Tag: democatie

  • Klassenstrijd in Brazilië

    Klassenstrijd in Brazilië

    De Brazilianen verwijten president Rousseff behalve haar betrokkenheid bij een corruptieschandaal de ergste recessie in Brazilië in 25 jaar. Volgens onderzoeksjournalist Glenn Greenwald grijpen de elite en hun media deze kans aan om te doen wat op democratische wijze nooit is gelukt: de Arbeiderspartij uit de regering krijgen.

    Brazilië is een heel jonge democratie. In 1964 werd de democratisch gekozen linkse regering nog afgezet na een militaire coup. Die staatsgreep en de daaropvolgende dictatuur kregen steun van Braziliës oligarchen en hun grote mediabedrijven, de Globo-groep, voorop: die schilderden de coup af als een nobele zege op een corrupte linkse regering. De dictatuur had ook de steun van de exorbitant rijke (en in overgrote meerderheid blanke) bovenklasse en de kleine middenklasse van het land. In de Braziliaanse maatschappij spelen scherpe rassen- en klassentegenstellingen in Brazilië nog steeds een grote rol.

    Corruptie is een groot probleem in de politieke klasse – ook in de hoogste rangen van de regerende Arbeiderspartij. Maar de plutocraten en hun media en de hogere klassen grijpen dit corruptieschandaal aan om te doen wat hun jarenlang niet op democratische wijze is gelukt: de Arbeiderspartij uit de regering krijgen.

    Dilma Rousseff en haar partij zijn door corruptie en economische tegenslag  bijzonder impopulair geworden. – © Sergio Kremer / Getty
    Dilma Rousseff en haar partij zijn door corruptie en economische tegenslag bijzonder impopulair geworden. – © Sergio Kremer / Getty

    De commerciële mediakanalen fungeren praktisch als protestorganisator en spreekbuis van de oppositie. De grootste zijn in handen van een piepklein aantal families,
    bijna allemaal felle klassenvijanden van de Arbeiderspartij, en hun media gooien vooral olie op het vuur. De mensen wier belangen deze media vertegenwoordigen, zijn bijna allemaal voorstanders van een afzettingsprocedure tegen president Rousseff en hebben doorgaans banden met de oude militaire dictatuur. Zoals de Canadese correspondent Stephanie Nolen van de Globe and Mail schreef: ‘De grootste instellingen van het land zijn duidelijk niet op de hand van de president.’ Veel aanhangers van rechts verlangen terug naar de militaire dictatuur, en op de zogenaamde anticorruptiedemonstraties wordt soms opgeroepen om een eind te maken aan de democratie.

    Dat rechtvaardigt niet wat de Arbeiderspartij heeft gedaan. Door de wijdverbreide corruptie en economische tegenslag zijn Rousseff en haar partij bijzonder impopulair geworden in alle geledingen van de bevolking, zelfs onder de arbeiders, die hun achterban vormen. Maar de volksprotesten, al zijn ze groot en fel, worden aangewakkerd door groepen die het altijd al op de Arbeiderspartij hadden gemunt.

    Een afzettingsprocedure is een legitiem middel in een democratie, als de betreffende politicus inderdaad ernstige strafbare feiten heeft gepleegd

    Je moet wel heel naïef zijn om te denken dat de invloedrijke personen die om haar afzetting roepen vooral een kruistocht voeren tegen corruptie. De partijen die van haar afzetting zouden profiteren, zitten namelijk zelf tot aan hun nek in corruptieschandalen die soms nog veel groter zijn. Tegen vijf leden van de impeachmentcommissie loopt een strafrechtelijk onderzoek wegens corruptie, evenals tegen 36 van de 65 leden van het impeachmentcomité van het Hogerhuis. De voornaamste pleitbezorger van een afzettingsprocedure in het Lagerhuis, de evangelistische extremist Eduardo Cunha, bleek op verschillende Zwitserse bankrekeningen miljoenen dollars te hebben staan – volgens de aanklagers allemaal smeergeld. Er lopen meerdere onderzoeken tegen hem.

    Sérgio Moro, de rechter die het onderzoek naar de corruptiezaak in de Arbeiderspartij leidt, lekte deze week een afgetapt telefoongesprek tussen Lula en president Rousseff naar de pers. Het bijzonder vage gesprek werd door O Globo en andere antiregeringsmedia meteen als belastend bestempeld. Maar door het te lekken lapte rechter Moro alle juridische procedures aan zijn laars. Zijn bedoelingen waren duidelijk ook niet juridisch maar politiek: hij was woedend dat het onderzoek naar Lula moest worden afgebroken, omdat Lula een post in Rousseffs kabinet kreeg.


    Hij hoopte Rousseff en Lula in verlegenheid te brengen en protesten uit te lokken. Daarmee haalde hij zich de kritiek op de hals, ook van medestanders, dat hij zijn macht misbruikte om politieke invloed uit te oefenen. Dit creëert het gevaar dat het strafrechtelijk onderzoek en de afzettingsprocedure niet langer juridische middelen zijn om criminele politici te straffen, maar een antidemocratisch wapen waarmee politieke tegenstanders proberen een democratisch gekozen president af te zetten.

    Het staat als een paal boven water dat de Arbeiderspartij bol staat van de corruptie. Er bestaan ernstige verdenkingen tegen Lula, die een eerlijk en onpartijdig onderzoek vereisen. En een afzettingsprocedure is een legitiem middel in een democratie, als de betreffende politicus inderdaad ernstige strafbare feiten heeft gepleegd en de afzetting netjes volgens de regels verloopt. Maar uit de huidige afzettingsprocedure en demonstraties in Brazilië komt een veel complexer en moreel veel schimmiger beeld naar voren dan vaak wordt geschetst.

    Auteur: Glenn Greenwald
    Vertaler: Frank Lekens

    Onderzoeksjournalist Glenn Greenwald werd wereldberoemd door zijn samenwerking met NSA-klokkenluider Edward Snowden en de onthullingen die daaruit voortvloeiden. Hij is een van de oprichters van de opinie- en nieuwssite The Intercept. Bij uitgeverij Lebowski verscheen zijn boek De afluisterstaat.

    The Intercept
    Brazilië | theintercept.com

    The Intercept (opgericht door Glenn Greenwald) is een webzine dat zijn bronnen – doorgaans klokkenluiders – een beveiligd, anoniem kanaal biedt om bestanden ter beschikking te stellen.

  • Dossier Brussel 4. Europa, kom in actie

    Dossier Brussel 4. Europa, kom in actie

    Europa reageert veel te slap op aanslagen zoals die in Brussel, schrijft de Spaanse krant El País. Het is onze Europese identiteit die wordt aangevallen, dus moeten we ook gezamenlijk reageren.

    Bij elke aanslag op Europees grondgebied is het scenario hetzelfde, en altijd is het even ontluisterend: terwijl de terroristen Europa op grote schaal aanvallen, is de reactie van Europa minimaal.

    Zowel uit de communiqués die de aanslagen rechtvaardigen als uit de verklaringen en handelwijzen van de jihadisten (vooral van degenen die in Europa zijn geboren) spreekt een diepgewortelde haat jegens alles waar Europa voor staat: individuele vrijheid, democratische waarden en een ongeëvenaarde tolerantie op religieus gebied.

    Europa blijft een abstracte entiteit waarvoor niemand wil sterven

    Iedereen die zich verbonden voelt met dit Europa, dat evenzeer een idee is als een project en een manier van leven, is een potentieel doelwit, zelfs moslims. Vandaar dat de plegers van de aanslag in de Bataclan de vijftienhonderd toeschouwers die zich daar bevonden niet op religie of nationaliteit selecteerden voordat ze hen executeerden. In hun ogen verdienden ze allemaal de dood.

    De Europese Unie was in november al aangevallen in Parijs, maar ze heeft niet overeenkomstig gehandeld. In plaats van te eisen dat artikel 222 van het functioneringsverdrag van de EU in werking werd gesteld, zodat alle lidstaten op een collectieve en gecoördineerde manier konden reageren, nam Parijs liever zijn toevlucht tot artikel 42, dat een intergouvernementele reactie mogelijk maakte, buiten de Europese instituties om.

    Het Brusselse Beursgebouw werd een herdenkingsplek. – © Christopher Furlong / Getty Images
    Het Brusselse Beursgebouw werd een herdenkingsplek. – © Christopher Furlong / Getty Images

    Uit deze juridische subtiliteit sprak een zeer duidelijke boodschap: de Franse autoriteiten wilden hun volledige handelingsvrijheid behouden op alle fronten in de strijd tegen het terrorisme, zoals bleek uit de beslissing van Hollande om onmiddellijk doelen van IS in Syrië te gaan bombarderen.

    Of het nu gaat om het oplossen van de vluchtelingencrisis of het beleid inzake Syrië, de lidstaten willen zelf de controle behouden over alle gevoelige kwesties die te maken hebben met hun veiligheid. En dat terwijl de betrokkenheid van Belgische netwerken bij de aanslagen in Parijs al voor eens en voor altijd had aangetoond dat het een ernstige vergissing is om bij zulke kwesties de nationale soevereiniteit te willen bewaren.

