Tag: dictator

  • Privéstichting archief Franco onwettig?

    Privéstichting archief Franco onwettig?

    De socialistische regering wil de particuliere stichting verbieden die nog steeds duizenden persoonlijke documenten van de in 1975 overleden dictator Francisco Franco beheert. Maar zo eenvoudig ligt het niet, volgens dit onderzoek van El Confidencial.

    Het is dinsdag 15 september, tien uur ’s ochtends. We bevinden ons op de tweede verdieping van een flatgebouw aan de avenida Concha Espina nummer elf in Madrid. In de Spaanse Tweede Kamer heeft vicepremier Carmen Calvo haar voorontwerp van het wetsvoorstel Ley de Memoria Democrática [Wet Democratische Herinnering] nog niet uiteengezet, maar een cruciaal onderdeel zingt al rond: de Fundación Nacional Francisco Franco [Nationale Stichting Francisco Franco] zal onwettig worden verklaard. Calvo zal dat later uitleggen.

    Intussen verwelkomt de directie van de stichting deze krant op het adres waar ze sinds haar oprichting in 1976 is gevestigd. We zijn de trappen opgeklommen en lopen de administratie binnen, waar in een klein kamertje een computer staat die een belangrijke rol zal spelen in dit verhaal, maar daarover straks meer. In de vergaderzaal staat een enorme tafel, er zijn boeken – een stuk of wat dossiermappen en oude uitgaven – en uiteraard een buste en een groot schilderij van generaal Francisco Franco. Zonder een blad voor de mond te nemen begint Jaime Alonso, vicevoorzitter van de stichting, te fulmineren tegen de socialistische regering: ‘Het wetsvoorstel is een dwaling, van a tot z ongrondwettelijk en zonder meer ondemocratisch, het idee alleen al dat je zo’n wet kunt maken.’ Een heftig begin.   

    Alonso vertelt over de oprichting van Fundación Franco: ‘Toen Franco stierf besloten zijn voormalige ministers en secretarissen-generaal met vooruitziende blik een stichting in het leven te roepen die zijn naam zou krijgen en die als taak had Franco’s nalatenschap te beschermen, tenminste voor zover het documenten en mondelinge getuigenissen betrof, want Franco’s werk, of het nu gaat om de stuwmeren of de onteigeningswet, is voor iedereen zichtbaar.’

    Terwijl zich na Franco’s dood rondom het koninklijk paleis van Madrid enorme rijen Spanjaarden vormden die een laatste groet wilden brengen aan de dictator, stonden in de enorme werkkamer van het paleis van El Pardo [de residentie van Franco], in grote dozen de persoonlijke documenten van het staatshoofd te wachten. Alonso: ‘Daar zat zijn volledige persoonlijke archief in én de documenten van lopende zaken die niet onder een bepaald ministerie vielen en die hij persoonlijk afhandelde.’

    Nalatenschap

    Om deze twee dingen gaat het in deze onverkwikkelijke kwestie: enerzijds het persoonlijke archief van de dictator en anderzijds het bewaken van zijn nalatenschap. Franco’s weduwe, Carmen Polo, besloot alle documenten te doneren aan de Fundación Franco, een private instelling, die vanaf dat moment Franco’s archief beheert. Volgens Alonso bestaat de stichting maar om één reden: het bestuderen van de geschiedenis.

    De afgelopen 42 jaar is geen enkele regering op het idee gekomen de stichting onwettig te verklaren. Zelfs niet toen in 2007 onder oud-premier José Luis Rodríguez Zapatero de Ley de la Memoria Histórica [Wet Historische Herinnering] werd aangenomen. Hoewel de Fundación Franco altijd een particuliere stichting is geweest, met alle wettelijke regels die van toepassing zijn op deze rechtsvorm, is er in 2001 een convenant gesloten met het ministerie van Onderwijs en Cultuur waarin is vastgelegd dat de overheid de digitalisering van het archief zou financieren – destijds zo’n 150.000 euro – en in ruil daarvoor zou het archief toegankelijk zijn voor het publiek.

