Tag: discriminatie

  • In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    Terwijl in veel landen voortdurend lockdowns worden verlengd en aangescherpt, lijkt China het virus onder controle te hebben. Maar de angst is gebleven: nu voor Europeanen. Een reis door het land waar de pandemie oorspronkelijk vandaan kwam.

    Provincie Sichuan, in het zuiden van China. Een klein stadje. Overal waar je kijkt, zie je bergen. 22.40 uur: er wordt op de deur geklopt. ‘Politie, opendoen alstublieft.’ Onmiddellijk komen er twee mannen in beschermende ziekenhuiskleding naar binnen, onder al de lagen plastic kun je hun gezichten nauwelijks zien. Bij allebei schijnt op borsthoogte een rood lampje door hun beschermende kleding: het lichtje van de automatische gezichtsherkenning, waar inmiddels veel politieagenten in China standaard mee zijn uitgerust. Inderdaad politie dus.

    ‘Het spijt ons, maar u moet een coronatest doen,’ zegt een van hen met een door zijn mondkapje gedempte stem. ‘Omdat u van buiten komt.’ Achter hen op de gang staat een derde, onzichtbare man. Hij heeft een metalen koffertje bij zich met een sticker die aangeeft dat er biologisch gevaarlijke stoffen in zitten.

    Chinese aangelegenheid

    Het jaar 2020 was in China een jaar vol angst. In het begin natuurlijk vooral voor de mensen in Wuhan, waar eind 2019 het eerste geval van een nieuw soort longontsteking werd gemeld. Op 23 januari 2020 grendelde de Chinese regering deze miljoenenstad volledig af. Een paar dagen eerder was van officiële zijde nog verklaard dat de situatie onder controle was.

    Wie iets anders beweerde, zoals de arts Li Wenliang, werd monddood gemaakt. Hij overleed op 7 februari 2020 aan de gevolgen van een Covid-19 infectie. En met hem, alleen al in Wuhan, 3800 anderen. In totaal raakten in China volgens officiële opgaven 86.000 mensen geïnfecteerd, van wie 4634 zijn overleden. Begin dat jaar lagen in de ziekenhuizen van Wuhan de lijken opgestapeld in de gangen. Nabestaanden moesten op het kerkhof in de rij staan en een nummertje trekken om een graf voor een overledene te krijgen. 

    Op dat moment beschouwde de rest van de wereld het nieuwe virus voor het grootste deel nog als een puur Chinese aangelegenheid. Over de hele wereld vertelden mensen die er Aziatisch uitzagen over discriminatie en scheldpartijen, hier en daar kwam het zelfs tot ernstige handtastelijkheden. Toen de pandemie een maand later Europa had bereikt en landen als Italië, Spanje en Frankrijk geen grip meer op het virus hadden, had China zo te zien het ergste al achter zich. De draconische maatregelen van de regering hadden succes gehad, het aantal nieuwe besmettingen was drastisch afgenomen. Maar de angst bleef, ook al was het voorwerp van de angst veranderd: iedereen was nu bang voor de mensen die het virus blijkbaar weer het land in brachten: buitenlanders.

    Toen de drie zwaar afgeschermde mannen mijn kamer binnenkwamen, was ik al vanaf het begin van het jaar doorlopend in China. Veruit de meeste tijd in Beijing, waar de inwoners maandenlang alleen met een speciaal pasje en nadat hun temperatuur was opgenomen hun woningen in mochten.

    In augustus, toen de situatie in China wat ontspannener leek, ben ik naar het zuiden gereisd om drie weken met de auto door het Chinese platteland te reizen. Niet alleen, maar met Chinese vrienden. Zij komen op dit moment mijn hotelkamer in het stadje in Sichuan binnen. Alles onder controle, ze kennen de situatie. Ze nemen de drie politieagenten mee naar hun kamer, naast de mijne, en lossen het probleem op. Het is niet voor het eerst dat ze overdreven bange functionarissen tegenkomen. 

    De angst wordt verhevigd door het narratief van de staatsmedia, waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem

    Wat veel Chinezen zich niet lijken te realiseren: al maandenlang worden er vrijwel geen visa meer verstrekt. Wie zich in het land bevindt, is daar in de meeste gevallen al maanden. En iedereen die het land binnenkomt, maakt niet uit waarvandaan, moet twee weken in quarantaine in een hotel. Ook de Chinezen zelf. 

    Nieuwe gevallen zijn er nauwelijks meer, op veel plaatsen hangt er al een tijd weer een glimpje normaliteit in de lucht. In augustus werd in Wuhan zelfs alweer vergunning verleend voor een reusachtige pool party. Maar de angst is gebleven, verhevigd door het narratief van de staatsmedia waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem. Dat narratief gaat erin als koek en lijkt de angst aan te wakkeren, met name op plaatsen waar men bijna geen contact heeft met buitenlanders. 

    Health Kit-app

    Nog altijd hetzelfde stadje. We lopen een wokrestaurant binnen. Een man van middelbare leeftijd met een kind springt op en rent de zaak uit, het kind kan hem bijna niet bijhouden. We zien wat mensen geïrriteerd naar ons kijken, maar we gaan toch zitten en bestellen. Nog geen vijf minuten later is de politie er. Hun auto parkeren ze een paar meter verderop neer, maar we weten meteen dat ze voor ons komen. Twee jonge agenten stappen uit en komen binnen. 

    ‘Waar komt u vandaan?’ vraagt een van hen vriendelijk. ‘Wat komt u hier doen?’ En dan moeten we natuurlijk onze Health Kit-app laten zien; als je die niet hebt kom je nergens. Als je in een bepaalde provincie bent, moet je je op de Health Kit app ter plaatse registreren en een paar dingen invoeren, bijvoorbeeld waar je de afgelopen tijd bent geweest en of je de laatste twee weken symptomen hebt gehad. 

    We laten onze app zien, de agenten bieden hun excuses aan dat ze ons gestoord hebben en zeggen weer gedag. ‘U moet begrijpen dat door de pandemie een bijzondere situatie is ontstaan, er zijn hier geen buitenlanders en de mensen zijn bang.’ We begrijpen het. We hebben overdag al gezien hoe de mensen ons bang aankijken. We zagen ze vlug een mondkapje opzetten en met een grote boog om ons heen lopen. En steeds maar weer vragen of we soms Amerikanen waren. ‘Nee? Dan is het goed.’ 

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander

    Nog altijd in Sichuan. Een bergdorp, niet ver van de Jangtsekiang. De enige straat van het dorp is 150, misschien 200 meter lang. Aan twee kanten winkeltjes waar sinds de jaren negentig niets veranderd lijkt te zijn. Een bruggetje over een beek, links en rechts koopvrouwen met groenten. Overal overwegend oude mensen en kinderen, de jonge mensen zijn naar de stad vertrokken om geld te verdienen. Een paar loslopende honden, en een uithangbord zoals je in Chinese dorpen vaak ziet: ‘Gehoorzaam de Partij.’ Over een paar maanden staat dit allemaal onder water, want dan is de stuwdam die hier in de buurt wordt aangelegd klaar en overstroomt het gebied, net als destijds bij de Drieklovendam. Vanaf december zullen de mensen verhuisd worden.

    We zijn nog geen tien minuten in het dorp of de politie komt er al aan. De patrouille, een man en twee vrouwen, rijdt ons voorbij. Een paar meter verderop staat een vierde agent, die ons onopvallend probeert te fotograferen. We gaan zitten en bestellen ontbijt. De eigenaar van het eettentje is spraakzaam. Met een bedrag per vierkante meter wil de regering de dorpsbewoners uitkopen, maar in de stad is een vierkante meter veel duurder. Voor hem is dat gelukkig geen probleem, hij heeft elders woningen en kan makkelijk verhuizen. Een andere man hoort ons praten als hij langs loopt en mengt zich opgewonden in de conversatie. De regering betaalt veel te weinig, een paar dorpsbewoners zijn daarom al naar de rechter gestapt. De man begint steeds harder te praten. In de verte duikt de patrouille weer op. Tijd om te vertrekken.

    Of we journalisten zijn, vraagt iemand ons onderweg naar de auto. ‘Nee, we willen boven een tempel bekijken.’ We gaan sneller lopen. 

    Alles onder controle
    © David Kamin

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander. Daar zijn, onder andere, historische redenen voor. In de negentiende eeuw zijn westelijke koloniale mogendheden, waaronder Duitsland, in China gewelddadig tekeergegaan. Troepen, gestuurd door keizer Wilhelm, trokken moordend en brandschattend door het land. 

    Die tijd, die in de Chinese geschiedschrijving als de ‘Eeuw van de schande’ wordt aangeduid, is deel van het collectieve Chinese bewustzijn en werkt door tot op de dag van vandaag. Trumps anti-Chinaretoriek, de handelsoorlog, het door corona ontstane ressentiment in Europa: het wordt hier, gefilterd en versterkt door de staatsmedia, allemaal nauwkeurig waargenomen en wakkert de wij-tegen-henmentaliteit weer aan. En het maakt dat de scepsis tegenover buitenlanders die je altijd al ervaart de laatste tijd steeds vaker omslaat in vijandigheid. 

    Excuses

    In een bar in een willekeurig stadje in Sichuan bijvoorbeeld. De eigenaar heeft nog nooit een buitenlander ontmoet en is helemaal in de wolken. Maar een paar gasten zouden liever hebben dat er geen buitenlanders kwamen, dat merk je direct. Twee vrouwen zetten hun mondkapje zo demonstratief op, dat je het niet kunt missen. Een jonge man heeft geen last van sociale angst en komt bij ons zitten. 

    Hij wil ambtenaar worden en bereidt zich dezer dagen juist voor op het examen, voor de zoveelste keer. Daadwerkelijk in staatsdienst komen, is hier bijna onmogelijk. Want voor de honderden of zelfs duizenden mensen die het examen afleggen, is er vaak maar één baan beschikbaar. Een groepje mensen aan een ander tafeltje verlaat de bar, kennelijk vanwege ons, vertelt hij later en biedt ons daarvoor zijn excuses aan. 

    De levensomstandigheden, de druk waarmee jonge mensen in China vaak moeten omgaan, kun je je als buitenlander moeilijk voorstellen. De dimensies zijn in China gewoon anders en dat merk je in alle aspecten van het leven: concurrentie in de studie, concurrentie om een baan. 

    De coronacrisis fungeerde in velerlei opzicht als een katalysator en heeft de extreme dimensies nog extremer gemaakt. Er zijn miljoenen werklozen, vooral in sectoren met lage lonen, en daarnaast grote winnaars, zoals  ondernemer Jack Ma en Alibaba, de Chinese tegenhanger van Amazon. De mensen die maandenlang thuis zaten bestelden zo veel dat zich bij de afhaalpunten elke dag enorme stapels pakketjes vormden waar de bezorgers niet doorheen kwamen. 

    Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan

    Met de dranklucht die in de provincie Guizhou op veel plaatsen in de lucht hangt nog in onze neus, arriveren we in het volgende stadje. Hier verbouwen ze de gerst voor de beroemde Chinese likeur baijiu

    Onder het avondeten gaat de telefoon. ‘Goedenavond, met de districtspolitie.’ Ze willen ons een paar vragen stellen, we kennen het al. Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan. Uit een politieauto en een ambulance stappen vier agenten, twee verpleegsters en twee medewerkers van het districtsbureau. 

    Ik ben even afgeleid, de vrouw van het districtsbureau moet haar vraag herhalen. Ik kom een stapje dichterbij en zij gaat meteen een stap achteruit. Wanneer ik voor het laatst het land ben binnengekomen. Of ik al eens een coronatest heb gedaan. Waarom we eigenlijk hier zijn en wanneer we weer weggaan. Ik ben relaxed, de vragen ken ik al. 

    Politie, ziekenhuis en districtsbureau stellen alle vragen vijf keer lijkt het wel, en trekken zich dan terug om te overleggen. De vrouw van het districtsbureau is aan de telefoon, waarschijnlijk met haar chef, die haar hiernaartoe heeft gestuurd. En die waarschijnlijk weer onder druk staat van zíjn chef. 

    Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid

    Of een opdracht eigenlijk wel zinvol is, weet onder in de keten vaak niemand meer in dit gecentraliseerde systeem met zijn eindeloze hiërarchieën, en het kan ze ook niet schelen. De chef moet tevreden zijn, dus willen ze in geen geval negatief opvallen. De vrouw hangt op en doet verslag: alles is in orde, maar we moeten wel morgen weg zijn, zoals we hebben gezegd. De volgende ochtend zijn we al onderweg naar de volgende plaats als de telefoon weer gaat. Of we ook echt zijn vertrokken, wil het districtsbureau weten. ‘Ja hoor, daar hoeft u niet bang voor te zijn.’

    Het is ondertussen allemaal al een paar maanden geleden. Terug in Beijing doet het leven steeds meer denken aan hoe het voor de pandemie was, oppervlakkig beschouwd in elk geval. Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid: de bioscopen zijn open, in de clubs is het even druk als tevoren. Er wordt stevig geconsumeerd en met de economie schijnt het weer beter te gaan. 

    Maar in Shanghai zijn er toch een paar nieuwe gevallen. Onlangs werd het grote vliegveld Shanghai Pudong zonder pardon afgesloten om een massatest uit te voeren toen twee medewerkers positief getest waren. Volgens de Chinese Global Times werden zo’n 100.000 mensen vastgehouden, op Twitter verschenen video’s van veiligheidsbeambten die probeerden te voorkomen dat de in paniek geraakte menigte op de vlucht sloeg. 

    Daarnet ging mijn telefoon, een mededeling van het ziekenhuis: ‘Wie de afgelopen twee weken in Hulunbuir, Tianjin, Shanghai of Fuyang is geweest, wordt verzocht zich conform de bepalingen van de pandemiebestrijding in Beijing onmiddellijk in het ziekenhuis te melden met een geldige coronatest.’

  • Taalkundige John McWhorter: ‘De definitie van racisme moet worden aangepast’

    Taalkundige John McWhorter: ‘De definitie van racisme moet worden aangepast’

    De Merriam-Webster, de Amerikaanse Van Dale, heeft aangekondigd de definitie van het woord ‘racisme’ te gaan verruimen. Taalkundige John McWhorter vindt dit ‘hoog tijd’ worden nu er meer aandacht is voor institutioneel racisme. ‘Het is onvermijdelijk dat de betekenis van woorden voortdurend verandert.’

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week bleek uit onderzoek in dertien EU-landen dat het aantal mensen van Afrikaanse afkomst dat discriminatie en racisme ervaart is toegenomen. Het is een probleem waar we maar niet van afkomen en dat zich al jarenlang voortsleept.
    In dit artikel van The Atlantic uit 2020 legt taalkundige John McWhorter uit hoe de term ‘racisme’ ontstaan is, hoe de betekenis ervan in de loop der jaren veranderd is en hoe belangrijk het is dat woordenboekmakers de huidige ontwikkelingen in de gaten houden. Waar racisme eerst nog stond voor het denkbeeld dat het ene ras superieur is aan het andere, heeft het de afgelopen jaren een nieuwe betekenis erbij gekregen: alle vormen van sociale ongelijkheid die gebaseerd zijn op ras, aldus McWhorter. ‘Als woordenboeken een afspiegeling moeten bieden van hoe de taal daadwerkelijk wordt gebruikt, moet dit erin verdisconteerd worden,’ zo besluit hij.

    De woordenboekmakers van Merriam-Webster werken aan een nieuwe definitie van ‘racisme’. Gaat de Great Awokening [‘woke’ betekent je bewust zijn van racisme en andere onderdrukkende structuren in de samenleving] nu al zo ver dat het woordenboek ervoor moet worden herschreven? Nee, maar de manier waarop het woord ‘racisme’ in de samenleving wordt gebruikt, valt al heel lang niet meer binnen de gangbare woordenboekdefinitie, en het is hoog tijd dat de woordenboekmakers dat doorkrijgen.

    In de Merriam-Webster werd racisme altijd gedefinieerd met wat je betekenis 1.0 zou kunnen noemen: de definitie die je voorleest aan een nieuwsgierig kind. Het gaat dan om wat we in het Engels vroeger prejudiced noemden: ‘de opvatting dat de eigenschappen en capaciteiten van een mens in hoofdzaak door raciale verschillen worden bepaald en dat één ras superieur is aan de andere’.

    Institutioneel racisme

    Maar al sinds de jaren zestig kom je ook begrippen tegen als ‘maatschappelijk racisme’ of ‘institutioneel racisme’, ter aanduiding van de maatschappelijke structuren die mensen van ondergeschikte rassen benadelen, door het collectieve effect van racistische denkbeelden. Zo zou je kunnen zeggen dat maatschappelijk racisme verantwoordelijk is voor de teloorgang van de infrastructuur in bepaalde wijken wanneer het wegtrekken van witte bewoners daar tot lagere belastingopbrengsten leidt.

    Omdat zo’n begrip een hele mond vol is, wordt het natuurlijk vaak afgekort tot racisme, en zo krijgt dat woord zijn definitie 2.0. Daarin voorziet het lemma in de Merriam-Webster ook al, want dat stelt dat racisme ook ‘een op racisme berustend politiek of maatschappelijk systeem’ kan zijn.

