Tag: cuba

  • 4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    4. Hacker vervangt Rosa Klebb

    Russische spionnen – bruut, kil, verleidelijk en gewetenloos – zijn geliefde personages in westerse speelfilms. Maar ze worden in snel tempo vervangen door technologie.

    Tot de impertinenties die Russen al generaties lang moeten dulden, behoort het beeld dat in de westerse popcultuur van hen wordt geschetst. Als stiefmoeder van alle kwaad geldt nog altijd de ongekend lompe Rosa Klebb, die de Britse held James Bond wilde doden met een giftig mes in de punt van haar schoen. Ook de Black Widow uit de vroege Marvel Comics, een met hightechwapens uitgeruste femme fatale, is een Russische agente. Russinnen en Russen waren meestal bruut, kil en gewetenloos, en als ze eens een keer aardig waren, zoals de hulpvaardige kosmonaut Lev Andropov in Armageddon, dan hadden ze een bontmuts met oorkleppen op en waren ze dronken.

    Momenteel komt de herinnering aan Rosa Klebb weer tot leven, en dat komt niet zozeer door de film als wel door de werkelijkheid. De van oorsprong Russische en later Britse agent Sergej Skripal is onlangs in Engeland het slachtoffer geworden van een gifaanslag, uitgevoerd met een in de Sovjet-Unie ontwikkelde chemische stof. Dat misdrijf zou net zo goed uit de Koude Oorlog kunnen dateren als het verhaal van de Vietnamees Trinh Xuan Thanh, die kort geleden midden in Berlijn werd ontvoerd – op bevel van de Socialistische Republiek Vietnam, zijn geboorteland. Communistische of autoritaire diensten, waartoe ook de Russische behoren, hebben even weinig genade met hun slachtoffers als respect voor rechtsstaten. Het Westen bekruipt dan ook een gevoel van onbehagen.

    De ontmaskerde spionne Anna Chapman begon een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice

    Lange tijd waren Russische agenten verdwenen uit het bewustzijn van Europeanen en Amerikanen. Dat kwam door het einde van de Koude Oorlog en door het islamistische terrorisme. De personificatie van het kwaad was niet meer een bejaarde leider van het politbureau met zijn hand op de atoomknop, maar een prediker met opgestoken wijsvinger in een Afghaanse tent. De islamisten hadden beter dan de communisten door welke kracht er uitging van beelden: nooit eerder heeft de werkelijkheid de film zo overtroffen als op 11 september 2001, toen Al-Qaida de massamoord live op televisie bracht. De geheime diensten van Amerika bestreden het nieuwe gevaar met methoden waarvan het Westen eerder de Sovjet-Unie zou hebben verdacht – met ontvoeringen, martelingen en gevangenissen die boven recht en grondwet waren verheven.

    De post-Sovjet-Russen waren ondertussen weliswaar niet gestopt met het bespioneren van het Westen, maar wekten geen al te groot onbehagen meer op. In 2010 werd bijvoorbeeld een spionagenet in de VS opgerold – tien Russinnen en Russen hadden zich jarenlang voorgedaan als brave burgers, maar in het geheim informatie doorgespeeld aan Moskou. Als ze in code met elkaar spraken, zeiden ze grappige dingen als: ‘Het is geweldig om een kerstman in mei te zijn.’ De Amerikanen reageerden eerder verbluft en geamuseerd dan gealarmeerd, en de ontmaskerde spionne Anna Chapman begon – ook dat paste goed bij die tijd – een succesvolle tweede carrière als televisiepresentatrice.

    Scenarioschrijver Joseph Weisberg maakte van deze ware gebeurtenis een televisieserie over spionnen ‘onder ons’, over Philip en Elizabeth die aan de rand van Washington twee kinderen opvoeden en daarnaast – of beter gezegd als hoofdtaak – voor Moskou werken. Ze verleiden, folteren en moorden; op een keer snijden ze het lijk van een vrouw in stukken, zodat het in een koffer past. Weisberg ondervond maar één probleem met dit thema: de griezelfactor ontbrak, want niemand was meer bang voor de Russen. De schrijver loste dit op door vooral de spanningen binnen het agentengezin te belichten en de handeling terug te verplaatsen naar de jaren tachtig, toen de Amerikaanse president Ronald Reagan de Sovjet-Unie het ‘Rijk van het Kwaad’ noemde.

    Als Weisberg zijn serie The Americans vandaag de dag had geschreven, dan zou hij de handeling met een gerust hart weer in het heden kunnen laten plaatsvinden, waarin dan misschien geen Koude Oorlog heerst, maar op zijn minst wel Koude Vrede. De Russische president Vladimir Poetin ziet zijn land belegerd door het Westen, vooral door de uitbreidingen van de NAVO. Zijn onmiskenbare doel dat Rusland weer serieus wordt genomen of misschien zelfs wordt gevreesd, heeft hij inmiddels bereikt. Sinds de annexatie van de Krim en zijn breed uitgemeten bondgenootschap met de Syrische vatbommenwerper Bashar al-Assad acht het Westen Poetin tot nagenoeg alles in staat. De Britse regering uit zelfs de verdenking dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de moord op Skripal. Bewijzen ontbreken, maar de Britse pers mag er graag op wijzen dat Poetin ooit KGB-agent is geweest, wat verdere bewijsvoering kennelijk overbodig maakt. Poetin voltooit het beeld door verraders ‘een slechte afloop’ te voorspellen of door te dreigen terroristen in de wc te verdrinken.

    Maar zijn de geheime diensten van de landen die ten oosten van het IJzeren Gordijn lagen echt gewetenlozer dan de westerse? Het verleden biedt in elk geval tal van filmrijpe aanwijzingen daarvoor. In 1959 stierf de Oekraïense anticommunist Stephan Bandera in München nadat een agent met een speciaal pistool blauwzuur in zijn gezicht had geschoten. In 1978 brachten de KGB en de Bulgaarse geheime dienst de dissident Georgi Markov om het leven: op een brug in Londen stak iemand de punt van een paraplu in zijn huid, waarmee het dodelijke ricine werd toegediend. In 1981 probeerde de Stasi Wolfgang Welsch, die mensen de DDR uit smokkelde, uit de weg te ruimen door zijn gehaktballen met thallium te prepareren.

    Ook veel andere geheime diensten grijpen echter naar het uiterste. De Israëlische Mossad heeft duizenden echte en vermeende terroristen gedood; in 2010 vermoordden vermoedelijk Israëlische agenten Hamas-leider Mahmud al-Mabhuh in een hotel in Dubai. Ze deden dat zo handig dat het aanvankelijk leek alsof Al-Mabhuh een natuurlijke dood in bed was gestorven. In de leerboeken zal ook een plaatsje ingeruimd blijven voor de commandoactie waarbij Amerikaanse agenten Al-Qaida-leider Osama bin Laden in Pakistan om het leven brachten; later werd hiervan de film Zero Dark Thirty gemaakt. Werkelijkheid en fictie zijn in een eeuwige wedloop met elkaar verwikkeld. Dat de werkelijkheid vaak wint, ligt beslist niet alleen aan de Russen.

    Meer echter dan in het Westen worden in het Oosten diensten ook tegen dissidenten en critici ingezet. Na de ervaring met het stalinisme zag de Sovjetleiding erop toe dat een individu niet meer willekeurig agenten kon inzetten: partij en politbureau oefenden controle uit over de leiding van de geheime dienst. Onder Poetin daarentegen heerst opnieuw een man uit de diensten met de diensten en is er geen enkele politieke kracht te bekennen die toezicht op hem houdt.

    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH
    Tien Russische spionnen die werden gearresteerd vanwege werkzaamheden in de VS. Linksboven Anna Chapman, die een tweede carrière kreeg als tv-presentator. – © HH

    Maar ook in de VS waren het niet zozeer rechtsstatelijke principes die de methoden van de geheime dienst dicteerden als wel de toestand in de wereld en het heersende dreigingsgevoel. In de jaren vijftig smeedde de CIA groteske plannen om de Cubaanse revolutionair Fidel Castro om het leven te brengen. Later distantieerde de organisatie zich van dergelijke methoden, tot met de terreur van 2001 alle scrupules weer verdwenen. De Amerikaanse president Barack Obama breidde zijn dronesoorlog aanvankelijk uit, maar stelde er later ook nieuwe grenzen aan door gericht doden te beperken tot gevallen waarin terroristen een ‘direct’ gevaar betekenden. In beide gevallen hadden de burgers nauwelijks mogelijkheden om de staat te controleren.

    Een bijzonder bewijs voor de meedogenloosheid van autoritaire veiligheidsapparaten zien experts in ‘honingvallen’: agentes of agenten die buitenlandse tegenhangers verleiden of seksuele omgang met hen hebben. Ook westerse diensten hebben deze truc gehanteerd, maar de Sovjet-Unie was daarin onverslaanbaar, wat uit westerse optiek verband hield met hun meedogenloosheid. Frederick Hitz, een voormalige inspecteur-generaal van de CIA, duidt dat als volgt: ‘Maar weinig westerse diensten konden hun burgers opleggen dat hun lichaam aan de staat toebehoorde.’

    Dat hierover net een film draait in de bioscoop is zeker geen toeval. Red Sparrow, een film over een Russische agente die andere spionnen moet verleiden, zou in 2010 nauwelijks kijkers hebben getrokken. Nu voegt hij zich bij een lange lijst westerse films waarin Russen beestachtig te werk gaan en bereid zijn tot geweld. Red Sparrow is een film die zó in 1988 had kunnen draaien (als je even buiten beschouwing laat dat de Amerikaanse hoofdrolspeelster Jennifer Lawrence, die de Russische agente speelt, toen nog helemaal niet was geboren).

    Maar moet je nog met de vijand naar bed om hem uit te horen? Voor geheime diensten hebben de grootste veranderingen tegenwoordig meer van doen met technologie dan met ideologie. Waarom zou je iemand in bed geheimen ontlokken als je diens telefoon kunt uitlezen? Waarom zou je het leven van een agent riskeren als je de vijand ook met een drone kunt doden?

    Over de spionagefilm werd altijd gezegd dat het een onverwoestbaar genre was: regimes en ideologieën mogen komen en gaan, de strijder die zich in zijn eentje en voor een hoger doel blootstelt aan de grootste gevaren zal er altijd zijn. Maar voor twee centrale taken van de geheime dienst zijn mensen steeds minder nodig. Als het zo doorgaat met de bots en drones, dan zou de spionagefilm wel eens spoedig zijn belangrijkste acteur kunnen kwijtraken: de agent zelf.

