Tag: dieren

  • VK: dierenorganisatie ontdekt in een huis ruim 250 totaal verwaarloosde honden

    VK: dierenorganisatie ontdekt in een huis ruim 250 totaal verwaarloosde honden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran: ondanks bestand ligt verkeer in de Straat van Hormuz nog helemaal stil

    » Meta lanceert zijn nieuwe AI-model Muse Spark

    Een poedelfokprogramma was volledig uit de hand gelopen

    In het Verenigd Koninkrijk zijn meer dan 250 honden in een woning aangetroffen in een dermate belabberde toestand dat de RSPCA (Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals) zich genoodzaakt zag beschuldigingen te weerspreken dat de beelden door kunstmatige intelligentie waren vervalst. Dat schrijft The Guardian.

    De dierenwelzijnsorganisatie meldde dat ze 87 honden uit de woning, die zich bevond op een onbekende locatie in het Verenigd Koninkrijk, had opgevangen. De overige honden werden naar Dogs Trust, een andere dierenwelzijnsorganisatie, gebracht. Nadat de RSPCA online foto’s van de woning en de dieren had geplaatst, beschuldigden mensen de organisatie ervan de foto’s met AI-tools te hebben gemaakt.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De RSPCA stelde echter dat de beelden echt waren en dat het aantal meldingen van de verwaarlozing van meerdere dieren tegelijk in Engeland en Wales sinds 2021 met 70 procent was gestegen. De eigenaren van de woning vertelden de inspecteurs van de RSPCA dat ze de controle over de fokkerij van de poedel-kruisingen waren kwijtgeraakt en dat de situatie snel ‘uit de hand was gelopen’.

    ‘We begrijpen dat mensen zo geschokt zijn dat ze niet geloven wat ze zien. Maar deze foto is niet door AI gemaakt, hij is echt. Dit is de onthutsende realiteit van wat er kan gebeuren als zelfs goedbedoelende eigenaren de controle verliezen – overfok kan de overhand nemen en de situatie kan volledig uit de hand lopen,’ aldus Jo Hirst, een hoofdopzichter van de RSPCA.

  • Deze Weense begraafplaats is een hotspot voor biodiversiteit

    Deze Weense begraafplaats is een hotspot voor biodiversiteit

    Terwijl de stad steeds minder ruimte laat voor natuur, vinden honderden dier- en plantensoorten hun toevlucht op de op één na grootste begraafplaats van Wenen.

    Enkelen van de groten der aarde liggen hier: Beethoven, Schubert, Brahms. Net als Hedy Lamarr, de pin-up uit Hollywood die uitvinder werd, en het Australische rockicoon Falco. Dit is hun laatste rustplaats.

    Toch ziet wie in de vroege ochtenduren stilletjes over de Zentralfriedhof loopt, de Algemene Begraafplaats van Wenen, misschien iets bewegen tussen de verweerde grafstenen. Geen geesten, maar springlevende Europese hamsters met bolle wangetjes. 

    Deze aandoenlijke zoogdiertjes wonen in het Park der Ruhe und Kraf, een speciale afdeling aan de noordkant van de begraafplaats. Smalle paadjes op de grond verraden waar ze zich de laatste tijd hebben voortbewogen. Waar ze eerst nog als een plaag werden beschouwd, zijn de hamsters nu een ernstig bedreigde diersoort in Europa. Door urbanisatie en grootschalige landbouw is hun habitat de afgelopen decennia gedecimeerd en als hun aantal blijft afnemen, zullen de hamsters volgens de Rode Lijst van de IUCN in 2050 zijn uitgestorven. Voorlopig klampen ze zich hier, op de op een na grootste begraafplaats van Europa, nog vast aan het leven. Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, dit is een ideale plek voor de diertjes. De hoveniers passen wel op dat ze hun holen niet verstoren en bezoekers laten graag allerlei lekkers voor ze achter. ’s Winters, als hun natuurlijke voedselvoorraad slinkt, pikken de hamsters kaarsen van de graven en doen zich tegoed aan de olierijke was.

    Toevluchtsoord

    Stedelijke begraafplaatsen worden vaak over het hoofd gezien als centra voor biodiversiteit, hoewel ze voor het behoud van soorten net zo waardevol zijn als stadsparken. Een biodiversiteitsonderzoek uit 2019 toonde aan dat begraafplaatsen wereldwijd zo’n 140 beschermde soorten herbergden, van orchideeën op Turkse begraafplaatsen tot de steeds schaarser wordende steppevegetatie op grafheuvels in Eurazië.

    Als plekken van rust, met een grote culturele en spirituele betekenis voor velen, zijn begraafplaatsen grotendeels de verstedelijking bespaard gebleven die zich de afgelopen eeuwen in de omringende steden heeft voltrokken. Daardoor vormen ze een toevluchtsoord voor lokale fauna en kunnen ze dienen als ‘stapsteenhabitats’ – kleine stukjes natuur die dieren gebruiken om zich te verplaatsen tussen grotere natuurgebieden. Deze zijn vooral van belang in steden, waar groene ruimte afneemt en leefgebieden steeds verder versnipperd raken.

    De wilde bewoners van de enorme Algemene Begraafplaats van Wenen, die 2,4 vierkante kilometer beslaat, vallen onder de supervisie van Thomas Filek, plaatselijk onderzoeker aan de Universiteit van Natuurlijke Hulpbronnen en Levenswetenschappen. Terwijl hij over de weide loopt die nu het thuis is van de Europese hamsters, wijst hij hun kleine holen aan in het hoge gras. ‘We hebben met de hoveniers afgesproken dat ze de biodiversiteit maximaal beschermen, en dat betekent dat ze niet overal maaien,’ zegt Filek. ‘Het is belangrijk om in cycli te denken: het begint bij planten, die insecten aantrekken, die vogels aantrekken enzovoort.’

    247 Horizon Wenen knaagdier
    © Getty Images

    Filek brengt sinds 2021 met behulp van vrijwilligers de plaatselijke biodiversiteit in kaart als onderdeel van een groter project dat ‘Biodiversität am Friedhof’ (Biodiversiteit op de Begraafplaats) is gedoopt en ook andere begraafplaatsen in Oostenrijk omvat. Het project, met als basis Fileks universiteit in Wenen, ontvangt jaarlijks meer dan drieduizend waarnemingsmeldingen van burgerwetenschappers uit verschillende begraafplaatsen.

    Naast hamsters wonen op de Algemene Begraafplaats van Wenen ook andere bedreigde diersoorten die worden beschermd door de Habitatrichtlijn van de EU, zoals de Europese groene pad, de alpenboktor en de Europese grondeekhoorn. Ook de hop, die veel voorkomt in Europa maar plaatselijk bedreigd is, heeft zich hier gevestigd. In totaal hebben Filek en zijn vrijwilligers sinds het begin van het project in 2021 meer dan 240 verschillende dier- en plantensoorten geteld.

    Bij biodiversiteitsonderzoek op begraafplaatsen wordt vaak gefocust op specifieke soorten of bepaalde secties van een begraafplaats. Dat maakt landelijke vergelijkingen moeilijk. Een wetenschappelijk project waarbij vrijwilligers worden ingezet heeft zo zijn eigen blinde vlekken, erkent Filek. ‘Mensen hebben vaak meer oog voor dieren die groot zijn en rondvliegen en minder voor het kleinere spul.’ Om dit te compenseren werken ze samen met studenten die voor hun scriptie onderzoek doen naar onderbelichte soorten – zoals de piepkleine beestjes die dood hout koloniseren.

    Geliefd

    De begraafplaats was al lang voordat Filek zijn project begon beroemd om haar fauna en is geliefd bij vogelaars, natuurfotografen en natuurliefhebbers in het algemeen. Op deze winderige lentedag klinkt overal vogelgezang en zitten twee speelse eekhoorns elkaar achterna over de graven en een nabijgelegen boom in. Wanneer Filek een paar houten planken optilt die na een begrafenis met opzet in het gras zijn gestapeld, onthult hij een microkosmos van kleine insecten, kevers en slakken. Geen herten, vossen of hazen vandaag, die blijven liever op zichzelf en trekken zich overdag meestal terug in de rustigere delen van de begraafplaats.

    Begraafplaatsen zijn ‘een mozaïek van verschillende habitats’, zegt Ingol Kowarik, stadsecoloog en emeritus hoogleraar aan de Technische Universität Berlin, die in 2016 op de Joodse begraafplaats aan de Berlijnse Weißensee leiding gaf aan een van de eerste uitgebreide onderzoeken naar biodiversiteit op een begraafplaats. ‘Dit betekent dat soorten uit bossen, hagen, grasland en zelfs velden daar een vervangende habitat kunnen vinden.’ Door mensenhanden gemaakte elementen als mausoleums, grafstenen en muren komen van pas voor dieren die in het wild grotten, rotsen en kliffen zouden koloniseren. 

    Maar zulke elementen kunnen dieren ook in verwarring brengen: onderzoek naar een Hongaarse begraafplaats uit 2007 wees uit dat zwarte grafstenen libellen aantrekken doordat hun spiegelende oppervlak op water lijkt. Slecht aangelegde of onderhouden begraafplaatsen kunnen bovendien leiden tot vervuiling van bodem en grondwater, vooral in landen waar balseming en rieten kisten gebruikelijk zijn. Crematie veroorzaakt luchtvervuiling.

    ‘Het is maar weinigen van ons gegeven de orang-oetans in Borneo te gaan bekijken’

    Op de Weense Zentralfriedhof is een weide bij het hoofdkwartier van de hamsters gereserveerd voor natuurbegrafenissen. Ze grenst aan rijen traditionelere graven, bedekt met stenen platen, sierbloemen en die smakelijke kaarsjes. In de buurt bevinden zich weelderige stukken bos die veelvuldig door herten worden bezocht en waar laatste rustplaatsen worden gemarkeerd door torenhoge bomen. ‘Het is als een echo uit het verleden,’ zegt Kowarik, verwijzend naar de manier waarop begraafplaatsen in het algemeen wilde dieren en habitats kunnen beschermen terwijl de omliggende steden zich steeds verder uitbreiden.

    Toen hij net zijn diploma als biologieleraar op zak had, besloot Filek het stadswildleven eens van dichterbij te bekijken. ‘Het is maar weinigen van ons gegeven de orang-oetans in Borneo te gaan bekijken,’ zegt hij. ‘Ik wilde mijn studenten laten zien wat hier mogelijk is.’

    Aanvankelijk kostte het Filek veel moeite om informatie te verkrijgen over de soorten die op de Algemene Begraafplaats aanwezig waren. Dat veranderde na een gesprek met Florian Ivanič, een hovenier die er al sinds 1982 werkt. Dankzij inspanningen van Ivanič kon in 2011 10 hectare (0,04 km²) ongebruikt terrein op de begraafplaats worden omgevormd tot een natuurtuin, waar planten en dieren zo veel mogelijk hun gang kunnen gaan en rotspartijen, vijvers en stapels dood hout extra microhabitats bieden.

    Exclusief

    ‘Het was belangrijk voor mij dat er ook iets exclusief voor de dieren is,’ zegt Ivanič. ‘Een park aanleggen is eenvoudig – een landschapsarchitect maakt een plan en vervolgens maai je het. Maar alleen parken zijn niet genoeg, we moeten ook iets aan de natuur overlaten.’

    Filek was meteen onder de indruk van Ivanič’ kennis. ‘Hij kent de begraafplaats als zijn broekzak en hecht er enorm veel waarde aan,’ zegt Filek. ‘Toen ik hem vertelde over mijn idee voor een project dat begraafplaatsen toont als hotspots van biodiversiteit, was hij enthousiast.’

    Naast de natuurtuin zette Filek samen met het personeel van de Algemene Begraafplaats ook andere initiatieven op om de biodiversiteit te bevorderen, zoals nestkasten en voederhuisjes voor vogels, en speciale plekken voor dood hout en rotspartijen. Elders laat men stukken gras hoog opgroeien en zaad schieten. ‘Zulke maatregelen kunnen door elke begraafplaats worden getroffen,’ zegt Filek. ‘Achter de graven kun je ruimte creëren voor de natuur.’

    Hier en daar staan op de begraafplaats informatieborden die het belang uitleggen van de verschillende maatregelen en habitats, met foto’s van de dieren die deze bezoeken. De begraafplaats verzorgt ook rondleidingen langs de favoriete verblijfplaatsen van de hamsters. ‘Mensen beginnen te beseffen dat we hier met iets bijzonders te maken hebben,’ zegt Filek. ‘Dat leidt tot een gezamenlijke inzet van personeel, vrijwilligers en onderzoekers, die zich allemaal verbonden voelen met het behoud van deze plek.’

    247 Horizon Wenen Haas
    © Getty Images

    En de inspanningen beginnen vrucht af te werpen. Sinds de start van het biodiversiteitsproject zijn er nieuwe soorten op de begraafplaats waargenomen, zoals de plaatselijk bedreigde hop. De open weiden en oude bomen bieden deze vogels hun favoriete habitat, legt Filek uit. ‘Toevallig, waarschijnlijk ook door veranderingen in de omgeving, is hier een broedend paar terechtgekomen.’ Nu worden er regelmatig vijf paren gesignaleerd en medewerkers van de begraafplaats hebben nestkasten geïnstalleerd om er nog meer te lokken. Kortgeleden kreeg Filek het bericht dat er voor het eerst een Europese grondeekhoorn op de begraafplaats was waargenomen, een wereldwijd bedreigde soort die door de Oostenrijkse wet wordt beschermd.

    Wanneer er een nieuw graf wordt gedolven, wint de begraafplaats advies in bij Filek om de kans op verstoring van de flora en fauna te beperken. Zo zijn er in de buurt van hamsterhollen alleen natuurbegrafenissen toegestaan, en alleen op plekken waar de hamsters er geen hinder van ondervinden.