    Maar de pas afgestudeerde, 22-jarige Kennedy Mitchum heeft de woordenboekmakers gemaild om te vragen het lemma nog verder uit te breiden, zodat ook recht wordt gedaan aan de bredere betekenis die het woord inmiddels heeft gekregen met betrekking tot ‘maatschappelijke en institutionele macht’. Want racisme is, zoals Mitchum schreef, ‘een systeem van bevoordeling op basis van huidskleur’.

    Hier gaat het niet zozeer om denkbeelden als om het resultaat daarvan. Alle maatschappelijke ongelijkheid tussen witte mensen en andere bevolkingsgroepen wordt als racisme betiteld, wat dan een soort afkorting is voor de racistische denkbeelden die aan die ongelijkheid ten grondslag liggen. Deze betekenis 3.0 is inmiddels wijdverbreid. De populaire auteur Ibram X. Kendi, die ook voor The Atlantic schrijft, bestempelt alle op ras gebaseerde sociale ongelijkheid als onwenselijk racisme. Deze betekenis van het woord is in de sociale wetenschappen inmiddels gemeengoed en vormt de grondslag voor het moderne debat over ras en racisme. Zo zullen veel mensen zeggen dat de lagere prestaties van zwarte studenten op gestandaardiseerde tests betekenen dat die tests racistisch zijn, in de zin dat ze zwarte studenten benadelen.

    De Black Lives Matter-protest in Charlotte in North Carolina. – © Unsplash
    De Black Lives Matter-protest in Charlotte in North Carolina. – © Unsplash

    Irritatie

    Mitchum was het zat dat mensen haar in debatten over racisme verweten dat haar gebruik van het woord racisme niet klopte omdat die betekenis 3.0 niet ‘in het woordenboek staat’. En haar irritatie is terecht. Ze zoog die betekenis niet uit haar duim – overal in ons land wordt het woord door massa’s mensen, met name hoogopgeleiden, in die betekenis gebruikt.

    Woordenboeken kunnen achterlopen op de maatschappelijke ontwikkeling. Het idee dat een woord altijd onmiskenbaar ‘betekent’ wat er in het woordenboek staat, is dan ook veel te makkelijk. Het is onvermijdelijk dat de betekenis van woorden voortdurend verandert, en niet alleen in groepstaal en jargon. Wie dat niet gelooft, moet maar eens letten op het gebruik van het woord fantastic in oude films of oude afleveringen van de tv-serie The Twilight Zone: toen bedoelden ze niet fantastisch in de zin van ‘geweldig’, maar in de zin van ‘fantasierijk, imaginair’. De betekenis is geleidelijk verschoven. Maar in onze echte, fantasie-arme wereld hebben mensen de neiging om te denken dat de kille letters in een woordenboek een onveranderlijke waarheid uitdrukken. We kunnen dus niet toelaten dat de definities van zulke belangrijke woorden als ‘racisme’ bevroren blijven in de tijd van Watergate en zitkuilen. Want wreed en zo, maar we zijn alweer een heel stuk verder, weetjewel.

    Woorden zijn net mensen, hun ontwikkeling is vaak wanordelijk

    Maar de waaier aan betekenissen die het woord ‘racisme’ nu heeft, kan natuurlijk ook verwarrend zijn. Ik voorzie al een lang gesprek met mijn kinderen als ze over een tijdje met vragen komen omdat ze het woord in een betekenis hebben gehoord die veel verder reikt dan de simpele oude betekenis van prejudiced, mensen met ‘vooroordelen’.

    Het is op zichzelf niet ongebruikelijk dat de definitie van een woord uitdijt van de eigenschap van een individu naar die van een hele samenleving.

    De ontwikkeling van racisme 1.0 naar racisme 2.0 volgt een lijn van metaforisch denken die al dateert van de oude Grieken. Ook zij zagen een samenleving als individu in een macrokosmos. De conceptuele stap van een gezonde persoon naar een gezonde samenleving is dan niet zo groot, net zomin als die van een racistisch mens naar een racistische samenleving.

    Ongelijkheid

    Maar die stap is alleen klein als je discriminatie, dus actieve achterstelling, nog steeds als de essentie van racisme beschouwt. De stap van racisme 2.0 naar racisme 3.0 is een minder gebruikelijk soort taalverandering. In betekenis 3.0 spreekt het vanzelf om maatschappelijke ongelijkheid als racisme te bestempelen omdat die ongelijkheid ontegenzeggelijk voortvloeit uit een door vooroordelen ingegeven achterstelling. Zo zullen velen zeggen dat de gezondheidsstatistieken van zwarte Amerikanen slechter zijn doordat ze minder toegang hebben tot goede gezondheidszorg en supermarkten. In zo’n geval wordt ook vaak van racisme gesproken als actieve discriminatie niet (of niet meer) de directe oorzaak van de verschillen is.

    In de sociale wetenschappen is dit een algemeen aanvaard uitgangspunt, maar in de samenleving als geheel lijkt deze gedachte nog niet op algemene instemming te kunnen rekenen. Eén struikelblok is daarbij dat sommige maatschappelijke belemmeringen, die weliswaar voortkwamen uit racisme 1.0 en 2.0, inmiddels tot het verleden behoren, zoals de postcodediscriminatie (‘redlining’), waardoor zwarte wijken vanzelf overbevolkte achterstandswijken werden. Er zullen vast mensen zijn die zich verzetten tegen een definitie van racisme waarin ook denkbeelden en daden nawerken van mensen die allang overleden zijn.

    Taalkundigen schrijven anderen niet voor hoe ze de taal moeten gebruiken. Wij zijn als Chauncey Gardiner in Being There: we kijken graag toe. Maar taalkundigen zijn ook mensen, dus ik heb wel mijn voorkeuren. Zo houd ik niet van wanorde.

    Als ik mijn zin kreeg – maar dat gaat niet gebeuren – zouden we toestaan dat ‘racisme’ nu ook slaat op een samenleving en daarnaast het woord prejudiced uit de mottenballen halen om het racisme van individuen mee aan te duiden. Ooit was prejudiced immers hét Amerikaanse woord voor ‘racistisch’. Pas vanaf 1970 begon dat plaats te maken voor het woord ‘racistisch’ (racist), dat na 1980 sterk opkwam. Neem de manier waarop Sammy Davis Jr. in 1972 in All in the Family de spot drijft met Archie Bunker. Zijn gebruik van ‘prejudiced’ in deze passage is verouderd, daar zou je nu gewoon racist zeggen:

    If you were prejudiced, you’d go around saying you were better than anyone else in the world, but I can honestly say, after spending these marvelous moments with you, you ain’t better than anybody!

    In dezelfde periode waarin prejudiced het veld ruimde voor racist, begon chauvinist [seksistisch] plaats te maken voor sexist, om dezelfde redenen: heftige begrippen moeten soms ververst worden om hun kracht te behouden, zeker als ze veel gebruikt worden. Daardoor maakt het woord racism nu steeds vaker plaats voor white supremacy. Het is een kwestie van tijd voordat het daardoor is verdrongen, en woordenboekmakers moeten daar rekening mee houden.

    Vooroordelen

    Ik ken geen voorbeelden van verouderde woorden die met succes zijn afgestoft voor hernieuwd dagelijks gebruik, maar hemeltje – wat zou prejudiced tegenwoordig goed van pas komen. Daarmee doe je een heldere bewering over een persoon en diens denkbeelden: dat het iemand is die vooroordelen koestert. Het zou raar voelen om van een samenleving te zeggen dat die vol vooroordelen zit – je blijft dan toch denken aan die ene persoon, die mopperende racist op de veranda.

    In den beginne was het woord ‘racist’ voor velerlei uitleg vatbaar. Is dat iemand die lid is van een bepaald ras? Die voor andere rassen opkomt? Of iemand die aandacht vraagt voor het bestaan van verschillende rassen? Of slaat ‘racistisch’ vooral op een bepaald beleid? Dat laatste is de richting waarin de betekenis zich heeft ontwikkeld. Maar in mijn ideale taal leggen mensen vooroordelen aan de dag en geeft een samenleving blijk van racisme.

    Helaas voegt de taal zich nooit volledig naar je wensen. Woorden zijn net mensen, hun ontwikkeling is vaak wanordelijk. ‘Letterlijk’ kan ook precies het tegenovergestelde betekenen, evenals het Engels voor ‘snel’ (zo heb je run fast, hardlopen, tegenover stuck fast, vastzitten). En wat kan ‘daten’ wel niet allemaal betekenen?

    Hoe het ook zij, als woordenboeken een afspiegeling moeten bieden van hoe de taal daadwerkelijk wordt gebruikt, moet dit erin verdisconteerd worden. Dus laten we blij zijn dat ook de lexicografie woke wordt over racisme.

  • Islamofobie, een godsgeschenk voor fundamentalisten

    Islamofobie, een godsgeschenk voor fundamentalisten

    De term, gemunt door liberale westerlingen, beantwoordt aan de aspiraties van de islamisten en smoort ieder debat, benadrukt een Jemenitische jurist.

    Keuze uit het archief

    Zoals de term antisemitisme niet zelden klinkt als er sprake is van kritiek op Israël, zo valt het begrip islamofobie vaak wanneer moslims bekritiseerd worden. De Jemenitische jurist Hussein Al-Wadeï laat in dit artikel uit 2019 zien dat aan dit begrip een foutieve en fundamentalistische kijk op de islam ten grondslag ligt. Bovendien wekt de term de indruk dat discriminatie van moslims erger is dan de ongelijke behandeling van andere bevolkingsgroepen.

    De term ‘islamofobie’ deed in 1997 zijn intrede in het medialandschap en wordt sindsdien voortdurend gebruikt. De moslimwereld, die meestal wantrouwig staat tegenover alle westerse terminologie, heeft hem algauw overgenomen. Het eerste wat daarbij opvalt, is de volstrekt overeenkomstige kijk die westers rechts en moslimfundamentalisten op de islam hebben. We kunnen zonder overdrijving stellen dat de extreem-rechtse westerse islamofoob en de extreem-rechtse islamist op dit punt eender zijn.

    Volgens de definitie van de Bond van Britse Moslims wordt islamofobie bepaald door de gedachte dat de islam een verzameling onveranderlijke ideeën is, wars van iedere evolutie, volstrekt anders dan andere culturen en waardesystemen en inferieur aan de westerse cultuur. De islam is volgens die gedachte barbaars, irrationeel, machistisch, gewelddadig en agressief, werkt terrorisme in de hand en is uit op een botsing van beschavingen. Ook denkt een islamofoob dat de islam eerder een politieke ideologie is dan een religie, en dat het een instrument voor politieke overheersing is en een drijfveer voor militaire interventies.

    Wonderlijk genoeg denkt de overgrote meerderheid van de moslimfundamentalisten er precies zo over. Zij zijn van mening dat de islam een geheel van onveranderlijke ideeën vormt omdat ze graag herhalen dat hij ‘geldig is in alle tijden en op elke plek’, en dat iedere culturele invloed van buitenaf moet worden verworpen. Ze zijn uiteraard van mening dat niet de islam inferieur, barbaars, decadent en irrationeel is, maar dat dat juist voor de andere beschavingen geldt. Daarentegen zijn ze het eens met de islamofoben over de rol van de jihad, over het feit dat de islam ernaar streeft de wereld te overheersen en over de stelling dat het in de eerste plaats een politieke ideologie is. Dit laatste vormt zelfs de basis van hun kijk op de islam, omdat ze stellen dat ‘religie politiek is, dat politiek een religieuze plicht is en dat iedere letter van de Koran van een politieke orde is’.

    Dat alles is behoorlijk precair en toont aan hoe ongeschikt de term islamofobie is om de discussie te verhelderen. Bovendien is de notie koren op de molen van fascistische islamisten.

    Islamofoben en islamisten geloven dat de islam de wereld wil overheersen. – © Unsplash
    Islamofoben en islamisten geloven dat de islam de wereld wil overheersen. – © Unsplash

    De islamisten schermen niet alleen met de beschuldiging van islamofobie, maar kunnen daar nog ‘vijand van de islam’ aan toevoegen. Voor hen is dat een heel makkelijke manier om iedere roep om hervorming en alle verlichte ideeën van linkse en liberale moslims een halt toe te roepen.

    Maar voor sommige westerlingen zijn dergelijke oproepen tot hervorming eveneens uit den boze, omdat ze islamofobie in de hand zouden werken. Zij gaan iedere kritiek, iedere discussie over de situatie van vrouwen uit de weg. Maar dan zouden veel grote hervormers uit de moslimwereld ook als islamofoob moeten worden bestempeld, van Sayed Jamalludin Afghani, Mohammed Abdoe en Mohammed al-Tahir ibn Ashour tot Ali Abderraziq, Khaled Mohamed Khaled, Taha Hussein en Nasr Abu Zayd. Deze moslimhervormers van islamofobie betichten is even absurd als iedere Jood die kritiek heeft op het zionisme of het religieuze Joodse dogma als antisemiet beschouwen. De Britse intellectueel Fred Halliday heeft voorgesteld het woord ‘moslimfobie’ te gebruiken in plaats van ‘islamofobie’, omdat de haat tegen moslims is gericht en niet tegen de islam. Maar ook omdat het oproepen van haat jegens personen bij wet verboden is, terwijl kritiek op religies onder de door de wet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting valt – ook al beschouwen de islamisten elke kritische of humoristische uiting als ‘heiligschennis’.

    Het voorstel van Halliday moet serieus worden genomen, maar gaat het daarbij niet om een vorm van xenofobie ten opzichte van buitenlanders?

    Waarom zou er een speciale categorie voor moslims moeten bestaan, een definitie naast andere vormen van racisme die zorgen voor opschudding in de Europese samenlevingen? Bestaat er geen solide wetgeving om iedere vorm van racisme te bestrijden?

    Deze term is bovendien problematisch omdat hij de moslims alleen maar vanuit het oogpunt van een onveranderlijke religieuze identiteit beschouwt en ervan uitgaat dat een moslim, of hij nu de Franse of de Britse nationaliteit bezit, alleen maar een moslim kan zijn. Een dergelijke excessieve en permanente nadruk op de religieuze identiteit maakt integratie nog moeilijker. Daar komt nog bij dat moslimgemeenschappen geneigd zijn zichzelf als slachtoffers te beschouwen, terwijl ze zich juist dubbel zo hard zouden moeten inspannen om te integreren.

    Islamofobie is een giftig cadeau van het liberale en progressieve Westen aan het islamistische fascisme. Het is een aan twee kanten snijdend mes om de moslims op te sluiten in hun exclusieve religieuze identiteit.

    In de Oxford Dictionary staat een merkwaardige definitie van islamofobie. Het zou gaan om een ‘obsessieve angst voor de islam, vooral als politieke kracht’. Maar de groeperingen die de politieke islam uitdragen, maken ook miljoenen moslims bang met hun totalitaire en gewelddadige boodschap. Moeten deze moslims dan ook als islamofoob worden beschouwd? De beschuldiging van islamofobie kan op zichzelf al een bedreiging van de vrijheid van meningsuiting vormen. Men heeft het recht om iedere religie te bekritiseren, ook de islam, en des te meer als het gaat om religies die in het teken staan van autoritaire bedoelingen.

    Het discours over de islam neemt momenteel bijna dezelfde plaats in als vroeger het discours over het antisemitisme. Mensen die pro-Israël waren grepen toen dit discours aan om alle kritiek op het beleid van de Hebreeuwse staat ten opzichte van de Palestijnen te smoren. Op dezelfde manier probeert de politieke islam nu ieder kritisch discours te smoren over de islam versus de moderniteit. Maar als islamkritiek een blijk is van islamofobie, is kritiek op het christendom dan een blijk van ‘christianofobie’?

  • Japan experimenteert met multiculturalisme

    Japan experimenteert met multiculturalisme

    Japan heeft arbeidskrachten nodig. Met een nieuw visumsysteem wil het land buitenlandse werknemers aantrekken voor sectoren waar Japanners hun neus voor optrekken. Maar integratie gaat niet vanzelf in een samenleving die zichzelf als homogeen beschouwt.

    Tokio heeft op 2 november een wetsvoorstel aangenomen dat voorziet in twee nieuwe visumtypes. Het visum voor ‘specifieke competentie 1’ staat een verblijf van vijf jaar toe voor een laag gekwalificeerde aanstelling in veertien sectoren (landbouw, ouderenverzorging etc.). Het visum voor ‘specifieke competentie 2’ staat gespecialiseerde werknemers toe samen met hun gezin langer te blijven. Volgens de krant Mainichi Shimbun 
‘gaat het om een historisch keerpunt in het Japanse vreemdelingenbeleid’. Inderdaad opent het land momenteel alleen zijn deuren voor hoog gekwalificeerde werknemers, zoals artsen en hoogleraren. Desondanks worden er talrijke buitenlandse studenten en leerlingen te werk gesteld, soms onder illegale en erbarmelijke omstandigheden. 7089 van hen zijn volgens het ministerie van Justitie in 2017 hun werkgever ontvlucht.