    Zo beschouwd maakten juist de VS de voorbije jaren de indruk van een schurkenstaat. Ten eerste vanwege Obama’s drones, ten tweede vanwege de verzamelwoede van de National Security Agency, die in het wilde weg telefoongegevens opsloeg. Dat het veiligheidsapparaat van de aardige meneer Obama uitgerekend de mobiele telefoon van de Bondskanselier liet afluisteren, stond voor de Duitsers praktisch gelijk aan verraad. Sinds de annexatie van de Krim begin 2014 is het weer Moskou dat onder een vergrootglas ligt. Sindsdien doen de VS hun beklag over Russische hackeraanvallen en het doelbewust lekken van e-mails van de Democraten om de presidentsverkiezingen van 2016 te beïnvloeden. Speciaal aanklager Robert Mueller heeft gereconstrueerd hoe Russische agenten de VS bespioneerden en vervolgens vanuit Sint-Petersburg met geautomatiseerde socialmedia-accounts probeerden kiezers te beïnvloeden en het vertrouwen in de staat te ondermijnen. Is dat hoe de nieuwe oorlogsvoering eruitziet? Ophitsing, destabilisering, verwarring – zo geraffineerd uitgevoerd dat Moskou het steeds plausibel kan bestrijden? De voormalige FBI-man Clint Watts heeft ooit in het Amerikaanse congres gezegd: ‘Rusland hoopt de tweede Koude Oorlog met de macht van de politiek te winnen, niet meer met de politiek van de macht.’ De ironie wil dat de Amerikanen als uitvinders van Facebook en Twitter de Russen zelf van de noodzakelijke instrumenten hebben voorzien. Aan de andere kant: is de situatie zo dramatisch als politici en diensten in het westen schetsen? Tenslotte is politiek in de VS al sinds lange tijd toxisch, en dat de Amerikanen hun staat wantrouwen blijkt al uit hun grondwet. Wat hebben de Russen daar eigenlijk precies aan veranderd?

    In Duitsland is het niet anders: voor de Bondsdagverkiezingen verzamelden de Duitse geheime diensten bewijzen voor mogelijke beïnvloeding door Moskou – maar geen enkel schrikbeeld is bewaarheid. De stroom van slechte berichten over Moskous destructieve rol droogt desondanks niet op. De Amerikaanse regering stelde onlangs over bewijzen te beschikken dat Russische hackers westerse krachtcentrales kunnen binnendringen. Verschillende autoritaire diensten zouden zich er wel eens heimelijk over kunnen verkneukelen met welke lowbudgettrucs ze het Westen van zijn stuk kunnen brengen.

    Poetin lijkt de beschuldigingen uit het Westen niet erg serieus te nemen, alsof hij ervan geniet dat Europeanen en Amerikanen zich onzeker voelen. De New Yorkse professor Nina Khrushcheva heeft eens de theorie geponeerd dat Poetin nauwkeurig heeft bekeken hoe Russen in Hollywoodfilms overkomen. En dat hij toen heeft besloten zich precies zo te gedragen om het Westen angst in te boezemen.

    Auteurs: Georg Mascolo en Nicolas Richter
    Vertaler: Pieter Streutker

    Openingsbeeld: Still uit Hitchcocks The 39 Steps (1935).

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland, dagblad, oplage 358.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    FILM | Verliefd op zichzelf 
en de vergetelheid

    ‘Hoe heeft ze dat in godsnaam gefilmd?’

    Iedereen die wil weten hoe het is als een adelaar boven de bergen te zweven, zou deze film moeten zien. Al bestaat de kans dat je de openigshots, waarin de beroemdste soloklimmer ter aarde op een bergricheltje 500 meter boven de grond staat, zonder touwen, zonder wat voor uitrusting ook, niet aankan. Daar zijn de kranten het over eens. Regisseur Jennifer Peedom brak door met haar film Sherpa uit 2015, die over de enorme risico’s gaat die Nepalese bergbeklimmers nemen om toeristen de Himalaya op te begeleiden en extra bekendheid kreeg doordat tijdens het filmen in 2014 zestien sherpa’s door een lawine om het leven kwamen.

    Mountain (2017) heeft als luchtiger onderwerp de – soms fatale – fascinatie van de mens voor de bergen, en laat zien hoe we deze ‘steeds meer als speelplaats gebruiken’ . Vooral degenen die bizarre sporten beoefenen als van pieken af mountainbiken, soloclimben en parachutespringen en volgens de voice-over ‘half verliefd zijn op zichzelf, en half op de vergetelheid’.

    Peedom schreef het script samen met de geleerde bergbeklimmer Robert MacFarlane; zijn Mountains of the Mind diende voor haar als lijfboek toen ze zelf begon met klimmen. Hun teksten worden voorgelezen door William Defoe, wiens ‘verweerde stem’ volgens The Irish Times een wat curieuze keuze is om de abnormaal atletische beelden te vergezellen. Het artikel in de Ierse krant heeft de kop ‘Hoe in godsnaam heeft ze dat gefilmd?’ – een vraag die meer recensenten zich stellen. Gevolgd door die andere: ‘En hebben ze het allemaal overleefd?’

    Het eerste antwoord ligt redelijk voor de hand: drones, de meest geavanceerde draagbare apparatuur, getrainde cameramannen, zoals Peedom aan Radiotimes vertelt. Het antwoord op de tweede vraag geeft ze aan Hollywood Reporter en is half geruststellend. Tijdens het filmen is niemand doodgegaan – wat niet wil zeggen dat iedereen die in Mountain voorkomt nu nog leeft. (Ook vertelt ze HR dat ze sinds ze kinderen heeft beter bestand is tegen ‘de sirenen van de top’, zoals McFarlane de soms haast suïcidale behoefte beschrijft om op wat voor manier ook bij de piek te komen.)

    ‘Niets doet je zo beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven’

    Peter Bradshaw van The Guardian spreekt de wens uit dat Peedom net als David Attenborough een korte making of-montage aan de film had toegevoegd. Hij noemt de beelden ‘zo adembenemend dat je bereid bent een aantal nogal fantasieloze muziekkeuzes door de vingers te zien’. Vivaldi’s Vier seizoenen had van hem niet gehoeven. Het Australian Chamber Orchestra onder leiding van Richard Tognetti initieerde het project en is dan ook nadrukkelijk bij Peedoms beelden aanwezig. Maar soms ook is het even stil – zoals wanneer soloclimber Alex Honnold op dat richeltje staat. Alleen zijn ademhaling is te horen. Hij had even een off-moment, blijkt later. Vroeg zich af waarom hij daar eigenlijk was.

    Omdat niets je zo doet beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven, licht Defoe met zijn onheilspellende bas toe, die meteen een National Geographic -documentaire in herinnering roept.

    Ondanks dat sommigen de 74 minuten waarin de tweeduizend uur materiaal is gegoten wat aan de lange kant vinden, is Mountain nu al een groter kassucces dan Sherpa. Wie wil dan ook niet voelen hoe het is om als adelaar boven de bergen te zweven?

    Mountain gaat 22 maart in Nederland en België in première.

    fresa

    LITERATUUR | Het meest gekopieerde boek ter wereld

    Waarom mannen wél aardbeienijs mogen eten

    In de vroege jaren van de Cubaanse revolutie serveerde Havana’s beroemde ijssalon Coppelia 54 smaken. Fidel Castro pochte ermee dat dit meer was dan de Yankee-onderneming Howard Johnson in zijn assortiment had. Maar nadat de Cubaanse economie tijdens de crisis was gekelderd, hadden bezoekers van Coppelia al geluk als ze uit twee smaken konden kiezen.

    Chocola, en aardbei. Voor mannen betekende dat eigenlijk geen keuze. Een man die aardbei bestelde was not done, ‘een softie’, in de ogen van de revolutionairen.

    Dit was de tijd waarin duizenden Cubaanse homoseksuelen in concentratiekampen werden gestopt en waarin hiv-patiënten in quarantaine werden geplaatst. En ook de tijd waarin de novelle El Lobo, el bosque y el hombre nuevo van Senel Paz speelt, dat later (in 1995) werd verwerkt tot de film Chocolate en Strawberry en via fotokopieën massaal van hand tot hand ging: het zou het meest gekopieerde boek ter wereld zijn, volgens o.a. de site Escritores.org.

    In het verhaal sluit David, een revolutionair, vriendschap met Diego, die uit porseleinen kopjes drinkt, Maria Callas luistert, zijn liefde voor mannen niet onder stoelen of banken steekt – en aardbeienijs eet. Ondanks dat de clichés er wat dik bovenop liggen, schrijft The New York Times, is de wisselwerking tussen de twee dankzij het nieuwsgierige karakter van David overtuigend. Ook Le Monde vindt het door ‘de tegelijk naïeve en bewuste openhartigheid van de verteller (…) een verrassend verhaal’.

    In feite was het bedoeld als aanklacht tegen alle soorten discriminatie, licht de inmiddels overleden verfilmer Tómas Gutierrez Alea in The Guardian toe. ‘Het gaat over intolerantie en een gebrek aan begrip voor degenen die “anders” zijn. Dat geldt niet alleen voor homoseksuelen, maar voor mensen die voor zichzelf nadenken, voor zwarten, voor iedereen die wordt gediscrimineerd.’

    Paz is dan ook evenmin als Diego een antirevolutionair (‘Dat ik homo ben maakt me nog niet antipatriottisch,’ zegt die laatste in het boek). Hij komt zelf uit een arm gezin en kon dankzij een beurs van de regering gaan studeren, het gezin onderhouden en zijn moeder onderwijzen. De revolutie bracht verandering teweeg, maar ging gepaard met een gebrek aan vrijheid, zegt hij tegen El País. In zijn boek stelt hij een vraag, namelijk: Wie moet er boeten voor de fouten van de revolutie? Die vraag wordt niet beantwoord, maar was genoeg om een doorbraak te betekenen voor hoe er in Cuba tegen homorechten werd aangekeken. (Inmiddels is de dochter van de huidige president van Cuba, Mariela Castro, de grootste activist van homorechten op het eiland.)

    Paz won voor zijn roman de prestigieuze Juan Rulfoprijs, en wordt door La Repubblica o.a. vanwege de eenvoudige setting tot ’uitvinder van de Cubaanse literaire nouvelle vague’ bestempeld; het verhaal speelt zich overwegend af in de huiskamer van David, dat hij omtoverde tot ‘toevluchtsoord binnen het rumoer van de Cubaanse samenleving en de pijlen die daarin op homoseksuelen zijn gericht’ .