    Om ons daaraan te herinneren, hebben de jihadisten recentelijk Brussel aangevallen, de hoofdstad van de Europese Unie. Maar één ding is zeker: velen zullen blijven denken dat deze aanslag tegen België was gericht. Europa blijft een abstracte entiteit waarvoor niemand wil sterven. Dat velen bereid zijn Europeanen te doden, zou echter aanleiding moeten zijn om ons nog eens flink achter de oren te krabben over de kracht van onze identiteit en ons project.

    Auteur: José Ignacio Torreblanca

    José Ignacio Torreblanca is hoofd van ECFR (European Council on Foreign Relations) in Madrid en betrokken bij het European Power-programma.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    De grootste krant van Spanje, met een centrum-linkse signatuur.

  • Evo Morales is niet gekomen om te vertrekken

    Evo Morales is niet gekomen om te vertrekken

    Hoe is het mogelijk, vraagt de Boliviaanse schrijver Alex Aillón Valverde zich af, dat Evo Morales, de president uit en van het volk, ook gevallen is voor de macht die hij nu middels een grondwetswijziging koste wat kost wil vasthouden?

    Hoe dat hongerlijertje dat blootsvoets over de hoogvlakte van Bolivia struinde, door de omstandigheden voorbestemd tot een leven van armoede en onderwerping, hoe die de leider werd van de machtige federale vakbond van cocaleros (cocaverbouwende boeren) in Chapare, de leider die het decadente politieke systeem ten val bracht, de man die de verpersoonlijking werd van de verandering die zich in Bolivia vertrok, dat alles is een schitterend verhaal, een verhaal van hoop, van strijd, van overwinning, een verhaal dat ons met trots vervult, trots op de rebellie van onze inheemse bevolking, trots op ons mens-zijn.

    Hoe de eerste president van het multi-etnische Bolivia – de eerste inheemse president – de verlangens en de kracht van een volk dat de uitbuiting beu was in 2006 vertaalde naar een zetel in het parlement, hoe hij de politiek-conservatieve macht van het Westen brak en confrontatie aanging met de oppositie, die zich schaarde aan de kant van het buitenlands kapitaal (een oppositie die inmiddels slechts een scharminkelige zombie is, meer dood dan levend), hoe hij daarmee het land op een nieuwe leest schoeide en de horizon verbreedde voor zijn volk, ook dat is een verhaal dat je niet genoeg kunt omarmen en op waarde schatten.

    Hoe Evo Morales de Evo Morales van nu werd is onderdeel van een fascinerend proces van mythologisering in een bewogen tijd voor Bolivia en heel Latijns-Amerika. Niemand bij zijn volle verstand, links of rechts, zal twijfelen aan het belang van zijn persoon of aan de kracht van de sociale beweging die de leider van de cocaleros in zijn tijd vertegenwoordigde.

    Hij is ervan overtuigd dat hij ons kan redden, terwijl hij in werkelijkheid zichzelf niet kan redden

    Maar Evo Morales, de kameraad, de voorman, de revolutionair, de man van de protestmarsen, de man die ons tot tranen toe bewoog toen hij in Sucre, de nieuwe hoofdstad van Bolivia, ingezworen werd als president en alle martelaren van het antikoloniale verzet rehabiliteerde, die Evo Morales bestaat allang niet meer.

    De reis van de marge, van de straat, van de historische protestmarsen, naar het centrum van de macht heeft een zware tol geëist. De Evo die overbleef is de Evo die ze de Grote Leider noemen, de Evo aan de top, de Evo van de verticale macht, de Evo die boven de grondwet wil staan, de grondwet waarvoor hij zelf gestreden heeft.
    Die Evo is de president die in onze hele geschiedenis het langst aan de macht is gebleven. Hij is inmiddels een oude potentaat en hij heeft nog vier jaar voor de boeg. Die Evo is de Evo die campagne voert voor het referendum van 21 februari om de grondwet zodanig te veranderen dat hij nog een vierde termijn krijgt. Als dat lukt, zal Morales in totaal twintig jaar aan de macht zijn, tot 2025.


    Zo staan de zaken. De Grote Leider wil blijven. Hij is niet tot hier gekomen om te vertrekken. Hij is ervan overtuigd dat hij ons kan redden, terwijl hij in werkelijkheid zichzelf niet kan redden. Vanwege belangen, andere dan vroeger, moet hij aanblijven. Het gaat niet meer om respect voor het volk en zijn strijd, het gaat niet meer om respect voor Pachamama, onze moeder aarde, het gaat niet meer om antikapitalisme of anti-imperialisme, die praatjes smaken al naar gebakken lucht, ze zijn gebakken lucht.

    Wat telt is de band met het kapitaal, de constructie van een nieuwe managers- en ambtenarenbourgeoisie, behoud van de privileges die in al deze jaren van macht zijn verworven, het extractivisme ten koste van de natuur en de inheemse bevolking, en de introductie van een nieuwe vorm van kapitalisme, een ongekende vorm, met de retoriek van links.

    Eeuwen moesten er verstrijken en rivieren van bloed moesten worden vergoten opdat dat indiaanse armoedzaaiertje kon uitgroeien tot Evo de kameraad, de revolutionair, en niet de Grote Leider. Maar toen ging het nog om eenvoud en helderheid, en daarmee is het al jaren uit.


    ’s Nachts, in de onwerkelijkheid van de gedroomde democratie, wordt de Grote Leider weer het jongetje, en een metalen condor daalt neer uit de hemel en bedekt hem met zijn vleugels. Hij tilt hem opwaarts naar de hemel en zet hem op een bergtop. Het jongetje tuurt naar de horizon en denkt terug aan zijn armoede, de eenzaamheid van de afstand, het wonder van de dageraad met haar minutieuze giften, het onverwoestbare geluk van het leven. Maar de Grote Leider wil niet weg. Hij is niet tot hier gekomen om te vertrekken. De Grote Leider is tot hier gekomen om te blijven. Het jongetje bestaat al jaren niet meer. De condor is in de ruimte verdwenen. Iets is opgehouden met kloppen. Iets is opgehouden met vliegen. Het zullen allemaal wel dromen geweest zijn. Nu is het tijd om de macht te behouden om de macht.

    Auteur: Alex Aillón Valverde
    Vertaler: Jos den Bekker

    The Clinic
    Chili | weekblad, oplage 30.000

    Het satirische weekblad 
The Clinic – de naam verwijst naar de Londense kliniek waar dictator Augusto Pinochet werd behandeld – 
rapporteert kritisch en vaak grappig over politiek en samenleving.

    Beeld bovenaan: Evo Morales wordt feestelijk verwelkomd bij de stembus. – © Nicanor Vasquez / HH

  • Rechts brengt Israëlische democratie in gevaar

    Rechts brengt Israëlische democratie in gevaar

    Rechtse politici als Naftali Bennett bedreigen de fundamenten van de Joodse staat, waarschuwt Rachel Liel. ‘Als we niet snel iets doen worden we weldra wakker in een democratie à la Poetin of Erdogan.’

    De staat Israël heeft al eerder periodes van ernstig politiek geweld gekend. Tijdens het debat over de Duitse herstelbetalingen in het begin van de jaren vijftig belaagden woedende betogers de Knesset. 
Op het hoogtepunt van de oorlog in Libanon in 1982 kwam Emil Grunzweig, een betoger van Vrede Nu, om het leven door een granaat. Een andere zwarte bladzij uit de Israëlische geschiedenis was de moordaanslag door de rechtse extremist Yigal Amir op premier Yitzhak Rabin aan het eind van een vredesbetoging in november 1995.

    Toch lijkt de sfeer die sinds een jaar in Israël heerst nog ernstiger, verstikkender en verontrustender. In de Knesset en de regering zitten te veel kwade genii die de tweespalt aanwakkeren. Een gezonde democratie weet zich te herstellen van fatale aanslagen op vertegenwoordigers of symbolen van het wettige gezag. Maar als de regering zelf zich tegen een deel van de bevolking keert, wordt de toekomst van de hele maatschappij bedreigd.

    Rusland achterna

    Toen de demissionaire premier Benjamin Netanyahu het in maart 2015 ‘een bedreiging voor de nationale veiligheid’ noemde dat Arabische kiezers hun stem mochten uitbrengen bij de parlementsverkiezingen, iets waar de Israëlische democratie vroeger trots op was, droeg hij daarmee bij aan een sfeer van haat, angst en gewelddadigheid tussen Joden en Palestijnen (Israëlische Arabieren).

    Toen minister van Justitie Ayelet Shaked, in koor met de extreemrechtse militanten, de ngo’s handlangers van het buitenland noemde, wees ze daarmee duidelijke doelen aan voor potentiële politieke aanslagen. Maar in tegenstelling tot wat Shaked beweert worden ngo’s overal ter wereld financieel door buitenlandse geldschieters gesteund voor de verdediging van de mensenrechten.

    Als de regering zelf zich tegen een deel van de bevolking keert, wordt de toekomst van de hele maatschappij bedreigd

    Alleen in niet-democratische staten krijgen ngo’s om deze reden sancties opgelegd. Israël gaat hard Rusland achterna, waar Poetin weliswaar democratisch verkozen is, maar zijn politieke tegenstanders onder allerlei voorwendsels gevangen worden gezet en onafhankelijke journalisten worden vermoord. Is dat de weg die de Israëlische regering ons wil laten inslaan? Die van een regime dat alle formele kenmerken van een democratie vertoont, maar 
gespeend is van alles wat een levende democratie bezielt?