    Tien jaar geleden is Tao Cheng, 
een 36-jarige Chinees, met zijn start-up popIn begonnen in het kantorencomplex Roppongi Hills in het centrum van Tokio. In 2012, toen ondernemingen en laboratoria overal op de wereld vochten om nieuw talent, heeft Japan een puntensysteem ingesteld om hoog gekwalificeerde vakmensen aan te trekken: buitenlanders met een goede opleiding en een goed inkomen kregen punten toebedeeld waarmee ze gemakkelijker in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning. Dankzij dit systeem kreeg Cheng in maart 2017 ook een 
vergunning.

    Na een studie informatica aan het Technologisch Instituut in Tokio vervolgde 
de jonge Chinees zijn studie aan de 
Universiteit van Tokio. Daarna ontwierp hij software waarmee je, wanneer je een woord intypt op internet, onmiddellijk de betekenis plus de betreffende connotaties te zien krijgt. Baidu, de grootste Chinese zoekmachine, heeft het programma voor meer dan een miljard yen (8 miljoen euro) van hem gekocht.

    Dankzij zijn talent en zijn inspanningen heeft Cheng zijn ‘Japanse droom’ gerealiseerd. Je kunt met recht spreken van een succesverhaal. Maar de Chinese ondernemer, die nog altijd een spijkerbroek draagt, weerlegt deze indruk met een bittere glimlach. ‘In Japan is de concurrentie niet zo moordend. In China of de Verenigde Staten zouden ze niets van me hebben overgelaten.’

    Cheng kwam naar Japan nadat hij was gezakt voor 
de toelatingsexamens van de Chinese universiteit. De provincie Henan in Centraal-China, waar hij vandaan komt, telt meer dan honderd miljoen inwoners. Hoewel hij zich op een uitstekende middelbare school op de examens had voorbereid, realiseerde 
hij zich dat het erg moeilijk was om in zijn land op een topuniversiteit te komen; de concurrentie was te groot.

    Op aanraden van zijn oom besloot hij in Japan te gaan studeren. Gezien de grote concurrentie tussen de Verenigde Staten en China in de informaticasector was het realistisch om voor Japan te kiezen als vestiging voor een onderneming. ‘De slagingskans is er betrekkelijk hoog en als je eenmaal succes hebt, is het makkelijk om relaties aan te knopen. 
Dat ik Chinees ben is nooit een probleem geweest, 
in elk geval niet op commercieel vlak,’ zegt hij. Het 
is inmiddels achttien jaar geleden dat Cheng zich in Japan heeft gevestigd, net zo lang als hij in China heeft gewoond.

    Ontvolking

    Op het Japanse eiland Amami-Oshima, ongeveer 1300 kilometer ten zuiden van Tokio, zie je steeds meer buitenlandse werknemers in restaurants en bars. Deze tendens laat zich verklaren door de opening, drie jaar geleden, van een school waar Japanse les wordt gegeven, de Kakehashi International School, die nauwe banden heeft met een uitzend
bureau in Tokio.

    ‘Na het voltooien van de middelbare school vertrekken de jongeren hier naar de grote steden op het hoofdeiland van Japan,’ zegt Yukio Hamasaki, directeur van de school en voormalig voorzitter van de plaatselijke kamer van koophandel. ‘Het is onze missie om door het ontvangen van buitenlandse leerlingen een bijdrage te leveren aan de activiteit 
in de regio en de demografische teruggang te 
compenseren.’

    Bij het Japanse restaurant Komachi werken zes buitenlandse leerlingen van de school. Een van hen, een 28-jarige Nepalees, werkt op weekdagen van 18.00 tot 22.00, nadat hij tot het middaguur lessen Japans heeft gevolgd. De eilandbewoners stellen zich 
gastvrij op tegenover deze buitenlandse leerlingen, die niet te beroerd zijn om te werken. ‘De inwoners van Amami-Oshima zien geen verschil tussen 
buitenlanders en Japanners die niet van het eiland afkomstig zijn. Ik denk dat dat komt doordat ze allemaal een andere taal spreken dan ons eilanddialect,’ zegt de 45-jarige Yuichiro Hisakura, die een restaurant voor plaatselijke specialiteiten heeft, waar hij een Indonesische leerling heeft aangenomen. De Japanse school, die in oktober 15 nieuwe leerlingen heeft ingeschreven, telt er momenteel 39. Volgend jaar moeten dat er meer dan 60 zijn. Regio’s die met ontvolking kampen, zoals het eiland Amami-Oshima, trekken veel buitenlandse leerlingen aan. De stad Goto op het eiland Kyushu is ook van plan in april een Japanse school te openen.

    Om de demografische teruggang het hoofd te bieden wordt hiervoor al een lokaal ingericht, met subsidie van de staat. Volgens cijfers van het ministerie van Justitie telt het land momenteel 710 scholen waar Japanse les wordt gegeven. 240 daarvan zijn de 
afgelopen vijf jaar opgericht, bijna een per week. 
De meeste leerlingen die hier hun diploma halen, stromen door naar beroepsopleidingen of naar de universiteit.

    Ruzies

    Hoe moet je samenleven met mensen die een andere taal spreken en een andere manier van leven gewend zijn? De eerste buitenlandse werknemers die in de Japanse samenleving integreerden zijn de nikkeijin, afstammelingen van Japanners die naar het buitenland emigreerden, bijvoorbeeld naar Brazilië. Door 
de krapte op de arbeidsmarkt als gevolg van de economische bloei heeft Japan in 1990 zijn deuren voor hen geopend, en het merendeel kwam in tijdelijke dienst van fabrieken.

    Zo is in de Japanse stad Toyota, de slaapstad waar 
het gelijknamige automerk is gevestigd, meer dan de helft van de inwoners van de wijk Homi van buitenlandse afkomst, voor het merendeel Braziliaans. In het begin waren er heel wat spanningen tussen hen en de lokale bevolking. Ruzies vanwege geluidsoverlast, rondslingerend afval of onbetaalde contributie aan bewonersverenigingen waren schering en inslag. De scholen waren niet op de ontvangst van buitenlandse kinderen berekend. Hun drukbezette ouders vonden het niet erg dat ze niet naar school gingen omdat ze op een dag toch zouden teruggaan naar hun eigen land.

    Deze jongeren, die geen Japans spraken en geen plek hadden in de wijk, vochten onophoudelijk met lokale straatbendes. Na meer dan twintig jaar in Japan te hebben gewoond, overweegt de 29-jarige Braziliaan Gustavo Murayama zich er definitief te vestigen. Als Japanse afstammeling van de derde generatie is hij op 6-jarige leeftijd op de archipel gearriveerd en opgegroeid in de wijk Homi. ‘Als ik in de spiegel kijk, zie ik een buitenlander. Maar ik heb zin om me in te zetten voor Japan en me er definitief te vestigen,’ zegt hij. Hij werkt bij een uitzendbureau en broedt op 
manieren om de contacten tussen buitenlanders 
en de Japanners soepeler te laten verlopen. Zo heeft hij al een Portugeestalige informatiesite gecreëerd om Brazilianen te helpen.

    De aanvankelijke ruzies in de wijk lijken verleden tijd. Toch is voor Kunihiro Kawabe, voorzitter van 
het plaatselijke verbond van wijkverenigingen en van een reflectiegroep over het samenleven met 
buitenlanders, ‘het woord “samenleven” heel mooi’, maar, zegt hij, ‘er moeten nog heel wat problemen worden opgelost’. Hij buigt zich al lange tijd over oplossingen voor samenlevingsproblemen en moet bekennen dat hij het aantal buitenlanders liever niet ziet toenemen. Bij het toelaten van buitenlandse werknemers laat Japan het aan de plaatselijke overheden en bewoners over om de problemen op te lossen die zich voordoen in het dagelijks leven.

    Ook nu worden voorbereidingen getroffen om nog een groter aantal van hen aan te trekken. ‘Ze zeggen dat ze werknemers ontvangen en geen immigranten, maar dat is onzin. Het 
zijn gewoon immigranten,’ protesteert Kawabe. Van de verre eilanden voor de Japanse kust tot aan het centrum van de hoofdstad is er een groot aantal buitenlanders dat samenleeft met de Japanners. En de meeste Japanners zijn zich daarvan bewust. Eind oktober 2017 telde Japan zo’n 1,28 miljoen buitenlandse werknemers, een toename van bijna 50 procent in 5 jaar.

    Japanners doen alsof ze de buitenlanders niet zien

    De wijk Shinjuku in Tokio herbergt buitenlanders uit 135 landen en regio’s, en 
1 op de 8 inwoners is er buitenlander. Door mensen van verschillende oorsprong en uit verschillende 
culturen te ontvangen begeeft Japan [waar de mythe van homogeniteit diepgeworteld is] zich op de weg van het multiculturalisme. Verscheidene factoren hebben aan deze ontwikkeling bijgedragen: de daling van het geboortecijfer, de vergrijzing van de bevolking en de demografische teruggang. Omdat 
de werkzame beroepsbevolking is afgenomen, heeft het land geen andere keus dan een beroep te doen op buitenlanders.

    Toch doen de Japanners alsof ze hen niet zien, alsof ze doorzichtig zijn. Het gedrag van de regering, die weigert een migratiebeleid te voeren, is daarvan het beste voorbeeld. Door haar ogen te sluiten voor de buitenlanders die zich in haar land vestigen, er 
trouwen en kinderen krijgen, heeft de regering nagelaten om de werkomgeving van nieuwkomers en buitenlandse leerlingen te verbeteren en voldoende taalonderwijs aan te bieden.

    In Japan woonachtige Brazilianen juichen tijdens de WK-openingswedstrijd Brazilië-Kroatië op 13 juni 2014 in Oizumi, een stadje ten noorden van Tokio. – © Getty
    In Japan woonachtige Brazilianen juichen tijdens de WK-openingswedstrijd Brazilië-Kroatië op 13 juni 2014 in Oizumi, een stadje ten noorden van Tokio. – © Getty

    De regering heeft aangekondigd meer ongeschoolde arbeiders te willen aantrekken. Maar hoewel ze 
eindelijk heeft ingezien hoe groot de behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten is, heeft ze geen enkele maatregel getroffen om het samenleven te faciliteren. Men blijft doen alsof de buitenlanders niet bestaan door familiehereniging te beperken en het aan lokale instituties over te laten om hen te helpen.

    Het probleem betreft niet alleen de mensenrechten. Als er niet wordt opgetreden tegen de ongelijkheid op de arbeidsmarkt en in het dagelijks leven, kan zich dat tegen de Japanners keren, met als gevolg meer lokale ordeverstoringen, minder veiligheid 
en een toename van maatschappelijke kosten. In diverse Europese landen heeft het ontbreken van maatregelen om de immigratie in goede banen te leiden, geleid tot sociale en politieke instabiliteit.

    Als Japan de buitenlanders als volwaardige burgers behandelt, in overeenstemming met de principes van een pluriforme en meertalige samenleving, 
dan zal het zijn perspectieven verbeteren. Niet de migranten moeten hiervoor verantwoordelijk worden gesteld, maar het volk dat hen ontvangt. Want de mens is geen inwisselbare machine.

    Auteurs: Takuya Asakura, Ari Hiramaya en Hiroki Manabe

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 11.720.000

    De ‘Krant van de opgaande zon’ is een autoriteit in Japan, met 3000 journalisten verdeeld over 300 redacties in Japan en 30 daarbuiten. Het is de krant van intellectuelen, die zich ziet als verdediger van de democratie.

  • 2. Señora de minister

    2. Señora de minister

    Met elf vrouwen in het nieuwe kabinet is Spanje koploper in een wereldwijde trend. Benoem je als regeringsleider geen vrouwen, dan kun je tegenwoordig rekenen op afkeuring.

    Een actief beleid voor meer gendergelijkheid bij de overheid, dus evenveel mannen als vrouwen aan het hoofd van een ministerie of op andere kabinetsposten, leek lange tijd voorbehouden aan vrouwvriendelijke Scandinavische landen en zeer vooruitstrevende landen als Canada en Costa Rica. Dat is nu verleden tijd.

    De onlangs gekozen president van Mexico, Andrés Manuel López Obrador, die in december zal aantreden, heeft laten weten dat vrouwen acht posities zullen bekleden binnen zijn zestienkoppige regering – en daar valt ook de machtige positie onder van minister van Binnenlandse Zaken.

    En de nieuwe premier van Spanje, Pedro Sánchez, heeft onlangs als eerste wereldleider op bijna tweederde van de kabinetsposten vrouwen benoemd. Geen enkel ander land ter wereld heeft een hoger percentage door vrouwen geleide ministeries. Dertig jaar geleden had Spanje helemaal geen vrouwelijke kabinetsleden.

    In de Verenigde Staten bekleden vrouwen maar net 20 procent van alle posities binnen de regering en in het Verenigd Koninkrijk ligt dat percentage op 28. Wereldwijd is het gemiddelde 18,3 procent.

    Als politicologen die onderzoek hebben gedaan naar de vertegenwoordiging van vrouwen in verschillende kabinetten, hebben wij de indruk dat de snelle opkomst van het aantal vrouwen dat in Spanje aan de macht komt, staat voor een trend die wereldwijd valt waar te nemen: zodra vrouwen eenmaal zijn doorgedrongen tot de hoogste regeringsniveaus, neemt hun aantal vrijwel altijd toe. Dit noemen we ‘de betonnen vloer’ van de politieke vertegenwoordiging van vrouwen. Wil een democratische regering tegenwoordig draagvlak hebben – met andere woorden: wil de bevolking vertrouwen hebben in de beslissingen van die regering – dan moeten er vrouwen in die regering zitten.

    Spaanse doorbraak

    Het is niet zo dat bij elke nieuwe regering het aantal vrouwen automatisch stijgt. Maar als je kijkt naar de samenstelling van nieuw geformeerde regeringen – dus kabinetten die vlak na een verkiezing zijn samengesteld – in Spanje, Frankrijk, Australië, de Verenigde Staten, Canada, Chili en het Verenigd Koninkrijk in de periode 1929-2016, dan zien we dat het percentage vrouwen in die landen cumulatief toeneemt, dwars door de tijd en de politieke scheidslijnen heen.

    Na veertig jaar dictatuur onder generaal Francisco Franco werd Spanje in 1977 weer een democratie. Maar het zou nog ruim tien jaar duren voordat er ook vrouwen werden benoemd in de nieuw geformeerde democratische regering van Spanje. Spanjes historische doorbraak kwam in 2004, toen de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero, die zichzelf als feminist bestempelt, het eerste gendergelijke kabinet van het land benoemde: acht vrouwen en acht mannen. Momenteel worden elf van de zeventien ministersposten in Spanje bekleed door vrouw. Dat geldt – voor het eerst in de geschiedenis van Spanje – ook voor de post van minister van Financiën.

    De recente geschiedenis van Frankrijk laat een vergelijkbaar beeld zien. In 2007 benoemde president Nicolas Sarkozy zeven vrouwen in zijn vijftienkoppige kabinet. Zijn voorganger, de socialist François Hollande, had zeventien vrouwen in zijn 34-koppige kabinet. Toen president Emmanuel Macron in 2016 campagne voerde, beloofde hij een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. Momenteel telt zijn kabinet elf mannen en elf vrouwen.

    Ons onderzoek heeft uitgewezen dat leiders die hun macht gebruiken om het aantal vrouwen in hun kabinet te vergroten, daar nooit voor worden afgestraft door het electoraat en er zelfs wereldwijd voor worden geroemd. Nog maar een paar jaar geleden kreeg de Canadese premier Justin Trudeau vanuit de hele wereld lof toegezwaaid omdat hij een gendergelijk kabinet had samengesteld. De reden? We leven in 2015, zei hij tegen journalisten.

    Leiders die beduidend minder vrouwen benoemen dan hun voorgangers, riskeren daarentegen veel kritiek van zowel de media als hun politieke tegenstanders. Het kan hun kiezers kosten.Toen de Australische premier Tony Abbott in 2013 maar één vrouw in zijn kabinet benoemde, moest hij dat ‘beschamende’ besluit verdedigen tegenover zijn kiezers, de oppositie en de media. Het kabinet van zijn voorganger telde drie vrouwelijke leden. Malcolm Turnbull nam twee jaar later Abbotts positie over en benoemde al snel vijf vrouwen in zijn team.

    Een nieuwe generatie van vrouwelijke leiders.
    Een nieuwe generatie van vrouwelijke leiders.

    Elk gendergelijk kabinet lijkt de verwachting te wekken dat er in een volgend kabinet minstens evenveel vrouwen zullen zitten. We hebben een aantal voorbeelden gevonden van leiders die minder vrouwen benoemden dan hun voorganger. Maar meestal zijn de verschillen marginaal.

