Tag: dictators

  • Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Het fascisme uit de jaren dertig veroorzaakte een genocidale oorlog. Inmiddels zijn de herinneringen vervaagd, net als het stigma dat aan extreemrechts kleeft. En dat is gevaarlijk voor de democratie.

    Overal ter wereld sterft de democratie uit. Dit klinkt misschien als paniekzaaierij, en roept op zijn minst een aantal vragen op. Want wat betekent dat eigenlijk? Komen er dan geen verkiezingen meer? Wordt de oppositie als crimineel afgespiegeld? Als dat de maatstaven zijn, is het Rusland van Vladimir Poetin nog altijd een democratie. Er zijn namelijk zes politieke partijen vertegenwoordigd in de Doema, het federale parlement, en er zijn in Rusland meer dan twintig geregistreerde politieke partijen. Maar zoals je waarschijnlijk begrijpt, is Rusland geen democratie: het is een natie die van een autoritair naar een totalitair regime afglijdt. Sinds Stalins tijd werden er niet zo veel Russen om politieke redenen vervolgd.

    Het geloof in de democratie is onmiskenbaar op zijn retour. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een vijfde van de Britten onder de vijfenveertig gelooft dat het land het best kan worden bestuurd door ‘een sterke leider die zich niet druk hoeft te maken over verkiezingen’, terwijl dit onder hun oudere landgenoten 8 procent is. Deze cijfers weerspiegelen wereldwijde trends.

    Uit een onderzoek van Cambridge-onderzoekers in 2020, uitgevoerd in honderdzestig landen, bleek dat jongere generaties steeds minder vertrouwen hebben in de democratie. Daarnaast toonde een analyse van het Pew Research Center aan dat in 2024 bijna twee derde van de burgers in twaalf hoge-inkomenslanden ontevreden was over de democratie, een aanzienlijke stijging ten opzichte van net onder de helft in 2017.

    Economische uitsluiting

    Waar komt dit vandaan? Het Cambridge-onderzoek concludeerde dat economische uitsluiting een belangrijke reden was voor ontevredenheid onder jongeren. We kunnen een wijze les trekken uit het geval van Rusland. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, verklaarde de nieuwe Russische president, Boris Jeltsin, in 1990: ‘We zorgen ervoor dat de levensstandaard van de mensen niet daalt, en in feite moet die op den duur kunnen stijgen.’

    Binnen vier jaar werd het reële inkomen van Russen gehalveerd, en door de schoktherapie-beleidsmaatregelen belandden 32 miljoen Russen in armoede. In 2021 sprak nog slechts 16 procent van de Russen zich uit voor ‘het westerse model van democratie’. De chaos van het vrijemarktkapitalisme werd gepresenteerd als democratie, wat leidde tot een diep gevoel van desillusie – iets waar Poetin handig op inspeelde.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen

    Groot-Brittannië heeft niet geleden onder de verschrikkingen van het Rusland van de jaren negentig. Toch vormde de giftige combinatie van neoliberaal economisch beleid en bezuinigingen een zware last voor de jongeren. Het thatcherisme beloofde vrijheid, maar leverde in plaats daarvan onzekerheid op. Stabiele banen zijn verdwenen, huurprijzen zijn gestegen, lonen gedaald, de jeugdzorg is gedecimeerd en afgestudeerden worden geconfronteerd met torenhoge schulden voor het volgen van een universitaire studie.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen. Het is geen wonder dat democratie steeds meer aan aantrekkingskracht verliest voor hen en voor hun leeftijdsgenoten in andere landen die evengoed lijden onder het neoliberalisme. In Frankrijk bijvoorbeeld zegt bijna een derde van de jongeren het vertrouwen in de democratie te hebben verloren.

    Maar er is nog iets anders aan de hand. Neem de Verenigde Staten. De jaren zestig en zeventig vormden de ideale voedingsbodem voor de opkomst en triomf van een Trump-achtig figuur. De economie zat in een crisis: een giftige mix van hoge inflatie en stagnerende groei. Er vonden agressieve racistische protesten plaats tegen de burgerrechtenbeweging en er waren rellen door heel de VS. Er was ook veel meer criminaliteit en geweld, met een verdubbeling van het aantal moorden tussen het midden van de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig.

    Nadat bijna zestigduizend Amerikaanse soldaten omkwamen in de oorlog in Vietnam, eindigde het conflict in een pijnlijke nederlaag en ontstond het gevoel dat de macht van de VS aan het afbrokkelen was. Het verzet tegen links was veel wijdverspreider, zoals blijkt uit de Hard Hat Riot van 8 mei 1970, toen in New York antioorlogsdemonstranten door honderden bouwvakkers werden belaagd. 

