dat misschien verkeerd?

    Maar ik ben niet op zoek naar de therapie van de toekomst, en niet naar avonturen en games van de toekomst, ik zoek het sociale leven van de toekomst! Waar zit die Crystal? Hoe kan het dat ik haar in al die uren die ik al in de andere wereld heb doorgebracht nog niet ben tegengekomen? Alleen haar naam klinkt al veelbelovend. Zou zij me duidelijkheid kunnen geven, me helpen in de kristallen bol te kijken? Is zij iemand die nu al leeft zoals wij dat in de toekomst zullen doen?

    Verschillende culturen

    Op een avond zit ik naar een virtuele hemel te kijken, naar dikke wolken met gerafelde omtrekken waar ik allerlei fantasiefiguren in zie, net als bij echte wolken. De zon schijnt door de open plekken in het wolkendek. Hier en daar staan groepjes mensen te praten. Een paarse vrouw haalt me uit mijn dromerige stemming. Haar ronde ogen lichten zachtroze op als ze zich voorstelt als Sana en me vraagt wie ik ben. Ze heeft een zachte, warme stem. Ook al kan ik haar gezicht niet zien, ik heb het gevoel dat ze naar me glimlacht. Ze spreekt langzaam en bedachtzaam, kleine signalen waardoor ze een vriendelijke indruk maakt. Haar hoofd een beetje voorover, de knikjes die uit de echte wereld naar de virtuele wereld worden overgebracht, het nauwelijks hoorbare ‘hm’. Ik hoor dat ze uit Egypte komt, een gelovige moslima is en iedere dag na het vasten van de echte naar de virtuele wereld reist. En jij? Aha, een Duitse. Aanvankelijk had ze vooroordelen tegen Duitsers, tegen Europeanen, eigenlijk tegen westerlingen in het algemeen. ‘Je hoeft je niet aangevallen te voelen,’ zegt ze beleefd, ‘maar ik heb lang gedacht dat westerlingen geen manieren hadden, dat ze zich onbehoorlijk gedroegen, gewelddadig waren en overal rommel lieten liggen. Maar hier heb ik veel aardige Europeanen leren kennen.’

    Dat kan de virtuele werkelijkheid ook: mensen uit verschillende culturen bij elkaar brengen. Onder avatars heerst grote tolerantie, noodgedwongen. Er is immers maar een beperkt aantal modellen voor onze virtuele lichamen, je kunt zelf alleen de kleur kiezen, dus uiterlijk zijn we allemaal min of meer gelijk. Pas in een gesprek en vooral door de stem komt de echte mens achter de avatar tevoorschijn. Verbazend snel vergeet ik dat de mensen met wie ik hier praat, eruitzien als robots.

    ‘Kom, ik laat je mijn ruimte zien,’ zegt Sana.

    Gebruikers van AltspaceVR kunnen zelf hun eigen ruimte vormgeven. Soms zijn ze heel creatief, afhankelijk van hoeveel programmeerervaring en zin om te experimenteren ze hebben. De ruimtes zijn open voor iedereen, je kunt ze niet afsluiten. Ik kies in mijn menu ‘Sana’s time machine’, de computer heeft een paar seconden nodig en dan sta ik in een grote ruimte met een open haard, waar een gezellig houtvuur knappert, aan de muren hangen schilderijen en foto’s met Arabische letters, een scene uit een sprookje en zwart-wit foto’s van twee kleine kinderen met grote, donkere ogen. Sana is er al, ze vraagt of ik op het balkon kom. ‘Welkom in mijn domein, kijk gerust rond.’ De hemel is paars, haar lievelingskleur, er zweven lichtbolletjes door de lucht, sterren zo groot als sneeuwvlokjes, de hele tijd vliegt er een tussen ons door. Het is bijna een beetje romantisch. Voor het eerst hier in Altspace heb ik het gevoel dat ik tot rust kom. Sana’s tijdmachine vormt een tegenwicht tegen de hectiek in de andere ruimtes, het onafgebroken gamen in de taveerne en het labyrint, en tegen de korte, oppervlakkige gesprekjes met al die verschillende gebruikers.

    Evildoer

    Ik wil meer over Sana te weten komen. Maar ze is opeens erg zwijgzaam. Haar leeftijd wil ze niet vertellen. ‘De mensen hier hebben snel hun oordeel klaar, iedereen boven de dertig vinden ze stokoud.’

    Ze vertelt wel dat ze niet werkt. ‘In onze godsdienst kan dat niet. Nu heb je vast je oordeel klaar. Maar waarom zou ik werken? Ik vind het niet leuk.’ We praten wat over verschillende culturen, hoe het haar vergaat, haar vrienden hier. Opeens staat er een grote, zwarte avatar met neongroene ogen in de deuropening naar het terras. ‘Hé, Evildoer,’ roept Sana, ‘dit is Eva, ze is journalist. En dit is Evildoer, een goede vriend van me. Hij heeft mijn hemel geprogrammeerd. Hij kan alles!’ De zwarte man knippert vriendelijk met zijn neongroene ogen en zegt verlegen: ‘Nou ja, ik vind het nu eenmaal leuk om te doen.’

    ‘Het lijkt zó echt, dat kun je je niet voorstellen’

    Sana legt uit dat zijzelf het vuur niet kan zien. Ze heeft een andere virtualrealitybril dan ik en ziet alleen de houtblokken. ‘Maar Evildoer is ermee bezig.’ Haar stem klinkt zacht en een beetje wee-moedig. Voor Sana is hij niet iemand die ‘kwaad doet’, zoals de letterlijke vertaling van zijn naam is, integendeel, hij doet juist goede dingen. Hij versiert Sana’s ruimte met kunstwerken. Als hij voor een muur staat verschijnt daar opeens een nieuw schilderij: de wijzerplaat van een klok, het lijkt of hij op de zeebodem ligt en vanuit de diepte goud oplicht. Sana en ik lopen over haar groene retro bloemen-tapijt naar Evildoer, die voor het kunstwerk staat. Sana leest het Arabische schrift: ‘Mijn gedicht,’ zegt ze nadenkend. Wat staat er?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, omdat deze symbolen in het Engels niet bestaan,’ zegt Sana. De strekking luidt: ‘De wijzers van de klok vallen omlaag en steken me als een schorpioen. Het gif blijft in mijn lichaam zitten.’

    Gedachten schieten door mijn hoofd: tijd, tijdreizen… In Sana’s ruimte gaat het over een of ander thema dat ik nog niet begrijp. Ik durf er niet naar te vragen, het lijkt me te persoonlijk gezien onze recente kennismaking. In plaats daarvan vraag ik, onschuldiger: ‘Waarom heet je ruimte de tijdmachine?’ ‘Och, ik ben een boekenwurm en ik hou van tijdreizen.’ ‘Sciencefiction?’ ‘Nee, alleen tijdreizen.’

    In de loop van de avond komt er meer bezoek. Sana zegt tegen iedereen vriendelijk: ‘Welkom in mijn ruimte.’ Ze vraagt iedereen naar welke tijd hij wil reizen en waarom. Veel bezoekers gaan meteen weer weg, zulke vragen zijn ze in Altspace niet gewend. Sommigen kijken alleen in stilte rond, reageren niet op Sana’s woorden en verdwijnen geluidloos weer, als geesten. ‘Wacht, blijf nog even!’ roept ze hen achterna, ze klinkt bedroefd. Met de paar die blijven heeft ze filosofische gesprekken, over de zin van tijdreizen, of je beter naar de toekomst of naar het verleden kunt gaan, en of het toegestaan zou moeten worden om in het verleden dingen te veranderen.

    Evildoer heeft geen rust, voortdurend is hij op zoek naar plekken in de ruimte die hij kan verfraaien. Laat op de avond komt ook hij tot rust. We staan voor een ander kunstwerk dat hij zojuist heeft geprogrammeerd. ‘Wie ben je in het echt?’ vraag ik hem. Maar veel wil hij niet kwijt. Zijn echte naam is Eric, hij komt uit Canada en heeft als freelancer met computers gewerkt, zijn leeftijd doet er niet toe.

    Wat bevalt hem hier? Sana’s ruimte inrichten. En het sociale. ‘In het echte leven ben ik heel verlegen, ik heb niet veel vrienden. Mijn avatar is een soort masker, hier ben ik meer op mijn gemak en heb ik vrienden gemaakt.’ Op het schilderij waar we voor staan, zijn carnavalsmaskers in het zand afgebeeld, ze maken al een beetje een verweerde indruk. Ernaast staan Arabische letters. ‘We verstoppen ons allemaal achter ons masker, omdat we allemaal iets meedragen dat stuk is gegaan,’ leest Sana voor. ‘Sommigen geven het toe, anderen verdringen het, omdat datgene wat stuk is, pijn doet.’ We zwijgen. ‘Tja, ik ben een zwaarmoedig mens,’ zegt Sana.

    Wat maakt haar zo bedroefd?

    De volgende dag zit de melancholie van die avond als een breedgerande hoed op mijn hoofd. De melancholie schermt me af van de oppervlakkige stralen van de realiteit. Ik denk aan mijn nieuwe vriendin en aan haar wereld, die ze in de virtuele wereld heeft opgebouwd en die ze blijkbaar verkiest boven de echte wereld. Ik probeer te gissen wat er bij haar stuk zou kunnen zijn, wat haar ertoe brengt zich achter een masker te verbergen. Maar, doet ze dat eigenlijk wel? In haar virtuele wereld maakt ze een heel oprechte indruk. Ze is uit haar dagelijkse bestaan geëmigreerd, een bestaan dat haar wellicht zwaar valt. Als je kon tijdreizen, was ze misschien al lang weg geweest, ergens naar het verleden. Tot het zover is, lijkt de virtuele wereld haar toevluchtsoord te zijn.

    Ik zet mijn melancholiehoed af en mijn virtual-realitybril op om afleiding te zoeken in de Welcome area van Altspace. Voor de afwisseling heb ik geen bezwaar tegen wat onschuldige smalltalk. Ik ontmoet een Duitser die in een hoekje staat en in opdracht van Altspace in de gaten houdt dat niemand zich ongepast gedraagt. Een zogenaamde moderator. Ik vertel hem over mijn ontmoeting met de rode man op mijn eerste dag. ‘Hier in de Welcome area is altijd iemand van ons aanwezig,’ zegt hij.

    ‘We zorgen ervoor dat zulke mensen er onmiddellijk uitvliegen! Kom de volgende keer hiernaartoe.’ Dit is zijn eerste virtuele baan, altijd ’s ochtends, als Amerika nog slaapt. Virtuele banen, ook die zijn in de toekomst nodig: virtuele uitsmijters, virtuele politieagenten. ‘Zero tolerance’ is het devies in Altspace als het om racisme en seksisme gaat. Gebruikers die de regels overtreden worden er zonder waarschuwing uitgezet, een volgende keer wordt hun voor 48 uur de toegang ontzegd en een derde keer wordt hun account gewist.

    Worlding Worlds , MU – © Hanneke Wetzer
    Worlding Worlds , MU – © Hanneke Wetzer

    Dubbele X-chromosoom

    Het schijnt een moeizame strijd te zijn. ‘De raadselachtige aantrekkingskracht van het dubbele X-chromosoom,’ zegt de Duitse politieagent geheimzinnig. Hij schat het aandeel vrouwen in Altspace op twintig procent. ‘En die staan niet allemaal open voor een avontuurtje.’ Een probleem voor mannen die op een avontuurtje uit zijn. Vooral jonge vrouwen zijn er niet veel, ‘en als ze er al zijn, zijn ze net zo opgefokt als Crystal’. Mijn hart slaat over: dé Crystal? Ik wil meer vragen, maar zijn dienst zit erop. In het echte leven heeft hij een afspraak.

    Na de eerste week maak ik de balans op. Ik ben oververzadigd door de honderden, zo lijkt het wel, vergelijkbare gesprekjes. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat doe je hier? Welk apparaat gebruik je? Ik blijf een paar dagen offline, trek me terug in mijn echte leven en denk na over hoe het verder moet. Ik zou graag relaties aanknopen, met een paar bezoekers intensiever omgaan. Als dat lukt, is dat toch de toekomst! Ik besluit Sana te gaan zoeken. Ik ga een paar keer naar haar ruimte, maar ze is er niet. Ik zou wel een berichtje voor haar willen achterlaten, maar daar is in Altspace niet in voorzien. Hier bestaan geen post-its, geen prikbord en ook geen telefoon.

    ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’

    Of je komt iemand tegen, of niet. Een vriendschap onderhouden is in de virtuele wereld helemaal niet eenvoudig. Ik wen me aan om ’s avonds altijd even te kijken welke gebruikers online zijn. Dat is heel makkelijk, via de app op mijn telefoon, ik hoef niet eens zelf in de virtuele wereld te zijn. Ik voel me net een spion als ik ’s avonds de lijst uit de andere wereld doorkijk. Als Sana’s naam opduikt, zet ik vlug mijn headset op en klik op haar naam. Ik land direct naast haar, onder een boom aan de rand van de Welcome area.

    Liefde

    Sana herkent me meteen. ‘Hé, welkom terug, wat fijn dat je er weer bent!’ Ze zit te praten met haar vriendin Lun uit Kroatië. Luns avatar is helemaal roze, die van Sana paars, de mijne blauw. We praten over het echte en over het virtuele leven, over mannen die eeuwige trouw beloven en zich nooit meer laten zien. We lachen, omdat Lun vertelt dat ze dat zelfs hier heeft meegemaakt met iemand die absoluut haar nieuwe verkering wilde worden. Daarna verdween hij. ‘En sindsdien wacht Lun tot hij terugkomt,’ giechelt Sana.

    Evildoer schiet me te binnen, de man die Sana’s wensen van haar gezicht lijkt te kunnen aflezen, die zelfs het vuur in haar haard wil aansteken nu ze dat zelf nog niet kan. En ook omdat Sana en Lun zo moeten giechelen over Luns aanbidder, voel ik dat ze het al vaker over dit onderwerp hebben gehad.

    Als ons sociale leven in de virtuele wereld moet gaan plaatsvinden, dan moet daar ook liefde bestaan. Dan schiet me een vraag te binnen die me al bezighoudt sinds ik hier ben: ‘Missen jullie hier niet een level? Iemand kunnen omhelzen bijvoorbeeld?’ Lun en Sana kijken elkaar aan, ze twijfelen. ‘Misschien,’ zegt Lun zachtjes.

    Op dat moment weet ik nog niet dat Crystal me binnenkort zachtjes over mijn wang zal strelen.

    Ons paars-roze-blauwe vrouwengroepje aan de rand van de Welcome area valt nogal op. Steeds weer komen er mannen die ons gesprek onderbreken, ze stellen de bekende ‘wie zijn jullie en wat doen jullie hier’-vragen, een van hen wil weten of we zussen zijn. Als er hier al zo weinig vrouwen zijn, dan is een groepje vrouwen helemaal uniek. Lun vertelt over haar twee kleine kinderen, die nu liggen te slapen en over haar man, een zeiler, die al maanden op zee is. Het lijkt er steeds meer op dat de virtuele wereld er vooral is voor mensen die op dit moment in het echte leven niets beters te doen hebben, die niet gewoon kunnen uitgaan. Lun met haar kleine kinderen en haar man die er nooit is. Sana met haar strenge islamitische geloof.

    Maar wat heb ík eigenlijk in deze virtuele realiteit te zoeken? Na ieder bezoek voel ik me leger. Het is leuk om al die gekke games uit te proberen; Altspace met al zijn details is met veel liefde geprogrammeerd.

    Het is leuk om hier met iedereen een beetje te kletsen. Maar aan het eind van de dag, als ik mijn headset afdoe, dringt zich toch de vraag op: wat dóe ik hier met al die onbekenden? Een gevoel van leegte volgt me uit de virtuele naar de echte. Ik voel me eenzaam. Terwijl ik in de onvirtuele wereld toch echte vrienden heb! Die ik verwaarloos vanwege dit virtuele avontuur. Dit kan niet de toekomst zijn.

    Ik geniet van een dagje offline. Maar dan mis ik Sana een beetje en stuur ik haar een mail: ‘Kunnen we morgen afspreken?’ Het antwoord komt meteen: ‘Graag. Ik ben er ’s avonds, na het vasten.’

    Ik vind Sana in haar tijdmachine, ze is alleen en staat peinzend naar de muur met tekeningen uit een kinderboek te kijken. Er staan een jongen en een meisje op met hun armen om elkaar heen, maar voor elk plaatje lijkt een net van prikkeldraad te zijn gespannen.

    Opeens staat daar Evildoer, Sana knikt, alsof ze op hem heeft gewacht. Op zijn karakteristieke manier glijdt hij als het ware door haar ruimte en bekijkt de muren uit alle hoeken. ‘En?’ vraagt hij uiteindelijk als hij naast Sana staat en met zijn hoofd naar de muur knikt. ‘Is goed geworden,’ zegt Sana met haar zachte stem. ‘Wat heb je erbij geschreven?’ vraagt hij met een blik op de Arabische letters. ‘Een verhaal over mensen die zijn weggegaan,’ leest Sana voor, ‘en hoe we op hen blijven wachten, ook al komen ze nooit meer terug.’

    Helaas heeft Sana geen echte tijdmachine die haar naar de mensen kan brengen die zijn weggegaan en nooit meer terugkomen. Er is kennelijk iemand die ze zó erg mist dat de virtuele realiteit voor haar een steun is om de echte realiteit te kunnen verdragen. Voor haar opent die wereld hier de mogelijkheid om een tweede leven te hebben, een virtueel leven dat alles goedmaakt. Iets wat in de werkelijkheid niet voor haar is weggelegd. Of om dingen te vergeten die in de echte wereld misgegaan zijn. Ik ga er stilletjes vandoor en ben blij dat Evildoer bij haar is. Hij lijkt haar alleen al door zijn aanwezigheid te kunnen troosten.

    Ondanks de verdrietige ontmoeting ben ik de volgende dag tevredener dan eerder in deze twee weken. Voor mijn innerlijk oog vormen de puzzelstukjes langzaam een geheel: onze virtuele toekomst. Wellicht biedt die toekomst een nieuwe ruimte voor iedereen en alles, voor dromen en visioenen. Voor mensen die alleen willen gamen. En voor anderen die hier een sociaal leven opbouwen omdat ze dat in de realiteit niet lukt. Op een of andere manier is het een troostrijke gedachte. Dan zit er in mijn postvak een mailtje van de voorlichtingsdienst van Altspace: ze zijn blij dat ze me in contact kunnen brengen met een van hun powerusers voor een interview. Ze is ’s avonds altijd online: Crystal uit Las Vegas! De vrouw van de toekomst! Opgewonden reken ik vlug uit: negen uur tijdverschil, acht uur ’s avonds in Las Vegas is vijf uur ’s ochtends bij mij.

    Crystal

    Als de grote dag daar is, voel ik me moe. In mijn echte wereld slaapt iedereen nog als ik mijn headset opzet en Crystal ontmoet. Ze lijkt wel dolgedraaid en haar snelle Amerikaans-Engels komt in een spraakwaterval: ‘Hé Eva, how are you, nice to see you, kom, ik laat je alles zien, het is hier zo prachtig, ik heb enorm veel lol, het is net als in het echte leven, maar dan beter, ik heb waanzinnig veel vrienden hier en ik kan haast niet wachten tot het weer weekend is en ik weer een party kan organiseren. Die zijn altijd waanzinnig vol, daarom hebben we nu een wachtlijst.’

    Pas als ik weer boven kom uit haar woordenvloed en Crystal beter bekijk, valt me op dat ze er precies zo uitziet als Sana. Ook zij heeft de elegante paarse avatar met de wespentaille gekozen. Maar verwarring is uitgesloten. In tegenstelling tot Sana kan Crystal niet stilzitten, ze huppelt om me heen, lacht, praat luid en raakt steeds buiten adem. Haar energie is aanstekelijk, zodat ik helemaal vergeet dat ik op dit moment eigenlijk te moe ben voor dit soort gesprekken. Ik hoor dat ze in het echt ook Crystal heet, 26 jaar is en in Las Vegas werkt als doktersassistente. Ze brengt hier al haar avonden en het hele weekend door. ‘Dit is mijn sociale leven,’ zegt ze, ‘het is net de echte wereld.’ Wat zeggen haar echte vrienden, die uit de andere wereld, daarover? ‘In het echte leven heb ik geen vrienden,’ zegt ze met een ontwapenende openheid. Ze heeft een probleem met nabijheid, een angststoornis. ‘Als ik iemand tegenover me heb, sta ik te trillen en te zweten, daar kan ik niet tegen.’ ‘En hier?’ ‘Hier is het makkelijker. In geval van nood draai ik me om of beam mezelf weg.’

    ‘Mis je het niet dat je mensen niet kunt aanraken?’ vraag ik. Ze komt dichterbij en streelt met haar wijsvinger zachtjes over mijn wang. Ze gebruikt dezelfde techniek als de grote rode man die me bij mijn borsten greep: een camera die de bewegingen van haar echte handen overbrengt naar de virtuele realiteit. ‘Maar dat voel je toch niet!’ protesteer ik. ‘Ik voel het wel,’ zegt ze. Daarna neemt Crystal me mee op een wilde tocht door Altspace. We beamen onszelf hierheen en daarheen en opeens staan we onder een adembenemende sterrenhemel. Mijn hoofd tolt van zo veel input op de vroege morgen. ‘Welcome to the campsite,’ staat op een affiche te lezen, daarnaast brandt een kampvuur. ‘Dit heeft een vriend geprogrammeerd voor mijn laatste party,’ zegt Crystal. Haar party’s duren altijd twee dagen, zodat al haar vrienden uit verschillende tijdzones erbij kunnen zijn. ‘Ze kunnen op de camping slapen.’ Hoe bedoel je, slapen? ‘Ga maar liggen.’ Ik ga op de grond liggen, in de ene wereld op de vloer van mijn woonkamer, in de andere op het malse gras van het kampeerterrein, en door mijn bril zie ik sterren, kometen, de Melkweg. Ik wil nooit meer opstaan, zo mooi is deze hemel. Maar hoe kun je nu feesten als je in werkelijkheid alleen thuis bent? ‘Ik maak altijd wat te eten en zet drankjes klaar. We drinken met zijn allen! Ik bedoel, anderen gaan naar een club om alcohol te drinken. En dit is mijn club.’

    Tijdmachine


    Als ik mijn bril afzet, schijnt buiten de zon. In het park voor mijn huis zijn eersteklassertjes op weg naar school. Zo heerlijk onschuldig, de echte wereld. Het is acht uur. Voor vandaag heb ik wel weer genoeg meegemaakt.

    Een paar uur later krijg ik een mailtje van Sana: ‘Hallo, lieve vriendin, ben je er vanavond? Laat het me weten, dan kom ik ook.’

    Als ik die avond in Sana’s tijdmachine arriveer, is ze er nog niet. Ik slenter wat door de ruimte en kijk plotseling in de vertrouwde neongroene ogen van Evildoer. Hij staat voor het schilderij met de kinderen die elkaar omhelzen. ‘Wie zijn die kinderen?’ vraag ik. ‘Vraag maar aan Sana, ik weet niet of ze het wil vertellen.’

    Is ze een goede vriendin? Evildoer aarzelt. Dan fluistert Sana opeens zachtjes in mijn oor: ‘Dat is het magische van de virtuele realiteit, de mensen voelen hier zo dichtbij.’

    Ze is thuisgekomen en omhelst me ter begroeting, het voelt als warm gekriebel.

    Buiten rommelt het onweer en plenst de regen uit de paarse hemel, binnen knappert het haardvuur.

    ‘Ik kan het vuur nu ook zien!’ zegt Sana. Ze klinkt erg gelukkig. Vanavond praten we over God en over de wereld. Of je je kinderen godsdienstig moet opvoeden of dat je de keuze aan hen moet laten. Dat ze haar puberdochter heeft gedwongen een hoofddoekje te dragen en daar nu spijt van heeft. Evildoer luistert meestal alleen en knikt af en toe instemmend, op zeker moment is hij zonder iets te zeggen weggegaan.

    Laat op de avond, als we helemaal alleen zijn, vraag ik aan Sana: ‘Waar wil je met je tijdmachine naartoe?’ ‘Ik zou graag terugreizen naar de tijd dat mijn man nog leefde. Ik mis hem zo erg.’ Ik zou haar graag in mijn armen nemen. Maar zij zit in Egypte, ver weg en helemaal alleen. Virtueel is de realiteit nog moeilijker te verdragen dan in het echte leven.

    Eva Wolfangel

    screenshot 2021 01 07 at 13 29 41

    Reportagen
    Zwitserland | 6 x per jaar | oplage 16.000

    Bij Reportagen geen breaking news, maar berichten uit de Nebenschauplätze, verteld vanuit een ongewoon perspectief door een ongewoon goeie pen. Ter plaatse onderzocht, persoonlijk en buiten de gebaande paden. ‘Vroeger was het kampvuur de plek waar de opwindendste verhalen werden verteld. Vandaag zijn er reportages.’

  • Financiering is nog geen genderneutraal terrein

    Financiering is nog geen genderneutraal terrein

    Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, slechts 2 procent van de durfinvesteringen gaat naar vrouwen. Als het aan het Alitheia Identity Fund ligt, komt daar verandering in.

    Als Tokunboh Ishmael door de straten van Lagos, de economische hoofdstad van Nigeria, liep, zag ze overal waar ze keek vrouwen zaken doen. Ze dreven kraampjes waar ze donuts frituurden of vleesspiesjes roosterden. Ze toverden achter naaimachines eigen ontwerpen tevoorschijn en liepen door de beruchte Nigeriaanse verkeersopstoppingen, waar ze de gefrustreerde automobilisten luchtverfrissers of opblaasbare zwembadspeeltjes verkochten. Maar binnen, in de glanzende, airconditioned kantoren waarin zij als bankmedewerker en later als vermogensbeheerder werkte, zag ze een heel ander beeld.

    Met zelfgemaakte mondkapjes op de markt in Lagos Nigeria, waar de regels versoepeld werden en het aantal besmettingen steeg. © AP Photo/Sunday Alamba
    Met zelfgemaakte mondkapjes op de markt in Lagos Nigeria, waar de regels versoepeld werden en het aantal besmettingen steeg. © AP Photo/Sunday Alamba

    Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, er bestaat op het continent een investeringskloof van zo’n 42 miljard tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers, volgens cijfers van de African Development Bank. Zo ontvingen Afrikaanse startups in 2018 zo’n 725 miljoen dollar aan kapitaal van durfinvesteerders. Daarvan ging maar 2 procent naar ondernemingen van vrouwen.

    Van en voor vrouwen

    Ishmael maakt deel uit van een groeiende groep vrouwelijke investeerders in Afrika die hierin verandering probeert te brengen door welbewust te investeren in bedrijven van en voor vrouwen. Ze is directeur van vermogensbeheerder Alitheia Capital en richtte in 2016 het Alitheia Identity Fund op, dat tot doel heeft die verandering te bewerkstelligen. Tot nu toe heeft het fonds zo’n 70 miljoen dollar binnengehaald. Dat is in moreel opzicht belangrijk en nodig, zeggen investeerders als Ishmael, omdat vrouwen hiermee toegang krijgen tot de bolwerken waarin de beslissingen worden genomen maar die voor hen altijd gesloten bleven. Maar het is ook gewoon een kwestie van verstandig zakendoen.

    ‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans,’ zegt Ishmael. Ze kende de cijfers: bedrijven van vrouwen groeien sneller, gaan efficiënter met geld om en maken meer winst dan bedrijven van mannen. Meer in het algemeen maakt diversiteit bedrijven creatiever en innovatiever. ‘Ik wil dat Nigeria het beste uit zichzelf haalt, en dat Afrika het beste uit zichzelf haalt, en dat lukt onmogelijk als ze het potentieel van vrouwen niet ten volle benutten.’

    Het probleem bestaat niet alleen in Afrika. In de Verenigde Staten gaat zo’n 2 procent van de financieringen door durfinvesteerders naar vrouwelijke startup-teams. In het Verenigd Koninkrijk zweeft dat getal rond de 1 procent. En het probleem speelt nog meer bij vrouwen van kleur: in de VS krijgen zwarte vrouwelijke starters maar 6 van elke miljoen geïnvesteerde dollars.Het probleem is volgens deskundigen dat vrouwen op geen enkel niveau toegang hebben tot investeringskapitaal, vermogensbeheer of zelfs meer traditionele vormen van lenen en investeren zoals bankleningen.

    Hordes

    ‘Financiering is geen genderneutraal terrein,’ zegt Sharon McPherson, die
    al jaren in Afrikaanse bedrijven investeert en aan de businessschool van de universiteit van Kaapstad doceert. ‘Vrouwelijke investeerders en vrouwen met bedrijven die investeerders zoeken, begeven zich op een terrein dat nooit voor hen bedoeld was. Ze zwemmen tegen de stroom in, terwijl mannen met de stroom mee drijven.’Vrouwen moeten allerlei hordes nemen om in die wereld mee te kunnen doen, zegt ze.

    Op microniveau bekeken heeft maar 37 procent van de Afrikaanse vrouwen een bankrekening, vergeleken met 48 procent van de mannen, en die kloof wordt steeds groter, zelfs nu vrouwen meer toegang tot financiering krijgen. Vrouwen zien er vaak van af om geld te lenen, niet alleen omdat ze worden ontmoedigd door degenen die het geld uitlenen, maar ook doordat het hun ontbreekt aan financiële kennis.Kijk je naar het niveau van startups die financiering zoeken en gevestigde bedrijven die privaat kapitaal zoeken, dan zie je dat het vrouwen nog steeds moeite kost om serieus genomen te worden met hun ideeën, als gevolg van bewuste en onbewuste sekse-vooroordelen.

    Zo bleek bij een Harvard onderzoek in 2014 dat een pitchvoorstel gepresenteerd door een vrouwenstem minder kans maakte bij mogelijke investeerders dan een voorstel gepresenteerd door een mannenstem – ook al was de inhoud hetzelfde.

    ‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans’

    Uit een ander onderzoek, in 2017, bleek dat vrouwelijke oprichters veel vaker ‘preventieve’ vragen over hun onderneming kregen, dat wil zeggen vragen over hun verlieskansen. Mannen kregen daarentegen meer ‘promotie’-vragen, over de ‘sterke kanten en winstmogelijkheden’ van hun onderneming, een type vragen dat gemiddeld zes keer zoveel aan investeringen opleverde.

    Veel investeerders komen ook uit door mannen beheerste sectoren als technologie, mijnbouw en landbouw en zijn meer geneigd om daarin te investeren dan in ondernemingen voor producten of diensten gericht op vrouwen, zoals zwangerschapszorg, menstruatieproducten of make-up. En het netwerken dat nodig is om uiteindelijk zo’n deal te krijgen speelt zich nog steeds af in informele omgevingen waar vrouwen niet bij kunnen zijn of niet voor worden uitgenodigd, zoals golfwedstrijden en borrels na het werk.

    - © ANP
    – © ANP

    Barrières

    ‘Vrouwen stuiten op onzichtbare barrières die mannen niet zien of waar mannen geen last van hebben,’ zegt ontwikkelingseconoom Nthabiseng Moleko, vicevoorzitter van de Commission for Gender Equality in Zuid-Afrika.Daar kunnen investeringsfondsen als Alitheia IDF van Ishmael een rol spelen, door te zorgen dat geld welbewust naar bedrijven van en voor vrouwen gaat.

    In Ghana heeft Alitheia geïnvesteerd in Innovative Microfinance, een bedrijf dat kleine leningen verstrekt aan mensen op het Ghanese platteland die geen bankrekening hebben, voornamelijk vrouwen met een klein bedrijf zoals een marktkraam. En in Nigeria financierde Alitheia een door vrouwen gerunde tomatenpastafabriek, Tomato Jos. Zo’n 30 procent van de tomatenproducenten die aan het bedrijf leveren zijn nu vrouwen, volgens oprichter Mira Metha, en het bedrijf probeert dat getal omhoog te krijgen, onder andere omdat vrouwen meer zekerheid blijken te bieden.

    ‘Wij zien dat onze vrouwelijke landbouwers met hun winst grotere investeringen doen in hun gemeenschap’ dan de mannen, vertelt ze. Zo gebruiken ze hun geld bijvoorbeeld voor onderwijs aan kinderen en voor medische zorg. En wat betreft het verbouwen zelf zegt Metha dat de vrouwen met wie haar bedrijf werkt altijd de beste oogsten hebben: ‘Ze doen het gewoon elke keer weer beter dan de mannen.’

    Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | website | csmonitor.comNa meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • Plexiglas

    Plexiglas

    De wereldwijde vraag naar plexiglas is booming. Doorzichtige barrières stellen ons in staat naar ‘een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven’ te kijken. Ze stralen tijdelijkheid uit, zoals een opgestoken paraplu, en schijnbare veiligheid, al decennialang.

    Schoolkinderen buigen zich in plexiglazen hokjes over leerboeken. Receptionisten begroeten patiënten van achter acrylplaten en wijzen naar het handontsmettingsmiddel en de extra formulieren die tegenwoordig aan een doktersbezoek vooraf moeten gaan. Plastic schermen scheiden ons van kassamedewerkers die onze boodschappen scannen, van stellen die naast ons zitten te eten op het caféterras en van weekendkrijgers die zich naast ons afbeulen op crosstrainers in de sportschool. (Dat wil zeggen, als sportscholen überhaupt open zijn.) Zelfs de dealer aan de baccarattafel zit achter een doorzichtige afscheiding.

    Christophe Gernigon ontwierp plexiglasschermen die goed te gebruiken zijn in restaurants. – © Christophe Gernigon
    Christophe Gernigon ontwierp plexiglasschermen die goed te gebruiken zijn in restaurants. – © Christophe Gernigon

    Toen begin september de rechtszaken werden hervat in Greenbelt in de staat Maryland, was de rechtszaal in de woorden van The Washington Post in een ‘labyrint van plexiglas’ veranderd, waar wanden binnen andere wanden OM van verdediging scheidden, advocaten van cliënten, getuigen van juryleden en de rechter van iedereen. Sprekers droegen plastic gezichtsmaskers zodat de aanwezigen hun gezichtsuitdrukkingen konden zien en hun lippen konden lezen.

    Veiligheidsarchitectuur

    Een vergelijkbare vorm van veiligheidsarchitectuur was te zien tijdens het vicepresidentiële debat, waar plexiglasschermen in de vorm van palladiaanse vensters Kamala Harris en Mike Pence van elkaar scheidden. Hoewel Pence in contact was geweest met ambtenaren die kort tevoren nog positief op covid-19 hadden getest, nam zijn team Harris’ verzoek om veiligheidsmaatregelen niet al te serieus. Diverse epidemiologen vonden de schermen ook lachwekkend, omdat ze niet hoog genoeg waren om overdracht via de lucht te verhinderen (ventilatie is belangrijker dan fysieke barrières). Wanneer de camera’s tijdens het debat op een van beide kandidaten focusten, werd het meesmuilende of grimassen trekkende gezicht van zijn of haar tegenstander in het plexiglas weerspiegeld; en die reflecties kwamen weer door op de elektronische schermen van de kijkers, in een wereld van retorische projectie en vervorming. Om een opiniestuk in The Washington Post te citeren: ‘Je kunt de barrières van plexiglas symbolisch noemen voor de manier waarop de roekeloosheid en incompetentie van deze regering ons van elkaar gescheiden heeft. Ze beschermen misschien niemand, maar ze laten ons nooit vergeten wat Trump het land heeft aangedaan.’Sinds half maart, toen de Wereld-gezondheidsorganisatie het gebruik van zulke barrières aanbeval om te voorkomen dat het nieuwe corona-virus zich verspreidde via aerosolen – en om de schaarste aan persoonlijke beschermingsmiddelen te compenseren – is de vraag naar plexiglas razendsnel toegenomen. De markt groeide al enkele jaren gestaag, vooral dankzij het gebruik van plexiglas in de bouw en toepassingen in de detailhandel, voor informatieborden en displays. Maar Craig Saunders, voorzitter van de International Association of Plastics Distribution, zei afgelopen juli op de Amerikaanse radio dat ‘de wereldwijde vraag in één etmaal was verviervoudigd ten opzichte van vorig jaar’. Fabrikanten hadden grote moeite de vraag bij te benen en klanten werden met maandenlange wachttijden geconfronteerd. Tegelijkertijd realiseerden leveranciers zich dat de hausse maar tijdelijk zou zijn; anders dan mondkapjes en rubber handschoenen zijn schermen van plexiglas duurzame producten. Bovendien kan, zelfs als de crisis voorbijgaat en de schermen worden verwijderd, plexiglas anders dan veel andere plasticsoorten tot nieuwe plexiglasproducten worden gerecycled.

    Nepomhulsels

    De nieuwe beschermingsarchitectuur die in allerijl in de door de mens gebouwde omgeving is geïnstalleerd, streeft ernaar ons veilig en zuiver te houden. Dat doet ze niet door zich op de virusoverdracht te richten door middel van een vaccin of het creëren van sociale afstand (en nog veel minder door een herwaardering van de relaties tussen mensen, dieren, habitatverlies en milieugezondheid), maar eerder door de covid-19-wereld onbewoonbaar te maken door middel van minimale, nauwelijks zichtbare inbreuken op onze vertrouwde levenssfeer. Antiviraal plexiglas wordt toegepast om redenen van preventie en conservatie, een middel om de sociale en biologische orde te bewaren, die op haar beurt epidemiologische en economische veerkracht belooft. Maar de schermen en kappen van plexiglas zijn weinig meer dan de architectonische equivalenten van hydroxychloroquine, keurig in capsules en medicijnflesjes verpakte onzin, provisorische nepomhulsels, zodat we kunnen blijven werken en consumeren en doen alsof de sociale ruimte niet langs zijn langdurig verdiepte breuklijnen is opengespleten; alsof de werknemer aan gene zijde van het scherm daar niet de godganse dag gevaar loopt. Deze doorzichtige barrières stellen ons in staat naar een schijnbaar vertrouwd dagelijks leven te kijken en de noodzaak van aanpassingen voor de lange termijn te ontkennen. Ze zijn een tijdelijke voorziening, zoals een paraplu, die kan worden opgeborgen als de zon weer gaat schijnen.

    Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook

    Plexiglas, of liever gezegd Plexiglas®, is een van de verschillende merknamen voor acrylaat, steno voor polymethylmethacrylaat, een thermoplastische stof die bij hoge temperaturen plooibaar is maar hard wordt bij afkoeling. Het transparante, breuk- en slagvaste lichtgewichtmateriaal wordt gemaakt van aardgas en is eind jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkeld als veiligheidsglas voor auto’s, een alternatief voor glas op basis van siliciumdioxide. De Duitse scheikundigen Otto Röhm en Walter Bauer registreerden een versie onder de merknaam Plexiglas® acrylaat; de Britse scheikundigen Rowland Hill en John Crawford van Imperial Chemical registreerden hun product onder de naam Perspex; en het Amerikaanse E.I. du Pont de Nemours and Company introduceerde Pontalite, later omgedoopt tot Lucite. Acrylaat bleek nuttig voor tal van oorlogstoepassingen, waaronder periscopen voor onderzeeërs, ramen en cockpits voor vliegtuigen en geschutskoepels. Bovendien bleek acrylaat na de oorlog geschikt voor vele commerciële doeleinden: kogelvrij ‘glas’, ‘glas’ voor inlijstwerk, wanden voor ijshockeyvelden, aquariumwanden, niesschermen voor saladebars, chirurgische instrumenten, tochtdeuren, verf, sieraden, kunstgebitten en huishoudelijke artikelen met opwindende vouwen en welvingen. Acrylstaven werden ‘kristallen’ kandelaars en handdoekrekken en standaards voor schaalmodellen. Acrylbuizen werden omgebogen tot verkoopdisplays, decoratief meubilair en snackbarautomaten.

    Net glas

    Dankzij zijn helderheid en vervormbaarheid is plexiglas net glas, maar dan beter: minder spiegelend en (iets) meer lichtdoorlatend. Glas faciliteert het zicht terwijl het geluid, geur en aanraking tegenhoudt; het creëert continuïteit tussen binnen- en buitenkanten. De architectonische toepassingen hebben het moderne materiële en zintuiglijke universum opnieuw ingericht. Zoals architect Annette Fierro uitlegt, heeft glas tot nieuwe soorten gebouwen geïnspireerd – van de Parijse winkelgalerijen tot International Style-torens – en blijft het tegengestelde betekenissen uitdragen: gewicht en gewichtloosheid, aanwezigheid en afwezigheid, plooibaarheid en breekbaarheid. De lichtdoorlatendheid ervan, en daarmee de geschiktheid als omhulsel of drager van verlichting, suggereert orde en controle, terwijl de reflexiviteit ‘zowel psychoanalytische als filosofische vragen absorbeert die door de spiegel worden opgeworpen’.Ook kan plexiglas de symbolische kracht van de spiegel versterken, zoals door het vangen van de gezichtsuitdrukkingen van Harris en Pence. Afhankelijk van de productiewijze kan het krasbestendiger zijn dan glas, wat betekent dat het onder ideale omstandigheden nog minder visuele aandacht op zichzelf zal vestigen als barrière of medium. Door het lichtere gewicht en de grotere duurzaamheid kan plexiglas zonder omvangrijke omlijsting worden geplaatst, bijvoorbeeld op een toonbank of schooltafeltje. Veel smetteloos viruspreventiemateriaal op polymeerbasis streeft er zelfs naar om te verdwijnen en voornamelijk aanwezig te blijven als buffer tegen geluid of het circuleren van aerosolen. Tegelijkertijd moeten deze doorzichtige wanden een geruststellende werking hebben als symbolen van veiligheid en sociale betrokkenheid. Glas is een culturele spiegel, en plexiglas is dat ook.Verder is het ook van symbolische waarde dat plexiglas plastic is. Plastic staat tenslotte nog meer bekend om zijn plooibaarheid dan glas. Bovendien heeft het steeds meer een aura van kunstmatigheid gekregen. In het bedrijfsblad van DuPont werd in 1938 betoogd dat plastics meer waren dan alleen een vervanging voor natuurlijke materialen; ze waren ontworpen ‘door de mens volgens zijn eigen specificaties’, in nieuwe vormen en texturen en met levendige kleuren.Halverwege de vorige eeuw leek het erop, zoals Roland Barthes schreef in zijn Mythologieën (1957), dat ‘de hele wereld geplastificeerd kan worden’. Barthes beschrijft plastic als ‘meer dan een substantie’; plastic, zo schrijft hij, symboliseert ‘het idee van zijn oneindige transformatie’ en ‘snel veranderende kunstvormen’. Zoals historicus Jeffrey Meikle opmerkte, gaf het nieuwe polymerische universum tijdens het interbellum ook vorm aan verstrekkende ideologieën. Plastic werd in brede kring beschouwd als een ‘opstap naar gecontroleerde sociale stabiliteit. Goedkope plastics (…) zouden tot een ware democratisering van de samenleving leiden doordat ze een einde maakten aan de door schaarste ontketende strijd en die zouden vervangen door universele materiële overvloed.’ Daarna, na de oorlog, werd plastic gezien als een ‘middel om veranderingen en continue transcendentie teweeg te brengen’. We zien deze oriëntaties samenkomen in het antivirale plexiglas, dat dient om de sociale en economische orde te handhaven en tegelijkertijd epidemiologische transcendentie belooft.

    Plastic werelden

    Ontwerpers in het naoorlogse tijdperk creëerden inderdaad nieuwe plastic werelden als prototype. Neem de Necklace Domes (1949) van Buckminster Fuller, koepels gemaakt van canvas-, vinyl- of acrylpanelen; het van glasvezel vervaardigde House of the Future (1956) van Alison en Peter Smithson, het Monsanto House (1957) van Marvin Goody en Richard Hamilton in Disneyland, eveneens opgetrokken uit glasvezel, en de opblaasbare architectonische experimenten en hygiënische ‘bubbels’ uit de jaren zestig en zeventig. Lydia Kallipoliti omschrijft dergelijke projecten als ‘gesloten werelden’, kunstmatige omgevingen die een scala van motieven en fantasieën realiseren, zowel utopisch als dystopisch: ‘van militaire ideeën om de soevereiniteit van de mensheid op nieuwe, niet in kaart gebrachte grondgebieden te garanderen tot alternatieve manieren om een autonoom stadsleven te leiden, nostalgie naar de Amerikaanse pionierscultuur, en ecologisch toerisme en milieukapitalisme’. Het project van de Smithsons, legt Beatriz Colomina uit, was een ‘koppig verzet tegen de gevaarlijke buitenwereld’, met luchtsluizen en airconditioning die giftige stoffen op afstand moesten houden.

    De opblaasbare Clean Air Pod (1970) van Ant Farm probeerde ondertussen de aandacht op luchtvervuiling te vestigen door mensen in een plastic bubbel uit te nodigen waar ze op hun gemak konden ademhalen. We zien zulke opvouwbare en opblaasbare vormen terug in de pvc-tenten die nu op stadstrottoirs worden neergekwakt, waar ze een afgesloten micro-omgeving creëren waarin buiten kan worden gedineerd in de wintermaanden (en die tegelijkertijd publieke ruimte in-nemen voor particulier gewin).Cultuurtheoreticus Heather Davis stelt dat ‘plastic het beste als afdichting fungeert (…) en ook in de behoefte aan ondoordringbaarheid voorziet, zodat de discretie van voorwerpen, lichamen en persoonlijkheden verzekerd is en categorieën’ – gezond en ziek, vriend en vijand, binnen en buiten – ‘zich niet hoeven te mengen’. Met andere woorden, plastic is altijd synoniem geweest voor een aanzienlijke mate van hybris. Vooral plexiglas beloofde al in een vroeg stadium kogels te weren en levens te redden; nu wordt het, zoals al decennialang gebeurt, gebruikt om immuniteitszones te creëren. Maar in de sociale acrylarchitectuur wordt bescherming beloofd door middel van doorlatende beschermende afdichtingen. Anders dan bijvoorbeeld huishoudfolie of een Tupperwaredeksel (of de luchtbel-achtige koepel van een gevechtsvliegtuig) wordt plexiglas in de dagelijkse stedelijke omgeving geplaatst om zuiverheid en veiligheid te cultiveren door middel van doorlaatbare verbindingen.

    Vertrouwen

    Van oudsher worden in schermen van plexiglas dikwijls openingen aangebracht: vensters, gleuven of luiken waardoor klanten creditcards of pakjes kunnen aanreiken. Deze gecontroleerde openingen hebben specifieke bedieningsprotocollen en lichaamshoudingen nodig gemaakt: hoe ver moeten we onze hand erin steken? Kunnen onze vingers elkaar aanraken? Zulke inschattingen worden extra belangrijk tijdens de pandemie. ‘Tijdens de lockdown,’ legt Kallipoliti uit, ‘zijn we ons voor het eerst op een zeer heftige manier bewust van ons lichaam in de ruimte: van ons lichaam ten opzichte van andere lichamen, ten opzichte van voorwerpen die door vreemde handen zijn aangeraakt. (…) De angst voor een inbreuk’ – een schending van de codes voor het gebruik van de opening – ‘is een levendige illustratie van de poreusheid van ons lichaam en geeft een nieuwe weerklank aan de proxemics-theorie van Edward T. Hall’ – over de manieren waarop bevolkingsdichtheid ons ruimtegebruik beïnvloedt – ‘en aan het begrip “afstand houden”,’ aldus Kallipoliti. Dat afstand houden wordt opgelegd en geregeld door het scherm van plexiglas. Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand om een uitwisseling mogelijk te maken: het overhandigen van geld of goederen, het serveren van voedsel, het verifiëren van identiteit en het bevestigen van handelingen, het overbrengen van boodschappen (zij het via enigszins gedempte stemmen en wazige gezichtsuitdrukkingen).

    Plexiglas paart visuele toegankelijkheid aan fysieke afstand

    Dankzij de aanwezigheid van plexiglas kunnen we onze angst voor besmetting opschorten tijdens noodzakelijke transacties. Het vertrouwen dat het geeft, ook al is er deels sprake van ‘veiligheidstheater’, kan belangrijke culturele en economische functies dienen: het zorgt ervoor dat we kunnen blijven winkelen, uit eten gaan, naar school gaan, politieke bijeenkomsten bijwonen. Maar ook is plexiglas decennialang door Amerikanen gebruikt om sociale spanningen en burgerlijke onrust tegemoet te treden.

    Gezag

    Afgelopen lente, toen er in winkels en op scholen schermen en koepels begonnen te verschijnen om ons tegen rondvliegende ziektekiemen te beschermen, werden we in parken en op straathoeken met andere acrylvormen geconfronteerd, schijnbaar bedoeld om gemeenschappen tegen militante indringers te beschermen. Oproepen tot raciale gerechtigheid lokten een reactie uit van gemilitariseerde politiemensen, die vreedzaam protesterende menigten vaak bestookten met rubber kogels, traangas en anti-oproerschilden van plexiglas, zowel offensieve als defensieve wapens die demonstranten als criminelen aanmerken. Wetshandhavers staan aan de ene kant van deze barrières, wetsuitdagers aan de andere. Hier blijkt dat het plexiglazen scherm, in plaats van een wederzijdse uitwisseling te faciliteren, slechts in één richting doorlatend is, door het gezag van de ene partij over de andere mogelijk te maken.Een soortgelijke dynamiek zien we in gevangenissen, waar opgesloten individuen hun bezoekers begroeten van achter wanden van plexiglas; de staat bepaalt wie aan welke kant van het scherm zit, en dat scherm bepaalt hoe de partijen elkaar zien en met elkaar spreken. Ook in veel stedelijke gemeenschappen speelt plexiglas al lange tijd een rol in het concretiseren van sociale grenzen. Kasbedienden, pandjesbazen en medewerkers van fastfoodrestaurants in arme buurten bedienen hun clientèle dikwijls vanuit forten van kogelwerend glas. Natuurlijk, de meeste bedrijven hanteren een strikte scheidslijn; slechts weinig banken of stomerijen of openbare nutsvoorzieningen laten cliënten toe achter de balie of toonbank. Bij de loketten voor rijvaardigheidsbewijzen, werkloosheidsuitkeringen of paspoortcontrole impliceren barrières van plexiglas bureaucratische verveling en frustratie; ze instrueren het publiek het loket met enige schroom te benaderen en zijn een voorbode van hooghartigheid en ondervraging. Maar vooral bij kleine bedrijven in probleemwijken dient plexiglas een ander, subjectiever doel; het merkt klanten aan als verdachten. Hier steunt plexiglas niet op de macht van de staat, maar wordt het vooral aangebracht als verdediging tegen een reële of veronderstelde dreiging. Buiten de gevangenis garandeert een cel van plexiglas eigenaars en hun personeel controle en wordt een plek om zaken te doen in een ‘verdedigbare ruimte’ veranderd.

    Gemilitariseerde grenzen

    Volgens stedenbouwkundige Fallon Samuels Aidoo ‘hebben deze “beschermingsmiddelen” van plexiglas zich ontwikkeld tot een normale kostenpost voor het zakendoen met arme mensen’. De stedelijke onlusten aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw brachten veel winkeliers en restauranthouders ertoe ‘zich te verschansen achter bunkerachtige, relbestendige gevels’. Die onlusten kwamen voornamelijk voort uit raciale conflicten en vooroordelen. ‘Zowel misdaad als angst werd expliciet met zwarten geassocieerd,’ legt geograaf Brandi Thompson Summers uit, ‘en het criminaliseren van deze mensen resulteerde in een angst voor alles wat zwart was. Het gevolg was dat er “anti-oproerarchitectuur” werd toegepast, voornamelijk in arme zwarte wijken.’Deze historische dynamiek wordt niet alleen versterkt door bebouwde ruimten die de erfenis van het raciale beleid symboliseren, maar is ook aanwezig in de hedendaagse verbeelding. Zoals literatuurwetenschepper Caroline H. Yang beschrijft, portretteren populaire programma’s als The Wire de plexiglasarchitectuur van buurtwinkels dikwijls als gemilitariseerde grenzen tussen Aziatische winkeliers en hun zwarte clientèle, tussen een oase binnen en een oorlogsgebied buiten. Psycholoog Naa Oto A. Kwate is het daar in haar studie van de slijterij in de zwarte metropolis mee eens: ‘Klanten die een drempel moeten oversteken die op een oorlog berekend lijkt en hun transacties moeten afsluiten via kogelvrije scheidingswanden, krijgen daarmee te verstaan dat de winkel bestaat om een gevaarlijke zo niet dodelijke bevolkingsgroep geld af te troggelen.’De barrière van plexiglas zet zulke klanten op een overzichtelijke manier te kijk; wat dat betreft is er niet veel verschil met het ‘dikke, onzichtbare maar gruwelijk tastbare vensterglas’ dat volgens W.E.B. Du Bois zwarte mensen apart zet als ‘opgesloten zielen (…) gehinderd in hun natuurlijke beweging, expressie en ontwikkeling’. Zoals Thompson Summers uitlegt, gebruikt de stad van oudsher talrijke technieken om zwarte mobiliteit te beperken: ‘rondhangverboden, meer gevangenissen en opsluitingen, meer surveillance’. Natuurlijk staan klanten van buurtwinkels technisch gesproken buiten de kooi van plexiglas. Maar die sluit ook hen op. Hoewel ze vrij zijn om de winkel in en uit te lopen en rond te kijken als ze eenmaal binnen zijn, legt het plexiglas hun vrije keus en hun mogelijkheden zowel onmiddellijke als historische, systemische obstakels in de weg. Dat gebeurt vooral in arme gekleurde wijken, waar niet alleen de kassa door een wand van plexiglas wordt afgeschermd maar ook alle koopwaar. In zulke winkels zou de winkelier het steenkoud hebben vanwege de koeling en de hoge luchtvochtigheid die vereist zijn voor verse producten – een van de vele redenen waarom het assortiment voornamelijk bestaat uit houdbare waar: ‘ramen-noedels, conservenblikjes, snacks, frisdrank en snoep’. In steden als Baltimore verkopen zulke winkels de minste gezonde producten van de hele stad. Deze beperkingen zorgen voor ongezonde eetgewoonten en een gebrek aan zintuiglijke waarneming. Omdat ze hun aankopen niet kunnen aanraken, ruiken of inspecteren wordt klanten de mogelijkheid ontnomen empirische observaties te doen en weloverwogen keuzes te maken wat hun consumptie betreft.

    Symbool

    In december 2017 nam de gemeenteraad van Philadelphia een voorstel aan om het gebruik van kogelwerend glas in broodjeszaken aan banden te leggen. ‘We willen niet dat er alleen in bepaalde buurten eten via barrières van plexiglas wordt geserveerd,’ aldus gemeenteraadslid Cindy Bass. De maatregel zal pas in 2021 ingaan, maar veel winkel-eigenaars weigeren nu al eraan mee te werken. Zoals Rich Kim verklaart in The Temple News: ‘Het is niet eerlijk om te zeggen: “Hé, breek die wand waarachter je veilig bent maar af.”’ Bovendien, zegt Kim, worden vooral Aziatisch-Amerikaanse winkeliers door de verordening getroffen. Summers heeft een soortgelijke ontwikkeling waargenomen in Washington, D.C., waar Afrikaanse en Aziatische winkeliers weigerden hun veiligheidshekken en kogelwerend glas te verwijderen in het kader van de ‘revitalisering’ – lees: yuppificatie van de buurt. Voor hen staan deze beschermingsmiddelen symbool voor hun eigen veiligheid.

    Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief

    Zuiverheid en veiligheid zijn in de regel duidelijk waarneembaar: de aanblik van een heldere MRI-scan of een glanzende gedesinfecteerde operatiezaal; het geluid van een geactiveerd inbraakalarm; de geur van ziekte versus die van een ontsmettingsmiddel; de smaak van bedorven eten in vergelijking met de verkwikkende bitterheid van geneesmiddelen; de gewelddadige of genezende aanraking. Pas geïnstalleerd en nog smetteloos plexiglas voorziet in de visuele connectie en de fysieke scheiding die momenteel nodig zijn voor een veilig contact. De doorzichtigheid ervan impliceert immuniteit, ook al maken de onopvallendheid en doorlatendheid mensen kwetsbaar. Ondertussen zijn de plexiglazen verschansingen in buurtwinkels, Chinese afhaalrestaurants en lommerds, dikwijls bekrast en vergeeld door decennia van gebruik en misbruik, hooguit op een schimmige, onpersoonlijke, vervreemdende manier doorschijnend, terwijl ze tegelijkertijd hun absolute ondoordringbaarheid voor geluid, geur en aanraking uitstralen – met name hun bestendigheid tegen (veronderstelde) kogels en stelende handen, drankadem en rokershoest. Maar in al deze gevallen legitimeren de plastic wanden onze neiging om lichamen en waren in verdedigbare zones af te zonderen en de geografie en logica van quarantaine en opsluiting tot de dagelijkse ruimte uit te breiden.Maar een perfecte afsluiting bestaat niet. Als reactie op de barrières van plexiglas tijdens het vicepresidentiële debat twitterde New York Times verslaggever Astead Herndon: ‘Denken ze nou echt dat die stukjes plastic het virus zullen tegenhouden?’ Recent onderzoek door de University of Pittsburgh heeft aangetoond dat aerosolen door de plexiglazen intubatieboxen heen kunnen dringen die over het hoofd en de schouders van covid-19-patiënten worden geplaatst. Openbare voorzieningen van plexiglas kunnen weliswaar grote druppels tegenhouden, maar ze zijn niet bestand tegen kleinere rondvliegende deeltjes, reden waarom in de gezondheidszorg door velen wordt gepleit voor een gelaagde benadering: gezichtsmaskers plus afstand houden plus plastic schermen en ventilatie.

    Residuen

    Plastic slaagt er niet in een invasie te voorkomen, en is zelf invasief. Doordat het alomtegenwoordig is, kan plastic makkelijker ons lichaam binnendringen. Er is microplastic ontdekt in menselijke organen; er zijn plastic zakken aangetroffen in de diepste geulen van de oceaan; polymeren zijn met rotsen versmolten tot nieuwe kunstmatige vormen. De fabricage van acrylvezel vergt, zoals die van de meeste plastics, het gebruik van fossiele brandstoffen en kankerverwekkende chemicaliën. Naarmate we meer plexiglazen barrières aanbrengen om onze eigen zuiverheid en veiligheid te waarborgen, verlengen we ook de gebruiksduur van plastic.De residuen van ons plastic tijdperk zullen nog honderden jaren in het milieu achterblijven, en tegen die tijd zijn onze eigen lichamen wellicht bezweken aan een nieuwe pandemie of aan de klimaatcrises die het gevolg zijn van de plastificering en carbonisatie van onze wereld. Zolang we op zulke existentiële dreigingen reageren door ons liever achter (letterlijke en figuurlijke) schilden van plexiglas te verschuilen dan dat we systemische veranderingen doorvoeren, is het vrijwel zeker dat de microben en de milieuvervuiling waartegen we ons proberen te wapenen steeds meer verstrengeld zullen raken met het menselijk leven. In elk geval kunnen we de afbraak duidelijk waarnemen, via het scherm.

    Shannon Mattern

    Places Journal
    Verenigde Staten | website | placesjournal.orgBetrouwbare bron voor wie geïnteresseerd is in architectuur, landschap en urbanisme.

  • Goed doen moet goed gedaan worden

    Goed doen moet goed gedaan worden

    Renee Bach ging met een christelijke opvoeding en de beste bedoelingen naar Oeganda om kinderen te redden van de hongersnood. Haar missie kreeg internationale belangstelling toen zij werd aangeklaagd omdat er onder haar bewind opvallend veel kinderen stierven. Was zij verantwoordelijk?

