Tag: dieren

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Hoe bescherm je oogst en olifant?

    Hoe bescherm je oogst en olifant?

    In Thailand worden olifanten zo goed beschermd, dat hun aantal toeneemt. Goed nieuws, maar het betekent ook dat ze steeds vaker in conflict komen met mensen.

    Volgens de National Parks, Wildlife and Plant Conservation Department (DNP) zwerven er tussen de 3500 en 4000 wilde olifanten rond in de bossen van Thailand, en zal hun aantal toenemen door de pogingen om de soort te beschermen. Dit toont aan dat die inspanningen succesvol zijn geweest, maar veel mensen – vooral diegenen die in dorpen wonen aan de rand van beschermde gebieden – zien het als een verontrustende ontwikkeling. Naarmate het aantal dikhuiden in beschermde gebieden toeneemt, neemt de hoeveelheid water en voedsel er af. Olifanten worden daardoor gedwongen naar naburige dorpen en velden te gaan om eten te zoeken. Het is dus onvermijdelijk dat er meer conflicten zullen komen tussen mens en olifant.

    De afgelopen jaren zijn er meldingen geweest van wilde olifanten die naar landbouwgronden trokken, oogsten vernielden en soms mensen verwondden en eigendommen beschadigden. Ook zijn olifanten die hun territorium wilden uitbreiden, gewond geraakt of zelfs gedood door elektrische afrasteringen en voertuigen.

    Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken

    Een geval dat veel aandacht trok, deed zich voor in het Khao Ang Rue Nai-reservaat in de provincie Chachoengsao. Daar raakte een olifant ernstig gewond door een botsing met een pick-uptruck op het twintig kilometer lange stuk van Highway 3259 dat door het reservaat loopt. De regering stelde daarop voor deze route in 2015 voorgoed te sluiten. Maar de lokale autoriteiten maakten daar bezwaar tegen omdat het te veel overlast zou opleveren voor automobilisten. Besloten werd het stuk door het reservaat alleen te sluiten tussen negen uur ’s avonds en vijf uur in de morgen.

    Decha Nilwichien, hoofd van het Khao Ang Rue Nai-reservaat, vertelde dat er jaarlijks bijna 14.000 wilde dieren omkomen op deze snelweg. De route wordt ook vaak gebruikt door olifanten.

    Het Khao Ang Rue Nai-reservaat is een van de 
zeven beschermde gebieden in Thailand die onderdak bieden aan meer dan honderd wilde olifanten. 
Het is tevens de plek waar sommige van de ergste 
conflicten tussen mens en olifant plaatsvinden.

    Het reservaat beslaat een gebied van bijna 11.000 hectare regenwoud dat zich uitstrekt over vijf oostelijke provincies: Chachoengsao, Chonburi, Rayong, Chanthaburi en Sa Kaeo. Volgens de DNP werd de 
olifantenpopulatie in Khao Ang Rue Nai tien jaar geleden geschat op 217. De olifantendichtheid was toen 0,2 dieren per vierkante kilometer. Maar de afgelopen jaren is de olifantenbevolking toegenomen met 9,83 procent. Er leven nu minstens 275 olifanten in het reservaat en de twintig jonge dieren die er per jaar geboren worden, overtreffen de sterfgevallen. Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken vanwege de toename van de populatie, de afnemende voedselbronnen en de verleiding van de begroeide akkers.

    Oogstincidenten

    Uit een studie die in 2010 werd uitgevoerd door het Economy and Environment Program for Southeast Asia (EEPSEA) bleek dat er gemiddeld zo’n 25 oogstincidenten per maand plaatsvonden in dorpen in 
de buurt van het Khao Ang Rue Nai-reservaat. Huishoudens in het gebied moesten gemiddeld 212 nachten per jaar hun oogst bewaken. Het gemiddelde landbouwgebied dat door olifanten werd beschadigd was 0,96 hectare per huishouden per jaar. De gemiddelde schade die olifanten aanrichtten was 34.825 baht (ongeveer 920 euro) per huishouden per jaar, wat neerkwam op negentien procent van het gemiddelde inkomen.

    Suphan Nanam, inwoner van Ban Ang Suea Dam in het Tha Takiap-district van Chachoengsao, vertelde dat hij is gestopt met zijn boerenbedrijf en freelance is gaan werken nadat olifanten twee jaar geleden vijftienhonderd bananenbomen hadden verwoest. ‘Het is zinloos om gewassen te verbouwen die je niet kunt oogsten. Die dieren hebben alles in een oogwenk geruïneerd. Ze laten zich maar even verjagen door voetzoekers en dan komen ze weer terug, dus het was beter om te stoppen dan mijn leven te 
riskeren om ze te bestrijden,’ zei hij.

    Suphan, die al meer dan veertig jaar in Ban Ang Suea Dam woont, zei dat die rooftochten in het verleden slechts sporadisch voorkwamen, maar dat de incidenten de afgelopen jaren veel frequenter zijn geworden. ‘De overbevolking van wilde olifanten is misschien de hoofdoorzaak waardoor ze voedsel in de dorpen komen zoeken.’

    Huay Jaidee, een rijstboerin in het subdistrict Khlong Takrao, vertelde dat 
ze tijdens het oogstseizoen ’s nachts moest opblijven om haar rijstveld te bewaken omdat de olifanten het anders zouden vernielen. Huay, wier huis aan de twintig kilometer van Highway 3259 ligt die door het reservaat lopen, vertelde dat ze thuis nu ook krekels kweekt als tweede baan om tenminste nog wat inkomen te hebben als haar oogst wordt verwoest door 
olifanten. ‘De beste plek om krekels te verkopen is een markt in Sa Kaeo. Maar ik moet door het reservaat rijden om er te komen, dus ik zou dubbel in de moeilijkheden komen als de regering beslist om de weg permanent af te sluiten,’ zei ze.

    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images
    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images

    Lokale inwoners en regeringsinstanties hebben maatregelen getroffen, zoals het graven van sloten om de grens tussen mens en olifant duidelijk te markeren, maar die werken maar tot op zekere hoogte en hebben niet alle dieren tegengehouden. ‘Olifanten zijn intelligente wezens. Ze hebben in de loop der tijd geleerd hoe ze de hindernissen kunnen slechten die wij voor ze hebben opgetrokken,’ zei Huay.

    Een paar weken geleden brak een kudde olifanten 
’s nachts ook in bij de Ban Ang Suea Dam-school om bamboe te eten. Kanchana Dit-aim, een lerares, zei dat ze zich zorgen maakte dat de olifanten ooit 
overdag zouden komen als de leerlingen aanwezig waren. ‘De school heeft voetzoekers klaarliggen om de olifanten af te schrikken en er is een noodplan opgezet om de leerlingen te evacueren naar een 
veilige plek.’

    Kanjana Nitaya, de directeur van het Wildlife Conservation Office van de DNP, erkent dat er toenemende conflicten zijn tussen de mensen die rondom het woud wonen en de wilde olifanten, en dat er al een tijd wordt gewerkt aan een oplossing. ‘Sommige boeren nemen strenge maatregelen tegen de olifanten, zoals elektrische hekken plaatsen of op ze schieten. Dat is niet de juiste manier en wij proberen meer begrip te kweken bij de mensen en constructievere oplossingen te zoeken.’ Als je ze uiteenjaagt met 
voetzoekers kan dat de olifanten 
angstig maken en dan zouden ze 
de dorpelingen kunnen aanvallen, voegde ze er nog aan toe.

    Terugjagen naar het bos

    Als een soort voorlopige oplossing 
proberen mensen van de DNP samen met vrijwilligers wilde olifanten op te sporen en ze terug te jagen naar het bos. Een effectievere manier om te voorkomen dat de olifanten oogsten beschadigen, is het plaatsen van door bijenkorven gevormde omheiningen. Als de olifanten daar in de buurt komen, jagen de bijen ze weg zonder de dieren kwaad te doen. De DNP is 
ook van plan om in het bos voedsel voor de olifanten te gaan verbouwen.

    Maar om conflicten tussen mens en olifant te veranderen in harmonie tussen mens en olifant, moeten de mensen de aard van de dieren begrijpen en leren met hen samen te leven. ‘Wij dringen ook binnen in het woud. Daarmee bezorgen we de olifanten, 
die toch al moeite hebben om voedsel te vinden, nog meer overlast. We horen geen inbreuk te maken op hun leefgebied,’ zei Kanjana.

    De bossen in Thailand zijn, door de ontwikkeling en uitbreiding van menselijke nederzettingen, enorm gefragmenteerd. Als die verder aangetast worden, vermindert dat de kans om de afzonderlijke stukken weer met elkaar te verbinden.

    Komsan Chartputhorn van het Khao Ang Rue Nai-reservaat zei dat menselijk gedrag een aanzuigende werking kan hebben op olifanten die oogsten vernietigen. In het verleden aten de olifanten bijvoorbeeld geen papaja’s, maar verkopers lieten overrijpe vruchten op de weg achter als voedsel voor de olifanten. Die zijn papaja’s lekker gaan vinden en gaan er nu zelf achteraan. Dit toont aan dat mensen het consumptiegedrag van olifanten kunnen veranderen, zei hij nog. Daarom is het van belang om mensen te leren dat ze wilde dieren niet moeten voederen.

    Er moeten wildcorridors worden aangelegd om olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden

    Het verbeteren van de habitat van olifanten, vrouwtjesolifanten voorbehoedsmiddelen toedienen en elektrische hekken plaatsen om olifanten weg te houden bij landbouwgronden zouden volgens EEPSEA-onderzoek conflicten tussen mens en olifant tegen kunnen gaan. Het wijst ook uit dat in sommige gebieden verplaatsing van de olifanten naar elders op de lange termijn noodzakelijk kan zijn.

    Volgens Kanjana moeten er ook wildcorridors worden aangelegd om de olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden. Die zouden tevens kunnen dienen als verbinding tussen de gefragmenteerde stukken bos.

    De DNP en andere experts hebben een oplossing van het mens-olifantconflict voorgesteld als onderdeel van het hervormingsplan voor natuurlijke hulpbronnen en het milieu. Dat plan wordt nog bestudeerd door de overheid, maar men verwacht dat het binnenkort wordt uitgevoerd. Volgens het plan moet ook een lijst van bedreigde dieren worden opgesteld, plus de ernst van hun situatie. En hun leefomgevingen moeten worden verbeterd, met meer voedsel- en waterbronnen.

    Auteur: Dumrongkiat Mala
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht 
onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt *
gemaakt door een team internationale redacteuren.* Het richt zich op de 
stedelijke elite en expats.

  • Wetenschappers prefereren honden

    Wetenschappers prefereren honden

    Er blijkt veel meer wetenschappelijk onderzoek te worden gedaan naar honden dan naar katten. Hoe komt dat?

    Iemand (mijn baas) merkte laatst op dat ik vaker artikelen over honden schrijf dan over katten, en vroeg me hoe dat kwam.

    Ik wist natuurlijk meteen dat het absoluut niets te maken kan hebben met het feit dat ik al ettelijke honden en nog nooit een kat heb gehad: het moet een afspiegeling zijn van het aantal wetenschappelijke studies naar beide dieren. Ik schrijf immers over elk onderzoek dat boeiende bevindingen oplevert en ik heb niets tegen katten, ook al ben ik zelf geen kattenmens. Twee van mijn volwassen kinderen hebben katten, en laten die vooral niet denken dat ik ze links laat liggen. (Hallo, Bailey! Hallo, Tawney! Dat zijn de katten, niet mijn kinderen.)

    Maar het leek me wel goed om hier eens in te duiken, dus mailde ik Elinor Karlsson van het Broad Institute en de University of Massachusetts. Zij is geneticus en ze heeft drie katten, maar haar onderzoek gaat vooral over honden: een onbevooroordeelde blik dus. Ze doet trouwens onderzoek naar het genoom van verschillende honden. Ze verzamelt DNA door hondenbezitters op te roepen wat speeksel van hun viervoeter op te sturen.

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: “Wat is eigenlijk een hond?”

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: ‘Wat is eigenlijk een hond?’ Honden en katten worden ook als proefdieren in laboratoria gebruikt, maar ik heb niet gevraagd welke van de twee voor zulke experimenten het populairst zijn.

    Karlsson leerde ik kennen toen ik over haar onderzoek naar wolven schreef. Ik mailde haar met de vraag of er inderdaad meer onderzoek naar honden dan naar katten wordt gedaan, en zo ja, waarom.

    ‘Ooo, wat een interessante vraag!’ schreef ze terug. ‘Veel leuker dan al die mails over beursaanvragen in mijn mailbox. Er wordt inderdaad minder onderzoek naar katten gedaan. Ik denk dat ze minder serieus worden genomen dan honden, dat heeft waarschijnlijk met maatschappelijke vooroordelen te maken. In mijn vakgroep zit een dierenarts die denkt dat veel kankersoorten die bij katten voorkomen een beter model kunnen bieden voor menselijke kankersoorten, maar daar wordt bijna geen onderzoek naar gedaan.’ Een beter model dan kanker bij honden, bedoelt ze. Honden krijgen veel soorten kanker die ook bij de mens voorkomen, maar bij honden verschilt de frequentie per ras, zodat je gerichter naar oorzaken kunt zoeken.

    Verder staat kattengedrag volgens Karlsson laag in aanzien. ‘Mensen die niets met katten hebben, vinden het een belachelijk idee om hun gedragsgenetica te bestuderen, en in de wereld van de dressuur wordt geklaagd dat men er klakkeloos van uitgaat dat katten niet te dresseren zijn.’ Katten zijn natuurlijk net zo goed te dresseren als elk ander dier. Zo heeft Karlsson zonder het te beseffen haar kat geleerd op het aanrecht te springen zodra ze het kastje met kattensnoepgoed opent. De commercie is er ook al op ingesprongen. Er zijn verschillende pakketten te koop om je kat te leren zijn behoefte op de wc te doen. Als er al zoiets voor honden bestaat, heb ik het niet kunnen vinden. Zelfs niet voor bichon frisés.

    adorable animal blur 850602

    Voor het kankeronderzoek verwees Karlsson me door naar Kate Megquier, een dierenarts aan het Broad Institute die daar promotieonderzoek naar doet. Ook zij vindt dat katten meer aandacht verdienen. ‘Ik bestudeer vooral veel kankersoorten bij honden,’ zegt ze, maar er zijn goede redenen om ook meer studie te maken van kanker bij katten. Ze zegt dat katten veel lymfomen krijgen ‘en daar kunnen we beslist iets van leren’. Ook krijgen ze vormen van mondkanker die lijken op die bij de mens, en volgens haar worden die mogelijk veroorzaakt door gifstoffen in onze leefomgeving, die katten binnenkrijgen als ze zich wassen. Onderzoek daarnaar ‘kan ons inzicht in die aandoeningen vergroten’, zegt ze, en zowel kat als mens ten goede komen. Kate Megquier vindt honden leuk, maar is naar eigen zeggen ‘absoluut een kattenmens’.

    Volgens Karlsson zijn er goede redenen waarom er zo veel onderzoek naar honden wordt gedaan. Zo zijn er veel meer hondenrassen: wel vierhonderd, tegen circa veertig kattenrassen. Dat betekent meer genetische diversiteit en dus meer mogelijkheden om het genoom te bestuderen. Maar ze zegt erbij dat het nieuwe modelgenoom voor katten veel gedetailleerder is dan het laatste modelgenoom voor honden. ‘We zijn daar allemaal razend jaloers op en werden er op een conferentie vorige week flink mee gepest door de kattenonderzoekers.’ En ze wijst erop dat culturele vooroordelen over huisdieren zelfs een rol spelen bij de opzet van zulke conferenties. Dat honden en katten samen het thema van een wetenschappelijke bijeenkomst zijn, heeft immers meer met hun imago als archetypische huisdieren te maken dan met hun biologische overeenkomsten.

    Mijn volgende e-mail was gericht aan Elaine Ostrander van de National Institutes of Health. Zij heeft zelf honden en doet onderzoek naar de genetica van honden. Haar lab heeft acht genen geïdentificeerd die zeer bepalend zijn voor de grootte van een hond. Het eerste daarvan zorgt er vooral voor dat honden klein blijven. Ook heeft haar lab kankergenen gevonden die honden gemeen hebben met de mens, met name de genetische oorzaak van een soort nierkanker die veel voorkomt bij Duitse herders. Datzelfde gen blijkt hetzelfde type kanker ook bij de mens te veroorzaken.

    adorable animals cat bed 64284

    Ostrander wijst erop dat vooral de grote verscheidenheid aan hondenrassen in alle soorten en maten aantrekkelijk is voor wetenschappers. Sommige genen die bepalend zijn voor de groei van een hond hebben ook invloed ‘op aandoeningen van op hol geslagen groei, zoals kanker’. Bovendien, schrijft ze, ‘ondergingen honden een heel geprononceerde populatieflessenhals tijdens hun domesticatie’ toen een klein aantal wolven de oerouders werden van alle tamme honden. Daarna zijn in de negentiende eeuw tal van rassen gefokt met nog veel nauwere genetische flessenhalzen, en bijgevolg veel inteelt. De domesticatie heeft volgens haar ‘in een ongelooflijk kort tijdsbestek plaatsgevonden en we hebben er nog steeds niet alle genetische finesses van doorgrond. Het blijft een van de interessantste en lastigste kwesties in de biologie.’ De gedragsproblemen van sommige honden vertonen trekken van wat we bij mensen een obsessief-compulsieve gedragsstoornis noemen. Zulke overeenkomsten bieden volgens Ostrander ‘een mooie kans om meer over onszelf te leren’.