    Maar biodiversiteitsinspanningen moeten worden afgewogen tegen de verwachtingen van bezoekers van een goed onderhouden begraafplaats. ‘Sommige mensen willen een meer verzorgde begraafplaats, en die wens moet je heel serieus nemen,’ zegt Kowarik. ‘Daar is helemaal niets mis mee, want intensief verzorgde gebieden maken ook deel uit van dit habitatmozaïek. Het geheim van biodiversiteit op begraafplaatsen is dat er veel verschillende mogelijkheden zijn.’

    Dilemma

    Iets anders is dat sommige begraafplaatsen als bedrijf worden gerund, wat voor dilemma’s kan zorgen. Berlijnse begraafplaatsen, die vaak in handen zijn van religieuze gemeenschappen of particuliere verenigingen, verkeren regelmatig in financiële moeilijkheden doordat mensen de voorkeur geven aan een urn boven een doodskist en dus minder geld uitgeven aan een graf, vertelt Kowarik. En particuliere begraafplaatsen ontvangen geen subsidie van de stad voor het onderhouden van hun groenvoorzieningen, zodat ze hun ongebruikte terrein soms verkopen aan projectontwikkelaars. ‘We hebben meer groen in steden nodig, niet minder. Met behulp van overheidssubsidies kan de cruciale ecologische en sociale functie van de begraafplaats behouden blijven,’ betoogt Kowarik.

    Op de Algemene Begraafplaats van Wenen is het creëren van ruimte voor natuur nog altijd een prioriteit. ‘Voor ons is een begraafplaats meer dan alleen maar een plek om mensen te begraven en te gedenken, het is ook een toevluchtsoord voor zowel mensen als dieren en planten,’ zegt Lisa Pernkopf, woordvoerder van Friedhöfe Wien GmbH, het overkoepelend orgaan van Weense openbare begraafplaatsen. ‘Wij realiseren ons hoe belangrijk onze groenvoorzieningen zijn, vooral met het oog op het klimaat en de biodiversiteit in de stad.’

    Filek hoopt dat delen van de begraafplaats uiteindelijk onder de natuurbeschermingswetten zullen vallen. Hij heeft dit idee al met stadsbestuurders besproken. ‘We hebben alle data verzameld,’ zegt hij. ‘We weten wat we in handen hebben. Nu moeten we het beschermen, en zorgen dat het beschermd blijft.’

  • AI maakt het mogelijk om dierentalen te leren verstaan

    AI maakt het mogelijk om dierentalen te leren verstaan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: kind geboren uit een hersendode vrouw wegens abortusverbod in Georgia

    » Iran opent klopjacht op potentiële spionnen na Israëlische aanvallen

    Er zijn al programma’s die taal van potvissen kunnen ontrafelen

    De komst van AI heeft de interpretatie van dierentalen een flinke impuls gegeven. Grote taalmodellen kunnen miljoenen opgenomen dierengeluiden doorzoeken om de verborgen grammatica te ontdekken, schrijft The Guardian. De meeste projecten richten zich op walvisachtigen, omdat zij net als wij leren door middel van vocale imitatie en communiceren via complexe geluidscombinaties die een structuur en hiërarchie lijken te hebben.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Potvissen communiceren in coda’s. Dat zijn snelle reeksen klikken die elk slechts een duizendste van een seconde lang zijn. Project Ceti gebruikt AI om coda’s te analyseren en zo de mysteries van de taal van potvissen te ontrafelen. Er zijn aanwijzingen dat de dieren om de beurt spreken, specifieke klikken gebruiken om naar elkaar te verwijzen en zelfs verschillende dialecten hebben. Ceti heeft al een klik ontdekt die mogelijk een vorm van interpunctie is en hoopt in 2026 walvissentaal te kunnen spreken.

    In mei bracht Google DolphinGemma uit, een AI-programma om dolfijnen te vertalen, getraind met veertig jaar aan data. In 2013 identificeerden wetenschappers met behulp van een AI-algoritme een nieuwe klik in de interacties van de dieren met elkaar. Ze herkenden de klik als het geluid dat ze de dolfijnen hadden aangeleerd als de klank voor ‘sargassumzeewier’ – het eerste vastgelegde geval van een woord dat van de ene soort naar het vocabulaire van een andere soort is overgegaan.

  • Twee bedreigde slakkensoorten opnieuw uitgezet in hun habitat op Madeira

    Twee bedreigde slakkensoorten opnieuw uitgezet in hun habitat op Madeira

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oekraïne en Rusland wisselen opnieuw gevangenen uit

    » Azerbeidzjan: ‘Poetin moet aansprakelijkheid voor vliegtuigcrash erkennen’

    Lange tijd werd gedacht dat ze voorgoed waren verdwenen

    Zo’n dertienhonderd slakken van twee bedreigde soorten zijn opnieuw uitgezet op de Portugese archipel Madeira, hun oorspronkelijke leefgebied. Om de twee inheemse slakkensoorten terug te brengen naar de Ilhas Desertas [Verlaten Eilanden] – die onderdeel zijn van de Portugese Madeira-archipel – waren de gecombineerde inspanningen van drie dierentuinen en drie Europese landen nodig.

    Wetenschappers hebben lang gedacht dat deze kleine weekdieren, ongeveer zo groot als een erwt, voorgoed verdwenen waren en ten prooi waren gevallen aan erosie, muizen en droogte. Tijdens een reeks expedities tussen 2012 en 2017 herontdekten experts van Madeira’s Instituut voor Natuurbehoud en Bossen (ICNF) echter ‘minuscule populaties van twee slakkensoorten, elk bestaande uit minder dan tweehonderd overlevenden’, meldt The Guardian.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Er werd toen een reddingsproject opgezet en de weekdieren werden naar de dierentuin van Beauval in Frankrijk en naar de dierentuinen van Bristol en Chester in het Verenigd Koninkrijk gestuurd, waar natuurbeschermingsteams ‘een nieuw thuis voor ze bouwden in mini-aquaria, als onderdeel van een kweekprogramma om hun aantal snel te vermeerderen’, legt het Britse dagblad uit.

    Elk van de opnieuw uitgezette slakken is individueel gemerkt zodat ze kunnen worden gevolgd en gemonitord. Als het programma succesvol is, zullen er nog veel meer slakken bijkomen. Dinarte Teixeira, bioloog bij de ICNF, is optimistisch. ‘Deze slakken zijn ongelooflijk kostbaar. De Ilhas Desertas zijn de enige plek ter wereld waar ze voorkomen en we doen er alles aan om hun toekomst veilig te stellen,’ zegt ze. ‘Honderd jaar lang dachten we dat ze voor altijd verdwenen waren, maar nu is er weer hoop.’

  • De egel is nu bijna met uitsterven bedreigd

    De egel is nu bijna met uitsterven bedreigd

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran executeert Iraans-Duitse dissident Jamshid Sharmahd

    » Pentagon: Noord-Korea heeft 10.000 soldaten naar Rusland gestuurd

    De egelpopulatie is in het VK met 75 procent afgenomen

    In West-Europa neemt de populatie egels af: ze worden door stadsuitbreiding uit hun leefgebied verdreven, op wegen neergemaaid door auto‘s en worden het slachtoffer van pesticiden en de achteruitgang van insecten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Erinaceus europaeus is van de categorie ’niet bedreigd‘ naar ’bijna met uitsterven bedreigd‘ gegaan. Dit blijkt uit de bijgewerkte Rode Lijst van de International Union for Conservation of Nature (IUCN), die maandag werd gepubliceerd in Cali tijdens de COP16 over biodiversiteit.

    De populatie is afgenomen in meer dan de helft van de landen waar de soort voorkomt. Het gaat voornamelijk om de volgende landen: het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, België en Duitsland. In 2022 onthulde een onderzoek volgens The Daily Telegraph dat de egelpopulaties in het Verenigd Koninkrijk sinds 2000 met 75 procent waren afgenomen.

  • Onderzoek: verkeerslawaai belemmert groei van babyvogels

    Onderzoek: verkeerslawaai belemmert groei van babyvogels

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Amerikaanse troepen beginnen met bouw van hulppier in Gaza

    » Meer dan 150 doden door extreme regenval Tanzania

    Geluidsoverlast door verkeer heeft invloed op gezondheid, groei en voortplanting

    Uit onderzoek is gebleken dat geluidsoverlast door verkeer de groei van babyvogels belemmert, zelfs als ze nog in het ei zitten. Dat meldt The Guardian. Pasgeboren vogels en jongen die worden blootgesteld aan lawaai van stadsverkeer ervaren op de lange termijn negatieve effecten op hun gezondheid, groei en voortplanting, zo blijkt uit de studie.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Geluid heeft een veel sterkere en directere impact op de ontwikkeling van vogels dan we voorheen wisten’, zegt dr. Mylene Mariette, expert op het gebied van vogelcommunicatie aan de Deakin University in Australië en co-auteur van de studie, gepubliceerd in het tijdschrift Science. ‘Het zou verstandig zijn om meer te werken aan het terugdringen van de geluidsoverlast.’

    Uit een groeiend aantal onderzoeken blijkt dat geluidsoverlast vogels stress bezorgt en de communicatie voor hen bemoeilijkt. Maar of vogels al op jonge leeftijd last hebben van lawaai en hoe lawaai hun omgeving en ouderlijke zorg verstoort, was nog onduidelijk. Zo ontdekten de onderzoekers dat zebravinken 20 procent minder kans hebben om uit eieren te komen als ze worden blootgesteld aan geluidsoverlast.

  • Onderzoek: hommels kunnen tot een week onder water overleven

    Onderzoek: hommels kunnen tot een week onder water overleven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Trump-proces: twaalf juryleden zijn geselecteerd

    » Netflix stopt vanaf 2025 met rapporteren abonneeaantallen

    Het fenomeen zou hommels helpen overstromingen in het wild te overleven

    Hommels voelen zich misschien thuis in de stad en op het platteland, maar nu hebben onderzoekers tenminste één soort gevonden die zich nog beter kan aanpassen: ze kunnen onder water overleven. Zo meldt The Guardian dat wetenschappers hebben ontdekt dat koninginnen van de oosterse gewone hommel, een wijdverspreide soort in het oosten van Noord-Amerika, tijdens hun winterslaap tot een week onder water kunnen blijven.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Omdat bekend is dat hommelkoninginnen zich in de grond ingraven om te overwinteren, zeggen de onderzoekers dat dit fenomeen hen zou kunnen helpen overstromingen in het wild te overleven. De onderzoekers zeggen dat de bevindingen uitzonderlijk zijn omdat de meeste insecten die als volwassen dieren overwinteren – waaronder veel loopkevers – niet onder water kunnen blijven en riviervlaktes moeten verlaten om te overleven.

    De volgende prioriteit van het onderzoeksteam is om te onderzoeken of de resultaten ook gelden voor andere soorten hommels.

  • Om de biodiversiteit te beschermen hebben we een Antarctische dierentuin nodig

    Om de biodiversiteit te beschermen hebben we een Antarctische dierentuin nodig

    De zachte koralen, zeespinnen en andere fauna die zich hebben aangepast aan ijskoude temperaturen, lopen het risico uit te sterven als het zeewater verder opwarmt. Tijd om een Antarctische dierentuin op te zetten om het ecosysteem te behouden, aldus bioloog Lloyd Peck.

    Stel je een Antarctische dierentuin voor. Getooid met winterjassen, mutsen en handschoenen betreden bezoekers het van airconditioning voorziene vogelhuis en worden getrakteerd op het schorre geschreeuw van keizerspinguïns. Op rotswanden in de buurt van zee-ijs zijn adeliepinguïns op een komische manier steentjes aan het verzamelen terwijl sneeuwstormvogels over ze heen vliegen. Op de afdeling zeezoogdieren gaan Weddellzeehonden, gevlekte blubberige wezens, langzaam kopje onder in kristalhelder water. Een dreumes in skioverall drukt haar handjes tegen het dikke glas, een paar onzichtbare centimeters verwijderd van het Zuidpoolgebied.

    Deze schepsels behoren tot zo’n andere wereld dat je als bezoeker wordt gedwongen je kijk op het leven te herzien

    Ook al zijn pinguïns en zeehonden hier de grootste dieren, het zijn de bewoners van de zeebodem, de benthische fauna, die de meeste indruk maken. Deze schepsels behoren tot zo’n andere wereld dat je als bezoeker wordt gedwongen je kijk op het leven te herzien. Er zijn zeeanemonen zo groot als een emmer, twaalfarmige zeesterren die zo groot worden als deksels van vuilnisbakken en zogeheten zeespinnen – geen familie van de op aarde levende spinachtigen – met lichamen zo klein dat hun voortplantingsorganen en spijsverteringskanaal tot in hun poten reiken. En dan zijn er de vissen, waaronder zestien soorten Antarctische ‘ijsvissen’ die in water van 2 graden onder nul leven en hun organen ijsvrij houden door hun lichaam vol antivriesproteïnen te pompen.

    Als bezoekers de hoofdzaal van deze gekoelde dierentuin verlaten, lopen ze onder een replica door van het skelet van een spitssnuitdolfijn, een soort waarmee de mens voor het eerst kennismaakte toen er in 1846 een schedel van aanspoelde op de kust van Nieuw-Zeeland. Er is hier geen ruimte voor zulke omvangrijke walvisachtigen, maar deze replica licht een tipje op van de sluier van de Zuidelijke Oceaan, die zo onmetelijk en zo weinig verkend is dat scholen van tien meter lange zoogdieren zich er moeiteloos kunnen schuilhouden.

    Wonderen 

    Helaas, zo’n centrum vol Antarctische wonderen bestaat niet. Het is een visioen van Lloyd Peck, een Britse bioloog bij de British Antarctic Survey die al drie decennia onderzoek doet naar het leven in Antarctica en de omringende Zuidelijke Oceaan. Nu delen van het continent snel opwarmen, ziet hij dat dat leven er in gevaar verkeert. Dieren die voor het broeden afhankelijk zijn van zee-ijs, zoals keizers- en adeliepinguïns en Weddellzeehonden, trekken zich terug in zuidelijke richting, het geleidelijk verdwijnende ijs achterna. De tere zachte koralen, zeespinnen en andere benthische fauna die zich hebben aangepast aan ijskoude temperaturen, lopen het risico uit te sterven als het warmere water grotere metabolische eisen stelt.

