Tag: data

  • Oliver Stone: ‘Mensen zullen iets zien wat ze niet eerder zagen’

    Oliver Stone: ‘Mensen zullen iets zien wat ze niet eerder zagen’

    Oliver Stone deed uitputtende research voor zijn film Snowden. Zo sprak hij met Guardian-journalist Ewen MacAskill, aan wie Snowden in Hong Kong tienduizenden documenten overhandigde. MacAskill volgde op zijn beurt de opnames van de film, waarin hij zelf een bijrol kreeg.

    Oliver Stone ziet er uitgeput uit. Het is mei 2015, en we zijn in München op de allerlaatste opnamedag voor zijn film over Edward Snowden. Tijdens de lunch lijkt de regisseur moe en bezorgd, met zware oogleden en afhangende schouders: futloos. Toen het idee voor Snowden werd voorgesteld, legt hij uit, had hij zich krachtig verzet. Vervolgens had hij zich er langzaam en aarzelend in mee laten trekken. Vandaag klinkt het alsof hij misschien spijt heeft van dat besluit. Er zijn problemen geweest met de financiën, met het zoeken naar distributeurs, en met het verbeelden van iets wat zo saai is als de cyberwereld waarin Snowden verblijft.

    ‘Een regisseur moet zeggen dat alles geweldig is en dat de dingen prachtig zijn,’ zegt hij, geprikkeld. ‘Iedere dag op een filmset is een potentiële ramp. Iedere dag op een filmset heb je de hoop dat het de goede kant op gaat, maar de waarheid is dat het de hele tijd alleen maar geploeter is. Het is als een bulldozer die door een rij bomen heen gaat. Het is niet makkelijk. Het is nooit makkelijk geweest.’


    Vooral déze film was niet makkelijk. ‘Iedere film die ik heb gemaakt was een uitdaging. Maar vanaf de allereerste dag lijken er bij deze film obstakels te zijn geweest, of het nu computers waren, of het feit dat de technologie moeilijk te begrijpen is, of het karakter van Snowden, dat een sterke, robotachtige en nerderige kwaliteit heeft. Dat is een nadeel. Hij is niet het actieve type.’ Voordat Stone terugging naar de set, gaf zijn laatste opmerking de beperkte ambities die hij destijds met de film had goed weer: ‘Ik wil niets doen wat Edward Snowden zal schaden.’

    Bijna een jaar later ontmoet ik Stone weer, in Londen. De vermoeidheid is verdwenen. Hij is vol enthousiasme over het leven en zijn film. Hij heeft het gevoel dat de montage goed is gegaan; de week daarvoor werd een vroege preview in Idaho op een positieve reactie onthaald – ondanks zijn onheilspellende voorgevoel.

    ‘Als regisseur denk ik dat de film een kracht heeft die de details overstijgt,’ zegt hij, stralend. ‘Misschien komt er wel niemand. Maar de mensen die wél komen zullen iets zien wat ze nog niet eerder hebben gezien. Er zijn geen achtervolgingen. Er zijn geen moorden. Ik houd van spanning, maar dit is een ander soort spanning … Wat Snowden heeft gedaan zal volgens mij verschil blijven maken … Ik denk niet dat dat nog zal veranderen.’

    Uiteindelijk spraken Stone en zijn medescenarioschrijver Kieran Fitzgerald met bijna iedereen die bij de Snowden-affaire betrokken was geweest

    Een paar maanden nadat het verhaal in de zomer van 2013 voor het eerst naar buiten kwam, werd Stone benaderd door Anatoly Kucherena, Snowdens Russische advocaat, over het maken van een film over zijn cliënt. Hij zegt dat hij toen net in een dal zat. Een project over Martin Luther King was niet van de grond gekomen. Hij had geen zin betrokken te raken bij een nieuw, ingewikkeld plan, dat de bioscoop waarschijnlijk toch niet zou halen. Niettemin ging hij naar Moskou, ontmoette Kucherena, en was voldoende geïntrigeerd om verder onderzoek te gaan doen en de filmrechten te kopen van Kucherena’s fictieve verhaal over een Amerikaanse klokkenluider, Time of the Octopus, en van The Snowden Files van Guardian-correspondent Luke Harding.

    Zo’n zes maanden later heb ik Stone voor het eerst ontmoet, toen hij The Guardian bezocht. Ik was het kantoor van de toenmalige hoofdredacteur Alan Rusbridger binnengeroepen en verheugde me op het vooruitzicht, omdat ik nog nooit een Hollywoodregisseur had gesproken. Dit was ook een regisseur van wiens films ik hield. We waren met een handvol mensen in de kamer, en we praatten ongeveer een uur. De reden dat ik er was, was dat ik, samen met mijn medejournalisten Laura Poitras en Glenn Greenwald, Snowden in Hongkong had opgezocht, waar hij tienduizenden topgeheime Amerikaanse en Britse documenten aan ons overhandigde – een van de grootste lekken in de geschiedenis van de inlichtingendiensten – voordat hij onderdook. Stone wilde het verhaal uit de eerste hand horen. Op dat moment wist ik niet zeker wat ik van hem moest vinden, maar ik was onder de indruk van de details die hij al over Snowden had verzameld.

    In december 2014 ontmoette ik hem vervolgens in mijn eentje, tijdens een lunch in Londen. Ik was een half uur te laat, maar daar maakte hij geen probleem van: er school geen prima donna in hem. In plaats daarvan bleef hij maar vragen stellen. Heel veel vragen. Ze werden gevolgd door e-mailtjes en telefoontjes. Ik kon deze bezetenheid wel waarderen, want hij was meer journalist dan filmregisseur; hij was bezig met een hardnekkige speurtocht naar het onbeantwoorde, in een poging een film te kunnen voltooien.

    Uiteindelijk spraken Stone en zijn medescenarioschrijver Kieran Fitzgerald met bijna iedereen die bij de Snowden-affaire betrokken was geweest. Hij sprak met juristen, journalisten en voormalige leden van de NSA. Hij ging naar de Ecuadoriaanse ambassade in Londen om te praten met WikiLeaks-oprichter Julian Assange. En hij sprak met de partner van Snowden, Lindsay Mills. Hij ging minstens achtmaal naar Moskou om Snowden te ontmoeten.

    Te veel research, aldus Stone. Ongeveer 80 procent moest worden weggegooid. Maar dat was geen tijdverspilling, zegt hij – het heeft hem de duidelijkheid verschaft waarnaar hij hunkerde. We zijn nu terug in München, twee dagen na de algemene verkiezingen in Groot-Brittannië: een tijd waarin op de redactie van een krant sprake is van grote bedrijvigheid en opwinding. Filmen is daarentegen saai. Ik was nog nooit op een filmset geweest, en was blij dat ik de kans kreeg om achter de schermen te kijken. Op de een of andere manier had ik me voorgesteld dat het een beetje als een toneelvoorstelling zou zijn, maar dat was niet zo. Het was saai en repetitief.