    Overtuigend pleidooi voor de honden, leek me. Daarna belde ik een van de mensen die een groot aandeel hebben gehad in de beschrijving van het modelgenoom voor katten waar Karlsson het over had: Leslie Lyons van de University of Missouri. Ook aan haar de vraag of er meer onderzoek werd gedaan naar honden dan naar katten.
    ‘Absoluut,’ zegt ze, ‘om verschillende redenen.’ Ze beaamt dat ‘honden ideaal zijn voor onderzoek naar kanker’ en dat ze langer gedomesticeerd zijn dan katten, zodat er meer hondenrassen zijn en dus meer mogelijkheden om onderzoek naar erfelijke ziekten te doen. Maar ze zegt ook dat maatschappelijke vooroordelen over katten hun weerslag hebben op het wetenschappelijk onderzoek. Kattenliefhebbers zijn nu bijvoorbeeld niet zo in gekke rassen geïnteresseerd als hondenliefhebbers, maar dat kan veranderen. Als er vraag naar was, zou je katten in net zo veel soorten en maten kunnen fokken als honden. ‘Dan krijg je misschien een chihuahua-kat en een kat zo groot als een Deense dog. Al lijkt me dat,’ voegt ze eraan toe, ‘een beetje gevaarlijk.’

    Ze zegt dat het voor onderzoek naar katten veel moeilijker is om financiering te krijgen, ook al zijn katten voor onderzoek naar sommige aandoeningen, zoals polycystische nieren, geschikter. ‘Laten we er medicijnen op testen. Misschien dat kat én mens ermee geholpen zijn.’ Overigens heeft Lyons zelf katten en liet ze in ons gesprek terloops het antihondencliché ‘cats rule, dogs drool’ vallen.


    Ik heb ook gebeld met Fiona Marshall, een bioarcheoloog aan Washington University in St. Louis. We hadden elkaar een tijdje geleden gesproken voor een artikel over ezels. De domesticatie van ezels is een van haar onderzoeksgebieden. Verder doet ze onderzoek naar Afrikaanse katten en hun domesticatie. Enkele jaren geleden schreef ze mee aan een artikel over het vroegste bewijs van gedomesticeerde katten ter wereld, aangetroffen op een 5300 jaar oude vindplaats in China.

    Ze zegt dat je bij opgravingen minder sporen van katten dan van honden vindt. Deels omdat het solitaire dieren zijn, die door de vroege mens blijkbaar ook minder vaak werden opgegeten dan honden. ‘Als ze niet gegeten worden, vind je er geen spoor van terug in het afval.’

    ‘Ik denk dat het ook te maken heeft met hoe er in Europa vanaf de middeleeuwen tegen katten werd aangekeken,’ zegt ze. ‘Katten werden daar als slechte dieren beschouwd, omdat ze mensen niet gehoorzaamden.’ Tegenwoordig wordt die karaktertrek van katten juist sterk gewaardeerd. Marshall heeft zelf ook katten.

    De cijfers

    En dan nu de cijfers. Een zoekopdracht in Pub Med, een database van de meeste biomedische tijdschriften, levert 139.858 treffers op voor katten en 328.781 voor honden. Bij Google Scholar was het 1.670.000 voor katten en 2.850.000 voor honden. Dat is natuurlijk maar een simpele zoekopdracht die weinig zegt over het soort onderzoek dat werd uitgevoerd. Wat de journalistiek betreft: een zoekopdracht in de nieuwsdatabank Nexis levert meer dan drieduizend treffers op voor honden en katten, met de waarschuwing dat het lang gaat duren voordat die allemaal zijn opgehaald. Ik beperk me dus tot het zoeken naar ‘hondengenoom’ en ‘kattengenoom’. Resultaat: twintig voor honden, zes voor katten. Het genoom van honden is eerder in kaart gebracht dan dat van katten.

    Uit deze willekeurige greep mogen vooral geen conclusies worden getrokken, behalve dat het de indruk van de wetenschappers bevestigt dat naar honden meer onderzoek wordt gedaan.

    Daarnaast kwam een collega nog met een suggestie die bij geen van de geïnterviewde deskundigen was opgekomen – een teken dat toewijding aan de wetenschap soms ook je blik vernauwt. ‘Zou het kunnen,’ vroeg die collega, die zelf zowel katten als honden heeft gehad, ‘dat er meer studies over honden dan over katten zijn omdat katten er gewoon niet aan wensen mee te werken?’

    Natuurlijk. Waarom had ik daar zelf niet aan gedacht?

    Auteur: James Gorman
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistiek prijzen dan enig ander medium.

  • Het gevaarlijke liefdesleven van wenkkrabben

    Het gevaarlijke liefdesleven van wenkkrabben

    Door de zeespiegelstijging komen verschillende soorten wenkkrabben met elkaar in contact. Voor de banaanwenkkrab pakt dat niet zo goed uit – omdat hij te aardig is.

    De meeste wenkkrabbensoorten houden er vergelijkbare levensstijlen op na. Toch is de tolerantie van deze krabben voor hoe lang, hoe vaak en op welke manier hun hol bij vloed volstroomt heel verschillend. In de strook kust die bij eb droogvalt kan een paar centimeter hoogte al een groot verschil maken; daardoor is de habitat van elke soort heel smal.

    Twee wenkkrabbensoorten, Tubuca elegans en Tubuca signata, zoeken bij Darwin Harbour in Noord-Australië noodgedwongen hogergelegen gebieden op, waar ze een hol kunnen graven waar ze minder last van het water hebben.

    Helaas dringen ze daarbij het leefgebied binnen van weer een derde wenkkrabbensoort, Austruca mjoebergi, de banaanwenkkrab. Uit recent onderzoek blijkt dat deze soort veel last heeft van zijn nieuwe buren – omdat hij zo aardig is.

    Helaas zwaaien banaanwenkkrabmannetjes ook vrolijk naar voorbij wandelende vrouwtjes van andere soorten

    De mannetjes van alle wenkkrabbensoorten bakenen een territorium af, graven dan een hol en verdedigen dat fel tegen indringers. Gedurende twee weken in de zomer gaan de vrouwtjes op zoek naar een partner en paraderen daarbij langs deze holen, terwijl de mannetjes ervoor staan. Die trekken dan aandacht door met hun grote scharen te zwaaien (vandaar de naam wenkkrabben). Dit systeem werkt prima zolang er maar één wenkkrabbensoort in een gebied leeft. Maar helaas zwaaien banaanwenkkrabmannetjes ook vrolijk naar voorbij wandelende vrouwtjes van andere soorten.

    Soms verlaten ze zelfs hun hol om zo’n passerend vrouwtje een stukje te volgen, waarbij ze een gemakkelijke prooi zijn voor meeuwen, ijsvogels en andere kustvogels. Achtervolgen ze een vrouwtjeskrab van hun eigen soort, dan is dat het risico wel waard. Maar met de nieuwkomers kunnen deze weinig kieskeurige mannetjes niet paren. Zij verspillen dus veel tijd en energie – en riskeren zelfs hun leven.

    Nog ingewikkelder is voor de banaanwenkkrab de interactie met andersoortige mannetjes. Onder wenkkrabben gaat het onderling bepalen van territoriumgrenzen vaak met veel geweld gepaard. Het is dus makkelijker om een buurman te hebben met wie de strijd al is gestreden dan om een nieuwe te krijgen. Soms helpt een mannetje zijn buurman zelfs om diens territorium tegen indringers te verdedigen, maar alleen als ze een goede kans hebben om de strijd te winnen – is de indringer te groot en belooft het een zwaar gevecht te worden, dan denken ze daar wel twee keer over na.


    Banaanwenkkrabben zijn kleiner dan de twee soorten met wie zij nu hun leefgebied moeten delen. Zodra deze grotere krabben hun opwachting maken, zullen de banaanwenkkrabben dus minder vaak solidair zijn om hen te verdrijven. Soms eindigt het zelfs nog dramatischer.

    Banaanwenkkrabben maken namelijk niet altijd even goed het onderscheid tussen hun buren. De bioloog Fabio Sanches van de universiteit van de staat São Paulo in Brazilië, een van de auteurs van het onderzoek, vertelt dat het kan gebeuren dat ze een buur van een andere soort helpen en daarmee een mannetje van hun eigen soort verdrijven.

    Voor een krab is het een regelrechte ramp uit zijn hol verdreven te worden. Als veel banaanwenkkrabben hun territorium aan de nieuwkomers verliezen, kan het resultaat zelfs zijn dat deze populatie zijn natuurlijke habitat kwijtraakt.

    Overlevingsstrategie

    Als gevolg van de zeespiegelstijging, en de daarmee gepaard gaande vernietiging van natuurlijke habitats, worden verschillende soorten vaker in krimpende gebiedjes opeen gedreven. Voor soorten die zich niet kunnen aanpassen kan dat het einde betekenen. Sanches: ‘Het zou goed kunnen dat sommige soorten daar meer onder te lijden hebben dan andere.’

    En de banaanwenkkrabben kunnen nergens heen. De aanleg van gebouwen, wegen en dammen langs de vloedlijn creëert onoverkomelijke barrières voor soorten die het hogerop zoeken wanneer het water stijgt.

    Het is moeilijk te voorspellen hoe deze drie krabbensoorten de beschikbare ruimte uiteindelijk zullen verdelen. ‘Wenkkrabben beschikken over allerlei strategieën om hun soortgenoten te herkennen,’ vertelt bioloog Daniela Perez van de Australian National University, die overigens niet bij het onderzoek betrokken was. Volgens haar zouden de banaanwenkkrabben er op de lange termijn beter in kunnen worden soorten uit elkaar te houden. De redding komt misschien wel van de vrouwtjes. Vrouwtjes lijken geschikte partners namelijk beter te kunnen herkennen dan mannetjes. Ze herkennen bijvoorbeeld de kleur van de scharen van hun eigen mannetjes en de manier waarop zij ermee wuiven.

    Een andere goede overlevingsstrategie is om te letten op het tijdstip waarop de hofmakerij begint. De drie soorten kiezen net een iets ander moment uit om te paren, vertelt Sanches. Paren kost veel energie, dus de mannelijke banaanwenkkrabben krijgen misschien op den duur wel door dat het niet slim is om te wuiven naar elke vrouwelijke wenkkrab die voorbij wandelt, ongeacht de soort waar zij toe behoort.

    De tragedie die zich hier aan de kust afspeelt hoeft dus niet per se slecht af te lopen. Als de mannetjes van de banaanwenkkrab zich weten te beheersen, is er nog hoop op een happy end.

    Auteur: K.N. Smith
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Hakai Magazine
    Canada | www.hakaimagzine.com

    Wetenschap, maatschappij en milieu, met een nadruk op de zeeën. Het tijdschrift is onderdeel van Tula Foundation en Hakai Institute. De naam is geïnspireerd op Hakai Lúxvbálís Conservancy, een groot beschermd gebied aan de westkust van Canada.

  • Ruslands gevinde leger

    Ruslands gevinde leger

    In het geheimzinnige instituut voor mariene biologie in Moermansk worden zeezoogdieren als dolfijnen en robben getraind voor gevechtsdoeleinden. ‘Er is geen robot die tegen ze op kan.’

    De kisten voor het transport van de robben zijn speciaal voor dit doel gemaakt van gladgeschaafde planken. Aan de zijkanten nylon koord, bovenop twee hangsloten en binnenin een besnorde snuit met twee grote zwarte ogen. Het grijze vrouwtje Boezia heeft al een hele reis achter de rug. Vanaf het grote Kyi-eiland in de Witte Zee is ze per schip, per vrachtwagen en vervolgens per auto vervoerd naar de haven van Polyarny, de grootste marinebasis van de Russische Noordelijke Vloot, waar kernonderzeeërs worden gerepareerd en ontmanteld. Het is een ‘gesloten stad’, met andere woorden: voor de meeste mensen verboden terrein.

    Hun vermogen om uit vrije wil een houten kist binnen te gaan bepaalt het lot van deze ‘multi-inzetbare robben’, zoals ze door de onderzoekers worden genoemd, want dat maakt ze geschikt om zowel voor militaire als voor burgerdoeleinden dienst te doen. Het is voor deze zeezoogdieren heel stressvol om een krappe ruimte in te moeten gaan. En toch is dat de basis van het militaire werk dat met hen wordt gedaan. ‘Wanneer ze worden ingezet, moeten ze in zo’n kist blijven tot het tijd is voor hun missie,’ zegt Dmitri Isjkoelov, wetenschappelijk directeur van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘Robben kennen twee natuurlijke habitats, de zee en het land. Dat is hun voordeel boven walvisachtigen. Dolfijnen en beloega’s [witte walvissen] moeten in een speciaal bassin worden vervoerd: hun huid moet nat blijven, anders gaat die barsten.’

    Uniek

    Het instituut voor mariene biologie in Moermansk is uniek in de wereld. Het is gevestigd boven de poolcirkel en doet al tientallen jaren onderzoek naar zeezoogdieren, waarbij het fundamenteel onderzoek en praktische toepassingen met elkaar verbindt. In 1984 is er op initiatief van Gennadi Matisjov, lid van de Russische Academie van Wetenschappen, een speciale militaire afdeling gevestigd waar zeezoogdieren getraind konden worden voor gevechtsdoeleinden. Sindsdien zijn de meest uiteenlopende dieren hier ‘onder de wapenen’ gekomen – Stellerzeeleeuwen, pelsrobben, grote dolfijnen, beluga’s, zadelrobben, grijze robben, ringelrobben en baardrobben.

    Onlangs hebben de onderzoekers onder leiding van Gennadi Matisjov de Stepan-Makarov prijs (een onderscheiding vanwege grote wetenschappelijke verdiensten op het terrein van de oceanografie) gekregen, voor hun werk rond ‘de inzet van zeezoogdieren voor operationele doeleinden’. Er is een artikel gepubliceerd op de website van de Russische Academie voor Wetenschappen, waarin staat dat er in deze tijd van toenemende terroristische dreiging weleens hernieuwde belangstelling zou kunnen ontstaan voor onderzoek naar gevechtsrobben. Misschien kunnen de gevinde soldaten ‘terugkeren in de rangen en weer een eigen plaats krijgen in het Russisch militair complex’, aldus het artikel.

    Het vinpotigencommando in Moermansk is het enige dat nog over is van het belangrijke trainingscomplex dat de Sovjet-Unie in de tweede helft van de twintigste eeuw had ingericht. Het doel van de wetenschappers en militairen was enerzijds om het mysterie van de werking van de dieren te doorgronden en die kennis toe te passen bij de ontwikkeling van nieuwe wapens, en anderzijds om de dieren zelf te gebruiken. Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen van het instituut voor maritieme biologie, vertelt: ‘De onderzoeksresultaten worden zelden openbaar gemaakt, er zijn geen internationale conferenties over het “operationeel” gebruik van zeedieren. Elk land houdt zijn geheimen liever voor zich. Want er zijn dan wel bepaalde basistechnieken, maar elke dompteur heeft zijn eigen trucs om het dier zover te krijgen dat het een bepaalde taak uitvoert. Het is een ware kunst.’

    Door die geheimzinnigheid ontstaan allerlei mythen. Bijvoorbeeld over dolfijnen die in de Sovjettijd duikers op sabotagemissie aanvielen in de Zwarte Zee, parachutesprongen maakten en de kernonderzeeërs bewaakten. Maar volgens sceptici is het hele project nooit het niveau van een circusnummer ontstegen. Zoals altijd ligt de waarheid ergens in het midden. De trainingscentra van het instituut voor mariene biologie in Moermansk in de Barentszzee en in de baai van Kola, vormden binnen de Sovjet-Unie de derde pijler voor het scheppen van ‘biotechnologische systemen’, zoals Boezia en haar medebewoners van het trainingscentrum in Krasnije Kamni [in de baai van Kola, in de buurt van Polyarny in het district Moermansk] eufemistisch worden genoemd.

    Tot op het laatste moment dachten de piloten dat “dolfijnen” een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht

    ‘Eerst was er, in de jaren zestig, het militaire dolfinarium van Sebastopol (op de Krim), waar gevechtsdolfijnen werden gedresseerd,’ vertelt Vitali Varganov, een van de laatste directeuren van dit legendarische militaire centrum, dat in 1990, na het uiteenvallen van de USSR, de poorten sloot. Het was een enorm project dat vanuit de hele Sovjet-Unie steun kreeg: 52 onderzoeksinstituten op verschillende vakgebieden werkten mee aan dit biotechnologisch centrum. Het dolfinarium, dat het ‘oceanarium’ werd genoemd toen men er ook dieren uit het Verre Oosten kreeg, besloeg een terrein van 10 hectaren en omvatte onder andere drie afgesloten dierenverblijven, bassins, installaties voor het leegpompen daarvan en voor het vangen van de dieren, een militaire kazerne en een laboratorium.