    De toekomst van de ontwikkelingshulp

    The New Humanitarian, een mediaorganisatie gefinancierd door de Verenigde Naties, vroeg aan vooraanstaande figuren in de ontwikkelingssector en daarbuiten – van beleidsmakers tot mensen die ervaring hebben met crisissituaties – om hun visie voor de toekomst te schetsen. 360 selecteerde enkele in het oog springende antwoorden.

    ‘De staten moeten ervoor zorgen dat oorlogsmisdadigers worden berecht,’ aldus Nobelprijswinnaar Nadia Murad. De jezidische mensenrechtenactivist Nadia Murad kreeg in 2018 de Nobelprijs voor de Vrede voor haar strijd voor vrouwenrechten in gewapende conflicten. Ook in haar bijdrage spreekt ze zich uit tegen het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen.

    ‘Tot de tweede helft van de twintigste eeuw werd er gesproken over seksueel en ander geweld tegen vrouwen alsof dat nou eenmaal bij oorlog hoort,’ schrijft Murad. Pas in de jaren negentig is dit door het Internationaal Strafhof erkend als oorlogsmisdaad. ‘We hebben nu het wettelijke precedent om conflictgerelateerd seksueel geweld serieus te nemen en te vervolgen, maar we zien nog steeds een gebrek aan bereidheid van de internationale gemeenschap om de daders ter verantwoording te roepen,’ aldus Murad. IS’ers die seksueel geweld hebben gepleegd tegen jezidi-vrouwen en -meisjes zijn nog niet berecht.

    ‘Landen als Nederland, Frankrijk en Duitsland voeren rechtszaken tegen Syriëgangers, maar veel andere staten blijven afstand doen van de verantwoordelijkheid voor hun onderdanen. Staten moeten ervoor zorgen dat deze IS-militanten worden aangeklaagd voor internationale misdrijven die de ernst van hun gedrag weerspiegelen. Er moet een einde komen aan de straffeloosheid.’

    © Unsplash
    © Unsplash

    Klimaatverandering vraagt om verandering van aanpak

    ‘Als we willen voorkomen dat we overweldigd worden door de crises die op ons afkomen, moeten we onze aanpak veranderen,’ aldus ontwikkelingshulp- adviseur Paul Knox Clarke.

    ‘Klimaatverandering leidt en zal leiden tot enorme en onge- kende humanitaire crises die bijna onvermijdelijk zijn,’ schrijft Knox Clarke. ‘Om op deze crises te kunnen reageren, zullen humanitaire organisaties strategieën, vaardigheden en operationele benaderingen nodig hebben om crises, zoals bosbranden en hittegolven, het hoofd te kunnen bieden,’ aldus Knox Clarke.

    ‘Hoewel het systeem van crisishulp veel sterke punten heeft,’ vervolgt hij, ‘is verandering daar niet een van. Ondanks dertig jaar van serieuze discussies over participatie, lokalisatie, paraatheid, en de samenhang tussen hulpverlening en ontwikkeling, is er nog maar weinig echte, transformatieve verandering tot stand gebracht. Mensen moeten dringend nadenken over zowel het “wat” als het “hoe” van de verandering die we moeten doorvoeren om de dreigende klimaatcrisis het hoofd te bieden.’

    Contant geld werkt beter

    ‘Hulp in de vorm van contant geld is een van de belangrijkste veranderingen van de afgelopen twee decennia,’ aldus beleidscoördinator Sophie Tholstrup.‘Het geven van contant geld in plaats van goederen stelt de ontvangers in staat om te beslissen wat ze nodig hebben, ondersteunt de lokale economieën en is efficiënter,’ aldus Tholstrup, die werkt bij de organisatie Cash Learning Partnership. ‘Contant geld is uniek omdat het de beslissingsbevoegdheid verschuift van hulporganisaties naar de mensen die zelf door de crisis worden getroffen. Er is aangetoond dat mensen slimme keuzes maken en dat de ontvangers het geld vaak aan heel andere dingen uitgeven. Traditionele hulp is vaak slecht afgestemd op de wensen van de ontvangers.’

    © Unsplash
    © Unsplash

    Organisers zonder grenzen

    ‘Ontwikkelingshulp zal alleen veranderen als de mensen aan de ontvangende kant een stem krijgen,’ zegt Arbie Baguios, oprichter van Aid Re imagined.‘Veranderingen in het verleden zijn te veel afhankelijk geweest van interne hervormers in machtsposities,’ schrijft de uit de Filippijnen afkomstige Baguios. ‘De hervorming van ontwikkelingshulp is veel te sterk gebaseerd op interne mechanismen. Maar ook externe druk is noodzakelijk. Maar degenen die echt een belang hebben – mensen en gemeenschappen die hulp ontvangen – worden gemarginaliseerd. Pas als zij de facto macht krijgen, kan er een evenwicht ontstaan.’Baguios ziet een oplossing in een vakbond van hulpontvangers. ‘Hulpontvangers kunnen zich vereni- gen om eisen te stellen aan een sector die zijn beloften al zo lang niet is nagekomen.’ Hij vervolgt: ‘Ik kan me een entiteit als Organisers zonder Grenzen voorstellen die als doel heeft hulpontvangers te mobiliseren voor een breed maar gemeenschappelijk doel (bijvoorbeeld om betere dienstverlening van internationale hulporganisaties te eisen). Tijdens een crisis zou een Organisers zonder Grenzen hulpontvangers kunnen samenbrengen om kwalitatief hoogstaande hulp te eisen en om organisaties verantwoordelijk te houden.’

    Lokaal neemt de leiding

    ‘Lokale organisaties zijn het eerst ter plaatse tijdens een crisis,’ zegt Themrise Khan, onafhankelijk onderzoeker en beleidsanalist.Er moet volgens Khan meer waardering en aandacht komen voor lokale organisaties. ‘Het internationale humanitaire systeem begrijpt niet dat crisishulp al deel uitmaakt van de contextuele structuur van landen. Het bestaat al generaties lang via filantropische, religieuze, etnische en zelfs klassenlijnen,’ aldus Khan.‘Lokale organisaties worden vertrouwd, kennen de situatie en weten hoe dingen kunnen worden geregeld. Deze organisaties, vaak uit de gemeenschap zelf, zijn niet afhankelijk van de komst van externe hulp voordat ze op een crisis reageren. Hun reactie is onmiddellijk en onafhankelijk van externe hulp. Ze blijven de getroffen gemeenschappen bijstaan, lang nadat internationale organisaties zijn vertrokken,’ zegt Kahn.De beleidsanalist breekt een lans voor een humanitaire sector waarin inheemse actoren de leiding hebben. ‘Een toekomstig humanitair systeem zal worden geleid door actoren die inheems zijn in de regio of de gemeenschap in crisis, terwijl alle anderen volgen. Inheems betekent niet de lokale tak van een internationale ngo; het betekent waarden die historisch geworteld zijn in het land van herkomst en zijn bevolking. Deze waarden moeten door de externe organisaties worden erkend voor hun komst.’

    ‘Wij Afrikanen moeten onze eigen toekomst vormgeven’

    ‘Het wordt tijd dat we niet meer afhankelijk zijn van internationale solidariteit en een afbrokkelende wereldorde,’ aldus Lynne Muthoni Wanyeki, regiodirecteur Afrika van Open Society Foundations.‘Lokale innovatie vult de leegte op die de internationale gemeenschappen in de nasleep van de pandemie hebben achtergelaten.’ Wanyeki beschrijft de positieve verandering die ze nu in Afrika ziet gebeuren: ‘Mensen zetten directgeldprogramma’s voor medeburgers op, beginnen adopteer- een-familie-initiatieven, houden buurtcollectes. Dit komt boven op de vele informele sociale vangnetten die altijd al bestonden, ondanks dat er vanuit de diaspora nu minder geld wordt gestuurd.’

    ‘Ook de creativiteit, de innovatie, het onderzoek en de ontwikkeling en productiecentra zijn lokaal: er is een goedkoop test- en vaccinonderzoek opgezet door een onderzoeksalliantie van Afrikaanse universiteiten, lokale hulporganisaties en kleding- fabrikanten maken beschermingsmiddelen, en jonge knappe koppen ontwerpen beademingsapparaten om bezig te blijven nu universiteiten zijn gesloten,’ zegt Wanyeki.‘Dat is de toekomst van noodhulp. We willen geen stukje van de taart meer. We willen zelf de taart bakken. Als we dat doen, zijn we klaar om een echte gelijkwaardige relatie aan te gaan met de rest van de wereld.’

    Beqaa Valley, Lebanon © Unsplash
    Beqaa Valley, Lebanon © Unsplash

    Humanitaire hulp is geen oplossing zonder duurzame vrede

    ‘Echte verandering kan alleen worden bereikt door politieke oplossingen voor de crises die de vluchtelingenstromen veroorzaken,’ zegt Filippo Grandi, Hoge Commissaris voor vluchtelingen bij de VN.‘De grote crises van het afgelopen decennium hebben aangetoond dat humanitaire actie slechts een gedeeltelijke reactie kan zijn op de omvang en de complexiteit van de huidige situaties waarin mensen gedwongen worden om te vluchten,’ aldus Grandi.‘Hoewel noodhulp het lijden helpt te verlichten, kan geen enkele hoeveelheid humanitaire hulp een oplossing bieden voor de benarde situatie van degenen die gedwongen moeten vluchten,’ zegt Grandi. ‘Oplossingen voor ontheemding zijn fundamenteel afhankelijk van een succesvolle oplossing van het conflict en van investeringen in het handhaven en opbouwen van vrede – en van het vermogen van staten om de eensgezindheid te vinden die nodig is om met dit doel samen te werken.’

    Een rol voor bedrijven

    Tara Nathan, uitvoerend vicevoorzitter digitale ontwikkelingsoplossingen bij Mastercard, pleit voor een grote rol voor het bedrijfsleven.‘De private sector is waarschijnlijk het meest geschikt om een crisisinterventie van begin tot eind te beheren, en toch worden bedrijven vaak gedegradeerd tot leverancier of verkoper,’ zegt Nathan. Ze heeft een betere samenwerking tussen bedrijven en hulporganisaties voor ogen. ‘Bedrijven en humanitaire organisaties zouden naast elkaar, elk voor zich, hun talenten kunnen inzetten: lokale gemeenschappen en ngo’s kunnen de behoeften in kaart brengen, internationale ngo’s de wereld- wijde middelen en netwerken activeren en bedrijven kunnen hun expertise op het gebied van oplossingsinnovatie inzetten. Samen zouden we ontelbare bedragen en ontelbare levens kunnen redden.

  • Ondergronds leven

    Ondergronds leven

    Dominic Van Allen heeft werk, een telefoon, een bankrekening met wat geld erop, maar geen huis. Waarom, bedacht hij, geen stukje grond ‘lenen’ in een chique park in Noord-Londen dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht? Ideale plek voor een ondergrondse bunker.

    Voordat het allemaal misging bracht Dominic Van Allen de laatste uren van zijn avonden meestal door in een pub genaamd The Garden Gate. Daar viel hij al drinkend en kletsend niet snel uit de toon en stak hij zelfs keurig af bij de andere gasten, die verschillende gradaties van slonzigheid vertoonden. Honduitlaters kwamen met doorweekte honden aanzetten. Uitgeputte artsassistenten sloften na hun dienst met opgestroopte mouwen naar binnen. Er waren oudere mannen in nette kleding, broos als antieke kapstokken, en nonchalant geklede professionals die in de financiën of het entertainment werkten en dure huizen bezaten in de buurt.

    ‘En juist die rijke klootzakken,’ verwonderde Van Allen zich, ‘konden het zich veroorloven er het minst verzorgd uit te zien.’ Zelf droeg hij stevige laarzen, een kakibroek en een leren motorjack, en kon hij doorgaan voor een fietskoerier, bouwvakker, misschien een klusjesman uit het nabijgelegen ziekenhuis, waar ze hem in de personeelskantine kenden omdat hij soms bij zonsopgang een kopje koffie met korting kwam kopen.

    Die winter van 2017 was Van Allen 44 jaar oud – lang, met kortgeknipt blond haar, blauwe ogen en een licht Yorkshire-accent. Als het te laat werd, dronk hij zijn drankje op en ging naar buiten, waar hij vanuit de pub noordwaarts liep richting een met bomen omzoomde weg langs Hampstead Heath, een enorme open vlakte net boven het centrum van Londen. Elke dag komen er duizenden mensen: hardlopers, natuurzwemmers, toeristen, vogelliefhebbers op zoek naar grasmussen en zwartkoppen in de struiken of putters en torenvalken in de bomen. De zomer brengt zonaanbidders, picknickers en studenten die in kringen bij elkaar zitten, terwijl in de winter in de zeldzame gevallen dat het sneeuwt mensen erheen gaan om te sleeën.

    Uitzicht op Londen vanaf een heuvel in het park Hampstead Heath, waar Dominic Van Allen in een ondergrondse bunker woonde. © Unsplash
    Uitzicht op Londen vanaf een heuvel in het park Hampstead Heath, waar Dominic Van Allen in een ondergrondse bunker woonde. © Unsplash

    Deze avond, december 2017, was er lichte sneeuw voorspeld. Van Allen liep hard door om snel binnen te zijn.

    Hij liep langs de westelijke rand van de vlakte, voorbij het struikgewas waar een wirwar van berenklauw groeide en de braamstruiken groter waren dan hijzelf. Het was bekend dat daklozen soms in dit struikgewas sliepen en hier in het donker tenten opzetten. Van Allen had dit ook wel eens gedaan. Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf. ‘Zou jij dat niet doen dan?’ Hij wist dat er veel mensen waren zoals hij, die losse klussen deden, stamgasten in pubs waren, paspoorten bezaten en telefoons met de juiste opladers, maar geen plek hadden om te wonen. Hij zou waarschijnlijk nooit genoeg verdienen om in Londen te kunnen huren. Sociale woningen waren net buiten zijn bereik. Een hypotheek was volstrekt ondenkbaar. In plaats daarvan had Van Allen een manier gevonden om – onofficieel – nacht na nacht een plekje in deze dure buurt te huren. Aangekomen bij een rij herenhuizen die uitkeken over de vlakte, sloeg hij af en volgde een voetpad door het struikgewas.

    Zichtbare onzichtbaren

    Sommige aspecten van het verhaal van Van Allen zijn uitzonderlijk. Andere zijn bij lange na niet uitzonderlijk genoeg. Er is nooit een nauwkeurige telling geweest van mensen zoals hij, de zichtbaar onzichtbare daklozen. Hoewel we weten dat er tussen de 55.000 en 60.000 officiële daklozen zijn (dat wil zeggen: mensen die een aanvraag indienen om gebruik te maken van overheidsfaciliteiten) en hoewel er inspanningen worden gedaan om jaarlijks het aantal wildslapers te tellen (waarvoor in de herfst een speciaal team op pad gaat), is er een enorme populatie waarvan de statistici geen weet hebben.

    ‘Het zou zomaar kunnen dat je naast iemand zit en het niet weet,’ zegt Van Allen. ‘Er bestaat een redelijke kans dat de barman die je vanavond bediende in een schuilplaats of kraakpand slaapt, sofa-surft of nachten doorbrengt in een auto of busje.’ Van Allen zegt dat je op miljoenen uitkomt als we de definitie van daklozen verruimen naar mensen die zo’n onzekere huisvesting hebben dat ze deze binnen een maand, een week, in een oogwenk kunnen verliezen. Liefdadigheidsinstellingen proberen regelmatig de aandacht te vestigen op het gecompliceerde probleem van verborgen dakloosheid, een wereld van overvolle matrassen, bedden in schuren, de achterbank van nachtbussen. Het is juridisch gezien grijs gebied – alles wat zich afspeelt tussen een vast adres en ‘de winkelwagentjesfase’, zoals Van Allen het later zou noemen, toen hij werd gearresteerd en verhoord door de politie.

    Halverwege het voetpad slaat hij weer af en dit keer stapt hij de dichte braamstruiken in. Hij volgt een smalle passage die ertussendoor is uitgekapt en komt zigzaggend bij een kleine open plek, waar hij in het donker bukt en op de aarde klopt. Een verborgen luik. Van Allen trekt het met zijn vingers open en daalt af in de aarde, waarna hij het luik weer sluit. Beneden doet hij met een schakelaar het licht aan. Hij hangt zijn jas op.Commando terrorismebestrijding, hoofdondervrager: ‘Dit klinkt misschien als een domme vraag. Maar waar was het kamp voor?’

    Dominic Van Allen: ‘Huisvesting. Geen plek om te wonen.’

    CT: ‘(…) Je hebt er een permanente verblijfsplaats van gemaakt door ondergronds te gaan, door te graven … Wanneer was dat?’

    Van Allen: ‘Ze zijn, wanneer was het, februari 2018 met bulldozers gekomen? Dus het was [twee jaar daarvoor], de lente van 2016. De laatste dooi had net ingezet… We dachten laten we gewoon blijven. Waarom niet?’

    In de bunker was ruimte voor twee veldbedden die tegenover elkaar tegen de muren waren geschoven. In het 1 meter brede gangpad tussen de bedden kon Van Allen comfortabel staan ​​zonder met zijn hoofd het houten dak te raken. De vloer onder hem was in beton gestort. Hij had haken opgehangen voor zijn jas, zijn tas en zijn kookgerei, en er waren planken bij het bed bevestigd om spullen op te zetten. LED-lampjes met drukknoppen waren met tape aan de muren geplakt. Er stond hier beneden een draagbaar gasfornuis, en nu Van Allen binnen was, stak hij het aan en goot een blik soep in een pan. Na het eten waste hij af met natte doekjes. Het afval werd in plastic zakken gestopt, om de volgende ochtend vroeg naar een verre vuilnisbak te worden vervoerd, voordat de parkwachters van de heide hun ronde maakten.

    Een herenhuis aan Hampstead Heath. © Unsplash
    Een herenhuis aan Hampstead Heath. © Unsplash

    Over het algemeen sliep Van Allen goed. Achter de houten muren zat nog een betonlaag om het grondwater buiten te houden, en samen met de Hampstead-klei dempte deze alle behalve de meest extreme geluiden. (Op vuurwerknacht hoorde hij de knallen, maar niet het geknetter.) Toen hij hier net was komen wonen, maakte Van Allen zich soms zorgen dat hij zich zou verslapen en zette hij een wekker op zijn telefoon. Het was nooit nodig. Hij was al tientallen jaren getraind om op pad te zijn voordat de stad ontwaakte, voordat Londen weer werd bevolkt door bewakers, parkwachters en politieagenten die een van zijn tijdelijke onderkomens zouden kunnen ontdekken en alles zouden verpesten.

    Zelfs naar zijn eigen maatstaven (en Van Allen had een rijke geschiedenis in het bemachtigen van guerrilla-accommodatie) was de bunker waanzinnig. Hij wist dat de uiteindelijke ontdekking ervan onvermijdelijk was. Hij wist ook dat, zolang ze kleine voorzorgsmaatregelen in acht namen, dat moment lang kon worden uitgesteld.

    Geen vuilnis achterlaten dus. Overdag niet bij het luik blijven hangen. En geen opschepperij, niet bij The Garden Gate, niet als klusjesman in de stad. Van Allen was geliefd bij zijn vrienden vanwege zijn zwartgallige humor. Hij vertelde hen dat hij een landhuis had gebouwd. Wat hij er niet bij zei, was dat zijn ranch drie bij vier meter was, ongeveer zo groot als een royale invalidentoilet, en verborgen lag onder een van de drukste openbare parken van het land.

    Die dag in december, zag hij toen hij ’s ochtends wakker werd en zijn hoofd naar buiten stak dat de weersverwachting bleek te kloppen en er ’s nachts enkele centimeters sneeuw op het dak van de bunker was neergedaald. Dankzij de goede isolatie had Van Allen desondanks in een T-shirt kunnen slapen; tevreden, zoals hij meestal was vanwege kleine technische triomfen, sjokte hij in de richting van het ziekenhuis om koffie te halen in de kantine. Hij liet laarsafdrukken achter, maar al snel zouden de rodelaars tevoorschijn komen om op slechts enkele meters van zijn luik de helling af te zoeven en hun eigen sporen achter te laten.

    ‘Dat hij dakloos was hield hij meestal voor zichzelf ’

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens iets over jezelf, Dominic.’ Van Allen: ‘Zoals…?’ CTC: ‘Gewoon je geschiedenis, eigenlijk.’Van Allen: ‘Ik ben al 26 jaar dakloos. Ik weet het niet, ik was vroeger podiumbouwer. Ik heb een soort botziekte gekregen…’CTC: ‘Dat was het einde van die carrière?’

    Van Allen: ‘Dat was het einde.’

    Hij werd geboren in 1973, in de buurt van Wakefield, en vertrok op zijn 21ste zuidwaarts richting Londen. Hij werkte als barman, schilder en decorateur, arbeider en vrachtchauffeur op de luchthaven voordat hij een baan vond die hem beviel: podiumbouwer. Van Allen werkte voornamelijk bij muziekconcerten en tv-uitzendingen, en kwam bekend te staan als betrouwbare ‘steigeraap’ omdat hij er nooit moeite mee had wankele steigers te beklimmen om bijvoorbeeld de belichting bij te stellen. Hij plaatste een hekwerk voor U2 in Hyde Park en haalde daar ooit een nacht door om de backstageruimte voor Live 8 neer te zetten. Hij deed klussen voor Channel 4, L’Oréal, de Proms. Het werk paste bij Van Allens levensstijl in die zin dat het achter de schermen plaatsvond, tot laat doorging en inhield dat stadsterreinen moesten worden aangepast aan de specifieke behoeften van het moment.Toen de flat waar hij verbleef te duur werd, ging hij kraken. Tien jaar lang wisselde hij tussen verschillende gemeentelocaties in Londen, tot 2011, toen de wetten voor kraken strenger werden, plekken schaarser werden en er steeds krachtiger ellebogen nodig waren om een ​​slaapplaats te bemachtigen. Van Allens gezondheid was slecht. Toen hij zich tijdens een tv-uitzending een keer verstapte, brak hij een been. Terwijl hij nog met krukken liep, brak hij ook zijn andere been. Toen begon hij zich zorgen te maken. Artsen stelden een botaandoening vast en waarschuwden dat er zich zonder voldoende rust spontane breuken zouden blijven voordoen. Hij moest stoppen met zijn werk en kon de keiharde concurrentie om een ​​plek in een kraakpand niet bijhouden. Hij deed een tijdje zijn best om officieel aan te tonen dat hij (in zijn eigen woorden) de lul was. Ziekenhuizen verwezen hem door naar organisaties, organisaties naar woningcorporaties. Er lagen aanvragen van hem bij de stadsdelen Camden, Hammersmith en Fulham, bij de woningbouwcorporaties Peabody Trust en Guinness Partnership. Er waren wachtrijen. Formulieren. Tests en medische evaluaties. Er waren slechte dagen, in wachtkamers, waarop hij zijn geduld verloor en ruzie maakte met de gestreste medewerkers achter hun beschermglas. Van Allen was niet bijzonder jong of oud, geen verslaafde, geen ouder. Er waren zoveel anderen (mijn woorden) meer de lul. Hij kwam nooit boven aan de lijsten terecht en kreeg uiteindelijk te horen: ‘Het is niet waarschijnlijk dat je in aanmerking komt voor een huis.’Als je er eenmaal over begint, biertje in de hand bij The Garden Gate, kan Van Allen losgaan. ‘We zijn een eiland van, wat is het, 250.000 vierkante kilometer? De bevolking is enorm, groeit en heeft hetzelfde aantal huizen als veertig jaar geleden. Te veel mensen! Te weinig huizen! Ik en de meeste van mijn vrienden, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, een gemeenschap van honderdduizenden mensen. Zijn niet in de goot beland, hebben betaald werk en zijn allemaal de lul – al jaren. Het komt door hoe de wetgeving in elkaar zit… We hebben dit verdomde pad niet gekozen. Dit komt door de huisvestingswet van 1996 en alle onzin die sindsdien is ingevoerd. Het is niet ons pad. Ik heb er jarenlang tegen gevochten en toen heb ik de handdoek in de ring gegooid. Ik zei tegen mezelf: “Fuck it, ik ga kamperen.”’

    Crusoe-instelling

    Hij had een paar duizend op de bank apart gezet, en kon nog steeds werk aannemen als klusjesman, wat planken bevestigen of meubels monteren voor 20 of 30 pond per keer, eenmalige klussen die hij vaak regelde via een app op zijn telefoon. Van Allen was gehavend en moe, maar had nog steeds die Crusoe-instelling die hem nooit helemaal in de steek liet. Hij kocht goede laarzen en een goede tent en verplaatste zijn bestaan naar buiten. Zoals bij veel mensen die dakloos worden, kwam de handigheid stukje bij beetje. Van Allen schoor zijn haar kort, zodat het gemakkelijk met zeep kon worden gewassen. Hij leerde welke zwembaden de goedkoopste eenmalige toegangsprijzen hadden om te kunnen douchen; welke inloophuizen hij als postadres kon gebruiken. Hij kocht grote goedkope hoeveelheden ondergoed en T-shirts online, zodat deze indien nodig konden worden weggegooid. Hij werd een vaste klant in een katholieke kerk waar ze dagelijks een ontbijt voor daklozen bereidden.Bezittingen die niet in zijn vijftienliterrugzak pasten, waren sowieso van tijdelijke aard. Spullen werden gestolen, geconfisqueerd en vernield, dus Van Allen leerde van de essentiële voorwerpen een reserve-exemplaar te bewaren, vooral van tenten. Hij had deze overal onder struiken en op daken verstopt, van Camden in het noorden tot Stratford in het oosten, van Southwark onder de rivier tot Richmond in het westen. Mocht kamperen vanwege het slechte weer niet kunnen, dan had hij aan zijn sleutelbos een bepaald soort sleutel die nooddeuren kon openen, bedoeld voor gebruik door de brandweer. Hij begon zich vertrouwd te voelen in het schaduwrijke Londen, waarbij hij de voorkeur gaf aan plaatsen waar geen andere mensen kwamen: cv-ruimten, achtertrappen, parken in het donker, de daken van flats.In de maanden dat het goed weer was, kampeerde hij in Hampstead Heath, waar hij vertrouwd raakte met het nachtelijke ritme van het park – eerst het moment waarop de parkwachters afhaakten, dan de laatste hondenuitlaters en vervolgens de schemering waarin daklozen tevoorschijn kwamen, samen op banken een ​​biertje dronken of een joint rookten voordat ze naar bed gingen en het park overlieten aan de eksters en de mollen.

    Om één of twee uur ’s nachts kon op het veld een absolute stilte heersen – een stilte die regelmatig werd verstoord door de komst van joyriders, die met hun auto’s over het lege gras raasden om even plotseling als ze waren gekomen weer te verdwijnen. Een helikopter, een militaire, vermoedde Van Allen, vloog vaak rond 5 uur ’s ochtends rond en gaf aan dat het bijna tijd was om op te staan ​​en zijn tent af te breken en te verbergen voordat de parkwachters arriveerden. Na jaren op deze manier te hebben geleefd, begon Van Allen naar iets permanenters te verlangen.

    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash
    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Vertel eens wat je weet over dit stuk van Hampstead Heath.’ Van Allen: ‘Ik zit er nu ongeveer zeven jaar … Klinkt stom, om een bunker te graven … [maar] ik word te oud om tenten uit elkaar te halen en onder struiken te schuiven.’Al eeuwenlang hebben allerlei groepen geprobeerd een stuk van het terrein voor zichzelf te annexeren. Mensen die op de vlucht waren voor de pest kampeerden hier in de zeventiende eeuw, evenals evangelisten, reizigers op doortocht en struikrovers (van wie sommigen hier ook zijn opgehangen). In de jaren 1830 probeerde een opgewonden heer van een naburig landgoed die zijn lippen al aflikte bij het idee, een stuk van de vlakte in te sluiten voor privégebruik. Hij werd gedwarsboomd door de rechtbank, en de brutaliteit van die poging droeg eraan bij dat Hampstead Heath in 1879 openbaar bezit werd. Dieren zijn altijd gekomen en gegaan, middeleeuwse wolven, later Keats’ nachtegaal, weer later een zeldzame wallaby, die in de lente van 2019 werd gespot. Tuinmannen mochten hier tijdens de Eerste Wereldoorlog volkstuinen aanleggen, en in de Tweede werden de velden opgeëist voor dreunend luchtafweergeschut. Waarschijnlijk zijn de meest discrete kolonisten van de vlakte – in ieder geval totdat Van Allen met een schop, een zak cement en een Makita-motorzaag aan kwam zetten – altijd de kevers geweest die de verweerde houten palen en hekken bevolken. Van Allen ging niet meteen voor zijn meest ambitieuze plan: de bunker. In de maanden voordat hij een rechthoek vrijmaakte en de eerste spade in de grond stak, bereidde hij zich voor door te oefenen met graven, zijn materiaal uit te proberen en andere, minder groots opgezette ondergrondse plannen uit te voeren. Tussen 2013 en 2015 groef Van Allen samen met een medeplichtige een reeks gaten verspreid over het park. Elk gat had exact de grootte van een afvalcontainer – want daar waren ze voor bedoeld: de containers werden rechtop zodanig begraven dat het deksel nog te gebruiken was, zodat ze ideaal waren voor opslag.

