Zwitserse gedetineerden hebben recht op hulp bij zelfdoding
Praten over (gedachten aan) zelfdoding of hulp op dit gebied? Bel 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113 of neem contact op via113.nl.
Op dinsdag 28 februari beleefde Zwitserland een primeur: voor het eerst in de geschiedenis van het land maakte een gevangene een einde aan zijn leven met de hulp van Exit, een organisatie voor hulp bij zelfdoding. Hij was ondergebracht in de penitentiaire inrichting Bostadel en is de eerste gedetineerde in Zwitserland die onder begeleiding zijn leven heeft beëindigd, schrijft Die Wochenzeitung.
De gedetineerde Peter Vogt stelde bijna vijf jaar geleden in een televisiereportage voor het eerst de vraag of hij zijn leven mocht beëindigen bij Exit. Op dat moment was het nog omstreden of gedetineerden dit recht hadden. Tegenstanders vonden dat zij hun straf zouden ontlopen door een einde te maken aan hun leven.
Alle gevangenen kunnen contact opnemen met een organisatie voor hulp bij zelfdoding
Voor veel gevangenen met een doodswens gaat dit argument echter niet op, omdat de meesten hun straf al lang hebben uitgezeten. Zij zitten nog steeds in de gevangenis omdat zij als gevaarlijk worden beschouwd en de bevolking tegen hen moet worden beschermd.
Inmiddels hebben gedetineerden in Zwitserland in beginsel het recht hebben om begeleiding bij zelfdoding te krijgen. Zo zijn er richtlijnen opgesteld over hulp bij zelfdoding in de gevangenis. Daarin staat dat alle gevangenen die wettelijk veroordeeld zijn, contact kunnen opnemen met een organisatie om begeleiding te krijgen om een einde aan hun leven te maken. Maar uiteindelijk moet de Zwitserse justitie nog steeds toestemming geven voor zelfmoord.
Peter Vogt hoopt nog steeds op een vrijlating uit de gevangenis, maar heeft al gesproken met vertegenwoordigers van Exit. De organisatie heeft naar eigen zeggen momenteel contact met twee andere gevangenen die overwegen gebruik te maken van de diensten van Exit.
Journalist Thomas Hale werd midden in de nacht naar een Chinees quarantaine-eiland gestuurd. In Financial Times beschrijft hij wat hij daar meemaakt. ‘Dieper en dieper dringen we door, tot (…) het soort plek dat jou vindt, maar niet gevonden kan worden.’
Het telefoontje komt van een onbekend nummer.
‘U moet in quarantaine,’ zegt een man aan de andere kant van de lijn in het Mandarijn. Hij belt me vanuit het Shanghai Municipal Center for Disease Control and Prevention [het Chinese RIVM]. ‘Ik kom je over vier of vijf uur halen.’
Ik ren mijn hotel uit om een voorraad essentiële benodigdheden in te slaan. Op advies van mijn collega’s en afgaande op mijn eerdere ervaring met quarantaine in China schaar ik daaronder: tonijn in blik, thee, koekjes, drie soorten vitaminen, vier soorten Haribo-snoepjes, tupperwarebakjes, een yogamat, handdoek, schoonmaakspullen, een verlengsnoer, een groot aantal boeken, oogdruppels, een dienblad, mok en bijbehorende onderzetter. Die is versierd met een schilderij van het landschap rondom Bolton Abbey in North Yorkshire.
Vier of vijf uur later krijg ik opnieuw een telefoontje. Deze keer is het een vrouw die in het hotel werkt. ‘U geldt als nabij contact,’ zegt ze. ‘U kunt niet naar buiten.’
‘Ben ik het enige nabije contact hier in het hotel?’
Ze zegt dat het inderdaad het geval is en voegt eraan toe dat het hotel gesloten is. Dat wil zeggen: in lockdown. Ik loop naar de deur van mijn kamer en open die. Er staat een personeelslid achter. Van de schrik maken we allebei een sprongetje.
‘U kunt niet naar buiten,’ zegt ze, halverwege haar sprong. ‘Mag het personeel nog wel weg?’ vraag ik verontschuldigend.
‘Maak je geen zorgen. Ik ben net begonnen met mijn dienst,’ antwoordt ze met een glimlach.
Even later arriveren mannen gekleed in gaspakken in het hotel. Eerst nemen ze een PCR-test bij me af, even gehaast en verveeld als de man eerder aan de telefoon had geklonken. Daarna loopt een van hen met me mee door de verlaten gang. We passeren de liften, die zijn afgezet en worden bewaakt, en nemen de personeelslift naar beneden. Buiten is de ingang ook afgezet. Alleen voor mij is een hotel met honderden kamers lamgelegd. Ik word, zoals deze procedure tegenwoordig in China bekendstaat, ‘weggevoerd’.
Geen hotel
In de lege straat staat een middelgrote bus klaar, bedoeld voor schoolreisjes of om grote gezinnen in te vervoeren. De motor draait. We rijden meteen weg als ik ben ingestapt ‘Worden we naar een ander hotel gebracht?’ vraag ik aan een van de tientallen andere passagiers.
‘Het is geen hotel,’ antwoordt die. ‘Tian a,’ zegt een andere passagier, wat meestal zoiets als ‘Oh mijn God’ betekent. In dit geval vat ik het eerder op als ‘Dat ga je niet menen.’
De sfeer in de bus is er eerder een van desinteresse dan van ongerustheid. Uit de autoradio schalt popmuziek die af en toe wordt verstoord door een hevige ruis. Niemand lijkt het door te hebben. Een vreemd gevoel bekruipt me. Het overkomt me als volwassene nooit meer dat ik niet weet waar ik heen word gebracht. Onze chauffeur, die ook een gaspak draagt, praat nerveus in zijn telefoon met een of andere autoriteit ver weg. Na ongeveer een uur lijkt het erop dat zijn nervositeit ook zijn rijgedrag begint te beïnvloeden. Ik moet denken aan recente nieuwsberichten uit de provincie Guizhou: daar verongelukte een bus voor quarantainetransport, wat zevenentwintig passagiers het leven kostte. Ik trek mijn autoriem wat strakker aan en verplaats mijn koffer zodat die het gangpad niet blokkeert.
Uiteindelijk stopt de bus op een veldweg. De chauffeur krijgt via een walkietalkie de opdracht om door te rijden. Maar dat gaat niet; vóór ons staan grote touringcars stil, en in de buurt van de bus lopen groepjes mensen rond die in het nachtelijke duister moeilijk te zien zijn. ‘Ik kan niet doorrijden,’ blaft de chauffeur tegen zijn portofoon. Hij stapt uit, doet de bus achter zich op slot en verdwijnt in de duisternis.
Ik draai mijn raampje omlaag om te zien of ik uit de bus kan klimmen. We bevinden ons ver op het Chinese platteland en het is onverwacht koud buiten. Plotseling gaat een passagier op de bestuurdersstoel zitten. Ook hij draagt een gaspak – doordat er geen onderscheid wordt gemaakt in wie de pakken wel en niet dragen, is het onduidelijk wie de leiding heeft. De passagier probeert niet te ontsnappen maar wil alleen de deur open krijgen. Buiten zijn mensen aan het roken en lopen ze rond als kippen zonder kop.
Dieper en dieper dringen we door, tot in het hart van China’s quarantainestelsel: het soort plek dat jou vindt, maar niet gevonden kan worden
‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt iemand aan me. Zijn gaspak lijkt op een overall doordat het om zijn middel strak is getrokken. ‘Uit het Verenigd Koninkrijk’ zeg ik. Hij zet grote ogen op. ‘Hebben ze je hiernaartoe gebracht? Met een buitenlands paspoort?’ De rij bussen komt langzaam in beweging en verdwijnt aan het einde van de weg door wat lijkt op een helder verlichte poort. In de donkere lucht boven de velden hangt een zilveren sluier van sigarettenrook. Het schijnt me toe dat achter de duisternis een enorm bouwwerk schuilgaat. Door de koffers en tassen in de bus kunnen we niet echt lekker zitten, maar iemand is er toch in geslaagd de slaap te vatten en begint luid te snurken. Een ander speelt patience op zijn telefoon. We wachten. Niemand in de bus – ik niet, de andere passagiers niet, de chauffeur niet – niemand van ons was positief getest op corona.