    Door Pecks ogen bekeken lijkt het visioen van een Antarctische dierentuin geen luchtkasteel maar pure noodzaak

    Door Pecks ogen bekeken lijkt het visioen van een Antarctische dierentuin geen luchtkasteel maar pure noodzaak. Maar hoewel milieuorganisaties en overheidsinstellingen geld besteden aan het beschermen van enkele charismatische soorten, blijft de dreigende ineenstorting van een uniek ecosysteem grotendeels buiten beeld. Een dierentuin kan een kwakkelend ecosysteem in leven helpen houden en, als de menselijke CO2-emissies een halt wordt toegeroepen, bijdragen aan het herstel van Antarctica. ‘We hebben zaadbanken voor de landbouw en we hebben elders dierentuinen om de afnemende biodiversiteit op peil te houden,’ zegt Peck. ‘Maar voor Antarctica ontbreekt zoiets.’

    Antarctisch dier

    Pas halverwege de negentiende eeuw beschreven wetenschappers voor het eerst een Antarctisch dier. Een van de eerste was een vlokreeft, een lid van een schaaldierenfamilie waartoe ook de strandvlooien ter grootte van een tic tac behoren die op het strand onder je voeten uiteenstuiven. Maar deze, de Glyptonotus antarcticus, wordt zo groot als je hand, een gigantisme dat je vaak aantreft bij schepsels op dit continent. Hun uitzonderlijke formaat is vermoedelijk het gevolg van het hogere zuurstofniveau van koud water, waardoor dieren meer metabolische brandstof krijgen om te groeien.

    ANP 348812670
    Reuze Antarctische zeespin (Decolopoda australis). Deze spin wordt tot wel 30 cm in diameter groot en heeft tussen de tien en twaalf poten. – © ANP

    Aan de manier waarop het continent is ontstaan dankt Antarctica zijn kustlijnen met een heel divers leven. Nadat de circumpolaire stroom het continent zo’n dertig miljoen jaar geleden had losgemaakt van Zuid-Amerika, vormde deze snelle en krachtige stroom in de Zuidelijke Oceaan een barrière voor vrijwel alle zeedieren, behalve de allersterkste. De circumpolaire stroom scheidde Antarctica ook van het warmere water van naburige oceanen, wat tot een geleidelijke afname van de temperatuur leidde. Zeventig miljoen jaar geleden bereikte de oppervlaktetemperatuur van de Zuidelijke Oceaan een tropische 21 graden; nu komt ze zelden boven de 1 graad uit.

    Er leven naar schatting zo’n twintigduizend soorten in het diepe water dat het Antarctische continent omringt

    Afkoeling was de algemene trend. Maar terwijl de aarde om haar as schommelde, waren er ook periodes van opwarming. Naargelang koude en gematigdere temperaturen elkaar afwisselden, werden zeebodems door zee-ijs en gletsjers bedekt en weer blootgelegd. Dit regelmatige sluiten en openen van habitats, zo stelt één theorie, werkte als een ‘biodiversiteitspomp’ die de benthische fauna creëerde die in beschutte hoekjes kan uitgroeien tot een onderwaterregenwoud van sponzen, zachte koralen en reusachtige zeeanemonen.

    Er leven naar schatting zo’n twintigduizend soorten in het diepe water dat het Antarctische continent omringt, een mate van diversiteit die vergelijkbaar is met andere mariene omgevingen, tropische koraalriffen uitgezonderd – en daarover is maar weinig bekend. ‘Voor maar achtduizend soorten hebben we namen,’ zegt Melody Clark, moleculair bioloog bij de British Antarctic Survey. En een naam is nog maar het beginpunt van de meeste wetenschappelijke studies; van deze achtduizend soorten, aldus Clark, kennen we alleen de levenscyclus en de ecologische relaties van een handjevol van de meest voorkomende soorten die het dichtst in de buurt van onderzoekscentra leven. Het overgrote merendeel is dus nog onbekend.

    Aanpassingen aan kou

    Clark is met name geïnteresseerd in moleculaire aanpassingen aan kou, een verschijnsel waarvan ijsvissen een schoolvoorbeeld zijn. Anders dan alle andere gewervelde dieren hebben ijsvissen geen rode bloedcellen of hemoglobine, de eiwitten in onze bloedsomloop die voor het transport van zuurstof zorgen. Hun bloedvaten zijn een derde groter dan die van even grote vissen uit gematigder regionen, zodat de zuurstof uit hun omgeving vrijelijk door hun lichaam kan circuleren. 

    ‘Ze zijn in biologisch opzicht unieker dan olifanten, leeuwen, tijgers, arenden, ouistiti’s en alle andere dieren die ons lief zijn,’ zegt Clark. ‘IJsvissen leven anders.’

    Die andere manier van leven kan nu verloren gaan. Sinds 1950 is de lucht die rond Antarctica circuleert met 3 graden opgewarmd, vijf keer zo snel als het mondiale gemiddelde. Naar verwachting zal de temperatuur van het oppervlaktewater van de Zuidelijke Oceaan de komende vijftig jaar met 1 graad stijgen. Voor dieren die zijn aangepast aan water waarvan de temperatuur onveranderlijk onder nul is, kan zo’n kleine verhoging reusachtige gevolgen hebben. Warmer water bevat minder zuurstof; de helderbloedige ijsvissen zijn evolutionair gezien misschien ten dode opgeschreven, zegt Clark.

    Volgens sommige schattingen zal het aantal landdieren op het continent met twee derde afnemen als Antarctica opwarmt en het zee-ijs terugtrekt

    Hun precaire situatie is niet uniek. Volgens sommige schattingen zal het aantal landdieren op het continent met twee derde afnemen als Antarctica opwarmt en het zee-ijs terugtrekt; de prognose voor zeedieren is al even rampzalig. Uit experimenten van Peck en Clark zelf blijkt dat zelfs de geringste opwarming ertoe leidt dat mosdiertjes en borstelwormen, de belangrijkste kolonisatoren van zeebodems langs de kust, metabolische veranderingen ondergaan waardoor ze niet langer genoeg voedingsstoffen binnenkrijgen tijdens de vier maanden lange poolnacht, waarin de planktonpopulatie waarmee ze zich gewoonlijk voeden van nature afneemt.

    Aanpassingsvermogen aan kou

    Maar waarom zouden we proberen al die soorten te redden? Wat is de waarde van een soort? Wie ligt er wakker van als een ijsvis waarvan je nog nooit hebt gehoord in de krochten van de diepe tijd verdwijnt? Eén veelgehoord argument is dat deze dieren met hun aanpassingsvermogen aan kou ons veel kunnen leren over weefselbehoud, of over enzymen die industriële processen bij lage temperaturen mogelijk zouden maken. Vanuit een minder utilitair oogpunt beschouwd zijn deze schepsels de evolutionaire producten van een natuurlijk experiment dat waarschijnlijk nooit meer herhaald zal worden. Omdat het continent door de circumpolaire stroom van de rest van de wereld is gescheiden, biedt Antarctica plaats aan een groot aantal endemische soorten waarvan je ruwweg de helft nergens anders op aarde aantreft.

    Als een endemische soort in Antarctica verloren gaat, gaat hij overal verloren. Een stukje erfgoed van de aarde verdwijnt dan. Er zijn geen populaties waardoor het misschien gereproduceerd zal worden – voorlopig niet, tenminste.

    En dan kunnen we over vijfhonderd jaar misschien een ecosysteem herbouwen’

    Maar zolang er vloeibare stikstof voorhanden is, kan genetische data eindeloos worden bewaard. Voordat er faciliteiten voor levende dieren worden gebouwd, zou zowel Clark als Peck graag een ‘bevroren dierentuin’ zien voor genetisch materiaal dat afkomstig is van de fauna van het continent. Dit zou niet alleen een basis leggen voor het bestuderen van de biologische grondslag van de aanpassing aan kou, maar het ook mogelijk maken, als we Pecks toekomstvisie voor de lange termijn mogen geloven, om soorten zelfs na hun uitsterving te herintroduceren. ‘Als het dan weer afkoelt, heb je tenminste de informatie om te herscheppen wat er was,’ zegt hij. ‘En dan kunnen we over vijfhonderd jaar misschien een ecosysteem herbouwen.’

    Het opslaan van DNA is veel eenvoudiger dan het huisvesten van pinguïns, zeehonden en de duizenden schepsels waarvan we bijna niets afweten, maar toch zou het een enorme toer zijn. Om genoeg van hun diversiteit te conserveren zouden van alle twintigduizend Antarctische soorten minstens twintig tot vijftig individuen moeten worden verzameld. En die twintigduizend soorten staan alleen voor dieren die groot genoeg zijn om met het blote oog te worden waargenomen.

    Raderdiertje

    Ook de microscopisch kleine wezens van Antarctica zijn uniek en in extreme mate aangepast aan de kou; niet alleen de gewervelde dieren van Antarctica zijn bijzonder, ook het beerdiertje, het raderdiertje en de draadworm verschillen sterk van hun verwanten uit gematigder regionen. En dan zijn er nog de bacteriën die bijvoorbeeld leven op plekken waar het vaste gesteente kaal is als gevolg van bergwinden en de temperaturen tijdens de donkere winters zakken tot 55 graden onder nul. Ook die zouden gesampled moeten worden.

    Hoe omvangrijk en ingewikkeld zo’n onderneming ook zou zijn, onvoorstelbaar is die niet, vooral niet omdat de kosten van DNA-sequencing elk jaar dalen. ‘Als er geld beschikbaar was, zouden we zoiets vrij makkelijk voor elkaar kunnen krijgen,’ zegt Clark. ‘Er is gewoon nog nooit een initiatief toe genomen.’

    Met nog meer financiële middelen zouden er voor de Antarctische fauna ook projecten voor voortplanting in gevangenschap kunnen worden ontwikkeld; misschien niet op de enorme schaal die Pecks visioen van een gesloten ecosysteem impliceert – al zou dat er uiteindelijk wel uit kunnen voortvloeien – maar voldoende om te zorgen dat een handvol Antarctische endemische wezens de flessenhals van de klimaatverandering doorkomt. Maar om dat te laten gebeuren moet er nu wel een begin worden gemaakt.

    ‘We weten minder van het beheer van die soorten dan bij enige andere diersoort,’ zegt Peck. Van de meeste soorten reusachtige zeespinnen weten wetenschappers niet eens wat ze eten, laat staan dat ze in staat zijn ze tot paren aan te sporen of in leven te houden in gevangenschap. ‘Ook al zouden we hier nu serieus mee beginnen, dan nog zal het waarschijnlijk drie decennia duren voordat we echt goede faciliteiten hebben,’ vervolgt Peck. ‘We hebben misschien nog hooguit vijf decennia voordat we in het Zuidpoolgebied significante aantallen soorten beginnen te verliezen. Als we zo’n vorm van natuurbehoud niet op poten zetten, zullen we onvermijdelijk soorten kwijtraken.’

    Maar als er geen koude gebieden zijn, wat moet je dan?

    Zoals een stad zich niet alleen laat definiëren door de mensen die er wonen, zo is Antarctica meer dan zijn fauna alleen. Het is een oord van rust en onmetelijke leegte. Miljoenen jaren lang zijn enorme brokken ijs door wind en golven tot een eindeloze variëteit van flonkerende blauwe vormen gebeeldhouwd. Naast het gekraak en geknal daarvan is het uitademen van een walvis het enige andere geluid. Het is onmogelijk zo’n ruimte te simuleren.

    Of hij nu levende dieren of hun DNA-sequenties bevat, een Antarctische dierentuin is een manier om een ecosysteem voor de ondergang te behoeden. Het is beslist een deprimerend vooruitzicht: een continent dat is gereduceerd tot een paar in gevangenschap levende bubbels. Een herinnering aan een wereld die verloren is gegaan. Maar toch, zou een herinnering niet beter zijn dan helemaal niets? In een ideale wereld zou de ergste klimaatverandering worden voorkomen en zou de unieke fauna van Antarctica er zonder kleerscheuren afkomen, maar nu is het tijd om ons op het ergste voor te bereiden.

    ‘Ik vraag vaak aan mijn studenten: als er iets opwarmt, wat verdwijnt er dan?’ zegt Peck. ‘Dat zijn de koude gebieden. Er zullen hete gebieden zijn voor hete dingen. Er zullen warme gebieden zijn voor warme dingen. Maar als er geen koude gebieden zijn, wat moet je dan?’

  • Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Uit Pools onderzoek blijkt dat eetbare insecten uitermate geschikt zijn om milieuproblemen als de hoge CO2-uitstoot en overbevissing tegen te gaan. Maar zullen we ze ooit lekker gaan vinden?

    Tijdens het proeven van eetbare insecten kwam ik erachter dat ik een fobie heb voor nieuwe gerechten. En ik was nog wel naar de Economische Universiteit van Wroclaw (UEW) gekomen in de overtuiging dat ik alles zou gaan proberen. Als het laboratorium van de opleiding Levensmiddelentechnologie zou worden omgetoverd tot een restaurant met een menu à la carte, dan zou je onder andere kunnen kiezen uit linzenpasta, broodjes en brosse koekjes waarin huiskrekelmeel is verwerkt, een chocoladedrankje waaraan versnipperde krekel is toegevoegd en complete insecten met verschillende smaken: honing-mosterd, zure room met uitjes, chili met limoen of gewoon met zeezout.

    ‘Ze zijn echt heel lekker,’ beweert Agnieszka Orkusz, professor aan de UEW.