    Zijn medeplichtige was een Poolse arbeider, toen midden dertig, genaamd Marek Wójcik. (Zijn naam is in dit verhaal veranderd. The Guardian heeft geen contact met hem kunnen opnemen om zijn versie van de gebeurtenissen te vernemen.) Volgens Van Allen was Wójcik informeel tewerkgesteld als arbeider op bouwterreinen in Londen. Hij kon timmeren, metselen en fundamenten leggen, vaardigheden die een goede aanvulling vormden op Van Allens eigen improvisatietechnieken, die hij kende van de korte tijd dat hij als podiumbouwer had gewerkt. Met een biertje op een bankje hadden de twee mannen het ambitieuze plan doorgesproken. Wat denk je, vroeg Wójcik, vanavond beginnen? De nachtpatrouille van het park was in de verte langs de normale, voorspelbare route uit zicht verdwenen. Ze zouden pas uren later terugkomen. ‘Prima,’ zei Van Allen, ‘waarom niet?’De plek die hij had voorbereid bevond zich in het struikgewas waar zich altijd al kampeerders schuilhielden, maar dan beter weggestopt. Hij had van een enorme, doornige braamstruik de binnenkant weggesnoeid met behulp van een betonschaar. De site lag dicht bij een cluster van hun ondergrondse opslagbakken, wat handig was omdat de bakken nu diverse gereedschappen en materialen bevatten: voorraden cementpoeder, kunstmest en bijtende soda; een accuboormachine en een elektrische zaag; twee schoppen. Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren.Toen ze de afvalcontainers begroeven was het een hels karwei geweest om boomwortels door te hakken. Nu mengden ze een oplossing van bijtende soda en doordrenkten de grond ermee om alles wat daaronder groeide te verzachten. Stenen moesten met de hand worden uitgegraven. Telkens wanneer het tussen hun nachtelijke opgravingen door regende, moesten ze als ze terugkwamen eerst urenlang natte klei scheppen, wat het werk vertraagde maar er ook voor zorgde dat de bunker uiteindelijk veel groter werd dan bedoeld. Omdat de opgeschepte aarde een ring vormde tussen de braamstruiken, was Van Allen bang dat het terrein van bovenaf zou worden opgemerkt. Door een drone-liefhebber? Of door satellieten die afbeeldingen aan Google Earth leverden? Hij pauzeerde het werk voor de zekerheid om een camouflagenet te kopen.Toen ze eenmaal ongeveer 1 meter 80 diep waren, konden ze beginnen met het installeren van houten stutten. Voor de bunker zouden ze veel hout nodig hebben. Later hield hij vol dat dit afkomstig was van omgevallen boomtakken. Toen ze klaar waren om de muren te versterken en de vloer te gieten, rolde Van Allen in het donker een afvalcontainer naar een van de zwemvijvers van het park. (Eén deel water.) Daarna naar de zanderige parkeerplaats. (Eén deel zand.) Gemengd met vier delen cementpoeder, vormde dit hun beton. Houten latten vormden het dak, dat was voorzien van isolatieschuim en een vlak, scharnierend luik. Terwijl ze wachtten tot het beton was uitgehard, begon Van Allen aan een programma van tactische tuinbouw. Hij ontwortelde meidoornstruiken in zijn geheel en plantte ze opnieuw rond de open plek bij wijze van vestingwerk. Voor het geval iemand daar desondanks doorheen zou komen, begon hij overal compost te verspreiden om de braamstruik aan te moedigen alle kanten op te groeien. Met behulp van vierkante stukken kippengaas, verkregen van weggegooide barbecues en bestrooid met kunstmest en zaad, lieten ze gras groeien op het bunkerdak. Al snel was er geen camouflagenet meer nodig en viel moeilijk te zeggen, tenzij je zelf op dit idee was gekomen, waar de grens tussen de oude vlakte en het bewerkte stukje grond lag. Van Allen had 100 pond gebudgetteerd voor de klus en kwam goedkoper uit. Het had ongeveer twee maanden geduurd. Op een avond namen ze er zonder veel ophef hun intrek.

    Van Allen en Wójcik ontwikkelden een nachtelijke routine, waarbij ze tot ongeveer middernacht wachtten, een biertje dronken voor de energie en dan een uur of langer aan het graven waren

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Zijn er dieren in het wild gedood?’ Van Allen: ‘Nee … we zijn geen Australiërs … ik ben geen man van het land.’CTC: ‘Oké. Wat ik bedoel, is dat er een vuurwapen op je kampeerterrein is gevonden.’Van Allen: ‘We schieten geen wild af… Er is een Marks & Spencer verderop.’Enkele regels voor het bunkerleven anno 2016-18. ’s Nachts geen geritsel in het kreupelhout als je moet plassen. Van Allen bewaarde om deze reden een lege fles bij zijn bed. (Het merk Innocent was het beste. Wijde hals.) Als je een warme maaltijd wilde, verwarmde je soep in de bunker, soms kant-en-klare aardappelpuree of de mildere Thaise curry’s die M&S verkocht, maar geen geuriger voedsel, niets dat een nieuwsgierig dier naar de open plek zou kunnen lokken. ‘Bij elke hond’, luidde een andere regel van Van Allen, ‘hoort een baasje. En Fido kan gevaarlijker voor je zijn dan de buurtwacht.’ Met vossen was het weer anders. Toen steeds dezelfde vos op de open plek verscheen, wist Van Allen dat dit betekende dat de vlakte grotendeels verlaten was en dat hij kon ontspannen. Hij raakte gesteld op het dier en kocht er soms huisdierenvoer voor.Hij had zich nooit zo herkend in het sombere beeld dat door sommige liefdadigheidsinstellingen werd geschetst. Hij was dakloos, maar hij had een reispas, een fiets die bij het ziekenhuis op slot stond, een bankrekening. De bunker voorzag in andere aspecten van een normaal, alledaags leven: het veldbed, planken voor spullen, een plek om hardop naar de radio te luisteren, een plek om zijn hoofd te scheren. Toen ik voor het eerst hoorde dat Van Allen een bunker had gebouwd onder een park dat jaarlijks door zo’n 9 miljoen mensen wordt bezocht, vroeg ik me af waarom hij een plek zo dicht bij de bewoonde wereld had gekozen, op een paar passen van de weg en de huizen. Was het een provocatie? Een statement? Later, toen alles mis was gegaan, gaf Van Allen een meer prozaïsche reden, een reden die makelaars instinctief zouden begrijpen. Betere infrastructuur.Jaren geleden wilde Erno Goldfinger een betonnen flat bouwen op dezelfde locatie. De beroemde architect had een enorm, grijs, hoekig gebouw voor ogen, waar sceptische buren uiteindelijk tegen protesteerden. (Degenen die tegen het plan waren, waren onder meer de schrijver Ian Fleming, die toen aan zijn spionageboeken werkte en in een positie was om Goldfingers naam voor altijd te bedoezelen door hem aan een Bond-slechterik te geven.) Later, in 2017, kocht een vrouw een stuk grond dat aan het park grensde en bouwde er een mooi houten huisje op. Opnieuw werd er protest aangetekend en deze keer slaagden de buurtbewoners erin een sloopbevel te regelen. Dat jaar, terwijl Van Allen ondergronds zat, maakten zijn naaste buren reclame voor hun eigen huis. Zes bedden. Vijf verdiepingen. Een dubbele brede garage net boven het struikgewas. ‘Bieden vanaf 9 miljoen pond.’ Van Allen twijfelde er niet aan dat het aanleggen van zijn bunker in strijd was met de parkregels. Hij was zich ervan bewust dat wat hij beschouwde als wildkamperen door anderen vandalisme zou worden genoemd, en hij accepteerde de mogelijkheid van een boete, misschien een kleine aanklacht, als prijs voor een stabiel onderkomen. De bunker was een experiment. Vertoon van lef. Tegen de tijd dat de sneeuw in december 2017 viel, woonde hij er al langer dan hij ooit had verwacht.

    Van Allen: ‘[We nodigden] af en toe een paar andere daklozen uit, maar echt niet vaak … Eens in de paar maanden … Mensen die we ontmoetten die een beetje in de problemen waren… mensen die de lul waren.’Commando terrorismebestrijding: ‘En waarom …?’Van Allen: ‘Omdat je ze ziet zitten op een bankje. En ze zien er verloren uit. Het is 10 uur ’s avond en ze hebben geen plek om te verblijven… [We] [bieden ze] een sigaret aan en zeggen: “Hé, we zitten daar, vriend.”’Hij was een bekende geworden van de parkwachters, ze groetten elkaar hartelijk. Van Allen noemde ze ‘Parky’ – allemaal. Hij vroeg zich af hoe achterdochtig Parky was geworden. ‘Ik was er altijd op verdachte tijden,’ zei hij later tegen de autoriteiten. ‘Zonder een hond om uit te laten.’ De parkwachters wisten het en wisten het niet. Lange tijd werden wildslapers in het park gewoon weggejaagd, liefst over de gemeentegrenzen heen, zodat ze het probleem van iemand anders werden. Meer recent, vertelt een boswachter me, was er een beleid van ‘vriendelijk beheer’ aangenomen. Deze methode betekende geduld, wachten op het juiste moment om een ​​proactief duwtje in de rug te geven, zodat de dakloze die ze in het vizier hadden zelf hulp zou zoeken.Vaak wachtten de parkwachters tot de winter om dit te doen, als er minder begroeiing was en de tenten makkelijker te ontdekken waren. De winter was ook een periode om zwerfafval op te ruimen en andere verrassende achtergebleven items – buggy’s, winkelwagens, oude wapens, lege flessen champagne. In de loop der jaren hadden ze lichamen ontdekt in het park, slachtoffers van moord en zelfmoord. Toch kwam het als een verrassing, vertelt een parkwachter me, toen ze een plek tegenkwamen waar stoom opsteeg uit wat solide grond had moeten zijn.

    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash
    Kapitale panden aan het water van ‘The Heath’. © Unsplash

    Op de sneeuw volgde dagenlang zware regen. Van Allen werd door vocht uit de bunker verdreven en verbleef enige tijd in een opvangcentrum in de buurt van Bloomsbury, tot het weer droog zou zijn. Bij zijn terugkeer, op een nacht, klom hij door de braamstruik en zag dat er een geplastificeerd briefje bij het luik was achtergelaten. De parkwachters hadden hun moment gekozen. In het briefje werd hij aangemoedigd om het park te verlaten en de gemeente of een woningbouwvereniging te benaderen voor hulp bij huisvesting. Toen hij het las, dacht Van Allen wrang: ‘Ja. Dat zal vast helpen.’Hij vond een aantal bezittingen terug en verplaatste deze naar de containers die vlak bij nog onverstoord onder het struikgewas zaten ingegraven. Hij zou het veldbed moeten achterlaten; dat was vervelend. Maar verder was Van Allen niet sentimenteel en hij verliet de bunker zonder nog eens om te kijken. Dagen later brak een minigraafmachine de plek open. Met het dak eraf, vertelt een parkwachter me, was het alsof je neerkeek op de fundamenten van iemands huis. Vier muren. Een dak. Een deur in een gemeenschappelijke gang of een hek met een degelijke grendel aan het einde van een oprit – of dus een luik in de modder. Dit zijn de fundamenten van een huis, en ze isoleren en beschutten, ze zorgen voor een beetje privacy en stellen onze lievelingsspullen veilig. Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij. Zonder duidelijke drempel wordt alles gecompliceerd en gecompromitteerd: veiligheid, toevluchtsoord, een gevoel van geworteldheid en controle. Van Allen had lang geleden geleerd dat hij, zonder legale scheidingswanden of grenspalen rond zijn schuilplaatsen, altijd bezittingen kon verliezen waar hij blij mee was of die hij nodig had. Hij had niet verwacht dat hij op een dag zou moeten discussiëren over het bezit van spullen waar hij niets mee te maken wilde hebben.Als hij het advies in het geplastificeerde briefje had opgevolgd en het park had verlaten, zou dat het einde van deze fase van Van Allens leven kunnen zijn geweest. Hij zou ergens in zijn schaduwstad ronddwalen. Maar hij en Wójcik sloegen hun tenten op in het struikgewas bij hun containers. Van Allen rouwde niet om de verloren bunker, maar werd steeds onvoorzichtiger. Het kamp begon zich uit te breiden. Ze lieten het zwerfafval slingeren (sommige van de weggooi-T-shirts van Van Allen werden later in de braamstruiken gevonden) en namen meer risico’s. Van Allen en Wójcik raakten een weekend in september 2018 overmoedig toen ze probeerden een enorme nieuwe container te begraven zonder de grond eerst met bijtende middelen zachter te maken. Het was geen klus die in één nacht kon worden geklaard, en omdat ze de bak nergens konden verbergen, lieten ze hem halfbegraven liggen, zodat hij gedeeltelijk zichtbaar was vanaf het pad. Een paar nachten later, na zijn gebruikelijke biertje in The Garden Gate, liep Van Allen in het donker de heuvel op en kwam terecht op een plaats delict.

    Thuis kan een simpele kwestie van afbakening zijn. Dat alles voor jullie allemaal! Dit kleine beetje voor mij

    Van Allen: ‘Jullie moeten een hoop spullen van me, [mijn] kleding, in de struiken hebben gevonden?’ Commando voor terrorismebestrijding: ‘Klopt.’Op de parkeerplaats van het park stonden politiebusjes, en agenten in uniform hadden een lang, slingerend cordon gevormd dat zijn kamp omsingelde. Later zou de politie blauw-gele forensische tenten opzetten en honden, rechercheurs in burgerkleding en rechercheurs in overalls en regenlaarzen binnenbrengen. Van Allen liep naar het cordon en veranderde zijn accent, Hampstead-stijl, om te vragen wat er aan de hand was. Hij zag dat er agenten waren uit naburige stadsdelen, veel meer dan nodig waren om eigenwijze daklozen te vervoeren. ‘Je kunt hier niet doorheen,’ kreeg Van Allen te horen. Hij keerde op zijn schreden terug en stak de donkere vlakte over naar de zwemvijver, waar hij Wójcik op hun gebruikelijke bank aantrof. ‘Wat is er allemaal aan de hand?’ Ze waren het erover eens dat het er niet best uitzag. Ze deelden nog een laatste biertje samen. Van Allen had andere plaatsen waar hij kon slapen. Een met tapijt beklede hoek in een openbaar gebouw, waar een sympathieke conciërge hem liet slapen. De pompruimte van een flat. Terwijl hij tussen deze plaatsen heen en weer ging, bleef hij de hele herfst nadenken over al die ophef op de plaats delict.

    Breaking Bad

    Van Allen vertelde een vriend, een man genaamd Keong Lim, dat hij er niets van begreep. Al die politie voor een paar begraven afvalcontainers? Zijn schop en afgedankte T-shirts? Lim werkte in de katholieke kerk waar ze het gratis ontbijt serveerden. Hij was gesteld op Van Allen en was hem dankbaar voor het repareren van allerlei dingen in de kerk. Op een dag, herinnert Lim zich, vroeg Van Allen hem te helpen om meer te weten te komen over wat er in het park was gebeurd. Ze zochten het online op en vonden een verhaal in de plaatselijke krant, de Hampstead & Highgate Express, dat was overgenomen en uitgebreid door verslaggevers van The Sun, Mirror en Evening Standard. In Hampstead Heath was een ‘Breaking Bad-achtig provisorisch crystal meth-lab’ ontdekt, lazen ze. ‘Bosrijk gebied … Containers gevonden … Afzettingen aangebracht.’ Van Allen wendde zich tot Lim en zei: ‘Wel verdraaid. Dit gaat over mij.’Hij vroeg zich af of ze zijn voorraad witte, korrelige bijtende soda hadden gevonden en die voor iets duisters hadden aangezien. Nieuwskanalen vanuit de VS en Australië hadden het verhaal van het methlab in Hampstead gebracht, meestal met een illustratie erbij van de acteur Bryan Cranston als scheikundige alias drugsbaron Walter White. Van Allen had Breaking Bad niet gezien. Hij keek liever naar de zender BBC Parliament en geloofde – met reden – dat het leven raar genoeg was zonder fictie. Maar hij begreep het idee. Hij besloot zich gedeisd te houden.In februari 2019 nam de politie contact met hem op. Toen de onderzoekers het kamp uitkamden, hadden ze een gewatteerde envelop in het struikgewas gevonden. Die kwam van een bouwbedrijf waar Van Allen soms online bij winkelde. Op de oude envelop stond zowel zijn naam als het adres van een inloophuis dat hij voor post gebruikte. Onderzoekers hadden zijn telefoonnummer getraceerd en nu vertelden ze Van Allen dat ze met hem wilden praten over het provisorische kamp. Oprecht nieuwsgierig vroeg Van Allen: ‘Waarom nu pas?’ Het was inmiddels maanden later. Sindsdien was hij niet meer in het park geweest. Zonder dat Van Allen het wist was het onderzoek sinds die fantasievolle krantenberichten over een drugslaboratorium veranderd. Bij het opgraven van het kamp had de politie een zelfgemaakt wapen gevonden, een in elkaar geflanst geweer, ongeveer met de grootte en vorm van een fietspomp, dat ondiep was begraven naast een van zijn containers. De zaak was overgedragen aan agenten van het commando terrorismebestrijding. Van Allen kreeg te horen dat hij zelf niet in de problemen zat; maar zou hij willen afspreken om te praten? Hij stelde een McDonald’s voor, niet ver van het park, in de veronderstelling dat de zaak in een kwartiertje zou zijn afgehandeld.

    Giancarlo Neri, een voormalig voetballer, ontwierp in 2005 ‘The Writer’ voor Parliament Hill. – © Wikimedia
    Giancarlo Neri, een voormalig voetballer, ontwierp in 2005 ‘The Writer’ voor Parliament Hill. – © Wikimedia

    Commando voor terrorismebestrijding: ‘Dus we hebben je vandaag bij McDonald’s ontmoet… En toen je begon te praten over wat je onder de grond verborgen had … besloten we je te arresteren, toch?’Van Allen: ‘Mm-hm.’CT: ‘We wilden je gewoon de kans geven om op band met ons over de situatie te praten.’

    Van Allen: ‘Mm-hm.’

    Hij werd gearresteerd en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau van Colindale, waar hij uitvoerig sprak over het kamp in het struikgewas. Weinig onder de indruk van de tekening die een agent had gemaakt van de plek die hij zelf had gecreëerd en met zorg had ingericht (‘Dit is een belabberde schets,’ zei hij tegen de politie), leende Van Allen een potlood en bracht verbeteringen aan. Vragen over het handgemaakte pistool beantwoordde Van Allen met een ‘vierkante ontkenning’, zoals de ondervragers in hun aantekeningen noteerden. Hij zei tegen hen: ‘Ik zit daar al zeven jaar en heb het daar niet geplaatst. Het heeft niets met mij te maken.’ Later kreeg hij te horen dat er enkele sporen van zijn DNA op het wapen waren gevonden. Van Allen kreeg van zijn advocaat het advies om niets meer te zeggen, althans niet op zijn gebruikelijke nonchalante manier. In plaats daarvan kwam hij met een tweede, schriftelijke ontkenning.Van Allens proces voor het bezit van een vuurwapen vond plaats in de Blackfriars Crown Court in de zomer van 2019. Zijn juridische team vond dat het driedaagse proces al met al redelijk goed was verlopen. De eigen deskundige van de aanklager, een DNA-specialist, had toegegeven dat er geen manier was om te achterhalen of Van Allens DNA zich op het vuurwapen bevond door middel van primaire dan wel secundaire overdracht – dat wil zeggen, of hij het ooit fysiek had aangeraakt. De advocaat van Van Allen had de jury over een andere mogelijke verdachte verteld en stond erop dat ze niet konden uitsluiten dat iemand Van Allens kleding had gebruikt om het wapen af ​​te vegen voordat het werd begraven. Toch besloten de juryleden na de beraadslaging dat hij schuldig was. De rechter veroordeelde Van Allen tot vijf jaar.Hij werd overgeplaatst van HMP Pentonville naar HMP Thameside, weer zo’n doos van beton. Hij wilde er niks van weten dat zijn nieuwe situatie beter zou zijn dan dakloosheid. Vrijheid was vrijheid, waar je ook verbleef.

    Droomhuis

    Niet lang nadat Van Allen was veroordeeld, liep ik regelmatig de pub The Garden Gate uit, over de weg langs Hampstead Heath, het struikgewas in. Het kostte wat moeite om door de braamstruiken te komen, die bezaaid waren met blikjes en hondenballen, maar uiteindelijk lukte het: een gebleekte open plek in het kreupelhout was alles wat er over was van zijn oude bungalow. De parkwachters hadden stapels takken neergelegd om de gaten van de containers te bedekken. Eén keer scharrelde er een rat ter grootte van een hardloopschoen over de open plek. Muggen zoemden in de rondte, gestoord door mijn aanwezigheid. Ik had sterk het gevoel dat ik een indringer was. Achteraf vertelde een parkwachter dat sinds Van Allen vertrokken was, een andere dakloze de plek had ingepikt. De parkwachter had rode wangen nadat hij de hele ochtend bezig was geweest met het wegkappen van de braamstruiken die over het pad kropen. Hij legde uit hoe snel de braam groeide en hoe heftig hij zich verzette tegen een snoeibeurt – alsof, dacht ik, de grond onder ons ook een opstandige geest had en zich niet liet vertellen waar hij voor diende.In de gevangenis had Van Allen een nieuwe advocaat gekregen en werkte hij toe naar een hoger beroep. Degenen die met hem spraken, zeiden dat hij een opgeruimd humeur had. Zijn gevoel voor humor, zwart als een nachtje in een bunker, was een zegen. Als onderdeel van zijn herintegratie werd hij gevraagd deel te nemen aan een zelfverbeteringscursus, waarin onder andere werd ingegaan op zijn huisvestingsbehoeften. Had hij er na zijn vrijlating over gedacht om een aanvraag in te dienen bij een woningcorporatie? Van Allen zag er de lol wel van in.Ook tijdens zijn proces was er ruimte voor lol. Verdachten, politie, advocaten, leden van de jury – allemaal grinnikten ze samen om Van Allens verwoordingen terwijl hij werd ondervraagd. Op een gegeven moment had hij weemoedig over de oude bunker gesproken: ‘Mijn absolute droomhuis’ noemde Van Allen die. ‘Gewoon de ideale plek. Je had het treinstation, je had een café, je had een Starbucks, je had het ziekenhuis, je had bus 168, de 24, de 46… Je kon niet naar binnen kijken vanaf het pad. Het was verdomme briljant.’

    Auteur: Tom Lamont

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000 Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Moeder Renee

    Moeder Renee

    De Amerikaanse ontwikkelingswerker Renee Bach begint in Oeganda een gezondheidscentrum voor ondervoede kinderen. Velen van hen sterven daar. Als gevolg van, of ondanks de behandeling? Twee families dagen Bach nu voor de rechter. Maar het gaat om veel meer dan alleen de vraag of ze schuldig is.

    Ziriya Namutamba (42) is boerin. Ze vertelt: ‘Toen de chauffeur kwam, wist ik dat Twalali dood was. De andere vrouwen hadden mij gewaarschuwd: als hij je komt halen, is de jongen gestorven. In de kliniek wilde ik Twalali zien, maar ik kreeg noch het lijk van het kind, noch een arts te zien. Ik was radeloos en huilde. Later kwam buiten voor het gebouw Renee voorbij, over wie ik had gehoord dat ze arts is. Ze droeg Twalali’s lichaam, gewikkeld in een linnen doek, en legde hem in de kofferbak van een terreinwagen. Het was dezelfde wagen waarmee haar medewerkers Twalali en mij een week eerder uit ons dorp hadden opgehaald.

    De kleine, magere vrouw leeft met haar man en vijf kleinkinderen in een hut met een strodak tussen groene heuvels en velden. Haar dochter en diens man kregen jong kinderen, ze bezitten geen land en werken in het westen van Oeganda. Ziriya Namutamba zorgt voor de kinderen. Twalali, het derde kind, stierf op 16 juli 2013 op tweejarige leeftijd. Hun dorp ligt een uur rijden met de auto van het volgende dorp, waar levensmiddelen te krijgen zijn, maar geen school is, en geen arts. Naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis in Jinja, met 76.000 inwoners de op drie na grootste stad van het land, is het ongeveer twee uur rijden. Als je een auto hebt.

    Boerin Ziriya Numutamba: ‘Ze waren allemaal woedend op me: de ouders van Twalali, mijn man en de imam. Ze vroegen naar papieren van de kliniek. Maar niemand gaf een verklaring over wat er gebeurd was.’

    Vervloeking

    Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen, de helft van de kinderen onder vijf jaar aan bloedarmoede. De bodem van Oeganda, dat als de graanschuur van Afrika geldt, is vruchtbaar, ook in het oosten van het land, waar Ziriya Namutamba woont. Dat veel kinderen desondanks te weinig voedingsstoffen krijgen, ligt onder andere aan gebrek aan kennis. Mais en maniok, de voornaamste voedingsmiddelen in de streek, die ook groeien rond de hut van Namutamba, bevatten koolhydraten maar niet genoeg eiwit. Traditionele genezers verbreiden bovendien de boodschap dat de symptomen van ondervoeding – gezwollen buik, uitgedroogde ledematen of ook hongeroedeem – duiden op een vervloeking.

    Als de ondervoede kinderen geen uitgebalanceerd dieet krijgen, sterven ze vaak. Aan uitputting of aan een longontsteking, aan diarree of malaria. Twalali werd een week voor zijn dood in Jinja positief getest op malaria, in het verpleeghuis van de hulporganisatie Serving His Children, opgericht door de Amerikaanse Renee Bach. Van haar kleinkind heeft Ziriya Namutamba nu alleen nog een zwart-witfoto die Bachs ngo voor de dood van het jongetje gepost had op Instagram: met draden aan Twalali’s uitgeteerde lichaam, op zijn hoofd een grote pleister, de ogen wijd opengesperd en leeg, terwijl hij gevoerd wordt met een lepel.

    Ziriya Namutamba: ‘Vijf jaar na Twalali’s dood kreeg ik bezoek van twee mensen uit de stad. Ze zeiden dat Renee Bach helemaal geen arts is en haar kliniek geen echte kliniek. Ik werd zo woedend! Ze had me bedrogen! Twalali had het zeker overleefd als ik hem naar een echte dokter had gebracht! De vrouw en de man uit de stad stelden me voor om een proces te beginnen tegen de witte. Ik vroeg me af: als ik zo’n misdaad zou begaan onder witte mensen, zou ik daar dan ongestraft mee wegkomen? Mijn man en ik vergaderden met de dorpsgemeenschap en samen besloten we om Renee aan te klagen.’

    De vrouw die vanuit Jinja naar Ziriya Namutamba kwam, heet Olivia Alaso, een Oegandese die samen met de Amerikaanse Kelsey Nielsen de hashtag #Nowhitesaviors (‘Geen witte redders’) heeft bedacht. Door deze slogan werd Namutamba’s dorp aan de rand van de heuvels het middelpunt van een wereldwijd debat over de aanmatiging van witte ontwikkelingswerkers in landen als Oeganda, en de schade die ze aanrichten.

    ‘Toen ik over deze neparts hoorde, besloot ik dat de wereld moest weten waartoe witte mensen in Afrika in staat zijn’

    Olivia Alaso (35) is een sociaal werker: ‘Toen ik over deze neparts hoorde, besloot ik dat de wereld moest weten waartoe witte mensen in Afrika in staat zijn. Ik legde contact met een van Renee Bachs voormalige medewerkers. Hij bracht mij bij enkele families die hun kinderen hadden verloren, ook bij Ziriya Namutamba. Samen zijn wij naar een advocate gegaan. Ik wil gerechtigheid. Ik wil dat zoiets nooit weer gebeurt in mijn land.’

    Primah Kwagala, de advocate die pro deo voor de slachtoffers optreedt, diende op 21 januari 2019 een aanklacht tegen Renee Bach en haar ngo Serving His Children in bij de rechtbank in Jinja. De familie van Twalali is een van de drie klagende partijen, naast de moeder van een ander dood kind en de organisatie Women’s Probono. In de aanklacht staat: ‘De aangeklaagden hebben de kinderen van de klaagsters fatsoenlijke medische zorg onthouden en het doen voorkomen alsof ze medische diensten aan konden bieden.’ Bach zou hebben gedaan alsof ze arts was en onbevoegd infusen en transfusies hebben toegediend. Het gaat in de aanklacht niet om de vraag of deze ingrepen de kinderen schade hebben toegebracht, maar om het feit dat de families hun kinderen niet aan de hoede van echte artsen hadden toevertrouwd omdat ze dachten dat Bach een echte arts was.

    Primah Kwagala (34) is advocate in de hoofdstad Kampala: ‘De staat heeft te weinig geld. Vooral in de gezondheidszorg is er gebrek aan alles. Vaak springen ngo’s bij. Helaas ontbreken de middelen om regelmatige overheidscontroles uit te voeren op deze organisaties. Veel witte mensen doen wat ze willen. Het gebeurt zelden dat een benadeelde Oegandees opstaat en zegt: mij is onrecht aangedaan! Daarom heeft het lang geduurd voordat iemand iets tegen deze vrouw heeft ondernomen.’

    Papayasmoothies

    Renee Bach, nu 31, uit Virginia in het oosten van de VS, richtte meteen na haar middelbare school, toen ze 18 was, Serving His Children op. Eerst deelde ze rijst en bonen uit in een armenwijk van Jinja. Vanaf 2009 verpleegde ze ook ondervoede kinderen. Tot aan het moment dat ze zes jaar later, in maart 2015, haar Rehabilitation Center na een inspectie van de autoriteit voor gezondheidszorg moest sluiten, stierven daar 105 kinderen.

    Jinja, waar Renee Bach en haar ngo actief waren, is een aangename stad. Een favoriete bestemming van avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. Talrijke hulporganisaties zijn in de stad actief; enkele daarvan zijn opgericht door jonge Amerikanen.

    Renee Bach in een promotiefilmpje voor Save His Children. – © YouTube
    Renee Bach in een promotiefilmpje voor Save His Children. – © YouTube

    Dat heeft te maken met de dertigjarige missionaris Katie Davis, die in 2008 het opleidings- en gezondheidscentrum Amazima Ministries oprichtte en een bestseller schreef over haar ervaringen: Kisses from Katie. Dat boek lokt tot op heden adolescenten uit het milieu van de evangelicals in de VS naar Jinja, op zoek naar het zogeheten juiste leven in een zogeheten foute wereld. De hemel boven de stad licht abrikooskleurig en babyblauw op, de Nijl ontspringt hier, de cafés serveren papaya smoothies en cappuccino. Aan de noordkant van de hoofdstraat leeft de inheemse bevolking, in het zuiden, dichter bij de rivier, wonen de ngo-medewerkers en toeristengidsen.