    Die ochtend werd gedomineerd door de opnamen die Stone maakte van Joseph Gordon-Levitt, die Snowden speelde terwijl hij uit een hotelraam keek. Dit moest Hongkong voorstellen; Snowdens slaapkamer in het Mira-hotel was in Duitsland nagemaakt. Gordon-Levitt werd gefilmd terwijl hij van links naar rechts keek, en vervolgens omlaag naar de straat. Telkens opnieuw. Een andere belichting. Andere camerastandpunten. Andere shots. De scène heeft de film gehaald, maar duurt slechts een paar seconden. Het filmen ervan duurde een paar uur.

    snowden4 1

    Als hij niet uit het raam keek, was Gordon-Levitt bereid om te praten. Tegen die tijd had hij Edward al eens ontmoet en wist hij heel goed zijn trage, precieze dictie te reproduceren. Als zoon van een progressief West Coast-gezin had hij een intensieve belangstelling voor Snowden en voor de discussie over surveillance ontwikkeld. Niet bang voor publieke uitingen met een politieke strekking nam Gordon-Levitt zich voor zich tijdens de komende persconferenties als een pleitbezorger voor privacyzaken te manifesteren. Hij heeft zijn verdiensten als acteur in deze film gedoneerd aan de American Civil Liberties Union, waarvan een van de juristen Snowdens voornaamste vertegenwoordiger is.

    Terwijl ik de opnamen bijwoonde in het namaak-Hongkonghotel, zag ik op de rommelige tafel van Snowden een leeg bierblikje van het merk Tsingtao staan. Maar dat soort lege blikjes waren er in de oorspronkelijke hotelkamer nooit geweest. Niemand van ons dronk destijds alcohol, en Snowden is geheelonthouder. Ik durfde dat echter niet te zeggen omdat de opnamen al zo vergevorderd waren, en de gedachte hen te moeten blootstellen aan nog meer uren van heropnamen was eenvoudigweg te veel. Uiteindelijk kan ik me niet herinneren het blikje in de eindmontage te hebben teruggezien.

    Er zijn andere, grotere problemen. Delen van de film zijn puur Hollywood. Stone wijdt een deel van zijn film aan de romance tussen Snowden en Mills. De manier waarop Snowden data in een Rubiks kubus uit het NSA-hoofdkwartier op Hawaii smokkelt, is vrijwel zeker een product van de verbeelding. De film is ook een regelrechte biopic, die Snowden volgt van zijn mislukte poging om zich bij de Amerikaanse special forces aan te sluiten, via een succesvolle carrière als computerspecialist van de NSA, naar zijn ontgoocheling en uiteindelijke beslissing om klokkenluider te worden.

    Verrader en held

    Toch is Snowden in bredere zin getrouwer aan de waarheid dan je van Hollywood zou mogen verwachten. Stone is er als de kippen bij om te betogen dat hij geen politiek regisseur of activist is, maar een dramaturg. Dat verrast me, en misschien ook anderen die bekend zijn met zijn werk. Maar wat hij bedoelde was wellicht dat hij niet iets wil maken wat saai is. De film is ook niet saai. Maar ik ben belanghebbende: ik word erin ten tonele gevoerd, en daarom hoop ik dat hij het goed zal doen.

    Ik ben het meest geïnteresseerd in het vermogen van de film om de publieke opinie te beïnvloeden over de man wiens verhaal erin wordt verteld. De standpunten in de VS liggen nu ver uiteen: er zijn degenen die hem als een verrader zien, en degenen die hem als een held beschouwen. Stones film kan mensen bereiken die weinig van hem afweten. De film portretteert Snowden als een mens, en zorgt ervoor dat ingewikkelde argumenten over het evenwicht tussen privacy en surveillance onmiddellijk te begrijpen zijn. Zelfs degenen die betogen dat ze geen problemen hebben met mogelijke inbreuken op hun privéleven zullen waarschijnlijk ineenkrimpen bij het kijken naar een scène waarin Snowden en zijn vriendin seks hebben – maar dan aarzelt Snowden, omdat hij een open laptop ziet en zich afvraagt of er niet iemand meekijkt door de webcam. (Deze scène is gebaseerd op een interview met The Guardian, waarin Snowden zegt dat surveillancediensten zich bezighouden met dergelijk voyeurisme.)

    Zal Snowden erin slagen de publieke opinie te laten kantelen? ‘Ik hoop het,’ zegt Stone, een tikkeltje onzeker. ‘Het is lastig,’ voegt hij eraan toe. Zijn film zou een paar van de meest vurige campagnevoerders tegen surveillance stof tot nadenken kunnen geven. Een van de meer onverwachte subtiliteiten in de film is de manier waarop de NSA in beeld wordt gebracht, waar uiteenlopende meningen over het evenwicht tussen privacy en veiligheid zijn toegestaan – en zelfs worden omarmd.

    ‘Ed heeft nooit echte mensen bij naam en toenaam genoemd,’ zegt Stone. ‘Maar hij heeft ons ideeën over echte mensen en gebeurtenissen gegeven, waaruit we – met de nodige artistieke vrijheid – conclusies kunnen trekken die wellicht niet te vergezocht zijn. We hebben geprobeerd het zo realistisch mogelijk te maken.’

    ‘Bij de NSA werken ook mensen met een ziel,’ voegt hij eraan toe. ‘Het zijn niet allemaal James Bond-achtige schurken.’ Hij glimlacht niet; hij meent het.

    Toen de trailer werd vrijgegeven tweette Snowden: “Twee minuten en 39 seconden lang hield iedereen bij de NSA gewoon op met werken”

    Maar zijn eigen loyaliteit ligt bij de klokkenluider; zijn onwankelbare doel is de onwetenden te waarschuwen voor wat hij de ‘surveillancestaat’ noemt. ‘Ik denk dat we te maken hebben met een orwelliaanse superorganisatie die de wereld regeert,’ zegt hij. ‘Maar dat is politiek!’ Hij is teleurgesteld dat de kwestie tot nu toe zo weinig aan bod is gekomen in de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen – de enige keer dat dit het geval was, deed zich voor tijdens een debat tussen de Democratische kandidaten. Stone steunde Bernie Sanders (en is ook een fan van Jeremy Corbyn). ‘Hillary Clinton heeft geen mededogen voor Snowden,’ zegt hij, terwijl hij iets ongemakkelijks mompelt over haar ‘hardcore oorlogszuchtige tactiek’.

    Snowden zal in de Verenigde Staten twee maanden vóór de verkiezing van een nieuwe president worden uitgebracht, en een dag na de zeventigste verjaardag van Stone. Het lot van de film zal dan worden beslecht. Maar hoe zit het met de belangrijkste mening, die van Snowden zelf? Toen hij nog voor de NSA werkte, gaf zijn instinct hem in een ‘low profile’ aan te houden – vermoedelijk zou hij door de grond zijn gezakt bij het idee dat er ooit een film over hem zou worden gemaakt. En hij blijft iemand die zeer op zijn privacy is gesteld; hij vindt het prima om over technologie en surveillance te praten, maar schermt de details van zijn privéleven af. De wereld van de beroemdheid is niet de wereld waarin hij zich prettig voelt.

    Stone zinspeelt erop dat Snowden de film goed vond – en zijn medewerking duidt erop dat dit klopt. De werkelijke reden dat hij er blij mee is, lijkt echter misschien wel op die van mij. In april, toen de trailer werd vrijgegeven, tweette hij: ‘Twee minuten en 39 seconden lang hield iedereen bij de NSA gewoon op met werken.’

    snowden2 1

    Nadat hij de Oscar-winnende film Citizenfour had gezien, kwam een collega bij The Guardian met het volgende oordeel: ‘De man die jou speelt kan er niets van.’ Het was een grap, hoop ik; de man die mij ‘speelt’ ben ik namelijk zelf, omdat Citizenfour een documentaire is.