Rond twee uur ’s nachts klimt onze chauffeur weer aan boord. De motor begint te draaien en de inmiddels vertrouwde ruis op de radio vangt weer aan. Nu zijn wij aan de beurt. Dieper en dieper dringen we door, tot in het hart van China’s quarantainestelsel: het soort plek dat jou vindt maar niet gevonden kan worden. Onderdeel van een groter systeem dat de buitenwereld nauwelijks kent of begrijpt, dat in vrijwel alles lijnrecht tegenover die buitenwereld staat. In dit systeem moet het coronavirus vernietigd worden; ermee leren leven is geen optie. In dit systeem wordt een onbekend aantal mensen vastgehouden. En in dit systeem zijn maar weinig buitenlanders ooit daadwerkelijk geweest, hoewel ze zich er misschien wel een vage voorstelling van kunnen maken.
Drie weken vóór dit alles had ik gezien hoe, midden op Heathrow, de incheckrij voor China Eastern Airlines werd afgesloten, waardoor de passagiers van hun omgeving werden afgezonderd. ‘Het is nu niet een goed moment om naar China te gaan,’ zei een medewerker tegen me. Toch liep ik door, in de wetenschap dat ik vanaf dat punt niet meer terug kon.
Dagelijks ritueel
‘Het is makkelijker om naar de hemel te klimmen dan om China te verlaten’, zegt men soms over de restricties die het communistische land van vóór 1990 kenmerken. Vandaag de dag ‘is het makkelijker om naar de hemel te klimmen dan om naar China terug te keren’. Technisch gezien begon mijn klim begin 2020, toen ik correspondent van Financial Times in Shanghai werd. Twee jaar moest ik in Hongkong verblijven. Doordat mijn visum zo lang uitbleef, mocht ik het Chinese vasteland niet betreden. Na een vlucht van twaalf uur kwam ik uiteindelijk aan op het vliegveld van Shanghai. Voordat ik de stad in mocht, moest ik tien dagen in quarantaine. Dat is verplicht voor iedereen die er (nog) geen woonplaats heeft.
Het is in China bijna een dagelijks ritueel geworden om een PCR-test te laten afnemen. Op veel straathoeken staan dan ook testhokjes, die wat weg hebben van eetkraampjes. Het verschil is dat ze groter en kubusvormig zijn en dat de medewerker binnen achter plexiglas met twee armgaten zit. Die hokjes zijn slechts het zichtbare oppervlak van een uitgebreid, onderliggend controlesysteem. De Chinese digitale coronapas lijkt op de track-and-trace-programma’s die elders gebruikt worden, afgezien van het feit dat hij verplicht is en echt werkt. Via Alipay of WeChat, de twee belangrijkste apps van het land, wordt aan de meest recente testresultaten van een gebruiker een QR-code verbonden. Die moet worden gescand om ergens binnen te komen en zorgt er dus voor dat je locatie wordt geregistreerd. Groen betekent dat je naar binnen mag; als je rood hebt, heb je een probleem.
Na mijn eerste quarantaine verhuisde ik naar een hotel in het stadscentrum. Daar woonde ik tijdelijk, terwijl ik op zoek ging naar een appartement. Maar de vrijheid waarop ik zo lang had gewacht, was er nog niet helemaal. De eerste dagen lukte het me niet om mijn QR-code te scannen als ik een gebouw wilde binnengaan. Kennelijk had ergens iemand ingevuld dat mijn voornaam ‘Tnomab’ was. (De letter ‘n’ staat op het QWERTY-toetsenbord vlak naast de ‘h’. Dat kon de eerste tikfout verklaren. Maar hoe de ‘b’ ooit in mijn naam terechtkwam, blijft een mysterie.) Totdat dit opgelost werd, moest ik, telkens als ik ergens naartoe wilde, onderhandelen. Afgezien daarvan leek het leven in Shanghai verrassend normaal; het was nauwelijks te merken dat men in het voorjaar nog twee maanden lang opgesloten had gezeten. De glimmende winkelcentra waren goed bevoorraad. Ik waagde me op een avond naar een bar op Nanjing Road, waar ik bijzonder fel moest onderhandelen om binnengelaten te worden, maar waar ik vervolgens heel wat whisky achterover sloeg. Een man die ik daar ontmoette, vertelde me dat volgens zijn schatting 90 procent van de Chinezen het eens was met de aanpak van de regering.
Die aanpak staat bekend als ‘zero covid’ en streeft een maximale onderdrukking van het virus na. Daartoe worden er constant tests afgenomen, doet men contactonderzoek en geldt er aan de grens verplichte quarantaine. Zodra een coronageval opduikt, worden er lockdowns afgedwongen om de overdracht van het virus in te perken. Het is een agressieve aanpak, die op de lange termijn alleen kan standhouden in een autocratische samenleving waar grootschalig staatstoezicht al aan de orde van de dag is. Het einde van het beleid is nog niet in zicht, hoewel de vaccinatiegraad van de Chinese bevolking inmiddels 90 procent is. Leden van de Communistische Partij geven hiervoor als redenen het grote aantal ouderen in het land, de ongelijke regionale ontwikkeling en de ontoereikende medische voorzieningen. Bovenal is het systeem een nieuw soort bureaucratie, dat een enorm personeelsbestand vereist.
Een paar dagen later kreeg ik het eerste telefoontje. ‘Spreek ik met Tnomab?’ vroeg een man. Het duurde lang voordat ik het woord, dat noch in het Engels noch in het Chinees bestaat, kon interpreteren. Een van de bargasten was positief getest. ‘Was u erbij?’
Ik had misschien kunnen ontkennen dat ik Tnomab was, maar Tnomab en ik hadden hetzelfde paspoortnummer. De man zei dat ik niet in quarantaine hoefde, maar er wel voor moest zorgen dat ik niet te veel met anderen in contact kwam. Die kans was klein, aangezien er die dag maar achttien coronagevallen waren aangetoond in Shanghai. Bovendien was het niet duidelijk of de blootstelling überhaupt had plaatsgevonden op de avond dat ik in de bar was geweest. De volgende dag belden de autoriteiten opnieuw om me te vertellen dat ze onderweg waren. Ik probeerde te onderhandelen, maar dat is me nog nooit gelukt met iemand die naar eigen zeggen geen invloed heeft op de uitkomst.
Ik stap op een van de personeelsleden in gaspakken af en zeg dat ik een buitenlandse journalist ben. Ik hoop dat ik er zo misschien voor kan zorgen dat ik vrijgelaten word
Als de bus vele uren later eindelijk zijn bestemming bereikt, stappen we stilletjes uit. We moeten allemaal onze aanwezigheid bevestigen door middel van een presentielijst en in het donker kan ik op het papier gemakkelijk mijn naam onderscheiden. Het zijn de enige alfabetische letters in een zee van Chinese karakters: Tnomab William Hale.
We krijgen elk een kamernummer toegewezen. Iemand die op hetzelfde moment aankomt, die ik Inwoner 1 zal noemen, betreedt samen met mij het detentiecentrum. Hij gebaart naar de drie rijen kabels boven de blauwe hekken die de afbakening vormen. Het is nog net geen prikkeldraad, maar het zou ervoor door kunnen gaan. Hij schudt zijn hoofd, bijna lachend, en even voel ik, ondanks mijn hevige vermoeidheid, eindelijk iets wat op kameraadschap lijkt.
Als we zien waar we moeten verblijven, zijn we klaarwakker. In de faciliteit staan lange rijen met constructies die zich het best als hutten laten beschrijven. Het zijn metalen dozen, een soort zeecontainers, die op palen staan. Op de zijkant van sommige rijen hutten is een groot, glimlachend dier geschilderd. Het is het soort muurschildering dat je aantreft op een noodgebouw dat na een natuurramp als school uit de grond wordt gestampt. Het is moeilijk te zeggen hoeveel hutten er in totaal zijn. Hoog boven ons hoofd knippert fluorescerende buitenverlichting en camera’s zijn zo opgehangen dat geen enkele deur buiten zicht is. Verlichting noch camera’s worden ooit uitgeschakeld.
De meesten van ons hangen wat rond bij onze deuropening, waar we onze nieuwe omgeving in ons opnemen. ‘Er is geen warm water,’ roept iemand. Ergens is een vrouw hard aan het huilen, en het valt me op dat er geen kinderen zijn. ‘Ze heeft geen eten bij zich,’ legt Inwoner 1 uit. Een medewerker in een gaspak komt langslopen en deelt instant noedels uit.