    Olivia Alaso, de sociaal werker, zegt: ‘Ik ben opgegroeid in Jinja. Zoals de meesten hier dacht ik dat alle witte mensen alleen maar goeds brachten en dat ze beter waren dan wij. Zij zaten in de mooie cafés en woonden in de mooie huizen. Vaak kwamen ze in mijn school en gaven ons snoep en speelgoed, en wij zongen voor ze. Later ben ik opgeleid voor sociaal werk en heb ik gewerkt voor internationale ngo’s. Op het laatst voor twee jonge witte Amerikanen met wie ik eigenlijk heel goed kon opschieten. Maar toen namen ze een wit, nog jonger meisje in dienst, dat ons Oegandezen heen en weer commandeerde en beweerde dat we te veel verdienden en te weinig uitvoerden. Ik zei tegen mijn leidinggevenden dat die vrouw ons niet zo kon behandelen. Ze hebben er niets aan gedaan, dus ben ik vertrokken. Ik kon dat doen omdat mijn man goed verdient. De meeste Oegandezen durven niet over misstanden te spreken. Ze hebben het werk nodig omdat hun familie daarvan leeft. De onzekerheid over werk is groot in dit land.’

    @Nowhitesaviors

    Een van de leidinggevenden voor wier ngo Olivia Alaso in 2015 niet meer wilde werken was Kelsey Nielsen. Maar drie jaar later werkten Alaso en Nielsen toch weer samen – verenigd in de kritiek op zulke ngo’s. In augustus 2018 startten ze het Instagramaccount @Nowhitesaviors en begonnen daar de westerse hulpindustrie te bekritiseren: bijvoorbeeld vrijwilligers die zonder bijzondere kwalificaties in Afrika willen helpen en zich bovendien graag op de sociale media vertonen – arm in arm met zwarte mensen die zonder hen zogenaamd hulpeloos zouden zijn. Het begrip ‘white savior’ slaat op witte mensen die zwarte mensen redden uit een noodsituatie, een topos dat ook uit films bekend is. Een voorbeeld is de premiejager King Schulz in Quentin Tarantino’s Django Unchained, die de slaaf Django bevrijdt, die vervolgens een veldtocht begint om zich te wreken.

    Kelsey Nielsen (30), sociaal werker: ‘Op mijn twintigste kwam ik voor het eerst in Oeganda. Ik deed vrijwilligerswerk in het weeshuis Amani Baby Cottage. Twee jaar later richtte ik met een vriendin het Abide Family Center op. Zoals veel jonge oprichters geloofde ik dat God me had geroepen. Ik was een evangelisch christen. Onze ngo heeft overigens wel wat zinvols gedaan: wij hielpen kinderen in hun families te blijven doordat we bijvoorbeeld hun schoolgeld betaalden. De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen, of ze denken dat witte mensen dat beter kunnen.

    Als ik mijn blogbijdragen van toen lees, zie ik wel dat ik toch aan het “white savior”-complex leed. Ik verwarde mijn behoefte om nodig te zijn met mijn geloof dat ik nodig was. Het heeft even geduurd tot ik me bewust werd van mijn rol en begreep wat racisme werkelijk betekent. Toen Olivia ontslag nam, heeft ze mij een duwtje in de juiste richting gegeven. We hebben veel gediscussieerd. Ik heb boeken gelezen: James Baldwin, Toni Morrison, Audre Lorde. Ik herkende mijn fouten, mijn arrogantie en mijn onwetendheid, en de fouten van de andere witten. Ook die van Renee.’

    Het Instagramaccount van Kelsey Nielsen en Olivia Alaso trok de aandacht van journalisten uit de VS. Eerst berichtte Medium eind september 2018: ‘Amerikaanse missionaris speelt voor dokter, kinderen sterven. Wanneer zal er gerechtigheid zijn?’ Na een op 19 juni 2019 gepubliceerd videobericht van een half uur van Al Jazeera, pikten veel grote media het verhaal op. In maart 2020 heeft @Nowhitesaviors meer dan 760.000 volgers [in maart 2019 waren dat er nog 300.000].

     Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen. © Unsplash
    Een derde van de kinderen in Oeganda lijdt als gevolg van ondervoeding aan groeistoornissen. © Unsplash

    Renee Bach verklaarde in een persbericht van 24 juni 2019: ‘Helaas sterven er elk jaar 3,1 miljoen kinderen aan ondervoeding, wat de noodzaak van organisaties als Serving His Children glashelder aantoont.’ Bach bevestigde dat ze geen medische opleiding heeft en dat in haar instelling 105 kinderen gestorven zijn. Maar ze wees elke verantwoordelijkheid voor hun dood af. Ze zou nooit beweerd hebben arts te zijn.

    De Süddeutsche Zeitung (SZ-Magazin) beschikt over haar verweer tegen de aanklacht. Daarin geeft Bach alleen toe dat ze te laat is geweest met het aanvragen van verlenging van de vergunning voor het runnen van een gezondheidscentrum.

    ‘Bach deed dingen waar ze geen verstand van had, zoals bij extreem ondervoede kinderen levensnoodzakelijke infusen aanleggen’

    Na veel e-mails van het SZ-Magazin aan de advocaten van Renee Bach meldde zich eind 2019 haar moeder Lauri, directeur van Serving His Children in de VS. Aan de telefoon zei ze dat haar familie diep geraakt was; de verwijten van de klagers en de persberichten noemde ze onjuist. Renee was niet beschikbaar voor een interview. Ook de medewerkers van haar hulporganisatie, die nog steeds actief is in Oeganda, zouden getraumatiseerd zijn door de beschuldigingen. Het gebouw van twee verdiepingen waarin Renee Bach het gezondheidscentrum runde, waar de kinderen stierven, ligt in een buitenwijk van Jinja, naast een krottenwijk met golfplaathutten waarin de armsten van de stad wonen, mensen die vluchtten voor de burgeroorlog die tot 2006 woedde in het noorden van het land. Na de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië braken in het land steeds weer gevechten uit, de ene gewelddadige heerser volgde de andere op. De autoritair regerende president Yoweri Museveni is sinds 1986 aan de macht.

    Kelsey Nielsen, sociaal werker: ‘Ik heb Renee in maart 2015 samen met andere witte ngo-medewerkers bij de politie in Jinja aangegeven. De verpleegster Jacqueline Kramlich had me verteld dat Bach dingen deed waar ze geen verstand van had, zoals bij extreem ondervoede kinderen levensnoodzakelijke infusen aanleggen. Jacqueline en haar man hadden een contract voor twee jaar bij Serving His Children getekend, maar na twee maanden ontslag genomen. Hoe vaak ze er ook met Bach over gesproken hadden, ze hield niet op met deze ingrepen. Ze nam zelfs meer medische taken op zich. Een Amerikaanse die indertijd bij haar werkte, vertelde me later dat ze na onze aangifte met Renee Bachs zus alle documenten van Serving His Children doornam en zag dat minstens tachtig procent van alle patiëntendossiers Renees handtekening droegen. Renee en ik waren ooit goede bekenden, we hadden dezelfde vrienden en zagen elkaar op de bijbelkring.

    Dat veranderde in januari 2014, toen een jongen die Sharifu heette in ons centrum stierf aan een hartinfarct, hij was drie jaar oud. Een paar maanden voor hij bij ons kwam had Renee hem onder haar hoede gehad. Ze had hem dik en gezond gevoerd – en toen naar huis gestuurd. Ondervoeding bij kinderen gaat vaak gepaard met verwaarlozing, de ouders hebben geen geld en geen opleiding. Je moet zulke gezinnen langdurig begeleiden en ze laten zien hoe ze hun kinderen met de juiste groente, peulvruchten, vlees en vis kunnen helpen. Na de dood van Sharifu confronteerde ik Renee met het feit dat haar werk niet duurzaam was. Zij deed toch niet aan noodhulp, maar leidde een hulporganisatie die pretendeert het leven van de mensen op de lange termijn te verbeteren. Ik stelde haar medeverantwoordelijk voor de dood van Sharifu.’

    Nadat Nielsen en haar medestanders Renee Bach hadden aangegeven, werd Bachs centrum gesloten door een vertegenwoordiger van de Oegandese Autoriteit voor Gezondheidszorg. Bach vertrok voor een jaar naar haar ouders in de VS. In juni 2017 opende ze weer een afdeling voor ondervoede kinderen, deze keer in samenwerking met de Oegandese regering, in een gezondheidscentrum van de overheid in Kigandalo, een gemeente op anderhalf uur rijden ten oosten van Jinja, waar het aantal ondervoede kinderen bijzonder hoog is.

     De helft van de Oegandese kinderen onder de vijf jaar lijdt aan bloedarmoede. © Unsplash
    De helft van de Oegandese kinderen onder de vijf jaar lijdt aan bloedarmoede. © Unsplash

    Kelsey Nielsen: ‘Ik ken Oegandezen die met Bach gewerkt hebben in de nieuwe afdeling in Kigandalo. Ze hebben geprobeerd met haar te praten. Maar ook daar ging ze op dezelfde voet verder.’

    Kort na de opening van Bachs nieuwe gezondheidsinstelling deden zeven Oegandese werknemers hun beklag in een brief aan Bach, dat de witte medewerkers boven hen stonden en dat de Oegandezen in vergelijking te weinig verdienden. Ze werden alle zeven ontslagen. Drie van hen ondersteunden later de aanklacht van de families tegen Renee Bach met plechtige verklaringen die inhielden dat ze zelf lang geloofd hadden dat Bach een arts was, want ze had vaak een witte jas aan en een stethoscoop om de hals gedragen.

    Kelsey Nielsen: ‘De advocate heeft slechts twee gedupeerde families in de aanklacht opgenomen omdat ze voor elke klager geld moest betalen aan de rechtbank. Wij hopen dat op de civiele procedure een strafproces volgt, zodat recht gedaan wordt aan alle getroffen families. Daarvoor moet de recherche eerst onderzoek doen. Maar de politie heeft nauwelijks middelen. Olivia en ik ondersteunen de beambten, we brengen ze in contact met de moeders van de gestorven kinderen en geven ze documenten die we verzameld hebben.’

    Geen bewijs

    Nog meer moeders hebben Renee Bach en Serving His Children aangegeven nadat ze door de activistes bezocht zijn. Zo ook Kakai Gorreti, wier negenjarige zoon Massai door behandelingen van Bach een geestelijke stoornis zou hebben opgelopen. Het is een uur rijden naar de lemen hut van de familie vanaf de dichtstbijzijnde verharde weg. Gorreti’s zeven kinderen spelen in het zand. Massai lacht vaak luid en ongecontroleerd, werpt zich op de grond of brabbelt met een lege blik. Zijn linkerhand is verstijfd en staat haaks op zijn onderarm. Zijn moeder zit gehurkt bij hem en staart naar de grond. Haar man verstopt zich in het maisveld achter de hut.

    Kakai Gorreti (32), boerin: ‘De witte vrouw heeft ons uit het gezondheidscentrum in Nakhupa gehaald. Daar was Massai nog normaal. Ze heeft hem niet goed behandeld, dat weet ik, omdat mijn kind gestoord is teruggekomen uit haar kliniek. Dokter Renee heeft Massai’s handen en hersenen beschadigd. Ik heb haar aangegeven omdat ik wil dat ze eindelijk verantwoording af moet leggen. Ze moet zijn medicijnen betalen en instaan voor zijn maandelijkse verzorging. Ik wil dat ze ons elke maand een miljoen shilling geeft voor zijn onderhoud.’

    Dat is minder dan € 250. Renee Bach heeft verklaard dat ze Kakai Gorreti en haar zoon Massai nooit heeft gezien. Inderdaad was Massai nooit bij haar in Jinja, maar alleen in de latere afdeling in het gezondheidscentrum van Kigandalo, waar Bach aantoonbaar zelden was. Ook Constance Milech, een verpleegster van Serving His Children, spreekt Kakai Gorreti tegen: Massai was al voor de behandeling in de ziekenafdeling niet normaal ontwikkeld voor zijn leeftijd.

    ‘Hoe vaak ze er ook met Bach over gesproken hadden, ze hield niet op met medische ingrepen’

    Er is geen bewijs dat Massai’s gezondheid door de behandeling van Serving His Children geschaad is – en ook niet dat Renee Bach hem ooit persoonlijk heeft behandeld. Primah Kwagala, de advocate in het civiele proces tegen Renee Bach, schudt haar hoofd als ze wordt aangesproken over een mogelijk strafproces in het geval van Massai. Ook al moedigden de activistes van @Nowhitesaviors de moeder aan om aangifte te doen, het is niet na te gaan of een kind als Massai verkeerd behandeld is door Renee Bach. Het gaat haar alleen om Bachs zich voordoen als arts, met ernstige gevolgen. Dat voor de rechtbank bewijzen is al moeilijk genoeg. De recherche in Kampala en de politie in Jinja verklaren tegenover SZ-Magazin dat er geen onderzoek gedaan wordt naar de nieuwe aangiften tegen Bach; ze zouden in het proces geen rol spelen.

    Peter Waiswa (48), arts en professor Gezondheidsmanagement in Kampala: ‘Toen ik voor het eerst op tv hoorde van de beschuldigingen tegen de Amerikaanse, was ik ervan overtuigd dat het verhaal opgeblazen was. Het kan hier makkelijk gebeuren dat mensen voor geld bepaalde klachten indienen. Ik wilde mezelf een beeld vormen, dus heb ik haar afdeling voor ondervoede kinderen in het gezondheidscentrum in Kigandalo bezocht. En ik was onder de indruk van wat daar tegenwoordig gepresteerd wordt. Daarop belde ik de advocate Primah Kwagala en zei haar dat ze beter onderzoek moest doen. Ze nodigde mij uit om haar materiaal te komen inzien. Inderdaad vond ik in de oudere documenten van Bachs instelling veel gebreken. De patiëntendossiers waren niet goed bijgehouden, vaak was geen ordentelijke diagnose vermeld, er ontbrak een stringent verslag van de behandeling. Bovendien had Bach bijna alle overlijdensaktes zelf ondertekend. Dat mogen in Oeganda alleen artsen doen.

    In de praktijk is het natuurlijk helaas gebruikelijk dat formulieren slordig worden ingevuld en dat niet-medisch personeel medische taken overneemt. Maar wanneer iemand schade oploopt kom je daar niet mee weg – ook al maken anderen dezelfde fouten. Nu is de publieke interesse groot, en de opwinding op de sociale media ook. Het gaat niet meer alleen om de vraag wat Renee Bach fout gedaan heeft, maar om de vraag wat er allemaal misgaat in ons gezondheidssysteem.’

    Op 21 januari 2020 begint bij de rechtbank in Jinja het proces tegen Renee Bach. Hoe spectaculair de aanklacht is, omdat het de eerste is in Oeganda die gericht is tegen de praktijken van een buitenlandse ngo, is in de zaal waar het zich afspeelt niet te merken. De vrouwelijke rechter verklaart dat beide partijen twee maanden de tijd hebben om er zonder tussenkomst van de rechter uit te komen. Dan sluit ze de zitting. Pas eind februari stuurt Primah Kwagala, de advocate van de families, haar voorwaarden aan de vertegenwoordigers van Bach: ze moet zich schriftelijk verontschuldigen en de families van de dode kinderen schadeloos stellen met in totaal 500 miljoen shilling, omgerekend 120.000 euro.

    Naast het team van SZ-Magazin is er een schrijfster van het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker aanwezig bij de opening van het proces. Ze heeft Renee Bach en haar familie meerdere malen ontmoet. De collega uit de VS overtuigt de Bachs dat ook de Duitse verslaggeefster te vertrouwen is. Ten slotte gaan de Bachs in februari 2020 akkoord met een ontmoeting in hun vaderland in Bedford County, Virginia.

     Nielsen: ‘De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen.’ – © Phillips Career School International / Unsplash
    Nielsen: ‘De ouders van de meeste zogenaamde wezen in Oeganda leven namelijk wel, maar hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen.’ – © Phillips Career School International / Unsplash

    Renee Bach (31), directeur en oprichter van Serving His Children: ‘Ik was in de zomer van 2018 op weg naar Los Angeles om met mijn zussen mijn dertigste verjaardag te vieren, toen mijn moeder belde. Ze zei dat een vliegtuig met journalisten bijna op onze schuur was neergestort; ze hadden foto’s gemaakt van ons huis. Ze zou nu gaan inpakken, want thuis waren ze niet meer veilig. Ik begreep er niets van. Toen vertelde ze dat mijn verhaal in het nieuws was, nationaal en internationaal, overal. Op het internet vond ik toen al die artikelen over mij. Ik zat op de luchthaven en voelde me zo bloot, zo weerloos. Ik had het gevoel alsof iedereen me aankeek: een moordenares die vrij rondloopt! Toen ik na twee dagen terugvloog naar Virginia, wezen inderdaad wildvreemde mensen naar me en fotografeerden me. Ik wilde me alleen nog maar verstoppen.’

    Lauri Bach (58), de moeder van Renee en directeur in de VS van Serving His Children: ‘Wij voelden ons machteloos. Mensen bediscussieerden op het internet zelfs of Renee zich had schuldig gemaakt aan genocide! Mijn man Marcus en ik gingen naar de sheriff. Vroeger sloten wij ons huis nooit af, zelfs niet als we langer weggingen. Maar op advies van de sheriff hebben we nu een slot aan onze poort gehangen en meerdere bewakingscamera’s geïnstalleerd.’ De Bachs leven op een kleine boerderij in het zuiden van Virginia, met twee buren in hun blikveld, niet ver van de kleine stad Bedford, in een heuvellandschap waar meer evangelische kerken dan restaurants te vinden zijn en in de voortuinen uitsluitend reclameborden voor Trump. Moeder Lauri is huisvrouw. Haar vijf kinderen heeft ze thuis onderwijs gegeven en van jongs af aangespoord om zich in te zetten voor de gemeenschap, zegt ze. Renee heeft als meisje levensmiddelen uitgedeeld aan armen en geestelijk gehandicapte jongeren op paarden rondgereden op het familie-erf.

    Tom Wilmoth (58), redacteur van de Bedford Bulletin Newspaper: ‘Wij werden gebombardeerd met mails. De inhoud was steeds hetzelfde: weet u dat deze vrouw uit uw gemeente deze erge dingen doet? Daarachter zat de groep @Nowhitesaviors. Via hun Instagram hadden ze opgeroepen om deze e-mails naar de lokale media te sturen en ze hadden ook ons adres gepubliceerd. Ik ken de familie Bach al heel lang. Ik wist dat het niet waar kon zijn, dat het een gemene aanval was. Maar de meeste media publiceerden de aanklacht van de families uit Oeganda. Het was steeds hetzelfde verhaal, er zat nauwelijks variatie in.’

    Wel oké

    Renee Bach: ‘Toen ik in september 2007 naar Oeganda kwam, had ik in elk geval dat white-savior-complex: ik wilde beslist helpen in het buitenland, maar had geen idee van Oeganda en kende niemand die er geweest was. Ik was nooit buiten de States geweest, alleen een keer in Canada, en had niet eens een paspoort. Toen ik aankwam, was ik behoorlijk ontdaan, maar daarna begon ik van de mensen en het land te houden, en het werk in een kindertehuis gaf me veel voldoening. Terug in de VS wilde ik absoluut weer terug naar Oeganda. Dus ik bad of ik een manier mocht vinden om de nood van de mensen in Jinja te lenigen. Eerst deelde ik tweemaal per week in een achterbuurt middageten uit aan ongeveer duizend kinderen. Na een poosje vroeg de leidster van een afdeling voor ondervoeding in het ziekenhuis van Jinja of ik een paar kinderen bij mij kon opnemen. Ik verklaarde dat wij niet gespecialiseerd waren in ondervoede kinderen. Dat was wel oké, antwoordde ze, de kinderen hadden gewoon een schone en rustige plek nodig, waar ze goed te eten kregen. Zo begonnen wij.’

    Constance Milech (54), verpleegster bij Serving His Children: ‘Er waren al snel heel veel kinderen. Renee kon zich niet met allemaal bezighouden. Na een poosje begonnen wij met artsen te werken. Ze bekeken het resultaat van ons werk en schreven op welke medicamenten een kind nodig had.’ Als je spreekt met Milech en anderen die indertijd met Renee Bach hebben gewerkt, krijg je de indruk dat het team van Serving His Children onder een voortdurende overbelasting heeft gewerkt. Alsof de vraag of iemand bevoegd was om een infuus aan te leggen nooit was opgekomen omdat er iedere dag te veel infusen aangelegd moesten worden. Iedereen die daar was, hielp. En Renee Bach, de leidinggevende, was er meestal.

    De verantwoordelijke kinderarts in het Nalufenya kinderziekenhuis in Jinja (anoniem): ‘Onze openbare ziekenhuizen zijn volkomen overbelast en hebben gebrek aan alles. Daar is alleen plaats voor zwaar ondervoede kinderen en zodra het ze wat beter gaat worden ze weggestuurd om plaats te maken. Dat is een leemte in het systeem en die heeft Renee Bach hier in Jinja opgevuld.’ Constance Milech is sinds 2010 in dienst bij Serving His Children. Kort daarvoor had ze ontslag genomen in een ziekenhuis in Jinja; de stress was haar teveel geworden.

    De verantwoordelijke kinderarts in het Nalufenya-kinderziekenhuis in Jinja (anoniem): ‘Bach kwam in een vicieuze cirkel terecht. Ons zorgpersoneel is onderbetaald en overwerkt. Patiënten lijden aan de ziekte armoede. Er is veel hartstocht voor nodig om je daarmee in te laten.’

    ‘In openbare ziekenhuizen is alleen plaats voor zwaar ondervoede kinderen en zodra het ze wat beter gaat worden ze weggestuurd om plaats te maken. Dat is een leemte in het systeem en die heeft Renee Bach hier in Jinja opgevuld’

    Constance Milech, verpleegster bij Serving His Children: ‘Soms brachten moeders kinderen in kritieke toestand rechtstreeks naar ons, en niet naar een hospitaal. Die verwezen wij naar het ziekenhuis. Maar voor het transport moesten wij ze een beetje stabiliseren. En in die procedure zijn er meerdere gestorven.’

    Renee Bach:‘Tot maart 2015 heb ik nooit iets gemerkt van argwaan jegens mij. Op die dag kwam de medewerker van de Autoriteit Gezondheidszorg. Hij zwaaide met een papier en riep dat ik me als arts uitgaf, dat ik 800 kinderen had gedood, dat mijn instelling geen vergunning had en geen medisch personeel. Hij gaf mij een officieel document waarin stond dat iedereen die zich na 17 uur op het terrein zou bevinden, gearresteerd zou worden. Er waren 18 kinderen bij ons. Drie in kritieke toestand. Twee hadden zuurstoftoevoer nodig, een pasgeborene woog minder dan een kilo. De moeders gingen voor mij op de knieën. Ik wilde ze niet wegsturen, maar op dat moment dacht ik dat ik geen keus had.

    Wij brachten de kinderen naar het ziekenhuis. Later hoorde ik dat de man van de Autoriteit onze post helemaal niet had mogen sluiten, hij had een politiebevel nodig gehad. Ik heb mezelf zoveel verwijten gemaakt! Acht van de 18 kinderen zijn binnen 72 uur gestorven.’ Een week later gaf de Autoriteit Gezondheidszorg Bach toestemming om haar instelling weer te openen. Enige voorwaarde: ze moest de vergunning als Health unit verlengen. In 2014 had Bach deze licentie voor het eerst aangevraagd. Tot dan toe stond slechts een ‘revalidatiecentrum’ geregistreerd. Veel moeders van kinderen die daar zijn gestorven zeggen dat ze de instelling aanzagen voor een kliniek, maar in de brief van de Autoriteit na de tussentijdse sluiting van Bachs instelling heet het dat er geen bewijs is gevonden dat Bach zich uitgaf als arts.

    De verantwoordelijke kinderarts van het Nalufenya-kinderziekenhuis in Jinja zegt: ‘Wij zouden haar nog goed kunnen gebruiken. Om mensen te adviseren over voedingsvraagstukken en eten uit te delen hoef je niet per se een medische opleiding te hebben.’

    Renee Bach: ‘Het nieuws dat mijn instelling was gesloten ging in 2015 in Jinja heel snel rond. Ik ontdekte wie er achter de beschuldigingen zat: Kelsey Nielsen. Ik wist dat ze mij niet erg mocht. Ongeveer een jaar eerder was in haar centrum een jongen gestorven en ze hield mij verantwoordelijk voor zijn dood, omdat hij twee maanden eerder bij ons was geweest. Een paar mannen uit de ouderlingenraad van de kerk waar ik destijds lid van was, boden aan tussen ons te bemiddelen. Ze zeiden dat het niets zou opleveren als ik rechtstreeks met Kelsey zou spreken, ze was woedend. De mannen bedoelden het goed, maar ze vreesden ook dat ze eveneens slachtoffer van zulke aanvallen zouden kunnen worden. Alle witten in Jinja waren onzeker geworden en bang om partij te kiezen. In het begin dacht ik dat de zaak na een paar weken zou zijn opgelost. Maar het werd een eindeloze kwelling en deze vrouw maakte het steeds gekker. De andere missionarissen raadden ons aan onze instelling pas weer te openen als we het conflict hadden bijgelegd. Dus besloten wij een pauze in te lassen en de tijd te benutten om onze missie te overdenken.

    We hadden altijd zoveel te doen gehad dat we er helemaal niet aan toe waren gekomen om eens even te stoppen en ons af te vragen: hoe kunnen we effectiever werken? Heeft ons werk duurzaam effect? Het werd mij duidelijk dat er dingen misgegaan waren. Onze hoop dat de ouders van onze patiënten in hun dorpen informatie zouden geven over de ware oorzaken van de ondervoeding, was niet in vervulling gegaan. Ze vertelden de andere getroffen families niet dat ze zelf iets konden doen. Wanneer ze aan een kind de symptomen ontdekten, stuurden ze de ouders in plaats daarvan direct naar ons in Jinja toe.’

    Verinnerlijkt

    Wendy Lubega (27), medewerkster van de campagne @Nowhitesaviors: ‘In Oeganda wordt nog altijd onderwijs gegeven met een koloniaal leerplan! Wij leren dat de Britten kwamen om ons te redden. Het schoolsysteem in Oeganda voedt ons op tot de overtuiging dat wij zwarten slechter en minder bekwaam zijn dan de witten. Wij hebben de onderdrukking verinnerlijkt. Wij denken dat het normaal is dat wij minder zijn dan de witten. Veel mensen kunnen het zich helemaal niet veroorloven om vragen te stellen bij het gedrag van de witten. Die brengen immers het geld.’

    Wendy Lubega, wier vader een steenbakkerij bezit en die ethiek en mensenrechten studeert, werkte in een café in Kampala waar Kelsey Nielsen en Olivia Alaso elkaar vaak troffen. Toen ze ontdekte dat die twee achter het Instagramaccount zaten, vertelde ze hun dat ze aanhanger was en de vrouwen vroegen haar of ze mee wilde doen.

    Renee Bach: ‘Een jaar nadat we ons centrum gesloten hadden, werden we gevraagd of we een afdeling voor ondervoede kinderen wilde inrichten in een klein gezondheidscentrum. In juni 2017 begonnen wij in Kigandalo patiënten op te nemen. Niet veel later overhandigden werknemers mij een brief. Ze klaagden dat wij hun niet goed behandelden, dat onze Amerikaanse medewerkers betere arbeidsvoorwaarden hadden en meer verdienden en dreigden dat er erge dingen zouden gebeuren als ik niet reageerde.

    Jinja is een populaire bestemming voor avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. – © Unsplash
    Jinja is een populaire bestemming voor avontuurlijke toeristen vanwege het reusachtige tropische woud, en voor vrijwilligers die hun diensten aanbieden vanwege de reusachtige ellende. – © Unsplash

    In de twee jaar na de sluiting hadden we hun het volledige salaris doorbetaald, hoewel ze maar een dag per week werkten: ze moesten boeren voorlichten over de oorzaken van ondervoeding. Ze waren aan het goede leven gewend geraakt. Dat kan ik wel begrijpen. Ik ben toen naar de ambtenaar voor arbeidsrechtelijke kwesties in Jinja gestapt. Die raadde me aan alle werknemers te ontslaan en een schadeloosstelling te betalen. Ik bood toen iedereen aan ze te helpen bij het zoeken van een baan. Ik dacht dat we goed uit elkaar waren gegaan.’

    Constance Milech, verpleegster bij Serving His Children: ‘Sinds 2015 gingen die geruchten over Renee rond. Maar pas nadat de anderen zich van ons hadden afgewend, werd het een grote kwestie. Ook zij begonnen Renee nu erge dingen te verwijten. Ze waren woedend omdat zij ze ontslagen had. Ze stuurden journalisten op ons af die ons ongevraagd filmden. Later zag ik beelden van mij op tv, waarbij een stem verklaarde: ‘Renee laat op haar afdeling nog steeds ongekwalificeerd personeel werken.’ Dat was heel pijnlijk om te zien. Ik heb lang gestudeerd, ik ben verpleegkundige en vroedvrouw, en elk jaar vernieuw ik mijn beroepsvergunning.’

    Renee Bach: ‘Een vriendin liet mij in juli 2018 het Instagramaccount Nowhitesaviors zien. Ze hadden beelden gepubliceerd van een vriendin van ons, een Amerikaanse, die net een baby had geadopteerd. Ze schreven dat het voor Afrikaanse kinderen niet gezond was om op te groeien in een witte familie. Kort daarop verscheen de eerste post over mij. Ik stuitte plotseling overal op Kelsey en Olivia, op de gekste plekken. Ik kocht een keer iets in een van de vele kleine kunstnijverheidswinkeltjes aan de hoofdstraat, toen Kelsey uitgerekend dit winkeltje binnenkwam. Na de posts op Nowhitesaviors begonnen mensen op het internet doodsbedreigingen tegen mij uit te spreken.’ In 2015 heeft Renee Bach haar eerste dochter geadopteerd; Selah uit Oeganda is nu elf jaar. Toen in de herfst van 2018 voor het eerst een foto van Bach opdook op het @nowhitesaviors account, plande Bach juist de adoptie van haar tweede dochter in de VS. In oktober 2018 wilde Bach daarvoor naar huis vliegen.