    De in 1990 gekozen president Patricio Aylwin, die de eerste Chileense regering na de dictatuur vormde, benoemde op slechts 5 procent van alle regeringsposten een vrouw. De eerste vrouwelijke president van Chili, de socialist Michelle Bachelet, vormde in 2006 een gendergelijke regering; vier jaar later benoemde haar conservatieve opvolger, Sebastián Piñera, zeven vrouwen in zijn 23-koppige kabinet.

    Hoewel zijn regering niet gendergelijk was, waren vrouwen er beduidend meer in vertegenwoordigd dan in de regeringen van vóór Bachelet. Dit is een duidelijk bewijs dat het principe van de ‘betonnen vloer’ ervoor zorgt dat vrouwen deel uitmaken van de regering. In tegenstelling tot het ‘glazen plafond’ – de subtiele, onzichtbare barrière die voorkomt dat vrouwen op machtige posities komen – wordt de betonnen vloer duidelijk erkend door alle leiders die wij hebben bestudeerd.

    Een vergelijkbare standaard is van toepassing op andere vormen van politieke vertegenwoordiging in enkele landen die wij hebben bestudeerd. In Canada en de Verenigde Staten is een exclusief wit kabinet nauwelijks meer denkbaar. President Lyndon Johnson benoemde in 1966 als eerste een Afro-Amerikaan in zijn kabinet: Robert C. Weaver, minister van Volkshuisvesting en Stedelijke Ontwikkeling. Lincoln MacCauley Alexander werd in 1979 de allereerste zwarte minister van Canada.

    De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed

    Ondertussen zijn de regeringen in Duitsland en Spanje – landen met een steeds gevarieerdere bevolkingssamenstelling – nog altijd vrijwel exclusief wit. De enige zwarte parlementariër in Spanje, Rita Bosaho, is pas in 2015 gekozen. In Spanje heeft nog nooit iemand uit een etnische minderheidsgroep een kabinetspost bekleed.

    In de zeven landen waarnaar wij hebben gekeken, was gender ons enige criterium bij het bestuderen van de verdeling van de posten. In die landen is al een kwart eeuw geen exclusief mannelijke regering meer geweest. Vrouwen maken de helft uit van de wereldbevolking. Dat gegeven wordt nu meer en meer zichtbaar binnen democratische regeringen – en dat is een duidelijk onomkeerbaar proces.

    Auteurs: Karen Beckwith en Susan Franceschet

    The Conversation
    Verenigd Koninkrijk | theconversation.com

    Het Britse broertje van de Australische website The Conversation, een onafhankelijke site voor nieuws en opinie, bezien vanuit overwegend academisch oogpunt. De site werd in 2011 opgericht door een groep journalisten en verwierf in korte tijd groot aanzien.

  • 5. ‘Jullie zullen er spijt van krijgen, hoeren’

    5. ‘Jullie zullen er spijt van krijgen, hoeren’

    Een vrouwelijk lid van het Libanese parlement krijgt heftige, seksueel getinte beledigingen over zich heen, omdat zij de corruptie uitgaven van de president aan de kaak durft te stellen.

    Beledigingen zijn vandaag de dag schering en inslag in politieke kringen in Libanon. Het is in feite een middel geworden voor de machthebbers om tegenstanders te lijf te gaan. Het slachtoffer is in dit geval een vrouwelijke afgevaardigde, die zich zorgen maakt over het welzijn en de levensomstandigheden van haar medeburgers. (En in tegenstelling tot andere vrouwen in de Libanese politiek komt deze voormalige tv-journalist uit de ‘gewone’ samenleving en vloeit haar positie niet voort uit het systeem van politieke partijen of een ‘politieke’ achternaam.)

    De afgevaardigde (uit de kieskring Beiroet) is Paula Yacoubian, op wie de machthebbers de meute hebben losgelaten om hun vuile zaakjes in de media op te knappen. Yacoubian heeft niet anders gedaan dan rekening en verantwoording te eisen, nadat de president, Michel Aoun, twee vliegtuigen had gehuurd om met familie en vrienden een uitstapje naar New York te maken. Als antwoord krijgt ze een bak modder over zich heen van vuilspuiters die niet zoveel ophebben met democratie en die anderen graag bekritiseren en door het slijk halen.

    Paula Yacoubian deed niet anders dan als volksvertegenwoordiger corruptie aan de kaak stellen. Maar dat is een misdrijf in de ogen van de aanhangers van president Aoun, zoals de regeringsgezinde journalist Joseph Aboe Fadel en de componist Samir Sfeir. Laatstgenoemde twitterde: ‘Op een dag maakte de [Libanese televisiezender] LBC een interview met Gaddafi in Tripoli. Na de opnamen merkte de Libische leider op: “Laat deze journaliste nog een weekje hier blijven.” Aldus geschiedde. En raad eens om wie het ging?’

    Paula Yacoubian kondigde daarop aan dat ze een klacht gaat indienen tegen Aboe Fadel en Sfeir, waarbij ze hen kwalificeerde als ‘kleine boeven’ in dienst van ‘de grote schooier’ Gebran Bassil [de minister van Buitenlandse Zaken en schoonzoon van president Ayoun]. Dat kwam haar op nieuwe beledigingen te staan. Aboe Fadel bijvoorbeeld twitterde aan het adres van ‘de bevoorrechte vrouwen met parlementaire onschendbaarheid’: ‘Welke trucjes je ook uithaalt met je onschendbaarheid om je opgebruikte lijf buiten schot te houden, we zullen jullie opwachten. Jullie zullen er spijt van krijgen, hoeren. Mijn god, wat zullen jullie het betreuren en wat zullen jullie janken!’

    Gebrek aan respect

    Ook de website van de presidentiële partij spaarde haar niet. ‘Ze brengt de strijd van de Libanese vrouwen in gevaar. Door de media schrijden en mooie praatjes verkopen maakt van Paula Yacoubian nog geen heldin. Integendeel, de publieke opinie wordt alleen maar misselijk van een vrouw uit het volk die haar verantwoordelijkheden niet aankan. En dat blijft een hindernis voor de noodzakelijke verandering opdat een zo groot mogelijk aantal vrouwen toegang krijgt tot functies die om verantwoordelijkheidsbesef vragen.’

    Het gebrek aan respect voor vrouwen, hen omlaag halen en in hun eer aantasten, vooral als zij ook nog journalist zijn, is binnen de regeringspartij staande praktijk geworden. Men herinnert zich wellicht Ibrahim Kanaan, een parlementslid dat ook uit die kringen afkomstig is. Hij liet in een live-tv-uitzending een stroom van beledigingen los op de journaliste Ghada Eid, waarbij hij haar onder meer toebrulde: ‘Mijn voeten zijn schoner dan jij en jouw programma!’ En: ‘Ik weet waar je vandaan komt, slet!’

    Auteur: Batoul Khalil

    Al-Modon
    Libanon | almodon.com

    Links-liberale website die in 2013 is *
opgericht in navolging van de ‘Arabische lente’.* In korte tijd is Al-Modon een van 
de betrouwbaarste Arabische 
nieuwsbronnen geworden.

  • 4. Goede hoop in Afrika

    4. Goede hoop in Afrika

    Ethiopië heeft zijn eerste vrouwelijke president, en een kabinet dat voor de helft bestaat uit vrouwen. Salonfeminisme? Misschien. Maar goed voorbeeld doet goed volgen.

    Abiy Ahmed, de premier van Ethiopië, heeft de gewoonte om met grootse politieke gebaren deining te veroorzaken op het hele Afrikaanse continent. In korte tijd heeft hij duizenden politieke gevangenen vrijgelaten, vrede gesloten met Eritrea en democratische verkiezingen beloofd in een van de meest autocratische landen in Afrika.

    Zijn meest recente actie zal wellicht de grootste schokgolven veroorzaken: hij gaf de helft van de ministersposten aan vrouwen. Hiermee sluit Ethiopië aan bij Rwanda, dat ook evenveel vrouwen als mannen in zijn kabinet heeft. [Ethiopië heeft bovendien sinds 25 oktober zijn eerste vrouwelijke president, Sahle-Work Zewde, die werd gekozen op voorspraak van de premier.]


    Cynici zien de benoemingen als een handige truc om buitenlandse geldschieters te paaien en een besmeurd blazoen op te vijzelen. Daar zit misschien wat in. Maar laten we niet vergeten dat goed voorbeeld goed doet volgen en dat er daadwerkelijk iets kan veranderen. 
Vooralsnog zijn Ethiopië en Rwanda helaas uitzonderingen. Nu de Liberiaanse president Ellen Johnson Sirleaf is afgetreden, telt het Afrikaanse continent naast Zewde alleen nog mannelijke regeringsleiders.

    Maar met Rwanda en Ethiopië als lichtende voorbeelden stijgt de druk op andere landen om vooral niet achter te blijven. Atiku Abubakar, presidentskandidaat voor de volgende verkiezingen in Nigeria, beloofde 40 procent van de posten in zijn kabinet aan vrouwen en jongeren af te staan, zo meldde de Nigeriaanse pers. Het woord ‘afstaan’ – gekozen door de verslaggever en niet noodzakelijk door de presidentskandidaat – is hierbij veelzeggend. Het tekent de hardnekkige tegenzin om de macht, die ‘rechtmatig’ aan mannen toebehoort, over te dragen. 


    Seksuele uitbuiting

    Maar Afrika doet er beter aan dat idee te omarmen. Dat geldt zowel voor politici als voor de kiezer. Vrouwen zijn onevenredig vaak slachtoffer van veel van het onrecht dat op het Afrikaanse continent heerst – of het nu gaat om seksuele uitbuiting, beperkte toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, of banenschaarste. Ondanks de geboekte vooruitgang is het aantal ondervoede meisjes dat niet naar school gaat nog altijd groter dan het aantal jongens.

    Recente gebeurtenissen in Liberia en Zuid-Afrika onderstrepen niet alleen dat vrouwen kwetsbaar zijn voor seksueel geweld, maar vooral ook dat ze hiertegen in het geweer komen. In Liberia gingen zowel vrouwen als mannen de straat op uit woede over de onthullingen dat meisjes van een door de Amerikaanse liefdadigheidsinstelling More Than Just Me gerunde school herhaaldelijk door de medeoprichter van de organisatie waren verkracht. In Zuid-Afrika trad Cheryl Zondi uit de anonimiteit om in de eerste live uitgezonden verkrachtingszaak te getuigen tegen de evangelische priester die haar vanaf haar veertiende had misbruikt.

    Terwijl ze met haar getuigenis op veel steun kon rekenen en de donkere krochten van de Zuid-Afrikaanse verkrachtingscultuur aan het licht blootstelde, toonde het proces ook aan waarom vrouwen huiverig zijn om hun mond open te doen. Zondi werd op een agressieve manier ondervraagd en voor leugenaar uitgemaakt, en ze werd gedwongen onnodige, pijnlijke details van haar verkrachting te onthullen.

    Sahle-Work Zewde is de eerste vrouwelijke president van Ethiopië. – © HH
    Sahle-Work Zewde is de eerste vrouwelijke president van Ethiopië. – © HH

    Vrouwelijke strijders

    Gelukkig kan Afrika bogen op een lange traditie van sterke vrouwen. Voordat de Arabieren en Europese kolonisten Afrika onder de voet liepen en patriarchale religies als de islam en het christendom over het continent uitrolden, waren veel Afrikaanse samenlevingen matriarchaal. De Ashanti, in wat nu Ghana is, kennen een matrilineaire afstamming en overerving gaat meestal via de vrouwelijke lijn.

    Onder Afrikaanse vrijheidshelden bevinden zich veel vrouwen, hoewel ze maar al te vaak uit de geschiedenis zijn weggeschreven. In de voormalige Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe, voerde spiritueel leider Nehanda Charwe (1840-1898) het verzet aan tegen de British South Africa Company (BSAC). In Kenia speelden vrouwen een prominente rol in het verzet tegen de koloniale macht, hoewel er nauwelijks straatnamen naar vrouwelijke vrijheidsstrijders zijn vernoemd.

    Ook in het huidige Afrika is er geen gebrek aan inspirerende vrouwen. Zonder de onvermoeibare inzet van Thuli Madonsela, de voormalige ombudsvrouw van Zuid-Afrika, was oud-president Jacob Zuma ongetwijfeld nooit voor het gerecht gesleept. Ook onder de grote Afrikaanse schrijvers bevinden zich talrijke vrouwen, waaronder de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie. En belangrijker nog: op het hele continent zijn het de vrouwen die de boel bijeenhouden, die het meeste zware werk verrichten en een centrale rol spelen binnen het gezin.

    
Uit talloze studies blijkt dat de samenleving als geheel – vrouwen én mannen – baat heeft bij geschoolde, sterke vrouwen. Dat een presidentskandidaat in Nigeria zich geroepen voelt om vrouwen meer macht te geven, is een positief teken. Maar hoe eerder vrouwen zelf die macht beginnen op te eisen, hoe beter.

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    VK | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld, met internationale economisch en financieel nieuws.

  • Racisme strafbaar gesteld in Tunesië

    Racisme strafbaar gesteld in Tunesië

    Als eerste land in Afrika nam Tunesië vorige maand integraal een wet aan die racisme en segregatie strafbaar stelt. Een noodzakelijke en enorme stap.

    In Tunesië is vorige maand een 
wet aangenomen die racistische misdrijven strafbaar stelt. Hoewel sommigen het blijven ontkennen, zijn zowel Tunesische burgers als buitenlanders het slachtoffer van racisme 
in Tunesië. Maar of het nu gaat om Tunesiërs of buitenlanders, mensen met een zwarte huidskleur lijken er het meeste last van te hebben.

    Zij worden slecht behandeld en als minderwaardig beschouwd. In de wijdverbreide Tunesische cultuur wordt hun huidskleur geassocieerd met slavernij. De Tunesiër is racist uit onwetendheid, dat staat als een paal boven water.

    Schande

    Ghofrane Binous is stewardess bij Tunisair. Zij werd onheus bejegend door een passagier aan boord van een vliegtuig van haar luchtvaartmaatschappij en deelde het incident op 
sociale media om mensen bewust te maken van de scheldwoorden die zwarte mensen in 2018 nog steeds 
naar hun hoofd geslingerd krijgen.

    De racistische uitlatingen en schandelijke beledigingen van de passagier hebben haar diep gegriefd. De passagier 
werd snel uit het vliegtuig gezet en 
alle leden van de bemanning, overige passagiers en internetters verklaarden zich solidair met de stewardess.

    Ook een studente uit Burkina Faso 
gaf aan dat ze in de regio Kram was lastiggevallen door jongeren van rond de 18 jaar. Ze gooiden eieren naar haar hoofd en maakten haar belachelijk. 
Of het nu wel of niet om racisme gaat, het blijft een schande voor Tunesië dat het de waardigheid van zijn gasten niet weet te beschermen.

    In augustus werden in het centrum van Tunis Ivoriaanse burgers aangevallen. Ze raakten betrokken bij een opstootje, dat vervolgens uit de hand liep. Racistische motieven werden 
niet uitgesloten en de zaak werd aan de kaak gesteld door de Tunesische Vereniging ter ondersteuning van Minderheden. De vereniging heeft aangekondigd in samenwerking met de ambassade van Ivoorkust met 
voorstellen te komen om de schadeloosstelling aan slachtoffers van 
racisme te verbeteren.

    Zulke tegen individuen gerichte misdrijven, of ze nu van verbale of fysieke aard zijn, mogen niet worden getolereerd of onbestraft blijven. De Tunesische premier had op 26 december 2016 aangekondigd dat er een wet zou worden aangenomen die racisme en iedere vorm van discriminatie 
strafbaar zou stellen. Deze wet zal streng en strikt worden gehandhaafd, zei hij toen, en hij kondigde bovendien aan dat er een nationale dag zou worden georganiseerd om racisme 
te bestrijden.

    Toch heeft het nog twee jaar geduurd, dat wil zeggen tot 2 juni 2018, voordat de parlementaire commissie voor 
rechten en vrijheden haar goedkeuring verleende aan de wet die racisme en segregatie strafbaar stelt. In deze wet wordt bepaald wat racistische misdrijven zijn, welke straffen erop staan en waar de slachtoffers recht op hebben.

    Tunesiërs demonstreren tegen racisme in de hoofdstad Tunis. 
– © Getty Images
    Tunesiërs demonstreren tegen racisme in de hoofdstad Tunis. 
– © Getty Images

    Op 9 oktober werd het wetsvoorstel integraal aangenomen door het parlement, met 125 stemmen voor, één stem tegen, bij vijf onthoudingen. De voorzitter van het parlement, Mohamed Ennaceur, heeft de wet ‘revolutionair’ genoemd. Volgens hem staat Tunesië met deze wet ‘op gelijke hoogte met de beschaafde en moderne landen als een van de eerste landen ter wereld en het eerste land in Afrika dat racisme strafbaar stelt’.

    Elf instanties zullen erop toezien dat de wet wordt nageleefd, met inbegrip van een nationale commissie die onder bescherming van het ministerie voor de Rechten van de mens staat en die jaarlijks een verslag zal voorleggen aan de parlementaire commissie voor rechten en vrijheden.