    De officiële opdracht van het onderzoeksteam, dat voor bijna de helft uit marineofficieren bestond, was om het geheim te ontraadselen van de Gray-paradox, zo genoemd naar de wetenschapper die deze had ontdekt (de Britse zoöloog James Gray, 1891-1975). Hem was opgevallen dat dolfijnen tien keer zo hard zwommen als je aan de hand van hun spiermassa zou verwachten. De onderzoekers lieten een kanaal aanleggen van vijftig meter lang, met glazen panelen in de zijkanten. Daar lieten ze de dolfijnen doorheen zwemmen terwijl zij ze observeerden. Zo ontdekten ze dat de opperhuid van de dolfijnen hun weerstand tegen de beweging van het water vermindert, zodat de dieren geen energie hoeven te besteden aan de strijd tegen de werveling van de golven. Deze ontdekkingen probeerden natuurkundigen toe te passen om de voortstuwing van kernonderzeeërs te verbeteren. Of ze daarin zijn geslaagd is niet bekend.

    Een aantal jaren later, in 1980, werd in het Russische Verre Oosten nog een trainingsbasis geopend. Deze heette officieel 168 NITZ TOF (de Russische afkorting voor ‘168ste onderzoekscentrum van de Pacifische Vloot) en bevond zich in de Posjetbaai. Hier werkte men met Stellerrobben en beloega’s. De eerste groep blonk vooral uit door hun kracht en onverschrokkenheid, terwijl de beloega’s zich onderscheidden door een buitengewone bekwaamheid in echolocatie. Zij werden getraind om vijandige duikers te spotten die sabotageacties wilden uitvoeren, natuurgebieden te beschermen en pijpleidingen en kabels onder water te inspecteren. Maar met het eind van de Sovjet-Unie kwam er ook een eind aan dit project. Het half ingestorte gebouw van het verwarmde bassin, dat op een gigantische golfbal lijkt, geeft het landschap hier nog steeds iets buitenaards.


    unnamed kopie

    Het idee om in Moermansk een gevechtscommando van vinpotigen te vormen ontstond ergens in de hoogste rangen van de Russische marine. De vloot van kernonderzeeërs was op dat moment op volle sterkte. Maar toen kwam het gerucht op dat de Verenigde Staten robben trainden om sabotagemissies uit te voeren, en dat werd als een bedreiging gezien. Daarom werd besloten dat er een levend schild rond de Sovjetvloot moest komen, en wendde men zich tot de biologen van het instituut van Moermansk, die toen in het dorp Dalnie Zelentsky aan de Barentszzee werkten.

    De eerste dompteurs werden geselecteerd uit de militaire duikers die dienstdeden op de Noordelijke Vloot, want die waren gewend aan de ijzige diepten. Dat was belangrijk, want een trainer moest met beloega’s en enorme zeeleeuwen uit het Verre Oosten kunnen werken. Het leger leverde het vliegtuig en het personeel voor het transport. De militairen hadden ook de opdracht om het transport van de gevechtsdolfijnen uit Sebastopol te begeleiden. Tot op het laatste moment dachten de piloten dat ‘dolfijnen’ een codenaam was voor materieel. Wat zullen ze verbaasd zijn geweest toen er mobiele bassins aan boord werden gebracht.

    Vervolgens besloot men een trainingscentrum op te zetten bij de nucleaire vloot in het noorden. In de haven van de basis werd speciaal voor de gevechtsrobben een drijvend verblijf aangelegd. Volgens academicus Gennadi Matisjov konden de robben daardoor ‘operationeel ingezet worden om de speciale troepen te ondersteunen in de strijd tegen onderzeese aanvallen’. Vandaag de dag leven de gevechtsrobben in de buurt van Polyarny, op Kaap Tonia. De zwarte ruggen van de onderzeeërs die uit het water opduiken lijken zelf wel op reusachtige dieren die naar de oppervlakte komen om lucht te happen. En voor de robben is een eigen stadje gebouwd: in zee zijn met netten van geel met groen nylon verblijven afgebakend. De dieren trainen twee keer per dag, de rest van de tijd rusten ze uit, eten ze vis en doen ze mee aan wetenschappelijke experimenten, waarbij onderzoekers verschillende aspecten van hun gedrag bestuderen.

    Zadelrobben en grijze robben

    Uiteindelijk bleek dat de dolfijnen zich niet konden aanpassen aan het noordelijke klimaat, dat de zeeleeuwen uit het Verre Oosten te agressief waren en de beloega’s te kwetsbaar en te duur: toen deze dieren ziek werden, was er niemand in Rusland die wist hoe je walvissen moest verzorgen. ‘In de loop der tijd hebben we alleen de lokale soorten overgehouden,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie in Moermansk. ‘We hebben de kosten van het vangen en het onderhoud afgezet tegen wat de dieren eigenlijk konden. De robben bleken het grootste rendement op te leveren. Daarom werken we nu alleen met zadelrobben en grijze robben. Die hebben veel minder voedsel nodig dan walvissen, ze zijn gemakkelijker onder controle te houden, te vervoeren en te trainen.’

    Op dit moment herbergt het centrum negen robben. De training van een dier duurt ongeveer anderhalf jaar. Eerst gaan de robben naar de ‘basisschool’. Daar leren ze zich te laten benaderen, zich een tuig met een riem te laten omdoen, materiaal op hun rug te vervoeren, een kist binnen te gaan en niet bang te zijn voor harde geluiden. Vervolgens kunnen ze doorstromen naar de ‘hogeschool’. Elke rob krijgt een eigen specialiteit. Zo zal de ene leren pijpleidingen te inspecteren met een camera op de rug; een andere moet in een bepaalde sector onder water vreemde objecten kunnen opsporen, zogenaamde ‘doelen met zwakke emissie’ (zwarte dozen, verloren apparaten of materialen); een derde leert gereedschap brengen naar mensen die in de diepzee aan bekabeling werken, een vierde wordt gedresseerd om vijanden uit te schakelen.

    ‘Boezia bijvoorbeeld kan met duikers werken, maar we hebben haar niet geleerd om het zuurstofmasker van een kikvorsman af te trekken,’ legt Aleksander Zajitsev, directeur van het laboratorium voor biotechnologische systemen uit. ‘Maar het is heel goed mogelijk om van een rob een aanvalswapen te maken. Hij heeft tanden die even effectief zijn als die van een hond en klauwen van 8 tot 10 centimeter lang. We hebben gezien hoe de robben de eenden op de ponton rond het verblijf besluipen. Ze vallen ze over het hek heen aan, doden ze met hun klauwen en peuzelen ze dan smakelijk op.’

    Alleen zullen deze robben die ‘vaardigheid’ waarschijnlijk nooit op mensen toepassen. Want het laboratorium voor biotechnologische systemen richt zich voornamelijk op fundamenteel onderzoek en behaalt buitengewone resultaten op het gebied van sensorische systemen. Zo is ontdekt dat de robben niet in zwart-wit zien, zoals tot nu toe werd gedacht, maar in kleur, en dat ze uitstekend in staat zijn om rood van blauw te onderscheiden. ‘Dat kunnen we gebruiken voor toepassingen bij ‘vriend-vijand’-systemen, bijvoorbeeld tegen saboteurs, of voor het zoeken naar objecten onder water,’ vertelt Dmitri Isjkoelov. Op een ander vakgebied houdt men zich bezig met onderzoek naar magnetische velden. Er is een theorie dat de robben zich kunnen oriënteren dankzij die velden, net zoals vogels of vleermuizen. Het zou interessant zijn om die hypothese te testen.’

    ‘Weer een ander vakgebied is dat van elektromagnetische golven. Wij werken samen met onderzoekers van het instituut voor polaire geofysica. Zij hebben apparaten die golven van verschillende frequenties kunnen uitzenden,’ legt Dmitri Isjkoelov uit. ‘We leren de rob een serie oefeningen, vervolgens kijken we of hij die nog steeds doet onder invloed van golven van lage frequenties. Waarschijnlijk worden nu systemen ontwikkeld om levende wezens te kunnen desoriënteren met behulp van magnetische velden. Ik wil er meteen bij zeggen dat het gaat om vrij zwakke golven en dat de dieren er niet van te lijden hebben. Alles bij elkaar is het belangrijk om het gedrag van de dieren grondig te bestuderen, zodat we weten tot op welk punt wij ze nog kunnen aansturen.’

    unnamed 1 kopie

    Ondertussen is de vraag of een modern leger vinpotigen of walvisachtigen nodig heeft, nog steeds niet echt beantwoord. Volgens sommigen zijn robotsystemen, zoals onderwaterdrones, betrouwbaarder in het uitvoeren van taken. ‘Ik denk dat we moeten bepalen op welke terreinen het gebruik van zeezoogdieren goed werkt en wanneer het alleen maar verspilde tijd is,’ zegt Vitali Varganov. ‘Wij hebben indertijd in Sebastopol zo veel ervaring opgedaan dat het antwoord makkelijk te vinden moet zijn.’

    Dat oceanarium beschikte over twee onderzoekslaboratoria. Het eerste hield zich bezig met de bescherming van de baai: de dieren leerden vijanden onderscheiden en die vervolgens naar de oppervlakte te dwingen of ze te elimineren. ‘Wij deden veel experimenten met het bewapenen van zeedieren,’ herinnert Vitali Varganov zich. ‘De Amerikanen werkten er ook aan, net als wij, ook zonder veel succes. Zij bewapenden de dieren met speciale messen en injectienaalden met vergif of een slaapmiddel. De Sovjets hadden het klassieke pistool van de duiker genomen en daarvan de kolf zo aangepast dat hij op de neus van een dolfijn paste. Dat moest dan afgaan bij het contact met de vijand. Dat is niks geworden. Wel zijn de dieren erg nuttig gebleken voor het zoeken naar allerlei objecten op de zeebodem.’
    Dat was wat de dolfijnen en zeeleeuwen in het tweede laboratorium leerden. Uiteindelijk waren de dieren in staat torpedo’s en mijnen en dat soort voorwerpen te vinden. Ook konden ze wapens en mijnen spotten die nog uit de Tweede Wereldoorlog stamden. Vervolgens heeft men hun vaardigheden uitgebreid door ze te leren hulp te bieden aan onderwaterploegen in nood. Hadden zij in 2000 de bemanning van de Koersk kunnen redden [de kernonderzeeër die met 118 bemanningsleden aan boord was gezonken na een reeks explosies]? Die vraag moeten de deskundigen helaas met nee beantwoorden: daarvoor was een speciaal getraind dier nodig geweest en dat was er in die tijd niet.
    Vitali Varganov: ‘Ons onderzoekscentrum is in 1992 gesloten. Aan het begin van de jaren negentig hadden we tweeënzestig grote dolfijnen, zes zeeleeuwen, enkele pelsrobben en twee beloega’s, dus bijna tachtig dieren. Er werkten meer dan dertig onderzoekers, zowel burgers als militairen. Tot het eind toe hebben we de biotechnologische systemen draaiend gehouden en we hadden permanent zes dolfijnen paraat. Maar op die plek zouden we nooit werkelijk met vijanden geconfronteerd zijn.’

    ‘De bouw van het oceanarium was gefinancierd door het ministerie van Defensie,’ vertelt Varganov. ‘Maar we moesten van het begin af aan financieel zelfstandig zijn. We kregen opdrachten van het leger en daar werden we voor betaald. Volgens ons contract mochten we geen opdrachten van anderen aannemen.’ In 1992 bij het uiteenvallen van de USSR bleef het oceanarium gevangen in dat systeem, de geldstroom droogde op, niemand had meer behoefte aan de dieren en die kwijnden weg.

    ‘Weet je wat het allerbelangrijkst was in dat programma?’ vraagt Varganov. ‘Niet de technische installaties of de gedresseerde dieren, maar de mensen. Het kost jaren om een specialist op te leiden die met zeezoogdieren kan werken. Daarom zijn onze specialisten door oceanaria in het buitenland gerekruteerd en vertrokken ze – naar Turkije, naar Cyprus, naar Israël, naar Saoedi-Arabië. Vervolgens, toen het dolfinarium onder Oekraïne kwam te vallen (na het uiteenvallen van de USSR; de Krim werd vervolgens in 2014 geannexeerd door Rusland), heeft men de dieren zelf naar het buitenland gestuurd. Het oceanarium ging dieren speciaal voor de verkoop dresseren en kon zo deze moeilijke periode doorstaan.’

    Het goede nieuws is dat de eenentwintigste eeuw nieuwe professionele perspectieven biedt voor de zoogdieren, en dat kan een stimulans zijn voor de ontwikkeling van deze wetenschap. De robben van Moermansk kunnen een gaspijpleiding volgen en lekken opsporen aan de hand van de luchtbellen die daaruit opstijgen. Ontdekt zo’n besnorde arbeider een gevaarlijke plek, dan markeert hij die door er een gewicht neer te leggen dat vastzit aan een boei: die heeft hij in zijn bek bij zich.

    ‘Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden’

    En dan zijn er nog de wetenschappelijke expedities. ‘Een paar jaar geleden hebben we een groep baardrobben uitgerust met zendertjes en hun verplaatsingen geobserveerd,’ vertelt Dmitri Isjkoelov van het instituut voor mariene biologie van Moermansk. ‘Dat heeft interessante resultaten opgeleverd: in een paar maanden tijd legden de dieren meer dan 8000 zeemijlen af en zijn ze helemaal naar Spitsbergen en Nova Zembla geweest. De zenders registreerden niet alleen hun locatie, maar ook omgevingsfactoren, zoals het zoutgehalte en de temperatuur. Zo ontpopten ze zich tot formidabele wetenschappelijke meetinstrumenten.’ Tegenwoordig is een groep robben in realtime te volgen via een app voor de mobiele telefoon. Die informatie kan bijvoorbeeld belangrijk zijn voor vissersschepen: blijft de groep robben een paar dagen in een bepaalde zone, dat betekent dat waarschijnlijk dat daar veel vis zit.

    ‘Mensen zeggen vaak dat we beter robotica kunnen gebruiken, maar op veel terreinen zullen dieren nog steeds rendabeler zijn,’ stelt Aleksander Zajitsev. ‘Net zoals er ondanks alle technologische innovaties nog steeds politiehonden op de luchthavens zijn. Zo gaat het ook met robben, zij kunnen in diepe wateren werken, snel een zone verkennen, ook in troebel water. Op dit moment bestaat er niet één robot die daar tegenop kan. Het is moeilijk om de dieren te dresseren, maar vervolgens kan een rob twintig tot dertig jaar operationeel zijn. Het belangrijkste voordeel van robben is dat ze kunnen nadenken en besluiten kunnen nemen al naar gelang de omstandigheden.’

    Of er inmiddels ook weer militaire belangstelling voor zeedieren is, valt op dit moment moeilijk te zeggen. Voor dit artikel hebben we geprobeerd in contact te komen met de militaire eenheid die nu het legendarische dolfinarium van Sebastopol bestiert. We kregen echter te horen dat dit een speciale eenheid van de marine is, die onder de Russische militaire inlichtingendienst valt. We konden er dus niet achter komen waar het leger op die plek mee bezig is, maar in de wandelgangen gaat het gerucht dat er vorig jaar vijf grote dolfijnen zijn aangekocht.

    Auteur: Elena Koudriavtseva
    Vertaler: Annemie de Vries

    Illustraties: © Ale+Ale

    Ogonjok
    Rusland | dagblad | oplage 67.000

    ‘Het vlammetje’ werd opgericht in 1899 en heeft een veelbewogen geschiedenis achter de rug. In de jaren 1970-1980 deed het dagblad vooral verslag van het culturele leven van de Sovjets, vervolgens werd het de spreekbuis van de perestrojka. Nu is het een gerenommeerd nieuwsmedium.

  • ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. 
Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.

    Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.

    Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als 
ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een 
professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.

    Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de 
oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?

    Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.

    Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?

    Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en 
hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.

    Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.

    Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik 
me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.

    Zou u dat geluk een religieus gevoel willen 
noemen?

    Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit 
de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, 
is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.

    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH
    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH

    U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?

    Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. 
De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.

    U bent gelovig uit hedonisme.

    Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik 
heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. 
Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?

    Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net 
als aan de mis.

    Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in 
Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?

    En tot welke conclusie kwam u?

    Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij 
het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les 
te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat 
de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.

    In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken

    Omdat we zien dat we deel uitmaken van een 
groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, 
anderen zoeken dat in de wetenschap.
    Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in 
de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van 
onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer 
dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.

    Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent 
geworden.

    Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een 
Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.

    U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?

    Waarom zou dat moeten?

    Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw 
kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van 
uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.

    Een metafoor. Hopelijk.

    Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?

    U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. 
Het een brengt het ander met zich mee.

    Soms.

    In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is 
heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.

    In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus 
in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.

    Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. 
Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de 
zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.

    Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?

    Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving 
doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren 
worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.

    Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?

    Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in 
die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren 
dat de wereld groter is dan onze drie tenten.

    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH
    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH

    Waarom midden in de nacht?

    Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En 
omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.

    Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel 
weinig wetenschappers die religieus zijn.

    Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken 
schrikken wetenschappers ervoor terug om over 
religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.

    Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. 
In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse 
Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.

    Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.

    Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie 
hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. 
En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op 
de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.

    Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar 
het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen 
kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.

    Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We 
kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.

    We moesten astronomie bedrijven om daarachter 
te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.

    Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?

    Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles 
wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en 
liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische 
kennis zich uit.

    Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.

    Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde 
men de aanwezigheid van monsters op de 
onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels 
ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn 
als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.

    Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.

    De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.

    Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven

    In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?

    Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.

    Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.

    Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en 
zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.

    En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.

    Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God 
die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.

    Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?

    Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. 
Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.

    Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind 
het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. 
Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en 
handelend optreedt?

    Ja.

    Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter 
de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.

    Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.

    Dan moeten we maar eens een wonder tegen 
het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?

    Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.

    Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?

    De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.

    Hebt u een verklaring voor het fenomeen?

    Natuurlijk niet.

    En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?

    Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik 
verder over God weet. Het perpetuum mobile 
daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over 
machines weet.

    Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.

    Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het 
universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of 
het model niet.

    Welke data?

    De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.

    Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.

    Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en 
omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie 
die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.

    Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel 
die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.

    Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en 
de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.

    Twijfelt u wel eens aan uw geloof?

    Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.

    Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.

    Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom 
u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.

    Auteur: Stefan Klein
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | oplage 540.000

    Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. 
Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Hoe een Bengaals eilandje een ecologisch paradijs werd

    Hoe een Bengaals eilandje een ecologisch paradijs werd

    Wetenschappers zijn verrukt over de vervijftigvoudiging van het aantal diersoorten op een eilandje
    in West-Bengalen. Als toerist mag je er voorlopig niet heen.

    Tot 1990 was het nieuw ontstane eiland Nayachar in de monding van de Hooghly-rivier in West-Bengalen helemaal kaal, er leefden nauwelijks planten of dieren. Het is ontstaan door aangroeiend rivierslijk en lag aanvankelijk grotendeels onder water, al kwamen de overstroomde gedeeltes bij lage waterstanden af en toe droog te staan.

    In oktober 2017 publiceerde de Zoological Survey of India (ZSI) echter een onderzoek getiteld ‘Studies on the succession and faunal diversity and ecosystem dynamics on Nayachar island, Indian Sundarban delta’ [Onderzoek naar de successie en faunadiversiteit en ecosysteemdynamiek op het eiland Nayachar, de Indiase delta van Sundarban]. Daarin worden 151 op het eiland levende diersoorten beschreven, wat Nayachar tot een zeldzaam ecologisch gebied maakt.

    Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte

    ‘Deze unieke publicatie laat zien hoe een nieuw ontstane landmassa stukje bij beetje aan diverse groepen organismen een habitat kan bieden’, vertelt ZSI -directeur Kailash Chandra. Vóór hem hield A.K. Hazra zich al sinds 1989 met het onderzoek bezig. Ook deze laatste noemt de studie het eerste onderzoek in zijn soort in India. ‘De bedoeling is om inzicht te krijgen in de stabilisering van de bodem op een nieuw ontstaan eiland, en in de successie van levende organismen in een nieuwe habitat. Toen wij het eiland in 1989 voor het eerst in kaart brachten, vonden we maar drie soorten ongewervelde bodemdieren. Twee jaar later was dit aantal verdubbeld en eind jaren negentig telden we 76 ongewervelde diersoorten, zowel ondergrondse als bovengrondse. Momenteel leven er al 151 soorten, en niet alleen ongewervelden.’

    Een andere wetenschapper van het ZSI, specialist in ongewervelde bodemdieren Gurupada Mandal, vertelt dat kort na het verschijnen van protisten (eencellige organismen) op het eiland, wetenschappers ook zoutminnende microfauna vonden uit de geslachten acarina [spinachtigen, zoals mijten en teken] en collembola [springstaarten; de zespotigen], die onder de grond leven.

    ‘Nayachar is een mangrove-ecosysteem; we zagen hier een unieke successie van diersoorten. Tot dusver vonden we twintig soorten microfauna, acht acarina- en zes collembolasoorten’, aldus Mandal.

    Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte. Uit satellietdata blijkt dat het eiland tussen 1967 en 2015 van 18 vierkante kilometer groeide tot ruim 46 vierkante kilometer.

    In elke groep nam het aantal diersoorten toe. Het artikel noemt bijvoorbeeld 27 vissoorten, terwijl dat er in 1992 nog maar 12 waren. Het aantal vogelsoorten nam sinds 1992 toe van 6 tot 37.

    Nayachar, in 1990 nog een woestenij, telt nu meer dan 150 diersoorten. – © Panoramio
    Nayachar, in 1990 nog een woestenij, telt nu meer dan 150 diersoorten. – © Panoramio

    Zoogdieren, vooral ratten, muizen, vleermuizen en eekhoorns, namen in diezelfde periode toe van 3 tot 11. Ook biedt het eiland een thuis aan 33 soorten vlinders en motten, waar dat er in 1992 nog maar 7 waren. ‘De kolonisatie door zo veel diersoorten is interessant omdat het eiland aan alle kanten omringd wordt met water en de dichtstbijzijnde landmassa – het zinkende eiland Ghoramara – dertig kilometer verderop ligt. De natuurlijke successie van diersoorten op het eiland wordt in de hand gewerkt omdat het bij vloed overstroomt en omdat vissers aarde meebrengen van elders’, vertelt Hazra. De vissers komen van andere eilanden in de deels bewoonde Sunderban-archipel waarvan het eiland deel uitmaakt.

    De onderzoekers wijzen erop dat de bodemvorming en daaropvolgende veranderingen die de aanwezigheid van 151 diersoorten op het eiland mogelijk maakten, volgens een klassiek patroon verliepen. In de grond zit materiaal afkomstig van microscopische diertjes, waaruit energie en koolstofdioxide vrijkomt. Dit trapsgewijze proces draait om microfauna als collembola en acarina, wat op termijn leidt tot nitrificatie en de vorming van een humuslaag.

    Nieuw eiland

    De grotere dieren op het eiland leven zowel ondergronds als in de sterk toenemende begroeiing. Insecten en vissen komen af op het beschikbare voedsel in de onderwaterhabitat en de bodemvegetatie.

    ‘Daardoor neemt het aantal vogelsoorten toe’, aldus het artikel. Hazra vertelt dat de naam Nayachar ‘nieuw eiland’ betekent. Doordat het zo nieuw is, is het belangrijk om alle fysieke en biologische veranderingen continu te observeren. Ook moet het eiland voorlopig gevrijwaard blijven van economische activiteit. Dr. Chandra: ‘Nayachar bood wetenschappers de zeldzame kans om de successie van diersoorten vanaf het allereerste begin te bestuderen.’

    Auteur: Shiv Sahay Singh
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    The Hindu
    India | dagblad | oplage 700.000

    The Hindu staat bekend om zijn centrum-linkse politieke opvattingen, onafhankelijke analyses en genuanceerde standpunten.

  • De jacht op de glimworm

    De jacht op de glimworm

    Chinezen zijn dol op glimwormen. Ze worden losgelaten bij feesten en partijen, en er bestaan zelfs speciale themaparken rond de beestjes. Maar in de regio Jiangxi zijn ze aan het verdwijnen. De Chinese site Jiemian stelde een onderzoek in en legde een zeer winstgevende handel bloot.

    Op de middag van het Drakenbootfeest, op 30 mei, heeft Xie Shunli* zijn motor genomen om een hoofdlamp te kopen bij de plaatselijke ijzerwinkel. Deze man, die de vijftig nadert, is een van de glimwormenjagers van Huangpu, een gemeente in de stadsprefectuur** Ganzhou in de provincie Jiangxi in het zuidwesten van China. Velen van hen komen bij dezelfde ijzerwinkel hoofdlampen en glimwormennetten kopen. De eigenaar verschaft ze vaak informatie over mogelijke kopers. Maar de laatste tijd krijgt Xie Shunli steeds minder telefonische bestellingen, sinds online verkoopplatformen als Taobao, eigendom van de Chinese gigant Alibaba, onder maatschappelijke druk accounts van verkopers van levende glimwormen sluiten.

    Zoals voor de meeste insectenjagers is het voor Xie Shunli maar een nevenactiviteit. In 2003 liet hij een huis van twee verdiepingen bouwen van het geld dat hij had verdiend met zijn baan bij de provincie Guangdong, in het zuiden van het land. De afgelopen jaren is hij in zijn dorp gebleven om rijst te verbouwen en zich samen met vrienden aan de apicultuur te wijden. Ook is hij lid geworden van een toneelgezelschap van een stuk of tien mensen, dat caichaxi-stukken opvoert, een soort opera’s die typisch zijn voor de omgeving van Ganzhou en waarin de traditionele liederen figureren die worden gezongen tijdens de thé-oogst. Het gezelschap treedt op tijdens bruiloften en op markten, voor een dagelijkse gage van maximaal 5000 yuan (€ 627), oftewel 300 yuan (€ 37) per acteur. Dat is minder dan de glimwormenjacht oplevert. Als hij duizend insecten vangt en die voor minimaal dertig yuancent per stuk verkoopt, levert die activiteit hem meer dan 300 yuan per avond op.

    Schatrijk

    Vorig jaar is een neef van Xie Shunli tussenhandelaar in glimwormen geworden. Toen is Xie de avonden dat hij niet moet optreden op de insecten gaan jagen. Soms zou hij zelf ook wel tussenhandelaar willen worden, om meer te verdienen. De tussenhandelaren staan in contact met mogelijke klanten en sturen jagers op pad om glimwormen voor ze te vangen. Elke handelaar werkt met een bepaald aantal jagers die hij goed kent.

    Omdat de kleine insecten met het lichtgevende achterwerk de laatste jaren erg in trek zijn, met name bij de ingebruikstelling van onroerendgoedprojecten, in themaparken en op bruiloften, is er een bloeiende handel in ontstaan. In de belangrijkste habitats van glimwormen hebben gespecialiseerde handelaren winkeltjes geopend. Alleen al het stadje Huangpu telt er drie, en in het dorp Heshu zijn er ook twee – waaronder een van de neef van Xie Shunli. En in het stadje Xiaobu, ongeveer tien kilometer verderop, geniet een handelaar genaamd He Jianming bijzondere bekendheid. Zelfs mensen uit Huangpu komen hem hun vangst verkopen. Een grote tussenhandelaar kan gemakkelijk een miljoen yuan (€ 127.300) per jaar opstrijken. In de regio weet iedereen dat He Jianming schatrijk is geworden met deze handel.

    Deze tussenhandelaren hebben een gigantische markt op poten gezet. Volgens cijfers van Yue Hua, de oprichter van de vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’, telde het online verkoopplatform Taobao eind juli 2016 96 verkopers van levende glimwormen, 58 meer dan een jaar ervoor. 29 van hen konden niet duidelijk aangeven waar hun waar vandaan kwam, maar 57 (85 procent) verhandelden glimwormen die afkomstig waren uit Ganzhou; de resterende tien verhandelden insecten uit de provincies Guanxi (in het zuiden van China), Yunnan (in het zuidwesten), Hubei (centraal-oosten) en Jiangsu (oosten).

    In juni 2016 verkochten alleen twee platforms van Alibaba al 17.424.101 glimwormen. Uitgaande van ongeveer een yuan per verkochte glimworm komt dat neer op een maandomzet van meer dan zeventien miljoen yuan (€ 2,16 miljoen). Een verkoopvolume dat zo groot was dat verscheidene sites, waaronder Taobao, ervan beschuldigd werden ‘uitroeiers van glimwormen’ te zijn. Media en milieuverenigingen wonden zich hierover op en hebben aan de bel getrokken. De vereniging van Yue Hua schreef een open brief aan het Chinese Staatsbosbeheer om de activiteiten van deze cyberhandelaren aan de kaak te stellen en aan te dringen op de snelle invoering van een wet ter bescherming van glimwormen. Onder druk van de publieke opinie heeft Taobao zijn verkopers afgelopen mei te kennen gegeven dat de handel in wilde glimwormen voortaan verboden was op het platform. Ze werden gewaarschuwd dat Taobao de handel in deze insecten vanaf 24 mei 2017 nauwlettend zou volgen en zo nodig accounts zou sluiten.

    Glimwormen bij de Linggu-tempel in de provincie Jiangsu in China. – © Sipa Asia / REX / Shutterstock
    Glimwormen bij de Linggu-tempel in de provincie Jiangsu in China. – © Sipa Asia / REX / Shutterstock

    We zijn in Xiaobu. Deze stadsprefectuur ademt een sfeer van grote rijkdom met haar onberispelijk schone hoofdstraat, waar enkele gemotoriseerde gemeenteagenten op en neer rijden. Deze agglomeratie, bekend om haar revolutionaire communistische verleden, geldt ook als ‘glimwormenparadijs’. Het merendeel van de insecten die men tegenwoordig in de glimwormenparken in de grote steden van China aantreft zou hiervandaan komen.

    De inwoners herinneren zich de tijd dat de bergen en het platteland tegen het vallen van de avond werden verlicht door een grote menigte glimwormen. Overal zag je ze, in de bossen, op de velden, op de rivieroevers… Maar inmiddels is er door op geld beluste lieden zo veel jacht op de schildvleugelige insecten gemaakt dat ze bezig zijn te verdwijnen. Hun aantal is fors gedaald, wat sommigen ertoe heeft gebracht hun jachtgebied te verleggen naar verder gelegen heuvels en bossen. De plaatselijke autoriteiten zijn de jacht op deze insecten de afgelopen twee jaar gaan verbieden, en nu ook de elektronische sites de verkoop ervan in de ban hebben gedaan neemt de eerst zo bloeiende glimwormenhandel langzaam maar zeker af. Als je ze ernaar vraagt zeggen de bewoners vrijwel unaniem: ‘Niemand hier handelt er nog in.’

    Om er zeker van te zijn doe ik me voor als een koper van glimwormen die op zoek is naar een tussenhandelaar. Een meisje is bereid me naar Zhang Jiaming te brengen. Als we bij diens deur zijn gearriveerd, verzekert ze me: ‘Hier vindt u ze wel.’ De heer des huizes is net zijn binnenplaats aan het vegen. Terwijl hij naar ons opkijkt bromt hij: ‘Die verkoop ik al een hele tijd niet meer!’ Het meisje maakt verbluft rechtsomkeert. Vorig jaar is er inderdaad op een avond stiekem een foto bij Zhang Jiaming gemaakt door een lid van een ecologische vereniging. Daarop is een gehurkte glimwormenjager te zien die bij het licht van een lamp zijn gevangen glimwormen telt, met de bedoeling ze te verkopen. De publicatie van de foto had rampzalige gevolgen voor de plaatselijke handel in deze insecten, die sindsdien totaal is ingestort.

    De man die deze foto in het geheim heeft gemaakt is niemand anders dan Yue Hua. De door hem opgerichte vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’ omvat een groep vrijwilligers die zich inzetten voor de bescherming van glimwormen en hun habitat. De afgelopen jaren hebben ze op verschillende manieren geprobeerd het gebruik van deze insecten voor commerciële doeleinden te verhinderen. Volgens statistieken van de vereniging zouden van mei tot oktober 2015 in 65 steden, waaronder Beijing, Shenzhen en met name Xi’an, in totaal 72 keer glimwormen zijn vrijgelaten tijdens een commercieel evenement. Volgens gegevens in het prospectus van de organisatoren zouden op deze manier 2,987 miljoen insecten gedwongen zijn om weg te vliegen.

    Gevolgen voor het ecosysteem

    Op de avond van het Drakenbootfeest is Yue Hua dus naar het stadje Huangpu gegaan om onderzoek te doen. Hij verwachtte de glimwormenjagers op de rivieroever te kunnen bespieden, maar ‘het wordt moeilijk om ze te vinden, want de glimwormen zijn er zeldzaam geworden’, legt hij uit. Die avond heeft Yue Hua al met al maar één glimworm gezien. Door zijn ervaring kan hij de mannetjes en vrouwtjes van elkaar onderscheiden, en ook de soorten. Het is in de voortplantingstijd dat de glimwormen licht geven, aan het uiteinde van hun achterlijf. De mannetjes paraderen dan door de lucht, terwijl de vrouwtjes, die niet kunnen vliegen, zich schuilhouden in het kreupelhout. Wanneer een mannetje een vrouwtje van zijn eigen soort bespeurt, wisselt hij lichtsignalen met haar uit. Zo onderhouden ze zich met elkaar totdat het mannetje de exacte locatie van het vrouwtje heeft bepaald en naar haar toe vliegt om te paren.

    Om vrouwelijke glimwormen te vangen, die vochtige plekken opzoeken om hun eitjes te leggen, moeten de jagers door de rijstvelden waden, waar ze zijn blootgesteld aan insecten- en slangenbeten. Mannetjes zijn makkelijker te vangen. Je hoeft alleen maar een knipperende lichtbron te hebben, met dezelfde frequentie als die van henzelf, om ze in je net te lokken.

    Het gebeurt helaas vaak dat de glimwormen in de netten van de jagers belanden voordat ze hun paring zelfs maar hebben voltooid. Vervolgens worden ze door tussenhandelaren naar de kopers verstuurd, of dat nu beheerders van glimwormenparken in de grote steden zijn of organisatoren van commerciële evenementen. ‘Omdat ze niet in hun nieuwe omgeving kunnen integreren, sterven ze massaal,’ zegt Yue Hua spijtig terwijl hij in het holst van de nacht langs de rivier loopt. Aan de oever van deze rivier is hij opgegroeid, en hij kent het plaatselijke ecosysteem zeer goed. Om de glimwormen te beschermen is hij naar de plaatselijke overheden gegaan, maar die verschuilen zich achter het ontbreken van wetten en verordeningen op dit gebied.