    Lauri Bach, haar moeder: ‘Tussen de posts over Renee ontdekten we op een avond alarmerende commentaren: wij nemen de zaken zelf ter hand. Wij weten waar ze woont. Wij weten haar te vinden. Zulke dingen. Toen heeft mijn man Renee opgebeld en gezegd: je moet meteen naar huis komen!’

    ‘Onze jongen, die had kunnen werken en ons had kunnen ondersteunen, is dood’

    Renee Bach: ‘Het was negen uur ’s avonds. Mijn dochter zat juist met vrienden in de tuin te eten en een vriendin met liefdesverdriet lag uit te huilen op mijn bed. Eerst probeerde ik mijn vader gerust te stellen, maar toen werd ik zelf bang. Ik boekte onze tickets voor de herfst om naar de volgende ochtend. Nog voor zonsopgang verlieten we het huis richting vliegveld.’

    Jane Amali (29) boerin: ‘Kort nadat ik in het nieuws de berichten over Renee had gezien, werd ik bezocht door twee van haar voormalige medewerkers, samen met twee advocates. Ze drongen erop aan dat ik bekend zou maken wat ik had gezien. Ze wilden dat ik zou zeggen dat Renee kinderen doodde, dat ze mijn dochter verminkt had. Ik was heel verrast. Tante Renee heeft Patricia altijd geholpen. Ik zei: ik ga niet liegen! Later hebben mensen mijn dorpshoofd geld gegeven om te zeggen dat die vrouw een moordenares is.’

    Feit is dat Jane Amali’s dochter Patricia, nu negen jaar oud, in oktober 2011 bij Serving His Children in Jinja werd opgenomen. Op haar rechterwang draagt Patricia een groot litteken. Voormalige werknemers van Renee Bach verklaren dat dit het resultaat is van mislukte behandelingen van Renee Bach persoonlijk. Een bloedtransfusie waarvoor ze niet de (verplichte) toestemming van de familie zou hebben gevraagd, zou misgegaan zijn. Maar Jane Amali zegt dat de fout bij de behandeling in een ziekenhuis in Kampali is gebeurd.

    Jane Amali: ‘Ik heb nooit gezien dat Renee ook maar de geringste fout heeft gemaakt. Ze heeft geen injecties gegeven en geen slangen aangebracht, dat hebben verpleegsters gedaan. Renee heeft ons alleen naar het ziekenhuis gereden en alle behandelingen en medicamenten betaald die mijn dochter nodig had.’

    Hoe geloofwaardig zijn de uitspraken van Jane Amali die niets kwaads van Renee Bach wil horen? Op haar blog Serving His Children in Oeganda publiceerde Renee Bach op 28 oktober 2011 een bijdrage over Amali’s dochter Patricia: ‘Ik diende de baby zuurstof toe, legde een intraveneus infuus aan, controleerde haar bloedsuiker, testte haar op malaria.’ Bach schrijft weliswaar niet over een bloedtransfusie, die haar voormalige medewerkers haar verwijten, maar ze heeft Patricia dus inderdaad rechtstreeks behandeld. Ze verklaart daarover dat Patricia op een zondag in haar centrum was aangekomen, toen er slechts een noodbezetting aanwezig was; daarom moest ze zelf komen. Maar ook in zulke situaties zou ze zich niet als arts hebben voorgedaan. Hoe ze zich in zulke situaties dan wel presenteerde en of de moeders van de door haar behandelde kinderen de indruk moesten krijgen dat zij een arts was, is waarschijnlijk niet meer te achterhalen.

    Karaktermoord

    David Gibbs III, advocaat van Serving His Children en een van de invloedrijkste evangelicals in de VS: ‘De mensen achter @Nowhitesaviors zijn voor mij karaktermoordenaars. Ik wil verhinderen dat hun aanvallen mensen ervan weerhouden om hulp te verlenen. Uiteindelijk brengen deze mensen schade toe aan de behoeftigen van de wereld, degenen die profiteren van de hulp van organisaties als Serving His Children. Ze doen juist diegenen pijn die ze voorgeven te helpen. Ze verscherpen het racisme. Ze laten de wereld geloven dat de mensen in Oeganda te dom zijn om in te zien dat Renee Bach geen arts is.’

    Lauri Bach, de moeder: ‘Sinds de berichten in de media krijgen we nauwelijks nog donaties. Driekwart van ons budget haalden we op via sociale media. Daar kunnen we niets meer over ons werk publiceren, we worden meteen aangevallen. Het is nog net voldoende om onze werknemers in Kigandalo de verzorging van ondervoede kinderen te laten voortzetten. Maar we kunnen onze medewerkers nog maar twee in plaats van drie maaltijden per dag bieden en ze geen reiskosten meer vergoeden. Renee en ik hebben al meer dan een jaar geen salaris meer gekregen.’

    De eerste tijd terug thuis leefden Renee Bach en haar geadopteerde dochter op de boerderij bij haar ouders. Een half jaar geleden, zegt Renee Bach, zijn ze drie kilometer verderop gaan wonen, in de uitgebouwde garage van een bejaarde vriendin van de familie. Bach betaalt geen huur maar zorgt elke middag, als de verzorgster pauzeert, voor de 95-jarige. Een baan heeft ze niet gevonden. In de zomer van verleden jaar had ze bijna een baantje in een tehuis voor daklozen gekregen. Maar na nieuwe berichten in de media had het tehuis niets meer van zich laten horen.

    De mediatie buiten de rechter om zal eind maart zoals te voorzien is mislukken. Advocaat David Gibbs verklaart dat de Bachs het lot van de moeders zeer betreuren, maar geen schadeloosstelling zullen betalen, noch een verontschuldiging uitspreken. Ze zouden immers geen fouten gemaakt hebben.

    Renee Bach: ‘Ik hoop dat ik ooit nog eens de diepere zin van deze geschiedenis zal begrijpen, dat ik uiteindelijk meer kan meevoelen en me beter in de levensomstandigheden van anderen kan verplaatsen. Andersom wens ik dat ook. Ik verwacht niet dat wie dan ook mij als een engel beschouwt. Ik ben gewoon een mens.’

    Oegandese moeders krijgen les over gezonde voeding. © Stephan Gladieu / World Bank / CC
    Oegandese moeders krijgen les over gezonde voeding. © Stephan Gladieu / World Bank / CC

    Ziriya Namutamba, de boerin: ‘Ik verwacht een schadeloosstelling. Onze jongen, die had kunnen werken en ons had kunnen ondersteunen, is dood.’

    Peter Waiswa, arts en professor gezondheidsmanagement in Kampala: ‘Ik weet zeker dat ze wilde helpen. Mogelijk zouden die baby’s toch gestorven zijn. De sterftecijfers van kinderen met ondervoeding zijn bij ons heel hoog. Bach schijnt van haar fouten geleerd te hebben. In Kigandalo levert haar organisatie goed werk. En toch doen zich daar onder omstandigheden ook sterfgevallen voor. Voor mij is de belangrijkste les uit deze zaak: buitenlanders die naar ons toe komen, moeten weten dat de tijden veranderen. De mensen kennen tegenwoordig de wet, ze volgen wat er in de sociale media gebeurt, ze zijn zich duidelijk meer bewust van veel dingen dan vroegere generaties. Je moet erg oppassen, controleerbaar werken en je aan de regels houden.’

    Primah Kwagala, advocate: ‘Het is een strategische zaak. Het gaat niet alleen om de moeders, het gaat om de strijd tegen racisme. Dit geval kan de samenleving wakkerschudden.’

    Wendy Lubega, medewerkster van de campagne @Nowhitesaviors: ‘Wie wil helpen, moet eerst luisteren. Je mag niet denken dat je al weet wat het beste is voor de mensen die je wilt helpen. Ze weten zelf het beste hoe ze hun problemen kunnen oplossen. Ze hebben ondersteuning nodig om hun eigen ideeën te verwerkelijken en initiatieven van de grond te krijgen.’

    Wake-up call

    Primah Kwagala, advocate: ‘Als er een witte komt, geloven wij automatisch dat die vooruitgang brengt. Deze zaak is een wake-up call. We mogen ons niet meer laten beheersen.’

    Wendy Lubega, medewerkster van de campagne #Nowhitesaviors: ‘Witten moeten ook van de zwarte mensen willen leren. De wereld wordt alleen rechtvaardiger wanneer we de individuele mens achter het stereotype zien.’

    In wezen lijkt het in het proces dat op 2 april in afwezigheid van Renee Bach zal beginnen niet zozeer te gaan om de vraag of Bach haar bevoegdheden te buiten is gegaan en of de moeders een schadeloosstelling moeten krijgen. De zaak is veeleer een aantasting van het systeem dat Bach en de moeders beiden belichamen. Een systeem waarin witte mensen menen de wereld te moeten redden en zwarten dat niet ter discussie stellen. Waarin een witte die zich bekommert om zwarte kinderen automatisch competent lijkt. En waarin kinderen van zwarte families niet als patiënten maar als slachtoffers worden behandeld. Een systeem dat de akelige omstandigheden in landen als Oeganda echter niet verandert.

    Veronica Frenzel en Anne Ackermann, de verslaggeefster en de fotografe, hadden een wagen met vierwielaandrijving gehuurd, maar bleven op hun ritten naar de betreffende families desondanks meermalen in de modder steken. Toen ze de weg zochten naar Twalali’s grootmoeder vroeg een boer met een blik op de twee vrouwen aan hun tolk Jolley Semei: ‘Komen die geld brengen?’

    Ngo’s in Oeganda

    Sinds 1989 werden meer dan 14000 hulporganisaties in Oeganda aangemeld.

    In de zomer van 2019 heeft de Oegandese regering alle hulporganisaties verzocht hun registratie te vernieuwen. Het grootste deel ervan was helemaal niet meer actief; iets meer dan 3000 organisaties gaven gehoor aan het verzoek.

    2000 organisaties hebben aan de formele verplichtingen voldaan, 400 daarvan zijn in het buitenland gevestigd. Het Oegandese ministerie van Binnenlandse Zaken laat weten dat de regering zo het werk van de ngo’s beter wil controleren.

    De advocate Primah Kwagala interpreteert het verzoek om hernieuwde registratie als een reactie op de aanklacht tegen Renee Bach en Serving His Children. Maar mensenrechtenactivisten klagen ook dat de registratie-actie onwelgevallige ngo’s moet tegenhouden, bijvoorbeeld die welke zich inzetten voor LHBTI-rechten of die welke het werk van de regering bekritiseren.

    Advocaten van Renee Bach hebben inmiddels een schikking getroffen zonder aansprakelijkheid toe te geven. Haar organisatie Serving His Children zal volgens het vonnis de moeders achtduizend euro betalen.

    Auteur: Veronica Frenzel

    Süddeutsche Zeitung Magazin
    Duitsland | weekblad | oplage 494.544

    Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.

  • Wereldbeeld: Boerenwelzijn

    Wereldbeeld: Boerenwelzijn

    Ook in India protesteren boeren tegen de landbouwhervormingen. De regering van premier Modi wil af van de vastgestelde garantieprijzen voor graan en rijst. Het zou meer mogelijkheden moeten bieden om producten te verkopen, maar de boeren zijn bang dat zij zo een speelbal worden van de vrije markt. Tijdens het Kisan Kalyan of ‘Boerenwelzijnevenement’, keken duizenden boeren, hindoes, sikhs en moslims naar een toespraak van de premier, die zei dat politieke partijen boeren niet moeten misleiden over de nieuwe hervormingen. Bijna alle oppositiepartijen steunen de protesten, al was het alleen maar om de hindoenationalistische regering dwars te zitten.

    © Epa / Sanjeev Gupta
    © Epa / Sanjeev Gupta
  • Wereldnieuws | Nummer 191

    Wereldnieuws | Nummer 191

    Actuele gebeurtenissen wereldwijd, in woord, beeld en citaat.

    © Still van lokale zender
    © Still van lokale zender

    PERU | Peruaanse landarbeiders eisen hogere lonen

    Bij protesten door werknemers van landbouwexportbedrijven in Peru, begin december, viel een dode en strandden honderden bussen en vrachtwagens met vers voedsel door wegblokkades. Die demonstraties stopten nadat het Congres besloot een oude landbouwwet in te trekken. Landarbeiders vonden dat die wet grote landbouwbedrijven voortrok, waardoor hun dagloon op slechts 39 sol, 9 euro, uitkwam. Het Congres is er echter niet in geslaagd een consensus te bereiken over een nieuwe wet, die hogere basissalarissen zou betekenen. Daarom zijn honderden boeren nu opnieuw de straat op gegaan en is onder meer de Pan-Amerikaanse weg geblokkeerd.

    Na mijnbouw is agrarische export de afgelopen jaren de grootste bron van deviezen voor Peru geworden. Het land is ’s werelds grootste exporteur van bosbessen en is ook een belangrijke exporteur van druiven, asperges en avocado’s naar China, de VS en Europa.

    (MercoPress, Montevideo)

    spice and barley enter projects asia bangkok dezeen 2364 col hero

    THAILAND | Schuimend rotan

    In Bangkok werd in december een spectaculaire lounge geopend. In de Spice and Barley Riverside (uitzicht op rivier de Menam) rijzen spiraalvormige rotan sculpturen van tientallen meters hoog uit de grond. Handig om pijpen en ventilatieapparatuur achter te verbergen en een passende verwijzing naar het schuim van het assortiment Belgische bieren dat het restaurant serveert. Patrick Keane, de directeur van de Thaise firma, gebruikte 3D special effectssoftware om de vloeiende geometrische vormen te kunnen modelleren. Het goud op de constructies is een knipoog naar de royaal vergulde tempels in het land. Rotan, een soort liaan, is een duurzaam natuurproduct. Dit project heeft twee rotanfabrieken van sluiting gered.

    (360, Amsterdam)

    ZWEDEN | Zweden wijst deelname van Huawei aan 5G-netwerk af

    Bezorgd om mogelijke spionage door China liet Zweden in oktober weten het Chinese bedrijf Huawei uit te willen sluiten bij de aanleg van zijn 5G netwerk. Het leidde tot protesten op hoog niveau, maar recentelijk noemde het Zweedse Hof van Beroep het besluit terecht. Overigens namen onder meer Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Japan en Groot-Brittannië al eerder een soortgelijk besluit.Huawei geeft nog niet op en zegt nog de resultaten van een andere gerechtelijke procedure af te wachten. De Chinese ambassadeur in Stockholm liet ondertussen weten op ‘niet-discriminerende’ omstandigheden voor Chinese bedrijven in Zweden te hopen en wuifde zorgen over veiligheid weg. Hij heeft de Zweedse opinie echter tegen. In een opiniepeiling zei slechts 20 procent dat China welkom is bij de aanleg van Zweedse 5G infrastructuur. Mensenrechten en democratische hervormingen in China moeten daarentegen de hoogste beleidsprioriteit zijn, vindt 82 procent.(SCMP, Hongkong)

    © AP /Domenico Stinellis
    © AP /Domenico Stinellis

    ITALIË | Ophef in de WHO om Italië

    Francesco Zambon, Italiaans epidemioloog en veldcoördinator van de Wereldgezond- heidsorganisatie WHO in Italië tijdens de eerste coronagolf, schreef in mei mee aan een WHO-rapport dat Italiës beleid onderzocht aan het begin van de pandemie. Bedoeld als voorbereiding voor andere landen veroorzaakte het rapport ophef met de conclusie dat Italië werkte met een verouderd pandemieplan. Daardoor waren de eerste maatregelen ‘geïmproviseerd, chaotisch en creatief’. De WHO trok het rapport onmiddellijk in, hetgeen leidde tot woede en suggesties dat de Italiaanse regering werd gespaard. Zambon zegt dat hij onder druk is gezet door Ranieri Guerra, assistent-directeur-generaal bij de WHO en aanspreekpunt voor de Itali- aanse regering. Guerra wilde dat Zambon de opmerking dat Italië zijn pandemieplan sinds 2006 niet meer had bijgewerkt, zou ‘corrigeren’. Zambon weigerde en diende een interne ethische klacht in bij de WHO. Sindsdien is hij ‘professioneel geïsoleerd’, zegt hij, ook al volgde hij nauwgezet alle WHO-richtlijnen om wangedrag te melden.(AP News, Rome)

    VERENIGDE STATEN | Stormy Daniels wil casino Trump opblazen

    Eind januari zal een voormalig casino van Donald Trump in het Amerikaanse Atlantic City worden opgeblazen. Het Trump Plaza-casino, dat opende in 1984, werd in 2014 gesloten en raakte in zo’n staat van verval dat sloop noodzakelijk werd. Eerder dit jaar begonnen de eerste sloopwerkzaamheden en op 29 januari 2021 wordt het resterende deel van het complex opgeblazen. Burgemeester Marty Small wil de sloop van deze plek gebruiken om geld in te zamelen voor een goed doel. Daarom is nu een inzamelingsactie gestart voor de Boys & Girls Club van Atlantic City, die voorziet in recreatie-, onderwijs- en loopbaanprogramma’s voor kinderen en tieners uit de stad. De burgemeester hoopt met de actie meer dan 1 miljoen dollar op te halen.Een professioneel bedrijf begeleidt een veiling die de hoogste bieder het recht geeft om in januari op de knop te mogen drukken. Die hoogste bieder zou wel eens Stormy Daniels kunnen zijn, de pornoster die werd betaald om te zwijgen over haar ontmoetingen met Trump. Op de site GoFundMe is daartoe een campagne gelanceerd. ‘Help geld in te zamelen om Stormy Daniels Trump Plaza op te laten blazen,’ aldus ene Bedell op de campagnepagina. ‘Ik woon zelf in St. Louis maar zal Stormy nomineren om de sloop te voltooien als we winnen. Ze heeft interesse getoond!’ Op Twitter liet Daniels weten inderdaad tot de actie bereid te zijn: ‘Ik wil het echt doen … en we weten allemaal dat ik goed ben in het indrukken van knoppen. LOL #teamstormy.’ Op 19 januari wordt de winnaar van de veiling bekendgemaakt.(NJ.com, New Jersey)

     © Unsplash
    © Unsplash

    AZIË | Miljoenen klimaatvluchtelingen verwacht

    Door klimaatverandering werden al ruim 18 miljoen mensen in Zuidoost-Azië gedwongen te migreren. Dat aantal zal meer dan verdrievoudigen als de opwarming van de aarde met de huidige snelheid doorzet, zo waarschuwen ActionAid International en Climate Action Network South Asia in een rapport. Binnen dertig jaar zullen zo’n 63 miljoen mensen in de regio uit hun huizen worden verdreven doordat de stijgende zeespiegel complete dorpen opslokt of omdat gewassen verdorren door aanhoudende droogte. Het grootste aantal mensen zal in 2050 migreren binnen India, naar schatting ruim 45 miljoen. De sterkste stijging van klimaatmigranten staat Bangladesh te wachten, waar een zevenvoudige toename wordt verwacht. Volgens Harjeet Singh van ActionAid zijn dit conservatieve schattingen, want gedwongen migratie door plotselinge rampen als overstromingen en wervelstormen is niet ingecalculeerd.Singh voorspelt ‘catastrofale’ situaties. Veel mensen zullen in stedelijke sloppenwijken terechtkomen, die vaak ook kwetsbaar zijn voor overstromingen en waar de kansen op bestaanszekerheid beperkt zijn. ‘Beleidsmakers in het rijke Noorden en het Zuiden realiseren zich de omvang van het probleem niet,’ aldus Singh. Hij dringt er bij rijke landen op aan om hun inspanningen te verdubbelen om hun CO2-uitstoot te verminderen. Daarnaast zullen ze meer financiering moeten verstrekken aan Zuid-Aziatische landen om zich verder te kunnen ontwikkelen met schone energie en zich te kunnen aanpassen aan nieuwe klimatologische omstandigheden. Als regeringen wereldwijd het overeengekomen doel halen om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden, kan het aantal mensen dat dreigt te worden verdreven in India, Bangladesh, Pakistan, Sri Lanka en Nepal, halveren in 2050.(Thomson Reuters Foundation, Barcelona)

    WAT ZIJ ZEGGEN OVER… 2021

    Joe Grady redacteur The Irish Mirror

    Hoe je het ook bekijkt, 2021 wordt een jaar van enorme veranderingen. Op dit eiland van ons zou dit het jaar moeten zijn waarin we gedurfde stappen zetten op weg naar hereniging. Dit wordt het jaar om een serieus gesprek te beginnen over een Ierland met 32 county’s. Want de Britten staan op het punt uit de EU te crashen, de Schotten kijken uit naar een nieuw onafhankelijkheidsreferendum en het lijkt erop dat veel unionisten in het noorden eindelijk zien hoe volkomen nutteloos hun leiders zijn.’

    Donata Riedel economieredacteur Handelsblatt

    2021 wordt het jaar van de hausse. Als de winter voorbij is en massale vaccinaties beginnen, zal de economische opleving niet langer worden vertraagd. Duitsland wordt nu geconfronteerd met een winter van aanhoudende lockdowns. Ze vertragen het begin van de economisch opleving, maar voorkomen die niet. Dat kan alleen maar door virusmutaties waartegen de nieuwe vaccins niet effectief zijn. In dat, maar dan ook alleen in dat geval worden Duitsland en de rest van de wereld daadwerkelijk bedreigd door een lange en diepe recessie.’

    Wajahat Ali columnist The New York Times

    Als ik vrienden hoor over hoe het nieuwe jaar en het presidentschap van Joe Biden onze collectieve gebeden zullen beantwoorden en ons collectief zullen reinigen van de niet-aflatende pijn en ellende in 2020, kan ik niet anders dan sceptisch zijn. Als we willen dat 2021 beter wordt, zullen we het zelf moeten doen. Laten we ons voornemen om in 2021 te vechten voor wetenschap, feiten, democratie en mededogen en om alles te herstellen wat in 2020 verloren is gegaan. Na zo’n jaar wordt 2022, misschien – heel misschien, beter.’

    Heather Mallick columnist Toronto StarZeg “compassie”. Sinds 2016 fluister ik dit tegen mezelf voordat ik aan een column begin. Het beschermt, soms tevergeefs, tegen het neerhalen van anderen. In 2020 liep het uit de hand. Voortdurend gedroe- gen mensen zich opzettelijk slecht, weigerden ze een mondkapje te dragen, werd winkelpersoneel lastiggevallen. We zullen allemaal betere mensen zijn in 2021, want eerlijk gezegd hebben velen van ons zich in 2020 zo slecht gedragen dat de enige weg nog omhoog is. 2021 wordt het jaar waarin we allemaal wijzere, zachtere mensen werden.’

  • Autonomie

    Autonomie

    Missionarissen die het woord zo veel mogelijk willen verspreiden en tegelijkertijd een helpende hand uitsteken, worden niet meer zo vriendelijk ontvangen op het Afrikaanse continent als voorheen. Deze ‘barmhartige’ tak van de katholieke kerk heeft lange tijd ongemoeid kunnen opereren, omdat men ervan uitging dat een missionaris niets anders in de zin heeft dan naastenliefde. Voor de meeste is dat vast zo, laten we daar gemakshalve van uitgaan. Toch werd twee jaar geleden een organisatie in het leven geroepen die dit heilige huisje omverwierp.

    ‘We zijn het zat om genegeerd te worden,’ schrijven de oprichters van de site van No White Saviours. En zij waren blijkbaar niet de enige die gehoord wilden worden over de misstanden in het ontwikkelingswerk. In een mum van tijd telde de beweging tweehonderdduizend sympathisanten. Niet dat hulp overbodig zou zijn geworden, integendeel, alleen de schrijver Teju Cole begon er in 2012 al over.

    Snoeihard veroordeelde hij de volgens hem snelst groeiende industrie van wat hij het wittereddercomplex noemde. Reddende witte ridders die voornamelijk hun eigen emotionele behoefte aan het bevredigen zijn. Belangrijker is dat westerse steun uitgaat van de autonomie en kracht van degene die geholpen moet worden, in plaats van de eigen zo te applaudisseren hulpbereidheid. Of Renee Bach medische kennis via Gods ondoorgrondelijke wegen heeft doorgekregen, zonder daar ooit voor geleerd te hebben, weet niemand. Het ligt ingewikkelder.

    De partijen die haar aanklaagden stellen de achteraf moeilijk te beantwoorden vraag of zij hun kinderen wel aan haar organisatie Serving His Children (SHC) zouden hebben toevertrouwd als zij geweten hadden dat Bach de eed van Hippocrates nooit heeft afgelegd. Het draaide uit op een schikking. Met een belangrijke voetnoot waarin nadrukkelijk staat vermeld dat de organisatie geen aansprakelijkheid op zich neemt maar in overeenstemming met de families bereid is financiële steun te betalen.

    Belangrijker is dat westerse steun uitgaat van de autonomie en kracht van degene die geholpen moet worden, in plaats van de eigen zo te applaudisseren hulpbereidheid

    Misschien is dat meteen ook de beste vorm van ontwikkelingshulp. Met contant geld kan de ontvanger zelf beslissen wat het hardst nodig is.

    De ontvangers van cash besteden het geld vaak heel anders dan traditionele hulporganisaties, volgens de Cash Learning Partnership. Dat geldt, maar dan ietsje anders, bijvoorbeeld ook voor bedrijven in Nigeria die gerund worden door vrouwen. Van oudsher wordt er nauwelijks genderneutraal geïnvesteerd. Net zoals in het ontwikkelingswerk moet dat gebaseerd zijn op een aanname die niet meer van deze tijd is.

    Want, zo weten wij dankzij onderzoek naar de hersens van jongens en van meisjes, die verschillen niet significant. Het zijn de vooroordelen die stereotypen het meest beïnvloeden.

  • Hoe een ultrakatholiek netwerk wereldwijd de politieke besluitvorming beïnvloedt

    Hoe een ultrakatholiek netwerk wereldwijd de politieke besluitvorming beïnvloedt

    Wat verbindt een weelderig herenhuis in São Paulo, een majestueus kasteel in Frankrijk en een pand in de historische wijk Kazimierz in Krakau met elkaar? Het antwoord: TFP, een ultrakatholieke organisatie die wereldwijd steeds meer politieke invloed krijgt. Journalistiek collectief Vsquare deed een onthullend en onthutsend onderzoek.

    Diepgravend onderzoek van Vsquare

    Recentelijk publiceerde het onderzoeksjournalistieke collectief Vsquare, dat samenwerkt met media in de Visegradlanden Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije, de resultaten van een diepgravend onderzoek naar de financiering van extreemrechtse katholieke organisaties en hun politieke invloed wereldwijd.

    Het onderzoek van Vsquare richt zich op TFP en Ordo Iuris, naar eigen zeggen een Poolse stichting ‘die academici en beoefenaars van juridische beroepen samenbrengt met als doel een rechtscultuur te bevorderen die gebaseerd is op respect voor de menselijke waardigheid en rechten’.

    De stichting omarmt middeleeuwse tradities en steunt ultraconservatieve campagnes in Polen en daarbuiten. Ze richt zich vooral op de strijd tegen homoseksuele relaties, buitenechtelijke relaties, echtscheiding en abortus, maar ook voor een lobby tegen antidiscriminatieonderwijs op scholen draait de organisatie haar hand niet om.

    Ook subsidieert ze de rechts-katholieke organisatie Traditie, Familie, Privé-eigendom (TFP) in Brazilië en het Château du Jaglu in Frankrijk, de thuisbasis van een vooraanstaande TFP-activist.

    Ordo luris is inmiddels het Poolse rechtssysteem binnengedrongen met een meedogenloos streven om onder andere abortus onder alle omstandigheden te verbieden.

    Het is januari 2018. Tijdens de March for Life, een anti-abortusdemonstratie in Washington, wordt een grote vlag gedragen met daarop de kaart van Litouwen, zo schrijft Vsquare. Op de vlag is het logo te zien van een Litouwse organisatie die wordt gefinancierd met Pools geld. Hij is gedrukt door een Amerikaanse instelling, net als andere spandoeken die worden meegedragen met daarop teksten als: ‘Abortus is een klap in het gezicht van de liefhebbende Schepper’ of: ‘Nederland zegt NEE tegen abortus!’ Dat laatste exemplaar werd vervaardigd voor een Nederlandse organisatie die eveneens wordt gefinancierd met Pools geld en die onder toezicht staat van Braziliaanse oprichters.

    De ontstaansgeschiedenis van deze spandoeken weerspiegelt perfect de complexiteit van de beweging Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP), die wereldwijd een ultraconservatieve agenda voert.

    De TFP-beweging werd in de jaren zestig opgericht door Plinio Corrêa de Oliveira, een vrome katholiek en anticommunist. In de loop der jaren groeide TFP uit tot een wereldwijd netwerk van organisaties die ultraradicale katholieke waarden promoten en zich verzetten tegen homoseksuele relaties, echtscheiding, anticonceptie en het recht op abortus. Het TFP-netwerk bleek de afgelopen jaren bijzonder effectief in Centraal-Europa en in andere postcommunistische landen die tot 1989 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie.

    Vsquare: ‘Jarenlang was er weinig bekend over de financiële structuur van deze internationale beweging van katholieke radicalen. Uit ons onderzoek blijkt nu dat er financiële steun wordt geleverd vanuit het operationele en financiële centrum in Krakau. Dat hanteert een fondsenwervingsmodel gebaseerd op een concept dat in Brazilië werd ontwikkeld en later is uitgebreid in Frankrijk, en dat nu wordt toegepast in Centraal-Europese landen.’