    Elke keer als vertegenwoordigers van het gezag opkwamen voor de zwakken en de slachtoffers, is de storm gaan liggen. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen de brandstichting in de tweetalige Arabisch-Joodse school Max Rayne in Oost-Jeruzalem (november 2014) onmiddellijk en ondubbelzinnig werd veroordeeld door president Shimon Peres en talrijke ministers, zodat de politie de schuldigen snel kon aanhouden.

    Benjamin Netanyahu en Naftali Bennett in de Knesset.  – © Miriam Alster / Flash90
    Benjamin Netanyahu en Naftali Bennett in de Knesset. – © Miriam Alster / Flash90

    Maar tegenwoordig gooit de regering zelf olie op het vuur. Minister van Onderwijs Naftali Bennett of minister van Defensie Moshe Yaalon knippert niet eens met zijn ogen bij de bedreigingen en verdachtmakingen die op de sociale netwerken aan het adres van de ngo’s worden gericht. Eén aanslag door een Israëlische Arabier was voor de premier voldoende om de raciale haat jegens de Arabische minderheid aan te wakkeren en zelfs te dreigen de voedselvoorziening voor de Arabische gemeentes af te snijden. Deze boodschap is bij de extremistische Joden luid en duidelijk overgekomen.

    Docenten worden tegenwoordig aangesteld op basis van hun veronderstelde politieke overtuigingen. Boeken die ‘gevaarlijk’ voor de nationale identiteit worden geacht worden verboden, zoals een roman over de liefde tussen een Arabische man en een Joodse vrouw. Schoolboeken voor de vakken geschiedenis en maatschappijleer worden herschreven. Politieke bewegingen worden onwettig verklaard. Sommige organisaties wordt een algeheel contactverbod met soldaten of studenten opgelegd.

    Misschien is het al te laat

    Overal bespeurt men ‘handlangers van het buitenland’ of verraders. Democratisch gekozen afgevaardigden worden uit hun partij gezet. Er wordt haat gepredikt tegen alles wat links of Arabisch is. Degenen die de aanval inzetten zitten in de regering zelf.

    Diverse malen heeft oorlog de Israëlische maatschappij op de rand van de afgrond gebracht. Maar de huidige dreiging is veel verontrustender dan die van vroeger: ze komt vanuit onze maatschappij zelf en kan veel meer schade aanrichten dan de oorlogen die door onze vijanden worden gevoerd. Als we er niet snel in slagen deze spiraal te doorbreken, zullen we weldra wakker worden in 
een democratie à la Poetin of Erdogan. Misschien is het zelfs al te laat.

    Auteur: Rachel Liel
    Vertaler: Peter Bergsma

    Rachel Liel is directeur van het progressieve New Israel Fund. Ze bekleedde talloze publieke functies, en werd uitgeroepen tot een van Israëls veertig meest invloedrijke vrouwen.

    Yediot Aharonot
    Israël, dagblad, oplage 300.000
    ‘Het laatste nieuws’ is lang de grootste nationale krant van Israël geweest, opgericht in 1939. Over het algemeen kritisch over het beleid van Netanyahu.

  • 7. De rechtsstaat is vervangen door het recht van de staat

    7. De rechtsstaat is vervangen door het recht van de staat

    Waarom moest de noodtoestand worden verankerd in de grondwet? Om wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, schampert weekblad Politis.

    Momenteel worden er twee artikelen van de grondwetswijziging behandeld door de leden van de Franse Nationale Vergadering, waarvan de verankering van de noodtoestand in de grondwet het belangrijkste is. Maar het debat gaat eigenlijk alleen over artikel 2 van het wetsontwerp: de ontneming van de nationaliteit.

    Voorbijgegaan wordt aan artikel 1. Dat dreigt zonder slag of stoot te worden aangenomen. Dit eerste artikel is echter een vlucht naar voren op het gebied van de veiligheid, in aansluiting op de wet op de inlichtingendiensten en de toekomstige wet ‘ter versterking van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de financiering ervan, en met de doeltreffendheid en de waarborgen van de strafrechtelijke procedure’. Over het uit elkaar halen van de behandeling van die onderling samenhangende wetten heeft de regering nog amper uitleg hoeven geven.

    Vraag der vragen

    Waar dient deze verankering van de noodtoestand in de grondwet toe? 
Op deze essentiële vraag heeft premier Manuel Valls de commissie wetgeving van het Franse parlement op 27 januari drie antwoorden gegeven:

    De eerste reden is van juridische aard. Het gaat er volgens de premier om 
‘een onwrikbare grondwettelijke basis te verschaffen aan de noodtoestand’. Deze regeling ‘die wordt toegepast in uitzonderlijke omstandigheden en die het vaakst is toegepast in de Vijfde Republiek’, is de enige die niet is verankerd in de grondwet. Er zou dus 
juridische leemte worden opgevuld: ‘Vanuit het oogpunt van grondwettelijke jurisprudentie moeten dus alle tijdelijke bevoegdheden die aan de autoriteiten worden verleend in het kader van de noodtoestand kunnen worden gewettigd. Een grondwettelijke basis verschaffen aan de noodtoestand houdt in dat de maatregelen van de administratieve politie als bepaald in de wet van 1955 worden geconsolideerd.’

    Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet

    Het is in verband met deze leemte dat Manuel Valls op 20 november in de Senaat zei dat het ‘riskant’ zou kunnen zijn om de Grondwettelijke Raad te raadplegen over het wetsontwerp ter verlenging van de noodtoestand en ter aanscherping van de bepalingen ervan.

    Met andere woorden: Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet.

    De leden van de Franse Nationale Vergadering bij de hoofdelijke stemming over het afroepen van de noodtoestand. – © Charles Platiau
    De leden van de Franse Nationale Vergadering bij de hoofdelijke stemming over het afroepen van de noodtoestand. – © Charles Platiau

    Toch is dat argument zeer discutabel. Zoals de groen-linkse parlementariër Sergio Coronado al zei: ‘De Grondwettelijke Raad heeft al in 1985 erkend dat het feit dat de noodtoestand niet in de grondwet is opgenomen de wetgever niet hoeft te beletten hem af te kondigen. Ook heeft de Raad, toen hem de vraag werd gesteld of het huisarrest zoals dat wordt toegestaan door de wet op de noodtoestand van november 2015 in overeenstemming is met de grondwet, dit bevestigd. Bovendien heeft de Raad van State (Conseil d’État) in zijn advies over het voorontwerp van de wet inzake de verlenging van de noodtoestand gesteld, dat de noodtoestand niet in de grondwet hoefde te worden opgenomen. Om vervolgens het tegenovergestelde te stellen in zijn advies over de ontwerp-grondwet die nu werd ingediend. Het leek dus juridisch niet echt noodzakelijk de noodtoestand in de grondwet te verankeren.

    De tweede reden is dat de gelegenheid zich voordoet. Manuel Valls stelt dat 
hij ‘de herziening van de wet van 1955 wil voltooien’. ‘Sommige maatregelen konden niet worden opgenomen in de wet van 20 november om redenen van jurisprudentiële aard,’ zo verklaarde hij tegenover de commissie wetgeving van de Nationale Vergadering, en hij kondigde aan op korte termijn een wetsontwerp te zullen indienen. Wat zou dus nóg een reden kunnen zijn om de noodtoestand in de grondwet te verankeren?

    We weten niet wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden

    Een gedachtewisseling tussen het 
parlementslid Alain Chrétien 
(Les Républicains) en de minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Cazeneuve, tijdens een debat over de noodtoestand en het strafrecht, begin januari, kan wellicht opheldering geven. De afgevaardigde beklaagde zich over het feit dat zijn amendement in november werd verworpen. Dat amendement was erop gericht bij huiszoekingen computerapparatuur in beslag te mogen nemen in plaats van alleen een kopie 
te maken van de gegevens.

    Terloops verzekerde hij dat de voorzitter van de commissie wetgeving, Jean-Jacques Urvoas, die inmiddels is benoemd tot minister van Justitie, had ‘erkend dat dit amendement zeer zinvol geweest zou zijn’.

    Hetgeen ook de opvatting was van Cazeneuve in zijn antwoord: ‘Zelf zie 
ik geen enkele reden om bezwaar te maken tegen een maatregel waarvan ik wel degelijk het nut en het belang inzie (…) De reden dat uw amendement door de regering is verworpen toen u het indiende, was onze overtuiging, 
op basis van een juridische analyse die volgens mij zeer weloverwogen was, dat het ongrondwettelijk was. Dat wij nu voorstellen de noodtoestand in 
de grondwet op te nemen is juist om dergelijke amendementen te kunnen aannemen.’

    Artikel 36-1

    In de ontwerp-grondwet werd na artikel 36 een artikel 36-1 toegevoegd: ‘Artikel 36-1. – De noodtoestand wordt afgekondigd door de ministerraad, op het gehele grondgebied van de Republiek of een deel ervan, hetzij ingeval van een onmiddellijk dreigend gevaar ten gevolge van een ernstige verstoring van de openbare orde, hetzij in geval van gebeurtenissen die door hun aard en hun ernst het karakter van een openbare calamiteit hebben.