Tralies
In mijn hutje van 18 vierkante meter staan twee eenpersoonsbedden. Ik heb een waterkoker, een airconditioner, een bureau, een stoel, een kom, twee kleine doekjes, een stuk zeep, een ongeopend dekbed, een klein kussen, een tandenborstel, een tube tandpasta en een oprolbaar matras dat ongeveer zo dik is als een ovenwant. De vloer ligt onder het stof en vuil. De hele hut schudt als je erin rondloop, maar dat merk ik al snel niet meer. Het raam heeft tralies, maar je kunt erdoor naar buiten leunen. Ik heb geen douche. Wel heb ik een internetverbinding die maar liefst 24 keer sneller is dan het internet in mijn hotel in Shanghai.
‘Ik heb er video’s van gezien,’ vertelt een inwoner me later. Er gaan op Douyin, de Chinese versie van TikTok, beelden rond van soortgelijke quarantainefaciliteiten. Toch vind ik de realiteit nog steeds moeilijk te bevatten. Ik had de video’s ook gezien en me vóór mijn aankomst in China afgevraagd of het mogelijk was zo’n plek te vinden. Nu ik er eenmaal in zit, wil ik eruit. Ik stap op een van de personeelsleden in gaspak af en zeg dat ik een buitenlandse journalist ben. Ik hoop dat ik er zo misschien voor kan zorgen dat ik vrijgelaten word. ‘Wat bedoelt u?’ vraagt de medewerker. Niet alleen mijn accent brengt haar in verwarring maar vooral mijn onzinnige vraag.
In China zijn er verschillende manieren om in quarantaine te gaan. Wie China binnenkomt, moet meteen in quarantaine in een hotel, zoals ik zelf net had meegemaakt. Soms gaan mensen thuis in quarantaine; dat gebeurt vooral als de hele stad in lockdown is. Dan heb je nog de quarantaine die coronapatiënten doormaken, ofwel thuis, ofwel in het ziekenhuis. En ten slotte is er de quarantaine voor nabije contacten. Die wordt soms fangcang genoemd, wat ‘portakabin’ betekent. Om de verschillende soorten nauwe contacten, ook wel mijie, te classificeren, is een groot aantal nieuwe woorden ontstaan. Zo is een cimijie een nabij contact van een nabij contact. Een shikongbansuizhe is een nabij contact met een meer flexibele opvatting van ruimte en tijd. Voor de grap vroeg ik een collega hoe je een nabij contact van een nabij contact van een nabij contact zou noemen. ‘Yibanjiechuzhe,’ stelde ze voor.
Ikzelf ben een mijie, en de faciliteit is onmiskenbaar een fangcang-quarantainecentrum. Na wat research op mijn telefoon, ontdek ik dat het op een eiland ten noorden van Shanghai ligt. De eerste ochtend vraag ik aan wat personeelsleden of ze het volledige adres kennen, maar niemand weet het zeker. Het blijkt dat zij ook net zijn aangekomen. Ik word met mijn vragen doorverwezen naar een telefoonnummer dat de ‘klantenservice’ regelt. Maar echte klanten zijn we niet, want alles in het centrum is gratis.
Als het licht de volgende ochtend licht is, kan ik duidelijk zien dat de faciliteit in twee groepen mensen is onderverdeeld. Het personeel draagt gaspakken en wij gewone kleding. Het personeel kan naar buiten, wij niet. Werknemers in witte gaspakken worden in China veelal da bai genoemd. De term laat zich niet precies vertalen, maar bestaat uit de karakters ‘groot’ en ‘wit’. Iemand vertelt me dat die term van een Disney-personage afkomstig was; iemand anders zegt dat het Michelin-mannetje ooit zo werd genoemd.
Een werknemer die ik Werker 1 zal noemen, vertelt me dat hij niets anders van het centrum weet dan dat het ‘P7’ heet. Het is net gebouwd, voegt hij eraan toe, en ik ben er de enige buitenlander. In mei stond er in verschillende Chinese artikelen dat er een faciliteit was gebouwd die P7 heette en maar 5 kilometer verwijderd was van een andere faciliteit, P5. Het is onduidelijk hoeveel soortgelijke faciliteiten er in China bestaan.
Aanvankelijk is het onmogelijk om te zien wat voor mensen er achter de gaspakken van het personeel schuilgaan. Wel kom ik te weten dat ze – net als wij – het centrum niet kunnen verlaten en niets kunnen laten bezorgen. Later vertelt een werknemer mij dat hij 230 renminbi per dag verdient, omgerekend zo’n 36 euro. Uiteindelijk kan ik ondanks hun gaspak, masker en veiligheidsbril toch bepaalde karaktertrekken herkennen. Een typisch stemgeluid bijvoorbeeld, of een bepaalde manier van lopen.
Werknemer 1 – althans, ik denk dat hij het is – zingt altijd ouderwetse liedjes bij het uitdelen van de maaltijden.
Aanvankelijk is het onmogelijk om te zien wat voor mensen er achter de gaspakken van het personeel schuilgaan
‘Laten we een keer afspreken in Shanghai,’ stelt hij voor.
‘Waar woon je?’ vraag ik hem.
‘Dat weet ik nog niet,’ zegt hij. ‘Ik heb geen vaste baan en weet nog niet zeker wat ik na deze maand ga doen.’
Het ritme in het centrum is elke dag hetzelfde: ’s ochtends vroeg worden we gewekt door een geluid dat lijkt op dat van een grasmaaier. In werkelijkheid is het een industriële ontsmettingsmachine die onze ramen en voordeur besproeit. Om acht uur ’s ochtends en twaalf en vijf uur ’s middags worden de maaltijden verstrekt. Rond negen uur ’s ochtends komen er twee verplegers in blauwe gaspakken langs om PCR-tests af te nemen. Eén keer vraag ik of ik ergens anders naartoe gebracht word als ik positief zou testen. ‘Natuurlijk word je dan weggebracht!’ zegt een van de verplegers. ‘Een nieuw leven!’ voegt ze er in het Engels aan toe.
Ik leef volgens een strenge routine, bestaande uit taalstudie, werk, lunch, werk, push-ups, playlists van de band Future Islands, online schaken, lezen en afleveringen van The Boys op Amazon Prime. Altijd in die volgorde. Tussendoor moet ik steeds schoonmaken om het stof enigszins binnen de perken te houden. Ik ben er heilig van overtuigd dat geroutineerd leven een positief effect heeft. De hutten zijn erg gehorig, zodat ik ’s nachts mensen kan horen rondlopen. In zekere zin heb ik geluk. Ik kan alle observaties tenminste nog gebruiken voor mijn werk.
Mijn bed bestaat uit een ijzeren frame en zes houten planken, en het matras is zo dun dat ik helemaal plat moet liggen. Het frame is niet comfortabel genoeg om tegenaan te leunen. Ik moet voor het eerst sinds mijn negende weer terugdenken aan Matilda van Roald Dahl. In dat boek sluit de schooldirectrice onhandelbare kinderen op in een kamer waarin ze op geen enkele manier comfortabel kunnen zitten. Na lang experimenteren ontdekte ik dat ik een rugleuning kon maken door het dekbed om het bedframe te wikkelen.
Maar het fysieke ongemak is niets bij de psychologische impact die de voortdurende onzekerheid veroorzaakt. Bij aankomst werd me verteld dat mijn verblijf zeven dagen zou duren, maar het worden er uiteindelijk tien. De klantenservice vertelt me steeds dat de lijst met mensen die naar huis mogen dagelijks wordt gepubliceerd en niet van tevoren beschikbaar is. Na een tijdje worden al mijn andere problemen irrelevant. Het enige waar ik nog aan denk, is wegkomen.
Parallelle werelden
Eigenlijk moeten we in onze hutten blijven, maar af en toe kunnen we even naar buiten en, voordat de camera alarm slaat, informatie en soms goederen uitwisselen met andere bewoners. Die momenten bieden de meeste hoop op wat nieuws. Eén keer houd ik er wonderlijk genoeg oploskoffie aan over. Een andere keer hoor ik van Bewoner 1 de theorie dat de hutten in feite maar half af zijn. Dat we er met spoed moesten intrekken omdat de quarantainehotels vol waren.
Volgens Bewoner 1 is er verdeeldheid tussen Chinese jongeren en ouderen, omdat de ouderen geen toegang hebben tot het buitenlandse internet en niet meekrijgen hoe de rest van de wereld met de pandemie omgaat. Zij leven in een parallelle wereld, zegt hij; zelf kan hij het verlies van vrijheid niet verdragen. Ik zit ook in een parallelle wereld, waarvan ik de risico’s niet helemaal kan overzien. Hoe meer ik observeer, hoe apathischer ik word.