    De zojuist genoemde kotelet was een combinatie van ‘gewoon’ vlees en larven, die niet versnipperd waren, maar in hun geheel waren toegevoegd, zoals je rozijnen in een kwarktaart doet.

    In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram

    ‘De verhoudingen kun je helemaal zelf kiezen. Hoe meer insecten je toevoegt, hoe meer eiwitten je binnenkrijgt. In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram. Daarnaast zit er ook nog calcium, zink en ijzer in. Het is dus een zeer rijke voedingsbron,’ gaat Orkusz verder.

    Het eiwitgehalte van verschillende soorten eetbare insecten ligt tussen de 13 en 81 procent. Ter vergelijking: rundvlees en pluimvee bevatten 19 tot 26 procent eiwit, en vis en zeevruchten 13 tot 28 procent.

    In het geval van insecten is er echter sprake van een barrière. Misschien geldt het niet voor iedereen, maar veel mensen krijgen spontaan een groen gezicht als het over het eten van insecten gaat. Bij de koteletjes zit het probleem hem in het feit dat de larven zichtbaar zijn. Een kotelet met larven associeer ik met iets wat bedorven is, en dat zullen de meeste mensen hebben. Bij sprinkhanen is de drempel waarschijnlijk wat lager, maar ook dan moet je nog een aardige stap zetten voordat je je eraan waagt. En zelfs het besef dat insecten zo veel voedingswaarden bevatten, zal niet altijd helpen.

    Weerzin 

    Het zal dus niet meevallen om zo’n aanbod succesvol op de markt te brengen. We zijn nu eenmaal geen culinaire lekkernijen met insecten gewend, zoals mensen in het Verre Oosten, waar insecten als dagelijkse kost gezien worden. Ook eet men ze daar als streetfood, met alles erop en eraan: pootjes, haartjes, en voelsprieten en dergelijke.

    ‘Dat zijn producten voor degenen die hun weerzin al overwonnen hebben,’ merkt Orkusz droogjes op.

    Die weerzin verdwijnt wanneer er geen insecten te zien zijn. En het maken van zulke producten levert geen enkel probleem op. Het eerder beschreven brood met krekelmeel erin, dat ik moeiteloos weghapte, bevatte 10 procent insectenmeel, maar ze hebben hier al broden gebakken met maar liefst 40 procent insectenmeel, broden met een erg hoog eiwitgehalte dus. Versnipperde insecten zijn ook geschikt voor verschillende soorten worst.

    Er zijn heel wat argumenten die voor het eten van insecten pleiten: ze hebben een hoge voedingswaarde en je hebt er maar weinig voor nodig om ze te produceren, zeker in vergelijking met het fokken van slachtvee. Zo hebben krekels zes keer zo weinig voedsel nodig als koeien, vier keer zo weinig als schapen en twee keer zo weinig als varkens en kippen. Daar komt nog bij dat insecten minder broeikasgassen en ammoniak uitstoten dan boerderijdieren.

    De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee

    ‘De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee. Daarom zijn insecten een belangrijk alternatief voor de productie van kostbare eiwitten. De verwerking ervan stelt weinig voor: je hoeft ze alleen maar te drogen en te vermalen. Met deze grondstof kun je heel goed producten maken die rijk zijn aan eiwitten en vezels. Je kunt je natuurlijk afvragen in welke vorm. We hebben hier een aantal standaardproducten, zoals koteletten, koekjes en brood. Maar je kunt van insecten bijna alles maken,’ vertelt Joanna Harasym, professor aan de UEW en directeur van de leerstoel Biotechnologie en Voedselanalyse op de afdeling Vormgevingstechniek.

    In de werkplaats voor levensmiddelentechnologie aan de UEW worden de mogelijkheden van 3D-printers onderzocht. Er wordt gebruikgemaakt van printers met een extruder; die verwerken een basis – een pasta gemaakt van versnipperde insecten vermengd met water –  tot producten met iedere gewenste vorm en smaak.

    ‘Nadat je er een bepaalde vorm aan gegeven hebt, wordt het product gebakken of gedroogd. Insecten bevatten veel onverzadigde vetzuren, daarom moet de warmtebehandeling heel precies gebeuren. Het belangrijkste is dat we op deze manier een product kunnen maken dat aantrekkelijk is voor onze zin-tuigen en niet meer doet denken aan een insect,’ verklaart Harasym.

    In een 3D-printer kun je verschillende pasta’s mengen, bijvoorbeeld van insecten, vlees, groente et cetera. Op die manier kunnen onder andere evenwichtige maaltijden worden samengesteld voor oudere mensen, bijvoorbeeld in de vorm van gelei.

    Neofobie

    Wetenschappers van de UEW hebben een grootschalig onderzoek uitgevoerd om erachter te komen welke factoren onze neofobie voor eetbare insecten minimaliseren. Eén factor ligt erg voor de hand. Het bleek dat iemand die in Azië of Afrika geweest is overduidelijk minder last heeft van neofobie dan mensen die een dergelijke ervaring niet hebben opgedaan. ‘Denk je dat eens in: we gaan naar Azië en onze afschuw verdwijnt compleet. Ineens wagen we ons aan die schorpioen op een stokje of een ander insect.’ 

    Harasym vervolgt: ‘Uit het onderzoek bleek verder dat mensen die naar eigen zeggen van zeevruchten hielden zich vaker onverschrokken aan de insecten waagden. Zowel het een als het ander heeft pootjes en haartjes; een garnaal ziet er eigenlijk gewoon uit als een wit of rood insect.’

    Is het dus puur een kwestie van gewenning? Het punt is dat er in Europa nog weinig gelegenheid is om gerechten te nuttigen met insecten in de hoofdrol. 

    Op de wereld is er een enorme hoeveelheid eetbare insecten te vinden, meer dan 1900 soorten maar liefst. Geschat wordt dat meer dan twee miljard mensen op de wereld verschillende soorten insecten eten. Wie weet of het over een tijdje in Europa mogelijk is om schorpioenen uit een lokale kwekerij te nuttigen, misschien op een stokje of met een laagje suiker? Voorlopig hoeven we daar echter nog niet op te rekenen.

    Tot nu toe heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid drie soorten eetbare insecten groen licht gegeven: sprinkhanen, huiskrekels en meelwormen. De twee laatste vormen de basis van de onderzoeken die op dit moment aan de UEW worden uitgevoerd. Waarom die twee? ‘Ze zijn het goedkoopst en het makkelijkst te produceren. De grondstof halen we uit het buitenland. Voor zover ik weet worden deze krekels en larven in Polen nog niet gekweekt voor menselijke consumptie, maar er zijn enkele bedrijven die met zulke plannen bezig zijn. Sprinkhanen zijn nog niet zo lang toegestaan, daarom is het nog vrij lastig om die bij gecertificeerde bedrijven in te kopen. Dat zal over een jaar al makkelijker zijn,’ aldus Orkusz.

    We moeten ons door een diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen

    De meeste kwekerijen voor eetbare insecten zijn op dit moment actief in Nederland en Italië. ‘Mocht er iemand zijn die in Polen zoiets wil opzetten, in samenwerking met ons, dan is hij van harte welkom. Ook op het gebied van receptuur beschikken wij over alle nodige kennis. Het is nog helemaal niet zo eenvoudig om iets te maken wat qua smaak acceptabel is,’ voegt Orkusz toe. ‘We moeten ons alleen door die diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen. Aan de andere kant is de mens nieuwsgierig van aard, dus als het er aantrekkelijk uitziet en het ruikt lekker, dan zal hij het graag willen proberen.’

    De meeltor ‘kweken’ we onbewust (in meelproducten) en krekels springen bij ons in de wei rond, maar die kunnen we beter met rust laten. Misschien zijn ze ook geschikt als voedsel voor mensen, maar vanwege de voorschriften zal niemand er brood in zien om ze op industriële schaal te kweken.

    In Polen worden wel insecten geproduceerd voor in dierenvoer. Er zijn echter nog geen kwekerijen die eetbare insecten voor mensen produceren.

    ‘Eetbare insecten moeten worden gekweekt binnen een gesloten systeem, onder de juiste omstandig-heden en mogen alleen worden verkocht wanneer ze veilig zijn voor de consument. De eisen die hieraan gesteld worden, zijn vastgelegd in Europese verordeningen,’ benadrukt Harasym. ‘In het buitenland zijn ze gewoon eerder begonnen met de productie voor menselijke consumptie. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat dat bij ons ook gebeurt. Ik hoop dat deze vorm van productie binnen twee jaar in Polen van start zal gaan.’

    Economische voordelen

    En wat gebeurt er verder als de insecten eenmaal gekweekt zijn? Op dit punt is het productieproces relatief eenvoudig en goedkoop. Dan worden ze in-gevroren, vervolgens gedroogd, en daarna kun je ze op verschillende manieren gebruiken bij de bereiding van bepaalde voedingsproducten.

    Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart

    ‘De kweek van eetbare insecten levert veel economische voordelen op. Er is weinig inzet van kapitaal of grondgebied voor nodig. Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart. Deze markt zal in de toekomst zeer invloedrijk worden,’ concludeert Orkusz.

    Ook niet onbelangrijk is het feit dat de veeteelt momenteel verantwoordelijk is voor bijna 20 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast kun je moeilijk tot in het oneindige koeien, varkens en pluimvee blijven fokken. Daar zijn enorme hoeveelheden voer en water voor nodig, en ook steeds grotere stukken grond. Of kan de groeiende wereldbevolking haar eiwitten dan misschien uit de zeeën en oceanen halen? Die hebben helaas steeds meer te lijden onder overbevissing. Insecten hebben dus potentieel. Temeer omdat ze voor een groot deel van de mensheid een vertrouwd en welbekend culinair fenomeen zijn. 

    Lees ook:

  • Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Onkruid verwijderen in velden met zonnepanelen is knap ingewikkeld. Schapen blijken hiervoor perfect: volgzaam, vraatzuchtig en precies de juiste hoogte. Zo ontstond een welkome impuls voor Amerikaanse schaapherders en hun kuddes.

    Ondanks de hitte haalt een maaiploeg in een veld met zonnepanelen in Texas zonder te klagen het gras weg. De panelen bedekken ruim 600 hectare van een zonnepark in Deport, een stad dicht bij de grens met Oklahoma. De baas van de ploeg, Ely Valdez, zorgt ervoor dat er geen prairiegras over de panelen heen groeit. Beter gezegd, zijn schapen doen het meeste werk.

    Het noodzakelijke verwijderen van de plaatselijke flora onder en rondom zonnepanelen heeft voor een onverwachte toename in werkgelegenheid gezorgd. Valdez profiteert daarvan, net als de vele andere herders die, verspreid over heel de VS, op de nieuwe fotovoltaïsche velden werken. De herder is eeuwen nadat hij door zijn rol in de Bijbel bekendheid verwierf weer in trek. Schapen, de verrassende drijfveer achter duurzame energie, genereren jaarlijks miljoenen dollars aan inkomsten door zonneboerderijen in het hele land op te schonen.

    ‘Deze ontwikkeling verandert onze levens,’ zegt Valdez, die vijfenveertig jaar oud is. Hij verwacht dat de kuddes onder zijn toezicht binnenkort jaarlijks honderdduizenden dollars aan inkomsten zullen genereren. De toenemende vraag naar zonne-energie is voor Valdez een enorme meevaller geweest. Zo heeft hij zijn huis in San Antonio kunnen afbetalen. 

    Tienduizenden hectaren

    In 2018 was het nog vijfduizend, maar volgens schattingen van mensen in de sector zijn er in de VS inmiddels tienduizenden hectaren aan zonnevelden waarop schapen worden ingezet. Kudde-eigenaren vragen tot wel vijfhonderd dollar per hectare per jaar.

    Voor deze klus in de zonne-industrie zijn er verschillende methoden uitgeprobeerd, maar een aantal veelbelovende kanshebbers voldeed niet aan de vele eisen. Zo zijn motormaaiers maar beperkt bruikbaar en kunnen ze niet gemakkelijk onder de panelen manoeuvreren, waardoor er kans is op beschadigingen.

    Schapen zijn volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte

    Grazende dieren waren dus favoriet, maar om logistieke redenen bleek niet elk dier even geschikt. Koeien en paarden zijn te groot om onder de panelen te passen. Geiten eten graag elk schadelijk onkruid, maar kauwen ook op bedrading en klimmen op apparatuur.

    Schapen zijn daarentegen volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte. Zo wonnen ze het gemakkelijk van de andere dieren.

    Optimistisch

    Valdez is verantwoordelijk voor de zeventienhonderd schapen die het zonnepark van Lightsource BP in Deport bevolken. Hij krijgt een deel van het geld dat aan de eigenaar van de kudde wordt betaald. Waar de schapen aan het werk zijn, overstemt geblaat het gestage gezoem van de machines die zonlicht omzetten in elektriciteit.

    Zijn eigen kudde van tweeduizend schapen is onderdeel van drie zonne-energieprojecten in de buurt van zijn huis en wordt beheerd door zijn vrouw, drie kinderen en tien werknemers. Net als de herders van vroeger leert hij het vak aan zijn kinderen. 

    Valdez, die voorheen een betonbedrijf bezat, startte zeven jaar geleden zijn herdersbedrijf. Hij was geïntrigeerd geraakt door een artikel over Europese zonnevelden en zag per toeval in een zonneveld tegenover zijn huis een gefrustreerde technicus de strijd aanbinden met planten. Hij sloot een deal van dertigduizend dollar in ruil voor zijn zevenentwintig ooien en zei de betonhandel vaarwel.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden

    Het inhuren van schapen voor landschapsonderhoud gebeurt al tientallen jaren. Zo had het Witte Huis tijdens de Eerste Wereldoorlog een kudde schapen om het onkruid in toom te houden. Maar vóór het begin van de zonne-industrie hadden veel schapenhouders het moeilijk. Door import uit Australië en Nieuw-Zeeland – landen die samen met China ook wereldwijd de wolmarkt domineren – is de vraag naar lams- en schapenvlees van eigen bodem gedaald.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden. Na Valdez en anderen in de zonne-industrie te hebben gesproken, gaf JR Howard, die al lang in het herdersvak zit, ongeveer 500.000 dollar uit. Met het geld, waarvan een deel geleend is, kocht hij genoeg schapen om een contract af te kunnen sluiten bij Lightsource BP. Vorig jaar is hij met zijn familie bijna 650 kilometer verderop gaan wonen om het werk te kunnen doen. 