    De wet stelt de maatregelen van de administratieve politie vast die de civiele autoriteiten kunnen nemen om dit gevaar te voorkomen of deze gebeurtenissen het hoofd te bieden.

    Voor verlenging van de noodtoestand voor een periode langer dan twaalf dagen kan alleen bij wet toestemming worden verleend. In de wet wordt de duur vastgesteld.’

    Doel van de opneming van de noodtoestand in de grondwet is dus wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, door de grondwet te veranderen. En dat komt neer op vervanging van de rechtstaat door het recht van 
de staat.

    De duur van de noodtoestand wordt niet beperkt

    Dan de laatste reden die door Manuel Valls werd genoemd: het zou erom gaan ‘te voorkomen dat de noodtoestand wordt gebanaliseerd of dat er overmatig gebruik van wordt gemaakt’. Een lofwaardig streven, waar je echter om drie redenen een vraagteken bij kunt zetten.

    In de eerste plaats: het feit dat de noodtoestand wordt ‘afgekondigd’ in de ministerraad, impliceert niet dat de ministers debatteren over de vraag of het wel zinvol is. Sommige parlementariërs, onder wie de nieuwe voorzitter van de commissie wetgeving, Dominique Raimbourg, hadden er de voorkeur aan gegeven ‘te schrijven dat er over 
de noodtoestand wordt “besloten”, 
een term die lijkt te bevorderen dat er collectief over wordt beraadslaagd.’

    In de tweede plaats omdat de duur van de noodtoestand in het wetsvoorstel van de regering niet wordt beperkt. Toen hij hierop werd aangesproken toonde Manuel Valls – die recentelijk tegenover de BBC had verklaard dat ‘de noodtoestand moet worden verlengd totdat we zijn verlost van IS’ – zich 
niet bereid in te stemmen met amendementen die de verlenging van de noodtoestand door parlementariërs – tot bijvoorbeeld vier maanden – zouden beperken. De premier zag er een beperking van de prerogatieven van het parlement in, dat zich niet zou kunnen aanpassen aan bepaalde maatschappelijke crises.

    Delicaat

    Ten derde kun je alleen maar ongerust zijn wanneer je Manuel Valls tegen onze volksvertegenwoordigers hoort zeggen dat het ‘delicaat’ zou zijn in 
de grondwet te verbieden dat het 
parlement wordt ontbonden tijdens de noodtoestand, een voorzorgsmaatregel waarop met name wordt aangedrongen door Roger-Gérard Schwartzenberg (PRG) en Jean-Christophe Lagarde (UDI).

    Tegen hen voerde de premier zelfs een argument aan dat wijlen [de zeer rechtse oud-minister] Charles Pasqua niet verworpen zou hebben: als de noodtoestand in mei en juni 1968 was afgekondigd, had generaal De Gaulle dan de Nationale Vergadering kunnen ontbinden? Waarop de voorzitter van de UDI antwoordde: ‘Het punt is dat 
we niet weten wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden.’

    Dat is inderdaad de hele vraag van de verankering van de noodtoestand in 
de grondwet. In dit geval hadden de afgevaardigden en senatoren er goed aan gedaan het voorzorgsbeginsel toe te passen.

    Door tegen te stemmen.

    Auteur: Michel Soudais
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Politis 
    Frankrijk, weekblad, oplage 30.000
    Links weekblad, opgericht in 1988 en het eerste Franse tijdschrift met een vaste rubriek Ecologie.

  • 5. Een buitengewoon gevaarlijk artikel

    5. Een buitengewoon gevaarlijk artikel

    Niet de ontneming van de Franse nationaliteit is het meest heikele punt in de nieuwe grondwet, stelt website Numerama. Het gaat vooral om het eerste artikel, dat het Franse parlement de macht geeft de controleurs van de naleving van de grondwet monddood te maken.

    Er moet nog eens grondig worden gekeken naar het eerste artikel van het grondwetsvoorstel voor ‘de bescherming van de natie’, dat niet alleen over ontneming van de nationaliteit gaat, maar in de allereerste plaats over de noodtoestand. De aangenomen tekst is buitengewoon gevaarlijk, omdat hij de Grondwettelijke Raad [Conseil constitutionnel, de waakhond die dit soort uitzonderingswetgeving aan de grondwet moet toetsen.] van een groot deel van zijn controlerende macht berooft.

    Het gaat om een politieke communicatietruc die helaas maar al te goed werkt

    Het betreft een politieke communicatietruc, die helaas maar al te goed werkt. Tijdens een televisie-interview met de Franse president op 11 februari sprak presentator David Pujadas over ‘de wet op de ontneming van de nationaliteit’ alvorens met François Hollande het zeer belangrijke wetsvoorstel voor ‘de bescherming van de natie’ aan te snijden. De interviewer was zo in de war door het groteske artikel 2 van het wetsvoorstel, dat de waarden van de Parti Socialiste gevaarlijk dicht in de buurt brengt van die van het Front National, dat hij vergat dat het vooral om het éérste artikel ging; over de noodtoestand.

    Lees maar na!

    De week die daaraan voorafging had al een deel van de pers, bijgestaan door een spontaan koor van antiparlementair gezinde internetgebruikers, met verontwaardiging gereageerd op het grote aantal parlementsleden dat ontbrak tijdens de behandeling van en de stemming over dit eerste grondwetsartikel. Het parlement werd opgeroepen zijn excuses aan te bieden en de kiezers werden aangespoord om rekenschap te eisen. Terwijl er die dag in werkelijkheid heel wat meer leden in het parlement aanwezig waren dan gebruikelijk is bij de behandeling van een wetsvoorstel.

    Maar over de grondslag van het eerste artikel, waarbij de noodtoestand wordt opgenomen in de grondwet, hebben we uiteindelijk maar weinig te lezen gekregen. Veel minder in elk geval dan over de ontneming van de nationaliteit. Terwijl het een essentieel en ongelooflijk gevaarlijk artikel is. Lees maar na!


    Om te begrijpen waarom dat eerste artikel gevaarlijk is en in strijd met ‘de bescherming van de natie’, moeten we ons er eerst rekenschap van geven dat de Grondwettelijke Raad tot taak heeft te controleren of de wetten die door het parlement worden aangenomen verenigbaar zijn met de grondwet. 
Wie de grondwet verandert, verandert de grondslagen van de grondwettelijke controle.

    Tot nu toe kon met de wet in de hand tot het uitroepen van een noodtoestand worden besloten, binnen het gebruikelijke kader van de grondwet. Desgewenst kon de Grondwettelijke Raad bepalen of de door de wetgever voorgestelde maatregelen verenigbaar waren met deze grondtekst van de Vijfde Republiek, en bezwaar maken tegen wetten die disproportioneel werden geacht.

    Premier Manuel Valls heeft zich natuurlijk juist verzet tegen het raadplegen van de Grondwettelijke Raad over de noodtoestand van november 2015, omdat hij een dergelijk bezwaar vreesde. Maar verontruste leden van 
de Nationale Vergadering of van de Senaat hadden wél een beroep op de wijze mannen en vrouwen kunnen doen. Dat is wezenlijk voor de bescherming van de democratie.


    Wat doet dat eerste artikel van de grondwet nu precies, waarop maar zo weinig commentaar is geleverd? Het voegt een nieuw artikel, 36-1, aan de grondwet toe waarin wordt gesteld dat ‘de wet de administratieve politiemaatregelen bepaalt die de burgerlijke autoriteiten kunnen nemen’ wanneer de regering besluit dat er sprake is van een noodtoestand. De parlementaire meerderheid kan dus min of meer zelf bepalen wat voor uitzonderlijke politiemaatregelen er moeten worden genomen, en als hij geraadpleegd wordt door 
verontruste parlementariërs van de oppositie, zal de Grondwettelijke Raad zich moeten beperken tot de constatering dat de grondwet het parlement de macht geeft om te besluiten wat het goeddunkt.

    Monddood

    Omdat het nieuwe artikel 36-1 dezelfde juridische waarde heeft als alle andere artikelen van de grondwet, en dezelfde waarde als de Verklaring van de Rechten van de Mens, is de Raad niet of nauwelijks in staat om de onverenigbaarheid van de wetten betreffende de noodtoestand aan andere grondwettelijke normen te toetsen. Temeer omdat het juridische principe ‘lex specialis derogat legi generali’ (de speciale wet wijkt af van de algemene wet) van toepassing zou kunnen zijn.

    De Grondwettelijke Raad zou zelfs niet op zoek kunnen gaan naar bepalingen uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, of andere internationale verdragen die voorrang hebben boven de nationale wet, omdat hij van mening is dat zijn rol zich beperkt tot het controleren van de verenigbaarheid van wetten met de grondwet, en niet met de internationale afspraken van Frankrijk. Dat is de rol van de rechter.

    ‘Wat wij in het leven roepen, zijn zeer strenge controlemechanismen op zowel politiek als juridisch gebied,’ had premier Valls de parlementariërs beloofd tijdens de behandeling van het grondwetsvoorstel. Maar het is de vraag wat er met de strenge controle op de ‘bescherming van de natie’ gebeurt als de grondwet wordt geamendeerd om de Grondwettelijke Raad monddood te maken..

    Auteur: Guillaume Champeau
    Vertaler: Peter Bergsma

    Numerama 
    Frankrijk | numerama.com
    Numerama is een website over de digitale wereld en techniek. De site trekt maandelijks twee miljoen bezoekers.