Rondom de faciliteit staan hoge bomen. Laat in de middag, als de zon ertussendoor schijnt, kun je de deur openen en het licht naar binnen laten stromen. Een moment lang licht de hele plek op door de prachtige eenvoud van het platteland. Op een dag raak ik rond dat tijdstip in gesprek met drie vrouwelijke medewerkers die vaak in de buurt van mijn hut komen kletsen. Hun beleving van hun werkplek, waar ik opgesloten zit en zij lange diensten moeten draaien, verschilt radicaal van de mijne. Het is er prima, zeggen ze. Jij hebt je computer.
‘China’s eerste- en tweederangs steden, en derde-, vierde- en vijfderangs steden, steden voor hoge, gemiddelde en lage inkomens, zijn ook allemaal parallelle werelden,’ vertelt Bewoner 1 me later.
De term ‘da bai’ kreeg een donkerder connotatie binnen de context van het Chinese klassensysteem. Hij verwijst losjes naar de traumatische gebeurtenissen uit de Culturele Revolutie, waarin gewone mensen, waaronder veel studenten, zogenaamde ‘rode wachters’ werden en werden aangemoedigd om de klassenorde omver te werpen. Mensen die rijk en machtig waren geweest, zagen hoe de rollen plotseling werden omgedraaid. Een Chinees gezegde luidt: ‘Wie schoenen van gras draagt is niet bang voor wie leren schoenen draagt.’ De laatste maanden wordt online soms de uitdrukking ‘witte wachters’ gebruikt, die doet denken aan de rode wachters van vroeger.
Ik vervolg mijn gesprek met de drie vrouwen. Zij hebben het gevoel dat wat er bij P7 gebeurt, normaal is, wat vreemd genoeg overtuigend klinkt. Het is alsof het bureaucratische systeem, en niet het virus, het natuurlijke fenomeen in kwestie is: een fenomeen dat gedijt in de ruimte tussen mensen in, niet in de mensen zelf. Misschien heb ik het helemaal verkeerd ingeschat. Dit lijkt helemaal niet op een gevangenis.
‘Ben je bang voor corona?’ vraag ik.
‘Ja,’ zeggen ze. ‘Hoe dan ook,’ voegt iemand eraan toe, ‘als je positief test, is het moeilijk om werk te vinden.’
Ze testen ook de vloer, mijn tas, mijn mobiele telefoon en de afstandsbediening van de airconditioning. Allemaal zijn ze negatief, net als alle andere tientallen tests die ik de afgelopen twee weken heb gedaan
‘Hoe oud ben jij? Veertig?’ vraagt een van hen.
‘Ik ben drieëndertig,’ zeg ik.
‘Zo jong! Mijn zoon is even oud.’
‘Heb je hier geen heimwee?’ vraag ik.
Ze aarzelen even, wachten met antwoorden. ‘Het is een baan,’ zegt iemand uiteindelijk.
‘Dat weet ik,’ zeg ik. ‘Maar mis je thuis niet?’
‘Natuurlijk mis ik het.’
Het is gemakkelijker om naar de hemel te klimmen dan het systeem achter de namenlijsten in P7 te doorgronden. Om op de lijst te komen die je toestaat te vertrekken, moet je een dag eerder op de zogenaamde dubbeletestlijst hebben gestaan. Als dat het geval is, nemen verplegers een monster uit je ene neusgat en mond, en dan uit je andere neusgat. Ik heb uitvoerig gelobbyd om op die lijst terecht te komen, maar niemand kan ook maar iets bevestigen tot op de dag zelf.
Als de verplegers bij me komen, testen ze ook de vloer, mijn tas, mijn mobiele telefoon en de afstandsbediening van de airconditioning. Allemaal zijn ze negatief, net als alle andere tientallen tests die ik de afgelopen twee weken heb ondergaan. Eindelijk wordt mijn code groen.
Nu mijn vertrek nadert, trek ik voor het eerst sinds lange tijd mijn eigen schoenen weer aan. Ze zijn van leer. Op het lokale nieuws zie ik dat ze in de buurt van Shanghai alweer bezig zijn een faciliteit te bouwen. Voor mensen die daadwerkelijk corona hebben. Op het internationale nieuws wordt verteld dat China’s twintigste partijcongres, dat na mijn aankomst begon, bijna afgerond is. Ik vraag Werker 1 of hij al besloten heeft wat hij gaat doen. Hij wil er nog een tijdje langer blijven werken, vertelt hij me. Veertig dagen: een echte quarantaineperiode. Als ik bij mijn vertrek Bewoner 1 de hand schud, is dat het dichtst dat ik bij een andere persoon in de buurt ben gekomen, afgezien van de vele PCR-tests.
Voordat ik de bus in stap, krijg ik een certificaat overhandigd. Het is alsof ik, Tnomab William Hale, een examen heb gehaald, of in ieder geval een opleiding heb afgerond. De bus zit vol. Er staat geen radio aan; iedereen draait hardop muziek uit telefoonluidsprekers, die al snel wordt overstemd door de luchtstroom vanuit de open ramen. Ik denk dat de reis zal eindigen met een spectaculair uitzicht op de wolkenkrabbers in de stad. Maar ik val al snel in slaap, en als ik wakker word, merk ik ze nauwelijks op.
Vrijheid
Terug in mijn hotel is het warme water warm en het matras zacht. Het getal op de weegschaal in de badkamer is kleiner geworden. Tijd voor een feestmaal. Maar in elk restaurant moet ik mijn QR-code laten scannen, wat betekent dat ik het hele proces misschien zomaar opnieuw zou moeten doorlopen.
Ik zwerf enige tijd rond op straat en vraag me af wat ik ga doen. Terwijl ik langs grote groepen mensen in bars en restaurants loop, bedenk ik dat je wel gek moet zijn om de risico’s van vrijheid zo licht op te vatten. Die mensen leven in een parallelle wereld.
Ik loop naar een steakrestaurant en vraag of ik mijn code moet laten scannen om een afhaalmaaltijd te bestellen. Als ze nee zeggen, voel ik grote opluchting. Plotseling zie ik mezelf: een man die ik Tnomab zal noemen, van bijna 1 meter 80, met haar dat niet meer blond maar ook nog niet grijs is, met een snor en een stoppelbaard van tien dagen oud. Terwijl hij naar zijn telefoon grijpt, beweegt hij gehaast maar ook vermoeid, alsof hij bereid is elk bedrag te betalen.
Honderdduizenden vluchtelingen proberen uit Libië naar Europa te komen. Een miljardenbusiness voor de bendes mensensmokkelaars. Een plaatselijke krijgsheer heeft de mensensmokkelaars de oorlog verklaard: met één schip, 37 mannen en ondoorzichtige motieven.
De boot is nog maar een paar meter van ons af als het mondingsvuur van een machinegeweer oplicht in de nacht. Schoten knallen, we laten ons op de vloer van de stuurhut vallen en drukken onze gezichten in de matten. Boven onze hoofden slaan kogels in. Vanuit onze dekking aan boord van de Tileel, een patrouilleschip van de Libische kustwacht, zien we op de golven van de Middellandse Zee een rubberboot met Afrikaanse vluchtelingen. Vlak daarnaast, nog geen dertig meter bij ons vandaan, ligt een speedboot waar mannen in camouflagepakken en met maskers op hun automatische geweren op ons leegschieten.
Donderdag, 6 april 2017, kort na middernacht. De aanval komt als een verrassing. Commander Al Bija van de Libische kustwacht was met de Tileel naar de vluchtelingen toe gesneld, die op weg waren van Libië in Noord-Afrika naar Italië, om hen uit de woelige zee te redden. Toen we hen bijna bereikt hadden dook uit de duisternis een speedboot op die als een schaduw op ons af vloog: mensensmokkelaars, vastbesloten controle over hun menselijke waar te houden.
Gevaarlijkste grens ter wereld
We zijn al tien dagen onderweg langs de kust van Libië, de zuidoever van de Middellandse Zee, de gevaarlijkste grens ter wereld. Volgens de Duitse regering houden zich in Libië op dat moment bijna een miljoen vluchtelingen en migranten op, waardoor het verreweg het belangrijkste doorgangsland is op de zeeweg van Afrika naar Europa. Er zouden dat jaar wel 300.000 mensen naar de Europese kust kunnen oversteken. De EU wil hen al in Libië tegenhouden.