    Citizenfour, uitgebracht in 2014, doet verslag van een ontmoeting van NSA-klokkenluider Edward Snowden met drie journalisten, Laura Poitras, Glenn Greenwald en ikzelf, in Hongkong in 2013. Oliver Stones Snowden is anders. Daarin nemen acteurs de meeste rollen voor hun rekening, inclusief Tom Wilkinson, die mij speelt.

    Mijn hele carrière heb ik me op mijn gemak gevoeld met een ‘low profile’, en me graag achter de letters verscholen. Na het Snowden-verhaal, dat tot nu toe drie toneelstukken, diverse documentaires en nu ook nog een Hollywoodfilm heeft opgeleverd, gaat dat echter niet meer.

    Mijn rol in al deze films is relatief klein. Niettemin voelde ik de eerste keer dat ik naar mezelf, gespeeld door een acteur, ging kijken – het was Jonathan Coy, in James Grahams Privacy at the Donmar Warehouse in 2014 – een mengeling van verlegenheid en angst, niet in de laatste plaats omdat ik erover moest schrijven. Maar Coy deed het goed en ik begon te ontspannen nadat hij zijn eerste zinnen had uitgesproken. Ik had de acteur eerder ontmoet, bij een gelegenheid waarvan ik dacht dat het gewoon een feestje was, terwijl hij me in feite aan het observeren was om mijn maniertjes over te kunnen nemen.

    Ik hield er een raar gevoel aan over. Toen ik naar München vloog om de filmset van Snowden te bezoeken, waren twee dingen belangrijk voor me. De eerste was: zou mijn kleine rol de eindmontage overleven? En de tweede: zou ik mijn Schotse accent hebben behouden? Stone had ook voor een Amerikaans of zelfs gewoon voor een Brits accent kunnen kiezen.

    Een van de grootste verschillen tussen het toneelstuk en de film is dat de taal van het toneelstuk míjn taal was, terwijl die in Snowden is bedacht

    Tijdens een pauze op de set, toen er onweer was uitgebroken, ontmoette ik de man die mij speelde, Tom Wilkinson. Hij bevestigde dat hij aan het Schots had vastgehouden. ‘Dat is altijd een accent geweest wat me gemakkelijk afgaat,’ zei hij. ‘Ik ben op een bepaalde manier goed in accenten, en blijkbaar ook in Schots.’ En zijn accent is goed, al klinkt het iets meer als ‘Edinburghs’ dan als mijn eigen ‘Glasgows’. Bovendien noemt hij Snowden in de film ‘laddie’. Dat is een term die ik nooit zou gebruiken.

    Een van de grootste verschillen tussen het toneelstuk en de film is dat de taal van het toneelstuk míjn taal was, die woordelijk is overgenomen, terwijl die in Snowden is bedacht.

    Tijdens de echte ontmoeting in het Mira-hotel had Snowden zichzelf en zijn laptop op een gegeven moment met een rode kap bedekt. Hij wilde zijn wachtwoord beschermen tegen verborgen camera’s, zei hij later. Zelfs toen al leek dat vreemd gedrag, en in Citizenfour wisselen Glenn en ik vragende, ongemakkelijke blikken met elkaar uit.

    In de film zeg ik, als Snowden de kap over zijn hoofd trekt, iets in de trant van ‘Moeten we daar allemaal onder?’, wat ik niet heb gezegd. Stone benadrukte herhaaldelijk tegenover me dat hij een film aan het maken was en die interessant moest zien te houden. Als ik alleen maar aantekeningen zat te maken in een stoel, zei hij vriendelijk, was dat niet bepaald opwindend. Hij had actie nodig.

    Guinness

    Er is een andere opvallende zinsnede van mij als ik The Guardian bel om te zeggen dat ‘de Guinness goed is’ – een van tevoren afgesproken code om te bevestigen dat de klokkenluider echt was, en geen bedrieger. In het echt heb ik die zinsnede ook gebezigd. Dit ‘script’ was het geesteskind van de toenmalige Amerikaanse _Guardian_-eindredactrice Janine Gibson, die hier wordt gespeeld door Joely Richardson.

    In de film val ik op een gegeven moment in slaap. Dat is ook gebeurd, maar wel later dan in de scène die wordt getoond. Glenn, Laura en ikzelf hadden alle drie weinig geslapen die week. Pas toen Snowden onderdook, begon ik te ontspannen en kon ik overal in slaap vallen.

    Wilkinson was minder goed op de hoogte van de achterliggende thematiek van de film dan de regisseur of zijn medester, maar hij herinnerde zich enthousiast de verslaggeving in The Guardian uit de tijd dat het verhaal in de publiciteit kwam, en staat sympathiek tegenover Snowden. ‘Ik vind hem geen verrader,’ zegt hij zachtjes en weloverwogen. ‘Je hebt zulke mensen nodig. Ik denk dat alle mensen die vrijwillig zo’n groot risico lopen een simpele manier van tegen de wereld aankijken hebben die de meesten van ons ontgaat.’

    Eerder deze zomer heb ik een preview van de film bijgewoond met mijn collega Luke Harding, op wiens boek een groot deel van de film is gebaseerd. Naderhand vroeg ik hem hoe accuraat hij de rol van Wilkinson vond. Een onverschrokken buitenlandse correspondent die het opneemt tegen de verzamelde macht van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten – toch? Het oordeel van Luke: ‘Je maakte een beetje een suffe indruk.’

    Auteur: Ewen MacAskill
    Vertaler: Menno Grootveld

    Snowden is op 10 september in première gegaan op het filmfestival van Toronto, en draait sinds 16 september in de bioscopen.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • 2. Geheim agent van morgen is data-analist

    2. Geheim agent van morgen is data-analist

    Goodbye Mr. Bond. Inlichtingendiensten als het Britse MI6 en de Amerikaanse CIA moeten zichzelf compleet heruitvinden om te overleven in de wereld van de big data.

    Je kunt je voorstellen dat de chef van MI6 – kortweg ‘C’ genoemd – even huiverde toen hij de Bondfilm Spectre zag. Niet bij de scène waarin het hoofdkantoor van MI6 wordt opgeblazen, maar bij de verontrustende verhaallijn waarin zijn inlichtingendienst moet opgaan in een nieuwe overkoepelende dienst die helemaal om data-analyse draait. Waarom dat een huivering veroorzaakt? Omdat het gevaarlijk dicht bij de werkelijkheid komt. De spion mag dan een van de oudste beroepen ter wereld hebben en MI6 kan dan bogen op nog zo’n roemrijk verleden, momenteel moet de dienst vechten voor zijn voortbestaan. En de reden daarvoor is data.

    De huidige ‘C’, Alex Younger (52), spreekt van een technologische ‘wapenwedloop’. Een inlichtingendienst die goed is in data-analyse is beter opgewassen tegen zijn tegenstanders. Wie daar niet in mee kan, belandt automatisch op een zijspoor. Om dat te voorkomen zoekt MI6 nu antwoord op twee vragen: wat is er nog geheim in het digitale tijdperk? En hoe kun je die geheimen beschermen?