  • 4. Wat de bestuurskamer kan leren van de straat

    4. Wat de bestuurskamer kan leren van de straat

    Zoals op iedere klimaattop wemelt het in Parijs van de NGO’s en andere maatschappelijke organisaties. Maar hoe effectief zijn hun inspanningen? Een analyse van Dhananjayan Sriskandarajah, secretaris-generaal van CIVICUS: World Alliance for Citizen Participation.

    Klimaatbijeenkomsten zoals die in Parijs worden door velen gezien als een uitgelezen kans om de mondiale beleidsagenda te beïnvloeden. In het ontwikkelingswerk spenderen we elk jaar honderden uren, duizenden dollars en een heleboel koolmonoxide om in gesprek te raken met mondiale bestuursinstanties. Maar als je even stilstaat bij het resultaat van al deze moeite, moet je je wel afvragen of het dat allemaal waard is; of het onze kostbare en schaarse middelen waard is, en onze al even kostbare en schaarse tijd.

    Neem de gesprekken over de Post-2015 millenniumdoelstellingen. Anders dan bij de eerste millenniumdoelstellingen, die in besloten kring plaatsvonden, wordt de ‘civil society’, het maatschappelijk middenveld, nu toegelaten en krijgt het, volkomen terecht, alle gelegenheid om de agenda te beïnvloeden. Tot nu toe heeft het maatschappelijk middenveld miljoenen uren geïnvesteerd in pogingen om deze nieuwe doelstellingen vorm te geven. Maar 
als al deze moeite, alle kostbare tijd 
en het geld dat we hieraan besteden, iets meer oplevert dan een andere 
formulering hier en daar, zal ik aangenaam verrast zijn.

    Dat wil niet zeggen dat ons werk op dit gebied gespeend is van goede bedoelingen. Maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat we maar al te vaak genoegen moeten nemen met uiterst 
beperkte interacties met mondiale bestuursinstanties, die op hun beurt steeds minder in staat zijn om de complexe mondiale uitdagingen van de eenentwintigste eeuw het hoofd te bieden.

    We zijn ons tevreden gaan stellen met het kleinste stoeltje aan tafel

    Zoals we betogen in ons State of Civil Society-rapport van 2014, wordt het maatschappelijk middenveld weliswaar regelmatig uitgenodigd voor overleg, maar in de context van een intergouvernementeel systeem waar staten vrijwel volledig de dienst uitmaken, hebben we maar weinig kans om de werkelijke agenda te beïnvloeden. Zelfs tussen de staten onderling bestaan enorme verschillen in invloed: de rijkste landen en bedrijven hebben buitenproportioneel veel macht bij het bepalen van internationale agenda’s en normen. Met een complex arsenaal aan gevestigde geopolitieke belangen die allemaal om voorrang strijden – en het systeem vaak laten vastlopen – lijkt de stem van het maatschappelijk middenveld op het nauwelijks hoorbare gefluister van een kind dat getuige is van een verhitte ruzie onder volwassenen.

    En net als een kind zijn we ons tevreden gaan stellen met het kleinste stoeltje aan de tafel, het plastic stoeltje dat van zolder is gehaald. In het georganiseerde maatschappelijk middenveld zijn we veel te veel gaan vertrouwen op ruimten waar we zijn ‘uitgenodigd’ in plaats van dat we ze zelf hebben ‘geïnstigeerd’, om het onderscheid te citeren dat voor het eerst door professor Alan Fowler werd gemaakt.

    Een in het oog springende actie: voor aanvang van de klimaattop plaatsten demonstranten honderden paren schoenen op de Place de la République. – © Takver / Flickr Creative Commons
    Een in het oog springende actie: voor aanvang van de klimaattop plaatsten demonstranten honderden paren schoenen op de Place de la République. – © Takver / Flickr Creative Commons

    Toen ik in september een presentatie gaf bij de Algemene Vergadering van de VN in New York, bevond ik me ontegenzeglijk in een ruimte waar ik was uitgenodigd, op een bijeenkomst geïnitieerd en gecontroleerd door een bestuursinstantie, in dit geval de VN. Maar op datzelfde moment namen duizenden mensen deel aan de klimaatmars in de straten van New York: gewone burgers, bedrijven, vakbonden, religieuze afgevaardigden en milieugroeperingen, die allemaal klimaatrechtvaardigheid eisten. Zij waren buiten en ik was binnen. De hamvraag was: wie oefende de meeste druk uit op de wereldleiders, wiens boodschap kreeg de meeste aandacht, wie wist de agenda misschien een klein beetje te ontregelen?

    Natuurlijk voelden we ook in mijn vergaderzaal de druk van de burgers, die cruciale aanzet tot sociale en politieke verandering. Maar mijn collega’s en ik, die de geëigende paden bewandelen, ontregelden niets; we zorgden er zelfs vaak voor dat we vrij gemakkelijk konden worden genegeerd. Maar duizenden mensen die een mars door het centrum van New York houden en overal op de wereld hun solidariteit betuigen, tja, dat valt moeilijker te negeren. Dat 
is een krachtige boodschap.

    Demonstrant in Londen met een boodschap voor de klimaattop in Parijs. – ©  Alisdare Hickson / Flickr Creative Commons
    Demonstrant in Londen met een boodschap voor de klimaattop in Parijs. – © Alisdare Hickson / Flickr Creative Commons

    Ik ben ervan overtuigd dat bewegingen zoals de klimaatmars – bewegingen die niet wachten op een uitnodiging maar die zelf in actie koment totdat hun eisen worden gehoord – voor een ommekeer zouden kunnen zorgen. Want de effectiefste manier om hervormingen af te dwingen bij onze mondiale instituties 
is ongetwijfeld het herstellen van het machtevenwicht tussen overheid en volk.

    Het is onze uitdaging, als georganiseerd burgerlijk middenveld, om op een nieuwe en radicale manier contact te leggen tussen deze spontane massaprotesten en de mondiale bestuursinstanties; tussen mij in de vergaderzaal en de demonstranten op straat.

    Auteur: Dhananjayan Sriskandarajah
    Vertaler: Peter Bergsma

    Dhananjayan Sriskandarajah (1975) 
is secretaris-generaal van CIVICUS: World Alliance for Citizen Participation. Daarvoor was hij de jongste directeur ooit van de Britse, 140 jaar oude ngo Royal Commonwealth Society.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | oplage 332.000

    Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten, en een van de koplopers op het gebied van crowdsourcing in de journalistiek.

  • Is Canada nog het beste land ter wereld?

    Is Canada nog het beste land ter wereld?

    Verkiezingen in Canada zijn voor de wereld gewoonlijk reden om de schouders op te halen. In het brave Canada gebeurt toch nooit iets? Maar onder de Conservatieve premier Stephen Harper is het land volgens kenner Rudi Rotthier steeds ‘harder, vervuilender, en minder gericht op vrede’ geworden. De onvrede hierover is zo groot dat de stembusgang op 19 oktober ongemeen spannend lijkt te worden. De erfenis van 9,5 jaar Stephen Harper.

    Je hoeft tegenwoordig niet lang te zoeken naar mensen die zeggen dat de internationale reputatie van Canada een forse deuk heeft opgelopen tijdens het negenenhalfjarige premierschap van Stephen Harper.

    Volgens critici heeft de Canadese regering door haar lakse houding inzake klimaatverandering, haar mondelinge steun aan Israël, haar slechte aanpak van de Syrische vluchtelingencrisis en haar bezuinigingen op ontwikkelingshulp het imago van een vriendelijk land dat op de bres stond voor wereldvrede en een groter milieubewustzijn veranderd in dat van een tweedracht zaaiende wereldwijde vervuiler die alleen aan zijn eigen belang denkt.

    Nu de federale verkiezingen voor de deur staan, hebben voormalige premiers als Joe Clark en Jean Chrétien geklaagd dat Canada zijn aanzien in de wereld heeft verspeeld. Deze maand citeerde het internationale opinieblad The Economist een studie waarin werd geconstateerd dat ‘Canada’s zelfbeeld als medeoplosser van wereldproblemen al een paar decennia achterhaald is’ als gevolg van twintig jaar lang bezuinigen op ontwikkelingshulp en defensie (waarmee zowel de Conservatieve als de Liberale regeringen een veeg uit de pan kregen). Afgelopen maand stond in een hoofdredactioneel commentaar in de Britse krant The Guardian dat de verkiezingen van komende maand ‘Canada de kans geven om zijn beste tradities in ere te herstellen. Internationaal heeft Harper van Canada een land gemaakt dat meningsverschillen niet uit de weg gaat (met Groot-Brittannië over Suez, met Amerika over Vietnam). Het Canada dat een steunpilaar was voor de wereldvrede en de Verenigde Naties is nog maar een vage herinnering,’ aldus The Guardian. ‘En door Harpers hartstochtelijke vereenzelviging met Israël heeft Canada de reputatie van “eerlijke bemiddelaar” verloren die het land vroeger met recht in het Midden-Oosten genoot.’