Op de EU-top in februari 2017 in Malta hebben de regeringsleiders van de lidstaten een overeenkomst met Libië gesloten: de Libische kustwacht moet de Middellandse Zee afsluiten, de vluchtelingen opvangen en hen in opvangkampen in Libië onderbrengen. Die kustwacht bestaat ten westen van de hoofdstad Tripoli, waar een groot aantal bolwerken van de mensensmokkelaars ligt, uit één enkele boot en 37 man. Hun leider is commander Al Bija, een gevreesd krijgsheer.
Al Bija, dertig jaar, heeft een verminkte hand die hij gebruikt als een klauw. ‘Ik heb een heleboel mensen moeten doden,’ zegt hij. En hij is dol op paarden. Drie jaar heeft hij in Berlijn gewoond. Voor de een is hij een held, voor de ander een misdadiger of zelfs een moordenaar. En voor de politieke leiders van Europa is hij hier in het westen van Libië, dit desolate land zonder centrale regering, leger of politie, de enige kans om een eind te maken aan het werk van de mensensmokkelaars.
Als wij tijdens de aanval op de Tileel gehurkt op de vloer zitten, rent de commander onder een regen van kogels over het dek, schiet op de aanvallers, geeft zijn mannen dekking en schreeuwt bevelen. Om hem heen slaan de kogels van de mensensmokkelaars in de romp. Ramen gaan aan diggelen. Explosies. Geschreeuw. Mannen storten neer en blijven roerloos liggen.
Minutenlang gaat het schieten door. Dan is het opeens stil en klotsen alleen de golfjes van de nachtelijke zee nog tegen de boot.
Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)
‘Niemand kan om ons heen,’ zegt commander Al Bija vier dagen eerder in zijn commandopost, een kleine ruimte met een groot raam dat uitziet over de haven van Zawiyah, zo’n vijftig kilometer ten westen van Tripoli. Aan de andere kant van de kademuren breken de golven van de Middellandse Zee op de okerkleurige rotsen. Al Bija − achterovergekamd haar, dichte baard, doordringende blik en een pistool in de zwartleren riem van zijn spijkerbroek − houdt een sigaret tussen de ringvinger en pink van zijn verminkte hand geklemd. Hij laat zijn aansteker klakken en zuigt de rook diep zijn longen in. Op de banken zitten zijn mannen met hun kalasjnikovs. ‘Wij zijn de enige functionerende kustwacht in het westen van Libië.’ Al bijna twee jaar controleert Al Bija met de zestien meter lange Tileel, een paar rubberboten en zijn kleine troep de kustwateren vanaf de Tunesische grens tot voorbij Janzur, vlak voor Tripoli. Een territorium bijna dertig keer zo groot als de Bodensee. ‘Onze missie,’ zegt Al Bija, ‘is vluchtelingen van de verdrinkingsdood te redden en mensensmokkelaars op te sporen en zo nodig om zeep te helpen.’
Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht
Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht. Alleen op 18 maart 2016 al, op één dag, hebben ze in totaal 2700 mensen uit twaalf rubberboten en een grote houten boot gered. Het Libische ministerie van Defensie bevestigt de getallen.
Al Bija laat ons op zijn telefoon een video zien: zielsgelukkige Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die van de verdrinkingsdood zijn gered, dansen voor de commandopost in de haven van Zawiyah met zijn mannen. Op Facebook hebben ze geschreven: ‘Aan de helden van Zawiyah, zonder jullie was ik nu dood’. Of: ‘God zal het jullie duizendvoudig lonen’. Of ‘Jullie hebben mijn baby uit zee gered, mijn leven behoort jullie toe’.
Is commander Al Bija dus de bondgenoot waar Europa zo dringend naar op zoek is? Merkels man in Libië? Ook Angela Merkel heeft er op de top in Malta mee ingestemd de Libische kustwacht aan land en op Europese oorlogsschepen te trainen in bewapende grensbewaking en de omgang met vluchtelingen. Om een eind te maken aan de handel van de mensensmokkelaars heeft Italië 200 miljoen euro beschikbaar gesteld en de Europese Commissie in de eerste fase nog eens 200 miljoen euro.
‘Training hebben we niet nodig,’ zegt Al Bija in zijn commandopost in de haven van Zawiyah. ‘We weten wel hoe je moet navigeren, vechten en doden.’ Wat wil hij dan? ‘Als Europa wil dat wij de rotklusjes opknappen, dan moet Europa ons daarvoor betalen.’ En de prijs van zijn diensten: ‘Een reddingsboot voor duizend mensen, speedboten, onderdelen, brandstof en soldij.’
Hoort de commander echt tot de ‘good guys’, zoals hij zelf beweert, of speelt hij dubbel spel?
Geen alternatief voor Europa
Een alternatief voor Al Bija is er voor Europa op dit moment niet. Zes jaar na de val en de dood van de Libische dictator Moammar al-Gaddafi tijdens de internationale militaire ingreep in 2011, is de euforie over de Arabische Lente allang vervlogen. Bijna niemand in Libië hoopt nog op een overgang naar democratie. De volksbrigades die onder gejuich van de westerse wereld tijdens de revolutie werden opgericht, hebben na de val van Gaddafi hun wapens niet neergelegd, maar militaire arsenalen geplunderd, lege ministeries bezet en milities opgebouwd.
De regering van nationale eenheid, waar de EU met haar plannen op steunt, heeft nauwelijks controle over Libië. Minister-president Fayez al-Sarraj, aangesteld door de Verenigde Naties en sinds 15 maart 2016 in functie, moet de nieuwe staat opbouwen. Maar het parlement, dat bijeenkomt in Tobroek, duizend kilometer oostelijk van Tripoli, heeft zijn eenheidsregering niet erkend. In het oosten van het land weigert de machtige generaal Haftar met hem samen te werken. En de terreurorganisatie Islamitische Staat heeft verschillende steden veroverd.
Experts schatten dat in deze ondoorzichtige burgeroorlog in Libië zo’n 1700 militante groeperingen met elkaar strijden, langs grenzen van clans, stammen en geloof en in de territoria van plaatselijke krijgsheren. Rivaliserende milities controleren steden, grote wegen, raffinaderijen en olievelden. En de lucratieve handel in mensen die de Middellandse Zee willen oversteken.
‘Die EU-lui zitten achter hun chique bureaus allerlei prachtige dingen te verzinnen,’ zegt Al Bija terwijl hij ons zijn basis laat zien, een rotsige baai waarvan toegangen en havenmuren streng worden bewaakt. Aan boord van de Tileel zijn mannen bezig een zwaar machinegeweer te oliën. ‘De kust van West -ibië is de “moeder van alle stammen en clans”,’ verklaart Al Bija. Een wereld die afgesloten is voor buitenstaanders, zelfs voor Libiërs die hier niet vandaan komen. ‘Wie hier niet geboren en getogen is, overleeft hier niet.’
Om de kust van mensensmokkelaars te bevrijden zijn honderden goed getrainde mannen nodig, zegt Al Bija. Maar wie moet die mannen uitkiezen? De zwakke eenheidsregering in Tripoli? De EU? ‘Ik,’ zegt de commander, ‘alleen ik ken de goeie mensen.’
Over zijn achtergrond vertelt hij dit. Door de revolutie in 2011 moest Al Bija zijn studie aan de militaire academie in Tripoli beëindigen. Hij sloot zich aan bij de rebellen tegen Gaddafi, raakte negen keer zwaargewond en verloor bij een granaataanval twee vingers van zijn rechterhand. Hij trekt met zijn linkerbeen en zijn bekken zit scheef. Als hij denkt dat niemand het ziet, slikt hij pijnstillers.
In de zomer van 2015 zat deze zoon van een voormalig legerofficier, die eigenlijk Abdurahman Salem Ibrahim Milad heet en Al Bija als geuzennaam voert, met zijn kameraden uit de revolutie in een café in het gebombardeerde Zawiyah. Gaddafi was al vier jaar dood, Libië een mislukte staat. Werk was er niet. Perspectief ook niet. Toen kreeg hij een idee: ‘Waarom doen we niet iets groots en nemen we de haven over?’