    ‘Als je te veel exemplaren van een bepaalde soort aan de natuur onttrekt, heeft dat altijd gevolgen voor het ecosysteem,’ legt Yue Hua uit. Het kan zelfs fataal zijn voor de soort. Fu Xinhua, die als universitair docent verbonden is aan de School voor Botanische Wetenschap en Techniek van de Landbouwuniversiteit van Huazhong, in Wuhan in de provincie Hubei, en die door zijn collega’s als de ‘beste Chinese onderzoeker op het gebied van glimwormen’ wordt beschouwd en als ‘hun beste verdediger’, bevestigt de woorden van Hua en vraagt zelf ook al twee jaar aandacht voor de ernst van de situatie. De Chinese glimwormenpopulatie neemt in hoog tempo af en sommige soorten worden met uitsterving bedreigd.

    Een evenement in de provincie Szechuan waarbij ca. 100.000 glimwormen door kinderen worden losgelaten. Volgens het Insectenmuseum van West-China zullen ze vanwege verkeerde leefomstandigheden binnen drie weken alsnog doodgaan. – © Imagine China
    Een evenement in de provincie Szechuan waarbij ca. 100.000 glimwormen door kinderen worden losgelaten. Volgens het Insectenmuseum van West-China zullen ze vanwege verkeerde leefomstandigheden binnen drie weken alsnog doodgaan. – © Imagine China

    De dag na het Drakenbootfeest heeft Yue Hua een motor gehuurd en zich naar Huangpu begeven om zich voor te doen als glimwormenkoper. Nadat hij een hele ochtend heeft rondgelopen is hij onverrichterzake teruggekeerd. Tussen de middag is hij in een restaurant gaan eten waar hij een gesprekje met de eigenaar heeft aangeknoopt. Ze mochten elkaar en de restauranteigenaar besloot hem in contact te brengen met Wang Dafu. Na een telefoontje toonde Wang, inkoper van glimwormen voor de befaamde handelaar He Jianming, zich meteen bereid om te komen.

    Deze Wang was toevallig ook al eens op de foto gezet door Yue Hua, toen hij in 2016 op de binnenplaats van He Jianming insecten aan het tellen was die hij had gevangen. Toen Yue Hua hem het restaurant binnen zag stuiven was hij bang ontmaskerd te worden, maar Wang Dafu herkende hem niet: hij was destijds zo verdiept geweest in het tellen van zijn glimwormen dat hij niet op Yue had gelet.

    De zaak werd snel beklonken en ze spraken af dat Wang Dafu Yue Hua nog diezelfde avond zou meenemen op glimwormenjacht. Toen de avond gevallen was vertrokken ze per motor, Wang Dafu en de eigenaar van het restaurant met een bouwvakkershelm op. Onderweg kwamen ze geen enkel ander voertuig tegen, je hoorde alleen maar het geronk van hun twee motoren. Aan de rand van een rijstveld stopten ze. Omdat daar maar weinig jagers kwamen dacht Wang Dafu dat ze er wel glimwormen zouden kunnen vinden. De knipperlichten van de motoren werden aangezet, waardoor inderdaad vliegende glimwormen werden aangetrokken. Terwijl hij al zwaaiend met zijn zelfgemaakte net om de motoren heen liep wist Wang Dafu in rap tempo een mooie insectenoogst binnen te halen.

    Tegen negen uur ’s avonds reden ze terug. Het huis van Wang Dafu staat op het punt verkocht te worden, maar hij ontvangt zijn waar meestal niet thuis. Gebeurt dat wel, dan worden er zaken gedaan op het achterplaatsje. Het drietal ging binnen via de achterdeur, en Yue Hua zag op de binnenplaats heel wat glimwormenjagers die bezig waren hun vangst te tellen. Wang Dafu opende zijn net en begon zijn buit te inventariseren, met behulp van een ‘teller’ die uit twee aan elkaar gelijmde mineraalwaterflessen bestond. Toen hij klaar was met tellen stopte hij vijfhonderd glimwormen in een grote stopfles vol gingkgobladeren. Voordat hij de pot sloot deed hij er nog wat glimwormen bij, om degene te compenseren die zouden kunnen doodgaan tussen het moment van verzending en het moment dat ze in handen zouden komen van hun koper, de organisator van een evenement of een verliefde romanticus.

    Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen

    Naast de enige groentemarkt van Huangpu bevindt zich een discreet verkooppunt van glimwormen, waarvan desondanks bijna alle inwoners het bestaan kennen. Het is gelegen aan de straatkant op de begane grond van een flatgebouw, en er is niets wat erop duidt dat er insecten worden verkocht. Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen. Bij mijn aankomst staat de toegangsdeur wijdopen en is er niemand binnen. Na geruime tijd maken de vrouw en de schoondochter van de eigenaar hun opwachting.

    De schoondochter, die erg wantrouwend staat tegenover een vreemdeling als ik, kapt het gesprek af met het excuus dat haar man er niet is en dat zijzelf van niets weet. Maar haar schoonmoeder vertrouwt me toe dat ze de laatste tijd nauwelijks nog bestellingen krijgen. ‘Als we weten dat we er klanten voor hebben, kopen we glimwormen in, maar zonder bestellingen kopen we niets.’ Toch staan er onder een tafel vijf plastic stopflessen van ongeveer 25 centimeter hoog en 15 centimeter breed die gevuld zijn met gingkgobladeren. ‘Die zetten we van tevoren klaar,’ legt de vrouw des huizes uit. Omdat ze me er niet van verdenkt dat ik journalist ben, voegt ze eraan toe dat ze bestemd zijn voor haar neef in de stad Xiaobu, die glimwormen vangt. ‘Als u wilt, kunt u rechtstreeks contact met hem opnemen,’ zegt ze.

    De neef in kwestie is niemand anders dan de beroemde handelaar He Jianming, die de laatste tijd wat zorgen heeft. Volgens een artikel in de Beijing Qingnian Bao (‘Dagblad van de jeugd van Beijing’) geven de glimwormenverkopers op internet zich sinds dit jaar uit voor kwekers om niet de publieke opinie over zich heen te krijgen. Ze doen zelfs alsof ze daarvoor een vergunning hebben, maar de journalisten hebben ontdekt dat de plaatselijke overheid zulke documenten nooit heeft verstrekt. Bovendien hielden de cyberverkopers van Taobao en andere handelaren tot dat moment vol dat de op internet verkochte glimwormen in de natuur waren gevangen, en dat er geen kwekerijen bestonden.

    Volgens het onderzoek van de Beijing Qingnian Bao had de stad Lianyungang, in de provincie Jiangsu, eind mei de organisatie van een ‘glimwormenontmoeting’ aangekondigd, waar tienduizenden insecten zouden worden vrijgelaten. Toen de betrokken verenigingen protesteerden, lieten de organisatoren hun een document zien, overgelegd door de leverancier, waaruit de herkomst van de glimwormen moest blijken en het feit dat ze wettig verkregen waren. Daarbij viel het de journalisten op dat als ‘eigenaar van de koopwaar’ een zekere He werd genoemd, directeur van het bedrijf ‘Glimwormen, liefdesdroom’ en zogenaamd in het bezit van een ‘vergunning voor het kweken van glimwormen’; de koopwaar was overigens afkomstig uit de prefectuur Ningdu, in de provincie Jiangxi.

    Ter plaatse wordt het mij door heel wat inwoners bevestigd: ‘De eigenaar van “Glimwormen, liefdesdroom” is He Jianming.’ Als ik de laatste probeer te bellen, verschijnt op mijn schermpje: ‘Kwekerij en handelsonderneming Glimwormen, liefdesdroom.’ He verzekert me telefonisch dat al zijn glimwormen gekweekt zijn en dat hij nooit wilde glimwormen heeft verkocht…

    Auteur: Liu Chengwei
    Vertaler: Peter Bergsma

    • De namen van de geciteerde personen in dit artikel zijn veranderd, met uitzondering van die van He Jianming, Yue Hua en Fu Xinhua.
      • Een Chinese stadsprefectuur telt enkele tienduizenden inwoners. Xiabu heeft er bijvoorbeeld vijftienduizend.

    Jiemian
    Bejing | jiemian.com

    Jiemian is een ‘nieuwsstart-up’ die onlangs in China werd opgericht voor de onafhankelijke denker. De nadruk ligt op de technologie- en zakenwereld.

  • De bizarste dierenverzameling op aarde

    De bizarste dierenverzameling op aarde

    Het Duitse weekblad Der Spiegel sprak met Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam. Over hoe één dode eend zijn leven, en de filosofie van het museum voorgoed veranderde.

    De namiddag kabbelde rustig voort naar het eind van de werkdag toen er ineens bij de glazen wand van het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam een doffe bons te horen was. Een mannetjeseend was tegen de ruit gevlogen en dood neergestort.

    Wat er daarop gebeurde werd gefascineerd geobserveerd door Kees Moeliker – bioloog, destijds conservator, tegenwoordig directeur van het museum: een mannelijke soortgenoot ging op het kadaver af en verkrachtte het een uur lang. Ironisch voorziet hij de bizarre seksuele daad van commentaar: 
‘In het dierenrijk komt de missionarishouding nu eenmaal niet zo vaak voor.’

    De dode eend zou zijn leven voor altijd veranderen. Toen hij een wetenschappelijk artikel aan het voorval wijdde (‘Het eerste geval van necrofiele homoseksualiteit bij de eend Anas platyrhynchos), reageerden vakgenoten enthousiast. Omdat hij onderzoekersgeest aan humor paarde, kreeg de Nederlander zelfs de Ig-Nobelprijs 
(Ig staat voor ‘impropable research’), het satirische broertje van de wereldberoemde onderzoekersprijs.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis

    Sinds die tijd heeft Moeliker bij lezingen meestal een plastic zak bij zich, waaruit hij tot vreugde van zijn publiek de opgezette ongelukseend tevoorschijn haalt. Ook in het Rotterdamse museum is het dode dier publiekslieveling geworden. ‘We zagen met verbazing dat de mensen het informatiepaneel heel precies lazen,’ zegt Moeliker ‘en toen bedachten we dat we het publiek niet alleen maar preparaten moesten laten zien. We moesten onze bezoekers vertellen welk lot er achter een afzonderlijk dier schuilging.’

    Zo ontstond de idee om de stoffige natuurlijke historie op een nieuwe, ongewone wijze te presenteren. Andere musea hebben alleen skeletten van sauriërs en opgezette poolvossen – Moeliker bezit de bizarste dierenverzameling op aarde.

    In de vitrines van zijn museum liggen alleen schepsels die op een ongewone wijze aan hun eind zijn gekomen. 
Zoals de kanarie die werd onthoofd of de mummie van de rat waarvan de nek per ongeluk met een schroef werd doorboord toen het knaagdier onder een vloerplank lag te slapen.

    Veel bekijks krijgt ook de beklagenswaardige steenmarter die in november vorig jaar op het terrein van CERN, het Geneefse onderzoekscentrum naar elementaire deeltjes, in aanraking kwam met een transformator van 18.000 volt. Die ontmoeting legde een deel van de stroomvoorziening plat – en betekende ook de voortijdige dood van het roofdier.

    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Steevast gaat het om kleine en grote drama’s die zich afspelen tussen mens en dier, waarbij onze medeschepsels doorgaans aan het kortste eind trekken. Een typisch voorbeeld: enkele jaren geleden bracht een wereldwijd opererende fastfoodketen een nieuw softijsje op de markt – met onverwachte gevolgen. Steeds weer gebeurde het dat egels zich door het gat in het plastic dekseltje van de achteloos weggegooide bekertjes persten om de ijsrestjes op te likken. Voor een paar van die dieren bleek dat dessert een galgenmaal: ze bleven met hun kop in het gat van de deksel steken en konden zich er niet meer uit losmaken. Blind rondtrippelend belandden de egels in een plas en verdronken – of ze verhongerden. Van de tragiek van hun overlevingsstrijd is de ‘McFlurry-egel’ een gruwelijke getuige. Overigens veranderde McDonald’s na protesten van Britse dierenbeschermers het ontwerp van het dekseltje.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis. Via een bevriende arts kwam hij in het bezit van een exemplaar van deze parasiet. Omdat steeds meer mensen hun schaamhaar afscheren, sterft dit ook wel als platje bekend staande insect langzaam uit, zegt Moeliker met een spijtig gezicht: ‘Hier wordt een complete habitat vernietigd.’

    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Maar omgekeerd kan de ontmoeting met dieren ook voor de mens noodlottig uitpakken, zoals een ander museumstuk in Rotterdam laat zien. De collectie werd recentelijk verrijkt met een pantsermeerval – een schenking van een man die als gevolg van deze vis bijna het leven had verloren. Flink 
aangeschoten was de gever op een avond met vrienden op de simpele gedachte gekomen om goudvissen uit een aquarium te vissen en levend op 
te eten. Toen de voorraad glanzende siervissen op was, pakte de man de meerval – en dat had hij beter niet kunnen doen. ‘Die vent had gewoon geen benul van biologie,’ zegt Moeliker. ‘Een goudvis heeft een nogal passief karakter, maar een meerval zet, wanneer hij zich bedreigd voelt, zijn borstvinnen uit. Zo bleef de vis in zijn keel steken en vereiste het een twee uur durende spoedoperatie op de afdeling traumachirurgie om de meerval uit de slokdarm van de man te verwijderen.

    Voor de museumdirecteur onderstreept dit verhaal een trend die ook 
in zijn collectie naar voren komt: ‘Als mens en dier met elkaar in botsing komen, loopt het meestal voor geen van beiden goed af,’ zegt Moeliker.

    Als kind was hij al dol op het natuurhistorische museum in zijn geboortestad. Als beginnend leraar biologie organiseerde hij er rondleidingen om er in 1995 conservator en later directeur te worden. Het drama van de verkrachte eend werd het geboorteuur van een podiumfiguur. Moeliker presenteert zichzelf als de wat maffe bioloog die verhalen vertelt over seksuele afwijkingen bij dieren. ‘Geloof me,’ is een van zijn favoriete zinnen, ‘als er ergens op deze planeet een dier bestaat dat zich niet weet te gedragen, dan weet ik daar alles van.’

    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Bij zijn lezingen begeeft hij zich graag onder de gordel, wat ook in de titels van zijn boeken tot uitdrukking komt. Een van zijn laatste boeken heet De kloten van de mus. Aanvankelijk vroeg hij zich nog af of er voor zijn collectie ‘Dode dieren met een verhaal’ wel genoeg dieren te vinden zouden zijn. Maar die zorg bleek ongegrond. In elk geval in eigen land is de macabere museumdirecteur inmiddels zo bekend dat hij voortdurend nieuwe stukken toegestuurd krijgt. Een keer trof hij bij de post zelfs een pakje van het ministerie van Justitie. Het bleek een margarinekuipje met daarin een dode mus. 
De vogel was in alle openbaarheid doodgeschoten.

    Het musje was binnengedrongen op 
de plek van waaruit RTL het televisieprogramma Domino Day wilde uitzenden. Medewerkers waren drukdoende met het opzetten van vier miljoen dominostenen ten behoeve van een nieuw wereldrecord. Maar de mus saboteerde de voorbereidingen door steeds weer dominostenen om te kieperen. Nadat hij al duizenden stenen had omgegooid werd de vogel met een luchtbuks neergelegd.

    Grote verontwaardiging. De autoriteiten gingen zich ermee bemoeien. Een ambtenaar van het ministerie van Justitie nam het kadaver van de spelbreker in beslag. De vogel werd aanleiding voor een principieel debat: wat is het leven van een dier waard wanneer 
het mensen hindert? Moeliker moest intussen stevig met het ministerie onderhandelen over vrijgave van de domino-mus. Pas na een jaar stonden de ambtenaren het dode diertje af.

    © Lenny Oosterwijk
    © Lenny Oosterwijk

    Die aarzeling was ongewoon, want inmiddels geldt het in Nederland als een grote eer om met de gift van een kadaver een vitrineplaats te bemachtigen in het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam, ook al staat daar weinig meer dan het spreekwoordelijke bedankje tegenover. ‘Als mensen het hier zelf komen brengen, bieden we 
ze natuurlijk wel een kopje koffie aan,’ zegt Moeliker.

    Toch komt het voor dat kostbaarheden aan zijn neus voorbijgaan. Als een galeriehouder op zoek naar schilderijen, spit Moeliker in de dagbladen de 
rubriek Vermist door op geschikte sterfgevallen. Afgelopen winter deed hij zo een spectaculaire vondst. In het Baden-Württembergse stadje Fridingen had een vos de dichtgevroren Donau proberen over te steken, maar was daarbij door het ijs gezakt en verdronken. 
Jagers hadden hem als ijsblok uit de 
rivier gezaagd. Moeliker bedacht al plannen voor een technische installatie waardoor de vos blijvend in ijs bewaard zou kunnen blijven. Maar hij was te laat. De jagers hadden het bevroren kadaver al laten ontdooien. 
‘Een schandaal,’ windt hij zich op.

    Zo blijft een verbleekte dwergvleermuis vooralsnog het enige uit Duitsland afkomstige museumstuk. Het einde van het beest is voor de Rotterdamse expositie-inrichters een bewijs van hoe kleine foutieve beslissingen in het dierenrijk grote gevolgen kunnen hebben. De vleermuis was in een pak ontbijtvlokken gekropen en had de weg terug niet meer kunnen vinden. Omdat het diertje met deze koolhydraatrijke kost niets had weten te beginnen, was het in het pak van honger omgekomen.