    Begin april verschijnt Aardbei & chocola in een vertaling van Pieter Lamberts bij Zirimiri Pers.


    MUZIEK | De Malinese zangeres uit de Ivoorkust

    Zangeres wil met haar muziek de wereld veranderen

    De eerste keer dat Fatoumata Diawara weer in Afrika optrad, op het populaire Festival Sur le Niger, was volgens Tom Pryor van Afropop een zenuwslopend moment. Ze vluchtte op haar negentiende het land uit en keerde niet meer terug, totdat ze zich in 2015 vanwege de crisis in Mali gedwongen zag een steentje bij te dragen. Maar ‘door de Wassoulou-invloeden in haar muziek en haar overtuigende optreden had ze het publiek als snel voor zich gewonnen’, vertelt Pryor erachteraan. Haar lied Mali-ko (Vrede) noemt The Independent zelfs het symbool voor het verzet tegen de islamitische revolutionairen.

    Diawara (Ivoorkust, 1982) werd geboren in een groot gezin van Malinese ouders en moest omdat ze niet naar school wilde bij haar acterende tante in Bomoko verblijven, waar ze op haar negende op de set werd ontdekt. Ze speelde onder andere in een film waarin ze haar man ontvlucht om niet aan God geofferd te worden, en kreeg bij haar eigen middernachtelijke vlucht, om aan een gearrangeerd huwelijk te ontkomen, hulp van haar tante. Ze kwam in Parijs als achtergrondzangeres terecht bij de eveneens vrijgevochten Malinese diva Oumou Sangare en startte een razendsnelle solocarrière. Schreef Robin Denselow in *The Guardia*n in 2013 nog dat ze weliswaar alles mee had (jong, mooi, talentvol), maar zich moest zien te bewijzen als grote Malinese artiest, een paar jaar later prijst hij haar ‘volwaardige, overweldigende optreden’, ‘beheerste en krachtige stem’ en ‘aanstekelijke dans’. De ‘Malinese godin met een zachte, gedempte stem’, zoals Bozar haar aanbeveelt, toerde de wereld over voor optredens en samenwerkingen met grote namen als Herbie Hancock, Bobby Womack en Franz Ferdinand.

    Op de vraag van OkayAfrica waarom ze zich consequent Malinees noemt terwijl ze er niet is geboren en maar enkele jaren woonde, legt Diawara uit dat het de mentaliteit is, de overtuiging dat muziek de wereld kan veranderen. Ze zingt over onderwerpen als besnijdenis en vrouwenrechten, en wil haar teksten ook toegankelijk maken voor de Facebook- en Twitter-generatie: een zo bondig en helder mogelijke boodschap voor een maximaal resultaat.

    Ondanks de ernst van haar thema’s is haar lach opvallend veelbesproken, ArtDesk noemt deze bijvoorbeeld ‘zo breed is dat hij bij ieder ander geforceerd zou lijken. Maar bij haar is [hij] er gewoon, soms sereen, soms vol overgave.’ ‘Ik word zo gelukkig van op het podium staan!’ verzucht de zangeres dan ook tegen CNN. ‘Want ik weet wat ik heb gedaan om hier te komen.’

    Fatoumata Diawara treedt op 25 maart op in Paradiso Noord.

    Auteur: Laura Weeda

  • Raúl Castro treedt terug – maar raakt niet uit zicht

    Raúl Castro treedt terug – maar raakt niet uit zicht

    In februari krijgt Cuba een nieuwe president, als opvolger van Raúl Castro. Maar dat betekent niet dat de Castro-clan alle macht opgeeft, denken analisten. Daarvoor zijn de verhoudingen met de VS sinds de verkiezing van Donald Trump te gespannen.

    Wie de Cubaanse leider Raúl Castro na de aanstaande presidentsverkiezingen ook zal opvolgen, hij zal een storm van uitdagingen het hoofd moeten bieden met als absoluut hoogtepunt orkaan Donald Trump. De zesentachtigjarige Castro heeft gezegd dat hij van plan is na de landelijke verkiezingen van februari 2018 terug te treden als hoofd van de Staatsraad en de Ministerraad. Wel verwacht men dat hij zal aanblijven als leider van de Cubaanse Communistische Partij van Cuba.

    Sinds Donald Trump in januari 2017 zijn intrede deed in het Witte Huis is de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba duidelijk bekoeld. Zo verharde Trump zijn taal tegen Castro en heeft hij gezegd korte metten te maken met de toenaderingspolitiek van zijn voorganger Obama.

    Zakendoen met staatsbedrijven die door Cubaanse militairen worden geleid, is voortaan verboden. De spanning tussen beide landen liep onrustbarend op toen het nieuws naar buiten kwam dat Amerikaanse diplomaten in Havana en medewerkers van de ambassade doelwit zouden zijn van aanvallen met geluidswapens of iets van dien aard. Beide regeringen hebben over en weer beschuldigingen geuit en de aanvankelijk terughoudende Cubaanse media deinzen er niet langer voor terug om Trump een ongelikte beer te noemen. Al hebben de Verenigde Staten de Castro-regering niet rechtstreeks beschuldigd, toch hamert regeringswoordvoerder Heather Nauert erop dat de Cubaanse regering op de hoogte moet zijn geweest van wat er is voorgevallen. Op zijn beurt heeft Cuba verklaard zich van geen kwaad bewust te ziijn. De hele episode lijkt een flashback van de Koude Oorlog.

    ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren’

    Voor Domingo Amuchástegui, voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst en momenteel woonachtig in Miami, is het ‘ondenkbaar’ dat onder de huidige omstandigheden iemand terug zal treden.

    Het ‘Trump-effect’ is voelbaar in het politieke debat in Cuba, menen enkele analisten. Trumps nieuwe maatregelen, die het reizen naar Cuba en de handel met staatsbedrijven aan banden leggen, voeden de oude staat-van-beleg-mentaliteit op het eiland, zegt 
de Cuba Study Group, de Cubaans-Amerikaanse organisatie die de toenaderingspolitiek van oud-president Barack Obama steunde. Hoe groot de macht is van de conservatieven binnen de Cubaanse regering bleek al toen de regering de afgifte van nieuwe licenties voor werknemers in de private 
sector stopzette. ‘Raúl Castro zegt al langer dat de oude mentaliteit het voornaamste obstakel voor hervormingen is. Ook heeft hij gezegd dat de hervormingen zo snel gaan als de consensus dat toestaat. Die twee dingen wijzen er wel degelijk op dat er een groep is die het proces vertraagt,’ meent Carlos Alzugaray, oud-ambassadeur van Cuba bij de Europese Unie.

    Wie de nieuwe president van Cuba ook wordt, hij zal het hoofd moeten bieden aan ingewikkelde uitdagingen die van invloed zijn op zijn politieke speelruimte. De olievoorziening uit Venezuela is het afgelopen jaar opgedroogd omdat Cuba’s bondgenoot zelf kampt met een economische crisis. Orkaan Irma, die over de noordkust van het eiland trok, heeft een spoor van verwoestingen achtergelaten. De Cubanen morren over de traag verlopende herstelwerkzaamheden en er waren kleine, spontane protestacties in de hoofdstad en in een aantal provincies. Econoom Carmelo Mesa-Lago verwacht dat de Cubaanse economie dit jaar opnieuw met 0,3 procent zal krimpen – het afgelopen jaar werd afgesloten met een recessie. Volgens Mesa Lago zit Cuba in de zwaarste economische crisis sinds 1990, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel.

    Moody’s Investors Service voorspelt dat als gevolg van orkaan Irma en de nieuwe maatregelen van de Trump-regering de Cubaanse economie met 0,5 procent zal krimpen. Manuel Cuesta Morúa, een tegenstander van het regime, die het voortouw nam om onafhankelijke kandidaten op de lokale verkiezingslijsten te krijgen, acht het niet uitgesloten dat Raúl Castro voorlopig aanblijft als hoofd van de regering vanwege ‘de kritieke situatie’ waarin Cuba plotseling terecht is gekomen door de nasleep van orkaan Irma en de verslechterde relatie met de Verenigde Staten. ‘Zo’n crisis kan beter door ervaren mensen worden aangepakt dan door nieuwkomers.’ Wel denkt Morúa dat Raúl Castro het regeren zal overlaten aan vicepresident Miguel Díaz-Canel, de zichtbaarste kandidaat tot nu toe. ‘Ik denk dat de Cubanen in institutionele zin voldoende zijn voorbereid om de toenemende problemen te trotseren en tegelijkertijd de politieke overgang door te zetten,’ zegt Richard Feinberg, docent politicologie aan de Universiteit van Californië in San Diego. ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren.’

    De gebroeders Castro.
    De gebroeders Castro.

    ‘Het is weinig waarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat er zich géén wisseling van de wacht zal voordoen in de hoge echelons van de regering,’ meent oud-ambassadeur Alzugaray. ‘Raúl Castro heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij wil terugtreden en de institutionele basis wil leggen voor het Cuba na de Castro’s. Raúl Castro is bijna negentig en staat bekend als iemand die het fijn vindt tijd met zijn familie door te brengen. Hij zal nu niet terugkrabbelen,’ aldus de Cubaanse ex-diplomaat. ‘Hij heeft niet voor niets voorgesteld dat een president maar twee termijnen mag aanblijven. Op die regel zal hij niet de eerste uitzondering zijn.’

    Castro’s plannen dateren van 2013. Toen zei hij voor het eerst dat hij van plan was zich na vijf jaar uit de staatsraad terug te trekken. Op het zevende congres van de Communistische Partij van Cuba in 2016 heeft de president voorgesteld een leeftijdslimiet in te stellen voor leden van de regering en van de Communistische Partij, een voorstel dat door de aanwezige tachtigers die tot de ‘historische generatie’ behoren – de mannen die samen met Fidel en Raúl Castro deelnamen aan de omverwerping van de Baptista-dictatuur – lauwtjes werd ontvangen.

    ‘Vanaf het moment dat hij president werd (officieel in 2008) heeft Castro gepoogd de instituties te versterken, hetgeen de beste garantie op voortzetting van het regime zou zijn,’ aldus William LeoGrande, docent aan de American University. ‘Maar Castro heeft met geen woord gerept over het opgeven van zijn plek als eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba, en in die hoedanigheid heeft hij een grote vinger in de pap bij belangrijke beslissingen.’