    Een vervaagd verleden

    De persoon die in die tijd het dichtst in de buurt van Trump nu kwam was George Wallace, een racist en aanhanger van segregatie, zij het nog altijd minder grof en leugenachtig dan de huidige gekozen president. Hij haalde 13,5 procent in de presidentsverkiezingen van 1968, en de VS kregen uiteindelijk Richard Nixon als president en daarna Ronald Reagan, een rechtse rakker van een heel ander soort. 

    Toch vertoonden de VS van de jaren zestig en zeventig veel minder ontvankelijkheid voor fascistische sympathieën dan in de jaren dertig. Charles Coughlin, een priester met nazisympathieën, had 30 miljoen luisteraars voor zijn radioshow op een Amerikaanse bevolking van minder dan 130 miljoen. Uit één opiniepeiling leek naar voren te komen dat hij wat populariteit en invloed betreft enkel voor president Franklin D. Roosevelt onderdeed.

    Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd

    Wat is er dan veranderd? De schaduw van het fascisme uit de jaren dertig, dat resulteerde in een genocidale vernietigingsoorlog, verliest aan kracht. Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd. Amerikaanse kiezers uit de jaren zeventig waren misschien diep gedesillusioneerd, maar een Trump zouden ze te veel naar Mussolini vinden neigen, of zelfs een Hitler. Van deze angst is nu geen sprake meer.

    De democratie onder het kapitalisme wordt altijd al sterk ingeperkt door bedrijfsbelangen en plutocraten die veel meer macht hebben dan de gemiddelde kiezer. Wanneer het kapitalisme in een crisis belandt, zoals in 2008, wekken de fundamentele tekortkomingen ervan de woede op van het volk. Het gaat erom wie hiervan profiteert. Extreemrechts heeft een verbijsterend succesvolle sociale mediastrategie ontwikkeld die steeds meer volgelingen radicaliseert, terwijl links lichtjaren achterloopt.

    Mensen hebben alle reden om woedend te zijn, maar hun woede is verkeerd gericht. Het geloof in de democratie brokkelt af als gevolg van een falend economisch systeem, en als er geen overtuigende antwoorden op deze crisis komen, kan dat fataal blijken te zijn.

  • Erfgenaam 
van de dictatuur

    Erfgenaam 
van de dictatuur

    Op 24 januari werd de centrum-rechtse politicus Marcelo Rebelo de Sousa gekozen tot president van Portugal. Pikant, want hij is een kind van de dictatoriale regimes van Salazar (1933-1968) en Caetano (1968-1974).

    Hij is per definitie een erfgenaam: Marcelo Rebelo de Sousa (MRS), zoon van een van de leiders uit het tijdperk-Salazar. Zijn vader had in 1974 op 53-jarige leeftijd het gehele verplichte carrièrepad van de dictatuur doorlopen: Mocidade Portuguesa [de Portugese jeugdbeweging ten tijde van de dictatuur], afgevaardigde, staatssecretaris, koloniaal gouverneur en tot slot minister. De zoon van deze politicus werd, zoals zijn officiële biograaf Vítor Matos schreef in de biografie uit 2012 (en waaruit ik citeer), ‘klaargestoomd voor de politiek’. Aan de biografie werkte MRS zelf mee, en het geschrift staat boordevol kostbare informatie.

    Marcelo is een erfgenaam. Allereerst in de nauwere betekenis van het woord: als de eerstgeboren zoon van een markante vertegenwoordiger van de elite waaruit António de Oliveira Salazar en diens opvolger Marcello Caetano hun staf rekruteerden en die zijn hoge positie uitsluitend te danken had aan een onvoorwaardelijk trouw aan de Chefe. Maar ook in bredere zin is hij een erfgenaam: als product van een klassieke universiteit die, in de definitie van Pierre Bourdieu, ‘de plek bij uitstek [is] waar de privileges en de belangen van de erfgenamen worden bewaakt’.

    Een verhaal

    Zozeer zelfs voelde MRS zich erfgenaam dat hij al op zijn zevenentwintigste aan zijn memoires begon. Het betrof niet zozeer zijn eigen herinneringen als wel die van degenen van wie hij de erfgenaam was. ‘Ik had het salazarisme en het marcelisme van binnenuit meegemaakt en het weekblad Expresso gelanceerd, ik was bij de oprichting van de [rechtse partij] PPD geweest en lid geweest van de Constituinte [de grondwetgevende vergadering van 1975, na het einde van de dictatuur]. Ik had een verhaal te vertellen.’