    In het portaal PARES [Portal de Archivos Españoles, de Spaanse overheidsarchieven] wordt duidelijk uitgelegd wat voor documenten het zijn en waar ze vandaan komen. Ook is in het convenant vastgelegd dat de Spaanse staat een kopie van het archief moest krijgen. Hiermee was de staat ervan verzekerd dat het archief openbaar toegankelijk was.

    anp 400061424
    De Spaanse koning Juan Carlos I (vooraan met rouwband) en koningin Sofía zijn aanwezig bij de begrafenis van generaal Francisco Franco op 23 november 1975. Franco’s dood luidde de overgang naar de democratie in. – © ANP

    ‘In 2009 heeft het Centro Documental de la Memoria Histórica een kopie van het archief op microfilm ontvangen en een inventaris met een beknopte beschrijving van de documenten met handtekening, datum, inhoud en rolnummer; daarnaast zijn er vijf indexen geleverd om het zoeken te faciliteren. De documenten zijn genummerd van 1 tot en met 27.490. Het Centro Documental de la Memoria Histórica beschikt over kopieën van de documenten 1 tot en met 27.357. De overige documenten kunnen alleen geraadpleegd worden in het archief van de Fundación Franco.’

    De Fundación kreeg de verplichting opgelegd om iedereen met een onderzoekspasje – dat iedere staatsburger kan aanschaffen – toestemming te geven het archief ter plekke te raadplegen, zowel de materialen op microfilm als de gedigitaliseerde documenten. Precies, u raadt het al, op de computer in het kamertje naast de administratie, een apparaat dat een grote, symbolische rol speelt in de geschiedenis van Spanje.

    ‘Geen enkele historicus wordt de toegang ontzegd, wij willen de toegang graag waarborgen, een van de voorwaarden die we stelden was dat ook wij een digitaal archief zouden krijgen dat we kunnen raadplegen, zodat de originele documenten intact zouden blijven,’ aldus Alonso. Tot 2003 was het archief maar door een paar mensen bekeken. Historicus Luis Suárez had de opdracht gekregen het archief te classificeren en publiceerde een boek met de belangrijkste onderdelen.

    Verheerlijking

    Maar we moeten het natuurlijk hebben over wat er voorafgaand aan dat jaar gebeurde. Tot 2003 was het archief minder transparant, het bevatte een stuk of wat originele documenten die maar door een paar mensen waren bekeken, nu worden ze onder geen beding ter beschikking gesteld van het publiek omdat er een gedigitaliseerde kopie van bestaat. Luis Suárez was weliswaar mediëvist, maar ook lid van de Cortes Franquistas [het Parlement tijdens de Franco-dictatuur]. De opdracht om alle documenten en het persoonlijk archief van het staatshoofd te classificeren en te ordenen kreeg hij van Franco’s echtgenote Carmen Polo. Suárez publiceerde acht delen met volgens hem de essentie van Franco’s archief, hetgeen een aantal jaren lang het enige beschikbare naslagwerk is geweest.

    Toch spreekt vicevoorzitter Jaime Alonso tegen wat hispanist en Franco-biograaf Paul Preston herhaaldelijk heeft beweerd, namelijk dat zijn verzoek in de jaren tachtig om het archief te raadplegen niet werd gehonoreerd. Maar vandaag de dag kan men op basis van het convenant zowel het digitale als het originele archief raadplegen, zelfs al is het een particulier archief.

    Er blijft maar één manier over om het archief te onteigenen en dat is de stichting onwettig verklaren, aangezien ze verder voldoet aan alle eisen die de Spaanse erfgoedwet stelt: het archief beschermen en openstellen voor het publiek. En hier speelt het tweede deel van de missie van de Fundación Franco een cruciale rol: het behoud van de nalatenschap van de dictator. In het voorontwerp van het wetsvoorstel van de Ley de Memoria Democrática van Calvo wordt op dit aspect de nadruk gelegd, zoals te lezen valt in de tekst die deze krant heeft ingezien: ‘Stichtingen die het franquisme verheerlijken of direct of indirect oproepen tot haat of geweld tegen de slachtoffers van de staatsgreep zullen worden opgeheven omdat ze indruisen tegen het algemeen belang.’

    De vicepremier linkt twee zaken aan elkaar. Toen Calvo in 2006 minister van Cultuur was in de socialistische regering van Zapatero maakte ze zich als een van de eersten hard voor het overhevelen van het Archivo de Salamanca waarin de documenten over de SpaanseBurgeroorlog worden bewaard – naar het regioparlement van Catalonië.

    “We zijn bang dat de staat het archief wil vernietigen”

    Afgezien van een aantal andere kwesties vond de regering dat er geen overheidssubsidies meer aan dit soort instellingen zouden moeten worden gegeven, maar volgens de Fundación Franco heeft de stichting nooit hulp of subsidie gekregen, behalve het bedrag dat in het convenant met het ministerie van Cultuur was vastgelegd. ‘Over welke subsidies gaat het?’ vraagt Alonso zich af. ‘Wij krijgen niks, we zijn een particuliere stichting.