    Ander debat

    Maar zelfs áls Castro uit de regering stapt, dan liggen de kaarten van het politieke debat nu anders, meent Arturo López Levy van de Universiteit van Texas in Río Grande en voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst. ‘Eerst ging het erover of vicepresident Díaz-Canel genoeg in huis had om te kunnen omgaan met een geglobaliseerde wereld en een pluriformere samenleving. Nu is het debat over de politieke hervormingen in Cuba uitgesteld of zelfs stopgezet,’ aldus López Levy. De regering heeft bijvoorbeeld het verzoek afgewezen van meer dan honderd onafhankelijke kandidaten om deel te mogen nemen aan de lokale verkiezingen van 26 november. In plaats van over progressievere kandidaten of andere politieke hervormingen gaat het huidige debat erover of Díaz-Canel en zijn team voldoende zijn klaargestoomd om een adequate strategie te ontwikkelen tegen Trump, en of ze de energie hebben om het tegen Washington op te kunnen nemen.

    Auteurs: Nora Gámez Torres en Mimi Whitefield
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    El Nuevo Herald
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 95.000

    In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, staat sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.

  • Op weg naar 
een nieuw leven

    Op weg naar 
een nieuw leven

    In een Extended Stay-hotel in Miami vertelt een Cubaans echtpaar over hun odyssee van tien maanden door vier landen, op weg naar een nieuw leven in de Verenigde Staten.

    De tranen stromen Regla Monte Rey (43) over de wangen, als ze terugdenkt aan de hachelijke tocht over de nachtelijke zee die zij en haar man met hun twee tienerzoons afgelopen zomer maakten naar een onbewoond eiland voor de kust van Puerto Rico. ‘Ik bad de hele tijd tot God, om ons te helpen, en ook tot alle orisha’s [Afro-Cubaanse religieuze geesten] die er maar zijn.’

    Als wij Monte Rey, haar man German Correoso (59) en hun zoons Kevin (15) en Kendry (14) tegenkomen, zijn ze net aangekomen in Miami. Vandaar volgen we ze verder, tot ze zich uiteindelijk zullen vestigen in Lancaster, Pennsylvania. Hun verhaal is het verhaal van tienduizenden Cubaanse gezinnen die elk jaar van het communistisch bestuurde eiland vertrekken, om gebruik te maken van een zeer gulle immigratieregeling voor Cubanen in de Verenigde Staten op grond van de Cuban Adjustment Act uit 1966.

    Er klinkt steeds meer kritiek op die wet, ook uit de hoek van Cubaanse ballingen die al veel langer in Miami wonen. Volgens hen maken economische migranten van het eiland er misbruik van. De afgelopen maanden is het aantal Cubanen dat naar de VS komt om een verblijfsvergunning aan te vragen explosief gestegen: mensen zijn bang dat die wet door de regering-Trump zal worden afgeschaft.

    Volgens cijfers van de Amerikaanse douane hebben zich vorig jaar zo’n 54.000 Cubanen als migrant bij Amerikaanse grensposten gemeld. Dat is twee keer zoveel als in het jaar daarvoor. Daarnaast komen er jaarlijks nog zo’n 30.000 Cubanen via de officiële kanalen naar de VS, met een door de ambassade verstrekt visum voor gezinshereniging, via politiek asiel of dankzij het wereldwijde programma waarin visa worden verloot. In Cuba zelf veroorzaakt de wet ondertussen verscheurde families en een leegloop aan Cubaans talent, van artsen tot honkballers.

    ‘Ik mis mijn dochter en mijn kleinkinderen zo,’ zegt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero (61), die tegenover het vroegere huis van Correoso en Monte Rey woont in Vieja Linda, een arbeiderswijk met straten vol gaten aan de zuidelijke rand van Havana. ‘Hun vertrek heeft mijn leven verwoest. Ik zou ze daar heel graag willen opzoeken, maar niet om er ook te gaan wonen. Ik ben gelukkig hier in Cuba.’

    Verkeerde kant

    Toen Correoso, Monte Rey en hun twee zoons in september vorig jaar Cuba verlieten en op weg gingen naar de Verenigde Staten, hadden ze geen vastomlijnd reisplan. De twee voormalige leerkrachten hadden het geld voor de reis bij elkaar gebracht met de verkoop van al hun bezittingen, waaronder hun huis en hun auto. Gewapend met hun paspoort, wat contant geld en een koppige vasthoudendheid, begonnen ze aan de eerste etappe van hun reis: per vliegtuig over de Caribische Zee – maar wel de verkeerde kant op. In plaats van naar het noorden te vliegen, naar Miami, dat nauwelijks 300 kilometer van Havana ligt, gingen ze 3000 kilometer naar het zuiden, naar Guyana, een tropisch landje aan de noordkust van Zuid-Amerika. Dat is een van de drie landen waarvoor Cubanen geen visum nodig hebben (de andere twee zijn Trinidad en Rusland). Meteen na aankomst in de hoofdstad Georgetown stapten ze in een bus voor een rit van veertien uur door de jungle, naar de grens met Brazilië, een kleine 400 kilometer verder naar het zuiden. Eenmaal over de grens namen ze een taxi naar de stad Boa Vista en vandaar weer een vliegtuig, nu naar de hoofdstad Brasilia.

    Veel andere Cubanen ondernemen daarvandaan de gevaarlijke reis over de Amazone naar Colombia en dan door het ondoordringbare Darién-oerwoud naar Panama, maar Correoso en Monte Rey gingen liever op zoek naar andere mogelijkheden.

    ‘In Centraal-Amerika wemelde het van de Cubanen die hetzelfde wilden als wij,’ vertelt Correoso. ‘Maar dat werd steeds moeilijker toen eerst Nicaragua en daarna Costa Rica en Panama hun grenzen voor Cubanen sloten.’

    Het gezin bemachtigde een tijdelijke werkvergunning in Brazilië. De ouders werkten als bordenwasser in restaurants, de twee jongens gingen naar school. Maar in Brazilië blijven was voor hen geen optie. ‘We maakten ons grote zorgen over de veiligheid daar. Die was heel anders dan we in Cuba gewend waren,’ vertelt Monte Rey. In de negen maanden die volgden probeerden ze de volgende etappe van hun reis te regelen en uiteindelijk kozen ze voor een andere populaire smokkelaarsroute. Met hulp van vrienden en familie in de Verenigde Staten kochten ze in juli vliegtickets naar de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Daarvandaan namen ze een klein vliegtuig naar de tweede stad van Haïti, Cap-Haïtien, aan de noordkust, waar ze smokkelaars troffen die hen ’s nachts te voet de grens met de Dominicaanse Republiek over brachten.

    In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven

    ‘We liepen en liepen, door de bergen en twee rivieren, terwijl we ons de hele tijd verborgen hielden. Twee gidsen hielpen ons, het was een donkere, maanloze nacht,’ vertelt Correoso.

    Ze bleven twaalf dagen in de Dominicaanse Republiek, onderweg naar het badplaatsje La Romana aan de zuidoostkust. Daar zijn smokkelaars met yolas, smalle bootjes met buitenboordmotoren, die migranten een overtocht bieden over de gevaarlijke Mona Passage, een drukke scheepvaartroute die de Dominicaanse Republiek scheidt van het Amerikaanse grondgebied van Puerto Rico. De familie wist dat de VS een natuurgebied op het eiland beheren en dat zij als Cubanen daar welkom zouden zijn.

    Ze vertrokken bij het invallen van de schemering, zestien mensen in een krappe open boot, in rijen naast elkaar, zonder de beschutting van een dek of hut. De Mona Passage is berucht om haar woelige zee en sterke stromingen. Terwijl de kust achter hen uit het zicht verdween, begonnen de golven aan de boot te rukken, zodat die heftig schommelde. ‘Dat waren de moeilijkste en gevaarlijkste acht uur die ik ooit heb doorgemaakt,’ vertelt Correoso. ‘De golven werden steeds hoger en op een gegeven moment dachten we dat we het niet zouden halen. Ik dacht dat de boot zou zinken. Mijn jongste zoon naast me klampte zich aan de bank vast, ik sloeg mijn armen om hem en zijn moeder heen; onze andere zoon lieten we op de bodem van de boot zitten, tussen onze benen.’

    Bij het krieken van de dag landden ze op het eiland Mona, op 26 juli. Uitgeput en opgelucht bleven ze op het strand zitten tot de zon opkwam, voor ze op zoek gingen naar de Amerikaanse kustwacht. Uren later, nadat ze te eten hadden gekregen, zaten ze aan boord van een Amerikaanse helikopter die hen naar San Juan vloog. De volgende halte: Miami.

    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty
    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty

    Wij ontmoeten Correoso, Monte Rey en de jongens drie weken na hun aankomst in Miami, in een hotel in de buurt van het vliegveld, waar ze zijn ondergebracht in het kader van een federaal programma voor Cubaanse migranten, dat onder leiding staat van kerkelijke hulporganisaties. Ze zijn in afwachting van een bericht over hun uiteindelijke verhuizing naar Lancaster in Pennsylvania, waar ze met hulp van de Church World Service, een protestantse hulporganisatie voor immigranten en vluchtelingen, een nieuwe plek hopen te vinden. Ze krijgen hulp bij het invullen van immigratieformulieren, waaronder een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning – de beroemde green card – en voor sociale voorzieningen, zoals een uitkering van drie maanden voor huisvesting en voeding. Het hotel zit vol Cubanen, sommigen zijn verbrand door de zon na hun reis over zee op een zelfgebouwd vlot naar de kust van Florida. In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven.

    ‘Het was een geweldige verrassing om te merken hoeveel hulp Cubanen hier krijgen,’ zegt Monte Rey.

    Waarom zijn ze aan dit riskante avontuur begonnen? ‘De levensomstandigheden in Cuba zijn niet gemakkelijk en het werd steeds moeilijker voor ons,’ vertelt Correoso.

    Monte Rey gaf wiskunde en Correoso biologie, voordat ze een paar jaar geleden hun baan van 25 dollar per maand opgaven en op zoek gingen naar beter betaald werk. ‘We wilden iets gaan doen dat ons wat meer armslag zou geven. Dus stopten we met het onderwijs,’ vertelt Correoso. Hij vond eerst een baan als inspecteur bij het ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid, werkte daarna als directeur logistiek bij de cargoterminal op de luchthaven van Havana, en uiteindelijk als bestuurder van landbouwmarkten in zijn eigen provincie.