    Cyberspionage

    Spionage draait om het stelen van geheimen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het onderscheppen en decoderen van elektronische communicatie, zogenaamde SIGINT (signals intelligence): het werk van diensten als het Britse GCHQ (Government Communications Headquarters) en de Amerikaanse NSA. Je hebt ook HUMINT (human intelligence), waarbij je informatie probeert los te krijgen van mensen die daarover beschikken. Die mensen worden ‘agenten’ genoemd (de medewerkers van MI6 zelf zijn geen ‘agent’ maar ‘inlichtingenofficier’).

    Tijdens de Koude Oorlog speelde apparatuur bij deze vorm van spionage nauwelijks een rol. Als inlichtingenofficier was je vooral bezig om KGB-agenten af te schudden op weg naar afspraken met informanten in schimmige steegjes in Wenen of Berlijn. Maar de opkomst van computernetwerken heeft 25 jaar geleden grote veranderingen ingeluid. Bij de KGB, en vervolgens ook bij GCHQ en de NSA, groeide het besef dat er waardevolle overheidsinformatie op computers stond die met het internet waren verbonden. Tot ontsteltenis van MI6 kon GCHQ ineens aan documenten komen die je vroeger alleen kon bemachtigen door een buitenlandse agent stiekem foto’s te laten maken van materiaal dat in een kluis lag opgeslagen.

    Cyberspionage veroorzaakte een revolutie in het vak. Je kon op afstand enorme hoeveelheden informatie in handen krijgen zonder gevaar voor mensenlevens. Maar wat is dan de taak van de ouderwetse spion? Op die vraag moet veteraan Younger een antwoord vinden. De strategie? Kort gezegd: data analyseren, onder de radar blijven en overal actief kunnen zijn.

    Technologie biedt zowel kansen als bedreigingen. De eerste stap bij het ronselen van buitenlandse agenten is het kiezen van de juiste persoon. Stel dat je wilt weten of een land een geheim nucleair wapenprogramma heeft. Een goede bron zou dan een zakenman zijn die onderdelen voor dat programma kan leveren. De inlichtingendienst moet dus uitzoeken wie er allemaal toegang tot de geheimen hebben, wie een motief zou kunnen hebben om uit de school te klappen en hoe je die persoon kunt benaderen. Dat gebeurt nu allemaal met behulp van computerdata. Dat kunnen openbare data zijn, zoals informatie over wie voor welk bedrijf werkt. En sociale media kunnen een rol spelen bij het vaststellen van iemands interesses en kennissenkring. Zo bouw je een beeld op van iemands leven. Om de beoogde agent te begrijpen moet je tegenwoordig niet alleen naar diens echte maar ook naar zijn onlineleven kijken. Een discrepantie tussen iemands ‘echte’ wereld en zijn onlinegedrag kan op zichzelf veelzeggend zijn.

    Ook grote dataverzamelingen worden steeds belangrijker. MI6 heeft gezegd dat die ‘steeds meer worden gebruikt voor het vinden van mensen die interessant voor ons kunnen zijn, en het vinden van mogelijke banden met het Verenigd Koninkrijk die wij kunnen gebruiken’. Om welke dataverzamelingen het precies gaat, is geheim. Dat kan het personeelsbestand van een vreemde overheid zijn, het klantenbestand van een hotel of het abonneebestand van een tijdschrift. Het gaat vaak om data van miljoenen, veelal onschuldige mensen. Volgens Britse spionnen is zowel de vergaring als de verwerking van deze data aan strikte regels gebonden. Elke zoekopdracht in zo’n bestand moet voldoen aan de Britse Human Rights Act: het moet als opsporingsmiddel wettig, noodzakelijk en proportioneel zijn. Dat laatste betekent dat een zoekopdracht die te veel resultaten oplevert niet alleen niet onproductief is, maar mogelijk ook tegen de regels.

    Stel dat zo’n zoekopdracht uitwijst dat een ingenieur in geldnood zit; de volgende stap is dan om hem te benaderen. Er zijn systemen die een seintje kunnen geven als hij een hotel boekt. Dan zal een inlichtingenofficier hem daar opwachten in de lobby – want persoonlijk contact is in die fase vaak nog cruciaal.

    Het kwetsbaarste moment in de hele spionageketen was altijd de overdracht van informatie van een agent aan een inlichtingenofficier. De overhandiging van een envelop was een uitgelezen moment voor een ‘heterdaadje’. Maar die overdracht kan met behulp van speciaal ontwikkelde technologie nu ook op afstand plaatsvinden. In 2006 beweerde de Russische veiligheidsdienst een door Britten gebruikte ‘spionagesteen’ te hebben ontdekt: een nepsteen waarin communicatie-apparatuur verborgen zat. Een buitenlandse agent zou daar informatie op kunnen zetten terwijl hij er langsliep. MI6 reageerde niet op de aantijging, maar een voormalig Brits regeringslid erkende later dat ze door de Russen ‘waren betrapt’. Inmiddels kan deze techniek waarschijnlijk veel grotere afstanden overbruggen, zodat de pakkans nog kleiner is.

    Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media?

    ‘Gebruik van data is een waardevolle kans om veel bewuster en doelgerichter te werken en onze agenten en ons land dus beter te beschermen,’ zei Younger in zijn eerste openbare toespraak in maart 2015. ‘Dat is goed nieuws. Het slechte nieuws is dat tegenstanders met diezelfde technologie ook kunnen zien wat wij doen en onze mensen en buitenlandse agenten in gevaar kunnen brengen.’ Technologie helpt onze spionnen om bronnen te vinden, maar helpt vreemde mogendheden ook om Britse spionnen en hun informanten te ontmaskeren.

    Als je geheimen wilt stelen, moet je ze zelf ook geheim kunnen houden. En dat wordt steeds moeilijker. De eerste tekenen zagen we zo’n tien jaar geleden, toen de douane steeds meer gebruik ging maken van biometrische gegevens. Vroeger had een MI6-officier voor een buitenlandse afspraak met een agent genoeg aan een vals paspoort. Even snel de grens over, gesprek voeren met de agent en weer terug. Maar zodra er sprake is van een irisscan of vingerafdrukken, worden zulke gegevens aan die valse naam gekoppeld. Word je dan niet herkend als spion? Het werd een stuk ingewikkelder om buitenlandse agenten te ontmoeten.

    Het volgende struikelblok werden de sociale media. Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media? Wie laat geen digitale sporen na? Zoiets is al genoeg om op te vallen als iemand die zijn privacy uitzonderlijk goed bewaakt, en dus als mogelijke spion. Een paar jaar geleden deed MI6 een test: hoelang duurde het om iemands dekmantel door te prikken met behulp van een paar gerichte zoekacties op Google? De uitslag: ongeveer een minuut.

    Ouwe rotten in het vak zeggen dat veel collega’s aanvankelijk de ogen sloten voor de nieuwe gevaren. Tot ze met hun neus op de feiten werden gedrukt. Zo werd in februari 2003 een CIA-team naar Milaan gestuurd voor de ‘buitengewone uitlevering’ van de van moslimextremisme verdachte Abu Omar. Die werd in Italië van straat geplukt en op transport gezet naar Egypte. Drie jaar later was een Italiaanse aanklager er dankzij de analyse van belgegevens, hotelreserveringen en gegevens van autoverhuurders en creditcardbedrijven in geslaagd om een twintigtal leden van het CIA-team te identificeren en bij verstek te vervolgen.