    Duiven zonder kop

    Kees Moeliker mag nu dan wel in de directeurskamer van het museum zitten, zijn uitzicht is nog altijd hetzelfde als bij de crash van de eend waar alles mee begon. Ook nu nog vliegen er altijd wel weer vogels tegen de glaswand, vaak duiven. Op een dag ontdekte Moeliker op het grasveld voor het museum een aantal duiven zonder kop – een vreemde vondst.

    Door intensief te observeren wist hij uiteindelijk ook die misdaad op te 
lossen. In de bomen tegenover het museum hadden zich kraaien geposteerd in afwachting van een botsing van een argeloze duif tegen het glas. Zodra dat gebeurde schoot een aasvreter erop af om de kop van het slachtoffer weg te pikken – een handelwijze die gruwelijk lijkt, maar in werkelijkheid blijk geeft van inzicht. ‘De kop is een snelle hap en de hersenen bevatten veel vet en proteïne,’ zegt Moeliker.

    Vanzelfsprekend heeft een van de onthoofde duiven nu een vitrine in het museum gekregen. Maar Moeliker zou het niet eerlijk hebben gevonden als 
hij niet ook een plek zou hebben ingeruimd voor de slimme raafachtigen. 
En dus staat er nu voor het gebouw 
een meer dan manshoge figuur van een kraai.

    Auteur: Frank Thadeusz

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Hoe luie dieren fit blijven

    Hoe luie dieren fit blijven

    Uw kat ligt de hele dag te slapen op de bank, en toch loopt hij Usain Bolt er makkelijk uit. Hoe slagen dieren erin in conditie te blijven zonder noemenswaardige training?

    De meer dan 40.000 hardlopers die onlangs aan de start van de Londense marathon 
verschenen, zullen zich stiekem afgevraagd hebben waar ze aan waren begonnen. Al heb je je nog zo goed aan je trainingsschema gehouden, 42 kilometer rennen doet pijn.

    Nee, dan de brandgans. Diens voorbereiding op zijn drieduizend kilometer lange trek zou voor ons net zoiets zijn als lui op de bank vis en patat eten.

    Maandenlange noeste trainingsarbeid, om dan vlak vóór de grote dag een stapje terug te doen? Daar doet de brandgans niet aan. Volgens milieufysioloog Lewis Halsey van de Universiteit van Southampton ‘zitten ze gewoon op het water non-stop te eten’.

    Pas sinds kort onderzoeken wetenschappers hoe dit kan. Niemand had zich nog de vraag gesteld of bij dieren conditie en trainingsactiviteit even sterk 
met elkaar samenhangen als bij de mens. Maar nu hebben die ogenschijnlijk luie dieren, die toch soms een enorm uithoudingsvermogen aan de dag leggen, dan eindelijk de interesse van een handjevol wetenschappers gewekt.

    Vaak wordt aangenomen dat wilde dieren, doordat 
ze tijdens het zoeken naar voedsel en het ontsnappen aan roofdieren zo veel bewegen, topfit zijn. Halsey schreef onlangs een stuk in het Journal of Animal Ecology met de provocerende titel ‘Do animals exercise to keep fit?’. Hij liet zien dat het antwoord vaak nee luidt.

    Omgevingsfactoren

    Kijk maar naar onze goede oude huiskat. De meeste katten liggen het grootste gedeelte van de dag te 
luieren en doen nauwelijks iets. Maar zelfs de luiste kat loopt Usain Bolt er over korte afstanden gemakkelijk uit. Al dat geslaap lijkt hun natuurlijke beweeglijkheid nauwelijks te hinderen als er 
plotseling een hond in de tuin opduikt. En zwarte 
en bruine beren komen uit een maandenlange 
winterslaap tevoorschijn met intacte spiermassa – 
al hebben ze nauwelijks bewogen.

    De brandgans doet daar zelfs een schepje bovenop. Ondanks hun zittende leventje houden ze niet alleen hun conditie op peil, hun hart wordt zelfs sterker, 
ze krijgen grotere vliegspieren en bouwen op de een of andere manier voldoende conditie op om in twee dagen duizenden kilometers te migreren.

    Maar als deze fysieke hoogstandjes niet aan training te danken zijn, waaraan dan wel? Om dat te verklaren, moet het begrip fysieke conditie ruimer worden opgevat. ‘Fit zijn’ wil biologisch gezien zeggen dat het lichaam veranderingen heeft ondergaan waardoor het sterker en efficiënter is geworden. Bij mensen worden zulke veranderingen door training in gang gezet. Bij dieren als beren en trekvogels daarentegen lijkt een wisseling van seizoen het lichaam voor te bereiden op een komende uitdaging. Voor beren 
kunnen een dalende temperatuur of voedselschaarste dus signalen zijn. Maar wat het signaal ook is, het stimuleert de aanmaak van stofjes in het bloed die de spieren beschermen. In experimenten waarin spieren van ratten in het bloed van beren in winterslaap 
werden gelegd, nam het verlies van spierweefsel met veertig procent minder af dan bij spieren die in bloed van beren lagen die niet in winterslaap waren.

    Halsey gaat ervan uit dat ook brandganzen reageren op veranderingen in omgevingsfactoren als temperatuur, waardoor hun lichaam ‘weet’ dat ze fysiek 
op de proef gesteld zullen worden en ze dus aan moeten komen.

    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia
    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia

    Bij andere vogelsoorten is het signaal de seizoensafhankelijke hoeveelheid daglicht. Fysiologisch 
ecoloog Chris Guglielmo van de Universiteit van Western Ontario in Canada merkte dat wanneer de geelstuitzanger, een trekvogel, aan een ander aantal uren daglicht werd blootgesteld, honderden genen in zijn spieren een veranderende activiteit lieten zien. ‘Kleine zangvogels hoef je niet speciaal te trainen om ze zes tot tien uur te laten vliegen,’ vertelt hij. ‘Stel je ze een tijdlang bloot aan de juiste daglichtcyclus en haal je ze daarna uit hun kooi, dan vliegen ze in een windtunnel zo tien uur achter elkaar.’

    Anders dan trekvogels krijgen mensen in april helaas geen biologische prikkels om fit te worden, hoe graag een marathonloper dat misschien ook zou willen. Ook hebben we geen spierbeschermende stofjes in ons bloed, dat ervoor zorgt dat we als we op de bank liggen onze zwaarbevochten spierkracht niet verliezen. Invloeden uit ons evolutionaire verleden hebben ervoor gezorgd dat wij alleen door training in goede conditie komen.

    Het leven van onze voorouders was onvoorspelbaar. Ze moesten veel en soms ook hard lopen om aan voedsel te komen en zich uit gevaarlijke situaties te redden. Tegelijk moesten ze hun spiermassa minimaal houden omdat er zelden voedsel in overvloed was. Zo bezien is uit vorm raken zelf ook weer een adaptatie. Het onderhouden van spieren kost immers een hoop energie. Elke kilo spierweefsel vraagt 
dagelijks zo’n tien tot vijftien kilocalorieën van ons rustmetabolisme. Misschien lijkt dat niet veel, maar bedenk dat veertig procent van het lichaamsgewicht van een doorsneepersoon uit spieren bestaat. ‘Een gemiddeld mens besteedt zo’n twintig procent van zijn basale energiebudget aan het op peil houden 
van spiermassa,’ vertelt evolutionair bioloog Daniel Lieberman van de Harvard-universiteit, die tevens marathonloper is.

    Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen

    Onze fysiologie is dus zo geëvolueerd dat ons gewicht en onze conditie variëren als functie van het beschikbare voedsel. Hierin zijn we volgens Lieberman anders dan de meeste andere dieren. De meeste dieren zijn alleen tot korte momenten van intense activiteit in staat, dat geldt zowel voor de cheeta die achter een prooi aan zit als voor de gazelle die aan hem ontsnapt. Katten zijn weliswaar snel, maar 
hoeven maar zelden ver te lopen. Misschien kan een huiskat haar kattenconditie prima op peil te houden door een paar keer een rondje om het huis te stuiven. Mensen daarentegen hoefden niet vaak hard te 
rennen, maar moesten wel langere afstanden 
afleggen, aldus Lieberman.

    Hij denkt dat natuurlijke selectie ons lang geleden 
op de Afrikaanse savanne tot ‘perfect aangepaste duursporters’ heeft gemaakt, die prooidieren er met gemak uitrenden en lange afstanden aflegden als 
het nodig was. Maar schijnbaar moeten we er wel op trainen. Doen we dat niet, dan verslappen we.

    Ook dieren die grote afstanden aflegden, hoefden qua snelheid niet uit te blinken. Een brandgans die de Atlantische Oceaan overstak, hoefde geen wereldrecord te vestigen, zolang hij de overkant maar 
haalde. En, vertelt sportfysioloog Ross Tucker van de Universiteit van de Vrijstaat in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein, de mens is het enige dier dat zich 
zorgen maakt over zijn piekactiviteit. Behalve 
renpaarden en hazewindhonden, allebei gefokt om wedstrijden te rennen, gaan dieren geen directe competitie met elkaar aan. ‘Ik weet niet of dieren allemaal dezelfde prestaties leveren… En we weten niet of zij hun prestaties door training kunnen 
verbeteren,’ zegt hij.

    Wat kan een menselijke sportfanaat leren van de luie, fitte dieren in de vrije natuur? Je zou misschien hopen dat wetenschappers nog eens een marathonlooppil maken die ons lichaam doet transformeren als dat van een brandgans. Maar nog afgezien van 
de gezondheids- en ethische aspecten van dergelijke doping, zal dat niet snel gebeuren. Tot het zover is, moeten we onze motivatie misschien zoeken bij een bescheidener diertje.

    Dopamine

    Iedereen die wel eens een hamster heeft gehad, 
weet dat knaagdieren erg van rennen houden. Uit experimenten met hun hersenchemie blijkt dat zij 
er plezier aan beleven, vertelt evolutionair bioloog Vincent Careau van de Universiteit van Ottawa in Canada. ‘Hun dopaminesysteem maakt dat muizen dat fijn vinden,’ vertelt hij. ‘Ze krijgen er eenzelfde kick van als hardlopers.’

    Een Nederlands experiment uit 2014 liet zien dat niet alleen tamme knaagdieren zo reageren. Zet je een loopmolentje buiten, dan bleken zelfs wilde 
muizen erop te gaan rennen, zodra ze doorkregen hoe het ding werkte.

    Deze zomer wil Careau dit experiment voortzetten, door opnieuw loopmolentjes in de vrije natuur te plaatsen. Hij wil zo veel mogelijk muizen van een merkteken voorzien en bijhouden welke afstand elk van hen op het molentje aflegt, zodat hij kan nagaan of het rennen hun overleven bevordert. Het zou heel goed kunnen van wel, omdat muizen immers voortdurend aan roofdieren moeten ontsnappen: haviken, vossen, slangen, wezels. Wie weet doen zij wel, net als wij, te weinig aan hun conditie om hard genoeg weg te kunnen lopen, en doen ze er goed aan om in hun vrije tijd nog wat bij te trainen. Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen. 
Wil je dus als marathonloper graag je prestaties 
verbeteren, vergeet dan die ganzen, katten en beren. Doe als een muis, en ga op zoek naar die heerlijke dopaminekick.

    Auteur: Richard Lovett
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    New Scientist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 82.000

    Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.

  • 4. White Bear

    4. White Bear

    De missie van Sheng-Wen Lo (Taiwan) is het bewustzijn te vergroten van de vaak problematische relatie tussen mens en dier. Voor White Bear fotografeerde Lo ijsberen in hun kunstmatige habitat op 26 locaties in Europa en China. Hij vraagt zich af of de woonomgevingen bruggen of juist muren tussen mens en dier vormen.

    © Sheng-Wen Lo
    © Sheng-Wen Lo
  • Verscheurd door een tijger. Eigen schuld, dikke bult?

    Verscheurd door een tijger. Eigen schuld, dikke bult?

    Op 29 januari werd in een dierentuin in het Chinese Ningbo een man door een tijger gedood nadat hij over de muur van het verblijf was geklommen. De tijger werd afgeschoten. Het drama verdeelt de Chinese pers.

    JA

    Het was duidelijk dat een tijger niet over de drie meter hoge muur heen kom klimmen. Maar de heer Zhang lukte het.

    Er zijn altijd mensen die zich niet aan de regels houden. Ze gaan nooit in de rij staan, want voordringen vinden ze normaal; bij het oversteken kijken ze nooit of het licht op groen of op rood staat, want ze denken dat een auto ze toch niet durft aan te rijden. Ze lachen om rigide mensen die zich wel aan de regels houden en zijn blij dat zij daar te intelligent voor zijn.

    Als je spuugt terwijl dat verboden is, kan een nachtwaker dat door de vingers zien; als je door rood rijdt, kan een verkeersagent dat door de vingers zien; maar als je over de muur van zijn verblijf klimt, laat een tijger dat niet over zijn kant gaan…

    Ik wil best de nagedachtenis respecteren van iemand die zich moedig heeft ingezet voor een rechtvaardige zaak, om zijn gezin te beschermen of zijn vaderland te verdedigen, maar moet dat ook gelden voor iemand die dood is door zijn eigen stomme schuld?

    Volgens sommigen moet je de doden respecteren. Ik wil best de nagedachtenis respecteren van iemand die zich moedig heeft ingezet voor een rechtvaardige zaak, om zijn gezin te beschermen of zijn vaderland te verdedigen, maar moet dat ook gelden voor iemand die dood is door zijn eigen stomme schuld? Zonder regels zijn we nergens. Het slachtoffer heeft de prijs betaald voor zijn dwaling, en dat moet een les voor ons zijn. We hoeven geen medelijden met hem te hebben. Hij heeft een fout gemaakt, punt uit. Als hij het er levend vanaf had gebracht, is de kans groot dat zijn kinderen het hem hadden nagedaan.

    Deze man is zo iemand die te voet een snelweg oversteekt, die achter het stuur kruipt als hij te veel gedronken heeft, die rookt tijdens het tanken… Dat getuigt van een diepe minachting voor de regels en van een egoïstisch karakter. Wie zich niet aan de regels houdt, moet daarvoor boeten. In dit geval heeft alleen de tijger de overledene naar zijn graf vergezeld, maar het had ook een mens kunnen zijn. En dat allemaal omdat hij geen kaartje van 100 yuan [ca. 13 euro] wilde kopen!

    Wie de regels aan zijn laars lapt, let nergens meer op, ook al brengt hij daarmee zijn leven in gevaar. Het dier was zijn karakter trouw, maar de man verloochende de specifieke intelligentie die de mens is aangeboren. Laten we een moment van stilte in acht nemen voor de omgekomen tijger!

    Auteur: Feng Qingyang

    De tijger in kwestie. – © China News
    De tijger in kwestie. – © China News

    NEE

    Er zijn inmiddels tal van mensen die het niet genoeg vinden om een toerist te beschuldigen die de regels heeft overtreden, maar daarnaast ook nog hun medeleven betuigen met de omgekomen tijger. Volgens sommigen had de man het aan zichzelf te wijten dat de tijger hem heeft verslonden. Volgens anderen is het leven van een tijger evenveel waard als dat van een mens. Dat de toerist het zijne heeft verloren is geen reden om hem te beklagen, maar waarom moest hij zo nodig de tijger mee de dood in sleuren?

    Dit argument is van iedere redelijkheid ontbloot en getuigt van weinig beschaving. Ook al heeft de man de regels overtreden, de tol die hij heeft moeten betalen is te hoog. Er is geen reden om een dode nog een trap na te geven.

    Je kunt je afvragen of het niet eerder getuigt van superioriteitsgevoel dan van respect voor de regels om zo weinig medelijden te hebben met deze toerist die een fout heeft gemaakt en om partij te kiezen voor de tijger. Het is alsof een overstekende voetganger wordt overreden door een auto, en dat mensen vervolgens niet alleen vinden dat dat zijn verdiende loon is, maar zich ook bezorgd afvragen of de auto niet al te erg beschadigd is. Met zo’n houding maak je duidelijk dat het je niet om de regels gaat, maar dat je weinig belang hecht aan het leven van een mens.

    Is het goed om zo veel belang te hechten aan het leven van een tijger op het moment dat onze maatschappij het menselijk leven nog in verschillende categorieën indeelt?

    Ook het tweede argument slaat me met stomheid: je kunt je inmiddels afvragen of dierenbescherming in China niet bij uitstek een kwestie van politieke correctheid is geworden. Dat is echter duidelijk niet het geval. De juridische bescherming van dieren is nog verre van perfect, en ons land loopt nog niet echt warm voor het welzijn van dieren. Onder die omstandigheden is het uiterst hypocriet om je meer om het lot van een tijger te bekommeren dan om dat van een mens.

    Nog even afgezien van deze kwestie is het de vraag of deze mensen werkelijk begaan zijn met het lot van tijgers in dierentuinen. Hebben ze er nooit rondgelopen? Hebben ze nooit klakkeloos eten naar de dieren gegooid? Hebben ze nooit wild gegeten?

    Is het goed om zo veel belang te hechten aan het leven van een tijger op het moment dat onze maatschappij het menselijk leven nog in verschillende categorieën indeelt? Iedereen weet dat bij een dodelijk verkeersongeluk de verzekering meer uitkeert in steden dan op het platteland. Zouden mensen die zich zo druk maken over het afschieten van een tijger zich niet evenzeer moeten interesseren voor deze wrede werkelijkheid?