    In een veelgelezen artikel in The New York Times, ‘De Canadese geest zit op slot’ getiteld, klaagt de uit Toronto afkomstige romanschrijver en politiek commentator Stephen Marche dat de regering federale wetenschappers monddood maakt, vooral degenen die de opwarming van de aarde bestuderen, om de olie-industrie van het land te beschermen. (Het artikel van Stephen Marche staat ook in deze editie van 360 Magazine.)

    ‘Canada heeft lange tijd een beleid gevoerd dat meer gericht was op het vermijden van kritiek dan op het bereiken van concrete doelen’

    Gunstig

    Desondanks wordt Canada in tal van internationale vergelijkingen consequent aangemerkt als een van de beste landen om in te wonen, voornamelijk omdat de omstandigheden op het gebied van milieu, economie en landsbestuur zo gunstig zouden zijn.

    Wie met Canadezen spreekt die in het buitenland wonen, krijgt te horen dat de mensen daar maar weinig idee hebben van wat er zich op het politieke vlak afspeelt, maar dat het Canadese imago onverdeeld gunstig blijft: een vriendelijk land met bergen, welvaart en ijzige kou.

    ‘De Engelsen zien ons als een betrekkelijk knus, klein-groot land waarin niet veel gebeurt,’ aldus de Canadese expat Michelle Bobb die al elf jaar in Londen woont.

    Dus zijn we een veilige haven of een paria? En als het beeld inderdaad negatief is, is dat dan erg? Heeft het gevolgen voor onze economie, ons welzijn of onze invloed in de wereld?

    Academische waarnemers en voormalige diplomaten zeggen dat beide beelden, dat van het goede Canada en het slechte Canada, bestaan en dat het negatieve beeld inderdaad gevolgen heeft voor de mate waarin het land in staat is – en waarin de Canadezen in staat zijn – de wereld vorm te geven.

    En negatieve beelden zijn wel degelijk erg, zeggen ze, omdat een land met een voorliefde voor vredig multiculturalisme zijn kennis zou moeten kunnen delen in een tijd van wereldwijde etnische strijd. Maar dat lukt niet als niemand wil luisteren.

    ‘Ze zien ons nog steeds als een land dat de vrede helpt handhaven’

    Een trots verleden

    In zijn boek How We Lead: Canada in a Century of Change betoogt de voormalige premier en leider van de Progressief-Conservatieve Partij Joe Clark dat het land zijn traditionele vermogen is kwijtgeraakt om de machtigste naties van de wereld ‘vanaf de zijlijn te leiden’. Dat was een vaardigheid ‘waardoor wij mede aan de wieg stonden van tal van multilaterale instituties en die de kern vormde van het idee van vredeshandhaving’. Zo kon een kleine natie een buitensporig grote rol spelen in de internationale diplomatie.

    Canada hielp bij het opstellen bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. Zijn minister van Buitenlandse Zaken en toekomstige premier Lester B. Pearson kreeg een Nobelprijs voor zijn rol in het oplossen van de Suezcrisis in 1956. Canada speelde een sleutelrol in het beëindigen van de apartheid in Zuid-Afrika en nam zestigduizend Vietnamese vluchtelingen op in de periode 1979-1980.

    Nu, schrijft Clark, is de hulp aan arme landen verlegd naar landen die commercieel aantrekkelijker zijn. Waar het vroeger toonaangevend was op milieugebied, is Canada in 2011 als eerste land uit het Kyotyo Protocol gestapt. (De regering-Harper betoogde dat het protocol nutteloos was omdat de VS en China er niet aan meededen, en dat het de concurrentiepositie van Canada onevenredig zou hebben geschaad.) In 2013 stond het land 58ste op de lijst van landen die manschappen meestuurden op vredesmissies van de VN. In augustus 2015 stuurde Canada 116 militairen en politiemensen mee op vredesmissies. Bangladesh stuurde er 9432. Een voormalige hoofdrolspeler in multilaterale instituties is nu voornamelijk afwezig in de VN, als hij al geen tweedracht zaait, aldus Clark.

    De buitenlandse politiek van een land dient niet alleen het thuisbelang door het bevorderen van vrede en welvaart, schrijft Clark, het zegt ook iets over wie we zijn. ‘De dingen die we in de wereld doen weerspiegelen en versterken het beeld van wie we thuis zijn.’

    In 2010 liep Canada een zetel mis in de VN-Veiligheidsraad. Dat was volgens waarnemers een duidelijk bewijs van het verzwakte aanzien in de internationale gemeenschap.

    Maar niet iedereen is het daarmee eens. Dat de regering-Harper in 2011 de meerderheid kreeg bewees dat het land een slagvaardiger aanpak wenste, schreef columnist Kelly McParland van de National Post na de overwinning. De manier waarop Harpers regering de gezondheidszorg, de wapenregistratie, Israël en de klimaatverandering aanpakte betekende volgens hem een breuk met het mislukte beleid uit het verleden.

    ‘Canada heeft lange tijd een beleid gevoerd dat meer gericht was op het vermijden van kritiek dan op het bereiken van concrete doelen,’ aldus McParland. Harper heeft zich tegen dat beleid afgezet en zich daarmee de woede van de weifelaars op de hals gehaald. De populariteit van de regering bewijst dat veel Canadezen genoeg hebben van dat geweifel en het niet langer gevaarlijk vinden dat het land er een eigen mening op nahoudt.’

    Volgens columnist Scott Gilmore van Macleans is de positie van Canada in de wereld verbeterd sinds Harper aan de macht is. Sinds 2005 is de export met 8 procent gestegen, zijn de buitenlandse investeringen met 73 procent toegenomen en is de concurrentiepositie stabiel gebleven. Hoewel Clark stelt dat Harper de diplomatieke positie heeft uitgehold, is de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken met eenderde gestegen, schrijft Gilmore. En de bijdragen aan de VN en andere multilaterale instituties stegen met 73 procent.

    ‘Is het tijdperk Stephen Harper voorbij?’

    Top drie

    Ook in diverse internationale vergelijkingen blijft Canada uit de bus komen als het beste land om te wonen, te werken en te studeren. Volgens de jaarlijkse peiling van de BBC World Service staat Canada al tien jaar in de top drie van best beoordeelde landen ter wereld.

    ‘Voor de gemiddelde Duitser of Japanner zullen de recente politieke ontwikkelingen weinig uitmaken,’ zegt Sébastien Jodoin, die als milieuwetenschapper verbonden is aan McGill University in Canada en Yale University in de VS. ‘Ze zien ons waarschijnlijk nog steeds als een land dat de vrede helpt handhaven, dat redelijk is en misschien wel milieuvriendelijk. Ik geloof niet dat Harper de reputatie van Canada over het algemeen heeft geschaad.’

    Toch zijn er drie gebieden – klimaatverandering, buitenlandse politiek en ontwikkelingshulp – waarop het beleid van de regering-Harper onze reputatie heeft geschaad en een negatief effect heeft gehad, zegt Jodoin, vooral onder diplomaten, wetenschappers en NGO’s.

    ‘Bij die groep hebben we ongetwijfeld een slechte naam,’ zegt Jodoin, als gevolg van de ‘lakse houding’ ten aanzien van de opwarming van de aarde en de loze beloftes om de olie- en gasindustrie aan banden te leggen.

    Jodoin zegt dat Canada’s reputatie op het gebied van klimaat en olie schadelijke gevolgen heeft voor de plannen voor de Keystone-pijpleiding waardoor gas uit Alberta naar de VS moet worden getransporteerd, een topprioriteit voor de regering-Harper. Als Canada actiever was opgetreden tegen de klimaatverandering zou de pijpleiding bij president Obama makkelijker doorheen zijn gekomen, aldus Jodoin. ‘Als de Conservatieve regering zich gematigder had opgesteld zouden ze hun olie makkelijker kwijtraken in Europa en de VS. In plaats daarvan hebben we de milieuactivisten in de kaart gespeeld. We zijn de perfecte boeven.’

    In ontwikkelingshulpkringen heeft Canada flink aan reputatie ingeboet terwijl de onverbloemde steun aan het huidige beleid van Israël het land een zetel in de VN-Veiligheidsraad heeft gekost, aldus Jodoin, en daarmee de mogelijkheid om de internationale veiligheid te beïnvloeden.

    De voormalige Liberale premier Jean Chrétien publiceerde vorig weekend een vernietigende kritiek op het buitenlandbeleid van Harper. ‘In minder dan tien jaar heeft de regering-Harper onze zestigjarige reputatie als bevorderaar van vrede en vooruitgang ongedaan gemaakt,’ schreef hij. De voormalige Liberale en Progressief-Conservatieve regeringen werkten samen met alle wereldleiders, ook als ze het niet met hen eens waren, schreef Chrétien, die zich kortgeleden heeft aangesloten bij het Liberale campagneteam. De regering-Harper, zei hij, beledigt hen liever.
    De Conservatieve Partij reageerde niet op verzoeken om een interview voor dit artikel.

    De onwil van Canada om zich met bepaalde wereldleiders in te laten is een ernstige vergissing, zegt de gepensioneerde Canadese diplomaat Jeremy Kinsman, die tijdens zijn veertigjarige carrière zowel Canadese Hoge Commissaris in het Verenigd Koninkrijk als Canadese ambassadeur bij de Europese Unie was. De wereld benijdt Canada nog steeds, aldus Kinsman, ‘met name omdat ons iets lukt waar iedereen problemen mee heeft, namelijk het runnen van een pluralistische maatschappij zonder al die etnische bullshit die je elders tegenkomt.’