    Krachtens deze wet hebben slachtoffers recht op wettelijke bescherming volgens de geldende regelingen, psychologische en sociale ondersteuning – per individu te bepalen – en een schadeloosstelling die in verhouding staat tot de materiële en psychische schade die het racistische misdrijf heeft aangericht.

    Voor de dader varieert de strafmaat van een maand tot een jaar gevangenisstraf en/of een boete van 500 tot 1000 dinar [151 tot 302 euro] wanneer hij of zij racistische uitlatingen doet om iemand te kleineren of te vernederen. De strafmaat wordt verdubbeld als het slachtoffer een kind is, in een zwakkere positie verkeert door zijn leeftijd of handicap, of als het om een vluchteling gaat, als de dader gezag uitoefent over het slachtoffer of misbruik maakt van zijn macht. Datzelfde geldt wanneer het om een groep daders gaat en niet om een individuele dader.

    Boete

    Een gevangenisstraf van een tot drie jaar en/of een boete van 1000 tot 3000 dinar [302 tot 606 euro] wordt tevens opgelegd aan een dader die zich schuldig maakt aan haatzaaien op grond van ras, die ideeën verspreidt die hun oorsprong vinden in superioriteitsdenken en segregatie, die zich positief uitlaat over raciale praktijken en over activiteiten of verenigingen die hierop gebaseerd zijn. Als het een rechtspersoon betreft, varieert de boete van 5000 tot 15.000 dinar [1511 tot 4534 euro].

    De goedkeuring van deze wet is een enorme stap voor Tunesië en draagt ertoe bij dat waarden als tolerantie en respect voor de menselijke diversiteit worden ondersteund. De wet kon 
rekenen op een warm onthaal in het parlement, bij organisaties die racisme bestrijden en bij de internationale gemeenschap. Hoewel sommigen in 
de Tunesische regering de omvang van het racisme in Tunesië bagatelliseren en anderen geweigerd hebben voor 
de wet te stemmen, is de wet onmiskenbaar een stap voorwaarts.

    De wet zal het racisme weliswaar niet definitief uitroeien, maar toch zal Tunesië zich kunnen ontwikkelen tot een land waarin de ander wordt gerespecteerd en zijn of haar waardigheid wordt beschermd tegen vernedering en kleinering. Nu behoeven de bepalingen alleen nog maar in de praktijk te worden toegepast om ervoor te zorgen dat zwarten, Tunesisch of buitenlands, er trots op kunnen zijn dat ze zwart zijn.

    Auteur: Boutheïna Laâtar

    Business News
    Tunesië | onlinemagazine | 
businessnews.com.tn

    Business News is een online-
tijdschrift gericht op politiek, 
economie en technologie.

  • Mam, wat is white privilege?

    Mam, wat is white privilege?

    Niet worden vertrouwd in een winkel, een makelaar die informeert naar ‘madam’, aannames over integriteit, intelligentie en competentie, het overkomt de Zuid-Afrikaanse Berenice Paulse met regelmaat. Hieronder beantwoordt zij de vraag van haar zoon.

    Een paar maanden voor het debat dat nu op de Zuid-Afrikaanse sociale media woedt, vroeg mijn tienerzoon naar een nieuwe term die hij tijdens een discussie in de klas had gehoord. Dit was zijn vraag: ‘Mam, wat is white privilege?’

    Door zijn vraag realiseerde ik me dat ouders, leerkrachten en Zuid-Afrika in het algemeen het onderwerp ‘white privilege’ onder ogen moeten zien en dat ze bereid moeten zijn daarover te praten. Ik antwoordde mijn zoon door hem te herinneren aan een gebeurtenis van een paar jaar daarvoor. Hij was toen bij het plaatselijke filiaal van een grote outdoorketen om kampeerspullen te kopen voor een schoolkamp. Ik zie helemaal voor me hoe hij verschillende artikelen oppakte en weer neerzette en dan weer naar het volgende doorliep. Hij vond het kamp een beetje spannend, maar verheugde zich er ook op en wilde graag de spullen uitkiezen die hij zelf het mooist vond.

    Het liep heel anders dan hij zich had voorgesteld. De hele tijd dat mijn zoon in die winkel was, werd hij op de voet gevolgd door een geüniformeerde bewaakster. Hij moest van haar zijn hoodie afdoen en uiteindelijk waarschuwde ze hem dat ze hem scherp in de gaten hield. Geen van de andere – blanke – jongens in de winkel kreeg deze behandeling. Later die avond vertelde mijn zoon het verhaal aan mij. Ik diende onmiddellijk een klacht in bij de filiaalmanager, kreeg een halfbakken verontschuldiging terug en de vage belofte dat hij er nog op terug zou komen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.

    Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!

    Nu herinnerde ik mijn zoon eraan dat hij toen, al had hij een volkomen legitieme reden om in die winkel te zijn, al had hij het geld om te betalen voor wat hij wilde kopen en al was hij bepaald niet de enige jongere met een hoodie (dat lijkt wel bijna een universeel uniform voor jongeren), wel de enige was die in de gaten werd gehouden. Dat was racisme, natuurlijk; het gevolg van etnisch profileren waarmee zo veel jonge zwarte mannen nog steeds elke dag te kampen hebben.

    De blanke mannelijke jongeren die in dezelfde tijd in ongeveer dezelfde outfit bij dezelfde winkel waren, hadden een heel andere ervaring. Dat is vaak zo, wanneer een blank persoon een publieke ruimte binnengaat en het vanzelfsprekend vindt dat niemand iets verdachts achter zijn of haar aanwezigheid zoekt. Als een blanke jongere een winkel binnengaat, komt het niet in zijn hoofd op dat iemand zou kunnen denken dat hij geen geldige reden heeft om daar te zijn, of dat hij niet de middelen heeft om te betalen voor wat er te koop is. Het komt niet in zijn hoofd op omdat hij nooit als een mogelijke verdachte is behandeld vanaf het moment dat hij ergens binnenkwam. Dat is white privilege en zo legde ik het begrip uit aan mijn zoon.

    Tegen Zuid-Afrikanen die in de verdediging gaan en zich verzetten tegen pogingen om het verschijnsel white privilege te benoemen, zou ik dit willen zeggen: ik ben een zwarte vrouw met een diploma van een universiteit die van oudsher zwart is. Dit betekent dat vaak wordt aangenomen dat mijn diploma minder waard is dan dat van een universiteit die van oudsher blank is. Ik werk bij een overheidsinstelling en verdien een aardig salaris. Algemeen wordt aangenomen dat ik mijn baan heb gekregen dankzij positieve discriminatie, en dat ik dus ook niet competent ben.

    Ik woon in een voorheen blanke middenklassewijk in een noordelijke voorstad van Kaapstad en na veertien jaar gluren mijn buren nog steeds angstvallig over de schutting om in de gaten te houden wat mijn gezin en ik uitspoken. (Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!) Na meer dan tien jaar democratie werd mijn jongste broer (die als student bij mij woonde), een keer aangehouden door een passerende politiewagen en ondervraagd over wat hij in de wijk te zoeken had.

    Af en toe komt er een vreemde bij mij aan de deur, voor een collecte, om iets te verkopen of vanwege een of andere marketingactie. Heel vaak zegt zo iemand dan tegen me dat hij of zij graag ‘de vrouw des huizes’ wil spreken. Een makelaar vroeg me of ik de ‘madam’ wilde roepen. Het overkomt me geregeld dat ik bij de buurtsupermarkt iets uit een schap sta te pakken en een verbolgen blanke persoon achter me ongeduldige geluiden maakt omdat ik ruimte inneem die hún toekomt, zo vinden ze. Af en toe maken ze dan denigrerende opmerkingen over mijn ‘hinderlijke’ aanwezigheid – in het Afrikaans, want ze denken dat ik dat niet versta.

    Onlangs nog stond mijn man in de rij bij de kassa, terwijl ik nog even wegliep om iets te halen wat we vergeten waren. Toen ik weer in de rij ging staan, hoorde ik twee mensen in het Afrikaans tegen elkaar praten over hoe ‘die mensen’ altijd proberen voor te dringen. Ze gingen ervan uit dat ik niet weet hoe ik me in het openbaar hoor te gedragen, en dus gingen ze ervan uit dat ik wilde voordringen. Als ik een winkel binnenkom waar luxeartikelen worden verkocht, komt de eigenaar of de verkoopster vaak met een bezorgde uitdrukking naar me toe, alsof ik daar misschien per ongeluk ben binnengegaan, of me niet realiseer waar ik ben. Informeer ik naar een bepaald artikel, dan noemen ze vaak uit zichzelf de prijs, zonder dat ik daarom heb gevraagd. Bij andere gelegenheden zeggen ze nauwelijks iets tegen me, maar lopen ze wel achter me aan door de winkel of kijken ze telkens naar me, met een blik die zowel discreet als ontmoedigend bedoeld is.

    Beste lezer, om het netjes te formuleren: ze nemen aan dat ik misschien niet de middelen heb om die artikelen te betalen en dat ik van plan ben om ze op een onwettige manier te bemachtigen.

    Overdreven handgebaren

    Ik ga meestal met de trein naar mijn werk (als die tenminste normaal rijdt). Altijd als ik mijn maandkaart koop en niet uit mezelf zeg welke klasse ik wil, krijg ik de vraag: ‘Metro of Metro Plus?’ Ik dacht altijd dat dat de standaardvraag was. Tot ik een keer in de rij achter een blanke man stond, en hij wel zei waar hij naartoe moest, maar niet in welke klasse. Voor hem was de vraag iets anders: ‘Metro Plus, meneer?’ Daarin lag de onuitgesproken aanname dat hij het hogere tarief kon betalen voor dezelfde reis en ik niet. Het respectvolle ‘meneer’ vraagt ook om nadere beschouwing – maar de kwestie van mannelijk privilege bewaar ik nu even voor een ander moment en een andere plek.

    Een paar jaar geleden schampte ik op een parkeerplaats langs de auto naast de mijne. Niemand zag het gebeuren, maar toen ik openlijk de schade aan de andere auto opnam, raakten verscheidene bezitters van geparkeerde auto’s gealarmeerd en kwamen naar me toe. Ze waren opgewonden en wezen naar mij en een man zei tegen niemand in het bijzonder dat ze de eigenaar van de andere auto moesten zien te vinden. Een paar mensen wilden per se mijn rijbewijs zien. De eigenares van de andere auto bleek een Afrikaans sprekende blanke vrouw te zijn en verscheidene mannen boden heel ridderlijk aan om haar te helpen (zoals ik al eerder zei, laten we het een andere keer over het mannelijke privilege hebben). Ik moet haar nageven dat ze rustig hun hulp afwees en dat wij vriendschappelijk gegevens uitwisselden. Uiteindelijk besloot ze geen schade bij mijn verzekeraar te claimen, omdat haar auto nauwelijks beschadigd was. De activiteiten van de omstanders waren duidelijk ingegeven door de aanname dat ik mijn verantwoordelijkheid zou ontkennen, of me op de een of andere manier onder de financiële aansprakelijkheid uit zou proberen te wurmen. Zij vonden het terecht om aan te nemen dat een blanke vrouw beschermd moest worden tegen een zwarte.

    Dus, beste lezer, als je dit soort ervaringen niet herkent, dan ben jij daartegen beschermd door je white privilege.

    White privilege betekent dat je nooit te kampen krijgt met aannames over je integriteit, intelligentie, competentie, prestaties, vermogen om te betalen, over dat je alleen als dienstbode in een bepaalde wijk kunt wonen, enzovoort, gewoon omdat je zwart bent. White privilege betekent dat je nooit geërgerde zuchten hoeft aan te horen omdat je ruimte inneemt waarvan anderen vinden dat ze die niet met jou zouden hoeven delen. White privilege betekent in de wijk gaan wonen waar je wilt wonen en dan niet beschouwd worden als bewoner van een andere planeet. Het betekent dat je nooit de neiging hoeft te onderdrukken overdreven handgebaren te maken om wantrouwige verkoopsters of beveiligers te laten zien dat je echt niet van plan bent om iets stiekem mee te graaien – zeker als je een zwarte man met een hoodie bent.

    Door dit white privilege zijn we nog nauwelijks begonnen met pogingen om de meeste Afrikanen gelijke kansen te geven. Onze kinderen zullen nog met de effecten ervan worstelen als wij er al lang niet meer zijn. Dus laten we hen daarop voorbereiden door erover te praten.

    Auteur: Berenice Paulse
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Picknick op de Fourways Farmers Market in Johannesburg, Zuid-Afrika. – © Leon Neal / Getty

    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.
    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.

    Daily Maverick
    Zuid-Afrika | dailymaverick.co.za

    Begon in print, veranderde in 2008 noodgedwongen in een digitaal tijdschrift en groeide uit tot een van de belangrijkste nieuwssites van Zuid-Afrika. Eigenzinnig, analytisch en grondig.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    FILM | Verliefd op zichzelf 
en de vergetelheid

    ‘Hoe heeft ze dat in godsnaam gefilmd?’

    Iedereen die wil weten hoe het is als een adelaar boven de bergen te zweven, zou deze film moeten zien. Al bestaat de kans dat je de openigshots, waarin de beroemdste soloklimmer ter aarde op een bergricheltje 500 meter boven de grond staat, zonder touwen, zonder wat voor uitrusting ook, niet aankan. Daar zijn de kranten het over eens. Regisseur Jennifer Peedom brak door met haar film Sherpa uit 2015, die over de enorme risico’s gaat die Nepalese bergbeklimmers nemen om toeristen de Himalaya op te begeleiden en extra bekendheid kreeg doordat tijdens het filmen in 2014 zestien sherpa’s door een lawine om het leven kwamen.

    Mountain (2017) heeft als luchtiger onderwerp de – soms fatale – fascinatie van de mens voor de bergen, en laat zien hoe we deze ‘steeds meer als speelplaats gebruiken’ . Vooral degenen die bizarre sporten beoefenen als van pieken af mountainbiken, soloclimben en parachutespringen en volgens de voice-over ‘half verliefd zijn op zichzelf, en half op de vergetelheid’.

    Peedom schreef het script samen met de geleerde bergbeklimmer Robert MacFarlane; zijn Mountains of the Mind diende voor haar als lijfboek toen ze zelf begon met klimmen. Hun teksten worden voorgelezen door William Defoe, wiens ‘verweerde stem’ volgens The Irish Times een wat curieuze keuze is om de abnormaal atletische beelden te vergezellen. Het artikel in de Ierse krant heeft de kop ‘Hoe in godsnaam heeft ze dat gefilmd?’ – een vraag die meer recensenten zich stellen. Gevolgd door die andere: ‘En hebben ze het allemaal overleefd?’

    Het eerste antwoord ligt redelijk voor de hand: drones, de meest geavanceerde draagbare apparatuur, getrainde cameramannen, zoals Peedom aan Radiotimes vertelt. Het antwoord op de tweede vraag geeft ze aan Hollywood Reporter en is half geruststellend. Tijdens het filmen is niemand doodgegaan – wat niet wil zeggen dat iedereen die in Mountain voorkomt nu nog leeft. (Ook vertelt ze HR dat ze sinds ze kinderen heeft beter bestand is tegen ‘de sirenen van de top’, zoals McFarlane de soms haast suïcidale behoefte beschrijft om op wat voor manier ook bij de piek te komen.)

    ‘Niets doet je zo beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven’

    Peter Bradshaw van The Guardian spreekt de wens uit dat Peedom net als David Attenborough een korte making of-montage aan de film had toegevoegd. Hij noemt de beelden ‘zo adembenemend dat je bereid bent een aantal nogal fantasieloze muziekkeuzes door de vingers te zien’. Vivaldi’s Vier seizoenen had van hem niet gehoeven. Het Australian Chamber Orchestra onder leiding van Richard Tognetti initieerde het project en is dan ook nadrukkelijk bij Peedoms beelden aanwezig. Maar soms ook is het even stil – zoals wanneer soloclimber Alex Honnold op dat richeltje staat. Alleen zijn ademhaling is te horen. Hij had even een off-moment, blijkt later. Vroeg zich af waarom hij daar eigenlijk was.

    Omdat niets je zo doet beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven, licht Defoe met zijn onheilspellende bas toe, die meteen een National Geographic -documentaire in herinnering roept.

    Ondanks dat sommigen de 74 minuten waarin de tweeduizend uur materiaal is gegoten wat aan de lange kant vinden, is Mountain nu al een groter kassucces dan Sherpa. Wie wil dan ook niet voelen hoe het is om als adelaar boven de bergen te zweven?

    Mountain gaat 22 maart in Nederland en België in première.

    fresa

    LITERATUUR | Het meest gekopieerde boek ter wereld

    Waarom mannen wél aardbeienijs mogen eten

    In de vroege jaren van de Cubaanse revolutie serveerde Havana’s beroemde ijssalon Coppelia 54 smaken. Fidel Castro pochte ermee dat dit meer was dan de Yankee-onderneming Howard Johnson in zijn assortiment had. Maar nadat de Cubaanse economie tijdens de crisis was gekelderd, hadden bezoekers van Coppelia al geluk als ze uit twee smaken konden kiezen.