    Komt er een wet waarin staat dat iedereen die aan stichtingen doneert 43 procent minder belasting hoeft te betalen, behalve als je doneert aan de Fundación Franco, want dan moet je het volle pond aan de fiscus afdragen? Dat kan natuurlijk niet, dat is institutionele discriminatie. Waar we bang voor zijn is dat de staat het archief in beslag wil nemen zodat ze het kunnen vernietigen en zo hun eigen gedachtegoed kunnen opleggen.’ 

    Alonso citeert artikel 1 van de Spaanse grondwet uit het blote hoofd en benadrukt nog maar eens dat onteigening van het archief verontrustend zou zijn. ‘Op dit moment staat het archief niet alleen ter beschikking van het publiek, wij hebben ook nog eens niks te verbergen. Geen enkele democratie etaleert zo veel willekeur en dictatoriale trekjes.’

    Rechtmatige eigenaar

    Het is nogal opmerkelijk dat een stichting die de nalatenschap van een dictatuur onder haar hoede heeft voortdurend hamert op democratische beginselen. ‘Die tegenstrijdigheid is ons niet aan te rekenen, het was immers Franco zelf die koning Juan Carlos I benoemde tot staatshoofd en zo de overgang van de dictatuur naar de democratie heeft bewerkstelligd. Deze regering noemt zich democratisch maar gedraagt zich dictatoriaal,’ aldus Alonso.

    Met deze kwestie heeft de Spaanse regering hetzelfde probleem als met de documenten van het beruchte Archivo de Salamanca. Wie is de rechtmatige eigenaar? Vastgesteld kan worden dat er in deze zaak wordt gesteggeld over de vraag waar het fysieke archief wordt ondergebracht, en niet zozeer over de vraag of het ter beschikking staat van het publiek. Men beweert dat de documenten geen eigendom waren van Franco, maar van de staat, dus na zijn dood hadden zijn erfgenamen ze niet aan de stichting mogen doneren.

    Al in 2005 schreef historicus Jesús Palacio in het voorwoord van zijn boek Las cartas de Franco [Franco’s brieven] – die bijna allemaal afkomstig waren uit het archief – dat het een vergissing zou zijn om de stichting te vervolgen vanwege vermeende politieke activiteiten, ‘die zijn er niet’. Gutmaro Gómez Bravo, onderzoeker aan de Universidad Complutense, heeft op het kantoor van de Fundación onderzoek gedaan naar de archieven en in verschillende artikelen betoogd dat de stichting wel degelijk vervolgd moet worden voor verheerlijking van het franquisme.

    Waar niet over valt te twisten is hoe de gebeurtenissen zijn verlopen: de overgang van de dictatuur naar de democratie is binnen het bestaande systeem gesmeed en werd gesteund door de politieke partijen die verantwoordelijk waren voor de nieuwe grondwet van 1978, waaronder de PSOE [de sociaaldemocratische partij die nu in de regering zit] en de Communistische Partij. Wat belangrijk was deed ertoe. Nu blijkt de staatsgeheimenwet van kracht, die geldt voor archieven die onder verantwoordelijkheid van de staat vallen. Dat is het echte struikelblok voor de onderzoekers, want die zouden geen toegang meer hebben tot de archieven van de Fundación Franco. Maar vicepremier Pablo Iglesias heeft verschillende keren verklaard dat er een oplossing zal komen.

  • West-Afrika ruimt zijn fossielen op

    West-Afrika ruimt zijn fossielen op

    In West-Afrika nemen ze in rap tempo afscheid van dictators en andere langzittende machthebbers. Alleen de Togolese president Faure Gnassingbé houdt hardnekkig vast aan het pluche.

    Twee jaar geleden kwamen de leiders van vijftien West-Afrikaanse landen in de Ghanese hoofdstad Accra samen om de politieke toekomst van de regio te bespreken. Het was een bijeenkomst van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas), maar het was bepaald geen gewone top. Op de agenda stond een voorstel dat, indien geaccepteerd, de politiek in de regio – en uiteindelijk het hele continent – radicaal zou veranderen.

    Dat voorstel was simpel: alle Ecowas-leiders zouden onder alle omstandigheden niet meer dan twee ambtstermijnen aan de macht blijven. Geen dictators meer. Geen presidenten voor het leven meer. Gewoon regelmatige machtswisselingen, regelmatige verversing van het bewind, regelmatige cycli van politieke vernieuwing.