    Het herdersleven

    Het herdersleven, althans op zonneparken, is niet alleen maar idyllische rust. Howard (42) is de hele dag bezig met het verplaatsen van schapen en schapenhekken naar overwoekerde velden, het vervoeren van watertanks en soms het aanvoeren van extra voer.

    Howard heeft meerdere waakhonden, waaronder Snowflake en Spark. Het zijn akbash: een eeuwenoud ras dat door Turkse herders wordt gebruikt en sterk en groot genoeg is om coyotes en andere roofdieren op afstand te houden. Het grootste deel van de tijd zijn ze bezig met het volgen van de schapen.

    Veel zonneherders besparen kosten door gebruik te maken van schapenrassen die niet geschoren hoeven te worden. Lightsource BP gebruikt zogenaamde dorper-schapen, waarvan veel een opvallende zwarte kop hebben, en katahdin, een ras dat in Maine enkele decennia geleden voor het eerst werd gefokt vanwege zijn vlees. Sommige van de dieren worden graag geaaid tijdens het grazen. 

    Geschikte technologie

    Zonne-energiebedrijven bieden hun vierpotige werknemers verschillende voordelen, zoals waterpompen en omheinde weiden waar ze comfortabel kunnen slapen. ‘Schapen zijn voor dit werk echt de geschikte technologie,’ aldus Michael Baute, vicepresident regeneratieve energie en koolstof-afvang en -opslag bij zonne-energieontwikkelaar Silicon Ranch Corp., dat gevestigd is in Nashville in Tennessee.

    Volgens Baute, die al lange tijd als boer werkzaam is, is het een uitdaging om genoeg schapen te vinden. Hij werkt als tussenpersoon voor herders en zonne-energieontwikkelaars en is dus eigenlijk een soort schapenmakelaar. Hij kwam in 2018 per toeval deze baan tegen, nadat hij een kudde had ingehuurd om het gras te verwijderen op een zonnepark van twintig hectare van Silicon Ranch.

    De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf

    De zonne-energieontwikkelaar, gesteund door oliegigant Shell PLC, was zo tevreden over het resultaat dat hij het jonge schapenmakelaarsbedrijf van Baute kocht. De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf, voornamelijk in het zuidoosten.

    Ook wat herders betreft is de vraag groter dan het aanbod. De American Solar Grazing Association en scholen die verbonden zijn aan North Carolina State University en Cornell University bieden onderzoek en scholing in de techniek, maar cursussen voor beginners zijn moeilijk te vinden.

    Christy King, projectmanager bij Solv Energy, het bedrijf dat het zonne-energieproject voor Lightsource BP beheert, is dol op de nieuwe lammetjes in Harolds kuddes. Eerder dit jaar kreeg ze toestemming om er een mee naar huis te nemen. Ze noemde het Cordina, naar een collega, en gaf haar flesvoeding. King liep met Cordina aan de lijn en het lammetje sliep bij haar in bed. 

    Cordina, die uiteindelijk groter en minder schattig werd, is nu een werkend schaap. King zegt dat ze Cordina af en toe tegen het lijf loopt op het zonnepark, dat genoeg energie opwekt om ongeveer veertigduizend huizen van stroom te voorzien. King, die oorspronkelijk als technicus is opgeleid, heeft pas onlangs de fijne kneepjes van het schapenhoeden geleerd. ‘Ik heb nooit geweten dat je dit voor je werk kon doen,’ zegt ze. 

  • Hoe gebruikers van een app wetenschappers helpen nieuwe soorten te ontdekken

    Hoe gebruikers van een app wetenschappers helpen nieuwe soorten te ontdekken

    In de miljoenen berichten op iNaturalist melden gebruikers nieuwe soorten, sporen ze invasieve insecten op en doen ongelooflijke ontdekkingen. Wetenschappers maken er gretig gebruik van.

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-hoe-de-app-van-een-natuurliefhebber-een-catalogus-van-de-biodiversiteit-op-aarde-werd?si=4e87dc5498ac4afd91f42bbb68c61d6a&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

    Als Tom Doubleday in de bossen van Vermont wandelt, kijkt hij onder stenen, op zoek naar salamanders. Hij luistert naar gezang van vogels en let op de plantensoorten om zich heen.

    Toen de gepensioneerde tuinder met een levenslange interesse in de natuur een jaar geleden een plant tegenkwam die hij niet herkende, van ongeveer dertig centimeter hoog met vijf bladeren aan de stengel, maakte hij een foto die hij uploadde naar de app iNaturalist.

    ‘Ik wist dat het om iets ongewoons ging,’ vertelt hij.

    Zeldzame orchidee

    Dankzij de hulp van andere gebruikers van het platform voor biodiversiteit en bevestiging van botanici van de staat Vermont in mei 2022, werd duidelijk dat Doubleday was gestuit op de Isotria medeoloides of kransvormige pogonia, een zeldzame orchidee waarvan werd gedacht dat die sinds 1902 was uitgestorven in Vermont.

    Voor natuurliefhebbers die in het bos wandelen, bergen beklimmen of rondneuzen in een getijdenpoel is iNaturalist een handige metgezel om planten en wilde dieren te identificeren. Maar gaandeweg is iNaturalist ook uitgegroeid tot een plek waar burgers waardevolle gegevens verschaffen aan onderzoekers over de toestand in de ecologische wereld door simpelweg hun waarnemingen te delen. Dat loopt uiteen van het identificeren van zeldzame planten tot de ontdekking van de aanwezigheid van invasieve insecten. De app versterkt ons begrip van de complexiteit van de biodiversiteit van de planeet.

    Nu de biodiversiteit op aarde sterk afneemt – in een rapport van de Verenigde Naties uit 2019 wordt geschat dat tot een miljoen soorten met uitsterven worden bedreigd – zijn waarnemingen zoals deze, in kaart gebracht en geregistreerd door mensen van over de hele wereld, van cruciaal belang geworden om wetenschappers te helpen begrijpen wat er ter plaatse met ecosystemen gebeurt.

    Het platform twee heeft hoofddoelen: mensen in contact brengen met de natuur en wetenschappelijk bruikbare gegevens genereren

    ‘Alleen al het feit dat er mensen op pad zijn die dit soort gegevens leveren is belangrijk, omdat het de aandacht vestigt op de staat waarin organismen nu verkeren, en hoe dat in de loop der jaren kan veranderen,’ zegt Tony Iwane, coördinator van iNaturalist.

    Op iNaturalist kan iedereen foto’s van een organisme uploaden met gegevens over waar en wanneer ze het hebben gezien. Gebruikers kunnen hun eigen identificatie doen – als ze willen kan dat met behulp van suggesties die de app aandraagt – en die vervolgens posten zodat andere gebruikers deze kunnen bevestigen, tegenspreken of ander commentaar kunnen geven.

    iNaturalist ontstond in 2008 als een project van masterstudenten van de UC Berkeley School of Information en is inmiddels een gezamenlijk initiatief van de California Academy of Sciences en de National Geographic Society. Volgens Iwane heeft het platform twee hoofddoelen: mensen in contact brengen met de natuur en wetenschappelijk bruikbare gegevens genereren. ‘Wij denken dat die twee goed samengaan,’ zegt hij.

    In juli 2022 waren er meer dan 121 miljoen waarnemingen op de site gepost. Meer dan 66 miljoen daarvan werden geclassificeerd met de kwalificatie ‘research niveau’ (onderzoeksniveau), wat betekent dat er basisinformatie is over datum en locatie; dat er een foto of geluidsfragment is gemaakt; dat bevestigd kan worden dat het organisme niet gevangen of gekweekt is; en dat de gemeenschap het eens is over de soortidentificatie.

    iNaturalist steunt op de deelname van mensen die daadwerkelijk willen leren en onderwijzen, legt Iwane uit. ‘Zelf heb ik het ook vaak mis,’ zegt hij. ‘We proberen echt een cultuur te creëren waarin het oké is om fout te zitten, en het oké is om een ander te corrigeren.’

    Amateurwetenschappers

    Voor Doubleday was het een beleving om de zeldzame orchidee te vinden. Hij houdt van iNaturalist en andere apps voor amateurwetenschappers, omdat ze hem ook dingen leren over de gewonere soorten in het natuurgebied dat hij graag verkent. Nu hij tijdelijk niet naar het bos kan  vanwege een gebroken rib – opgelopen tijdens het zoeken naar een ratelslangvaren – bestudeert hij de varens tijdelijk vanuit huis met behulp van iNaturalist. ‘Het is een hulpmiddel dat je helpt om beter te zien,’ zegt Doubleday. ‘Ik heb het gevoel dat ik mijn vocabulaire van het bos vergroot door die app te gebruiken.’

    Mensen als Doubleday gebruiken iNaturalist om hun eigen waarnemingen te begrijpen, maar ze bouwen tegelijkertijd een schat aan gegevens op.

    Gebruikers van iNaturalist hebben op Australische riffen meer vissoorten waargenomen dan met gestructureerd onderzoek mogelijk was; daaronder waren zeldzame soorten die bij dergelijke surveys vaak over het hoofd worden gezien. In een ander geval hebben onderzoekers 406 vlindersoorten ontdekt nadat de eerst bekende foto van het levende dier op iNaturalist was gepost. Een lopend project dat gebruikmaakt van iNaturalist is de documentatie van kleurvariatie bij eekhoorns.

    In juni 2020, toen iemand een foto postte van een kronkelende beschadiging van een iepenblad in de buurt van Montreal, zag een andere iNaturalist-gebruiker dit als mogelijk bewijs van de aanwezigheid van een Aproceros leucopoda ofwel de iepenzigzagbladwesp, een invasieve soort die nog niet eerder was aangetroffen in Noord-Amerika. Nadat dit vermoeden door de Canadese autoriteiten was bevestigd, werd het publiek gevraagd om op de aanwezigheid van het insect te letten. Een van de velen die dat deden was entomoloog Morgan Jackson, onderzoeker aan de McGill University. Hij ging erop uit en vond het patroon van het insect op een iep in de buurt van zijn huis.

    Een natuurliefhebber die gewoon aan het wandelen is, kan zomaar op een wetenschappelijke openbaring stuiten

    Jackson maakt veel gebruik van iNaturalist, zowel uit persoonlijke nieuwsgierigheid als voor zijn onderzoek naar vliegen. Het platform is uitgegroeid tot een van de grootste entomologische dataopslagplaatsen in Canada en is van onschatbare waarde om nieuwe registraties te vinden, te zien hoe vliegen zich gedragen en om informatie te verkrijgen over gebieden die Jackson slechts af en toe kan bezoeken.

    Jackson ziet het platform ook als een manier om mensen enthousiast te maken over aspecten van biodiversiteit waar ze misschien nog nooit eerder aan hebben gedacht. Onderzoekers schatten dat van het totale aantal soorten terrestrische geleedpotigen, een categorie die spinnen en insecten omvat, in Canada tot nu toe slechts 62 procent is gedocumenteerd.

    Dus als we beginnen te letten op insecten, zegt Jackson, kan een natuurliefhebber die gewoon aan het wandelen is, zomaar op een wetenschappelijke openbaring stuiten.

    ‘Laat ze kennismaken met de vreemde verschijnselen die ze in hun achtertuin kunnen vinden, die ze hun hele leven over het hoofd hebben gezien of waar ze langs liepen en wijs ze dan op het feit dat de dingen die ze zien nieuw zijn,’ zegt hij. ‘Zo leveren ze ons nieuwe kennis op, waar we allemaal van kunnen leren.’

    Beperkingen

    Ecoloog Grace Di Cecco, die een studie maakte van de bijdragen aan iNaturalist, zegt dat de gegevens heel nuttig zijn voor onderzoekers, maar dat ze ook beperkingen hebben.

    Ten eerste zijn er duidelijke vookeuren in wat gefotografeerd wordt, merkt ze op. Organismen die snel bewegen of heel klein zijn, zijn ondervertegenwoordigd. Mensen plaatsen vaker foto’s van dichtbevolkte, door mensen beïnvloede landschappen. Er wordt ook meer gepost in het weekend en in perioden van het jaar waarin het weer aangenaam is. Sommige vragen, zoals die over de overvloedigheid van een bepaalde soort, kunnen niet worden beantwoord met de opportunistische gegevens die op het platform worden verzameld.

    ‘Ik denk niet dat het onoverkomelijke problemen zijn,’ zegt ze. ‘Maar ze zullen wel invloed hebben op welke vragen je kunt stellen.’

    ‘Dit is echt een belangrijke eerste stap om mensen ervan te overtuigen dat deze soorten waardevol zijn’

    iNaturalist kan niet alle wetenschappelijke studies vervangen, zegt ze. Maar het platform biedt wetenschappers wel veel rijk materiaal, dat ze als onderzoeker in hun eentje niet zouden hebben kunnen verzamelen.

    Een van de grootste troeven van iNaturalist is volgens Di Cecco hoe de app gebruikers kan helpen de natuur om hen heen beter te begrijpen. ‘Dit is echt een belangrijke eerste stap om mensen ervan te overtuigen dat deze soorten waardevol zijn en dat we ze moeten proberen te beschermen.’

    Doubleday is het daarmee eens. Nu de biodiversiteit wereldwijd afneemt, ziet hij in dat deelname aan het platform als burgerwetenschapper een belangrijke manier is om te helpen. ‘Het geeft ons allemaal een soort gevoel van kracht. Weet je, we kunnen allemaal een rol hebben, in plaats van alleen maar te moeten aanhoren wat er verloren gaat,’ zegt Doubleday. ‘Er valt nog veel te winnen en er valt nog veel te ontdekken.’