    Vanaf zijn ‘tiende of twaalfde’ nam zijn vader Baltazar hem mee naar zaterdagse lunches in restaurant A Choupana in São João do Estoril. Daar verzamelde Caetano, die in 1958 uit de regering was gezet, zich met een select gezelschap trouwe aanhangers. De politicus leefde in een soort van ballingschap tot aan het herseninfarct van Salazar in 1968 [toen Caetano de macht greep en aanbleef tot 1974].

    ‘Het gedrag van politici in een dictatuur verschilt niet veel van dat in een democratie: de gebruikelijke vriend- en vijandschappen, hetzelfde verraad en de machtsbelustheid’

    ‘Van die urenlange gesprekken tussen de heren van het regime stak Marcelo het talent op voor paleisintriges (…). Zijn vader liet hem de krochten van het regime zien.’ MRS beschrijft deze ervaring als ‘een leerschool’, en vindt, veelzeggend genoeg, dat ‘het gedrag van politici in een dictatuur niet veel verschilt van dat in een democratie: de gebruikelijke vriend- en vijandschappen, hetzelfde verraad en de machtsbelustheid.’

    Vanaf zijn twintigste zat hij aan bij alle officiële diners van de regering van het koloniale Mozambique, die zijn vader vanaf 1968 leidde. Toen Caetano aan de macht kwam, dineerde hij eenmaal per week met hem.

    Archieffoto van Rebela de Sousa.
    Archieffoto van Rebela de Sousa.

    De jongeman, die het niet aan politieke intelligentie en intuïtie ontbrak, genoot met volle teugen van deze ‘opleiding tot politicus’. Het was zijn droom om in de hiërarchie van het regime omhoog te klimmen: al op het lyceum schijnt hij gezegd hebben dat hij op een dag president zou worden. Op jonge leeftijd maakte hij zich de taal en de thema’s van het nationalistische salazarisme van de jaren zestig eigen: hij bekritiseerde ‘het gebrek aan vaderlandsliefde van diegenen die zich tijdens het carnaval van 1962 zo goed vermaakten’, slechts enkele weken na het verlies van Goa [dat werd terugveroverd door India] en midden in de Angolese oorlog. ‘Het was een affront, regelrecht verraad.’ In 1963 beëindigde hij een opstel met de woorden: ‘Och arme landen, die geen zonen hebben om voor ze te strijden!’ Jaren later bleek dat hij zelf nooit had deelgenomen aan de koloniale oorlogen in Afrika [1961-1975], al had dat nog wel gekund: hij studeerde in 1971 af en voltooide in 1972 een politiek-economische vervolgopleiding.

    Nationalist

    Op de middelbare school werd bij beschouwd als ‘nationalist’ (een term die hem ook een paar jaar geleden nog niet tegenstond), terwijl veel anderen in die tijd actief werden in het scholierenprotest en zich later op de universiteit openlijk tegen de dictatuur keerden. Een keuze die iemand op zijn vijftiende maakt kun je misschien niet serieus nemen, maar een keuze als student wel. Marcelo koos opnieuw voor de salazaristische rechterzijde, die zei de ideologische strijd met het marxisme te willen aanbinden. Tijdens de studentenprotesten van 1969 ‘nam hij deel aan manifestaties ter ondersteuning van de dictatuur’. Bij de verkiezingen van dat jaar, het moment waarop veel van zijn generatiegenoten politiek bewust werden, was hij 21 jaar en steunde hij opnieuw de partij die aan de macht was.

    ‘Niemand kan zich herinneren dat Marcelo zich ooit heeft uitgesproken tegen de koloniale oorlog’, schrijft Vítor Matos. Toegegeven, dat is ook weinig verwonderlijk als je vader minister van Koloniale Zaken is. Veel bedenkelijker is de stelling van Leonor Beleza [parlementslid voor de centrum-rechtse PSD], destijds zijn medestudente en net als hij kind van een staatssecretaris tijdens de dictatuur. Zij verklaarde onlangs dat het ‘in die tijd makkelijk was aan de ene of aan de andere kant te staan. Het was veel lastiger om een middenpositie in te nemen.’ Je vraagt je af hoe moeilijk de gevangengezette, gemartelde en naar Afrika gestuurde studenten die zich wel durfden te verzetten het gehad hebben. Beleza is kort van geheugen…

    De nieuwe president van Portugal, Marcelo Rebelo de Sousa op weg naar zijn achterban. – © HH
    De nieuwe president van Portugal, Marcelo Rebelo de Sousa op weg naar zijn achterban. – © HH

    In 1970 infiltreerde Marcelo, samen met Beleza en Jorge Braga de Macedo [tegenwoordig eveneens parlementslid voor de PSD] bij de leiders van de onderwijsstaking aan de universiteit. Vervolgens speelde hij de nieuwe minister Veiga Simão informatie door over ‘studentenbewegingen’. Simão zou hem overigens later zijn eerste baan bezorgen, op het ministerie van Onderwijs onder Adelino da Palma Carlos, een andere zoon van een staatssecretaris. Ook probeerde hij hem later herhaaldelijk lid te maken van Opus Dei.