    De Russische veiligheidienst ontdekte deze Britse ‘spionagesteen’, waarin communicatie- apparatuur verborgen zat. – © AP
    De Russische veiligheidienst ontdekte deze Britse ‘spionagesteen’, waarin communicatie- apparatuur verborgen zat. – © AP

    En grote dataverzamelingen? De angst voor wat daarmee mogelijk is, klonk sterk door in Washingtons hysterische reactie toen in 2015 het personeelsbestand van de federale overheid werd gehackt. Daarbij werden de persoonsgegevens gestolen van 21 miljoen werknemers in overheidsdienst. De gegevens van CIA-officieren en andere spionnen zaten daar niet bij, maar dat was juist het probleem: als een ambassademedewerker niet in dit bestand voorkomt, snapt een slimme inlichtingendienst meteen dat die dus voor de inlichtingendienst werkt. Na die hack kreeg de Britse regering de verzekering dat er in Groot-Brittannië niet één enkele database is die zo veel details bevat.

    Ontmoetingen met agenten zijn tegenwoordig riskanter. Elkaar in het voorbijgaan op straat iets overhandigen, even kort smoezen in een steegje: vroeger was het niet te traceren zolang je niet werd geschaduwd. Maar nu hangen overal bewakingscamera’s en verzamelen smartphones en andere digitale apparaten allerlei data over je locatie. Sterker nog, die data worden opgeslagen. Dat digitale rookspoor heeft ingrijpende gevolgen voor de werkwijze van spionnen.

    Landen leggen steeds vaker grote biometrische bestanden aan met data over hun eigen bevolking. ‘Toen ik bij MI6 ging werken, werd me geleerd hoe ik kon merken of ik werd geschaduwd en of mijn telefoon of radioverkeer werd afgetapt,’ zei John Sawers (van 2009 tot 2014 het hoofd van MI6) in januari 2015. ‘Tegenwoordig worden die arbeidsintensieve technieken ondersteund met geavanceerde software: gezichtsherkenning, voetstapherkenning, enzovoort.’

    Sawers, die eind jaren zeventig bij MI6 was begonnen, keerde er na een lange carrière bij Buitenlandse Zaken in 2009 terug om de dienst te moderniseren. Dat hield onder meer in dat de afdeling technologie beter in de operationele activiteiten moesten worden geïntegreerd. Technici en data-analisten worden tegenwoordig dus vanaf het begin bij de planning van een operatie betrokken en niet meer alleen op het laatste moment geraadpleegd. De inlichtingenofficier die agenten rekruteert is nu één gelijkwaardig lid van een team, in plaats van een soort ‘straaljagerpiloot’ aan wie alle andere teamleden ondergeschikt zijn. De input van de data-analist is nu even belangrijk als die van de inlichtingenofficier.

    Middeleeuws

    Een tijdperk waarin alles wordt vastgelegd en digitale sporen nalaat, vereist andere werkwijzen. Soms betekent het dat je, zoals MI6 het noemt, juist ‘middeleeuws moet gaan’: offline blijven en ouderwetse communicatiemethoden gebruiken. Sommige landen grepen na de onthullingen van Edward Snowden terug op ouderwetse typemachines, en ook technieken als onzichtbare inkt schijnen een comeback te maken.

    De volgende fase van de technologische transformatie is de opkomst van inlichtingen uit openbare bronnen, big data en voorspellende analyse. Tien jaar geleden werd in de spionagewereld nog neergekeken op informatiewinning uit openbare bronnen. Inlichtingenwerk was een kwestie van list en bedrog, niet van een zoekopdracht op internet. ‘Het zoeken in open bronnen beperkte zich toen tot het bijhouden van buitenlandse kranten en tv-journaals,’ zegt Cameron Colquhoun, voormalig data-analist bij de Britse inlichtingendiensten en oprichter van Neon Century, een particulier bedrijf dat is gespecialiseerd in informatiewinning uit openbare bronnen. De omslag kwam met de Groene Beweging in Iran in 2009 en de Arabische lente in 2011, die deels via sociale media waren georganiseerd. ‘Vanwege de rijkdom van die data – allemaal verifieerbaar en voorzien van een precieze locatie en tijdstip – was dit niet langer iets om alleen maar een beetje bij te houden, maar iets waarop je complete onderzoeken kunt baseren.’

    Volgens een Britse generaal komt naar schatting 85 procent van alle militaire inlichtingen nu al uit openbare bronnen. Geografische informatie is makkelijk te vinden. En wat er onder de bevolking leeft, kun je analyseren met speciale software die de stemming van mensen peilt. Dus waarom zou je nog veel geld uitgeven en risico’s nemen om geheimen te bemachtigen als er zo veel informatie voor het oprapen ligt? Ook de opkomst van IS onderstreept het belang van sociale media: Britse jihadisten gebruiken sites als Facebook voor het ronselen van nieuwe volgelingen.

    De analisten van inlichtingendiensten hebben moeite om hierin hun draai te vinden. Hun werkcomputers zijn tenslotte hermetisch afgesloten van internet, gebruik van sociale media is altijd ontmoedigd en ze mogen hun eigen smartphone doorgaans niet meenemen naar het werk. Internet is immers een ideaal achterdeurtje: een potentiële manier voor buitenlandse spionnen om in te breken in de systemen van MI6. 
En ook het koppelen van grote databestanden en het combineren van allerlei gegevens draagt grote risico’s van virusbesmetting met zich mee. Dé uitdaging waar de techneuten voor staan, is hoe je het internet kunt benutten zonder het je hoofdkwartier binnen te laten.

    Volgens een Britse generaal komt 85 procent van alle militaire inlichtingen uit openbare bronnen

    Technieken voor data-analyse worden tegenwoordig eerder ontwikkeld door de privésector dan door de overheid. De meest geavanceerde tools komen van start-ups die voor commerciële doeleinden de stemming van consumenten analyseren. Net zoals inlichtingendiensten willen weten wie er positieve en invloedrijke meningen verspreiden over een gruwelijk filmpje van IS, zo kan een fabrikant benieuwd zijn welke mensen op sociale media promotie kunnen maken voor zijn product. Het Amerikaanse Palantir, oorspronkelijk opgericht door In-Q-Tel, de investeringstak van de CIA, levert zowel inlichtingenprogramma’s voor het leger en de veiligheidsdiensten als analysesoftware voor commerciële bedrijven.

    De Britse start-up Ripjar doet iets vergelijkbaars. ‘Het verzamelen van data is cruciaal voor het opsporen en blootleggen van crimineel gedrag,’ zegt CEO Tom Griffin. ‘Dat lijkt op het bedrijfsleven, waar de echte waarde van data pas evident wordt als je je zakelijke kennis combineert met analytisch denken en een hele hoop verschillende dataverzamelingen.’ Het gebruik van kunstmatige intelligentie en natuurlijke taalverwerking zal de inbreng van menselijke analisten volgens hem niet overbodig maken, maar het zal die analisten wel in staat stellen patronen te vinden in grote hoeveelheden data, zoals tweets uit het IS-kamp.

    De diensten hopen dat big data zullen leiden tot betere analyses, minder ‘strategische verrassingen’ en beter inzicht in de vroege stadia van een dreiging. Hoge CIA-functionarissen zeggen te verlangen naar meer ‘anticiperend inlichtingenwerk’. Bij software die de stemming onder een bevolking peilt, wordt gekeken naar vroege voortekenen van politieke en sociale crises, onlusten en rellen, en tekenen van economische instabiliteit of dreigende tekorten. Het nieuwe Alan Turing Institute van de British Library is een samenwerkingsverband van bedrijfsleven, overheid en wetenschap dat onderzoek doet naar datagestuurde oplossingen voor allerlei nationale bedreigingen, ook voor de nationale veiligheid.