    De gevolgen

    Maar buitenlande regeringen zijn zich bewust van de veranderingen in Canada en beschouwen die niet als positief. En dat heeft zijn gevolgen.

    ‘Canada vervulde in de wereld ooit de rol van verzoener – we zaten alles voor, omdat we als onpartijdig werden gezien, we waren niet ideologisch en we hadden enorm veel contacten vanwege het Gemenebest en de Franstaligheid en onze Aziatische bevolking,’ zegt Kinsman. ‘En we waren Noord-Amerika, maar niet de Verenigde Staten. De secretaris-generaal van de VN kon altijd naar Canada komen voor een oplossing. Nu geeft Canada niet thuis.’

    Recente verklaringen van Harper of zijn ministers dat ze ‘twijfels’ hebben over zwaarbevochten internationale overeenkomsten over Oekraïne of over het nucleaire akkoord met Iran, gegeven om het politieke thuisfront naar de mond te praten, kunnen de belangen van Canada alleen maar schaden, zegt Kinsman. ‘Dat is het enige wat politici je nooit vergeven. Dat wordt je fataal.’
    Voormalige Canadese leiders – Clark, Chrétien, Brian Mulroney, Pierre Trudeau – stonden bekend om hun goede relaties met de meest uiteenlopende wereldleiders.

    ‘Als die lui ergens anders over denken dan jij, dan luister je naar ze, en zij luisteren naar jou, en op die manier kom je tot een oplossing,’ zegt Kinsman. Open dialoog helpt de plaatselijke economie en bevordert de veiligheid thuis. Uiteindelijk wordt een betrekkelijk kleine speler op het wereldtoneel erdoor in staat gesteld de ideologie en praktijk van vreedzame co-existentie te bevorderen, waarin Canada een wereldleider is.

    ‘Het is geen kwestie van aardig gevonden worden, maar van tot een gemeenschap behoren die hulp kan bieden bij het vinden van oplossingen die de wereld nodig heeft,’ zegt Kinsman. ‘Canada, en tot op zekere hoogte ook Montreal, is een microkosmos van de wereld. Als mensen op Park Avenue goed met elkaar kunnen opschieten, dan willen ze dat mensen elders dat ook kunnen.’

    René Bruemmer

  • De premier die zijn volk graag dom hield

    De premier die zijn volk graag dom hield

    Met zijn controledrang en weerzin tegen openheid joeg premier Stephen Harper zowel de journalistiek als de wetenschap tegen zich in het harnas. In een van de meest besproken opiniestukken van deze campagne haalt schrijver Stephen Marche keihard uit.

    De Canadese premier, Stephen Harper, heeft verkiezingen uitgeroepen voor 19 oktober, maar hij wil niet dat erover wordt gesproken.

    Hij heeft besloten niet deel te nemen aan de traditionele debatten op de landelijke televisie. Liever gaat hij de confrontatie met zijn opponenten aan in kleinere, meer besloten settings, zoals bijvoorbeeld bij de academische Munk Debates en bij CPAC, het Canadese equivalent van C-SPAN [Amerikaans kabel- en satelliettelevisienetwerk dat rechtstreeks verslag doet van politieke gebeurtenissen, zonder commentaar of toevoegingen]. Over zijn eigen campagnebijeenkomsten mocht niets naar buiten komen, totdat hij zich door de publieke verontwaardiging gedwongen zag de zwijgplicht van zijn aanhangers op te heffen.

    Harpers campagne voor herverkiezing is tot nog toe volkomen in lijn met dé karaktereigenschap die model staat voor zijn ambtsperiode als premier: zijn opmerkelijke weerzin om informatie naar buiten te brengen.

    Amerikanen hebben Canada altijd gezien als een progressief bolwerk, met een strenge wapenwetgeving, een goede gezondheidszorg en dito onderwijs.

    In de Harperjaren is Canada langzaam een beetje de duisternis in geschoven

    Sluier van geheimzinnigheid

    Maar in de negenenhalf jaar dat Harper nu aan het roer staat, hebben we gezien dat die reputatie voor een open, verantwoordelijke manier van regeren langzaam is afgebrokkeld. Harper heeft zijn anti-intellectuele conservatisme, waarom hij altijd al bekendstond, zeer effectief en op brede schaal ingezet. Hij heeft consequent de mogelijkheden van het volk ingeperkt om inzicht te krijgen in wat de regering doet, waarmee hij zijn Conservatieve Partij in een sluier van geheimzinnigheid heeft gehuld en het land in onwetendheid heeft gedompeld.

    Zijn houding tegenover de pers is ronduit vijandig te noemen. Bij zijn vermaard korte persconferenties lichten zijn medewerkers alle journalisten door en bepalen vervolgens geheel naar eigen inzicht wie al dan niet vragen mag stellen. In het spel van geven en nemen tussen journalisten en politici, onontbeerlijk in een gezonde democratie, heeft Harper het geven domweg geschrapt.

    Doordat Harper de oorlog lijkt te hebben verklaard aan de wetenschap, hebben de Canadezen nóg minder zicht op wat de overheid doet. De premier geniet de meeste steun in Alberta, een westelijke provincie die voor een groot deel afhankelijk is van olie-inkomsten, en Harper wil voorkomen dat er onderzoek wordt gedaan waaraan de petrochemische industrie aanstoot zou kunnen nemen.

    Harper heeft consequent de mogelijkheden van het volk ingeperkt om inzicht te krijgen in wat de regering doet

    In 2012 heeft hij geprobeerd de subsidies stil te zetten van onderzoekscentra op de Arctische Eilanden, en Canadese milieuwetenschappers kregen een spreekverbod opgelegd. In dat jaar mochten de leden van het National Research Council niet met de pers praten over hun onderzoek naar sneeuwval. Wetenschappers van de overheidsdienst Environment Canada mochten niet zonder politieke toestemming over hun onderzoek praten, op straffe van ontslag. In de Canadese pers wordt inmiddels tachtig procent minder melding gemaakt van onderzoek naar klimaatverandering. De vakbond van wetenschappers in overheidsdienst en andere specialisten heeft, voor het eerst in zijn geschiedenis, de neutraliteit laten varen en voert nu campagne tegen Harper.

    Het actief proberen te vergroten van onwetendheid heeft ook zijn weerslag op de regering zelf. Met als dieptepunt het afschaffen van de verplichte vijfjaarlijkse volkstelling. Tegen dit besluit zijn bijna vijfhonderd organisaties in het geweer gekomen, waaronder de Canadian Medical Association, de Canadese Kamer van Koophandel en het Canadese verbond van bisschoppen. In dit informatietijdperk heeft Harper Canada de middelen uit handen genomen om informatie over zichzelf te verzamelen. In de Harperjaren is Canada langzaam een beetje de duisternis in geschoven.

    Door die duisternis wordt deze Canadese regering, haast als vanzelf, achtervolgd door meer schandaaltjes dan enige andere regering. Onder Harpers ambtstermijn kenden we het schandaal van Rob Ford, de burgemeester van Toronto die opbiechtte dat hij op het werk crack rookte en wiens geheime leven pas aan het licht kwam toen Gawker, een Amerikaanse website, het verhaal naar buiten bracht. In een inmiddels beroemde video-opname tijdens een barbecue bij Ford thuis, roemde Harper de familie Ford als een ‘conservatieve politieke dynastie’.

    Stephen Harper op Remembrance Day in 2014 in Ottawa. Meer dan 50,000 mensen gaan elk jaar precies om 11 uur de straat op voor de 11 november parade en herdenken de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog bij het Nationale Herdenkingsmonument in de hoofdstad
    Stephen Harper op Remembrance Day in 2014 in Ottawa. Meer dan 50,000 mensen gaan elk jaar precies om 11 uur de straat op voor de 11 november parade en herdenken de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog bij het Nationale Herdenkingsmonument in de hoofdstad
    Harper lijkt het idee te hebben dat hij op de wereld is om de democratie te dwarsbomen

    Volledige controle

    Uit Harpers benoemingen in de senaat – in Canada een goddank krachteloos lichaam dat enkel en alleen dient voor politiek gemarchandeer – spreekt nog meer inhaligheid dan gebruikelijk. Harpers stafchef zag zich gedwongen een senator af te kopen die met declaraties had gesjoemeld. De Mounties hebben een aanklacht ingediend.

    Na de verkiezingen van 2011 werd een campagnemedewerker van de conservatieve partij, Michael Sona, veroordeeld omdat hij in Guelph, Ontario, de computer mensen had laten bellen en ze naar een verkeerd stembureau had gestuurd. Hij had zich schuldig gemaakt aan een ‘stuitende en kille minachting van het recht van mensen om te stemmen,’ om de woorden van de rechter te gebruiken. Voorafgaand aan de verkiezingen hadden de Conservatieven, in plaats van dit soort kinderachtige trucjes, de Fair Elections Act doorgedrukt. Deze wet, waarvan de naam door Orwell bedacht had kunnen zijn, stelt volkomen overbodige strenge eisen aan stemgerechtigden, en legt tevens het hoofd van Elections Canada aan banden, die juist tot taak heeft mensen naar de stembus te krijgen. Harper lijkt het idee te hebben dat hij op de wereld is om de democratie te dwarsbomen.