    Chocola, en aardbei. Voor mannen betekende dat eigenlijk geen keuze. Een man die aardbei bestelde was not done, ‘een softie’, in de ogen van de revolutionairen.

    Dit was de tijd waarin duizenden Cubaanse homoseksuelen in concentratiekampen werden gestopt en waarin hiv-patiënten in quarantaine werden geplaatst. En ook de tijd waarin de novelle El Lobo, el bosque y el hombre nuevo van Senel Paz speelt, dat later (in 1995) werd verwerkt tot de film Chocolate en Strawberry en via fotokopieën massaal van hand tot hand ging: het zou het meest gekopieerde boek ter wereld zijn, volgens o.a. de site Escritores.org.

    In het verhaal sluit David, een revolutionair, vriendschap met Diego, die uit porseleinen kopjes drinkt, Maria Callas luistert, zijn liefde voor mannen niet onder stoelen of banken steekt – en aardbeienijs eet. Ondanks dat de clichés er wat dik bovenop liggen, schrijft The New York Times, is de wisselwerking tussen de twee dankzij het nieuwsgierige karakter van David overtuigend. Ook Le Monde vindt het door ‘de tegelijk naïeve en bewuste openhartigheid van de verteller (…) een verrassend verhaal’.

    In feite was het bedoeld als aanklacht tegen alle soorten discriminatie, licht de inmiddels overleden verfilmer Tómas Gutierrez Alea in The Guardian toe. ‘Het gaat over intolerantie en een gebrek aan begrip voor degenen die “anders” zijn. Dat geldt niet alleen voor homoseksuelen, maar voor mensen die voor zichzelf nadenken, voor zwarten, voor iedereen die wordt gediscrimineerd.’

    Paz is dan ook evenmin als Diego een antirevolutionair (‘Dat ik homo ben maakt me nog niet antipatriottisch,’ zegt die laatste in het boek). Hij komt zelf uit een arm gezin en kon dankzij een beurs van de regering gaan studeren, het gezin onderhouden en zijn moeder onderwijzen. De revolutie bracht verandering teweeg, maar ging gepaard met een gebrek aan vrijheid, zegt hij tegen El País. In zijn boek stelt hij een vraag, namelijk: Wie moet er boeten voor de fouten van de revolutie? Die vraag wordt niet beantwoord, maar was genoeg om een doorbraak te betekenen voor hoe er in Cuba tegen homorechten werd aangekeken. (Inmiddels is de dochter van de huidige president van Cuba, Mariela Castro, de grootste activist van homorechten op het eiland.)

    Paz won voor zijn roman de prestigieuze Juan Rulfoprijs, en wordt door La Repubblica o.a. vanwege de eenvoudige setting tot ’uitvinder van de Cubaanse literaire nouvelle vague’ bestempeld; het verhaal speelt zich overwegend af in de huiskamer van David, dat hij omtoverde tot ‘toevluchtsoord binnen het rumoer van de Cubaanse samenleving en de pijlen die daarin op homoseksuelen zijn gericht’ .

    Begin april verschijnt Aardbei & chocola in een vertaling van Pieter Lamberts bij Zirimiri Pers.


    MUZIEK | De Malinese zangeres uit de Ivoorkust

    Zangeres wil met haar muziek de wereld veranderen

    De eerste keer dat Fatoumata Diawara weer in Afrika optrad, op het populaire Festival Sur le Niger, was volgens Tom Pryor van Afropop een zenuwslopend moment. Ze vluchtte op haar negentiende het land uit en keerde niet meer terug, totdat ze zich in 2015 vanwege de crisis in Mali gedwongen zag een steentje bij te dragen. Maar ‘door de Wassoulou-invloeden in haar muziek en haar overtuigende optreden had ze het publiek als snel voor zich gewonnen’, vertelt Pryor erachteraan. Haar lied Mali-ko (Vrede) noemt The Independent zelfs het symbool voor het verzet tegen de islamitische revolutionairen.

    Diawara (Ivoorkust, 1982) werd geboren in een groot gezin van Malinese ouders en moest omdat ze niet naar school wilde bij haar acterende tante in Bomoko verblijven, waar ze op haar negende op de set werd ontdekt. Ze speelde onder andere in een film waarin ze haar man ontvlucht om niet aan God geofferd te worden, en kreeg bij haar eigen middernachtelijke vlucht, om aan een gearrangeerd huwelijk te ontkomen, hulp van haar tante. Ze kwam in Parijs als achtergrondzangeres terecht bij de eveneens vrijgevochten Malinese diva Oumou Sangare en startte een razendsnelle solocarrière. Schreef Robin Denselow in *The Guardia*n in 2013 nog dat ze weliswaar alles mee had (jong, mooi, talentvol), maar zich moest zien te bewijzen als grote Malinese artiest, een paar jaar later prijst hij haar ‘volwaardige, overweldigende optreden’, ‘beheerste en krachtige stem’ en ‘aanstekelijke dans’. De ‘Malinese godin met een zachte, gedempte stem’, zoals Bozar haar aanbeveelt, toerde de wereld over voor optredens en samenwerkingen met grote namen als Herbie Hancock, Bobby Womack en Franz Ferdinand.

    Op de vraag van OkayAfrica waarom ze zich consequent Malinees noemt terwijl ze er niet is geboren en maar enkele jaren woonde, legt Diawara uit dat het de mentaliteit is, de overtuiging dat muziek de wereld kan veranderen. Ze zingt over onderwerpen als besnijdenis en vrouwenrechten, en wil haar teksten ook toegankelijk maken voor de Facebook- en Twitter-generatie: een zo bondig en helder mogelijke boodschap voor een maximaal resultaat.

    Ondanks de ernst van haar thema’s is haar lach opvallend veelbesproken, ArtDesk noemt deze bijvoorbeeld ‘zo breed is dat hij bij ieder ander geforceerd zou lijken. Maar bij haar is [hij] er gewoon, soms sereen, soms vol overgave.’ ‘Ik word zo gelukkig van op het podium staan!’ verzucht de zangeres dan ook tegen CNN. ‘Want ik weet wat ik heb gedaan om hier te komen.’

    Fatoumata Diawara treedt op 25 maart op in Paradiso Noord.

    Auteur: Laura Weeda

  • Gay in Gaza

    Gay in Gaza

    Hoe is het om homo te zijn in de Gazastrook? 
De Israëlische krant Haaretz sprak met Palestijnse homo’s over datingapps, Israëlische mannen, 
Hamas en de lokroep van het buitenland.

    Jamils avatar op een berichtenapp ziet eruit als een gelukkige man, jong, met een bril en een trendy kapsel. Maar Jamil (niet zijn echte naam) zegt dat hij voortdurend in angst leeft en dat zijn ultieme droom is om zijn vaderland achter zich te laten en zich los te maken van zijn familie. De 21-jarige student uit de Gazastrook is homo en leidt een dubbelleven. In zijn publieke bestaan is hij een ijverige student, de jongste telg van het gezin, en helpt hij zijn ouders, die al aardig op leeftijd zijn, om het huishouden draaiende te houden (door boodschappen 
te doen, te zorgen dat de elektrische generator het doet en dat er water in huis is). Daarnaast leidt hij een geheim leven, waarvan hij een groot deel doorbrengt op datingapps en nepaccounts op sociale netwerken.

    Jamil zegt dat hij zich op zijn veertiende voor het eerst realiseerde dat hij homo was. Hij was toen in het buitenland en ontmoette daar, voor het eerst van zijn leven, iemand die openlijk homo was. Bij thuiskomst ging hij, op internet en sociale netwerken, op zoek naar mensen zoals hijzelf. Naar eigen zeggen is hij er pas sinds een jaar of twee van overtuigd dat zijn homo-
seksualiteit niet ‘een of andere 
psychologische afwijking is’. Een paar homovrienden hebben hem ervan weten te overtuigen dat hij zichzelf moet accepteren zoals hij is.

    Op je tellen passen

    ‘Om te beginnen leg je contact op een nepaccount op social media, of op een app waar je identiteit geheim blijft,’ zegt Jamil tijdens een telefoongesprek. ‘Op zeker moment weet een van de twee voldoende moed bij elkaar te rapen om de eerste stap te zetten en wat foto’s te sturen. Nadat je een tijdje op die manier contact hebt, besluit je om elkaar al dan niet te ontmoeten. Maar degene met wie je contact hebt kan ook een [undercover]agent van Hamas in Gaza zijn. Je moet altijd op 
je tellen passen. Je moet zorgen dat je eerst met hem aan de praat raakt, 
bijvoorbeeld op Skype. En hij moet je ervan zien te overtuigen dat hij geen lid van Hamas is.’

    Jamil legt uit dat het voor iemand uit Gaza niet al te moeilijk is om agenten van Hamas te herkennen. Hoewel Hamas altijd zeer is gespitst op homo’s en de sociale media strak in de gaten houdt, heeft de organisatie een paar blinde vlekken – zo veronderstelt Jamil dat Hamas geen weet heeft van bepaalde apps die homomannen in 
de Gazastrook kunnen gebruiken om contact te leggen en te chatten, soms ook met Joden in Israël of op de 
Westelijke Jordaanoever.

    Op de vraag wat hij allemaal bespreekt met mensen uit Israël, antwoordt Jamil dat zij vaak van alles en nog wat willen weten over het leven in de Gazastrook, met name hoe het leven daar is voor een homo. Er komen natuurlijk ook politieke kwesties aan de orde. Een van degenen met wie hij contact heeft wil bijvoorbeeld weten wat Jamil ervan vindt dat Israël raketten afschiet op de Gazastrook. Jamil heeft gezegd het te betreuren dat er onschuldigen omkomen, vertelt hij.

    De moeder en zus van Hamascommandant Mahmoud Ishtiwi, die werd vermoord nadat hij was beschuldigd van homoseksualiteit.
 – © Wissam Nassar / The New York Times
    De moeder en zus van Hamascommandant Mahmoud Ishtiwi, die werd vermoord nadat hij was beschuldigd van homoseksualiteit.
 – © Wissam Nassar / The New York Times

    ‘Ik heb ooit iemand gesproken die me vertelde dat hij niet ver van Khan Yunis was geboren; dat was nog voor de Israëlische terugtrekking [uit Gaza] in 2005,’ zegt hij. ‘Hij vertelde me hoe dierbaar dat gebied hem was, en zei dat hij zich nog elk moment kon herinneren dat hij daar had doorgebracht. Hij zei dat hij nog altijd een geschenk had dat hij ooit van een vriend van zijn vader had gekregen, een Palestijn uit Gaza.’

    Een jonge Israëlische Jood die via een van de apps contact heeft gelegd met Jamil (en die me ook heeft verzocht zijn anonimiteit te waarborgen), vertelt 
me dat Jamil en hij het hadden over politiek, over Jamils leven en de verhoudingen binnen zijn familie – maar niet alleen daarover. ‘We hebben het ook gehad over de erotische aantrekkingskracht van soldaten,’ herinnert de Israëli zich. ‘Ik had rekening gehouden met een zeer vijandige en afwijzende reactie, maar als ik het me goed herinner zei Jamil dat hij wel met een Israëlische soldaat naar bed zou willen. En dan zijn er nog de gebruikelijke dingen waar homo’s het op dergelijke apps over hebben, wat we lekker vinden in bed en zo. En misschien sturen we elkaar wel een paar ondeugende foto’s.’

    Om maar vooral geen argwaan te wekken, beginnen homo’s in Gaza geen clubjes of groepen. Als ze elkaar ontmoeten, dan is het een op een, in een café of een restaurant, of op de promenade langs het strand. Ze zorgen dat 
ze niet vaker dan één keer op dezelfde plek worden gezien. Soms spreken 
ze ook thuis af – ervan uitgaande, natuurlijk, dat er geen familieleden 
in de buurt zijn.

    Jamil zegt dat hij geen lesbische vrouwen kent; hij denkt ook dat het voor vrouwen in de Gazastrook nog lastiger is om iets met elkaar te beginnen. ‘Voor vrouwen gelden zoveel meer beperkingen, ze worden veel meer aan banden gelegd,’ zegt hij. ‘Vrouwen durven niet over dit soort dingen te praten, ook niet onderling.’

    De negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit is niet per se terug te 
voeren op de islam, maar eerder op de cultuur en het beeld van mannelijkheid

    Zoals in alle abrahamitische godsdiensten zijn homoseksuele relaties binnen de islam verboden. De sharia, de islamitische wet, die is gebaseerd op de Koran en de Hadith (de overlevering van uitspraken die worden toegeschreven aan de profeet Mohammed en enkele mensen uit zijn nabije omgeving) wantrouwt alle homoseksuele handelingen, aldus dr. Nesia Shemer, verbonden aan de faculteit voor de Geschiedenis van het Midden-Oosten van de Bar-Ilan Universiteit. ‘Al sinds jaar en dag,’ zo licht ze toe, ‘bestaat er onenigheid onder islamitische geleerden over de vraag welke straf een homoseksueel moet krijgen. Volgens sommigen dient hij zijn daden te bekopen met de doodstraf, volgens anderen is dat niet per se noodzakelijk en moeten ook de omstandigheden worden meegewogen.’

    Tegenwoordig staat er volgens de meest invloedrijke islamitische soennigeleerde, sjeik Yusuf al-Qaradawi 
uit Qatar, dezelfde straf op homoseksualiteit als op prostitutie, benadrukt Shemer: de doodstraf. In veel moslimlanden, waaronder Iran en Saoedi-Arabië, worden homoseksuelen vervolgd. Wie schuldig wordt bevonden, wordt ter dood gebracht.

    In de moderne Palestijnse samenleving wordt homoseksualiteit in sterke mate gestigmatiseerd en veroordeeld. M., een Palestijnse psycholoog die in Duitsland woont en werkt, is bereid om met Ha’aretz te praten op voorwaarde dat hij anoniem blijft. Hij zegt dat de negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit niet per se is terug te 
voeren op de islam, maar eerder op de cultuur en het beeld van mannelijkheid. ‘De islam speelt natuurlijk wel een rol,’ aldus M., ‘maar ook mensen die volstrekt seculier zijn, wijzen homoseksualiteit af.’

    In geen enkele Arabische samenleving in het Midden-Oosten kun je openlijk homo zijn, en datzelfde geldt voor Gaza, de Westelijke Jordaanoever en 
de Arabische dorpen en steden binnen Israël. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in die samenlevingen geen homoseksuele mannen en vrouwen wonen.

    Sterker nog, volgens M. zorgt het taboe op seksuele activiteit buiten het huwelijk ervoor dat veel jongens en mannen hun eerste seksuele ervaring opdoen met een leeftijdgenoot van hetzelfde geslacht. ‘Het wordt verdoezeld, en zodra het naar buiten dreigt 
te komen zet de familie vaart achter een gearrangeerd huwelijk,’ zegt hij. Hij haast zich eraan toe te voegen dat er ook gevallen zijn van polygame mannen die hun vrouwen ertoe aanzetten seks met elkaar te hebben, teneinde hun eigen seksuele fantasieën 
te bevredigen – iets wat natuurlijk ook wordt veroordeeld door het geloof.

    In tegenstelling tot de Westelijke Jordaanoever, waar homoseksualiteit niet officieel bij wet verboden is, geldt in Gaza nog een wet die resteert uit de tijd van het Brits mandaatgebied, waarin homoseksualiteit officieel wordt verboden. Maar het sociale taboe, waardoor seksueel actieve homo’s zowel door hun familie als door de autoriteiten worden vervolgd, is veel sterker dan het wettelijke verbod. Vorig jaar werd een 
vooraanstaande Hamas-commandant, Mahmoud Ishtiwi, gemarteld en doodschoten nadat hij er onder meer van was beschuldigd homo te zijn.


    Jamil vertelt over een vriend die drie jaar heeft vastgezeten omdat hij homo is, na valselijk te zijn beschuldigd van zowel samenzwering met de Palestijnse Autoriteit als spionage. Zelf heeft Jamil twee jaar geleden een maand in de gevangenis gezeten – nadat hij iets op Facebook had gezet om te pleiten voor homorechten in Gaza. Hij werd ervan beschuldigd antioverheidspropaganda te verspreiden, moest voor de rechter komen en werd uiteindelijk vrijgelaten nadat hij een boete had betaald van 500 sjekel [ca. 117 euro]. Tijdens zijn gevangenschap, zo vertelt Jamil, kreeg hij te maken met seksueel geweld. ‘Een bewaker schold me uit 
en probeerde me te misbruiken. Ik dreigde het aan de grote klok te hangen. Uiteindelijk liet hij me met rust.’

    Ondanks de gevaren en de schande is er volgens Jamil een ‘immense’ homogemeenschap in Gaza. Hij zeg dat het aantal mensen dat in het geheim een homoseksuele relatie heeft, toeneemt. ‘Ik ken zo’n honderdvijftig homo’s in de Gazastrook. Ik heb ze in de afgelopen vier jaar allemaal ontmoet’, schrijft hij in een sms. Aan de telefoon vertelt hij er nog bij dat het moeilijk is om in Gaza iets geheim te houden; geruchten doen er snel de ronde en iedereen weet alles van iedereen. ‘In Gaza doet men niets liever dan roddelen. Het is een gesloten gemeenschap, mensen hebben weinig omhanden, dus ze zitten het grootste deel van de tijd over 
elkaar te kletsen,’ zegt Jamil.