    Op een continent dat berucht is om machthebbers die hardnekkig aan het pluche kleven, was dit een revolutionair voorstel.

    En bijna werd het aangenomen.

    In het debat stemden dertien landen voor de motie: Benin, Burkina Faso, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Kaapverdië, Liberia, Mali, Niger, Nigeria, Senegal en Sierra Leone – vrijwel allemaal landen waar in de afgelopen tien jaar een vredige machtsoverdracht is geweest, na geloofwaardige verkiezingen. Van de staatshoofden van deze landen was Ernest Bai Koroma, de president van Sierra Leone, het langst aan de macht. Hij regeerde destijds pas acht jaar, en in maart 2018 treedt hij af. Geleidelijk aan, zonder veel ophef, is West-Afrika een democratisch bastion op het continent geworden. Maar er resten nog een paar politieke fossielen.

    Dwarsliggers Togo en Gambia

    Twee landen waren tegen het plan van maximaal twee ambtstermijnen: Gambia en Togo. Dat mag nauwelijks een verrassing heten. Yahya Jammeh, de toenmalige president van Gambia, kwam in 1994 door een militaire coup aan de macht en weigerde categorisch de scepter uit handen te geven. Faure Gnassingbé ‘erfde’ het presidentschap van Togo in 2005 na de dood van zijn vader – die al sinds de onafhankelijkheid in 1967 in het zadel zat.

    Evenals de Afrikaanse Unie werkt Ecowas op basis van consensus. Door de tegenstemmen van Gambia en Togo vond de motie geen doorgang. Hoewel ze een kleine minderheid vormden, hadden de fossiele regimes deze ronde gewonnen. Maar de rest van Ecowas zou zich wreken.

    In december 2016 leed Jammeh een verrassende verkiezingsnederlaag, maar hij weigerde zijn functie neer te leggen. Zonder de massale opstand van de bevolking en het kordate optreden van Ecowas was hij er misschien zelfs mee weggekomen. Verscheidene Afrikaanse staatshoofden vlogen naar Banjul om Jammeh over te halen het veld te ruimen. Senegal, het land dat Gambia aan drie kanten omsluit, sloot zijn grenzen. In alle haast werd een regionale interventiemacht opgetrommeld – een paar duizend militairen uit Senegal, Nigeria en Ghana, om hem tot aftreden te dwingen. Op 21 januari vertrok Jammeh in het holst van de nacht met een privévliegtuig, verslagen en weggebonjourd. Niet langer president voor het leven. Weer een fossiel geruimd.

    Demonstranten in Togo eisen om hervormingen en blokkeren de straat met brandende banden, 8 september 2017. – © Alphonse Logo / Anadolu Agency
    Demonstranten in Togo eisen om hervormingen en blokkeren de straat met brandende banden, 8 september 2017. – © Alphonse Logo / Anadolu Agency

    Wat ons bij Togo brengt, de laatste dwarsligger. Togolezen zijn niet doof voor de roep om meer democratie die in de regio weerklinkt. Ze hebben gezien hoe Gambia zich van Jammeh heeft ontdaan. Ze hebben ook gezien hoe hun noordelijke buur, Burkina Faso, in opstand kwam tegen de dictator Blaise Compaore, die na een golf van protesten in 2014 uit het land werd verdreven, waarna een nieuw democratisch bestel werd ingeluid. Kan Togo hetzelfde doen?

    In september organiseerde de snel groeiende protestbeweging betogingen in een aantal steden. Niet afgeschrikt door de oproeppolitie, gingen tienduizenden Togolezen de straat op, gehuld in de oppositiekleuren rood, oranje en roze. ‘Vijftig jaar is te lang,’ scandeerden ze, doelend op de Gnassingbé-dynastie.

    ‘We zullen weer de straat op gaan,’ zegt de onvermoeibare oppositieleider Jean-Pierre Fabre. ‘Faure moet met ons in gesprek gaan over de voorwaarden van zijn vertrek.’ Bij zijn inspanningen om Gnassingbé uit het zadel te lichten wordt Fabre inmiddels bijgestaan door Tikpi Atchadan, leider van de Pan-Afrikaanse Nationale Partij (PNP), die zich aan de zijde van de oppositie heeft geschaard. In tegenstelling tot Fabre is Atchadan afkomstig uit het noorden van het land, van oudsher een stevig bolwerk van aanhangers van de president. Door deze aanwinst krijgt het protest in één klap meer gewicht.