    Ook volgens Victor Gama, historicus aan de Pauselijke Katholieke Universiteit in Brazilië, heeft TFP een internationaal netwerk van verenigingen opgezet. ‘In veel landen vinden mensen afbeeldingen van heiligen in hun brievenbus, met een schrijven waarin ze worden gevraagd geld te geven voor religieuze doeleinden. Ze denken dat ze lokale katholieke instellingen steunen, maar hun geld voedt de wereldwijde TFP. Dat geld wordt vervolgens doorgesluisd naar mensen die bij de beweging en het hoofdkantoor zijn betrokken, die vervolgens nieuwe leden werven, vooral jonge mensen,’ aldus Gama. 

    Het onderzoek van Vsquare legt voor het eerst het functioneren van dit netwerk van aan TFP gekoppelde organisaties bloot en licht per locatie de activiteiten van het netwerk toe.

    São Paulo

    Higienópolis is een van de welvarendste buurten van São Paulo, het financiële hart van Zuidoost-Brazilië en een favoriete hotspot voor lokale beroemdheden en politici. Het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut (IPCO) is gehuisvest in een charmant herenhuis dat wordt omgeven door exotische tuinen. Het terrein is alleen toegankelijk voor leden van de organisatie. Hoewel er alleen in het weekend een mis in de kapel wordt gehouden, horen de bewoners elke dag een bel die oproept tot gebed.

    Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden

    Voordat deze villa het hoofdkantoor van IPCO werd, diende het statige gebouw lange tijd als locatie voor bijeenkomsten van de Braziliaanse Vereniging voor de Verdediging van Traditie, Familie en Privé-eigendom (TFP).

    Toen TFP-oprichter Plinio Corrêa de Oliveira in 1995 overleed, kwamen de oude garde en ‘machtshongerige’ jongeren tegenover elkaar te staan. De ouderen vormden de Association of TFP Founders; zij richten zich nu op het uitbreiden van hun invloed in de Braziliaanse politiek. De jongeren, die zichzelf ‘Herauten van het Evangelie’ noemen, richten zich op religieuze activiteiten en hebben het recht verworven om zichzelf in Latijns-Amerika TFP te noemen, zodat ze Oliveira’s nalatenschap kunnen voortzetten.

    IPCO is de derde organisatie die ontstond als gevolg van de splitsing. Caio Xavier da Silveira is er de spilfiguur. ‘Help ons Brazilië bevrijden van abortus, de homoseksuele agenda en het communisme!’ is de boodschap die wordt gebruikt voor fondsenwerving. Het is een mannenclub, vrouwen kunnen er geen lid van worden.

    Hoewel de hoogtijdagen van de ultrakatholieke beweging in Brazilië voorbij zijn, is de invloed van de groeperingen er nog steeds groot. Zo heeft Dom Bertrand de Orléans e Bragança, een van de IPCO-directeuren, eenvoudig toegang tot kringen rond de Braziliaanse president Jair Bolsonaro, inclusief diens zoon Eduardo. Op de G20-top in juli 2019 citeerde Bolsonaro uitspraken van Dom Bertrand, die de klimaatverandering in twijfel trekt.

    Vsquare stelt vast dat de organisatie tussen 2004 en 2019 grotendeels kon blijven bestaan dankzij steun vanuit het Poolse Krakau.

    Krakau 

    Vsquare heeft de hand weten te leggen op een e-mail die Slawomir Olejniczak, medeoprichter van de Poolse tak van TFP, in mei 2019 schreef aan leden van TFP. Deze tak heet de Piotr Skarga Stichting en houdt hoofdkantoor in de historische wijk Kazimierz in Krakau. 

    ‘Beste heren, Salve Maria! Jarenlang hebben we, geleid door de goede wil en het vertrouwen van alle leden van de Stichting, op verzoek TFP-organisaties in Brazilië en vele andere landen financieel ondersteund. In totaal loopt onze financiële steun van de afgelopen jaren in de miljoenen euro’s. Dankzij deze steun zijn TFP-organisaties opgericht of verder ontwikkeld in landen als Australië, Estland, Kroatië, Slowakije, Litouwen, Nederland en Ecuador. In Polen hebben we het instituut Ordo Iuris en het pro-life Centrum voor Leven and Familie opgericht.’

    Deze laatste twee organisaties speelden volgens Vsquare een belangrijke rol in de pogingen om een vrijwel volledig abortusverbod in Polen in te voeren. De mail vermeldt verder nog financiering van TFP-activiteiten in Canada en Zuid-Afrika.

    Machtsstrijd

    Vsquare stelt vast dat de mail van Olejniczak alles te maken heeft met een machtsstrijd binnen de mondiale miljoenenorganisatie. Olejniczak was net door de raad van toezicht ontslagen uit het bestuur van de Poolse Skarga Stichting. Voorzitter van de raad is de eerdergenoemde Braziliaan Caio da Silveira: oprichter en sleutelfiguur van de TFP-beweging in Europa en tevens hoofd van de Franse Fédération Pro Europa Christiana. Da Silveira had Olejniczak opdracht gegeven om toezicht te houden op de ontwikkeling van de beweging in Polen en Centraal-Europa. 

    De vete tussen Olejniczak en Caio da Silveira begon na conflicten over geld en andere activa omtrent de Skarga Stichting, die gaandeweg de financieringsbron werd voor het gehele netwerk van TFP-organisaties. Olejniczak verkondigde bijvoorbeeld: ‘De grootste last voor ons [de stichting] is de deelname aan de vaste kosten van het onderhoud van de organisaties in Brazilië en Frankrijk van 2004 tot nu. Dat betreft jaarlijks ongeveer 500.000 euro.’

    Vsquare heeft documenten in handen die suggereren dat Skarga tussen 2009 en 2019 meer dan 9,3 miljoen euro naar het buitenland heeft overgemaakt; geld dat afkomstig is van Poolse katholieken die gretig rozenkransen, afbeeldingen van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima, boeken, kalenders en andere ultrakatholieke parafernalia bestellen bij Skarga. Dit ‘bedrijfsmodel’, dat ook in veel andere landen is overgenomen van het TFP-netwerk, bleek bijzonder lucratief in het katholieke Polen. 

    Frankrijk en België

    Een niet onaanzienlijk deel van het geld uit Polen belandt in Château du Jaglu, bij de eerdergenoemde Caio da Silveira, die met een aantal geloofsgenoten op het kasteel woont en van daaruit toezicht houdt op de activiteiten van organisaties in heel Europa. ‘Frankrijk was de eerste plek in Europa waar TFP zich vestigde’, aldus het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ van het Europees Parlementair Forum voor seksuele en reproductieve rechten (EPF), dat eerder dit jaar verscheen. ‘Dit land diende als basis van waaruit TFP zich kon verspreiden naar andere Europese landen; zo werden satellietorganisaties gecreëerd in Duitsland, Oostenrijk en Polen.’ 

    De jaren negentig waren de gouden jaren voor TFP in Frankrijk. De Franse tak van TFP begon grootschalige mailcampagnes om donaties van leden van de katholieke kerk in te zamelen. Politici werden bestookt met brieven. In 1997 leidden dergelijke inspanningen ertoe dat sponsors van de Gay Pride hun steun introkken.

    In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen

    De tienduizenden verzoeken om donaties deden ondertussen bij de autoriteiten de alarmbellen rinkelen. In 1995 nam een parlementaire onderzoekscommissie TFP op in een register van sekteachtige bewegingen. Tussen 1999 en 2006 probeerden onderzoekers van de commissie voor sekten herhaaldelijk de werkelijke omvang en het doel van de fondsenwervingsactiviteiten van de organisatie vast te stellen, maar zonder succes. 

    Terwijl de Franse autoriteiten TFP probeerden aan te pakken, breidde de beweging haar internationale activiteiten en financieringsbronnen alleen maar verder uit. Zo werd ze onafhankelijk van lokale Franse donoren. En in de eerste jaren van deze eeuw was TFP niet langer alleen actief in Frankrijk, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Polen en Portugal. Daar werden allerlei religieuze campagnes gevoerd en christelijke verenigingen of anti-abortusgroepen opgericht. 

    Een nieuwe generatie

    Het Château du Jaglu is niet het enige eigendom van de organisatie. Het officiële hoofdkantoor van Fédération Pro Europa Christiana is Villa Notre-Dame de la Clairière in Creutzwald, een landgoed in het oosten van Frankrijk, met een park van 3,5 hectare. Daarnaast huurde de organisatie tot de zomer van 2019 ook een kantoor in Brussel voor lobbyactiviteiten bij EU-instellingen.

    Geld van de Skarga Stichting in Krakau is lange tijd gebruikt voor het ondersteunen van deze onderkomens en tientallen andere organisaties over de hele wereld, waarvan de meeste worden bestuurd door Da Silveira. Uit documenten die Vsquare in bezit heeft, blijkt dat tussen 2009 en 2019 meer dan 6,8 miljoen euro is overgemaakt aan organisaties die Da Silveira onder zijn hoede heeft. 

    TFP European Summer School

    In augustus 2020 kwamen TFP-leden uit Frankrijk, Italië, Nederland, Polen en Wit-Rusland naar Frankrijk voor de TFP European Summer School, die in de villa in Creutzwald werd georganiseerd. Caio da Silveira was nog steeds het middelpunt, maar de vraag is voor hoelang nog. Zijn oud-studenten uit Krakau lijken in de machtsstrijd met hem aan de winnende hand te zijn. Zij waren het die het nieuwe netwerk van ultrakatholieke organisaties bouwden, financierden en uiteindelijk overnamen, en zij oefenen steeds meer invloed uit op het beleid in Centraal-Europese samenlevingen.

    ‘Over het algemeen gaat de oude TFP in Frankrijk, Duitsland en Italië meer om geld verdienen dan om ideologie. Ze biedt financiële stabiliteit. Maar de nieuwe generatie die uit Polen komt, is erg ambitieus en professioneel,’ liet Neil Datta van het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ aan Vsquare weten.

    Die nieuwe generatie is bovendien zeer succesvol. Eind oktober werd door hun toedoen de weg naar legale abortus in Polen drastisch bemoeilijkt. Het Centraal-Europese netwerk is nu bezig zijn ultrachristelijke waarden te verdedigen bij het komende constitutionele referendum in Estland.

    Polen

    Aangestuurd door de Piotr Skarga Stichting uit Krakau is in Centraal-Europa een netwerk van organisaties ontstaan dat wordt gevoed met honderdduizenden euro’s van individuele donaties. Na de lancering van ultraconservatieve organisaties in Litouwen, Estland, Slowakije, Kroatië en Hongarije heeft de Poolse stichting haar fondsenwervingsmodel ook in deze landen geïmplementeerd. 

    Tegenwoordig is Centraal-Europa het belangrijkste slagveld voor TFP. De invloed van haar aanhangers, die middeleeuwse waarden terug willen brengen naar Europa, neemt gestaag toe.

    De Piotr Skarga Stichting werd in 2001 in Krakau opgericht om het christelijke geloof te verspreiden en om ‘traditionele’ waarden te verdedigen, geheel in lijn met de TFP-principes. De mannen erachter zijn Caio Xavier de Silveira, de Braziliaan die in Frankrijk woont, en Matthias von Gersdorff, een in Duitsland woonachtige Chileen. Beiden zijn nog altijd lid van de raad van toezicht van de stichting.

    De stichting ontstond twee jaar na de lancering van de Piotr Skarga Vereniging voor Christelijke Cultuur. Beide organisaties werden vanaf het begin geleid door drie studievrienden uit Krakau: Slawomir Olejniczak, Slawomir Skiba en Arkadiusz Stelmach. De oprichters uit Latijns-Amerika zorgden voor startfondsen en deelden kennis over effectieve campagnes waarmee geld kon worden ingezameld bij de katholieke gemeenschap in Polen.

    Bedrijfsmodel

    ‘Je kunt de wereld niet redden als je de huur niet kunt betalen.’ En: ‘De grootste kracht in de politiek is morele verontwaardiging.’ Als hij over fondsenwerving spreekt, verwijst Slawomir Olejniczak van de Piotr Skarga Stichting graag naar deze principes, die werden geformuleerd door de Amerikaan Morton Blackwell.

    Blackwell is een prominente Republikeinse politicus, die met zijn Leadership Institute trainingen verzorgt ‘voor campagnes, fondsenwerving, grassroots-organisaties, jeugdpolitiek en communicatie. Het instituut leert conservatieven van alle leeftijden hoe ze kunnen slagen in de politiek, bij de overheid en in de media’, aldus de website.

    Blackwell heeft inmiddels meer dan 220.000 conservatieven opgeleid in de VS en de rest van de wereld. Hij heeft goede contacten met de leiders van de Amerikaanse TFP via de Foundation for a Christian Civilization, de organisatie die de buitenlandse vlaggen en spandoeken voor de March for Life vervaardigde, en met de Braziliaanse oprichters van TFP. Volgens Benjamin Arthur Cowan van de University of California San Diego ‘werd Blackwell zelfs een soort van spil in de wereldwijde uitbreidingscampagne van de Braziliaanse TFP’. Op het Leadership Institute hebben diverse TFP-leiders, onder wie Caio da Silveira, Mathias von Gersdorff en Jose Ureta, lezingen gegeven en hun ervaringen gedeeld.

    De Skarga-groep uit Krakau nam het ‘bedrijfsmodel’ van het Leadership Institute (zie kader) over en ontwikkelde dit verder. Ook deze groep stuurt goedkope medaillons, bidprentjes met de afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima en andere heiligen, boeken en rozenkransen naar honderdduizenden mensen, voorzien van een smeekbede om donaties.

    Het succes van deze operatie zit hem vooral in de schaal. In de loop der jaren hebben pakketjes van de Skarga Stichting miljoenen huishoudens in heel Polen bereikt. Alleen al in 2018 heeft de Stichting meer dan 1 miljoen huis-aan-huisfolders en honderdduizenden enveloppen met kalenders, medailles en brochures verstuurd.

    Het levert jaarlijks zo’n 8,4 miljoen euro op. De Skarga-groep exploiteert inmiddels ook het tweemaandelijkse tijdschrift Polonia Christiana en de website PCH24.pl en financiert grote campagnes, zoals het recente protest tegen de toestemming die priesters kregen om gelovigen de communie in de hand te geven in plaats van in de mond, in verband met corona.

    Op basis van deze succesvolle operaties begon de Skarga Stichting de ultraconservatieve agenda ook buiten Polen te verspreiden. De groep zette een netwerk op van satellietorganisaties in Centraal-Europa, die werden gesteund met honderdduizenden euro’s. Uit documenten die Vsquare heeft geanalyseerd, blijkt dat het netwerk in 2017 uit veertig organisaties bestond die financieel werden bijgestaan door de Skarga Stichting. Bijna de helft van dat TFP-netwerk bevindt zich in Midden- en Oost-Europese landen als Litouwen, Estland, Slowakije, Hongarije en Kroatië.

    Litouwen

    Op 11 november 2020 loopt Šarunas Pusčius in de Litouwse stad Kaunas naar een standbeeld van Vytis, de ridder te paard die ook het wapen van Litouwen siert. Bij het standbeeld begint hij een toespraak waarin hij zijn steun uitspreekt voor de Poolse Onafhankelijkheidsmars, een jaarlijks evenement van Poolse nationalisten dat wordt gekenmerkt door gewelddadig machtsvertoon van extreemrechts.

    ‘Wij feliciteren u en laten u weten dat uw strijd, de strijd voor de katholieke beschaving, tegen de barbaren, tegen de liberaal-communisten die uw kerken verwoesten en uw ongeboren kinderen willen vermoorden (…) dat uw strijd, waarin u meer dan 200.000 handtekeningen verzamelde tegen homoparades in Polen, een aanmoediging is voor alle katholieke naties,’ aldus Pusčius.

    Met de oproep om in Polen een ‘katholieke contrarevolutie’ te beginnen presenteert Pusčius zich als de pr-manager van het Instituut voor Christelijke Cultuur (Krikščioniškosios Kulturos Institutas, KKI), een Litouwse ngo die is opgericht en wordt beheerd door de Skarga Stichting uit Krakau. In drie jaar tijd heeft Skarga meer dan 280.000 euro geïnvesteerd in uitbreiding in Litouwen. Zo werd onder meer een radicaal-rechts platform tegen de lhbti-gemeenschap gefinancierd en werd inkomen beschikbaar gesteld voor ten minste twee TFP-medewerkers, zo onthulde Vsquare.

    De definitie van ‘christelijke cultuur’ waarmee KKI zich op Facebook presenteert, gaat veel verder dan de gangbare begrippen. Naast herhaalde beweringen dat ‘liberaal-communistische barbaren’ Polen proberen over te nemen, verspreidt KKI complottheorieën over covid-19, roept het op tot een verbod op ‘homopropaganda’ en begon het zelfs een kruistocht tegen de ‘satanistische’ viering van Halloween.

    KKI drukte 18.000 brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan een deel onder Litouwse scholen werd verspreid

    KKI werd al in 2003 opgericht, maar kwam pas in beeld in 2018, toen het met de extreemrechtse Litouwse organisatie Pro Patria opriep tot protest tegen het nieuwe management van de nationale omroep van Litouwen. Een groep demonstranten verzamelde zich voor het hoofdkantoor van tv en beschuldigde de omroep van globalistische propaganda.

    Het personeelsbestand van KKI groeide schijnbaar uit het niets van drie naar zeven personen. De vier nieuw aangestelde ‘managers’ bleken allemaal banden te onderhouden met Pro Patria. Martynas Katelynas, een van de vier die in 2017 werden aangesteld, werd in 2019 gekozen in de gemeenteraad van het Litouwse stadje Varena.

    In 2018 verstrekte Skarga 115.000 euro aan KKI, in 2019 137.000 euro. KKI meldt in 2019 meer dan 91.000 euro aan salarissen te hebben uitbetaald, vijf keer zoveel als in 2017. Een deel van dat geld ging naar twee Braziliaanse medewerkers van TFP: Renato William Murta de Vasconcelos, die werkt als ‘hr-adviseur’, en Jorge Vicente Saidl, die is aangenomen als ‘pr-adviseur’. 

    Uit de financiële rapportage van KKI blijkt dat Skarga nog steeds de belangrijkste inkomstenbron is, maar dat donaties van particulieren significant zijn gestegen. In 2017 waren de inkomsten van KKI uit particuliere donaties nog onbeduidend, maar in 2018 bedroegen die al meer dan 15.000 euro en in 2019 werd een voorlopig record genoteerd van 58.000 euro. ‘We werken eraan om het aantal te verhogen; momenteel hebben we 18.000 donateurs,’ zegt Karols Stankevičius, het hoofd van KKI.

    KKI zegt in 2019 vijfduizend Fatima-rozenkransen te hebben ‘geschonken’ en achttienduizend ‘366 dagen met Maria’-kalenders te hebben verspreid. De organisatie drukte ook achttienduizend brochures met de titel ‘Waarom homoseksuele verbintenissen geen huwelijk zijn’, waarvan negenhonderd exemplaren aan niet nader genoemde Litouwse scholen werden uitgedeeld.

    Estland

    Net als hun Litouwse geloofsgenoten reisden Varro Vooglaid en Markus Järvi uit Estland in 2012 naar Krakau om een fondsenwervingstraining te volgen. Een paar maanden eerder hadden ze de Estse Stichting voor de Bescherming van Familie en Traditie (SAPTK) opgericht. Bij de training van de Skarga Stichting in Krakau leerden ze individuele donaties werven.

    Als vrome katholieken begonnen Vooglaid, een advocaat, en Järvi, een in Rome opgeleide theoloog, in 2011 met SAPTK, uit verzet tegen de ratificatie van de wet op geregistreerd partnerschap in Estland, die het samenwonen van mensen met hetzelfde geslacht regelt. 

    Het idee om met SAPTK te beginnen werd hun aangedragen door aan TFP gelieerde personen, onder wie mogelijk Olejniczak uit Krakau. Olejniczak werd tijdelijk lid van de SAPTK-raad om de organisatie ‘beter te beschermen tegen binnenlandse aanvallen’.

    In mei 2013 gaf Olejniczak als SAPTK-vertegenwoordiger commentaar op de eerste succesvolle campagne van de organisatie, toen er 38.000 handtekeningen werden verzameld tegen het wetsontwerp inzake het homohuwelijk. ‘De petitiecampagne was de grootste en succesvolste handtekeningenactie ooit tegen een voorgestelde wetswijziging’ in dit land met 580.000 huishoudens, aldus Olejniczak.

    Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro

    De Skarga Stichting stuurde drie keer geld naar de Estse organisatie: 40.500 euro in 2012 om SAPTK op te richten, 105.779 euro in 2013 voor campagnes en publicaties, en 13.000 euro in 2016. SAPTK is er trots op een van de meest onafhankelijke organisaties in Estland te zijn, dankzij de donateurs.

    De ontvangen donatiegelden zijn vergelijkbaar met die van de grootste politieke partijen in het land. Twee keer per jaar betalen duizenden donateurs een klein bedrag, dat gezamenlijk resulteert in een jaarinkomen van 400.000 euro. Volgens SAPTK zijn de meeste donoren ‘gewone mensen uit de arbeidersklasse, hoewel er ook enkele bedrijven en rijkere donateurs bij zijn’. 

    Sinds de oprichting heeft SAPTK gestreden tegen abortus, stripclubs, de acceptatie van buitenlandse homohuwelijken en verschillende huwelijkswetten. Het beheert de site objektiiv.ee, die een sterk traditionele agenda promoot en de Hongaarse en Poolse regering ondersteunt. De Estse organisatie is van plan om dit jaar uit te breiden met de aanschaf van een kantoor, een nieuwe mediastudio en de start van een conservatieve academie voor jonge mannen.

    Maar als eerste wil SAPTK een Estse tak van Ordo Iuris oprichten voor lobby-activiteiten en het voeren van strategische rechtszaken. Dit in navolging van het succes van het Poolse Ordo Iuris, mede opgericht door de Skarga Stichting in Krakau, dat met zijn campagnes tegen abortusrechten het Poolse Constitutionele Hof dusdanig heeft weten te beïnvloeden dat abortussen in Polen nu nagenoeg onmogelijk zijn.

    Het tijdschema voor de lancering van deze nieuwe tak in Estland is zorgvuldig gekozen: in het voorjaar van 2021 komt er een referendum over een wijziging van de Estse grondwet inzake het huwelijk. Conservatieve activisten pleiten ervoor de definitie van het huwelijk in de grondwet op te nemen als een band tussen een man en een vrouw. Ze zijn ervan overtuigd dat ze het succes van Ordo Iuris in Polen kunnen herhalen.

    Slowakije, Kroatië, Hongarije

    Gestimuleerd, gesteund en onderwezen door Skarga uit Krakau volgen organisaties als Slovakia Christiania uit Slowakije en Vigilare uit Kroatië dezelfde succesvolle route als hun ultrarechtse katholieke broeders elders in Oost-Europa. Het model voor fondsenwerving werkt en de bidprentjes en kalenders belanden ook hier in menige brievenbus, zo blijkt uit het internationale onderzoek door Vsquare. 

    In Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán zelf al het ultraconservatisme heeft omarmd, is er te veel concurrentie

    Eigenlijk is Hongarije het enige land in de regio waar het niet echt wil vlotten. Skarga zette er in 2015 een Hongaarse tak van TFP op, die in 2016 een anti-abortusbijeenkomst organiseerde voor de Poolse ambassade in Boedapest. De militante extreemrechtse organisatie Betyársereg zag toe op de veiligheid. De Hongaarse TFP organiseerde ook een lezing (‘De crisis van de westerse beschaving en de katholieke oplossing’) waarbij José Antonio Ureta inging op het proefschrift van Alexandr Dugin, de ideoloog van Poetin en het Kremlin. 

    Geregistreerd op naam van de Skarga Stichting werd in 2020 de website Pannonia Christiana gelanceerd, die probeert donaties te werven. Maar in tegenstelling tot de andere leden van het wereldwijde netwerk is de Hongaarse organisatie er niet in geslaagd om aanzienlijke bedragen op te halen. Volgens waarnemers zijn er te veel directe concurrenten in Hongarije, waar de regering van premier Viktor Orbán en zijn partij Fidesz zelf al het ultraconservatisme hebben omarmd. 

    De breuk

    Volgens financiële gegevens die Vsquare heeft geanalyseerd, hebben organisaties die banden hebben met de Skarga-groep in Krakau in 2019 meer dan 2 miljoen euro ingezameld in vier landen (Litouwen, Estland, Kroatië en Slowakije). Daarnaast haalde de Skarga Vereniging zelf ruim 6,3 miljoen euro op aan donaties in Polen.

    ‘De Poolse TFP-organisaties lijken de leiding te hebben genomen binnen de beweging, aangezien ze de franchise hebben uitgebreid naar Kroatië, Estland, Nederland, Slowakije en Zwitserland. Deze nieuwe TFP-organisaties zijn belangrijke actoren geworden, en soms leiders, in allerlei anti-gendercampagnes in Europa’, aldus Neil Datta in het rapport ‘Modern-Day Crusaders in Europe’ dat vorig jaar verscheen. 

    Desondanks werden Olejniczak en de rest van het bestuur van de Skarga Stichting mei vorig jaar dus ontslagen door Xavier Caio da Silveira en Matthias von Gersdorff. Het bestuur werd vervangen door trouwe TFP-militanten, zoals Fernando Antunez, lid van de Braziliaanse TFP en als activist verbonden aan het Plinio Corrêa de Oliveira-instituut in São Paulo. 

    Inmiddels hebben Olejniczak en zijn Krakau-groep zich afgesplitst van het wereldwijde TFP-netwerk. De Krakau-groep heeft Poolse activa, inclusief eigendommen en de database met donorgegevens, overgeheveld van de Skarga Stichting naar de Skarga Vereniging, die nog steeds onder controle staat van het oude bestuur, de groep rond Olejniczak dus. 

    Afroming

    Sindsdien heeft de Vereniging ook de ondersteuning van het Europese netwerk overgenomen. In die hoedanigheid stuurde ze in 2019 296.425 euro aan steun naar satellietorganisaties, waaronder KKI in Litouwen en Vigilare in Kroatië. Volgens documenten die door Siena.lt zijn geanalyseerd, blijkt het conflict tussen de Brazilianen van TFP en hun voormalige kameraden in Polen inderdaad uit de veranderde eigendomssituatie van KKI in Litouwen. 

    ‘We werden hiertoe aangespoord door de wens om de contrarevolutionaire missie in Polen en Oost-Europa te redden van buitensporige en potentieel gevaarlijke financiële afroming door Caio da Silvera en Fernando Antunez’, schrijft Olejniczak in een e-mail aan TFP-leden, die in bezit is van Vsquare. Als verantwoordelijke voor het nu autonome post-TFP-netwerk sluit hij zijn mail af met de katholieke tekst ‘In Jesu et Maria’.

  • ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    De oorlog in Nagorno-Karabach doet een trauma onder de Armeniërs herleven. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Op het altaar in de hoek van de koude huiskamer branden kaarsen. Op de ingelijste foto staat voor het rood-blauw-oranje van de Armeense vlag Arman Arzoemanian, vader van acht kinderen, een potige man met een strakke blik. Rondom de foto liggen zijn dienstpasjes, oorkonden en een icoon van Jezus in goud en zilver; verder een paar pakjes sigaretten en twee rollen verband. ‘Dat zat nog in zijn zakken toen ze hem vonden,’ zegt zijn weduwe Gaiane. ‘Veel meer is er niet van hem over.’

    Op de bank zit haar oudste zoon, de 21-jarige Azat. Eigenlijk had hij moeten vechten in de oorlog tegen Azerbeidzjan. Nu is hij als hoofd van het gezin plotseling verantwoordelijk voor zijn moeder en zijn zeven broertjes en zusjes. Hier in Armenië is er geen toereikend nabestaandenpensioen; vooral voor grote gezinnen zijn de betalingen volstrekt onvoldoende. Maar niet alleen de economische nood maakt zijn moeder verdrietig en woedend: ‘Mijn jongste zoon van twee jaar zal zijn vader alleen van foto’s kennen.’

    Waarom, zo vraagt ze, hebben ze al die mannen laten sterven, terwijl al vroeg in de oorlog duidelijk werd dat de Armeense strijdkrachten zwaar in de minderheid waren in de confrontatie met de oude vijand uit Azerbeidzjan? ‘Ik zal mijn kinderen moeten uitleggen dat het lichaam van hun vader is opgeblazen om het land waarvoor hij streed aan onze vijanden te geven.’

    Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen

    Voor de bevolking van Armenië zijn de laatste maanden van 2020 uitgelopen op een dubbel trauma. Velen hebben familieleden en vrienden verloren in de oorlog. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Bovendien hadden de Arzoemanians juist hoop geput uit het uitbreken van de oorlog. Vijftien jaar lang hadden ze in een hut van golfplaten gewoond, in hun dorp ten noorden van de hoofdstad Jerevan, toen de regering een jaar geleden een stenen huis voor hen betaalde. Binnenkort zou ook de pas gebouwde stal van tufsteen een dak krijgen. Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen, vertelt Gaiane, die na de dood van haar man haar meisjesnaam Sjachnazarian weer wil gaan gebruiken. ‘We dachten dat we binnenkort niet alleen voor onszelf zouden kunnen zorgen, maar ook wat meer op de markt zouden kunnen verkopen. Eieren, melk, wol,’ zegt ze.

    Derde oorlog

    Op 27 september vervlogen deze dromen. Azerbeidzjaanse troepen, massaal gesteund door Turkse soldaten en Syrische milities, vielen de door Armeniërs bevolkte deelrepubliek Nagorno-Karabach aan. Het was het begin van de derde oorlog om het kleine gebied in het zuiden van de Kaukasus sinds de val van de Sovjet-Unie. Maar deze keer lagen de machtsverhoudingen wezenlijk anders.

    Niet alleen kreeg het land van de Azerbeidzjaanse president Ilham Alijev hulp van zijn broedervolk in Turkije, ook had de dictator jarenlang miljarden oliedollars in de modernste wapensystemen geïnvesteerd, vooral in drones. Bij de bloedige oorlog na de val van de Sovjet-Unie in de jaren negentig waren de Armeniërs na zware verliezen nog als overwinnaars uit de strijd gekomen. Ze hadden niet alleen Nagorno-Karabach maar ook omliggende Azerbeidzjaanse gebieden bezet. Volkenrechtelijk hoorden al deze gebieden nog altijd toe aan de Azeri’s, de bewoners van Azerbeidzjan. Die zonnen al bijna drie decennia op wraak.