    Ben Whishaw als Q in Skyfall. – © Columbia
    Ben Whishaw als Q in Skyfall. – © Columbia

    Maar is het, gezien de enorme hoeveelheid data en de onvoorspelbaarheid van mensen, überhaupt mogelijk om voorspellende analyses uit te voeren waar inlichtingendiensten echt iets aan hebben? Na de aanslagen van 9/11 nam data-analyse een hoge vlucht. Zo werden in Irak bijvoorbeeld bommenfabrieken opgespoord door het telefoongebruik van opstandelingen te analyseren.

    In Groot-Brittannië werken GCHQ en MI6 nauw samen. Met behulp van grote dataverzamelingen worden eerst ‘doelwitten’ opgespoord, op wie vervolgens meer gespecialiseerde technieken worden losgelaten. Dat is nu veel moeilijker dan vroeger. Vroeger kon één analist van GCHQ een tiental mensen volgen. Nu heb je soms tien analisten nodig voor het volgen van één verdachte, als die persoon een beetje weet wat hij doet. Daarom blijft ook het oude handwerk belangrijk. Als je in een groep zoals Al-Qaida een spion hebt, kan die je vertellen wie iedereen is en wie zijn communicatie sterk beveiligt en wie niet. Er wordt dus vaak gewerkt met een combinatie van technische en menselijke middelen: analisten van GCHQ speuren naar patronen in de online-activiteit en inlichtingenofficieren van MI6 proberen agenten ter plaatse te rekruteren.

    De samenwerking wordt steeds hechter. GCHQ heeft soms een spion nodig om een operatie mogelijk te maken. Denk maar aan het Amerikaans-Israëlische Stuxnet-virus, dat het nucleaire programma van Iran platlegde: er was een technicus voor nodig die de usb-stick in het systeem stopte. Bovendien kan een spion soms informatie vinden die je niet uit de data kunt halen. Maar de balans is aan het verschuiven. GCHQ is nu ongeveer tweemaal zo groot als MI6. Binnen MI6 heerst het besef dat er behoefte is aan een nieuw soort spionnen en dat iedereen digitaal vaardig moet zijn.

    Het wordt steeds moeilijker om geheimen te bewaren. Spionnen moeten zich bezinnen op wat ze precies doen, alle zwaktes en mogelijkheden analyseren en op zoek gaan naar nieuwe bronnen van informatie en de nieuwste softwaretools om die data te ontginnen. Elke nieuw middel om iemand te bespioneren moet eerst goed worden getest om er zeker van te zijn dat de ander het niet tegen je kan gebruiken. In deze nieuwe wapenwedloop van hoogtechnologische spionage zijn alle landen hard bezig om te kijken wat data-analyse oplevert. De winnaar zal er met de buit vandoor gaan. De verliezer trekt – net als overal in de nieuwe wereld van technologie, maar nu met ernstiger gevolgen – aan het kortste eind.

    Auteur: Gordon Corera
    Vertaler: Frank Lekens

    Gordon Corera is Security Correspondent van de BBC.

    Wired
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000

    Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.

  • Digitale data opslaan in DNA, het kan

    Digitale data opslaan in DNA, het kan

    Alle digitale informatie ter wereld opslaan in een wijnkistje? DNA-opslag lijkt dé manier om de buitensporig groeiende hoeveelheid computerdata veilig en eeuwenlang te bewaren.

    Computergegevens worden doorgaans opgeslagen in microscopisch kleine magnetische vlekjes, in elektrische stroompjes of in patronen van minuscule stipjes die het licht van een laserstraal reflecteren. Maar uiteindelijk belanden de data misschien ooit wel in de bouwstenen van het leven zelf en worden ze in de organische moleculen geëtst die samen DNA-strengen vormen.

    Dat is de conclusie die getrokken kan worden uit twee recente experimenten, één door informatici van de University of Washington en Microsoft, het andere uitgevoerd door een groep wetenschappers aan de University of Illinois. Beide onderzoeken tonen aan dat DNA-moleculen geschikte informatiedragers zijn, waarop alle digitale informatie ter wereld zou kunnen worden opgeslagen in een vochtoplossing van pakweg negen liter. Alle informatie ter wereld in één doosje wijn.

    De experimenten bewezen dat specifieke digitale bestanden gericht kunnen worden opgevist uit een potentieel oneindige hoeveelheid data. En volgens de onderzoekers kunnen met deze nieuwe opslagtechniek onafzienbare hoeveelheden informatie voor ten minste duizend jaar veilig worden opgeborgen. Dat is immers de grote tekortkoming van alle bestaande micro-elektronische systemen voor dataopslag: op magnetische schijven of tape en zelfs op optische dragers [zoals de compact disc of cd] kunnen data voor hooguit enkele decennia worden bewaard.

    In de versmelting van computertechnologie en biologie kan nog grote vooruitgang worden geboekt

    De nieuwe onderzoeksresultaten bieden zicht op een methode om de exponentieel groeiende hoeveelheid computerdata eeuwenlang te kunnen opslaan. En vergeleken met de capaciteit van zelfs de meest geavanceerde elektronische of magnetische opslagsystemen, is de opslagcapaciteit van DNA duizelingwekkend hoog. In theorie kun je daarmee een exabyte aan informatie opslaan in een volume ter grootte van een zandkorrel. Een exabyte staat ongeveer gelijk aan de opslagcapaciteit van tweehonderd miljoen dvd’s.


    DNA-moleculen zijn de dragers van de genetische instructies die de ontwikkeling en het functioneren van levende organismen aansturen. De kosten van de zogenaamde sequencing, het uitlezen van de genetische code, dalen sneller dan de kosten van computergeheugen. Daarnaast wordt vooruitgang geboekt met het synthetiseren van strengen van willekeurige sequenties kleine organische moleculen, zogenaamde oligonucleotiden, de bouwstenen van het DNA. Als de kosten van sequencing en van het synthetiseren van DNA blijven dalen, komen nieuwe soorten hybride opslagsystemen volgens informatici binnen handbereik.

    ‘Het afgelopen jaar drong ineens het besef door dat in die versmelting van computertechnologie en biologie nog grote vooruitgang kan worden geboekt,’ zegt Douglas M. Carmean, op dit moment onderzoeker bij Microsoft en vroeger ontwerper van microprocessoren bij Intel. De ontwikkeling van beide vakgebieden dateert van de tijd van de eerste interactieve computers. De eerste echte personal computer, de LINC, werd in 1961 door Wesley A. Clark ontworpen voor biomedische onderzoekers. ‘Biotech heeft in het verleden geprofiteerd van de informatietechnologie,’ zegt Luis Ceze, een informaticus van de University of Washington en een van de bedenkers van het nieuwe DNA-opslagsysteem. ‘Nu moet de biotech iets terugdoen.’

    Nieuw systeem

    De eerste tekenen van het samengaan van biologie en computertechnologie zijn te vinden in het kleine laboratorium in de kelder van de informaticafaculteit van de University of Washington. Dat lab staat volgestouwd met apparatuur die je eerder in een biologielab zou verwachten: een desktopapparaat voor de sequencing van DNA en een apparaat dat van kleine stukjes DNA miljarden exacte kopieën kan maken. Die twee vormen samen het prototype van een methode voor dataopslag die over vijf jaar misschien al veel wijder verbreid is. Volgens de onderzoekers zou de methode een uitkomst zijn voor Hollywoodstudio’s en moderne ziekenhuizen, die oplossingen zoeken voor de langdurige opslag van digitale films respectievelijk röntgenfoto’s en MRI-opnamen.