    ‘Een baan krijgen is niet zo moeilijk in Cuba; wat moeilijk is, is een baan krijgen die je iets oplevert. Soms voel je je een vreemdeling in je eigen land, omdat je allerlei dingen niet kunt doen die anderen zich wel kunnen veroorloven, zoals uit eten gaan in een goed restaurant of in een hotel logeren.’ Zijn vrouw voegt daaraan toe: ‘Zo is het in Cuba. Ik denk niet dat veel mensen nu om politieke redenen weggaan. Cubanen houden zich nauwelijks met politiek bezig.’ Toch zeggen ze allebei dat politiek wel een rol heeft gespeeld in hun besluit.

    ‘Misschien vluchten we voor een systeem waar we niet achter staan. Want als we één ding zeker weten, is het wel dat we geen communisten willen zijn, dat we het rare socialisme dat we daar hadden niet meer willen,’ zegt Correoso. Het tijdstip van hun vertrek had ook alles met politiek te maken, want de angst was groot dat de Cuban Adjustment Act binnenkort zou worden herroepen. ‘Veel Cubanen die naar de Verenigde Staten migreren, vrezen het ergste voor die wet,’ vertelt Monte Rey.

    ‘Iedereen beseft dat die weleens kan verdwijnen, want we hebben geen idee wat de regering-Trump gaat doen. We zien ook wel dat die wet niet eeuwig blijft bestaan.’

    Duizend dingen doorgemaakt

    De afgelopen twee jaar onder president Obama hebben er grote verschuivingen plaatsgevonden in het Amerikaanse Cubabeleid, zoals het herstel van de diplomatieke betrekkingen, maar volgens Correoso is er op straat in Cuba weinig veranderd. ‘Mensen verliezen de moed, ze zien hoe de tijd verstrijkt, er wordt niets opgelost en sommige problemen worden alleen maar nijpender.’ Nog steeds zijn er allerlei meningsverschillen tussen Cuba en de Verenigde Staten die onoverbrugbaar lijken,’ zegt hij, in een verwijzing naar het Amerikaanse economische embargo en de aanspraken van beide landen op hetzelfde grondgebied, zoals de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo. ‘Wij gewone Cubanen zijn in dit conflict meegesleurd, we hebben het gevoel dat we in de val zitten.’

    Eind augustus hebben ze nog een keer hun spullen ingepakt, voor de verhuizing naar hun nieuwe thuis in Pennsylvania. Als ze er aankomen, krijgen ze een envelop met geld, de huissleutel en een kaart waarop belangrijke plekken staan aangegeven, zoals de plaatselijke supermarkt.

    ‘Zo heerlijk,’ zegt Monte Rey. ‘Ik heb het zo gemist om zelf te kunnen koken. Het enige wat hier nu nog ontbreekt is een dominospel, om het nog Cubaanser te maken.’ Voor hun eerste maaltijd maakt Monte Rey rijst met bonen, Correoso roostert varkensvlees – traditioneel Cubaanse kost.

    De jongens verheugen zich op hun nieuwe school – en op de winter. ‘Ik heb nog nooit sneeuw gezien. Het lijkt me fantastisch om sneeuw aan te raken,’ zegt Kendry. ‘Ik heb nog zo veel te leren,’ voegt hij eraan toe. ‘Later zal ik mijn kinderen vertellen over alles wat ik heb doorgemaakt. En op een dag ga ik naar Cuba en dan vertel ik iedereen daar, al mijn vrienden: ‘Ik heb duizend dingen doorgemaakt om te komen waar ik nu ben.’

    Terug in Havana vertelt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero, hoe leeg haar leven is nu ze weg zijn. Haar dochter heeft geheimgehouden dat ze wilden gaan emigreren en vertelde het haar pas toen ze al in Brazilië zaten, per telefoon. Guerrero kon tijdens dat telefoontje nauwelijks een woord uitbrengen tegen haar dochter. ‘Mijn keel werd dichtgeknepen en ik hing op,’ vertelt ze, in de schommelstoel op haar veranda.

    Als bescherming van het huis heeft ze een kleine smeedijzeren presse-papier in de vorm van een pijl en boog bij de drempel van haar voordeur gezet. Het is een symbool van de Afro-Cubaanse god Ochosi. Het beeldje is van Monte Rey geweest en moet ook haar beschermen. Haar naam staat op het velletje papier dat eronder ligt. Moeder en dochter zijn allebei ingewijd als heiligen in de Santería-religie van Cuba.

    In een glazen vitrine tegen een muur in de tuin staat de manshoge menselijke figuur van Sint Lazarus, die gezien wordt als een helende god [Babalú-Ayé, in de Cubaanse Yoruba-religie]. Buiten in het park spelen kinderen op kapotte, roestige schommels, terwijl anderen zich op straat van de heuvel omlaag storten op chivichanas, zelfgemaakte houten skateboards. Straatverkopers prijzen luidkeels hun waren aan. ‘Hay papas [Er zijn aardappelen],’ roept een man. Twee andere mannen zijn verdiept in een partijtje schaak in de schaduw van een palmboom, met het schaakbord wiebelend op hun knieën. Een gezin maakt een pan vers varkensvlees klaar op een houtvuur aan de kant van de weg.

    Op de plaatselijke markt denkt men met genegenheid terug aan Correoso. ‘German is een goed mens,’ zegt Humberto Martinez (46). ‘Het leven is niet gemakkelijk en we wensen hem het beste toe.’ Gema Mora (33) herinnert zich haar vroegere buren nog goed. ‘Ze verdienen het om te zijn waar ze nu zijn,’ zegt ze. ‘Ze waren de beste kameraden die ik me kon wensen.’ Correoso en Monte Rey zijn de peetouders van haar vijfjarige dochter Leancy. Het meisje lacht als ze hun namen hoort. ‘Wanneer komt het vliegtuig mij ook ophalen?’ vraagt ze.

    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International
    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International

    Guerrero denkt met weemoed terug aan de momenten dat ze van haar werk in een café thuiskwam en iets te eten klaarmaakte voor Kevin en Kendry als die uit school kwamen. Dan keken de jongens naar tekenfilms op tv tot hun ouders thuiskwamen. Na hun vertrek was ze dodelijk ongerust, want ze had al te veel verhalen gehoord van op zee verdwenen of te lang van elkaar gescheiden families. Twee keer is ze in het ziekenhuis beland als gevolg van stress en haar diabetes. Ze heeft een duidelijke mening over illegale emigratie. ‘Ik zou willen dat mensen niet op die manier vertrokken. Waarom nemen ze dat risico?’ vraagt ze in haar schommelstoel, met de hond van haar buren op schoot. ‘Het belangrijkste is dat ze leven.’ Over hun toekomst maakt ze zich niet al te veel zorgen. ‘Het zijn intelligente, goed opgeleide mensen. Ze zijn allebei leraar, dus ik denk dat ze hun draai wel zullen vinden.’

    Ze hoopt dat ze ooit bij hen op bezoek kan gaan, maar beseft dat het niet makkelijk zal zijn om een visum te krijgen, vanwege het risico dat zij ook een beroep zal doen op de speciale regeling voor Cubanen. ‘Ik hoop dat ze ons ouderen ooit zullen laten komen en gaan, zodat iedereen die dat wil op familiebezoek kan gaan. Ik zou heel graag mijn kleinkinderen willen zien, dan kan ik op de dag dat ik doodga tenminste zeggen dat ik ze nog één keer heb gezien.’

    Ook al beklaagt ze zich over haar lot, over het leven in Cuba heeft ze weinig klachten. ‘Het is hier niet zo slecht,’ zegt ze, en ze merkt op dat ze niet hoeft te betalen voor haar diabeteszorg. Van haar salaris van 16 dollar per maand blijft weinig over nadat ze de rekening voor water en elektra heeft betaald. Maar ze heeft niet veel nodig. ‘Als je in dit land niet te eten hebt, komt dat omdat je niet werkt. Er is hier werk genoeg voor mensen die hun best doen. Er zijn veel ergere plekken. Kijk naar wat er gebeurt in Brazilië en Venezuela,’ zegt ze, doelend op het geweld, de politieke onrust en beschuldigingen van corruptie in die landen.

    Ondanks alles zeggen Correoso en Monte Rey dat Cuba altijd hun thuis zal blijven. ‘We houden erg veel van ons land en we zullen Cuba nooit vergeten. We hebben ook nooit gezegd dat we niet terug zullen komen,’ zegt Correoso. ‘We willen Cubanen blijven, we willen dat onze kinderen Cubanen zijn. We willen tot onze dood Cubaans blijven. Hij zwijgt even en schraapt zijn keel. ‘Als het ooit beter wordt in Cuba en er dingen veranderen, gaan we met alle plezier terug naar ons vaderland.’

    Epiloog

    Correoso en Monte Rey werken in Lancaster nu allebei parttime voor een onlinekledingwinkel. Beiden hebben een sollicitatie lopen voor een fulltimebaan. Ze hebben geen overheidsuitkering meer en betalen nu zelf hun huur. En ze hebben een auto gekocht, een tweedehands Mitsubishi. Afgelopen weekend was het in Lancaster twaalf graden onder nul. De jongens zijn nu vijftien en zestien en hebben voor het eerst in hun leven sneeuw gezien.

    Met dank aan Ana Maria Rodriguez in Lancaster en Pablo Cozzaglio in Havana.

    Auteur: David Adams
    Vertaler: Annemie de Vries

    Univisión
    VS | univision.com/noticias

    Spaanstalige website, gericht op de latinogemeenschap in de VS. Met veel aandacht voor onderwerpen als immigratie, Latijns-Amerika en Mexico.

  • Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

    Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

    De Cubaanse blogger Yoani Sánchez beschrijft aan de hand van haar 
eigen familiegeschiedenis de opkomst en het failliet van het communisme in haar land. ‘Fidel is negentig. De jongeren hebben de tijd mee.’

    Dit wordt een reis waarin drie perioden die mijn land heeft doorgemaakt de revue zullen passeren: een waarin jongeren hoop koesterden, een waarin ze gefrustreerd raakten en een waarin ze slim laveren tussen de vele hobbels op hun weg. Zonder hun veerkracht en moed 
zouden we nog minder rechten hebben en nog meer in de gaten gehouden en gecontroleerd worden. Zij deden het raam naar de vrijheid open toen de deur dicht was. Het zou past echt mooi zijn geweest als ze de drempel naar 
de vrijheid over waren gestapt zonder dat ze hun ideeën en politieke overtuigingen hoefden te verloochenen.