    ‘Wij hielden een demonstratie. Enorme opkomst! Jullie hielden een tegendemonstratie. Niemand. Wij hielden een tegendemonstratie. Massa’s mensen! Jullie werden boos, haalden internet uit de lucht en sloegen ons neer’

    In een poging de demonstraties, die grotendeels via de sociale media worden georganiseerd, de kop in te drukken, legde de regering het internet plat, zodat het merendeel van de Togolezen geen toegang had tot Facebook of WhatsApp en het bijna onmogelijk werd om betogingen op poten te zetten. ‘Wij hielden een demonstratie. Enorme opkomst! Jullie hielden een tegendemonstratie. Niemand. Wij hielden een tegendemonstratie. Massa’s mensen! Jullie werden boos, haalden internet uit de lucht en sloegen ons neer,’ twitterde mensenrechtenactiviste Farida Nabourema.

    Een aantal voormalige leiders van buurlanden heeft er bij de Togolese president op aangedrongen de boodschap van de demonstranten ter harte te nemen. De Nigeriaanse oud-president Olusun Obasanjo zei dat Togo zijn grondwet moet herschrijven en opperde dat het misschien tijd werd voor een nieuw gezicht in het presidentiële paleis. ‘Gnassingbé heeft alle mogelijkheden om zijn land vooruit te helpen inmiddels uitgeput – of hij moet buiten ons medeweten iets nieuws achter de hand hebben.’

    Maar de West-Afrikaanse leiders hielden zich opvallend stil. Wellicht omdat Gnassingbé, ondanks al zijn tekortkomingen, eerder dit jaar tot voorzitter van Ecowas is verkozen, een ceremoniële positie. Maar dit zal hem niet beschermen als de protesten verder aanzwellen.

    ‘De positie van de president is erg wankel, en als het uit de hand loopt, zal geen van de bevriende regeringsleiders uit Ecowas of Europa hem te hulp schieten,’ zegt Francois Conradie, politiek analist in een interview met Al Jazeera.

    Kortom, Gnassingbé staat alleen. Dit in sterk contrast met andere regio’s in Afrika, waar langzittende machthebbers kunnen rekenen op de onbetwiste steun van collega-staatshoofden. Denk alleen al aan het stilzwijgen van het regionale samenwerkingsverband SADC over de talloze misstappen van Robert Mugabe, president van Zimbabwe, of de oogluikende instemming van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap met de derde ambtstermijn van zowel Burundi’s president Pierre Nkurunziza als Rwanda’s president Paul Kagama.

    Nee, dan West-Afrika, dat er ondanks alle gebreken in slaagt vreedzame machtswisselingen af te dwingen. Gnassingbé is de laatste antidemocratische fossiel die nog over is. De vraag is voor hoe lang.

    Auteur: Simon Allison
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • Wat wil Poetin nu in het Midden-Oosten?

    Wat wil Poetin nu in het Midden-Oosten?

    Rusland heeft eigenlijk niets te zoeken in Syrië, betoogt deze Israëlische commentator. ‘Het gaat Poetin vooral om status, maar iedereen ziet dat die schijn is.’

    Wat heeft Rusland precies te zoeken in Syrië? Wie die vraag stelt, kan rekenen op een aantal standaardantwoorden. Moskou is vastbesloten de dreiging van het islamitisch fundamentalisme uit te roeien voordat het de moslimminderheid in Rusland – 7 procent van de bevolking – bereikt. Of: door tegen IS te vechten, hoopt Poetin de aandacht van het Westen af te leiden van zijn manoeuvres in Oekraïne. Of: Moskou moest het regime van Bashar Assad overeind houden om de Russische marinebasis in de Syrische havenstad Tartoes te redden.

    Maar wat Poetin in de eerste plaats beoogde, was een herstel van de Russische status van grote speler in het Midden-Oosten. Hij wilde de wereld laten zien dat Rusland nog net zo’n grootmacht is als in de goede oude tijd van de Koude Oorlog.

    Anderhalf jaar later is de balans voor Rusland niet zonder meer gunstig. Zeker, het regime van Assad is van de ondergang gered. En Rusland heeft nu niet alleen Tartoes: er is een luchtmachtbasis bij Latakia bijgekomen. Aan de andere kant heeft het Westen zich weinig bereid getoond tot een verlichting van de sancties die Rusland zijn opgelegd vanwege de inval in Oekraïne. Uit de bomaanslag op 4 april in de metro van Sint-Petersburg blijkt dat de dreiging van islamitisch extremisme nog niet is geweken. En ten slotte heeft de verrassende Amerikaanse raketaanval op Syrië een einde gemaakt aan de toenadering tussen Moskou en het Witte Huis van Trump.