    Lees ook:

  • Iedere veertien dagen zwanger: het wondere seksleven van dwergzeepaardjes

    Iedere veertien dagen zwanger: het wondere seksleven van dwergzeepaardjes

    Ondanks hun geringe grootte – tussen de 14 en 27 millimeter – blijken dwergzeepaardjes in Indonesië een rijk liefdesleven te leiden. ‘Grotere soorten gaan monogame verbintenissen aan, maar hebben deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar steken?’

    Op een afgelegen rif bij het Indonesische eiland Sulawesi wedijveren minuscule mannelijke zeepaardjes met elkaar. Hun dagelijkse gevechten spelen zich af op een roze koraalsoort twaalf meter onder de oppervlakte van de oceaan en ik heb ze maandenlang in de gaten gehouden. Vaak was ik bij mijn duiksessies langs hun thuiskoraal zo geboeid door hun rituelen (en zo druk met het registreren van wat ik zag) dat ik vergat dat zo’n zeepaardje amper groter is dan een rijstkorrel. Hun formaat lijkt niet van belang als je ziet hoe dwergzeepaardjes elkaar proberen te wurgen.

    Wie nooit heeft stilgestaan bij de relaties tussen vissen – en zeepaardjes worden beschouwd als vissen – verwacht waarschijnlijk ongevoelig gedrag en een koude emotieloze blik – vooral wanneer je de omvang van die vissen in millimeters uitdrukt. In de vele maanden dat ik het paargedrag van dwergzeepaardjes observeerde, heb ik echter gemerkt dat deze beestjes ondanks hun geringe grootte een rijk, dramatisch leven leiden dat je eerder zou verwachten in een soap dan in een wetenschappelijk artikel. Ook ga je door de gecompliceerde levens van deze minieme wezens twijfelen aan het menselijke referentiekader dat we gebruiken om na te denken over familie, verwantschap en seksualiteit.

    Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten

    In 1969 stuitte een onderzoeker in het Nouméa Aquarium in Nieuw-Caledonië voor het eerst op de dwergzeepaardjessoort die bekendstaat als het zeepaardje van Bargibant. Het werd niet op de koraalriffen van het eiland aangetroffen, maar op een enorme, paarse zeewaaier, de Muricella, die voor de collectie van het aquarium was meegenomen. Toen hij van dichtbij nog eens goed naar het koraal keek, ontdekte de onderzoeker een paar zeepaardjes van 25 millimeter die zich aan de oppervlakte vastklemden. Hun kleur en oppervlaktestructuur bootsten bijna volmaakt de gesloten poliepen van het koraal na, waardoor ze niet eerder waren opgemerkt.

    Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten. Er zijn tot nu toe maar acht soorten ontdekt (zeven sinds het jaar 2000) waarbij de kleinste soort 14 millimeter meet en de grootste 27 millimeter. Rond 2005 begon ik hun sociale leven en voortplantingsgedrag te bestuderen voor mijn proefschrift – bepaalde aspecten van hun organisme brachten me op het idee dat ze misschien niet alleen qua omvang verschilden van hun neven en nichten. Dit was de eerste studie naar het specifieke organisme en het gedrag van dwergzeepaardjes – tot dan toe waren de soorten slechts benoemd –, en ze voerde me naar allerlei afgelegen plaatsen in de Koraaldriehoek. Tijdens dit veldwerk begon ik het ingewikkelde leven van deze minuscule vissen te begrijpen.

    Zeewaaiers

    Voor mijn proefschrift bestudeerde ik het dwergzeepaardje van Bargibant en nog een soort die op zeewaaiers leeft, het dwergzeepaardje van Denise, dat voor het eerst is beschreven in 2003 en kleiner en slanker is de Bargibant. Beide zijn te vinden in de wateren van de Koraaldriehoek, die een groot deel van Zuidoost-Azië omspant, en hun leefgebied strekt zich uit naar de Stille Oceaan. Al duikend op allerlei plekken ontdekte ik dat de Bargibant alleen leeft op Muricella-zeewaaiersoorten, terwijl de Denise leeft op tien verschillende soorten zeewaaiers, sommige zo groot als de voorruit van een auto. Ik ontdekte ook dat dwergzeepaardjes zich hun hele volwassen leven vastklampen aan de oppervlakte van één enkele zeewaaier.

    7175657996 2802e768ec o
    – © Wikipedia

    Deze minuscule vissen leven en vermenigvuldigen zich op de oppervlakten van hun zeewaaiers. Ik was met name geïnteresseerd in hun voortplanting. Zeepaardjes staan bekend om hun monogame relaties en de manier waarop mannetjes eitjes uitbroeden in een speciaal daarvoor bedoelde buidel aan de onderkant van hun lijf. Via dagelijkse paringsrituelen kunnen vaste koppels mannetjes en vrouwtjes hun voortplantingscycli op elkaar afstemmen. Door te communiceren via hun ingewikkelde dansjes weet een vrouwtje wanneer ze een stel eitjes gereed moet hebben om gelijk op te gaan met het mannetje, dat zijn broedbuidel in gereedheid brengt. Hij bevrucht de eitjes zodra ze zijn buidel binnenkomen, en deze eigenaardigheid in hun voortplantingscyclus heeft geleid tot een ander opmerkelijk feit: doordat de eitjes de buidel van het mannetje onbevrucht binnenkomen en hij ze pas daarna bevrucht, weet hij zeker dat alle nakomelingen van hem zijn. Dit is uiterst zeldzaam in het dierenrijk. Als gevolg daarvan hebben de mannetjes langzaam maar zeker beter leren omkijken naar de ontwikkeling van hun nageslacht dan wellicht enig ander mannetje in het dierenrijk. Dit was het gedrag dat ik verwachtte te zien, maar dan op piepkleine schaal.

    Hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?

    Tot de eenentwintigste eeuw waren dwergzeepaardjes nooit het onderwerp van enig specifiek onderzoek geweest en dat had verschillende redenen: hun relatief recente ontdekking, het feit dat ze extreem moeilijk in gevangenschap te houden zijn, maar ook hun uitmuntende camouflage, hun zeldzaamheid en hun geringe grootte. Het zijn moeilijk te spotten wezentjes. Gelukkig leefden de dwergzeepaardjes die ik bestudeerde in kleine, afzonderlijke groepen aan de oppervlakte van een enkele zeewaaier, dus als ik eenmaal een groep had gevonden, kon ik ze naar believen bezoeken. Ze leiden een relatief besloten leven dankzij hun extreme camouflage, die ze in staat stelt volmaakt te versmelten met hun helder gekleurde koraalbehuizingen maar ze tot een makkelijke prooi zou maken als ze naar elders verhuisden.

    Terwijl ik keek naar een groep van drie dwergzeepaardjes die een zeewaaier deelden, vroeg ik me af of er er nog meer verschillen waren tussen grotere en kleinere zeepaardjes. Ik begon na te denken over hun seksualiteit. Grotere soorten gaan vaste monogame verbintenissen aan, maar hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?

    Honderden duiken

    Tijdens honderden duiken in de weidse Koraaldriehoek legde ik ieder detail van het sociale leven en de voortplanting van groepen Denise-dwergzeepaardjes vast en ik bezocht bepaalde groepen weken- en in sommige gevallen maandenlang. Bij één zo’n duik, terwijl ik onder water zweefde op een afgelegen plek bij Sulawesi, ontdekte ik een hoogst intrigerend groepje dat zich vastklampte aan een felroze zeewaaier, een Annella, onder een overhangende rots. Het was een groepje van vier dat, zo ontdekte ik door enorme uitvergrotingen te maken van hun onderkant, bestond uit drie mannetjes en één vrouwtje.

    De maanden erna verdiepte ik me steeds meer in het leven van het viertal. Vol ontzag voor de taferelen die ik aanschouwd had, trakteerde ik de lokale duikers iedere dag op verhalen over mannetjes die elkaar wurgden. Met alleen hun staart om iets vast te pakken en overwicht te tonen (door elkaar te verstikken) zijn de mannetjes behoorlijk beperkt in hun mogelijkheden om hun worstelingen uit te voeren. Als ze hun staart niet gebruiken, kunnen ze ook ‘nekworstelen’ en proberen ze elkaar om te gooien, min of meer zoals giraffes doen. Ik legde mijn waarnemingen heel precies vast, waarbij ik elk individueel dier aanduidde met een cijfercombinatie, totdat een van de duikgidsen zei dat ze genoeg had van dat formele gedoe. Ze doopte ze om tot Tom, Dick, Harry en Josephine. Plotseling was iedereen begaan met hun heftige wederwaardigheden.

    Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen

    De groep leende zich uitstekend om te begrijpen hoe de voortplanting bij dwergzeepaardjes in z’n werk gaat. Er waren drie mannetjes en maar één vrouwtje in de groep die ik in de gaten hield, dus wanneer er een paar werd gevormd, bleven er twee mannetjes over zonder partner. Het viel niet mee deze paringen goed te bekijken: onderwaterclose-ups bleken hiervoor van essentieel belang. Het lukte me om foto’s te maken van Josephine terwijl haar lichaam zich vulde met eitjes en ook van haar verminderde omvang na de overheveling van haar vrachtje aan een van de mannetjes. Al zijn ze nog geen 2 centimeter, ze zwellen op als ballonnetjes terwijl binnenin een flink stel kleintjes groeit. Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen.

    48797294206 8da883face o
    – © Wikipedia

    Naarmate de weken verstreken merkte ik dat Josephine om de zeven dagen een stel eitjes produceerde. Dit kwam overeen met wat ik zag bij de twee grootste mannetjes, Tom en Dick, die iedere veertien dagen om de beurt zwanger werden. Als een van de mannetjes had gebaard, werd hij onmiddellijk weer zwanger en halverwege deze veertiendaagse zwangerschap baarde het andere mannetje en werd op zijn beurt weer zwanger. Kennelijk was Josephine door haar leven in zo’n kleine groep in zo’n vruchtbare biotoop in staat meer eitjes te produceren dan haar grotere neven en nichten. Op de zeewaaier voltrokken paringsrituelen en -dansen zich groepsgewijs en dankzij deze gedragingen kon Josephine haar cycli synchroniseren met die van twee mannetjes. Het derde mannetje, Harry, werd nooit zwanger. Hij was maar 1,4 centimeter lang – veel kleiner dan de andere twee. Misschien leerde hij zo de kneepjes van het vak en wachtte hij gewoon af tot een van de anderen het loodje legde en er een plek voor hem vrijkwam.

    Collectieve minachting

    Mijn tijd met Tom, Dick, Harry en Josephine en tientallen andere wezentjes heeft mijn kijk op het leven diep beïnvloed en mijn ideeën over schaal (en seksualiteit) doen kantelen. We zijn geneigd tot collectieve minachting voor sommige van de allerkleinste wezens op aarde. Ze worden vaak aangeduid als ongedierte en hun leven wordt als minder waardevol beschouwd dan dat van grotere, charismatischere soorten. Maar er is leven ver buiten onze menselijke kaders en zintuiglijke vermogens. Koraalriffen zitten vol met zulke kleine, goed gecamoufleerde wezens. Niet alleen zijn er grote aantallen van deze minisoorten die nog moeten worden ontdekt, maar vermoedelijk kan elk ervan bogen op z’n eigen fascinerende verhalen en gedragingen. In onze haast om soorten te bestuderen die onze aandacht en zorg verdienen, vergeten we vaak de exemplaren aan de rand van onze zintuigelijke horizon.

    De tijd dat ik van dichtbij de paringsrituelen en het seksleven van zeepaardjes filmde, heeft me doen inzien hoe moeilijk en hoe noodzakelijk het is om ons ook in te leven in de kleinere bewoners van onze planeet. Op ditzelfde moment zijn minuscule mannelijke zeepaardjes, amper groter dan een rijstkorrel, op een felroze koraalrif in een verre uithoek van de Stille Oceaan, bezig elkaar te wurgen in de strijd om zwanger te worden.

  • Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VN-onderzoek: Israëlische leger doodde Al Jazeera-journalist Shireen Abu Akleh

    » Pakistan heeft vermoedelijk brein achter aanslagen Mumbai gearresteerd

    Fellere kleuren zijn voorbeeld van snelle evolutie

    Kameleons kleuren feller als ze zich in een omgeving bevinden zonder natuurlijke vijanden. Dat blijkt uit een studie die Science Advances publiceerde en waarvan Daily Maverick melding maakt. De soort die werd onderzocht is de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon (Triocerus j. Xantholophus), die in de jaren zeventig per ongeluk op Hawaï terechtkwam.

    De studie laat zien dat de Hawaiiaanse kameleons veel feller gekleurde sociale signalen afgeven dan hun soortgenoten in de oorspronkelijke leefgebieden in Kenia. De oorzaak is de afwezigheid van roofvogels en slangen, die het op kameleons gemunt hebben. De studie noemt dit een voorbeeld van snelle evolutie.

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen. Dat vermindert de overlevingskans en reproductieve geschiktheid. Wanneer vervolgens het voortbestaan van de soort wordt bedreigd, werkt natuurlijke selectie als een rem. De kameleons worden in hun zichtbare delen minder fel gekleurd, terwijl de felle kleuren alleen nog te zien zijn op lichaamsdelen die minder zichtbaar zijn voor roofdieren.

    Omgekeerd zorgen felle kleuren ervoor dat de conditie van de soort beter wordt. Hoe helderder en kleurrijker de mannetjes, hoe aantrekkelijker ze worden voor de vrouwtjes en hoe gemakkelijker ze kunnen winnen van hun rivalen.

    Lees ook:

  • ‘Sommigen geloven dat je door een tijger te eten, zelf een tijger wordt’

    ‘Sommigen geloven dat je door een tijger te eten, zelf een tijger wordt’

    Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren, lijkt deze handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn. Niet alleen levende, ook dode tijgers en soortgenoten zijn zeer gewild.