    De eerste generatie is die van mijn vader. Hij was treinmachinist, lid van de Communistische Partij, onderdeel van de politieke orde die het in Cuba 
in 1959 voor het zeggen kreeg. Hij had geen keuze, hij kon alleen het pad 
volgen dat anderen voor hem hadden uitgetekend, de bebaarde jongens onder leiding van Fidel Castro en 
Che Guevara die in een heftige en gedenkwaardige periode hoopvol de bergen afdaalden en zich verscholen achter hun ‘historische opdracht’.

    Mijn vader was nog een kind. Hij 
zag hoe zijn land veranderde. Er was euforie, er klonken strijdliederen en 
op de foto’s van toen kijken zijn landgenoten glimlachend en hoopvol naar de urenlang achter zijn spreekgestoelte orerende Grote Leider die zijn gestrekte wijsvinger demonstratief de lucht in steekt. Aan mijn vaders generatie de heroïsche taak om met alfabetiseringscampagnes en vrijwilligerswerk een rijk en ontwikkeld land van Cuba te maken. Kenmerkend voor die periode was het gevoel dat men aan de dag van morgen werkte, dat alle inspanningen, inzet en offers een betere toekomst zouden brengen voor de volgende generaties. Mijn vaders generatiegenoten waren jong, wilden plezier maken en de wereld ontdekken, maar namen genoegen met hun soldatenrol, want de volgende generaties zouden in een vrijer en welvarender Cuba leven.

    Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.
    Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.

    Om die droom te laten uitkomen 
sloegen de leden van mijn vaders 
generatie de puberteit over, omarmden ze een doctrine die ver van hun bed stond – het marxisme-leninisme – 
en offerden ze hun beste jaren op het altaar van de geschiedenis op. Het was nooit genoeg, de regering vroeg steeds meer onbaatzuchtigheid en liet steeds minder ruimte voor zelfbeschikking. En klagen was uit den boze. Hun namen waren de eerste die op het zogeheten bonnenboekje werden genoteerd dat elke Cubaan recht gaf 
op dezelfde hoeveelheid producten. 
Zo voorkwam men sociale ongelijkheid en de wedergeboorte van de duivelse middenklasse die het Castro-regime door onteigening, stigmatisering en verbanning de nek had omgedraaid.

    Mijn vader kon niet anders dan 
atheïst worden. De Cubaanse gezinnen verstopten hun schilderijen van het Heilig Hart van Jezus achter in de woonkamer, vermeden uitdrukkingen als ‘godzijdank’ en Kerstmis werd jarenlang uitgesteld. Voor de leiders was godsdienst niet alleen opium van het volk, het verschafte het individu een spirituele wereld waar zij geen toegang toe hadden. Wanneer Cubanen hun toevlucht namen tot het gebed of een smeekbede, raakten de partijambtenaren van het communistische systeem hun greep op hen kwijt. Op 
elk formulier dat ze moesten invullen voor een opleiding of een nieuwe baan stond die ene vraag over je geloofs-overtuiging. Velen stopten hun kruisje onder hun shirt, zeiden dat ze ‘trouwe kameraden’ waren en vinkten ‘nee’ aan. Nee, ze waren niet gelovig, en ja, met hun hand op het hart, ze geloofden alleen in de Revolutie, de Grote Leider en de Partij. Zo werd de basis gelegd voor de dubbele moraal waarvan de Cubaanse maatschappij doordrenkt is.

    Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn

    Zij waren de Cubanen die vijftien jaar later, adolescenten inmiddels, deel 
uitmaakten van de troepen die naar 
de oorlogen in het verre Afrika werden gestuurd. Ze hadden geen flauw idee waarom. Ze waren niet meer dan dan kanonnenvlees, speelgoedsoldaatjes die door de Sovjet-Unie naar believen werden ingezet op het heftige strijdtoneel van de Koude Oorlog. Duizenden stierven, verloren hun verstand of vroegen zich huilend af wat de Cubanen in die oorlog te zoeken hadden.

    Het was ook de generatie die afscheid moest nemen van familieleden die door het regime gedwongen werden 
te emigreren. In Camarioca en de haven van Mariel werden ze, groentjes zonder baardgroei nog, ingezet om tegen hun eigen familie ‘Laat het tuig maar opdonderen!’ te schreeuwen. Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn.

    Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.
    Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.

    Mijn generatie werd geboren in een land waar alles was voorgeprogrammeerd en waar voor jou werd beslist. 
Ik kwam ter wereld in een volkomen gesovjetiseerd Cuba.

    Wij waren de ‘nieuwe mens’ voor wie het kapitalisme, de uitbuiting van de ene mens door de andere, de vrije markt van vraag en aanbod, respect voor privacy, en, uiteraard, vrijheid, niet bestonden. In het Cuba van de jaren zestig en zeventig wisten we wat onze collega aanhad en wat hij at in de kantine, want dat was exact hetzelfde als wat wij aten en wat wij droegen. Spreken in de eerste persoon enkelvoud werd een probleem. We spraken altijd in de wij-vorm, noemden elkaar ‘kameraden’ en hadden dezelfde dromen en angsten.

    Vanuit het idee dat de 
massa van bovenaf moest worden 
aangestuurd werd mijn generatie naar de zogeheten plattelandsscholen gestuurd. Een sociaal en educatief laboratorium waar ze Cubanen van 
ons maakten die nog meer bij de 
Goede Zaak betrokken waren, die 
hun neus ophaalden voor bezit en 
die op elk moment bereid waren om hun schoolboeken in te ruilen voor 
een geweer als het vaderland – of de machthebbers die zich daarmee 
vereenzelvigden – daarom vroeg.

    Als een mens in een door indoctrinatie gedomineerde omgeving zit, zal hij altijd iets voor zichzelf reserveren, een plek waar het gebazel van de macht niet te horen is en waarin geen enkele ideologie doordringt. Achter maskers van gezeglijkheid hielden we dit 
toevluchtsoord verborgen voor onze collega’s, familieleden of buren die 
ons wilden aangeven bij het systeem.

    Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi
    Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi

    De machthebbers beloofden dat Cuba het paradijs op aarde zou worden, maar wij wilden nu van het leven genieten. We deden ons voor als makke schapen terwijl we steeds opstandiger werden. Routinematig scandeerden we leuzen die we een minuut later alweer vergeten waren. We leerden liegen, een masker 
opzetten, lauwtjes applaudisseren 
en eeuwige trouw 
zweren terwijl er diep van binnen alleen maar twijfel en apathie was. Leven was overleven geworden.

    Toen we pubers waren viel de Berlijnse Muur. Al sloegen we zelf niet met hamers en beitels op dit symbool 
van een tijdperk, elke hamerklap resoneerde in ons hoofd. Mijn vader moest huilen om het communistische Duitsland dat hij ooit als ‘voorbeeldige arbeider’ had leren kennen en waar hij met eigen ogen had kunnen zien hoe de toekomst eruit zou zien. Maar ons hart maakte een vreugdesprongetje, ons gordijn – niet van ijzer maar van suiker – kon ook verdwijnen.

    Honger

    Nadat het congres van de Communistische Partij in 1991 had besloten dat gelovigen lid konden zijn van ’s lands enige politieke partij, haalden onze ouders hun oude, weggeborgen religieuze relikwieën weer tevoorschijn. Maar op datzelfde moment deed de honger zijn intrede, dat brandende gevoel in je maagstreek waardoor je aan niets anders meer kunt denken. Met het uiteenvallen 
van de Sovjet-Unie en het verdwijnen van het socialisme raakte Cuba zijn subsidies en de ‘rechtvaardige handel tussen de volken’ kwijt waarmee het decennialang het hoofd boven water had gehouden. Het wisselgeld dat ons afhankelijk maakte van het Kremlin was er niet meer.
    We werden hard met onze neus op 
de feiten gedrukt. De werkelijkheid was wreed, droevig en uitzichtloos. Een wereld van verschil met de toekomstdromen waarmee mijn vader me in slaap had gesust toen ik klein was. 
Zijn generatie liet ons een zieltogende doctrine na; aan ons de zware taak haar te begraven.

    De crisis rond de bootvluchtelingen 
die in augustus 1994 uitbrak, was een van de talloze manieren van mijn generatiegenoten om onze illusies 
ten grave te dragen. We trokken niet protesterend naar de pleinen, we haalden geen muren neer. Veel Cubanen gaven er de voorkeur aan om in wrakke bootjes de zee en de golven te trotseren.

    Op de Malecón-boulevard in 
Havana zag je gedesillusioneerde 
mannen van mijn vaders leeftijd maar ook gefrustreerde jongeren in de kracht van hun leven vlotten in elkaar timmeren. Zij gingen weg, wij zwaaiden hen uit. Met hun vertrek begon 
het cynisme, het niets, de apathie, 
de desillusie, een periode waarin we nergens meer in geloofden maar ons ook niet verzetten. We hadden in onze vaderlandse geschiedenis het punt bereikt waarop je alleen het vege lijf probeerde te redden.

    Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan
    Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan

    Terwijl de vluchtelingenbootjes met ruisende roeispanen richting Florida koersten en de stijfkoppige regering opriep om vol te houden in deze woelige economische tijden, zette mijn generatie zich aan de moeilijke taak van het ouderschap. De baby’s die werden 
geboren waren de kinderen van de 
ontgoocheling: de kleinkinderen van een generatie die brieste dat ze hun beste jaren aan een mislukt project 
hadden gegeven en de kinderen van 
een generatie die de ‘nieuwe mens’ had moeten voortbrengen maar die niet eens de ‘goede mens’ had voorgebracht.

    Van de jongeren van tegenwoordig kun je niet veel verwachten, en toch doen ze het beter dan wij. De generatie van mijn zoon – hij is 21 – is grootgebracht met onze scepsis; ze hebben ons horen fulmineren bij de staatstelevisie, ons inkopen zien doen op de zwarte markt, ons heimelijk weg zien sluipen van 
de optochten en ons zachtjes horen mompelen dat we hoopten dat onze toekomst niet zou zijn waar onze ouders van hadden gedroomd. Inmiddels hadden we wel begrepen dat het paradijs een gouden kooi was waarin anderen ons wilden opsluiten.