    Desondanks probeert hij zijn eigen voorkeur geheim te houden en is hij ervan overtuigd dat zijn familie van niets weet – behalve een van zijn broers, die een tijdje geleden argwaan begon te koesteren. ‘Je mag niet dat soort gedachten koesteren,’ citeert Jamil de waarschuwende woorden 
van zijn broer. ‘Die gedachten passen hier niet. Ik probeer je te beschermen. De situatie in Gaza is niet goed.’

    ‘Ik ben voor allebei even bang’

    Uiteindelijk, vertelt Jamil verder, ging zijn broer hem bedreigen en pikte zijn mobieltje. Hij gaf het pas acht maanden later weer terug, nadat Jamil had moeten beloven dat hij alles wat homogerelateerd was eraf zou halen. De broer heeft het momenteel druk met zijn eigen leven en Jamil heeft het gevoel dat hij, in ieder geval voor even, wat meer ruimte heeft. Maar de situatie kan elk moment weer veranderen. ‘Ik probeer uit alle macht weg te komen uit Gaza,’ zegt Jamil. Op de vraag voor wie hij banger is – zijn broer of Hamas – antwoordt hij: ‘Ik ben voor allebei even bang.’

    Jamil kent een stuk of acht mannen 
die de afgelopen jaren zijn gevlucht uit de Gazastrook. Voor zover Jamil weet 
is zeker de helft van hen in Rafah de grens met Egypte overgestoken, na duizenden dollars smeergeld te hebben betaald aan de grenswachten, waarna ze over zee naar Europa zijn gegaan, met behulp van mensensmokkelaars. ‘Daar heb ik de moed niet voor,’ bekent Jamil. Hij droomt ervan om te ontkomen via de Israëlische grens, en dan naar Jordanië te gaan, totdat hij klaar 
is voor de volgende stap.

    Op de vraag of hij zich niet eenzaam 
en verloren zou voelen, zo ver van 
zijn familie en van alles wat hem vertrouwd is, legt hij uit dat zijn persoonlijke veiligheid zwaarder weegt dan 
het gevaar van eenzaamheid. ‘Het is 
zo triest dat mensen me niet kunnen accepteren,’ zegt hij. ‘Je krijgt bepaalde waarden mee van je familie en de samenleving waarin je opgroeit. Maar ik kan niet leven met waarden waarin ik niet als mens wordt beschouwd.’

    Auteur: Liza Rozovsky

  • Terug naar Rotherham

    Terug naar Rotherham

    In het misbruikschandaal in Rotherham vier jaar geleden, heeft geen enkele verantwoordelijke rekenschap hoeven afleggen. Veertienhonderd minderjarigen waren mishandeld, ontvoerd en verkracht met medeweten van de plaatselijke autoriteiten. De politie deed niets uit angst voor rassenrellen. Door te zwijgen hoopten ze dat het probleem zou verdwijnen. De Süddeutsche Zeitung keerde terug naar de Noord-Engelse stad en sprak met betrokkenen.

    Ze is vanuit de stad naar een wijk met bakstenen rijtjeswoningen verhuisd, waarvan er tienduizenden zijn in Groot-Brittannië. Een aaneenschakeling van deuren, schroot in de voortuintjes, blinde vensters, in de verte akkers. De wijk is nieuw. De mensen kennen elkaar nog niet. Dat is goed.

    Omdat de nieuwsgierige taxibestuurder die de gast heeft gebracht geen aanstalten maakt om te vertrekken, doet ze minutenlang de deur niet open. Erachter vier kleine kamers, keurig opgeruimd. Alleen de sokken van haar zoons hangen te drogen op de verwarming in de badkamer. Ze zijn elf en zestien, die twee. De vader van de oudste zit in de gevangenis, net als enkele van zijn familieleden. Hij heet Arshid Hussain, bijgenaamd Mad Ash, en is een verkrachter. Net als twee van zijn broers en een oom.

    Ik was zijn favoriet

    Naast de deur hangt een kinderfoto van de zoon van Mad Ash, een knul met een donkere huid en zwart haar die lachend in de camera kijkt. Recentere foto’s van de tiener zijn er niet; ze wil niet dat hij wordt herkend. Toen ze zwanger werd, wilde ze de baby per se houden, omdat ze dacht dat Mad Ash echt van haar hield. Soms denkt ze dat nog steeds. ‘Ik was zijn favoriet,’ zegt ze nog altijd, ‘de andere meisjes gaf hij door aan andere mannen. Mij niet.’

    Van maatschappelijk werk moest het kind destijds uit de buurt van zijn vader blijven, die als gevaarlijk te boek stond. Maar dat de toen vierentwintigjarige Mad Ash haar, de tiener uit een volledig gezin, een goede leerlinge, had aangesproken, cadeautjes had gegeven, vervolgens dronken had gevoerd, gemanipuleerd, van haar gezinsleden had vervreemd en na een tijdje haar vertrouwen te hebben gekweekt had verkracht, ontvoerd, bedreigd, afgeperst, tot roofovervallen had aangezet, haar ouders had bedreigd, en dat het vijftienjarige meisje regelmatig werd opgepakt door de politie terwijl ze zich in zijn auto, in zijn bed of naakt in een of ander achterkamertje bevond, daaraan leek niemand zich te storen. Op een keer werd ze gearresteerd omdat er een knuppel bij haar werd gevonden die van hem was. Hij ging vrijuit.

    Grooming wordt dat genoemd: een volwassene knoopt ogenschijnlijk vriendschap aan met een kind om het seksueel uit te buiten.

    Nu is ze een tengere en toch pezige vrouw, het haar in een dikke vlecht gebonden, de wenkbrauwen bijgetekend tot een strenge boog. Ze noemt zichzelf ‘overlevende’. Het woord ‘slachtoffer’ klinkt haar te zwak in de oren. Een paar maanden geleden heeft ze afscheid genomen van haar pseudoniem ‘Jessica’, waaronder ze heeft getuigd tegen Arshid en zijn familie. Sammy Woodhouse heet ze, dat mag nu iedereen weten. Arshid, inmiddels 41, is een Brit van Pakistaanse komaf. Hij is tot 35 jaar cel veroordeeld.

    Het geval van Sammy is er maar een van de vele in de stad nabij Sheffield, in het noorden van Engeland. En van de duizenden vergelijkbare gevallen in de rest van het land. Ze vertoonden allemaal hetzelfde patroon. Jonge mannen, vaak taxichauffeurs en uitbaters van afhaalrestaurantjes in de Curry Mile van Rotherham probeerden de meisjes te versieren – en naar hun hand te zetten. ‘Mindbending’, beïnvloeding van iemands wil, zo noemt Sammy’s advocaat David Greenwood dat proces. Vervolgens kwamen er oudere mannen bij die de meisjes gebruikten, meestal met geweld. Sommige meisjes werden naar andere steden gebracht, waarna gedwongen prostitutie volgde. Decennialang. De krankzinnigheid ten top.


    Het ‘groomingschandaal van Rotherham’ was voorpaginanieuws, honderden artikelen werden erover geschreven, tientallen documentaires gemaakt. Alleen al in deze stad zouden er veertienhonderd kindslachtoffers zijn geweest. Iedereen had ervan geweten. Meer dan twintig jaar liepen ouders, maatschappelijk werkers en ook jonge slachtoffers zelf de deur plat bij politie en gemeentebestuur. Er waren bewijzen, maar die verdwenen. Er waren getuigenverklaringen, maar die werden niet serieus genomen. Er waren ordners met namen en feiten, met DNA-sporen en processen-verbaal. Ze werden genegeerd. Tegen de ouders werd gezegd dat ze zelf moesten omkijken naar hun vroegrijpe dochters die dronken in auto’s van onbekende mannen werden gearresteerd; dat was geen taak van de politie. Tegen de meisjes, onder wie ook veel kinderen uit tehuizen, werd gezegd dat het sletten waren. Eigen schuld, niets waard.

    In hun pogingen een halt toe te roepen aan wat politie en autoriteiten lieten gebeuren, gingen maatschappelijk werksters ook naar de moslimgemeenschap, naar de imams in de moskeeën om te zeggen: Kijk, we hebben namen, adressen. Praat met de families van deze mannen, zorg ervoor dat het ophoudt. Maar er gebeurde niets.

    In 2016 werd vonnis gewezen in de zaak-Arshid. Toen was Sammy dertig jaar oud, maar in de tijd dat het allemaal begon, was ze net veertien. ‘Destijds waren wij meisjes onzichtbaar,’ zegt ze, terwijl ze onzichtbare kruimels van haar nepmarmeren salontafel veegt. ‘Nu hebben we tenminste een stem.’

    Het wegkijken had vele oorzaken. Onwetendheid, incompetentie, laatdunkendheid. De angst om als racist te worden bestempeld. De vrees dat het fragiele evenwicht tussen de moslims en de rest van de bevolking zou worden verstoord. Het was iedereen duidelijk dat de kwestie een enorme politieke lading had. Wetenschapster Alexis Jay verwoordt het in haar rapport over ‘seksuele uitbuiting van de kinderen van Rotherham van 1997 tot 2013’, dat ze in opdracht van de overheid maakte, als volgt: de autoriteiten ‘wisten dat de meeste daders islamitische Aziaten waren en de meeste slachtoffers wit. Door te zwijgen hoopten ze dat het probleem zou verdwijnen. Ze waren bang om te zeggen wat er aan de hand was.’

    Maatschappelijk werkers en jeugdwerkers die erop wezen dat het om overwegend Aziatische daders ging, werden naar een cursus racial awareness gestuurd om te leren hun vooroordelen te bestrijden. Politie en gemeente durfden geen maatregelen te treffen omdat ze rassenrellen vreesden. Ze waren bang, zegt advocaat Greenwood, dat het ‘een voedingsbodem voor rechtsextremisme’ zou zijn.

    De neonazi’s maakten inderdaad een sterke opleving door in Noord-Engeland. Aanhangers van de National Defense League en de British National Party marcheerden schreeuwend door de steden: ‘Onze meisjes zijn niet vogelvrij.’ Dit moest er niet nog eens bijkomen.

    Het gaat allemaal gewoon door, de daders van vroeger hebben inmiddels zoons die de dochters van de overlevenden opwachten. “Het is al zo lang gaande dat de mensen er op een of andere manier aan gewend zijn geraakt”

    Het is spitsroeden lopen. In Duitsland zijn met de vluchtelingencrisis en de toestroom van honderdduizenden moslimmannen vergelijkbare zorgen gerezen, die in de verwerking van de gebeurtenissen in Keulen in de oudejaarsnacht van 2015 op 2016 tot uiting kwamen: is het ongeoorloofd om te constateren dat veel moslimmannen een problematisch vrouwbeeld hebben? En welke consequenties trekt een maatschappij als het antwoord ‘ja’ luidt?

    De lijst van plaatsen waar hetzelfde is gebeurd als in Rotherham is eindeloos: Newcastle, Rochdale, Huddersfield, Leeds, Manchester, Sheffield, Derby, Keighley, Skipton, Blackpool, High Wycombe, Leicester, Dewsbury, Middlesbrough, Peterborough, Bristol, Halifax, Oxford. De daders hadden vrijwel allemaal een migratieachtergrond: Pakistan, India, Bangladesh, Iran, Irak, Turkije.

    Het zou een nationaal schandaal moeten zijn, maar Groot-Brittannië heeft te veel misbruikschandalen gekend. De verontwaardiging en de ontzetting zijn verflauwd. Misbruik in de kerk, op sportverenigingen, internaten, bij de BBC, en bovendien het vrijwel dagelijks terugkerende, stuitende misbruik in gezinnen en het exploderende aantal gebruikers van onlineforums over seks met kinderen. Bovendien worden tienduizenden Aziatische en Afrikaanse slachtoffers van prostitutie als seksslaven uitgebuit in Groot-Brittannië. In een recentelijk verschenen rapport heeft de politie toegegeven volledig overbelast te zijn. En ‘onthutst’.

    Onderweg naar Rotherham, gewapend met de vragen of grooming inmiddels aan banden is gelegd, of politie en autoriteiten ervan hebben geleerd, krijgt de verslaggeefster een telefoontje van het persbureau van de gemeente. Sorry, er wordt geen interview gegeven omdat er niets meer te melden is. Grooming – dat is inmiddels geschiedenis. Overwonnen. Uitverteld. De gemeentepolitie stuurt een mail: ‘Wij staan niet ter beschikking voor een interview.’ Doorlopen, er valt hier niets te zien.

    Niets is meer bezijden de waarheid. Je hoeft alleen maar naar Sammy Woodhouse te luisteren. Of naar haar advocaat, die vijfenzeventig, soms heel jonge slachtoffers vertegenwoordigt. Of naar de lokale parlementariër, die vanwege het schandaal haar carrière op het spel zette. Of naar de journalist die de kwestie aan het rollen bracht. Zij zeggen allemaal wat niemand wil horen: grooming gaat verder. En het zwijgen over de oorzaken en de achtergronden ook.

    Times- verslaggever Andrew Norfolk, die tal van prijzen heeft gekregen voor zijn onderzoek, woont in Leeds. Londen, zegt hij, sluit zijn ogen voor de echte problemen in het land. In 2004 kreeg hij de eerste tips, maar hij deed er tien jaar later pas iets mee. Nu schaamt hij zich daarvoor.

    ‘Een etnische minderheid aan de ene kant, kwetsbare, naïeve slachtoffers, voor een deel uit gebroken gezinnen en kindertehuizen, aan de andere, daar waagde niemand zich aan. Te veel gevaar voor generalisering, demonisering. Te veel explosief materiaal.’ Toen Norfolk de beerput eenmaal had opengetrokken, schreef hij lange tijd over niets anders. Een jaar geleden heeft hij het opgegeven, hij kreeg de beelden niet meer uit zijn hoofd. De politie heeft er toch van geleerd, zegt hij tegen zichzelf, ze nemen de zaak serieus. Maar hij is nog altijd prikkelbaar en schreeuwt woedend over het lawaai in een arbeiderskroeg in Leeds heen: ‘Het bestraffen van individuele daders is niet genoeg. De politie behandelt het fenomeen nog altijd als een aaneenschakeling van afzonderlijke gevallen.’ Het ‘fenomeen’ – het is en blijft beladen in een multiculturele maatschappij die op een goede verstandhouding en tolerantie gebaseerd en aangewezen is.

    Een prijswinnend voorpagina-artikel van Andrew Norfolk. Inmiddels is hij gestopt over de zaak te schrijven. Hij krijgt de beelden niet meer uit zijn hoofd.
    Een prijswinnend voorpagina-artikel van Andrew Norfolk. Inmiddels is hij gestopt over de zaak te schrijven. Hij krijgt de beelden niet meer uit zijn hoofd.

    In de hal van het gemeentehuis hangt een poster met mooie woorden: ‘We zullen luisteren naar kinderen en jonge mensen. We zullen de juiste beslissingen nemen.’ Ernaast hangt er nog een: ‘Ik ben je maatschappelijk werker, ik beloof je te helpen zoeken naar een veilige plek om te wonen, waar je geen kwaad wordt gedaan.’ Er zijn in Rotherham geen kindertehuizen meer omdat grooming nu eenmaal vaak kinderen uit tehuizen trof. In plaats daarvan organiseert de stad een ‘week van de adoptie’.

    Omdat bewijs werd geleverd van ‘collectief falen’, overbelasting en doofpotpraktijken bij politie en gemeentebestuur werden de betrokken chefs ontslagen en vervangen door regeringsfunctionarissen. Kortgeleden kwam het bericht dat geen enkele verantwoordelijke van toen ook maar rekenschap heeft hoeven afleggen. Opnieuw staan de ‘overlevenden’ sprakeloos.

    In Rotherham onderzoekt het National Crime Agency (NCA) alle gevallen tot 2014, waar nooit iets mee is gedaan. De rechtbanken draaien op volle toeren. Drie Brits-Pakistaanse bendes zijn veroordeeld. Het volgende proces is aanstaande: nog eens twaalf mannen zijn aangeklaagd en staan vanaf januari voor de rechtbank. Het NCA wil ook niet praten, maar meldt zich schriftelijk bij de Süddeutsche Zeitung met een soort activiteitenoverzicht: 28 aanhoudingen, 88 verdachten, 36 vooronderzoeken. Vanwege het enorme aantal daders concentreert men zich op degenen die nog altijd in deze omgeving actief zijn en het grootste leed hebben aangericht.

    De lokale Labour-afgevaardigde Sarah Champion vindt dat onvoldoende. In het kantoor van haar kiesdistrict laat ze cijfers van de plaatselijke politie zien: 231 meisjes hebben aangifte gedaan wegens seksuele uitbuiting door groomingbendes. Alleen al in het afgelopen jaar. ‘Moeders, vroeger zelf slachtoffer, komen in paniek op mijn spreekuur. Ze vertellen dat mannen tegen hen hebben gezegd: Je dochter is al bijna zo ver, ze is rijp.’