    Eerdere proeven, uitgevoerd aan Harvard in 2012 en door onderzoekers van het European Bioinformatics Institute in het Britse Hinxton in 2013, wezen uit 
dat het mogelijk is om databestanden in DNA op te slaan en ook weer als digitale informatie uit te lezen. De onderzoeksgroep van Harvard haalde wereldwijd de media door op die manier miljarden exemplaren van Regenesis op te slaan, een boek van geneticus George Church en wetenschapsjournalist Ed Regis. De onderzoeksteams van de University of Illinois en van de University of Washington en Microsoft borduren daarop voort door informatie in DNA-vorm op te slaan en vervolgens één specifiek bestand uit die massa informatie te halen.

    Een medewerker van Brooks Life Science Systems bij de A3+ SmaRTStore, een machine die zo’n 500.000 DNA-samples kan opslaan. – © Joe Raedle / Getty
    Een medewerker van Brooks Life Science Systems bij de A3+ SmaRTStore, een machine die zo’n 500.000 DNA-samples kan opslaan. – © Joe Raedle / Getty

    De onderzoekers in Illinois hebben de Wikipedia-pagina’s van zes universiteiten in DNA weggeschreven, en slaagden er vervolgens in om specifieke delen van die tekst te selecteren en te bewerken. De onderzoekers van de University of Washington en Microsoft redeneerden dat men in potentie zo ongelooflijk veel informatie in DNA kwijt kan, dat het beter kan worden gebruikt om data alleen op te slaan, zonder die verder te bewerken. Zij slaagden erin om vier kleine afbeeldingen op te slaan en die met slechts één foutje onafhankelijk van elkaar weer uit te lezen.

    Computeropslagsystemen zijn net grote steden met straten waarin alle gegevens een exact adres krijgen toegewezen. Bij DNA-opslag wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de moleculen waarin informatie is opgeslagen met elkaar te combineren. De basisfunctie van DNA, replicatie binnen levende organismen, is de basis van alle leven. Zo kan een digitale afbeelding worden opgedeeld in duizenden stukjes, die vervolgens weer worden opgeslagen in duizenden afzonderlijke DNA-strengen. Daarbij voegen de onderzoekers aan elk stukje een uniek kenteken toe, zodat een compleet bestand of een complete afbeelding later weer als een legpuzzel bij elkaar kan worden gezocht. Om de gezochte informatie vervolgens eenvoudiger te kunnen terugvinden, maken de wetenschappers gebruik van de zogenaamde polymerasekettingreactie of PCR (polymerase chain reaction), een techniek om specifieke stukjes DNA te kopiëren (amplificeren, in jargon). Met dit procedé, in 1983 bedacht door de scheikundige Kary Mullis, kan men één enkele DNA-molecuul amplificeren tot miljoenen exemplaren.

    Het is mogelijk om databestanden in DNA op te slaan en ook weer als digitale informatie uit te lezen

    Behalve aan de verfijning van methoden voor het uitlezen van informatie werken de onderzoekers ook aan verbetering van de opslagtechnologie. ‘We zijn nu al een factor honderd verder dan in 2012,’ zegt Church. Zijn laboratorium werkt samen met Technicolor SA, een Frans bedrijf dat veel doet aan digitale dataopslag en filmarchivering. ‘Ons streven is nu om de kosten nog eens met een factor duizend te verlagen,’ zegt Church.

    In het laboratorium van Harvard experimenteert men met het opslaan en weer uitlezen van Méliès’ stomme film Le voyage dans la lune uit 1902. De onderzoekers van de University of Washington en Microsoft werken samen met Twist Bioscience, een start-up uit San Francisco die een systeem heeft ontwikkeld om met behulp van halfgeleiders de productie van DNA-strengen voor dataopslag te versnellen.

    Knelpunt

    Het wegschrijven van informatie in DNA is momenteel het grootste knelpunt, geven de onderzoekers toe. Maar ze verwachten op dat vlak snel verbeteringen. Volgens Emily Leproust, directeur van Twist, ‘draait het allemaal om technologie en het verder verkleinen 
van de processen’. Data wegschrijven naar of uitlezen 
van magnetische tape is nog steeds een populaire 
methode voor de archivering van data bij bedrijven en vergt maar een paar seconden. Maar de tapes zelf worden vaak opgeslagen in kasten of nog grotere gemechaniseerde opbergsystemen. De benodigde tape daaruit ophalen en uitlezen kan uren duren.

    De kosten van digitale dataopslag in DNA zullen volgens Leproust binnenkort gigantisch dalen en de snelheid zal enorm toenemen. En dan kan deze methode concurreren met magnetische opslag. Vergeleken met het uitlezen van elektronisch of magnetisch geheugen gaat het uitlezen van DNA-geheugen met een slakkengang. Maar DNA laat de conventionele methoden ver achter zich wat betreft de hoeveelheid data die kunnen worden opgeslagen en de duur van de houdbaarheid.

    ‘DNA is een heel bijzonder medium voor opslag op lange termijn,’ zegt Karin Strauss, computerontwerper bij Microsoft. ‘Je hoeft alleen maar voor een koele en droge omgeving te zorgen.’

    Auteur: John Markoff
    Vertaler: Frank Lekens

    John Markoff is vast auteur voor The New York Times en schreef o.a. boeken en artikelen over de vervolging en gevangenname van hacker Kevin Mitnick.

    The New York Times
    Verenigde Staten | oplage 1.120.402
    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • 8. Het restaurant 
dat alles van je weet

    8. Het restaurant 
dat alles van je weet

    Een hapje eten buiten de deur, daaraan zal niet zoveel veranderen, toch? Mis, aldus de Amerikaanse restaurantsite Eater.com.

    We schrijven 2040. De vernieuwende Generatie Y loopt tegen de vijftig, de milieuvriendelijke Generatie Z begint ook over haar hoogtepunt heen te raken, en nu stort de marketingwereld zich op de scholieren en studenten van ‘Generatie Alfa’ met al hun eigenaardigheden.

    Je staat voor een van de nieuwste fast-casual broodjes- en pastazaken in de stad, met een vriendin die wel vaker bij deze keten komt. Zij gaat je voor door de automatische deuren, en eenmaal binnen valt je op dat de zaak hypermodern is ingericht, met een aardse, ecologische touch: wanden die uit planten lijken te bestaan, panelen van bamboe, vloeren van kurk en verlichting op zonne-energie, met flikkerende ledlampjes in vrolijke kleuren. Prachtig hoor – alleen heb je dit schaamteloze geflirt met de milieubewuste Generatie Z al tig keer eerder gezien in dit soort zaken. Geruststellender is de kakofonie van geroezemoes en elektronische bliepjes die de ritmische klanken van de retro-hiphop overstemt.