    Aan het einde van de zomer in het pandemiejaar waren de omstandigheden gunstig voor de tegenaanval. Niet alleen waren veel landen door de coronacrisis op zichzelf gericht, ook de verkiezingen in de Verenigde Staten trokken veel aandacht, vooral van de Amerikanen. De Turken en de Azeri’s hadden zwakke plekken in de Armeense defensie vastgesteld en hielden gezamenlijke militaire oefeningen, die een dekmantel boden om oorlogsmaterieel naar Azerbeidzjan over te brengen.

    Alleen gelaten en omringd door vijanden: de realiteit beantwoordde opnieuw aan het zelfbeeld van de Armeniërs, die ernstig getraumatiseerd zijn. De volkerenmoord in 1915, begaan maar nooit erkend door de Turken, is haast evenzeer een element van hun identiteit als het christelijke geloof. Zo heeft de jonge Azat tijdens het gesprek naast de foto van zijn gesneuvelde vader een T-shirt aan dat herinnert aan de honderdste verjaardag van de genocide. Het symbool daarvoor is een bloem, een vergeet-mij-nietje. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven’

    Vader Arman was in de eerste oorlog tegen het buurland als zestienjarige ten strijde getrokken, en teruggekeerd als een held. De overwinning op het veel grotere Azerbeidzjan en de verovering van de al vele eeuwen door hun landgenoten bevolkte gebieden hielpen de Armeniërs zich enigszins te bevrijden van de slachtofferstatus en zich ook een keer overwinnaar te voelen. Tegelijkertijd kreeg Nagorno-Karabach nog meer betekenis door het destijds vergoten bloed – wat andersom natuurlijk ook voor de Azeri’s gold. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven,’ zegt Gaiane. Zoals de meeste Armeniërs gebruikt ze de Armeense aanduiding voor Nagorno-Karabach: ‘In Artsach verdedigen we onze families en ook het Westen.’

    Artsakh Occupation Map 1

    Op de tiende dag van de oorlog raakte Arman verzeild in een droneaanval. Vier dagen lang gold hij als vermist, toen werd zijn lichaam geborgen. Omdat het gezin te arm was om de opbaring in de afscheidszaal van de gemeente te betalen, stond de kist in de huiskamer. Buren, vrienden en familie namen afscheid. Tegen Armeens gebruik in bleef het deksel van de kist gesloten. ‘Ik durfde er eerst niet in te kijken,’ zegt Gaiane, ‘maar toen ’s nachts iedereen weg was, heb ik toch gekeken. Alleen aan zijn voeten kon ik hem herkennen.’

    De overlevende Armeense soldaten maakten na de oorlog melding van bijna aanhoudende beschietingen. Van enorme troepenmachten die tegen hen het strijdperk in werden gestuurd. Van de bijna geluidloze killers in de lucht. Behalve over Turkse drones hadden de Azeri’s ook de beschikking over ‘kamikazedrones’ van Israëlische makelij. Tegelijkertijd werd de Armeense burgerbevolking in Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach, en in andere plaatsen bestookt met artillerie en clustermunitie. De Armeniërs schoten terug, ook hun projectielen kostten burgers het leven.

    In de eerste week van november werd in Stepanakert al getwijfeld aan een goede afloop. David Babaian, adviseur van Arajik Haroetjoenian, de president van Nagorno-Karabach, eiste in de eetzaal van hotel Armenia onomwonden ‘ernstige consequenties’ voor de eigen gelederen, terwijl hij met zijn vuist op tafel sloeg: ‘De vijand zal nu kennismaken met de ware strijdlust van Artsach. Elk gebouw hier verandert in een vesting!’

    ‘Wij zullen overwinnen’

    Op hetzelfde moment kwamen in het nabijgelegen ziekenhuis steeds meer zwaargewonden binnen uit Sjoesja, dat de Armeniërs Sjoesji noemen. In het stadje op de rotsen, in de dichte, met zwarte kruitdampen vermengde mist, woedde de beslissende slag om Nagorno-Karabach. ‘De granaten sloegen steeds weer een paar meter naast ons in, de lucht was bezaaid met drones, de eskadrons van de vijand kwamen van alle kanten, we waren kansloos,’ vertelde een van de verdedigers van het stadje een paar dagen later.

    Laat op de maandagavond deelde de Armeense premier Nikol Pasjinian zijn volk mee dat het voorbij was. Samen met de leider van Artsach had hij ingestemd met een verdrag, dat weliswaar door bemiddeling van de Russische president Vladimir Poetin tot stand was gekomen, maar zich meer liet lezen als een dictaat van Ilham Alijev en de Turkse president Recep Tayyip Erdogan. Bovendien liet het de uitgangspunten van het in de voorbije jaren multilateraal gevoerde vredesproces vrijwel geheel buiten beschouwing: onmiddellijke stationering van een Russische vredesmacht voor minstens vijf jaar, gefaseerde teruggave van omvangrijke gebieden in Nagorno-Karabach en omgeving, en bovendien een Azerbeidzjaans-Turkse corridor over Armeens grondgebied tot in de exclave Nachitsjevan. De status van Nagorno-Karabach bleef ongedefinieerd. 

    Pasjinians verklaring werd door veel Armeniërs opgevat als een onvoorwaardelijke capitulatie. Nog diezelfde nacht bestormden demonstranten de regeringszetel op het Plein van de Republiek en het parlement in Jerevan. Op de reclameschermen in de stad stond op dat moment nog altijd de leus ‘Wij zullen overwinnen’.

    Aan die kreet is niets veranderd, ook al zijn er steeds meer doden van het slagveld teruggebracht en is de militaire begraafplaats Jerablur twee keer zo groot geworden. Pasjinian moet zich nu vooral verantwoorden voor zijn communicatie en voor het miserabele verwachtingsmanagement. 

    Een gevolg van dit alles zou kunnen zijn dat Armenië zich van het Westen afkeert, terwijl het land met de ‘Fluwelen Revolutie’ van 2018 juist een weg richting de vrijheid was ingeslagen en daarvoor vele warme reacties van Europese machthebbers had geoogst. De teleurstelling over de democratische landen is momenteel groot in Armenië.

    Schouderklopje

    Ook bij Baroe Jambazian, een man met een borstelige sik, een platte pet en een bril. Hij is de leider van de christelijke hulporganisatie Diaconia. Zijn levensverhaal is kenmerkend voor iemand uit de Armeense diaspora: geboren in Libanon, als kind gevlucht voor de burgeroorlog, opgegroeid in het Duitse Wetzlar. Toen hij tegen de dertig was, kwam hij naar Jerevan. De hoofdstad van Armenië was destijds nog heel traditioneel. ‘Hier heb ik mijn wortels en mijn identiteit ontdekt,’ zegt Jambazian in accentloos Duits.

    Het gevoel van verbondenheid met Duitsland, het land van zijn kinderjaren en jeugd, is gebleven, ook al heeft het een lelijke knauw gekregen. ‘Twee jaar geleden gaven ze ons allemaal een schouderklopje, maar waar waren die mensen de afgelopen zes weken?’ zegt hij. De westerse regeringen hadden op zijn minst de inzet van huurlingen en het gebruik van verboden wapens aan de kaak moeten stellen, vindt Jambazian.

    Rusland was tenminste duidelijk geweest in de communicatie: ‘Als de Azeri’s ons op ons grondgebied hadden aangevallen, dan hadden ze er gestaan.’ Daarom zouden alle Armeniërs er nu eerst eens heel goed over moeten nadenken ‘op wie ze zich in de toekomst willen richten. Want uiteindelijk komt onze veiligheid op de eerste plaats.’

    Maar oorlog heeft natuurlijk consequenties op alle niveaus. Door de pandemie was het land al in een recessie beland en inmiddels loopt het aantal besmettingen uit de hand. De economische kosten van de oorlog waren enorm, de menselijke gevolgen zijn nauwelijks te becijferen. Officieel was er sprake van circa 1400 oorlogsslachtoffers, maar er gaan geruchten dat dat wel eens het drievoudige zou kunnen zijn. ‘Elke familie in het land heeft wel een slachtoffer te betreuren en elke Armeniër kent op zijn minst wel een van de gesneuvelden,’ zegt Jambazian.

  • China’s nieuwe IP

    China’s nieuwe IP

    Op een VN-bijeenkomst kwam een team van het Chinese telecombedrijf Huawei met een voorstel voor een nieuw internetprotocol, een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat. De Britse zakenkrant de Financial Times zocht het tot op de bodem uit.

    Op een frisse dag in september betrad een handvol Chinese ingenieurs vorig jaar een vergaderzaal in het hartje van de VN-wijk in Genève. Ze hadden een uur de tijd om afgevaardigden uit meer dan veertig landen te overtuigen van hun visie: een ander soort internet, ter vervanging van de technische architectuur die al een halve eeuw ten grondslag ligt aan het wereldwijde web dat we kennen. Het huidige internet is van iedereen en niemand, maar zij willen iets heel anders bouwen: een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat.

    Het voorstel voor dit ‘Nieuwe IP’ (internetprotocol) werd gepresenteerd door een team van de Chinese telecomreus Huawei. Geen enkel ander bedrijf had zo’n grote delegatie afgevaardigd naar deze bijeenkomst van de International Telecommunication Union (ITU), een VN-organisatie die wereldwijde standaarden voor technologie vastlegt. De Chinezen gaven een simpele powerpointpresentatie, die weinig informatie bevatte over hoe die nieuwe techniek precies werkt en voor welk specifiek probleem het een oplossing is. Wel was de presentatie gelardeerd met plaatjes van futuristische technologie, van levensgrote hologrammen tot zelfrijdende auto’s. Die moesten illustreren dat het huidige internet een achterhaalde techniek is, die de grenzen van zijn mogelijkheden heeft bereikt. Het wordt tijd, zo stelde Huawei, voor een nieuw wereldwijd netwerk met een top-downontwerp, en de Chinezen willen dat maar al te graag bouwen.

    Overal ter wereld lijken overheden het erover eens dat de huidige vorm van internetregulering – in feite niet meer dan wetteloze zelfregulering door merendeels Amerikaanse bedrijven – niet functioneert. Het Nieuwe IP is de recentste van een hele reeks pogingen om daar verandering in te brengen, vaak onder aanvoering van landen die vijftig jaar geleden niet bij het ontstaan van het internet waren betrokken. ‘De conflicten rond internetregulering zijn de nieuwe plaatsen waar politieke en economische macht zich in de eenentwintigste eeuw ontplooit,’ schreef Laura DeNardis in 2014 in haar boek The Global War for Internet Governance.

    Censuurmodel

    Vooral China beschouwt de ontwikkeling van een nieuwe infrastructuur en nieuwe standaarden voor internet als kernpunt van zijn digitale buitenlandbeleid, en het ziet zijn censuurmodel als schoolvoorbeeld van een efficiënter internet dat naar andere landen kan worden geëxporteerd. China ‘wil natuurlijk een technologische infrastructuur die de overheid net zo’n totale macht geeft als ze in de samenleving heeft, een technisch ontwerp dat tegemoetkomt aan de totalitaire drang,’ zegt Shoshana Zuboff, sociaal wetenschapper aan Harvard en auteur van The Age of Surveillance Capitalism. ‘Dat vind ik eng, en iedereen zou dat eng moeten vinden.’

    Volgens Huawei wordt het Nieuwe IP alleen ontwikkeld om tegemoet te komen aan de technische eisen van een razendsnel veranderende digitale wereld en is er nog geen specifieke vorm van regulering in het ontwerp opgenomen. Het telecombedrijf leidt een ITU-studiegroep die onderzoekt welke netwerktechnologie de wereld in 2030 nodig heeft, en het Nieuwe IP moet daaraan voldoen, aldus een woordvoerder. Informatie over het voorstel is vooral afkomstig uit twee met jargon doorspekte documenten waarin de Financial Times inzage kreeg. Het zijn de teksten van de twee presentaties die afgelopen september en februari achter gesloten deuren zijn gegeven aan de afgevaardigden bij de ITU. Het betreft een voorstel voor technische standaarden en een powerpointpresentatie getiteld ‘New IP: Shaping the Future Network’.

    Hoewel internet een invloedrijk medium is, kent het eigenlijk geen toezicht. De macht berust er nu grotendeels bij een handjevol Amerikaanse bedrijven: Apple, Google, Amazon, Facebook. Juist door het ontbreken van centraal toezicht heeft internet zo’n grote verandering teweeg kunnen brengen in onze manier van leven en communiceren. Maar het heeft ook geleid tot een uitvergroting van de breuklijnen in onze maatschappij, door manipulatie van het maatschappelijk debat, ondermijning van de democratie en de opkomst van massaspionage.

    De machtsbalans begint te verschuiven, maar de wensen van staten lopen sterk uiteen. Zo willen de VS, Groot-Brittannië en Europa het huidige systeem aanpassen om beter toezicht te kunnen houden en inlichtingendiensten meer inzage te bieden in de gegevens van individuele gebruikers. Het Chinese Nieuwe IP is veel radicaler, want daarbij kan centraal toezicht in de technische structuur worden ingebakken. Volgens diverse aanwezigen op de ITU-bijeenkomsten viel het Chinese voorstel in goede aarde bij Saoedi-Arabië, Iran en Rusland. Ook bleek uit het voorstel dat de blauwdrukken voor deze nieuwe netwerkstructuur al klaarliggen en dat er een begin is gemaakt met de bouw. Elk ander land kan deze straks overnemen.

    Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst verenigbaar met democratie

    ‘We hebben nu twee soorten internet: een door de markt gedomineerde kapitalistische versie waarin alles draait om het volgen van gebruikers voor commercieel gewin; en een autoritaire versie waarin alles net zo goed draait om het volgen van gebruikers,’ zegt Zuboff. ‘De vraag is: slaan Europa en Noord-Amerika de handen ineen om de juridische en technologische kaders te ontwerpen voor een democratisch alternatief?’

    Bij de presentatie van het Nieuwe IP wordt van de digitale wereld in 2030 een beeld geschetst waarin virtual reality, holografische communicatie en robotchirurgie aan de orde van de dag zijn. Het traditionele IP-protocol wordt ‘onstabiel’ en ‘verregaand ontoereikend’ genoemd, met ‘tal van problemen op het vlak van veiligheid, betrouwbaarheid en techniek’.

    De documenten bevatten een pleidooi voor een top-downontwerp en voor de uitwisseling van data tussen landen ‘ten behoeve van artificiële intelligentie, big data en allerlei andere toepassingen’. Veel deskundigen vrezen dat internetproviders, vaak in handen van de staat, met dit nieuwe internetprotocol precies kunnen zien welke apparaten met het netwerk verbonden zijn en vervolgens de toegang van individuele gebruikers kunnen afsluiten of bespioneren. Er wordt al aan gewerkt door technici ‘van bedrijven en universiteiten’ in ‘meerdere landen’, zei Huawei’s teamleider Sheng Jiang in september, al wilde hij geen namen noemen, want dat was commercieel gevoelige informatie. Zijn gehoor bestond uit oudgedienden in de ITU, voornamelijk regeringsafgevaardigden uit Groot-Brittannië, Amerika, Nederland, Rusland, Iran, Saoedi-Arabië en China.

    Sommigen van hen is dit hele idee een gruwel. Als de ITU het Nieuwe IP zou legitimeren, kunnen staten volgens hen kiezen of ze hun burgers een westers dan wel Chinees internet opleggen. In het laatste geval heeft iedere burger in zo’n land toestemming van zijn internetprovider nodig om iets op het internet te kunnen doen, van het downloaden van een app tot het bezoeken van een site – en krijgen beheerders de macht om ze dat recht zomaar te ontzeggen. In plaats van via één groot wereldwijd web moeten mensen dan contact met elkaar zoeken via een lappendeken van nationale internetten, elk met zijn eigen regels – een idee dat in China bekendstaat als ‘cybersoevereiniteit’.

    Agressieve benadering

    Recente gebeurtenissen in Iran en Saoedi-Arabië geven een indruk van de mogelijke gevolgen. Daar werd het internet in tijden van sociale onrust langdurig aan banden gelegd door de overheid: alleen essentiële diensten als banken en medische zorg waren nog beperkt bereikbaar. Rusland heeft in november een wet voor ‘soeverein internet’ aangenomen die de overheid het recht geeft om alle internetverkeer nauwlettend te volgen. Zo bleek hoezeer de Russen het internationale internet al buiten de deur kunnen houden – een mogelijkheid die ze met hulp van Chinese bedrijven als Huawei hebben ingebouwd. Deskundigen vragen zich nu af of China’s visie op internettoezicht verschuift van een defensieve opstelling, waarbij het de vrijheid opeist om autoritair toezicht uit te oefenen in eigen land, naar een agressievere benadering, waarbij andere landen actief worden opgeroepen om China’s voorbeeld te volgen.

    Volgens de bedenkers van het nieuwe internetprotocol zijn onderdelen van hun technologie volgend jaar al klaar om te worden getest. Hun pogingen om andere ITU-delegaties van het nut te overtuigen zullen verder worden opgevoerd op de grote ITU-conferentie die in november in India plaatsvindt. Om de ITU zover te krijgen dat het voorstel binnen een jaar wordt goedgekeurd, zodat het een officiële standaard wordt, moet er consensus zijn binnen de studiegroep, ofwel instemming van een meerderheid van de afgevaardigden. Als dat niet lukt, vindt er een besloten stemming plaats onder de lidstaten, en staan het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties dus buitenspel.

    Dat hoge tempo zint de westerse delegaties niet, en volgens de aan ons gegeven documenten gaan eral stemmen op om het proces te vertragen. Een lid van de Nederlandse delegatie schreef in een officiële reactie, die ons door verschillende bronnen werd toegespeeld, dat ‘de open en flexibele aard’ van het internet – zowel wat de technische structuur als het toezicht betreft – van fundamenteel belang is geweest voor het succes ervan, en dat hij ‘zich met name zorgen maakt’ dat dit nieuwe model afwijkt van die filosofie. De eveneens aan ons doorgespeelde scherpe kritiek van een Britse afgevaardigde luidde: ‘Het is verre van duidelijk of er goede technisch redenen zijn voor zo’n radicale stap.’

    hh 400237471

    Een van de meest uitgesproken critici van het Nieuwe IP is Patrik Fältström, een eigenzinnige, langharige IT’er die in zijn vaderland Zweden bekendstaat als een van de vaders van het internet. Begin jaren tachtig, toen hij in Stockholm wiskunde studeerde, werd hij ingehuurd om mee te bouwen aan de infrastructuur voor een nieuwe technologie, door de Amerikaanse overheid ‘internet’ genoemd. Tegenwoordig dient hij de Zweedse regering van advies over digitale zaken en heeft hij zitting in de meeste standaardiseringsinstanties voor internet, waaronder de ITU.

    Dertig jaar geleden werkte hij mee aan de ontwikkeling van de bouwstenen van het internet, en nu is hij de verpersoonlijking van de cyber-libertaire westerse idealen die in de structuur ervan verweven zijn.

    ‘De architectuur van het internet maakt het voor de internetprovider heel moeilijk, zo niet onmogelijk om te weten waarvoor het wordt gebruikt, of daaraan beperkingen op te leggen,’ zegt hij. ‘Dat is een probleem voor opsporingsinstanties en anderen die liever zien dat de internetprovider daar wel greep op heeft, zodat het internet niet kan worden gebruikt voor zaken als de illegale verspreiding van films of kinderporno. Maar ik ben bereid om te accepteren dat je nu eenmaal misdadigers hebt die verkeerde dingen doen en dat de politie dat niet [allemaal] kan tegengaan. Dat offer heb ik ervoor over.’

    Great Firewall

    Een heel andere opvatting is te horen in Wuzhen, het dorpje bij Sjanghai dat elk najaar wordt schoongeveegd om plaats te bieden aan de ondernemers, academici en beleidsmakers die daar bijeenkomen voor een evenement met de prestigieuze naam World Internet Conference. De Cyberspace Administration of China, de Chinese internetwaakhond, organiseert deze conferentie al sinds 2014, het jaar nadat Xi Jinping aantrad.

    De bezoeker wordt er verwelkomd door een rij vlaggen van overal ter wereld – een verwijzing naar Xi Jinpings droom van ‘een gemeenschap met een gezamenlijke toekomst in cyberspace’. Allerlei kopstukken uit de computerwereld, van Tim Cook van Apple tot Steve Mollenkopf van Qualcomm, hebben er met hun optredens geloofwaardigheid verleend aan Xi’s ambitie om daar de internationale top van de technologiesector bijeen te brengen. Maar de laatste jaren loopt de buitenlandse deelname terug, nu de technologische oorlog tussen China en de VS is opgelaaid en ondernemers niet de indruk willen wekken dat ze al te innige banden hebben met Beijing.

    Begin jaren negentig begon China met het ontwikkelen van wat bekend kwam te staan als de Great Firewall: een reeks technische maatregelen om Chinezen af te schermen van verboden buitenlandse websites (van Google tot The New York Times), politiek gevoelige binnenlandse content te censureren en te voorkomen dat burgers zich online konden organiseren. De controle van Beijing wordt uitgevoerd door grote censuurteams van de overheid en van internetbedrijven als Baidu en Tencent. Overal ter wereld heb je in principe alleen een computer en een internetverbinding nodig om je eigen website online te kunnen zetten, maar in China moet je daar een vergunning voor aanvragen. Telecomproviders en sociale media zijn ook verplicht de politie te helpen met het opsporen van ‘misdaden’, zoals dat je Xi Jinping in een besloten chatgroep een ‘gestoomd broodje’ noemt: daar heeft iemand twee jaar cel voor gekregen.

    Toch lukt het nog niet om alles wat de overheid onwelgevallig is volledig van internet te weren. ‘Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren. En ze steken er heel veel tijd en geld in, maar als je al die problemen in één klap kunt oplossen door er een beter geautomatiseerd en technisch proces van te maken, misschien met dat Nieuwe IP, dan zou dat voor hen natuurlijk fantastisch zijn,’ zegt James Griffiths, de schrijver van The Great Firewall of China: How to Build and Control an Alternative Version of the Internet.

    Het internet is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden

    Voortrekker van de plannen voor het Nieuwe IP is Richard Li, hoofd Onderzoek bij Futurewei, de R&D-afdeling van Huawei in Californië. Hij ontwikkelt het voorstel voor de nieuwe technische specificaties en standaarden samen met ingenieurs van Huawei in China en met de staatsbedrijven China Mobile en China Unicom – met expliciete steun van de Chinese overheid. Toen onze krant hem hierover benaderde, kreeg hij van Huawei niet de gelegenheid het Nieuwe IP nader uit te leggen. Het bedrijf zei in een verklaring: ‘Het Nieuwe IP moet nieuwe technologische oplossingen bieden voor toekomstige applicaties zoals het Internet of Everything, holografische communicatie en telegeneeskunde. Wetenschappers en ingenieurs van overal ter wereld kunnen deelnemen en bijdragen aan het onderzoek en de innovatie van het Nieuwe IP.’

    Critici noemen de technische beweringen over het Nieuwe IP in de documentatie onjuist of onduidelijk en zeggen dat het typisch ‘een oplossing op zoek naar een probleem’ is. Zij houden vol dat het huidige IP-systeem nog prima voldoet, ook in een wereld die in hoog tempo digitaliseert.

    ‘Het internet is ontworpen als een verzameling afzonderlijke modulaire bouwstenen die losjes met elkaar verbonden zijn, dat is er juist zo briljant aan,’ zegt Alissa Cooper, voorzitter van de Internet Engineering Task Force (IETF), een Amerikaanse brancheorganisatie voor de bewaking van technische standaarden. Tijdens een IETF-bijeenkomst in Singapore hield Li in november een presentatie voor een klein groepje aanwezigen, onder wie Cooper. De huidige infrastructuur, zegt zij, ‘staat in schril contrast met wat je in het voorstel voor het Nieuwe IP ziet, namelijk een monolithische top-downarchitectuur waarin applicaties gekoppeld zijn aan het netwerk. Het internet is er nu juist precies op ontworpen om dat te voorkomen.’

    We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen

    De gevolgen voor de gemiddelde gebruiker kunnen enorm zijn. ‘Je geeft alle macht aan telecombedrijven die in handen zijn van de staat,’ zegt een lid van de Britse ITU-delegatie. ‘Dan kun je dus niet alleen bepalen of iemand toegang krijgt tot bepaalde content op internet, of bijhouden wie die content bekijkt, maar je kunt apparaten compleet afsluiten van een netwerk.’ China werkt al aan een sociaalkredietsysteem voor zijn bevolking, waarin punten worden toegekend op basis van je gedrag online en in de echte wereld en van ‘misstappen’ uit het verleden, zegt de Britse afgevaardigde. ‘Dus als iemands kredietsaldo onder een bepaalde waarde zakt omdat die persoon te actief is op sociale media, kun je regelen dat de telefoon van die persoon wordt afgesloten van het netwerk.’

    Chinese telecombedrijven hebben een schat aan gegevens over hun abonnees. Klanten zijn verplicht om zich te legitimeren als ze een telefoonnummer of internetaansluiting aanvragen, en die gegevens kunnen worden ingezien door andere bedrijven, zoals banken. Ook zijn alle ‘netwerkbeheerders’, waaronder telecombedrijven, bij wet verplicht om ‘internetlogs’ bij te houden – al is het niet duidelijk wat dat precies inhoudt.

    De Tunesische Bilel Jamoussi, hoofd studiegroepen bij de ITU, stelt dat het niet aan de ITU is om te beoordelen of voorstellen voor een nieuwe internetarchitectuur ‘top-down’ zijn of misbruikt kunnen worden door autoritaire regimes. ‘Bij alles wat je bouwt, snijdt het zwaard aan twee kanten. Je kunt er goede en slechte dingen mee doen, en dat is de soevereine beslissing van elke lidstaat,’ zegt hij.

    Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren

    De ambitie van Beijing om meer mogelijkheden voor toezicht in te bouwen wordt door sommigen niet zozeer als een probleem gezien, maar gewoon als het volgende hoofdstuk in de ontwikkeling van het internet. ‘Het internet was oorspronkelijk bedoeld als een neutrale infrastructuur, maar het is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden. De internetinfrastructuur wordt steeds meer ingezet voor de uitvoering van beleid, voor de economische en fysieke onderdrukking van mensen. Dat hebben we gezien in Kasjmir, in Myanmar en bij de onthullingen van Edward Snowden,’ zegt Niels ten Oever, een voormalig lid van de Nederlandse ITU-delegatie. ‘Voor mij is de grote vraag: hoe kunnen we een openbaar netwerk bouwen op een infrastructuur die in particuliere handen is? Dat is het probleem waar we mee worstelen. Wat is de rol van de staat tegenover die van bedrijven?’

    In zijn ogen ontwikkelen bedrijven vooral technologieën om er winst mee te maken. ‘Het internet wordt gedomineerd door Amerikaanse bedrijven, alle data stroomt daarheen. En die macht willen zij allicht behouden,’ zegt hij. ‘We zijn bang voor Chinese onderdrukking. We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen. Maar de regulering van internet zoals die nu is, werkt niet. Er is best ruimte voor een alternatief.’

    Waar onze digitale toekomst op dit moment ook ontwikkeld wordt, wereldwijd lijkt men het erover eens dat het tijd is voor een betere versie van cyberspace. ‘Ik denk dat sommigen zullen zeggen dat ons huidige model van het internet grote gebreken vertoont, en misschien zelfs helemaal stuk is. Op dit moment is er maar één alomvattend en volledig uitgewerkt alternatief, en dat is het model van China,’ schreef Griffiths in The Great Firewall of China. ‘Als wij geen derde model bedenken – een model dat enerzijds gebruikers meer macht geeft en democratie en onlinetransparantie bevordert, en anderzijds de macht van grote bedrijven en veiligheidsdiensten beteugelt – bestaat het risico dat steeds meer landen zullen neigen naar het Chinese model, liever dan te blijven lijden onder het gebrekkige model van Silicon Valley.’

    De ‘Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace’, bedoeld als beginselverklaring voor het internet, begint steeds achterhaalder te lijken. Dat manifest, in 1996 geschreven door John Perry Barlow, medeoprichter van de Electronic Frontier Foundation en tekstschrijver voor de Grateful Dead, klonk strijdlustig. ‘Regeringen van de Industriële Wereld, vermoeide reuzen van vlees en staal, ik kom uit Cyberspace, de nieuwe zetel van de Geest,’ begint de tekst. ‘Namens de toekomst vraag ik jullie van het verleden om ons met rust te laten. Jullie zijn niet welkom in ons midden. Waar wij bijeenkomen, hebben jullie geen zeggenschap.’

    Een geluid uit een tijd toen het internet nog niet gedomineerd werd door biljoenenbedrijven, zeggen critici. Maar er is nog hoop – en misschien een derde weg, een alternatief voor de twee soorten internet die er nu bestaan. ‘Wat ons nu onderscheidt van China is dat de mensen in het Westen zich nog steeds kunnen mobiliseren en kunnen meepraten. Het is nu vooral aan de politiek om de democratie te beschermen in deze tijd van massaspionage, of die nu wordt gedreven door de markt of door autoritaire regimes,’ zegt Zuboff. ‘De slapende reus van de democratie begint zich eindelijk te roeren en de wetgevers worden wakker, maar ze moeten wel de druk van de mensen in hun nek voelen. Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst die verenigbaar is met democratie. Dat is de opgave voor het komende decennium.’  

    Madhumita Murgia & Anna Gross

    Met medewerking van Yuan Yang en
    Nian Liu

    Auteurs: Madhumita Murgia & Anna Gross

    Met medewerking van Yuan Yang en Nian Liu

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 185.000, 740.000 digitaal

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. De krant wordt nu op 23 locaties gedrukt en heeft onder meer een redactie in Amsterdam.