    Maar het ergste van de Harper-jaren is misschien nog wel dat al deze geheimzinnigheid en controledwang geen deel uitmaakt van een groots plan voor Canada. De maatregelen die hij heeft genomen zijn in zekere zin marginaal – eerder irritante regeltjes dan wezenlijke veranderingen. Hij is voor een ‘harde aanpak’ van de criminaliteit, en dus heeft hij meer gevangenissen gebouwd – uitgerekend op het moment dat het zelfs in rechtse kringen in Amerika begint te dagen dat lange gevangenisstraffen alleen maar tot meer problemen leiden. En dan is er nog de nieuwe wet die het mogelijk maakt om mensen met een dubbele nationaliteit die zijn veroordeeld voor terrorisme of hoogverraad het Canadese staatsburgerschap te ontnemen – waarmee in de praktijk verschillende gradaties van Canadees-zijn ontstaan, wat leidt tot problemen die voorheen niet bestonden.

    Voor iemand die zo is gebrand op volledige controle, heeft de premier maar bitter weinig onder controle. Het argument dat werd aangevoerd voor alle geheimzinnigheid was een technocratische sprong voorwaarts – Harper zag Canada voor zich als een soort Singapore, alleen dan beschaafder en gereglementeerder.

    Recessie

    Harpers voornaamste doel in de buitenlandpolitiek was de aanleg van de volledige Keystone Pipeline, wat hij uiteindelijk niet voor elkaar heeft weten te krijgen. De Canadese dollar is weer terug op de lage koers van weleer, die hem destijds de bijnaam van ‘de noordelijke peso’ opleverde. Hoewel hij na de mondiale recessie in een betrekkelijk sterke en daarmee luxe positie verkeerde, zette Harper in op wat hem het meest vertrouwd was: olie. In de aanloop naar de verkiezingen heeft de Bank of Canada laten weten dat Canada net twee kwartalen van krimp achter de rug heeft – de technische definitie van een recessie. Hij heeft zich in alle opzichten een slechte manager getoond.

    In de recente peilingen trekt Harper aan het kortste eind, maar hij heeft eerder de peilingen het nakijken gegeven. Er is een reden dat hij al bijna tien jaar premier is: Hij heeft de kiezers een rustig en stabiel leven beloofd, zonder pijnlijke problemen. En dat is precies wat de Harper-jaren kenmerkt: kleurloos en doelloos. Harper staat symbool voor een oogkleppenpolitiek. Dat heeft een zekere bekoring.

    Of hij nou wint of niet, hij laat Canada naïever achter dan hij het heeft aangetroffen. De ware vraag voor de komende verkiezingen is dan ook eenvoudig, maar fundamenteel: Willen de Canadezen in zo’n land leven?

    Stephen Marche

    Stephen Marche is een Canadese schrijver. Hij schrijft een maandelijkse column voor Esquire, en publiceert ook geregeld in The New York Times en The Atlantic.

  • Luister naar de stem van Rwanda

    Luister naar de stem van Rwanda

    Als het aan de Rwandezen ligt, wordt de grondwet gewijzigd zodat Paul Kagame, president sinds 2000, zijn machtspositie kan behouden. De Verenigde Staten hebben opgeroepen om de grondwet te respecteren. Maar Andrew M. Mwenda stelt dat pertinent tegen herverkiezing zijn, het einde van de politiek betekent.

    Vorige week deden de Verenigde Staten een oproep aan Rwanda om geen grondwetswijziging door te voeren die herverkiezing van 
de president mogelijk zou maken. Amerika volgt een verkeerd moreel kompas, gelooft dat zijn politieke waarden superieur zijn en als leidraad moeten dienen voor ‘inferieure’ landen. Toch heeft het een van de meest corrupte en slechtst functionerende politieke systemen ter wereld. Maar laten we het hebben over Rwanda.

    Bij alle redenen die pleiten tegen herverkiezing ontbreekt de stem van de bevolking van Rwanda, van degenen die het meest direct betrokken zijn bij de beslissing. In plaats daarvan wordt de meeste waarde gehecht aan de standpunten van de Amerikaanse regering, van de internationale democratische geestelijkheid, enzovoort. Kortom, de tegenstanders van de grondwetswijziging beweren dat Rwandezen zich de zeggenschap over hun land moeten overlaten aan theoretici, aan de wensen van Amerika en Europa 
en aan de achterban van Kagame in Afrika en elders. De geestelijkheid heeft trouwens altijd beweerd dat de stem van de burgers immer de basis van de democratie moet zijn. Ruim 
3,7 miljoen inwoners – meer dan 60 procent van de stemmers – tekenden een petitie waarin ze hun akkoord gaven voor een grondwetswijziging.

    Kagame wordt door veel Rwandezen gezien als de leider die stabiliteit en economische vooruitgang bracht. Critici zeggen dat hij zowel de oppositie als de media monddood heeft gemaakt. Dat zou betekenen (in feite een vooroordeel) dat Rwandezen geen macht hebben. En dat is onzin. Deze beweging is zelfstandig en van onderen af aan begonnen, tot verbazing van het Rwandese Patriottisch Front (RPF). De steun onder het volk bleek zo enorm dat de RPF probeerde hen te demobiliseren. In dat hele proces is er niemand – geen militair, minister, parlementslid, plaatselijke overheidsambtenaar, of wie dan ook – die kan beweren dat hij Kagame heeft ontmoet en door hem is aangemoedigd de grondwetswijziging te steunen.

    Ik kan dit vol vertrouwen zeggen omdat ik er zelf bij betrokken ben geweest. Toen deze beweging begon, stond Kagame er vijandig tegenover. Ik steunde hem bij het weerstaan van de druk om de grondwet te wijzigen en door tijd uit te trekken om met hem en andere sleutelfiguren in Rwanda te bespreken hoe een overgang bewerkstelligd kon worden. Maar de druk van onder af was enorm. Kagame besloot de publieke opinie op de proef te stellen en ging op tournee door het land. Hij werd overweldigd door de enorme mensenmassa’s die hem vroegen aan te blijven. Hij riep de RPF bijeen en bepleitte hartstochtelijk dat er veranderingen moesten komen. Hij houdt deze beleidslijn nog steeds aan zonder daar al te veel steun voor te krijgen.

    Viering van de onafhankelijkheid van Rwanda in 1962
    Viering van de onafhankelijkheid van Rwanda in 1962
    Het land heeft slechte ervaringen met politieke transities

    Transitie

    Het werd ons allemaal duidelijk dat de Rwandezen zich niet onredelijk opstelden. Het land heeft slechte ervaringen met politieke transities, die tot dusver allemaal gepaard gingen met genocide: in 1959, 1974 en 1994. Dus als Rwandezen hun grote angst en bezorgdheid uiten voor een mogelijke transitie, dan is dat te begrijpen. Als verantwoordelijk leider moet Kagame naar hen luisteren, hun standpunten serieus nemen, hun angsten verlichten en tegemoetkomen aan hun behoeften.

    Men zou er bij Kagame op kunnen aandringen die massahysterie niet te volgen maar leiding te geven. Het is waar dat hij de RPF zo onder druk kan zetten dat iedereen het met hem eens is. Velen zullen zich laten intimideren en toegeven. Maar zegt de democratische geestelijkheid echt dat dit de juiste manier is waarop Kagame dit probleem moet oplossen? Tal van verantwoordelijke mensen in Rwanda vinden dat er een betere manier is. Kagame zou de vragen vanuit de bevolking serieus moeten nemen met de bedoeling een compromis te sluiten. Rwanda kan zijn presidentschap verlengen, zodat het land duidelijk zichtbare bakens kan uitzetten die een basis vormen voor een stabiele transitie.


    Herzien

    Het argument dat elk land tegen herverkiezing moet zijn alsof het het evangelie zelf betreft, zou het einde van de politiek betekenen. Als de grondwet van een land wordt bepaald door een droge theorie gebaseerd op een of andere universele standaard, wat heeft politiek dan nog voor zin?

    De tegenstanders van herverkiezing zijn apolitiek. Ze onthouden burgers de macht om de grondwet van hun land te herzien op basis van hun eigen ervaringen, angsten en zorgen. Ze willen dat Rwanda geregeerd wordt volgens hún theorieën in plaats van volgens de wensen van de burgers.

    Door herverkiezing mogelijk te maken, zouden Rwandezen een grote vergissing kunnen begaan. Maar wat er ook gebeurt, het zijn de Rwandezen die de vruchten plukken of de gevolgen ondervinden. Daarom moeten zij degenen zijn die de keuze maken. Als het een vergissing blijkt te zijn, dan leren ze ervan. Sommige Afrikaanse landen hebben geëxperimenteerd met herverkiezing, en dat heeft geleid tot instabiliteit: zie Congo en Burkina Faso. Maar in Rwanda zal deze poging leiden tot optimisme en enthousiasme. Mijn advies aan de democratische geestelijkheid is: je kunt nooit méér van Rwanda houden dan de Rwandezen zelf. Dus laat de Rwandezen hun politiek zelf vormgeven.

    Andrew M. Mwenda

    Andrew M. Mwenda is een Oegandese journalist en oprichter van The Independent in Kampala.



    (Foto boven: Kigali, Rwanda – © oledoe/Flickr Creative Commons)