    Marcelo uitte publiekelijk zijn scepsis over de levensvatbaarheid van de onderwijshervormingen die Simão wilde doorvoeren: ‘Een werkelijke democratisering van het onderwijs (…) lijkt mij onmogelijk binnen een autoritair en antidemocratisch systeem’, schreef hij in 1971. Daarop eiste Caetano van Veiga Simão dat die de jongeman zou ontslaan. Maar het liep anders: de jonge jurist betoonde zich kampioen draaien en spoedde zich naar Caetano om hem om vergeving te vragen.

    ‘Hij is de zoon van God en van de duivel in één: God gaf hem zijn intelligentie, de duivel zijn doortraptheid’

    In 1973, toen hij al bij het weekblad Expresso werkte, verontschuldigde hij zich bij Caetano voor zijn ‘onstuimige’ jonge aard en garandeerde hem dat hij ‘er altijd van overtuigd was geweest’ dat ‘mijn principes geheel in lijn zijn met die van Uwe Excellentie’. Hij loofde de kwaliteiten van de dictator als regeringsleider en beloofde hem ‘af te zien van alles wat als een nadrukkelijke politieke stellingname kan worden opgevat’. Herhaaldelijk deed zijn moeder, die van hem verwachtte dat hij zich als een waardige erfgenaam zou gedragen, een goed woordje voor hem bij Caetano. In januari 1974 schreef Artur Portela Filho over hem: ‘Hij was het wonderkind van het regime (…) Hij was perfect geschikt, zeer evenwichtig en voorbestemd voor de macht.’

    Hij was de erfgenaam van een invloedrijke politieke hiërarchie, en daarom stonden hij en zijn familie in de gunst van de allerhoogste bourgeoisie. ‘Marcelo begint te merken hoe mensen met bezit leven.’ En dat beviel hem wel. Ook vandaag nog bevalt het hem, al speelt hij de rol van een christen met hart voor de armen. ‘Zijn hele leven zegt hij: “Je kunt maar beter rijk zijn en bevriend zijn met de rijken.”’ Vreemd is het dan wel hoe hij in 1999, in de fotobiografie van zijn vader, zou schrijven dat ‘de leden van de regering in de jaren vijftig zich verre moesten houden van het leven van de rijken. Beter konden ze in de familiekring blijven en het contact vermijden met deze perverse wereld, die hen alleen maar afleidde van het algemeen belang.’ Vreemd, omdat het niet waar was.

    Windvaan

    We weten inmiddels waarom zelfs zijn geloofsgenoten hem bestempelen als een windvaan, of spreken over ‘het gemak waarmee hij de realiteit weet te verdraaien’ (Expresso). We weten hoe hij tientallen mensen steunde, verraadde en het vervolgens weer met ze goedmaakte. ‘Een oude Raspoetin,’ werd hij genoemd door Paulo Portas [een bekende rechtse figuur]. ‘Hij is de zoon van God en van de duivel in één: God gaf hem zijn intelligentie, de duivel zijn doortraptheid.’

    Boven alles voel je in Marcelo Rebelo de Sousa een tomeloze ambitie, die soms een deuk oploopt door foute politieke inschattingen. Denk aan de mislukte allianties die hij smeedde, of de drie jaar dat hij aan het hoofd stond van de PSD, jaren waarin hij vooral liet zien dat hij zelfs in de rustigste politieke tijden problemen wist te veroorzaken.

    Al sinds 1973 vertelt hij – in Expresso, in andere tijdschriften en op verschillende televisiezenders – als politiek commentator naar hartelust over Portugal, en hoe hij het land zou leiden als hij het voor het zeggen had. Die tijd is nu aangebroken. Want de erfgenaam is nu president geworden.

    Auteur: Manuel Loff
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    De auteur is als historicus verbonden aan de Universiteit van Porto en gespecialiseerd in de dictatoriale regimes van de twintigste eeuw.

    Público
    Portugal | dagblad | oplage 21.500
    In Portugal geroemd om zijn originaliteit en moderniteit, laat zich inspireren door de grote Europese kranten. Heeft ook een aparte versie voor jongere lezers: P3, in samenwerking met de Universiteit van Porto.