    Smartpad

    Je vriendin haalt haar smartpad (zo’n ding dat vroeger een telefoon heette) uit haar broekzak en ontgrendelt het scherm. ‘Welkom, fijn dat je weer bij ons bent’, staat te lezen op het apparaat. Dat berichtje krijgt ze als deelnemer aan het vasteklantenprogramma van deze keten, een fenomeen dat steeds gebruikelijker wordt. Je kijkt om je heen of je ergens de zwarte beacon-paal ziet die de smartpad van je vriendin heeft gedetecteerd en haar nu die automatische berichtjes stuurt. ‘Je krijgt 10 spaarpunten! Nog 50 en je hebt recht op een gratis broodje.’

    Tijd om een plekje te zoeken. Onderweg naar het zitgedeelte achterin zie je rechts van je een paar 
zelfbedieningsautomaten staan. Onwillekeurig denk je terug aan 2015, toen fastfoodketens als McDonalds in reactie op de protestacties tegen het lage minimum‑
loon dit soort automaten introduceerden.

    Nu merk je dat die rare elektronische bliepjes die je net al hoorde, afkomstig zijn van die automaten, waar een paar haastige yuppentypes een snelle hap bestellen en afrekenen. Je ziet een jonge vrouw haar smartpad langs de automaat halen. ‘Dank je wel. Je betaling is geslaagd.’ Dan verschijnt het cijfer 34 op het scherm.

    Nu loopt de vrouw jullie voorbij, naar een groene, met mos begroeide muur met een stuk of vijftig luikjes erin. Zo’n luikjesmuur ken je van ketens als Eatsa, die een kwarteeuw geleden personeelloze restaurants openden geïnspireerd op de aloude Nederlandse automatiek. De vrouw gaat naar luikje 34, dat voorzien is van een touchscreen. Als ze ertegenaan tikt, gaat het open en haalt ze er een bruin papieren zakje uit.

    Het tafelblad, ook al een touchscreen, splitst zich in tweeën en je krijgt een menu te zien

    Intussen hebben jullie een tafeltje achterin gevonden. Je wilt al gaan zitten als je vriendin je tegenhoudt. ‘Bah, het is vies,’ zegt ze. En inderdaad, de tafel ligt vol kruimels. Je vriendin tikt op het tafelblad, dat ook al een touchscreen blijkt te zijn. Als de tafel uit zijn sluimerstand ontwaakt, tikt je vriendin op een knop met het woord ‘schoonmaken’. Meteen komt er iemand van het personeel opdraven, die volgens zijn naamplaatje Jaime heet. Jaime is gewapend met een doekje en een aluminium spuitbus. Je vraagt je af hoe lang hij hier nog zal werken, want 90 procent van de restaurants wordt tegenwoordig op afstand aangestuurd vanuit een ver computercentrum, waardoor er ter plaatse nog hooguit drie tot vijf mensen nodig zijn. Jaime heeft hier een van de weinige overgebleven minimumloonbaantjes, realiseer je je, en je denkt even terug aan je eigen eerste baantje in een fastfoodtent, toen je nog op de middelbare school zat.

    Dan valt je oog op Jaimes neongroene smartwatch. Het ding trilt en knippert terwijl hij de tafel schoonveegt. Als hij klaar is, kijkt hij naar het schermpje van zijn smartwatch, dat ‘tafel 7’ aangeeft. Voordat Jaime zich naar tafel 7 spoedt, waar dat ook wezen mag, bedank je hem voor de moeite.

    Allang geen toekomstmuziek meer: robotserveerster ‘Little Peach’ brengt de bestellingen rond in een restaurant in Yiwu, Zhejiang, China. Ze zegt:  ‘Here’re your meals, please enjoy’. – © Getty Images
    Allang geen toekomstmuziek meer: robotserveerster ‘Little Peach’ brengt de bestellingen rond in een restaurant in Yiwu, Zhejiang, China. Ze zegt: ‘Here’re your meals, please enjoy’. – © Getty Images

    ‘Waar heb je zin in?’ vraagt je vriendin, en ze legt haar smartpad op tafel. Weer komt de smarttable tot leven: ‘Welkom, fijn dat je weer bij ons bent! We bevelen je de volgende selectie aan, op basis van je vorige bezoek.’

    Om duidelijk te maken dat je vriendin ditmaal gezelschap heeft, tik je op jouw kant van het tafelblad. 
Nu splitst het scherm zich in tweeën en krijg je een menu te zien. Al swipend bekijk je het aanbod van biologische volkorenpasta’s en verse broodjes ‘in ambachtelijke stijl’ die duurzaam zijn bereid met lokale ingrediënten. Vroeger werd met ‘ambachtelijk’ nog bedoeld dat iets daadwerkelijk met de hand was gemaakt, bedenk je met een wrang lachje; nu betekent het dat het in elkaar is geflanst door robots die recepten van beroemde koks kopiëren – en die duur keukenpersoneel vervangen.
    Als je op verschillende gerechten tikt om de voedings‑
waarde en ingrediëntenlijstjes te bekijken, merk je dat praktisch alles is afgestemd op het vegetarische dieet van je gezelschap, dus swipe je door naar het complete menu. Na enig wikken en wegen zijn jullie zover om jullie keuze aan te geven.

    ‘Hoe wil je betalen?’ Je vriendin veegt met haar smartpad over het tafelblad. De menu’s verdwijnen en er komen nieuwe vensters voor in de plaats. Een nieuwslezer somt de hoofdpunten op uit het nieuws van de dag, maar dat kan je weinig boeien. Je vriendin ziet je verveeld kijken en swipet naar links. Op het scherm verschijnt een of ander dom quizje. Nu swipe je zelf naar links en krijg je een soort Zeeslagje voorgeschoteld.

    Dan ontdek je het oplaadpunt naast de tafel en besluit je meteen maar je smartpad op te laden. Je steekt de stekker van het ding in de universele oplader op zonne-
energie en stort je op het spel op het tafelblad.


    Na een minuut of vijf krijg je een melding dat je bestelling klaar is. Aan jouw kant van de tafel verschijnt nummer 21 in beeld. Je loopt naar de groene muur met de luikjes en zoekt naar nummer 21. Daar moeten je broodje en je drankje klaarstaan. Je tikt tegen het luikje, maar het gaat niet open. In plaats daarvan krijg je een berichtje te zien: ‘Download de app van ons vasteklantenprogramma en krijg 2 dollar korting bij je volgende bezoek.’ Je ziet af van de optie ‘Nee dank je’ en veegt met je smartpad langs het scherm, waarna het ding trillend de app downloadt. Nu gaat het luikje open en kun je je dienblad pakken. Je loopt terug naar je tafeltje, waar je vriendin al klaarzit met haar eigen dienblad. Het volgende uur zitten jullie gezellig te eten en spelletjes te doen, genietend van de lekker ouderwetse hiphop.

    ‘Zullen we gaan?’ vraagt je vriendin ten slotte, en ze logt de smarttable alvast uit. Jullie gaan met de dienbladen naar het recyclepunt bij de plantenwand en kieperen het grotendeels papieren afval in de recycle‑
bakken, die ook al op zonne-energie werken. Als je naar buiten loopt, voel je je smartpad trillen. ‘Was alles naar wens? Geef je bezoek een beoordeling.’ Het berichtje is verstuurd via de app die je net hebt gedownload. Je geeft vijf sterren, neemt afscheid van je vriendin en gaat naar huis, zonder je te realiseren dat dit hightechrestaurant al is voorbereid op je volgende bezoek – exact op de hoogte van je favoriete menu, tijdverdrijf en eetgezelschap.

    Auteur: Vince Dixon

    Eater.com is een Amerikaanse restaurantsite