    Ik ben niet tegen dierenbescherming, maar hoe kun je je een dierenbeschermer noemen als je zo weinig belang hecht aan het leven van een mens?

    Auteur: Wei Yingjie
    Vertaler: Peter Bergsma

    Sina Weibo
    China | weibo.com

    Onbetwiste marktleider. Niet zo moeilijk, de grootste concurrent – Twitter – komt niet voorbij de Great Firewall. De microblogsite heeft 700 man in dienst om onwelgevallige berichten te blokkeren.

  • Jan Fabre schudt Hermitage op

    Jan Fabre schudt Hermitage op

    De Belgische kunstenaar Jan Fabre veroorzaakte ophef in Rusland door dode dieren te exposeren in de Hermitage. Maar hij laat ontegenzeggelijk een frisse wind waaien door het museum, oordeelt Le Monde.

    Een nog nooit vertoonde eer, tot tweemaal toe: was de Belg Jan Fabre al de eerste hedendaagse kunstenaar die in 2008 een grote persoonlijke expositie mocht presenteren in het Louvre, nu is hij de eerste die hetzelfde mag doen in de Hermitage in Sint-Petersburg. Waarom hij, en alleen hij op deze schaal, in twee van de meest prestigieuze musea ter wereld?

    Allereerst omdat de Hermitage zich er door de ervaringen van het Louvre toe heeft laten overhalen om zich te lenen voor dit confrontatiespel tussen een hommage aan oude meesters en een retrospectief. Daarnaast omdat het een avontuur is dat een combinatie vergt van dwaze trots en een flinke dosis nederigheid, twee tegenpolen waartussen de veelzijdige Jan Fabre (58) zich met natuurlijk gemak beweegt.

    Op de binnenplaats wordt de Hermitagebezoeker ontvangen door een Jan Fabre van verguld brons, ‘De man die de wolken meet’, die gewoonlijk veel hoger wordt opgesteld maar hier bijna is teruggebracht tot menselijke hoogte. Deze kopie van de kunstenaar lijkt dus vooral zichzelf te meten met deze kunsttempel. Verwarrend voor het Russische publiek dat zijn werk ontdekt (het is zijn eerste expositie in het land) is de aanblik van een andere avatar bij een van de ingangen van het expositiegebouw: deze lijkt met zijn neus tegen een werk te zijn gelopen, zodat het bloed druppel voor druppel op zijn blote voeten valt. ‘Dat is mijn zelfportret als dwerg,’ zegt de kunstenaar over dit kleine alter ego van was. ‘Ik ben een dwerg die is geboren in een land van reuzen. Wij Vlamingen moeten zien om te gaan met de grandeur van ons verleden, met een uitzonderlijke traditie.’

    Een onderdeel van de installatie van Fabre in de Hermitage. – © Sergej Konkov / Getty
    Een onderdeel van de installatie van Fabre in de Hermitage. – © Sergej Konkov / Getty

    Net als in Parijs heeft de kunstenaar ervoor gekozen zich te concentreren op de afdeling van het museum die hij het beste kent: die van de Vlaamse meesters van de zestiende en zeventiende eeuw. ‘Ik ben met deze werken opgegroeid, ze zijn een inspiratiebron voor mijn werk,’ aldus de Belg, die zijn tentoonstelling van meer dan tweehonderd werken, waaronder een aantal installaties, de vorm van een ‘dramaturgie’ heeft gegeven.

    In de Snyders-zaal laat hij tussen de monumentale stillevens en jachttaferelen zwarte en iriserende schedels ronddraaien, gemaakt van een van zijn fetisjmaterialen: dekschildjes van mestkevers. Elk ervan heeft een dier tussen zijn kaken: een haas, een fazant… Te midden van deze warboel van pluimen en haar, echt of geschilderd, werken andere skeletten penselen naar binnen om de functie van ‘ijdelheden’ op deze schilderijen te benadrukken. IJdelheden die ook in de Jordaens-zaal flonkeren, waar Jan Fabre grote mestkevermozaïeken heeft aangebracht.

    De Rubens-zaal is uitgevoerd in schemerblauw, indachtig het uur tussen hond en wolf wanneer het leven van de dag plaatsmaakt voor het nachtleven dat een nachtvogel als Jan Fabre zo dierbaar is. Raadselachtige donkerblauwe foto’s onthullen ternauwernood mythologische taferelen. Overal kijken uilen, totemfiguren van de kunstenaar, de bezoekers vorsend aan, terwijl tekeningen die zijn gemaakt met een doodgewone blauwe ballpoint het schemerblauw duizelingwekkend laten oplossen in monumentale installaties.

    Een hommage aan langs de snelweg gevonden honden en katten.
    Een hommage aan langs de snelweg gevonden honden en katten.

    In de vleugel van de Hermitage die aan moderne kunst is gewijd presenteert de kunstenaar een keus uit zijn installaties. Een ervan heeft sinds de opening van de expositie in Rusland tot discussies geleid: in een carnavaleske sfeer zijn honden en katten opgehangen waarvan de kunstenaar de lijken langs autosnelwegen heeft verzameld en waaraan hij op zijn manier een ‘hommage’ brengt. Deze installatie dateert van 2007. Ze past goed in zijn oeuvre, waarin het leven van mens en dier, skeletten en dekschilden, zich om het hardst vermengt en metamorfoseert tot droomvisioenen die de tijd uitdagen.

    Op 21 oktober, de dag van de opening, trad de Russische pers dit universum van verontrustende vreemdheid en verwrongen humor enigszins terughoudend tegemoet: ‘Is dit niet gewelddadig/erg radicaal/kitscherig/choquerend… walgelijk?’ De kunstenaar bestrijdt dit: ‘Wat u gewelddadig voorkomt, roept voor mij de energie van het leven op. Het is een ode aan wat de natuur ons geeft.’ Vooruitlopend op de discussies, waaraan hij gewend is, benadrukt hij bovendien dat ‘geen enkel dier in naam van de kunst is gedood’.

    De kunstenaar.
    De kunstenaar.

    Het idee van een ode neemt nog vrolijker vormen aan in de majestueuze Van Dyck-zaal. Als een echo van de schilderijen van de hofschilder presenteert Jan Fabre daar een nieuwe serie getiteld Mijn koninginnen, levenslustige portretten van zijn medewerksters die zijn uitgehouwen in grote plakken Carrara-marmer. ‘Hiermee wil ik eer bewijzen aan de vrouwen die een leidende rol hebben in mijn atelier en mijn leven. Ik ben trots op dit stuk dat is gewijd aan de macht van vrouwen, het is mijn belangrijkste kanttekening bij een fallocratische samenleving,’ aldus de kunstenaar.

    Dit feestelijke thema zet hij voort in een serie kleine carnavaleske tekeningen die een dialoog aangaan met de rurale feesttaferelen van de Vlaamse primitieven. ‘Carnaval is verankerd in de Belgische cultuur. Bij de Vlaamse schilders gaat het om drinken, dansen, je amuseren. Oftewel om vreugde, om extase, om ondermijning en ironie,’ licht de Antwerpenaar toe, die zichzelf in deze zin als een ‘erg provinciaalse kunstenaar’ omschrijft.

    Wat voor het Louvre gold, geldt ook voor de Hermitage: of het publiek nu gevoelig is voor het woeste bestiarium en de verve van Jan Fabre of niet, hij laat ontegenzeglijk een frisse wind waaien in de luisterrijke zalen waar het publiek zich gewoonlijk zelden verdringt.

    Auteur: Emmanuelle Jardonnet

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    Links-liberaal dagblad. In 1944 opgericht nadat Duitse troepen Parijs verlieten. Journalisten die voor de krant werken zijn ook aandeelhouder.

  • ‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

    ‘Een worm kan met recht intelligent worden genoemd’

    Van regenworm tot octopus, ook de ‘lagere’ diersoorten beschikken over een zenuwstelsel, hebben een leervermogen en zoiets als een wil of een bewustzijn.

    Het laatste boek van Charles Darwin, verschenen in 1881, was een studie naar de nietige regenworm. Het hoofdthema – zoals al blijkt uit de titel, The Formation of Vegetable Mould through the Action of Worms – was het formidabele vermogen van wormen om in de loop van miljoenen jaren in grote aantallen de bodem om te ploegen en het aanzien van de aarde te veranderen. Maar de eerste hoofdstukken gaan simpelweg over de ‘gewoonten’ van de diertjes.

    Wormen kunnen licht en donker onderscheiden en blijven overdag meestal onder de grond, op veilige afstand van hun vijanden. Ze hebben geen oren en kunnen dus geen luchttrillingen horen, maar zijn des te gevoeliger voor trillingen van de bodem, zoals de voetstappen van naderende dieren. Al die prikkels, zo noteerde Darwin, worden overgebracht naar groepjes zenuwcellen (die hij de ‘hersenganglia’ noemde) in de kop van de worm.

    ‘Als er plotseling licht op een worm valt’, aldus Darwin, ‘schiet hij als een konijn zijn holletje in.’ Hij schreef dat hij aanvankelijk geneigd was ‘die handeling als een reflex te beschouwen’, maar later merkte dat het geen vast patroon was: als een worm bijvoorbeeld iets aan het doen was, vluchtte hij niet voor het plotselinge licht.

    Volgens Darwin duidde dat vermogen om verschillend te reageren op ‘de aanwezigheid van een soort wil’. Ook schreef hij over het ‘geestelijk vermogen’ van wormen die hun holletjes dichtstopten: ‘Als wormen in staat zijn om te beoordelen hoe ze een voorwerp dat ze naar de ingang van hun holletje hebben gesleept het beste naar binnen kunnen trekken, dan moeten ze zich enigszins hebben vergewist van de vorm.’ Om die reden vond hij dat wormen ‘met recht intelligent kunnen worden genoemd, want ze gedragen zich dan bijna net zo als een mens in een vergelijkbare situatie’.

    79718017

    De schoonheid van simpele zeebeestjes

    Als kind speelde ik met de regenwormen bij ons in de tuin (en later zou ik ze bij onderzoeksprojecten gebruiken), maar ik hield het meest van de kust, en dan vooral van getijdenpoelen, want we gingen met vakantie bijna altijd naar zee. Mijn jeugdig enthousiasme voor de schoonheid van simpele zeebeestjes kreeg een wetenschappelijker karakter dankzij een leraar biologie, die ons elk jaar meenam naar het Marine Station in Millport, in het zuidwesten van Schotland, waar we ons konden verdiepen in de immense verscheidenheid aan ongewervelde dieren langs de kust van Cumbrae. Die excursies naar Millport vond ik zo fantastisch dat ik van plan was om later zeebioloog te worden.

    Darwins werk over regenwormen was een van mijn lievelingsboeken, net als Jelly-Fish, Star-Fish, and Sea-Urchins: Being a Research on Primitive Nervous Systems van George John Romanes uit 1885, dat vol stond met eenvoudige, fascinerende experimenten en schitterende illustraties. Romanes, een jonge leerling en vriend van Darwin, zou zijn leven lang hartstochtelijk geïnteresseerd blijven in de kust en de dieren die daar voorkomen, en hij legde zich vooral toe op het onderzoek naar de gedragsmatige manifestaties van een ‘wil’ bij deze wezens.

    Ik genoot van Romanes’ persoonlijke stijl. (Hij schreef dat hij zijn proefnemingen naar de wil en het zenuwstelsel van de ongewervelde dieren met veel plezier uitvoerde in ‘een laboratorium op het strand … een mooi houten werkplaatsje waar de zeewind vrijelijk naar binnen woei’.) Maar het ging Romanes natuurlijk vooral om de zoektocht naar een verband tussen zenuwstelsel en gedrag. ‘Vergelijkende psychologie’ noemde hij zijn werk, naar analogie van de vergelijkende anatomie.

    Louis Agassiz had in 1850 al aangetoond dat de kwallensoort Bougainvillea een behoorlijk ontwikkeld zenuwstelsel had, en in 1883 bewees Romanes het bestaan van afzonderlijke zenuwcellen (ongeveer duizend in getal). Aan de hand van eenvoudige experimenten – het doorsnijden van bepaalde zenuwen, het maken van sneetjes in het lichaam of het bestuderen van losse weefselplakjes – stelde hij vast dat kwallen zowel gebruikmaakten van autonome, lokale mechanismen (aangestuurd door ‘zenuwnetten’) als van handelingen die centraal werden gecoördineerd vanuit het cirkelvormige ‘brein’ dat langs de randen van het lichaam liep.

    Romanes kon in 1883 zelfs afbeeldingen van losse zenuwcellen en groepjes zenuwcellen, oftewel ganglia, in zijn boek Mental Evolution in Animals opnemen. ‘In het gehele dierenrijk’, schreef Romanes, ‘is bij alle soorten die niet lager in de zoölogische rangorde staan dan de Hydroïdpoliepen onveranderlijk zenuwweefsel aanwezig. De laagste dieren waarbij dat tot dusver is waargenomen, zijn de Medusae, oftewel kwallen, en daarboven is het zoals gezegd onveranderlijk aanwezig. En overal waar het voorkomt, heeft het vrijwel dezelfde structuur, dus of we nu te maken hebben met het zenuwweefsel van een kwal, een oester, een insect, een vogel of een mens, we kunnen het makkelijk herkennen aan de bouwstenen die altijd min of meer hetzelfde zijn.’

    Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.
    Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.

    De vrije wil van de kwal

    Op het moment dat Romanes levende kwallen en zeesterren te lijf ging in zijn laboratorium aan zee, was de jonge Sigmund Freud, toen al een fervent darwiniaan, aan het werk in het lab van de Weense fysioloog Ernst von Brücke. Hij hield zich vooral bezig met het vergelijken van de zenuwcellen van gewervelde en ongewervelde dieren, met name die van een zeer primitieve gewervelde (Petromyzon, een lamprei) met die van een ongewervelde (een rivierkreeft). In die tijd was het heersende idee dat het zenuwstelsel van ongewervelden uit heel andere zenuwelementen bestond dan dat van gewervelden, maar Freud liet zien – met prachtige, gedetailleerde illustraties als bewijs – dat de zenuwcellen van de rivierkreeft amper verschilden van die van de lamprei – of van de mens.

    En hij was de eerste die echt begreep dat de zenuwcel en zijn vertakkingen – dendrieten en axonen – de elementaire bouwstenen en boodschappers van het zenuwstelsel vormden. Eric Kandel schrijft in zijn boek In Search of Memory: The Emergence of a New Science of Mind (2006) dat als Freud geen arts was geworden maar was doorgegaan met elementair onderzoek, hij nu misschien wel bekend zou staan als ‘een van de grondleggers van de zenuwceltheorie in plaats van als de vader van de psychoanalyse’.

    Hoewel zenuwcellen in vorm en omvang kunnen verschillen, zijn ze in wezen altijd hetzelfde, van de primitiefste tot de hoogst ontwikkelde levensvormen. Ze verschillen alleen in aantal en wijze van organisatie: wij hebben honderd miljard zenuwcellen, terwijl een kwal er maar duizend heeft. Maar hun functie als cellen die razendsnel achter elkaar signalen kunnen doorgeven is in wezen gelijk.

    De cruciale rol van de synapsen – de contactplaatsen tussen zenuwcellen waar de zenuwimpulsen kunnen worden gemoduleerd, waardoor een organisme flexibel wordt en zijn gedrag kan variëren – werd pas aan het eind van de negentiende eeuw helder beschreven door de grote Spaanse anatoom Santiago Ramón y Cajal, die het zenuwstelsel van allerlei gewervelde en ongewervelde dieren had onderzocht, en de Engelsman C.S. Sherrington (die de term ‘synaps’ bedacht en aantoonde dat synapsen een inhiberende of een exciterende functie kunnen hebben).

    Maar in de jaren tachtig van de negentiende eeuw bestond, ondanks het werk van Agassiz en Romanes, nog altijd het idee dat kwallen weinig meer waren dan willoos dobberende hoopjes tentakels die gewoon staken en opvraten wat er in hun buurt kwam, als een soort drijvende zonnedauw.

    In werkelijkheid zijn kwallen juist verre van willoos. Ze maken ritmische zwembewegingen door hun hele lichaam samen te trekken, en elk van die bewegingen wordt vanuit een centraal regelsysteem in gang gezet. Kwallen kunnen van richting en hoogte veranderen, en veel kwallensoorten kunnen ‘vissen’ door even ondersteboven te gaan liggen en hun tentakels als een net uit te spreiden, en dan terug te keren naar hun normale stand, met behulp van acht zwaartekrachtgevoelige evenwichtsorganen. (Worden die organen verwijderd, dan raakt de kwal gedesoriënteerd en heeft hij zijn positie in het water niet meer onder controle.) Als een kwal door een vis wordt gebeten of op een andere manier wordt bedreigd, gaat hij er snel vandoor door zijn lichaam een paar keer achter elkaar extra krachtig samen te trekken. Dan worden er speciale, extra grote (en daardoor extra snel reagerende) zenuwcellen geactiveerd.