    De inbeslagname van goederen die onderweg waren van Nigeria naar Vietnam was alleen wat omvang betreft al schrikbarend. De Nigeriaanse douane onderschepte, in samenwerking met de Britse grenswacht, een lading van 10 ton slagtanden, botten en schubben die naar schatting afkomstig waren van 709 olifanten, 11 leeuwen en 10.658 schubdieren.

    Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren – en die meer dan twee miljoen gemelde doden en biljoenen dollars heeft gekost – lijkt die handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn.

    Het opmerkelijkst aan de inbeslagname in januari 2021, afgezien van de onthutsende aantallen bedreigde dieren met een marktwaarde van meer dan 16 miljoen dollar, is de aanwezigheid van de leeuw. Natuurexperts denken dat Afrikaanse leeuwen slachtoffer zijn geworden van de schimmige handel in tijgers.

    Gestimuleerd door de schijnbaar onverzadigbare vraag uit Vietnam en China en geleid door criminelen uit Laos en Thailand, is de druk op tijgerpopulaties zo ernstig dat delen van leeuwen, die in Afrika relatief makkelijker te krijgen zijn, gebruikt worden als vervanging om de markt te bedienen.

    Zwakke rechtshandhaving en corruptie

    Freeland, een antismokkel-ngo en partner van The Independent in de campagne ‘Stop de illegale handel in wilde dieren’, denkt dat de handel in tijgers, waarvan er nu wereldwijd minder dan vierduizend in het wild leven, geleid wordt door ‘Tiger Queens’ in heel Zuidoost-Azië.

    Net als in de Netflix-serie Tiger King fokken die dealers hun eigen tijgers, zogenaamd voor toerisme en instandhouding, wat in Thailand en Laos is toegestaan. Maar veel van die fokkerijen, die geregistreerd staan en ‘dierentuinen’ worden genoemd, laten in werkelijkheid geen toeristen toe of doen dat alleen om hun echte winstoogmerk te verdoezelen: de verkoop en heling van tijgerdelen.

    Volgens het Environmental Investigation Agency (EIA) zijn zo’n half dozijn onderkomens waar tijgers gevangenzitten betrokken bij de handel in tijgerproducten. Multinationale, criminele syndicaten maken misbruik van de zwakke rechtshandhaving en corruptie, terwijl ze profiteren van de hoge prijzen die betaald worden voor zeldzame en bedreigde dieren.

    Steve Galster, de oprichter van Freeland, zei: ‘Vanwege het strengere toezicht en omdat er meer aandacht is voor de handel, besloten de tussenpersonen in Laos hun eigen infrastructuur voor het fokken van wilde dieren te ontwikkelen. Daarmee willen ze ten eerste witwaskanalen opzetten – van elk dier dat van Thailand naar Laos werd gesmokkeld, kon op papier worden aangetoond dat het afkomstig was uit fokkerijen in Laos. Ten tweede willen ze hun eigen dieren fokken en minder afhankelijk zijn van onbetrouwbare Thaise leveranciers, die óf als smokkelaars gepakt werden óf hun prijzen verhoogden als compensatie voor duurdere maatregelen om het verscherpte toezicht te omzeilen.’

    Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen

    Volgens Freeland is de Mukda Tiger Park Farm, in Noordoost-Thailand aan de grens met Laos, zo’n tijgerfokkerij. Uit onderzoek dat Freeland aan The Independent heeft laten zien, blijkt dat de ‘dierentuin’ in de zomer van 2020 zo’n dertig tijgers bevatte en levende welpen en volwassen tijgers de grens over bracht. Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen. Een DNA-analyse van de levende tijgers wees uit dat ze genetisch niet verwant waren aan de andere, wat erop duidt dat ze van elders het land in waren gesmokkeld.

    Volgens Galster beweerden de eigenaren van de fokkerij dat ze de zes skeletten wilden opzetten, wat volgens de Thaise wet nog steeds legaal is. Dr. Mark Jones van de organisatie Born Free schat dat er in Zuidoost- en Oost-Azië meer dan 8300 tijgers in gevangenschap leven, vergeleken met 5000 in de VS.

    Een andere organisatie, Vannaseng, is in verband gebracht met een tijgerfokkerij en een apenfokkerij in de buurt van Vientiane, de hoofdstad van Laos. Freeland meent dat de directeur ervan, Viengnasone Ounalom, de schoondochter is van de directeur-generaal van de Laotiaanse douane.

    The Guardian schreef dat het bedrijf in 2014 van de Laotiaanse regering toestemming kreeg om 20 ton tijgervellen, botten en klauwen te verhandelen ter waarde van 1,2 miljoen dollar, in een land waarin 80 procent van de bevolking van minder dat 2,50 dollar per dag leeft. Vannaseng reageerde niet op een verzoek van The Independent om commentaar te geven op de activiteiten van het bedrijf en de staat van de dierenvoorzieningen.

    De Convention on International Trade in Endangered Species (CITES), waar alle Aziatische landen behalve Noord-Korea en Turkmenistan aan deelnemen, roept al sinds 2007 op een eind te maken aan het fokken van tijgers om handel mee te drijven. Sommige leden van de pro-fokkerijlobby betogen dat het fokken van tijgers de druk op in het wild levende tijgerpopulaties vermindert, maar dat wordt gelogenstraft door het almaar afnemende aantal wilde tijgers.

    Mazen in de wetten

    Volgens het World Wildlife Fund ondermijnen de tijgerfokkerijen de pogingen om het verbod op de handel in tijgerproducten af te dwingen. Het meent ook dat tijgerfokkerijen ertoe bijdragen om ‘de vraag ernaar te laten voortduren en toenemen’, omdat hun bestaan ‘die producten legitimeert en normaliseert in een gebied dat momenteel een grote en duurzame groei van consumentenklassen doormaakt’.

    In Laos en Thailand bestaan wetten die de landen dwingen zich te houden aan hun CITES-verplichtingen, maar veel mensen zeggen dat er onaanvaardbare mazen in die wetten zitten. Een rapport van de Environmental Investigation Agency uit 2019 wijst erop dat vergunningen om tijgers te fokken en te vervoeren vrij eenvoudig te krijgen zijn, en dat er ‘geen voorschrift’ bestaat om de handel in producten die delen van tijgers bevatten tegen te houden. Het rapport Op het slagersblok – de Mekong-route van de tijgerhandel richt zich vooral op de rol van de Speciale Economische Zones in de regio, zoals de Golden Triangle Speciale Economische Zone (GTSEZ), die in Laos ligt, maar feitelijk bestuurd wordt door een Chinees bedrijf.

    De GTSEZ wordt, met een leaseovereenkomst van negenennegentig jaar met de Laotiaanse regering, bestuurd door het in Hong Kong geregistreerde bedrijf de Kings Roman Group, dat op de sanctielijst van het Amerikaanse ministerie van Financiën staat wegens betrokkenheid bij illegale activiteiten zoals het smokkelen van drugs, mensen en dierlijke producten.

    Het ministerie verklaart dat miljardair Zhao Wei, die de controle heeft over de regio, en zijn vrouw Su Guiqin, directeur van het bedrijf die in een artikel in de South China Morning Post de ‘Koningin van de Speciale Economische Zone Golden Triangle’ wordt genoemd, ‘de GTSEZ uitbuiten om deel te nemen aan de smokkel van bedreigde en kwetsbare dieren, waaronder Aziatische zwarte beren, schubdieren, tijgers, neushoorns en olifanten’.

    Het kroonjuweel van het gebied van 100.000 hectare is het Kings Roman Casino, dat zeer in trek is bij Vietnamese en Chinese bezoekers. De muntsoort die er wordt gebruikt, is de Renminbi en buiten patrouilleren vaak Chinese agenten.

    Debbie Banks van de EIA noemt wat zich afspeelt in die speciale economische zones ‘door Chinezen geleide activiteiten die wetteloze gebieden opleveren waar misdaden tegen dieren kunnen worden gepleegd’. Ze suggereert ook dat er in het gebied minstens twee faciliteiten zijn met tientallen tijgers, waar producten als tijgerbotwijn makkelijk verkrijgbaar zijn.

    Tijgerfokkerijen maken deel uit van een bredere tijgerhandel die al eeuwen bestaat en gevoed wordt door de vraag naar delen van tijgers in Zuidoost- en Oost-Azië. Die delen worden voornamelijk gebruikt voor medicijnen die gebaseerd zijn op de traditionele Chinese geneeskunde.

    Debbie Banks legt uit: ‘Tijgerbotten worden in Vietnam tot een lijmachtige substantie gekookt waar ze tijgerlijm van maken. In China worden ze op twee manieren gebruikt: vermalen tot een poeder dat als ingrediënt wordt gebruikt binnen de traditionele geneeskunde of geweekt in rijstwijn om tijgerbotwijn te maken, die op de markt wordt gebracht als een gezondheidsproduct of als een prestigieus cadeau.’

    Het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel

    De groei van de middenklasse in die twee landen verklaart voor een groot deel de aanhoudende vraag naar tijgerproducten: het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel. ‘Sommigen geloven dat ze door een tijger te eten net als een tijger worden,’ zei Steve Galster.

    Waar illegale handel wordt gedreven, komt onvermijdelijk fraude voor. Toen het moeilijker werd om tijgers te stropen, en landen als Thailand en China strengere beperkingen op de handel legden, begonnen natuurbeschermers delen van leeuwen te ontdekken in geconfisqueerde vrachten. Ze veronderstelden dat het substituten voor zeldzamer delen waren.

    Leeuwenskeletten zijn in grote aantallen beschikbaar in Zuid-Afrika, vanwege de populariteit van de jacht op grote dieren aldaar. In een rapport uit 2017 van Born Free met als titel ‘Cash Before Conservation’ staat dat Zuid-Afrika de grootste exporteur van leeuwenbotten en -skeletten naar het Verre Oosten is. Het land heeft tussen 2008 en 2015 98 procent van de leeuwenkarkassen naar Vietnam of Laos gestuurd.

    En dus hebben de Tiger Queens hun blik nu grotendeels op Afrika gericht. Freeland wijst erop dat er een onderzoek loopt naar een Laotiaanse tijgerfokkerij die een dochteronderneming in Zuid-Afrika heeft geopend. Intussen zijn mensen zoals Vixay Keosavang, een inwoner van Laos, nog op vrije voeten, ondanks het feit dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in 2013 een beloning van een miljoen dollar heeft uitgeloofd voor informatie over zijn netwerk voor het smokkelen van wilde dieren van Afrika naar Azië.

    Monster in de hoek

    Freeland heeft diverse autoriteiten ingelicht over Keosavangs netwerk, en dat leidde tot elf arrestaties, vier vervolgingen en miljoenen in beslag genomen dollars. Het lijkt er dus op dat Keosavangs netwerk niet meer bestaat, maar zelf blijft hij onvindbaar en de Tiger Queens zorgen dat de zaken doorgaan.

    Galster legt uit: ‘De syndicaten die wilde dieren smokkelen en verbonden zijn met de fokkerijen in Laos en Thailand, sturen tussenpersonen naar Zuid-Afrika om voor duizend dollar leeuwenkarkassen te kopen, die ongeveer vijfentwintig keer goedkoper zijn dan karkassen van volwassen tijgers. Diezelfde personen zijn uiteindelijk overgestapt op hoorns van rhinocerossen.’ Natuurbeschermers luiden nu de noodklok over leeuwenpopulaties in Afrika, die sinds 1994 met de helft zouden zijn gekrompen.

    Debbie Banks van de EIA vertelt nog dat verkopers en consumenten het verschil tussen tijger- en leeuwenbotten zonder een DNA-test niet kunnen zien. En vanwege de pandemie vindt de handel nu bijna helemaal online plaats.

    De EIA ontdekte onlangs een Chinees bedrijf in Vientiane dat adverteerde met producten van tijgerbotten op WeChat, een berichten-app van het Chinese Tencent, dat vorig jaar een blog vrijgaf met als titel ‘Het is belangrijker dan ooit om een eind te maken aan de illegale handel in bedreigde diersoorten’.

    Steve Galster: ‘Het is een grote, etterende wond, een monster dat we in een hoek hebben geplaatst. En het probleem is moeilijk aan te pakken omdat de fokkerijen geleid worden door zeer invloedrijke mensen en omdat het om grote hoeveelheden dieren gaat.’

  • Zo mens, zo dier

    Zo mens, zo dier

    Katten verminken zichzelf, zeeotters hebben puberteitscrises en een op 
de twee honden krijgt na het tiende levensjaar een vorm van kanker. 
Dat er parallellen tussen mensen en dieren bestaan, is geen nieuws. Vreemd genoeg is er maar weinig kruisbestuiving tussen artsen en dierenartsen. Daar moet verandering in komen, zeggen onderzoekers.

    Popeye heeft duidelijk een probleem. Zodra 
de blonde adonis wordt losgelaten, dartelt hij de hele behandelkamer door om te laten zien hoe blij hij is. Maar algauw stopt de jonge labrador om zijn snuit tegen de grond te duwen. Als een 
borstel in een autowasstraat draait hij zijn dikke kop in het rond. Zijn vrouwtje heeft met hem te doen: ‘Hij zit zich alsmaar als een gek te krabben.’

    Niet veel later is Popeye onder narcose gebracht en ligt hij op de behandeltafel. Zijn buik is aan de linkerkant geschoren, op de lichtroze huid verschijnen minuscule knobbeltjes. De dermatologen van de diergeneeskundige kliniek van de Universiteit van Wenen doen een huidtest om erachter te komen wat Popeyes allergie veroorzaakt. ‘Steeds meer honden worden allergisch. Daarbij is Popeye ook nog eens blond, en lichtkleurige honden zijn er extra vatbaar voor. Net als bij mensen’, vertelt immunoloog en allergoloog Erika Jensen-Jarolim.