    Schouderophalend – dat typisch Cubaanse gebaar waarmee we willen zeggen: ‘kan mij wat schelen’ – 
ontmantelt de jongste generatie wat 
er nog over is van het communistische systeem. Dit doen ze zonder zichzelf 
op de borst te kloppen, misschien niet helemaal van harte en een tikkeltje gedesinteresseerd. Niets van wat er vanaf het spreekgestoelte klinkt raakt hen of maakt hen bang. Anders dan 
de Cubanen die hen voorgingen, kent de generatie die nu jonger is dan 25 
de rantsoenbonnen niet waarmee je per jaar slechts een broek of shirt kon kopen. Of ze ooit een toespraak van Fidel Castro hebben gehoord, herinneren ze zich niet en ze hebben nooit punten voor goed gedrag op het werk of voor de partij hoeven verzamelen 
om een huishoudelijk apparaat te mogen kopen.

    De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt

    Op het eiland waar zij wonen kun je apparaten zoals een 
ijskast nu alleen krijgen met echt geld. De zwarte markt heeft zich in alle uithoeken van de maatschappij genesteld. Zo ongeveer vanaf hun peutertijd 
zitten deze Cubaanse millenniumkinderen vastgeplakt aan het toetsenbord van hun computer. Hun ouders kochten de eerste computers en laptops 
op de illegale markt. Via alternatieve distributiekanalen kregen ze hun 
eerste kilobytes en videospelletjes, 
die niets te maken hebben met de 
ideologie die ze op school leren.

    Met hun op Japanse manga’s, de internationale showbizz of tegendraadsheid geïnspireerde kapsels bepalen zij het straatbeeld. De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt. Ze hebben geleerd om toespraken te wantrouwen van de Robin Hoods die geld van de 
rijken afpakken dat ze daarna eerlijk onder de armen verdelen, maar die niet geleerd hebben hoe je rijkdom creëert, hoe je een welvarend land vol mogelijkheden opbouwt zoals de in een olijfkleurig uniform gestoken man met baard uit de bergen ooit beloofde. Ze hebben hetzelfde uiterlijk en dezelfde dromen als jongeren uit Duitsland, Engeland of Guatemala. Ze kijken met de nodige minachting achterom en 
met een zeker vertrouwen naar een 
toekomst die niet zal zijn zoals de 
sciencefictionboeken uit de vorige eeuw voorspelden, maar ook niet zoals de totalitaire regimes predikten. Ze 
denken dat de toekomst in elk geval menselijker, pluriformer en vrijer zal zijn.

    ‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH
    ‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH

    Als iemand tegen hen zegt dat het 
castroïsme nooit zal verdwijnen en 
dat Cuba nooit meer een democratie zal worden met alle imperfecties en risico’s die daarbij horen, glimlachen de jonge Cubanen en herinneren ze ons eraan dat er gedreven jongeren aan de basis stonden van de omwentelingen in het verre Rusland. Net als die jongeren zeggen ze tegen zichzelf dat het niet uitmaakt dat de mannen met hun ‘historische opdracht’ de scepter zwaaien; zij – fris en kritisch – hebben de tijd mee. Net als elders in de wereld groeien ze op, gaan ze naar de sportschool, luisteren ze naar illegaal gedownloade muziek, maken selfies 
en proberen hun leven via internet 
met anderen te delen, ook al leven ze in een land waar de overheid beducht is voor informatie. Het zijn twintigers, 
en Fidel is negentig. Ze horen bij de eenentwintigste eeuw, en de caudillo zit gevangen in de twintigste eeuw.

    Deze kleinkinderen van de offergeneratie en kinderen van de utopiegeneratie vormen een groot deel van de emigratiegolf in Midden-Amerika. Ze lijden, sterven en leggen hun lot in handen van mensensmokkelaars om te vluchten uit een land dat nu het paradijs 
op aarde had moeten zijn dat de oudere generatie hun had beloofd. Deze jongeren zijn de toekomst. Ze geven haar gestalte op hun eigen manier. Zonder naar de adviezen van hun ouders te luisteren. Ze zijn jonger dan dertig, waarom zouden ze dan de weg volgen die anderen voor hen hebben uitgestippeld? Vooral als die anderen zich 
zo enorm hebben vergist. Het zijn de kleinkinderen en de kinderen van een hersenschim. Ze zijn pragmatisch genoeg om te vergeten en meelevend genoeg om te kunnen vergeven. Zij zullen wonen in een Cuba waar we nooit op hadden durven rekenen. Een land waar voor iedereen plaats is.

    Auteur: Yoani Sánchez
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    14ymedio
    Cuba | 14ymedio.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan up in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

    De auteur

    Yoani Sánchez is een journaliste die vanuit Cuba onafhankelijk en kritisch bericht over het Cubaanse regime. ‘Ik verdedig geen speciale zaak, ik verdedig de vrijheid en de vrijheid van informatie,’ verklaarde ze op 7 oktober tegenover de Guatemalaanse webkrant Soy502.

    Vanaf de veertiende verdieping van een flatgebouw in Havana – vandaar de naam 14ymedio – leidt zij sinds 2014 haar webkrant met een redactie van een tiental medewerkers, van wie de meesten vrijwilligers. Om de publicatie te kunnen bekostigen ontvangt zij financiële bijdragen van privépersonen.

    Voordien publiceerde zij vanaf 2007 een blog, Generación Y, waarmee ze naam maakte in het buitenland, maar dat niet in goede aarde viel bij de autoriteiten in eigen land. Ze werd tal van malen lastiggevallen vanwege haar artikelen over het dagelijkse leven in Cuba en het optreden van overheidsinstanties. Haar landgenoten kunnen niet rechtstreeks kennis nemen van haar publicaties, want de toegang tot 14ymedio wordt in Cuba geblokkeerd. Maar, zo zei ze tegen Soy502, de artikelen worden er als pdf en via e-mail toch verspreid.

    yoani sanchez

    BELANGRIJKE GEBEURTENISSEN IN CUBA

    1959 1 januari Na twee jaar guerrilla maakt Fidel Castro een triomfantelijke intocht in Havana. In februari neemt hij de leiding van de regering op zich. Dictator Fulgencio Batista wijkt uit naar het buitenland.

    1961 7 oktober Nederlaag van de anti-Castro-gezinden, die door de VS worden gesteund en een landing uitvoeren in Playa Girón (Varkensbaai).

    1962 De Amerikaanse president John Kennedy vaardigt een volledig embargo tegen Cuba uit.

    1990 De Cubaanse regering neemt een reeks bezuinigingsmaatregelen om na de val van de Sovjet-Unie de economische crisis de baas te worden. Deze maatregelen vormen het begin van de ‘Speciale Periode’.

    2008 Fidel Castro treedt af en wordt opgevolgd door zijn broer Raúl.

    2014 Begin van de diplomatieke toenadering tussen de VS en Cuba.

  • Het plezier van het ondernemen

    Het plezier van het ondernemen

    Sinds de Cubanen zelf bedrijfjes mogen oprichten, ontstaan overal op het eiland kleine initiatieven. Voormalig ambtenaar Luís verkoopt bijvoorbeeld sinds kort zijn eigen koffie.

    Bij het krieken van de dag hebben de slapelozen, de reizigers en de nachtwakers de primeur om van een kopje koffie te genieten dat de naam van dit heerlijke brouwsel alle eer aandoet. Vanaf drie uur ’s ochtends begint Luís Armando Cabrera Soler met de bereiding van zijn nectar in de dokterspraktijk aan de Calle 27 de Noviembre in Pinar del Río, 150 kilometer ten zuiden van Havana, waar hij woont. Zijn vrouw Madalina, arts, helpt hem bij het in gereedheid brengen van zijn uitrusting voor de straatverkoop: thermosflessen, tassen en een draagstel.

    Ondertussen snuift de bewaker die in de buurt werkt genietend het aroma op van de koffie die gezet wordt. ‘Ik heb een lampje op mijn pet gemonteerd zodat een klant niet naar een straatlantaarn hoeft te lopen om goed te kunnen zien, en uiteindelijk is dit lichtpunt ook een vorm van reclame,’ vertelt Luís. Hij is begonnen met één thermosfles en nu heeft hij er elke ochtend vijf. ‘Ik heb mijn assortiment allereerst uitgebreid met een cortadito, koffie met een wolkje melk, zoals me was aangeraden door een taxichauffeur die dat in Havana had gezien. Daarna ben ik verdergegaan met cappuccino en koffie met een chocoladearoma of gecondenseerde melk.’

    Een café beginnen is niet nodig: de klanten verdringen zich. ‘Kwaliteit is de beste reclame,’ verkondigt Luís. ‘Als ze me met een groot biljet willen betalen en ik heb geen wisselgeld, dan serveer ik ze gratis. Dat kost me geen geld, want uiteindelijk levert het me meer klanten op.’

    Luís met een klant in Pinar del Río.
    Luís met een klant in Pinar del Río.

    Over de koffie die hij gebruikt doet Luís niet geheimzinnig: ‘Café 100% Soler,’ zegt hij, terwijl hij het logo laat zien dat hij zelf heeft ontworpen. ‘Koffie die door mijn familie wordt geoogst en door mijzelf gebrand en gemalen. Mijn plantage in een dorpje hier in de buurt is niet groot, en daarom ben ik niet verplicht mijn productie aan de staat af te staan; maar ze is toereikend voor een heel jaar,’ legt hij uit.

    In principe is de Cubaanse staat de enige die koffieoogsten mag opkopen, en overtreding van deze wet staat gelijk aan diefstal of illegale export. De enige manier om koffie te vercommercialiseren is door het in winkels te kopen waar je betaalt in CUC’s, de Cubaanse peso die inwisselbaar is tegen een tarief dat veel te hoog is voor gewone Cubanen. Door de hoge prijzen in deze winkels nemen de onafhankelijke ondernemers (cuentapropistas) hun toevlucht tot de informele markt.

    ‘Het moeilijkste is om aan weggooibekers te komen,’ zegt Luís terwijl hij een klant zijn koffie serveert. ‘Omdat je die nergens kunt kopen, ben ik aangewezen op de welwillendheid van buren en vrienden die ze voor me meenemen uit het buitenland.’

    Door zijn creoolse humor weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen

    Eerst werkte Luís bij de inkoopafdeling van de benzineverkoopdienst van Pinar del Río, die onder het ministerie van Energie en Mijnbouw valt. Voorzichtigheidshalve heeft hij deze baan eerst met zijn straatverkoop van koffie gecombineerd, ‘Veel mensen zijn bang om hun baan op te zeggen en een eigen bedrijf te beginnen. Ik heb de sprong alleen maar gewaagd omdat mijn bedrijfsinkomsten regelmatig begonnen te worden en de werkuren voor mijn baan mijn bedrijfje in de weg begonnen te staan.’