    Een buitengewoon interessante – en onder duikers beruchte – soort is de dooskwal (Cubomedusae), een van de primitiefste dieren met volledig ontwikkelde ogen, die weinig verschillen van de onze. De bioloog Tim Flannery schreef vorig jaar in een artikel in The New York Review of Books: ‘Ze maken actief jacht op middelgrote vissen en schaaldieren en halen snelheden tot zeven meter per minuut. Ze zijn de enige kwallensoort met zulke geavanceerde ogen, compleet met netvliezen, hoornvliezen en lenzen. En ze hebben een brein dat in staat is om te leren, te onthouden en complexe handelingen aan te sturen.’

    Wij en alle andere hogere dieren zijn bilateraal symmetrisch, hebben een voorkant (een hoofd) met hersenen, en een voorkeur voor een bepaalde bewegingsrichting (naar voren). Het zenuwstelsel van een kwal is radiaal symmetrisch, net als het dier zelf, en al lijkt het misschien minder ontwikkeld dan het brein van een zoogdier, het kan beslist als een brein worden beschouwd, want het stuurt complexe, aangeleerde gedragingen aan en coördineert alle sensorische en motorische mechanismen van het dier. Of we van een ‘wil’ kunnen spreken (zoals Darwin doet bij regenwormen), hangt er maar van af wat je onder een ‘wil’ verstaat.

    Gouden kwallen - © Ethan Daniels/Getty Images
    Gouden kwallen – © Ethan Daniels/Getty Images

    Wat weet een plant?

    Onderscheid tussen planten en dieren maken we allemaal. We gaan ervan uit dat planten doorgaans op een vaste plek in de grond staan; ze spreiden hun groene bladeren uit naar de hemel en leven van zonlicht en aarde. We gaan ervan uit dat dieren daarentegen wel van hun plaats komen, om voedsel te zoeken of op jacht te gaan; ze vertonen daarbij allerlei soorten eenvoudig herkenbaar gedrag. Planten en dieren hebben zich in twee richtingen ontwikkeld die sterk van elkaar verschillen (en schimmels zijn weer een andere kant op gegaan), en ze hebben dan ook totaal verschillende verschijningsvormen en leefwijzen.

    En toch, beweerde Darwin stellig, hebben ze meer met elkaar gemeen dan je zou denken. Hij schreef een aantal botanische werken, met als hoogtepunt The Power of Movement in Plants (1880), vlak voor zijn boek over regenwormen. Hij was zo onder de indruk van het bewegingsvermogen van vleesetende planten, en vooral van hun vermogen om insecten waar te nemen en te vangen, dat hij niet eens helemaal een grap maakte toen hij de Drosera, oftewel zonnedauw, in een brief aan de botanicus Asa Gray niet alleen een schitterende plant noemde, maar ook ‘een zeer scherpzinnig dier’.

    Darwin werd in zijn opvatting gesterkt door de ontdekking dat vleesetende planten net als dieren bij hun bewegingen gebruikmaken van elektrische stroompjes – dat er behalve ‘dierenstroom’ ook ‘plantenstroom’ bestaat. Maar ‘plantenstroom’ beweegt maar heel langzaam, ongeveer een centimeter per seconde, zoals je kunt zien aan de blaadjes van het kruidje-roer-mij-niet (Mimosa pudica), die zich bij aanraking een voor een sluiten. ‘Dierenstroom’, die via zenuwen loopt, gaat ongeveer duizend keer zo snel.

    De uitwisseling van signalen tussen cellen verloopt via elektrochemische veranderingen: elektrisch geladen atomen (ionen) stromen de cellen in en uit via speciale, zeer selectieve moleculaire poriën of ‘kanalen’. Deze ionenstromen veroorzaken elektrische stroompjes, impulsen – actiepotentialen – die (direct of indirect) van de ene cel naar de andere worden overgedragen, zowel bij planten als bij dieren.

    Bij planten gaat dat vooral via calciumionkanalen, die prima passen bij hun trage leven. Zoals Daniel Chamovitz schrijft in zijn boek What a Plant Knows (2012), zijn planten in staat om wat wij beelden, geluiden en tactiele signalen zouden noemen te registeren. Planten weten wat ze moeten doen en hebben een ‘geheugen’. Maar bij gebrek aan zenuwcellen leren planten niet op dezelfde manier als dieren. In plaats daarvan maken ze gebruik van een heel arsenaal aan chemische stoffen en instrumenten – devices, om Darwins term te gebruiken. De blauwdrukken daarvoor moeten allemaal in het genoom van de plant zijn vastgelegd, en het genoom van planten is inderdaad vaak groter dan dat van de mens.

    Met de calciumkanalen waarop planten zijn aangewezen, kunnen cellen niet snel achter elkaar signalen aan elkaar doorgeven. Als bij een plant een actiepotentiaal wordt opgewekt, kan dat niet vlug genoeg worden herhaald om bijvoorbeeld de vaart te creëren waarmee een worm ‘zijn holletje in schiet’. Voor snelheid zijn ionen en ionkanalen nodig die in milliseconden open en dicht kunnen gaan, waardoor er binnen een seconde honderden actiepotentialen kunnen worden gegenereerd. Dat kunstje kon wel worden geklaard met natrium- en kaliumionen, waarmee de ontwikkeling van snel reagerende spiercellen, zenuwcellen en neuromodulatie in de synapsen mogelijk werd. Zo konden organismen ontstaan die in staat waren om te leren, ervaringen te benutten, te oordelen, te handelen en uiteindelijk ook te denken.

    Deze nieuwe levensvorm – dierlijk leven – dat zo’n 600 miljoen jaar geleden zijn intrede deed, kende enorme voordelen, waardoor populaties in rap tempo konden transformeren. Tijdens de zogeheten Cambrische explosie (die met merkwaardige precisie is gedateerd op 542 miljoen jaar geleden) verschenen er minstens twaalf nieuwe dierstammen, met sterk uiteenlopende bouwplannen, in nog geen miljoen jaar tijd – geologisch gezien een oogwenk. De ooit zo stille zeeën veranderden in het Cambrium in een jungle vol jagers en prooien, die zich voortaan vrijelijk konden verplaatsen. En hoewel sommige dieren (zoals sponzen) hun zenuwcellen kwijtraakten en terugvielen tot een vegetatief bestaan, kregen andere, vooral roofdieren, steeds hoger ontwikkelde organen, geheugens en verstandelijke vermogens.

    Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska - © Joel Sartore/National Geographic
    Zee-egels en een zeester in de zee bij Alaska – © Joel Sartore/National Geographic

    Een hypergevoelige Amoeba

    Het is een fascinerend idee dat Darwin, Romanes en andere biologen uit die tijd zochten naar een ‘wil’, naar ‘geestelijke processen’, ‘intelligentie’ en zelfs ‘bewustzijn’ bij primitieve dieren als kwallen en zelfs protozoa. Luttele decennia later zou de wetenschap worden gedomineerd door het radicaal behaviorisme, en zou het bestaan van alles wat niet objectief aantoonbaar was eenvoudig worden ontkend. Dat gold zeker voor innerlijke processen tussen prikkel en reactie, die als irrelevant werden beschouwd, of op zijn minst werden geacht buiten het bereik van wetenschappelijk onderzoek te liggen.

    Die beperking maakte het onderzoek naar prikkel en reactie – met of zonder ‘conditionering’ – een stuk eenvoudiger, en Pavlovs beroemde experimenten met honden betekenden een formele erkenning – als ‘sensitisering’ en ‘habituatie’ – van wat Darwin bij zijn wormen had waargenomen.

    Zoals Konrad Lorenz schreef in The Foundations of Ethology: ‘Een regenworm [die] net bijna is verschalkt door een merel … reageert daar wijselijk op door de drempel voor soortgelijke prikkels drastisch te verlagen, want de vogel zal waarschijnlijk nog niet meteen gevlogen zijn.’ Dat verlagen van de drempel, oftewel sensitisering, is een primitieve vorm van leren, zij het een niet-associatieve vorm met een kortstondig effect. Omgekeerd doet zich een afzwakking voor van de reactie, oftewel habituatie, bij een prikkel die herhaaldelijk zonder gevolgen blijft – en dus veilig kan worden genegeerd.

    Slechts een paar jaar na Darwins dood werd aangetoond dat zelfs eencellige organismen als protozoa een scala aan aangeleerde reacties konden vertonen. Zo bewees Herbert Spencer Jennings dat het eencellige trompetdiertje (Stentor) op minstens vijf manieren op aanraking kan reageren en pas een ander heenkomen zoekt als die allemaal niet afdoende blijken. Wordt het daar dan ook weer aangeraakt, dan slaat het diertje de tussenstappen over en verkast het meteen naar een ander plekje. Het is gesensitiseerd geraakt voor onaangename prikkels, of, eenvoudiger gezegd, het ‘herinnert’ zich de nare ervaring en heeft daarvan geleerd (al onthoudt het dat maar een paar minuten). Wordt het trompetdiertje daarentegen een paar keer heel zachtjes aangeraakt, dan reageert het daar algauw niet meer op – er is habituatie opgetreden.

    Jennings beschreef zijn onderzoek naar sensitisering en habituatie bij organismen als Paramecium en Stentor in zijn boek Behavior of the Lower Organisms uit 1906. Hoewel hij zich bij de beschrijving van het gedrag van de protozoa zorgvuldig van subjectief, mentalistisch taalgebruik onthield, wijdde hij aan het eind van het boek een hoogst opmerkelijk hoofdstuk aan het verband tussen waarneembaar gedrag en ‘wil’.

    Hij meende dat wij mensen de protozoa geen wil of aanverwante eigenschappen toekennen omdat ze zo klein zijn: ‘De schrijver is er na langdurige bestudering van het gedrag van dit organisme ten diepste van overtuigd geraakt dat als de Amoeba een groot dier was geweest dat de mens in zijn dagelijks leven zou opvallen, dat gedrag zonder aarzeling zou worden toegeschreven aan toestanden van genot of pijn, van honger, begeerte en dergelijke, op precies dezelfde gronden als we die zaken toekennen aan de hond.’

    Jennings beeld van een hypergevoelige Amoeba ter grootte van een hond vormt een haast karikaturaal contrast met het idee van Descartes dat honden zo weinig gevoel hebben dat ze probleemloos voor vivisectie kunnen worden gebruikt, en dat hun gejammer slechts een ‘reflexmatige’ reactie is van quasimechanische aard.

    Sensitisering en habituatie zijn van levensbelang voor het voortbestaan van alle organismen. Deze primitieve vormen van leren hebben bij protozoa en planten maar even effect, hooguit een paar minuten. Voor een langduriger effect is een zenuwstelsel nodig.

    In de hoogtijdagen van het behaviorisme was er nauwelijks aandacht voor de cellulaire basis van gedrag – de precieze rol van zenuwcellen en hun synapsen. Onderzoek bij zoogdieren, bijvoorbeeld naar het hippocampale of geheugensysteem van de rat, stuitte op bijna onoverkomelijke technische problemen, vanwege de geringe omvang en extreme dichtheid van zenuwcellen (en als de elektrische activiteit in een cel al kon worden geregistreerd, dan was ook nog eens een hele toer om de cel al die tijd dat zo’n experiment duurde levend en volledig functionerend te houden).

    Vanwege dit soort problemen richtte Ramón y Cajal – de eerste en grootste microanatoom van het zenuwstelsel – zich begin vorige eeuw bij zijn anatomisch onderzoek op de meest eenvoudige stelsels: die van jonge of nog ongeboren dieren en van ongewervelden (zoals insecten, schaaldieren en inktvissen). En om vergelijkbare redenen zocht Eric Kandel in de jaren zestig voor zijn onderzoek naar de cellulaire basis van leerprocessen en geheugen een dier met een eenvoudig en makkelijk toegankelijk zenuwstelsel. Hij koos de zeehaas of Aplysia, een reusachtige naaktslak met ongeveer twintigduizend zenuwcellen, verdeeld over een tiental ganglia met elk rond de tweeduizend zenuwcellen. Die zenuwcellen zijn ook nog eens heel groot – sommige zijn zelfs met het blote oog zichtbaar – en met elkaar verbonden in vaste anatomische circuits.

    Van het idee dat de zeehaas een te lage levensvorm zou zijn om als studieobject voor geheugenonderzoek te dienen, zoals sommige collega’s meenden, trok Kandel zich niets aan – net zomin als Darwin zich van zulke overwegingen iets aantrok toen hij over het ‘geestelijk vermogen’ van de regenworm schreef. ‘Ik begon te denken als een bioloog’, schrijft Kandel over zijn keuze voor de zeehaas. ‘Ik begreep dat alle dieren een vorm van geestelijk leven hebben die in overeenstemming is met de bouw van hun zenuwstelsel.’

    Zoals Darwin had gekeken naar de vluchtreflex van de regenworm en hoe die onder verschillende omstandigheden afzwakte of heftiger werd, zo keek Kandel naar een beschermingsreflex bij de zeehaas – het intrekken van zijn uitwendige kieuwen – en de modulatie van die reactie. Door bestudering (en soms stimulering) van de zenuwcellen en synapsen in het abdominale ganglion van waaruit deze reacties worden geregeld, wist hij aan te tonen dat bij leren en kortstondig onthouden – zoals gebeurt bij habituatie en sensitisering – zich functionele veranderingen in de synapsen voordoen, maar dat bij de vorming van langdurigere herinneringen, die enkele maanden kunnen aanhouden, structurele veranderingen in de synapsen optreden. (In geen van beide gevallen was sprake van een verandering in de circuits zelf.)

    Toen zich in de jaren zeventig nieuwe technologieën en inzichten aandienden, konden Kandel en zijn collega’s dit elektrofysiologische onderzoek naar leerprocessen en het geheugen aanvullen met chemisch onderzoek. ‘We wilden de moleculaire biologie van een mentaal proces doorgronden, achterhalen welke moleculen precies verantwoordelijk zijn voor het kortetermijngeheugen.’ Dat werden vooral onderzoeken naar de ionkanalen en neurotransmitters die betrokken zijn bij synaptische functies – indrukwekkend werk waarvoor Kandel de Nobelprijs kreeg.

    Terwijl de zeehaas maar twintigduizend zenuwcellen bezit, verspreid over ganglia in zijn hele lichaam, kan een insect er wel een miljoen hebben, geconcentreerd in één brein, dat ondanks zijn geringe omvang in staat is tot buitengewone cognitieve prestaties. Zo zijn bijen meesters in het herkennen van verschillende kleuren, geuren en geometrische vormen die ze in het laboratorium krijgen voorgeschoteld, ook als die systematisch worden veranderd. En natuurlijk doen ze dat net zo knap in het wild of bij ons in de tuin, waar ze niet alleen de geuren, kleuren en patronen van bloemen herkennen, maar ook hun locatie kunnen onthouden en aan elkaar doorgeven.

    Het is zelfs aangetoond dat papierwespen, heel sociale beestjes, elkaars gezicht kunnen herkennen. Voordien was alleen van zoogdieren bekend dat ze in staat waren tot gezichtsherkenning. Het is fascinerend dat ook insecten die specifieke cognitieve vaardigheid kunnen bezitten.

    We beschouwen insecten vaak als automaatjes, als robotjes waarbij alles is ingebouwd en voorgeprogrammeerd. Maar het wordt steeds duidelijker dat insecten dingen kunnen leren, onthouden, denken en communiceren, op de prachtigste en meest onvermoede manieren. Dat vermogen is ongetwijfeld voor een groot deel ingebouwd, maar daarnaast lijken ook individuele ervaringen een rol te spelen.

    Hoe het ook zij bij insecten, bij de genieën onder de ongewervelden, de inktvisachtigen – te weten de octopus, de zeekat en de pijlinktvis – is het weer een heel ander verhaal. Zij hebben om te beginnen een veel groter zenuwstelsel: een octopus kan wel een half miljard zenuwcellen hebben, verspreid over zijn brein en zijn ‘armen’ (ter vergelijking: een muis heeft er maar 75 tot 100 miljoen). Het octopusbrein zit heel bijzonder in elkaar, met tientallen kwabben die verschillende functies vervullen, en leerprocessen en geheugensystemen die vergelijkbaar zijn met die van zoogdieren.

    Inktvissen laten zich niet alleen heel makkelijk trainen in het onderscheiden van vormen en voorwerpen, maar kunnen ook leren door te observeren, een vermogen waar verder alleen zoogdieren en sommige vogels over beschikken. Ze hebben razend knappe camouflagetechnieken, en kunnen complexe emoties en bedoelingen uitdrukken door de kleur, de tekening en de textuur van hun huid te veranderen.

    Darwin heeft in The Voyage of the Beagle beschreven hoe een octopus in een getijdenpoel op hem leek te reageren: het dier was afwisselend waakzaam, nieuwsgierig en zelfs speels. Octopussen laten zich tot op zekere hoogte domesticeren, en hun baasjes voelen vaak een geestelijke en emotionele band met ze. Of er sprake is van bewustzijn is geen uitgemaakte zaak. Maar wie vindt dat een hond duidelijk een eigen bewustzijn heeft, kan dat ook de octopus niet ontzeggen.

    De natuur hanteert op zijn minst twee heel verschillende manieren om een brein te vormen – sterker nog, er bestaan bijna evenveel manieren als er stammen zijn in het dierenrijk. En in al die breinen zetelt, in mindere of meerdere mate, een wil – hoe diep de biologische kloof tussen de stammen onderling, en tussen hen en ons, ook mag zijn.

    Auteur: Oliver Sacks
    Vertaler: Cecilia Tabak

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten, maandblad, oplage 119.000
    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.