Zijn vriend Mohamed Ramadan, dertig, is vergroeid met zijn machinegeweer. Ramzi Ibrahim met zijn jongensgezicht en blinkend witte tanden, zesentwintig, kan het met zijn kalasjnikov tegen iedere scherpschutter opnemen. Mohamed Erhouma, een visserszoon van dertig, kent de Libische wateren vanaf zijn vroegste jeugd en is een getalenteerd stuurman. En Mohamed Shkoundali kan met zijn magische vingers ieder apparaat weer aan de gang krijgen. Hij is met zijn vijfendertig jaar de oudste van het groepje.
Samen hebben ze op die zachte, vroege zomerdag van 2015 hun wapens gepakt en een vijandige militie na een bloedige strijd uit de haven verdreven. Ze richtten de commandopost in en brachten de gehavende Tileel, een zestien meter lang patrouilleschip met boordgeschut op de boeg, weer in de vaart. Ze creëerden een eigen embleem, verleenden zichzelf militaire rangen, noemden zich de ‘Libische kustwacht van Zawiyah’ en voeren de Middellandse Zee op.
Hun zelfverklaarde vijand: de mensensmokkelaars. De Verenigde Naties gaan ervan uit dat er langs de Libische kust tientallen bendes zijn die zich hebben georganiseerd in een netwerk. Ze houden vluchtelingen en migranten die geen geld voor de overtocht hebben vaak maandenlang vast in privégevangenissen, waar geslagen, verkracht, gemarteld en gemoord wordt. In een recent openbaar geworden intern rapport van de Duitse ambassade in Niger wordt gesproken van concentratiekampachtige toestanden.
Een van de machtigste smokkelaars in het westen van Libië zou een man van nog geen dertig uit Sabratha zijn. ‘Ahmed Dabbashi, VIP-reisjes naar Europa,’ zegt Al Bija. ‘Goede schepen met sterke motoren, geëscorteerd door zijn eigen militie. Aankomst in Italië gegarandeerd.’ Het grootste schip van Dabbashi hebben ze op 5 juli 2016 tegen vier uur ’s morgens opgebracht. ‘We hebben meer dan tien man uitgeschakeld, het escorte tot zinken gebracht en zeshonderd Afrikanen teruggebracht.’ Van toen af aan wist iedereen in Libië: ‘We don’t fuck around,’ zegt Al Bija.
Waarom riskeert Al Bija zijn leven? ’Ik heb een goed hart,’ zegt hij, terwijl hij een hand op zijn borst legt. ‘Moet ik mijn broeders soms op zee laten verdrinken?’
En waarmee verdienen ze hun geld? Hij is paardenhandelaar, zegt Al Bija. Zijn kameraden winkelier, aannemer, monteur. ‘Een groot deel van ons inkomen gaat in onze operaties zitten.’ Later zegt hij dat ze driehonderd dagen per jaar op zee zijn.
En hoe geeft hij zijn gezin echt te eten? ‘We nemen illegale vissersschepen uit Egypte en Tunesië in beslag, verkopen de vangst en leggen ze aan de ketting tot de eigenaars een boete hebben betaald.’
Maar hij bestrijdt toch vooral mensensmokkelaars? Waarom? ‘Hun clans verdienen er miljoenen aan. Daar kopen ze moderne wapens, kogelvrije auto’s en tanks voor. Als wij er geen eind aan maken, zullen ze uiteindelijk ons overheersen, verdrijven en vermoorden.’
En hier, in dit schimmige rijk van krijgsheren, milities en georganiseerde mensensmokkel, wil de EU ‘grensmanagement’ bedrijven om een halt toe te roepen aan de toestroom uit Afrika. Maar is een warlord als Al Bija wel de juiste partner om, op de loonlijst van de EU, op de Middellandse Zee op vluchtelingen te jagen? Want zo veel is wel duidelijk: de commander heeft de controle over een enorm gebied, dat aan de staat is ontglipt, met wapengeweld overgenomen. Zijn macht is niet politiek gelegitimeerd, maar door de gevechtskracht van zijn troep.
Centrum van de macht
In een kogelvrije terreinauto, met zijn kalasjnikov naast zich op de grond, rijdt Al Bija met ons het betwiste achterland van Zawiyah in waar hij ons iets wil laten zien. We laten de door iedereen verlaten stadsrand, de kapotgeschoten gevels en de granaattrechters achter ons. Bij checkpoints patrouilleren jongemannen in bomberjacks en legerbroeken, met spiegelende zonnebrillen en machinepistolen, op hun pick-ups hebben ze luchtafweergeschut en raketwerpers gemonteerd.
Na een halfuur bereiken we een afgelegen hoeve. Achter een ijzeren poort opent zich een andere wereld. In goedverzorgde stallen staan prachtige paarden. Twee omheinde stukken land met netjes aangeharkt zand, weilanden, een overdekte manege in aanbouw. In een kleine villa met gestucte plafonds en beschilderde muren ruikt het nog naar verf. Steeds meer gepantserde terreinwagens met schietgaten in de geblindeerde ramen komen binnengereden. Mannen met sluwe koppen, gouden kettingen en lijfwachten stappen uit. ‘Als er problemen zijn tussen clans en stammen,’ zegt Al Bija, ‘dan worden die hier geregeld.’ Nu begrijpen we het: we bevinden ons in het centrum van de macht.
Hij trekt zijn schoenen uit, loopt op blote voeten door het zand en haalt een van zijn paarden uit de stal. Jodran, de Moedige, is een grijze hengst met welgevormde spieren. Hij wordt een paar keer per dag geroskamd. Al Bija’s ogen stralen als hij hem een rode singel en rode beenbeschermers aan doet.
Wat kost een hengst als Jodran? ‘Vijftigduizend dollar!’ Allemaal van in beslag genomen vissersboten? Al Bija neemt het pistool uit zijn riem en geeft het aan een van zijn mannen. Dan springt hij in het zadel en rijdt weg.
Tussen eucalyptus- en vijgenbomen, langs een verlaten weg ergens tussen de chaotische fronten van de burgeroorlog, rijden even later de vorsten van de clans stapvoets naast elkaar. Het is een demonstratie van geslotenheid naar buiten toe, een choreografie van de mistige allianties in de Libische oorlog. Dan maken ze plotseling rechtsomkeert, geven hun paard de sporen en jagen ieder voor zich de horizon tegemoet. Ver voor de anderen uit: commander Al Bija.
Waarom laat hij ons dit allemaal zien? In de late namiddag zitten we samen in het zand. Al Bija maakt muntthee boven een open vuur. We drinken uit een glas dat de mannen elkaar doorgeven en dat steeds wordt bijgevuld. Waarom? ‘Om iets terug te doen voor de Duitsers.’ Zwaargewond tijdens de revolutie, werd hij in 2012 naar Berlijn gevlogen, waar de chirurgen in het St. Marienkrankenhaus zijn schotwonden hebben geopereerd, de wonden van huidtransplantaties hebben voorzien en aan wat er van zijn rechterhand over is de stompjes van de vingers die er door de granaten van Gaddafi waren afgerukt hebben geamputeerd. Drie jaar heeft Al Bija in Duitsland doorgebracht, en overal werd hij met respect behandeld. ‘En de Duitse vrouwen: beeldschoon,’ zegt hij. Tegen onze tolk spreekt hij Arabisch: het Duits is hij verleerd, maar één woord kent hij nog: ‘Broeders,’ noemt hij ons terwijl hij ons op de schouder slaat.
Waarom is hij niet in zijn huisje aan de Ernst-Reuter-Platz in Berlin-Charlottenburg gebleven? Waarom is hij in de zomer van 2015 teruggegaan naar een land dat ondertussen in een burgeroorlog was terechtgekomen? ‘Vader. Moeder,’ zegt Al Bija. ‘Familie, clan, stam.’ In Libië kun je je niet gewoon terugtrekken uit de oorlog. Het gaat om meer dan je eigen leven. ‘Verantwoordelijkheid. Eer.’
Maar er zijn zware beschuldigingen tegen Al Bija ingebracht. Als we weer terug zijn in de commandopost, lezen we voor van TRT World, een van de vooraanstaande Turkse nieuwssites in Istanboel. 22 februari 2017: ‘Al Bija is de grootste speler in de kustwachtmaffia, en hij heeft de lucratieve mensensmokkel in Zawiyah en aangrenzende kuststreken stevig in zijn greep.’
Al Bija kijkt duister. Zijn mannen kijken op van hun telefoons. ‘Alle mensensmokkelaars ten westen van Tripoli betalen Al Bija een percentage’, zegt het artikel. Wie weigert wordt door de commander aangepakt met de Tileel.