    Poetin heeft zeker winst geboekt als het gaat om het imago van Rusland als grootmacht. Anders dan de stuurloze Amerikanen heeft Rusland aangetoond dat het zijn vrienden te hulp schiet zonder vervelende vragen te stellen over mensenrechten en democratie, zelfs niet over het gebruik van chemische wapens.

    Voor de dictators en monarchen van de regio lijkt Moskou een veel geschiktere bondgenoot en begunstiger dan Washington. Toch zijn er weinig tekenen dat zij dit ook werkelijk vinden. 
Ik vermoed dat ze inzien hoezeer Moskous status als grootmacht schijn is.

    Een Russisch konvooi bij Latakia in Syrië. – © Sergei Bobylev / Getty
    Een Russisch konvooi bij Latakia in Syrië. – © Sergei Bobylev / Getty

    Rusland stelt belang in het Midden-Oosten, maar heeft er geen belangen. Echte belangen beginnen met jongens en meisjes in nette pakken met aktetassen vol contracten om dingen te bouwen en te verkopen. Daarna komen pas de generaals, de oorlogsschepen en luchtmachtbases om dat alles te beschermen. Handel en investeringen zijn wat grootmachten als de VS, Europa of China naar een regio als het Midden-Oosten lokt. Militaire betrokkenheid vloeit daaruit voort.

    Poetin heeft het paard achter de wagen gespannen, en hij heeft niet eens een behoorlijk paard. De waarheid is dat Rusland een onderontwikkelde economie heeft, die de wereld weinig meer kan bieden dan wapens, nucleaire technologie, energie en tarwe.

    Deze beperkingen in aanmerking genomen, heeft Rusland het niet slecht gedaan. Als graanexporteur streefde het de VS vorig jaar voor het eerst in decennia voorbij, en is het op dit gebied nu hoofdleverancier van Egypte. Tussen 2006 en 2015 bracht de Russische wapenverkoop aan het Midden-Oosten en Noord-Afrika een kleine 12 miljard euro op, twee keer zoveel als in het decennium ervoor.

    Ja, Rusland heeft ook overeenkomsten gesloten om kerncentrales in Egypte, Jordanië en Iran te bouwen. Russische energiebedrijven zijn actief in Egypte en Irak. Het klopt dat Rusland wapendeals heeft met Egypte en zelfs in de Golfregio een voet tussen de deur heeft gekregen. Maar dat heeft weinig te maken met de kwaliteit van Russisch wapentuig in de Syrische burgeroorlog en veel meer met de westerse aarzeling om wapens te verkopen aan tirannieke regimes. Overigens is de nucleaire deal van Moskou met Egypte economisch niet levensvatbaar. En nu blijkt zelfs dat Egypte geen kernenergie nodig heeft, na de vondst van grote aardgasvelden voor de Egyptische kust. Het is moeilijk voor te stellen dat de machten in het Midden-Oosten de voorkeur zullen geven aan Russische energiebedrijven boven hun technologisch geavanceerdere westerse concurrenten.

    Auteur: David Rosenberg
    Vertaler: Carl Stellweg

    Ha’aretz
    Israël, dagblad, oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • Dossier – Cumhuriyet

    Dossier – Cumhuriyet

    De autoritaire ontsporing van Erdogan.

    Sinds de mislukte staatsgreep in Turkije in juni 2016 en het invoeren van noodtoestand, is het regime van president Erdogan aanzienlijk verhard. In zeven maanden tijd zijn er honderdduizend ambtenaren ontslagen. Door zuiveringen en arrestaties nam de druk op de burgermaatschappij en de media ongekende vormen aan. In dit dossier stelt 360 Magazine samen met licentiepartner Courrier International haar kolommen open voor Cumhuriyet, het laatste grote Turkse oppositiedagblad, waarvan elf medewerkers gevangen zijn gezet. Journalisten van de krant beschrijven de situatie voorafgaand aan het komende referendum van 16 april.

    1. Hoe moeilijk het is om geen ‘pinguïnmedia’ te worden

    2. Het einde van een utopie

    3. Stem nee bij het referendum

    4. De onstuitbare opkomst van de ideeën van Erdogan

    5. Brief uit de Silivri-gevangenis

    6. De apen die we zullen worden

    7. Er komen twee moeilijke jaren

    Beeld: © Getty