    Door zijn creoolse humor en de vriendelijkheid waarmee hij een vuurtje geeft aan degenen die er eentje willen opsteken bij hun koffie, weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen. ‘Biljetten van hoeveel wil je terug hebben?’ grapt hij tegen een klant die geen kleingeld terug wil. ‘Ik zorg dat de mensen over de kleinste details tevreden zijn,’ licht hij toe.

    Om negen uur ’s ochtends loopt zijn verkoop ten einde, maar begint de voorbereiding voor de volgende dag: hij moet de koffie branden en malen, de thermosflessen schoonmaken met chloor, de servetten wassen waarmee hij de druppels opneemt, de vlekken verwijderen van het witte blad waarop hij zijn koffie serveert en ten slotte zijn boekhouding doen. Zo eindigt de werkdag van Luís Armando Cabrera, die er geen spijt van heeft dat hij een kleine ondernemer is geworden.

    Auteur: Ricardo Fernández
    Vertaler: Peter Bergsma

    14ymedio
    Cuba | 14ymedia.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan op in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

  • Cubaanse oldtimer kost een fortuin

    Cubaanse oldtimer kost een fortuin

    We associëren de indrukwekkende oldtimers in het Cubaanse straatbeeld graag met allure, stijl en vakmanschap. 
Maar de zogenaamde ‘almendrones’ zijn duur, bewerkelijk en nieuwe onderdelen zijn ver te zoeken.

    Ze lijken thuis te horen in een Hollywoodfilm uit de jaren vijftig, maar ze zijn lawaaiig en smerig en roepen vaak de woorden van Galileo in gedachten: ‘En toch beweegt ze.’ De almendrones, auto’s van voor 1959 waar het in de straten van Havanna van wemelt, hebben hun oorspronkelijk carrosserie behouden maar het mechaniek is bijna altijd modern. Zo kan het gebeuren dat een Ford uit 1954 een motor heeft van een Hyundai-busje, een versnellingsbak van een Mitsubishi, een differentieel van een Toyota, een stuurinrichting van een Suzuki Vitara, een dashboard van een Peugeot, remblokken van een Moskovic uit de Sovjet-tijd, een rempomp van een Mercedes Benz en chassis, buitenspiegels en radiatorgril van het oorspronkelijke merk.

    Met al die kuilen in het wegdek van Havanna heeft zo’n allegaartje tot gevolg dat de stuurbekrachtiging na drie maanden kapot is en de handrem niet goed werkt. Doordat de wetten van de natuurkunde en de techniek met voeten zijn getreden, past het gewicht van de auto niet bij het remsysteem. Het lijkt erop dat dit het euvel is bij vrijwel alle oude auto’s die in de Cubaanse hoofdstad rijden. De oldtimers gaan van hand tot hand. De meeste Cubanen die in een vintage auto rijden, hebben die op de kop getikt met financiële hulp van familie in het buitenland. Op de vrije markt liggen 
de prijzen boven de negenduizend euro. De boteros, taxi’s met een vast tarief tussen de 10 en 20 euro, hebben vaste routes van het stadscentrum naar diverse punten in de periferie.

    Keuring

    Voor je in zo’n Amerikaanse bak mag rijden, moet hij worden onderworpen aan een keuring bij de Empresa de Revisión Técnica Automotor, in de volksmond ‘somatón’ (dreun). En of het nu is omdat ze altijd wel een technisch mankement hebben of simpelweg omdat ze oud zijn, voor het ‘verkrijgen’ van het fiat moet tussen de 20 en 40 euro worden betaald.


    Maykel Perdomo is 32 en rijdt in een Plymouth uit ’54. ‘Zulke controles zijn begrijpelijk en nodig,’ zegt hij, nadat hij de reggaeton uit de versterker boven de achterbank zachter heeft gedraaid. ‘Iets anders is de corruptie en de hoge eisen, terwijl er geen echte markt is waar je reserveonderdelen kunt kopen.’

    Cubanen mochten tot twee jaar geleden alleen auto's  kopen en verkopen die in het tijdperk voor de revolutie waren gemaakt. Sindsdien is het toegestaan ook nieuwe en tweedehands auto's aan te schaffen, op voorwaarde dat dit gebeurt via door de overheid ge
    Cubanen mochten tot twee jaar geleden alleen auto’s kopen en verkopen die in het tijdperk voor de revolutie waren gemaakt. Sindsdien is het toegestaan ook nieuwe en tweedehands auto’s aan te schaffen, op voorwaarde dat dit gebeurt via door de overheid ge

    Onderhoud en vervanging van onderdelen vindt helemaal plaats op de vrije markt. De staatswinkels hebben geen goed aanbod van reserveonderdelen en om eraan te komen moet je een voet tussen deur hebben bij staatsbedrijven als Rent a Car, waar een deel onderhands wordt verkocht. ‘De lui bij Rent a Car kunnen niet van hun loon leven. Ze drukken zoveel mogelijk achterover en verkopen het dan. Daar vind je normaal gesproken onderdelen voor de huurauto’s voor toeristen,’ aldus Perdomo.


    Maar er zijn ook monteurs die in clandestiene garages hun best doen om genoemde antiquiteiten op te lappen. ‘Als een origineel onderdeel stukgaat moet het nieuw worden gemaakt, vervangen gaat niet. Je moet naar een monteur die het voor je kan doen. Dat kost bakken geld en vaak past het niet goed en moet je weer terug.’

    De autokeuring, heet in de volksmond ‘dreun’

    Sleutelen aan een Russische Lada in een garage in Havana.  
© Enrique De La Osa / Reuters
    Sleutelen aan een Russische Lada in een garage in Havana. 
© Enrique De La Osa / Reuters

    De wetten van natuurkunde en techniek zijn met voeten getreden, het gewicht van de auto past niet bij het remsysteem

    Met de brandstof is het al net zo. Het overgrote deel van de ouwe brikken 
die als huurauto fungeren hebben een nieuwe motor om op diesel te kunnen rijden. Ze worden door de staat aangeboden en kunnen 6500 euro kosten, maar garantie is er niet bij. Van een groothandel waar brandstof tegen een lagere prijs kan worden gekocht is evenmin sprake. Bij de 
benzinestations van de CUPET, ook 
van de staat, kost een liter een euro. 
De chauffeurs kopen liever bij vrachtwagenchauffeurs of buschauffeurs, 
die illegaal doorverkopen voor de helft van die prijs. ‘Als je bij de CUPET koopt, moet de prijs van je ritten omhoog.’ Als gevolg van al dat gesjacher is de balans tussen inkomsten en uitgaven in de administratie scheef. De chauffeurs kunnen moeilijk aangeven dat 
ze iets in het illegale circuit hebben gekocht, dus laten ze de plekken waar ze hun uitgaven zouden moeten opvoeren open. Perdomo: ‘Je krijgt op de zwarte markt nooit een bon én het is verboden. Begin je erover, dan beken je in feite een overtreding. Je bent wel gedwongen je inkomsten omlaag te schroeven door de onkosten die je niet kan opvoeren in mindering te brengen.’

    Bij de nationale belastingdienst (ONAT) wordt een schatting gemaakt van wat iedere vervoerder moet hebben verdiend. Bestaat het vermoeden dat een kleine zelfstandige met de gegevens heeft gesjoemeld, dan kunnen op basis van zo’n schatting torenhoge boetes worden opgelegd. ‘Het is je reinste 
willekeur, want er zijn genoeg dagen dat je niet kunt werken omdat de auto stuk is, of omdat je een persoonlijk 
probleem hebt, of gewoon omdat je 
een slechte dag hebt gehad. Dat je de ene dag 900 euro binnenhaalt, zegt niks over de andere werkdagen,’ verzucht Perdomo. De almendrón van Tomás Quintana, eveneens chauffeur, was vaker stuk dan dat hij het deed, wat niet betekende dat hij dan geen belasting betaalde. 
Op een dag zag hij in dat hij het niet langer bolwerkte en leverde zijn vergunning in. Na anderhalf jaar niet-werken als chauffeur in een huurauto, legde de ONAT hem een boete op van rond de 60.000 peso [bijna 2,5 duizend euro] omdat hij met zijn inkomsten zou hebben gesjoemeld. ‘Ze zeiden dat ze daar vijf jaar lang het recht toe hadden. Als je je vergunning inlevert, moet je al die jaren alle papieren bewaren van toen je wel werkte,’ zegt Quintana, die een advocaat in de arm heeft moeten nemen om onder de boete uit te komen; het proces loopt nog.

    En er is nog een ander probleem. 
Een kleine zelfstandige die meer dan 1800 euro per jaar verdient, komt in 
de hoogste belastingschijf en moet 
50 procent aan de staat afstaan. 
De chauffeurs ontvangen maandelijks nog drie aanslagen: een maandelijkse van 10 procent over de aangifte van hun inkomsten, een driemaandelijkse voor sociale zekerheid en een fixum. Dat laatste is door de gemeente op de Plaza de la Revolución tussen mei 2013 en maart 2014 verhoogd van 400 naar 730 euro. ‘Als je vraagt waarom dat fixum omhoog is gegaan, komt er 
geen logisch antwoord. Feit is dat wij, kleine zelfstandigen, ondanks die 
verhoging, geen verbetering bij de publieke diensten of de sociale zekerheid bespeuren. Ook is er nog geen spoor van een groothandel waar je onderdelen of brandstof kunt kopen, en de conditie van de wegen en het zicht op een investeringskrediet is 
nog even beroerd,’ aldus Quintana.

    9 euro en een short

    De chauffeurs moeten hun werkvergunning jaarlijks vernieuwen, wat ze per keer op 460 euro komt te staan. Daarbij komen nog de bedragen waar velen aan moeten geloven: die voor corrupte politiemannen. Maykel Perdomo herinnert zich dat hij eens werd aangehouden omdat hij te snel reed. Hij kon de boete afkopen voor 9 euro plus zijn short. ‘Als zij zich al zo gedragen, waar kunnen we dan nog heen? Je kunt naar een andere afdeling gaan, maar ze houden elkaar de hand boven het hoofd.’ Je almendrón binnen twee, drie jaar terugverdienen gaat niet, en dan is er ook nog eens het risico om alles kwijt te raken. ‘Stel je auto heeft 15.000 euro gekost en er knalt iemand tegen je aan; dan heb je een jaar lang belasting betaald, plus al die andere kosten, en de staatsverzekering kan niet alles dekken; dan ben je failliet,’ besluit Perdomo zijn relaas.

    Lilianne Ruiz

    Een kleine zelfstandige moet 50 procent aan de staat afstaan