    Een van de knobbels op Popeyes buik zwelt inmiddels rood op, tot de omvang van een erwt.

    Het is 
duidelijk: Popeye is allergisch voor huisstofmijt, en mogelijk ook nog eens voor grassen. Popeye klachten hebben veel weg van die van een mens met een 
allergie. Diagnose en zelfs behandeling bij een hond verlopen op dezelfde wijze als bij een mens. Straks krijgt Popeye immunotherapie.

    Qua gezondheid verschillen mens en dier minder van elkaar dan doorgaans wordt gedacht. Zo zijn 
er dikhoornschapen die verslaafd zijn aan papaver, katten die zichzelf verminken, zeeotters met een puberteitscrisis en golden retrievers met borst-
kanker. Dat zulke parallellen bestaan, is geen nieuws. Toch worden de mogelijkheden die dat biedt tot nu toe nauwelijks opgemerkt. Veel ziektebeelden bij mensen zouden namelijk sneller en goedkoper onderzocht kunnen worden, als artsen zouden 
kijken naar wat er al bij veterinairs bekend is over 
de dierlijke pendant. Omgekeerd zouden dieren kunnen profiteren van al bestaande therapieën voor mensen. En soms zou het zinvol zijn te kijken naar de gezondheid van zowel mens als dier, bijvoorbeeld wanneer een epidemie overspringt van de ene soort op de andere.

    Gemeenschappelijke voorouders

    Enkele onderzoekers wagen zich reeds aan zo’n 
overstijgende blik. Zoals in het geval van Popeye, waarbij ook een medicus betrokken is: Erika Jensen-Jarolim, hoogleraar vergelijkende geneeskunde 
aan het Weense Messerli-instituut voor mens-
dierrelaties. Haar leerstoel is ondergebracht bij twee faculteiten tegelijk: de medische en de diergeneeskundige – in de academische wereld ongehoord.

    Het onderzoeksgebied van Jensen-Jarolim is de immunotherapie, het raakvlak van allergologie en kankeronderzoek. Ze wil achterhalen hoe het immuunsysteem kan worden ingezet tegen kankercellen. Dat is tot nu toe al gelukt voor longkanker 
en melanoomkanker. In andere gevallen zijn er 
nog veel bijwerkingen of slaat de therapie niet aan.

    Jensen-Jarolim heeft nu een voor de mens ontwikkelde antistof zodanig aangepast dat die voor honden te verdragen is. ‘De voordelen voor beide soorten liggen voor de hand’, vertelt ze. ‘Met deze antistof kan een moderne kankertherapie worden ontwikkeld voor honden, die daar enorm voordeel bij zouden hebben – een op de twee honden krijgt na het tiende levensjaar een vorm van kanker. En tegelijkertijd kunnen we uit onze ervaring met honden veelzeggende data vergaren en te weten komen hoe we deze het best op mensen kunnen toepassen.’

    Met deze benadering ontwijkt Jensen-Jarolim tevens een dilemma bij de 
traditionele ontwikkeling van geneesmiddelen. Deze moeten namelijk met gestandaardiseerde proeven op gestandaardiseerde dieren worden getest. Meestal zijn dat genetisch aangepaste ratten en muizen. ‘Maar standaardmensen bestaan niet’, zegt evolutie-bioloog Josef Reichholf. ‘Wereldwijd zijn mensen heel verschillend, en dat heeft bijvoorbeeld invloed op de manier waarop medicijnen werken en worden verdragen. Daarom worden veel bijwerkingen pas bekend als de werkzame stoffen al geruime tijd op de markt zijn, als het ware na langlopend onderzoek op mensen.’

    Wanneer het medisch onderzoek 
rekening zou houden met wetenschappelijke data, ervaringen en onderzoeken uit de diergeneeskunde, zou er van begin af aan een veel beter overzicht zijn van de werkingsmechanismen van een stof in verschillende organismen met verschillende genetische grondslagen. Tegelijkertijd lijken mensen 
en dieren in essentie sterk op elkaar:

    mensdier2
    ‘Veel mechanismen in ons lichaam 
zijn veel ouder dan onze soort. Ze gaan terug op de gemeenschappelijke voorouders van alle zoogdieren’, zegt Reichholf. Zo zijn infectieziekten zo oud dat de afweersystemen van het lichaam bij de meeste zoogdieren sterk op elkaar lijken. ‘Wij zijn nu eenmaal ook dieren – maar ongeveer 1 procent van onze genen onderscheidt ons van onze naaste verwanten, de mensaap.’

    Daarbij komt dat de ratten, muizen en andere knaagdieren die bij onderzoeken als modelorganismen dienen, 
biologisch niet heel erg op de mens lijken en al evenmin onder vergelijkbare omstandigheden leven. Externe factoren als omgeving, voeding en beweging zijn echter in hoge mate van invloed op de ontwikkeling van een ziekte. Honden zijn juist aan dezelfde invloeden blootgesteld als hun baasjes: ze leven bij hen in huis, bewegen zich dus veel in dezelfde omgeving en worden vaak even dik. Het zijn veel complexere zoogdieren dan muizen en ze zijn vatbaar voor dezelfde kankersoorten en allergieën als mensen. 
Maar bij het onderzoek naar een ziekte besteedt vrijwel geen enkele arts 
aandacht aan de inzichten uit de 
diergeneeskunde – of omgekeerd.

    Volgens evolutiebioloog Reichholf is die kloof tussen de wereld van dieren en mensen kunstmatig en bovendien een verspilling van middelen. ‘Wetenschappelijke data van dieren die meer van mensen weghebben dan laboratoriummuizen, zijn immers al lang beschikbaar: in de diergeneeskunde of in de wildbiologie. Maar in plaats van er gebruik van te maken en er iets van te leren voor mensen, zijn we massaal laboratoriummuizen aan het kwellen.’

    Minderwaardigheidscomplex

    Hoewel de voordelen van interdisciplinaire uitwisseling duidelijk zijn, 
stuitte de methode van de Weense allergoloog Jensen-Jarolim op verzet. ‘We dachten eerst dat we met hetzelfde geneesmiddel voor hond en baas verder zouden kunnen gaan; dat is eigenlijk voor beide partijen logisch.’ Maar de relatie tussen mens- en diergeneeskunde blijkt beladen.

    ‘Er wordt nog sterk in hiërarchieën gedacht’, zegt ze. Medici voelen zich doorgaans ver verheven boven een dierenarts en hebben zo goed als geen belangstelling voor de diergeneeskunde. En ook dierenartsen zijn nog niet bereid tot uitwisseling: die lijden op hun beurt aan een minderwaardigheidscomplex. Zo mislukte het project van Jensen-Jarolim aanvankelijk, omdat de Europese farmaceutische industrie geen belangstelling had.

    Het National Cancer Institute in de VS had wel 
interesse. Hier lopen momenteel de eerste studies met gewone huishonden. In de VS erkennen veel wetenschappers al langer de mogelijkheden tot samenwerking tussen mens- en diergeneeskunde. Sinds 2010 bestaat daar onder de naam Zoobiquity een vereniging van geneeskundigen en diergeneeskundigen. De naam van de vereniging is een combinatie van het Griekse begrip voor dier (zoon) en het Latijnse woord voor overal (ubique). Ook wel: het dier is overal. Inmiddels zijn er in de VS ook verschillende leerstoelen Comparitive Medicine (een vorm van geneeskunde die zich bezighoudt met de ziekten 
van mens en dier en de onderlinge samenhang).

    Cardioloog Barbara Natterson-Horowitz van de Universiteit van Californië heeft in 2012 met haar boek over Zoobiquity bijgedragen aan een zekere populariteit ervan. Ze kwam op het idee toen ze in het voorjaar van 2005 werd gevraagd naar de dierentuin van Los Angeles te komen. Dat was op zich niets bijzonders voor haar: als waardevolle wilde dieren een gecompliceerde ziekte hebben, doen dieren-
tuinen graag een beroep op specialisten. Maar deze keer betekende haar visite aan een keizertamarin, een kleine primaat, het begin van een reis door een jungle van veterinaire onderzoeksresultaten.

    De dierentuinarts vroeg haar destijds terloops het aapje niet rechtstreeks te benaderen, omdat het anders capture myopathy (‘vangmyopathie’) zou kunnen krijgen: een plotselinge hartstilstand bij 
een dier als gevolg van zware stress, bijvoorbeeld wanneer mensen het proberen te vangen. Natterson-Horowitz moest onmiddellijk denken aan Takotsubo-cardiomyopathie, een hartspierziekte die bij mensen pas sinds begin deze eeuw bekend is. Mensen die hieraan lijden, hebben bijvoorbeeld een geliefde zien sterven of zijn op hun huwelijksdag in de steek gelaten – de ziekte wordt daarom ook wel het ‘gebrokenhartsyndroom’ genoemd. Net als bij een aapje dat een uitzichtloze situatie ervaart, leiden ook bij deze mensen extreme emoties tot hartsymptomen.

    ‘Artsen schepten aan het begin van deze eeuw op over een exotisch inzicht dat bij iedere dierenarts al vanaf het eerste studiejaar bekend is’

    ‘Plotseling realiseerde ik me dat Takotsubo 
bij mensen en vangmyopathie bij dieren hoogstwaarschijnlijk met elkaar te maken hebben – waarschijnlijk ging het zelfs om een en hetzelfde syndroom met alleen maar een andere naam’, schrijft 
de cardioloog in haar boek. Haar verbazing was groot: ‘Al minstens veertig jaar weten dierenartsen dat extreme schrik bij dieren kan leiden tot schade aan hartspieren.’ Ze ontdekte dat dierenartsen al in hun basisopleiding leren welke voorzorgsmaatregelen hiertegen genomen moeten worden. ‘Dus artsen schepten aan het begin van deze eeuw op over een exotisch inzicht dat bij iedere dierenarts al vanaf het eerste studiejaar bekend is.’

    Vanaf dat moment stelde Natterson-
Horrowitz zich tot taak diagnoses uit de geneeskunde na te slaan in publicaties uit de diergeneeskunde. In haar boek heeft ze verschillende gevallen verzameld waarbij een gezondheidsprobleem van een mens een pendant heeft in de 
dierenwereld. Hiertoe behoren grote volksziekten zoals obesitas, diabetes, kanker en hartinfarcten, maar ook 
specifieke aandoeningen als eet- en gedragsstoornissen.

    One Health

    De kloof tussen mens- en diergeneeskunde is een modern verschijnsel. Nog geen honderd jaar geleden zorgde een plattelandsarts vaak voor zowel mensen als dieren. Van Rudolf Virchow, de grondlegger van de moderne pathologie, is bekend dat hij krachtig de stelling 
verdedigde ‘dat er tussen mens- en diergeneeskunde wetenschappelijk geen grensscheiding bestaat’.

    Dat er vele voordelen te behalen zijn bij een verbinding tussen beide disciplines, bewijst veterinair Jakob Zinsstag van het Zwitserse Tropen- en Volksgezondheidsinstituut. Decennia geleden ontdekte 
hij tijdens een veldstudie in Tsjaad dat nomadenstammen wel hun koeien inentten, maar niet hun kinderen. Dus zette hij een inentingsdienst op met een voor mens en dier gezamenlijke keten van transport en diepvriesopslag.

    Bij een ander project konden Zinsstag en zijn medeonderzoekers met behulp van een wiskundig model aantonen dat een aanvankelijk kostbaar lijkende inenting van straathonden tegen hondsdolheid goedkoper en effectiever was dan wanneer alleen zieke mensen zouden worden behandeld en alle honden gedood. Het zijn simpele voorbeelden die ook toegepast kunnen worden in westerse zorg-
systemen. ‘Samenwerking tussen beide disciplines leidt niet alleen tot meer gezondheid bij mens en dier, het bespaart ook nog eens veel geld’, zegt Zinsstag, die spreekt van One Health: één zorgsysteem voor mens en dier. De Wereldbank schat de mogelijke kostenbesparing door One Health wereldwijd op minimaal 6 miljard dollar per jaar.

    Ook in Europa zijn er mogelijkheden. 
Zo vertelt Zinsstag over een brucellose-uitbraak van enkele jaren geleden in Nederland. Koeien en varkens hadden deze infectieziekte overgedragen op mensen. De ‘mensenartsen’ waren daar helemaal niet op voorbereid, terwijl de dierenartsen er al lang veel van wisten.

    Als elke zorgsector onmiddellijk geïnformeerd zou worden over het voorkomen van meldingsplichtige infectieziekten, zouden er eerder maatregelen getroffen kunnen worden. ‘Een stap verder zijn aan elkaar gekoppelde kankerregisters’, zegt Zinsstag. 
‘De veroorzakers van kanker komen bij zowel mens als dier voor en kunnen zo dus veel sneller worden geïdentificeerd. We weten bijvoorbeeld dat huisdieren van rokers ook een verhoogd risico op longkanker hebben.’ Net zo nuttig zou een soort overstijgend register zijn van antibioticaresistenties, die zich immers ook kunnen ontwikkelen in een stal.

    Canada is tot nu toe het verst met het in praktijk brengen van One Health: alle onderzoeken naar voor mens en dier besmettelijke ziekten worden in een 
en hetzelfde laboratorium uitgevoerd. De zorgsector heeft er een uniform controlesysteem opgezet voor antibioticaresistenties en diarreeveroorzakers bij mens en dier.

    Voor Zinsstag is het nog niet genoeg. Zijn visie gaat veel verder: ‘De zorg voor gezondheid moet niet alleen naar mensen en dieren kijken, maar ook naar ecosystemen, dus factoren zoals luchtvervuiling, 
klimaatopwarming en bodemvruchtbaarheid.’ One Health ziet hij als niet meer dan een onderdeel van EcoHealth, een soort universeel zorgsysteem. ‘Alles hangt met alles samen’, zegt hij. ‘Eigenlijk weten 
we dat toch allang.’

    Auteur: Judith Blage

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 445.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.