Experts als de Italiaanse journaliste Nancy Porsia, die al jaren verslag doet uit Libië, weten het zeker: ‘De kustwacht van de Libische marine neemt deel aan de mensenhandel.’ Kolonel Tarek Shanboor, die op het ministerie van Binnenlandse Zaken van de eenheidsregering in Tripoli werkt, moet toegeven: ‘We hebben mensensmokkelaars in onze rangen, dat is een ernstig probleem.’
Als Europa in deze omstandigheden de Libische kustwacht zou versterken, doet het precies wat het niet moet doen, waarschuwt Frank Dörner van de Duitse hulporganisatie Sea-Watch. In plaats van mensensmokkelaars te bestrijden loopt het EU-actieplan gevaar dat het het tegendeel bewerkstelligt: ‘Het maakt een gewelddadige escalatie op het water waarschijnlijker. Daardoor wordt de situatie voor de vluchtelingen nog gevaarlijker.’ Commander Al Bija legt zijn verminkte hand op tafel. ‘Allemaal leugens die door de mensensmokkelaars de wereld in worden gebracht,’ zegt hij bedrieglijk rustig. Als zijn kustwacht uit de weg is, zouden ze vrij baan hebben met hun smerige handel.
Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is
Al Bija en zijn mannen brengen de Afrikanen die ze in de boten van de smokkelaars op de Middellandse Zee onderscheppen onder in speciale kampen van de door de VN gesteunde eenheidsregering. Zoals de EU ze volgens de akkoorden van Malta in de toekomst in heel Libië heeft gepland. In het kamp in Surman, met de auto een half uur ten westen van Zawiyah, zitten in een hal met roestige, getraliede ramen meer dan tweehonderd vrouwen op de grond gehurkt, veel van hen met baby’s. Met hun knieën tegen hun borst gedrukt, hun hoofddoek voor het gezicht, hun ogen strak op hun voeten gericht. Niemand durft zich te bewegen. Zelfs geen gefluister is te horen.
Pas als de bewaker, een man in camouflage-uniform met een verwaarloosde baard, roodomrande ogen en een alcoholwalm, even naar buiten gaat, vat een jonge vrouw moed om met ons praten. Ze komt uit Nigeria en zit hier al meer dan tien maanden gevangen, zonder enig contact met de buitenwereld.
Niemand weet waar ze zich bevindt, haar familie denkt vast dat ze dood is.
Ze gaat op haar knieën voor ons zitten en vouwt smekend haar trillende handen. ‘Ze verkrachten ons,’ fluistert ze en laat haar armen zien, die onder de blauwe plekken zitten, je kunt de afzonderlijke vingerafdrukken zien. ‘Help ons, alstublieft.’ Ze tilt haar doek op. Tussen haar benen zit het trainingspak tot aan haar knieën onder het bloed. Wie heeft dat gedaan? ‘Allemaal. De een na de ander.’ De bewaker kom terug. Ze zwijgt en kijkt ons smekend aan. We voelen haar machteloosheid. We kunnen niets voor deze vrouwen doen. Integendeel: één verkeerd woord van ons, denken we, en ze zouden het zwaar moeten bekopen. Misschien met hun leven.
Buiten wacht kolonel Ibrahim Ali Abdusalam, directeur van het vrouwenkamp in Surman. Officieel valt hij onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar in werkelijkheid wordt het kamp gecontroleerd door lokale milities. ‘Ziet u hoe stil ze zijn,’ zegt hij glimlachend. ‘Dat betekent dat ze het hier goed hebben.’
Waarom houdt hij de vrouwen maandenlang onder deze verschrikkelijke omstandigheden vast? ‘Europa wil de vrouwen niet hebben,’ zegt hij rustig en zonder lang te hoeven nadenken, ‘Oké, dan houden we ze hier.’ Maar het is de hoogste tijd dat Europa eindelijk voor hen gaat betalen. ‘Mobiele toiletten en douches, schommels en glijbanen, tampons, luiers, babymelk.’
Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is. Langzamerhand is ook tot Surman doorgedrongen dat Europa de grensbewaking naar Libië wil verplaatsen en daar op grote schaal in wil investeren. De Libische kustwacht moet de vluchtelingen en migranten die ze hebben opgevangen in de toekomst ‘in adequate opnamefaciliteiten afleveren’, zegt het actieplan van Malta. Libië moet voor deze mensen zorgen en een administratief apparaat opbouwen zodat ze conform de volkenrechtelijke procedures asiel kunnen aanvragen. Degenen die worden erkend kunnen ‘in contingenten’ over de Europese landen worden verdeeld. Degenen die worden afgewezen zal de EU bij de ‘vrijwillige terugkeer naar hun vaderland’ ondersteunen.
De hulporganisaties lopen tegen dit plan te hoop. ‘Zolang vluchtelingen en migranten in Libië worden blootgesteld aan gevangenis, mishandeling, ontvoering en verkrachting, is de reis over de Middellandse Zee voor velen hun enige hoop om aan die hel te ontsnappen,’ verklaart Markus Beeko van Amnesty International Duitsland. ‘Aan de zware vergrijpen tegen de mensenrechten bij vluchtelingen en migranten in Libië moet een eind komen voor de EU-samenwerking een overweging kan maken.’ De organisatie PRO Asyl schrijft in een open brief aan Angela Merkel over een ‘dieptepunt in de Europese vluchtelingenpolitiek.’ Al eerder werd Libië een door Europa gefinancierde vluchtelingengevangenis, en wel in 2010, toen de EU betrokken was bij een deal tussen de Italiaanse minister-president Silvio Berlusconi en Moammar al-Gaddafi, waarbij die eerste Gaddafi, die vanwege zijn steun aan het internationale terrorisme al in de jaren zeventig vogelvrij werd verklaard, vijftig miljoen euro in het vooruitzicht stelde als hij vluchtelingen en migranten tegenhield.
Gaddafi liet er destijds geen misverstand over bestaan: zonder hem zou Europa door de illegale migratie ‘zwart kleuren’. In opdracht van Europa liet hij de mensen die op de Middellandse Zee werden opgepakt naar Libië terugbrengen en hield hij ze voor onbepaalde tijd vast in gevangenkampen, zonder te onderzoeken of ze aanspraak konden maken op asiel. Ook toen al stelden mensenrechtenorganisaties de klappen, seksuele mishandeling en marteling aan de kaak.
24 interneringskampen
Volgens de Verenigde Naties exploiteert de Libische eenheidsregering vierentwintig interneringskampen voor migranten, veel ervan nog uit de tijd van Gaddafi. Europa wil van de bestaande infrastructuur gebruikmaken en er menswaardige opvangkampen van maken. Niet-acceptabele kampen moeten worden gesloten. Hoe de EU de milities ertoe wil brengen hun kampen op te geven is onduidelijk.
‘Ze laten ons hier wegrotten,’ fluistert een man in een cel in het kamp van Annas, dat in een voormalige bandenfabriek in Zawiyah is gevestigd. Door het piepkleine kijkgaatje in de ijzeren deur kunnen we alleen het wit van zijn ogen zien. Een bijtende stank slaat ons tegemoet. Dan wordt er een lucifer aangestoken, steeds meer doodsbange gezichten lichten op in het duister, naakte bovenlijven vol met huidziekten en wonden.
Dicht op elkaar hurken de mannen op de grond. Omdat de cel te klein is om zich uit te kunnen strekken, slapen ze zittend. Er is geen douche, geen toilet. Ze urineren onder een deken in waterflesjes die ze eerst hebben leeggedronken. Hun stoelgang doen ze in plastic zakjes.
De man achter het kijkgaatje van de cel heet Mohamed Moseray. Hij is vijfentwintig, een informaticastudent uit Sierra Leone. Hij draagt nog hetzelfde trainingspak, onder de zoutkorsten, dat hij aanhad toen hij weken geleden half verdronken uit de Middellandse Zee werd opgevist. De huid eronder is aangevreten door benzine die door de lekgeslagen boot stroomde. Hij vertelt dat hij zijn studie in Sierra Leone moest afbreken omdat hij er geen werk naast kon vinden en zijn familie hem niet kon onderhouden. Hij had gewoon geen toekomst meer. ‘Mijn grote droom is om af te studeren,’ zegt Moseray, hij begint te trillen en te huilen, maar vermant zich. ‘Daarom wil ik naar Italië, en dan verder naar Canada.’ Daar betaalt de regering zijn studie.
Na een odyssee van vijf jaar dwars door West-Afrika en de Sahara, vertelt Moseray, duwden Libische smokkelaars kort na middernacht op 19 maart 2017 de rubberboot die hem naar Italië zou brengen de Middellandse Zee in. Meer dan honderdvijftig mensen moesten er van de mensensmokkelaars in. ‘Wie niet instapt, schieten we dood.’ Ze waren nog geen twee uur op zee toen de boot omsloeg.
‘Geschreeuw, gebeden, mensen, overal in het water, zwangere vrouwen, kinderen, baby’s. En niemand kon zwemmen!’ Hij somt zijn vrienden op: ‘Mohamed Focus Diallo, verdrinkt. Amadou Melodiba, verdrinkt. Mohamed Bah, verdrinkt.’ De een na de ander zag hij naast zich onder water verdwijnen.
Wat daarna gebeurde, weet Mohamed Moseray niet meer. Hij herinnert zich alleen het schip dat kort na zonsopgang op hen afkwam. En de hand die zijn redder hem toestak. ‘Als een klauw,’ zegt Mohamed Moseray. ‘Hij miste een paar vingers.’
Tegen tien uur ’s avonds gaan we aan boord van de Tileel, met een tiental zwaarbewapende mannen in camouflage-uniformen, de klittenbandsluitingen strak onder hun kin. Commander Al Bija heeft van zijn spionnen een tip gekregen: op het strand van Sabratha, een stad vlak in de buurt, hebben mensensmokkelaars in deze stormachtige nacht een rubberboot vol mensen op weg naar Europa gestuurd.
De mannen drukken patronen in het magazijn van hun kalasjnikovs, leggen granaatwerpers naast zich op de bank en een patroonband in het zware machinegeweer op de boeg. Redden betekent voor hen steeds vaker vechten. Doordat ze met de Tileel langs de kust cruisen wakkeren ze de geweldspiraal aan. Want steeds meer bendes gaan ertoe over hun menselijke vracht bewapend te escorteren.
De oversteek naar Italië kost op het ogenblik ongeveer 2500 dollar per persoon. Als je dit bedrag omrekent voor de 181.000 mensen die in 2016 naar Italië zijn overgestoken, en voor de meer dan 5000 mensen die bij hun poging zijn verdronken, dan hebben de Libische mensensmokkelaars in 2016 ongeveer 450 miljoen dollar binnengekregen.
Het bedrag moet weliswaar van tevoren worden betaald, maar toch: als je je vracht verliest aan de Tileel, is dat slecht voor de zwaarbevochten handel. Want degenen die op zee worden opgepakt en teruggebracht naar Libië, zullen in de wijdvertakte netwerken langs de Afrikaanse migratieroutes hun smokkelaars sterk afraden. Vanuit het gezichtspunt van de laatsten is het minder erg als hun klanten in de Middellandse Zee verdwijnen. Of niet meer te identificeren zijn als ze op een strand aanspoelen.
Zonder boordverlichting, als een spook, vaart de Tileel de haven van Zawiyah uit en iets later breekt hij door de hoge branding, de Middellandse Zee op. Schuim spat op aan de boeg. Windvlagen rukken aan de stuurhut. ‘Als we ze niet vinden, zijn ze dood,’ zegt commander Al Bija aan het roer.
In Libië, waar het erom gaat te overleven, speelt niemand open kaart. Wat Al Bija’s agenda ook mag zijn, aan boord van de Tileel vermoeden we uiteindelijk dat wij er ook een plaatsje in hebben. Wil hij uit het verhaal dat we over hem zullen schrijven als een waardige partner van Europa naar voren komen? En ons nu bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk is?
Al Bija vertelt dat zijn deal met de EU in volle gang is. Vlak voordat wij aankwamen heeft hij in Tunis met Engelse diplomaten gesproken. De Spaanse regering heeft hem uitgenodigd naar Madrid te komen. Waar die gesprekken over gaan? ‘Geheim!’ Toch maakt hij ons deelgenoot van een paar van zijn eisen: ‘Een levens- en ziektekostenverzekering voor mij en mijn mannen. En visa voor een relaxvakantie van twee weken in Europa.’
Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot
Koers Noordnoordwest. 18 knopen. De lichtjes van de kust zijn ver weg, boven het pikzwarte water staat de halve maan bijna recht boven ons als op het radarscherm iets oplicht. Gespannen dringen de mannen rond commander Al Bija. De ramen van de stuurhut beslaan van hun adem, met hun vingers gaan ze over het radarscherm alsof ze daarop kunnen voelen wat ons buiten te wachten staat. Een halfuur lang koersen we op het signaal af. Dan ziet de infraroodcamera op de boeg een boot, ongeveer 400 meter voor ons. Commander Al Bija bestudeert het silhouet op de monitor. ‘Een rubberboot,’ zegt hij tenslotte met nauwverholen triomf in zijn stem
Al Bija kijkt veelbetekenend om naar ons. Tot aan het eind komen we er niet achter wie de commander echt is: de man die in Berlin-Charlottenburg genas om terug te gaan naar Libië en met een gekaapt schip en een paar mannen de kustwateren te veroveren. Vaststaat alleen dat hij in het door oorlog ontwrichte Libië een gaatje heeft gevonden om geld te verdienen met het redden van vluchtelingen.
De belangrijkste pijlers onder de EU-afspraken met Libië wankelen. De kustwacht zit vol dubieuze figuren. En wat die veilige opvangkampen betreft: op dit moment zijn het niet meer dan door de milities gemanagede pakhuizen vol weerloze mensen, waardevolle assets in de oorlog om Libië en om de Europese miljoenen.
‘Snelle oplossingen zijn er niet,’ zegt Martin Kobler, de Duitse speciale VN-ambassadeur voor Libië. ‘We moeten doen wat we kunnen om Libië te stabiliseren.’ Dan zouden veel mensen in plaats van in boten te klimmen in het olieland blijven om daar, net als vroeger onder Gaddafi, te gaan werken. En de mensensmokkelaars zouden maar weinig klanten hebben.
De honderdvijftig mensen die nu in het zicht van de Tileel in de volgepakte opblaasboot tegen metershoge golven vechten, hebben niets aan langetermijnoplossingen. Als we ze bijna bereikt hebben, komt uit de nacht een raceboot op ons afgesneld. De smokkelaars openen het vuur en wij laten ons op de vloer vallen.
Commander Al Bija rent door de kogelregen, schiet terug, trekt een gewonde uit het schootsveld en kruipt naar ons toe. Met zijn verminkte hand tikt hij ons op de schouder. Leven we nog? Hij kijkt alsof het succes van zijn missie daarvan afhangt.
Opeens is het stil. Voorzichtig tillen we ons hoofd op. Met een pikhaak trekken Al Bija en zijn mannen de raceboot dichterbij. Drie smokkelaars zijn neergeschoten, twee van hen zijn zwaargewond.
‘Geloven jullie ons nu?’ schreeuwt de commander. ‘Geloven jullie nu eindelijk dat wij niet bij hen horen?’ We weten het niet zeker. Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot.
Als versteend zitten ze in het licht van onze zaklantaarns. Geen van hen lijkt gewond te zijn. De vrouwen hebben hun handen gevouwen in gebed. Huilende kinderen begraven hun hoofd in de jas van hun moeder. Het zou uren duren om ze terug te slepen naar de haven. De mensensmokkelaars hebben via hun satelliettelefoons hun basis op de hoogte gebracht. Tegen hun vloot van zwaarbewapende raceboten heeft de Tileel geen schijn van kans.
‘Te riskant,’ zegt commander Al Bija terwijl hij de boot met zijn voet wegduwt. Het water staat tot aan hun knieën. Waarom neemt hij niet een paar van hen aan boord? In elk geval de kinderen? In plaats van te antwoorden vaart Al Bija met volle kracht terug naar Zawiyah. De mensen in de rubberboot drijven weg en verdwijnen in de duisternis.
Tekst: Michael Obert
Vertaling: Izaak Hilhorst
Michael Obert en Moises Saman zijn al vaker onder vuur komen te liggen in crisisgebieden. Maar niet midden in de nacht op een boot op de Middellandse Zee. Aan land kun je je in elk geval gecontroleerd terugtrekken, op de Tileel konden ze alleen op de vloer blijven liggen en hopen. Hun tolken Salah Almorjini en Moises Saman bleven ongedeerd, Michael Obert brak toen hij tijdens de aanval struikelde een paar ribben.
Süddeutsche Zeitung Magazin
Duitsland | weekblad | oplage 445.000
Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.