    Het gaat allemaal gewoon door, zegt Sarah Champion, de daders van vroeger hebben inmiddels zoons die de dochters van de overlevenden opwachten. ‘Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Het is al zo lang gaande dat de mensen er op een of andere manier aan gewend zijn geraakt.’

    Ook de politieke druk blijft. Champion heeft dat onlangs ervaren. Ze is afgestudeerd psychologe, een intelligente, hartelijke vrouw met donkere krullen en een ontspannen zelfbewustzijn. Tot voor kort was ze een rijzende ster binnen de Labour Party. In het schaduwkabinet van Jeremy Corbyn was ze verantwoordelijk voor de gelijke rechten van vrouwen. In de zomer werd ze uit haar functie ontheven. Ze had een taboe doorbroken, dat geen taboe meer zou moeten zijn: ze had twee keer in het openbaar gezegd dat Groot-Brittannië een ‘probleem met Brits-Pakistaanse mannen’ had. Dat was racistisch, heette het, haar positie was onhoudbaar geworden. Sindsdien is ze persona non grata bij Labour.

    Maar Champion blijft erbij: ‘Als ik met mijn constatering ongewild veel moslims in het land heb beledigd, maar een bijdrage heb geleverd aan de bescherming van kinderen, dan zou ik het zo weer zeggen.’ Dat er bij de groomingbendes anders dan bij de meeste andere gevallen van misbruik een etnische component aanwezig is, vindt ze voor de hand liggend. ‘Heel langzamerhand komen de eerste onderzoeksprogramma’s bij de vraag aan of er religieuze en culturele bijzonderheden zijn die aan dit schandaal ten grondslag liggen.’ Evenals alle andere gesprekspartners benadrukt ze dat de meeste verkrachters van kinderen in het Verenigd Koninkrijk witte mannen zijn. En dat de meeste gevallen van misbruik zich binnen het gezin voordoen. ‘Maar dat mag toch niet betekenen dat dit heel speciale patroon niet wordt onderzocht.’

    ‘Jullie hebben je kinderen opgevoed om te drinken en seks te hebben, wij maken daar alleen maar gebruik van’

    Ook voor de rechtbank komen taboes en culturele conflicten aan het licht. Maar weinig verdachten hebben een bekentenis afgelegd. Ook Arshid Hussain niet, Sammy’s verkrachter. Pakistaanse immigranten bestempelen hun slachtoffers als ‘trash’, uitschot, in de ogen van de daders hebben de meisjes ‘geen eer’, citeert advocaat David Greenwood uit de dossiers. Hij is bij tal van rechtszaken aanwezig geweest. ‘Jullie hebben je kinderen opgevoed om te drinken en seks te hebben, wij maken daar alleen maar gebruik van,’ hoorde hij steeds weer.

    Veel moslimdaders, zegt misbruikspecialist Greenwood, zien deze kinderen niet als kinderen omdat tieners in hun wereld voor huwbaar doorgaan. Het gaat ‘niet om pedofiele freaks, maar om mensenhandelaren’. Solidariteitsbetuigingen uit de Pakistaanse gemeenschap zijn er beslist ook. Zlakha Ahmed van de vrouwengroep Apna Haq, die huiselijk geweld bestrijdt, zegt: ‘Misbruik is misbruik. Het wordt tijd dat we dat erkennen en de daders ter verantwoording roepen, ook als ze uit ons midden komen.’ Een woordvoerder van de jonge generatie, Mobeen Hussein, heeft naam gemaakt als mediator en benadrukt dat zijn mensen de eersten waren die hebben gezegd: dit moet stoppen.

    ‘De Brits-Pakistaanse gemeenschap praat met ons, absoluut,’ bevestigt Alan Billings, de door de overheid aangestelde toezichthouder bij de politie van South Yorkshire. ‘We mogen niet toestaan dat onze maatschappij verdeeld raakt. Verbondenheid is belangrijk. En we mogen niet vergeten dat de daders brute criminelen zijn, die ook angst inboezemen bij hun eigen gemeenschap.’

    Sammy Woodhouse heeft andere zorgen. Ze is niet geïnteresseerd in de motieven van de daders, maar wel in de overlevenden.

    ‘Seks met wederzijdse instemming’

    Meer dan zevenhonderd meisjes uit Rotherham die een aanvraag tot schadeloosstelling voor het doorstane leed hadden ingediend bij de bevoegde overheidscommissie kregen een afwijzing. Ook Sammy moest haar schadeloosstelling bevechten. De motivatie van de autoriteiten: zelfs als hun verkrachters achter de tralies zitten, dan is nog niet uit te sluiten dat de meisjes de facto toch hebben ingestemd met de gemeenschap. ‘Seks met wederzijdse instemming’ heet dat. Zelfs de kinderen die op het moment van het vergrijp elf jaar oud waren, kan volgens de geldende wetgeving een schadeloosstelling worden geweigerd.

    De verontwaardiging was groot toen dit bekend werd; de slachtoffers worden tot daders gemaakt, zo werd gezegd. De ministerie van Justitie beloofde hervormingen, maar tot nog toe is er niets gebeurd.

    In Sammy’s nieuwe leven is er geen man en zijn er maar nauwelijks privécontacten. Ze heeft daar de kracht niet voor en torst te veel bagage met zich mee waarvan ze zich nog moet zien te verlossen: sinds haar tijd met Ashid Hussain heeft ze een lang strafblad. Veel meisjes hebben strafbare feiten gepleegd omdat ze daartoe werden gedwongen, omdat ze afhankelijk waren. Sammy strijdt nu voor een nieuwe wet, die ze ‘Sammy’s law’ noemt. Slachtoffers van groomingbendes, zegt ze, moeten erop kunnen vertrouwen dat hun strafblad wordt geschoond, want anders zijn ze bang om naar de politie te gaan. Tot op heden vindt ze geen gehoor.

    Ze is nog altijd bezig om de brokstukken van haar leven op te vegen. Een paar jaar geleden, ze was toen vijfentwintig, geloofde ze er heilig in dat ze zich eindelijk geestelijk had losgemaakt van Mad Ash. Hij was nog op vrije voeten en zij had nog geen verklaring tegen hem afgelegd. Uit een affaire met een alcoholist kreeg ze een tweede kind. Toch ging ze terug naar Arshid Hussain. ‘Ik was alleen. En hij was de vader van mijn zoon.’ Mad Ash zat inmiddels in een rolstoel, hij was beschoten. Ze was er zeker van dat hij haar niets kon doen – maar misschien wel iets voor haar zoon.

    ‘Ik heb me ontzettend vergist. Wat hij mijn zoon heeft aangedaan, was onverdraaglijk, onbeschrijflijk.’ De tiener heeft nu ernstige psychische problemen. Zijzelf is nu meestal sterk, zegt ze. Alleen af en toe moedeloos. Omdat de angst blijft. ‘Ik krijg steeds weer mails van meisjes die nu het doelwit van die kerels zijn. Het houdt nooit op.’ Ze wijst naar de voordeur, die stevig gebarricadeerd is. ‘Die kerels zijn daar buiten.’

    Auteur: Cathrin Kahlweit
    Vertaler: Pieter Streutker

    Cathrin Kahlweit is correspondent in Londen voor de Süddeutsche Zeitung. Ze werkt al ruim twintig jaar voor deze krant op verschillende redacties, zoals binnenland en Centraal- en Oost-Europa.

    Openingsbeeld: Rotherham, een van de meisjes die aangifte heeft gedaan. – © Christopher Furlong / Getty Images

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 445.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • Hoe het is om dik te zijn in Frankrijk

    Hoe het is om dik te zijn in Frankrijk

    Gabrielle Deydier (1.53 m, 150 kilo) schreef een bestseller over haar leven als dikke vrouw in Frankrijk. In gesprek met The Observer vertelt ze over haar gevecht tegen ‘grossofobie’.

    In augustus 2015 had de zevenendertigjarige Gabrielle Deydier een sollicitatiegesprek, waar ze met vlag en wimpel doorheen kwam. Het ging om een baan als onderwijsassistent in een school voor moeilijk lerende kinderen en de mensen van de sollicitatiecommissie, onder wie het hoofd van de school, waren zo onder de indruk van Gabrielle dat ze zelfs bang waren dat ze bij hen weg zou gaan voor een beter betaalde baan. Er was maar één ongemakkelijk moment geweest: dat was aan het eind van het gesprek, toen Gabrielle al naar de deur liep. Het hoofd van de school zei: ‘De leerkracht onder wie je komt te werken, kan nogal moeilijk zijn.’ Gabrielle hoorde het nauwelijks, zo blij was ze met haar nieuwe baan.

    Al snel kwam ze erachter dat ‘moeilijk’ een enorm understatement was. ‘Dus jij bent Gabrielle Deydier,’ was het eerste dat de leerkracht in kwestie zei bij hun kennismaking. ‘Ik werk niet met dikke mensen.’ Gabrielle probeerde het weg te lachen, maar de moeilijke leerkracht lachte niet. ‘Dat was geen grapje,’ zei ze.

    ‘Groteske handicap’

    Gabrielle heeft twee universitaire diploma’s, een prettige, open manier van doen en weegt 150 kilo. Ze heeft ook de dubbele pech dat ze Française is én in Frankrijk woont, wat betekent dat haar fysieke verschijning allesbepalend is, ook voor de vraag of ze werk krijgt of niet. In Frankrijk, zegt ze (en alles wat ze heeft meegemaakt ondersteunt dat), wordt overgewicht beschouwd als een groteske handicap die je eigen schuld is. Het schijnt dat tachtig procent van de Franse vrouwen continu op dieet is. In het zuiden van het land bestaat een levendige maagbandindustrie (50.000 operaties per jaar).

    Op dit moment raast er een veganistische hype door het land – voor sommige mensen een manier om een eetstoornis te verdoezelen. ‘Franse vrouwen,’ zegt Gabrielle, ‘beroemen zich erop dat ze de vrouwelijkste vrouwen van Europa zijn. Er heerst een gevoel dat vrouwen in alle opzichten perfect moeten zijn.’ Daarom is het verrassend dat de publicatie van Gabrielles boek On ne naît pas grosse (Je wordt niet dik geboren) zo veel aandacht heeft getrokken – is dat een combinatie van bewondering en morele paniek?

    Gabrielle Deydier.
    Gabrielle Deydier.

    Voor Gabrielle is het de afgelopen twaalf maanden geweest alsof ze wakker werd uit een nachtmerrie, maar dan een nachtmerrie die werkelijkheid was en twintig jaar had geduurd. Tijdens ons gesprek krijgt ze één keer tranen in haar ogen, maar het zijn tranen van blij ongeloof. Plotseling, op haar achtendertigste, wordt Gabrielle, die haar hele volwassen leven te horen heeft gekregen dat zij niet geschikt was om te werken, geroemd om haar intellectuele moed. Ze werd geïnterviewd door kranten als Le Monde en Le Figaro en verscheen in serieuze tv-programma’s.

    De dag voor onze afspraak was Gabrielle gebeld door een vertegenwoordiger van de Parijse burgemeester Anne Hidalgo: of ze de eerste antigrossofobiedag van de hoofdstad wilde organiseren. Ze heeft een contract op zak voor een filmscript en voor een roman. In de Italiaanse Vanity Fair heeft een artikel over haar gestaan en een Italiaanse uitgever heeft de vertaalrechten voor het boek gekocht.

    Wat het betekent om dik te zijn in Frankrijk is voor het eerst onderwerp van discussie in Frankrijk. ‘Ik besloot om het boek te schrijven,’ zegt ze, ‘omdat ik me niet langer wil verontschuldigen voor mijn bestaan. Ja, obesitas is in de afgelopen tien jaar verdubbeld, dat is veel te veel. Maar het betekent niet dat we obese mensen mogen discrimineren door te zeggen dat ze niet kunnen werken en door ze te beledigen.’

    Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als “de zevende gehandicapte persoon in de klas”

    Gabrielle, die tot zes maanden geleden niet eens naar een foto van zichzelf kon kijken, heeft zich voorbereid op publiciteit. ‘Mijn uitgever zei: “Je komt op televisie, en dat zal moeilijk zijn.” Dus gingen een vriendin en ik foto’s van mij maken in een zwembad, zodat ik kon leren accepteren hoe ik eruitzag in badkleding.’

    We hebben afgesproken in een restaurant op de benedenverdieping van de jeugdherberg in Parijs waar ze woont sinds ze de onderwijsbaan (en haar inkomen) verloor, ontslagen wegens gebrek aan betrokkenheid omdat ze geen gewicht verloor. Het is schokkend om te beseffen dat een vrouw van haar leeftijd, met haar vriendelijke karakter, haar intelligentie – en nu haar bescheiden roem – in een tijdelijk onderkomen verblijft omdat ze geen geld heeft om woonruimte te huren in een Parijse flat. Het klinkt tegenstrijdig, maar ze is een kleine gestalte, ondanks haar omvang, zoals ze daar weggekropen zit in een bankje tegen de muur.

    Om terug te komen op de onderwijsbaan, die eindigde zo: het is in Frankrijk verboden om onderscheid te maken op grond van lichamelijke verschijning, maar die wet is kennelijk niet doorgedrongen tot werkgevers. Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als ‘de zevende gehandicapte persoon in de klas’. Ze verweet Gabrielle dat ze te veel zweette. Het hoofd van de school zei tegen Gabrielle: ‘Als zij een probleem met jou heeft, heb ik dat ook.’

    ‘Hij zei dat het niet eerlijk tegenover de kinderen was, omdat die nu dubbel werden gestigmatiseerd – vanwege hun handicap en omdat ze geplaagd werden met hun dikke leerkracht.’ Gabrielle werd gevraagd om zich ‘te beraden’ over haar toekomst. ‘We geven je dertig dagen om te bewijzen dat je gemotiveerd bent.’

    Gemotiveerd? ‘Gemotiveerd om af te vallen. Om te laten zien dat je deze baan belangrijk vindt.’ ‘Het ging nooit om de kinderen,’ zegt Gabrielle. ‘Die waren geweldig. Maar dit vond ik moeilijk en ingewikkeld om mee om te gaan.’ Ze kreeg de opmerking: ‘Het was te merken dat je buiten adem was nadat je de trap naar de derde verdieping op was gelopen.’

    Niet echt discriminatie

    Waarom heeft ze de school niet voor de rechter gesleept? ‘Ik was bang dat ik niet geloofd zou worden,’ zegt ze. Dat is geen onwaarschijnlijk scenario. Ze had al heel veel van dit soort dingen meegemaakt. De gynaecoloog die mopperde: ‘Er blubbert hier zo veel vet dat ik niks kan zien’, de mannelijke collega die ontkende dat hij haar seksueel had geïntimideerd, omdat zijn vrouw veel knapper was dan zij: ‘Waarom zou ik proberen een dikke vrouw te verkrachten?’

    ‘De politie was heel aardig, maar daar zeiden ze: ‘Je hebt het recht om een aanklacht in te dienen, maar we raden je aan het niet te doen want geen rechtbank zal aan jouw kant staan.’

    Vreemd genoeg was haar op de universiteit van Montpellier, waar ze zich als een vis in het water voelde, nooit iets dergelijks overkomen. ‘Ik was daar heel gelukkig,’ vertelt ze. ‘Ik had veel vrienden en ging vaak uit. Er waren wel mensen die me belachelijk maakten, maar het was niet zo erg, het was niet echt discriminatie. Dat waren idioten, maar het zat niet in het systeem. Dat was wel zo toen ik op zoek ging naar een baan.’

    Deydiers boek, waarvoor het idee ontstond toen ze het op een boekpresentatie uit ellende op een zuipen had gezet, werd een enorm succes. Een combinatie van bewondering en morele paniek?
    Deydiers boek, waarvoor het idee ontstond toen ze het op een boekpresentatie uit ellende op een zuipen had gezet, werd een enorm succes. Een combinatie van bewondering en morele paniek?

    Obees worden kan iedereen overkomen en bij Gabrielle begon het op haar zeventiende. Als tiener was ze sportief en gespierd, iets aan de zware kant (ze woog 65 kilo) – ‘stevig’. Haar moeder besloot dat haar dochter meteen in het geweer moest komen, toen Gabrielle na een middagje winkelen thuiskwam met een broek in maat 42 in plaats van 40 zoals anders. ‘Zij zat er erg over in: “Je kunt gewoon niet aangekomen zijn, je hebt voor niets geld uitgegeven.” Maar zelfs toen was mijn gewicht niet zo’n punt.’ Dat veranderde toen ze naar een dokter ging. Die vond het wél een punt dat Gabrielle was aangekomen en schreef haar hormonen voor. ‘Daarvan kreeg ik allerlei klachten, zoals een erg slechte huid over mijn hele lichaam en haar dat overal groeide. En ik kwam heel veel aan: dertig kilo in drie maanden.’ Ze kreeg nog meer hormonen voorgeschreven, in combinatie met een strikt dieet van gekookte groenten en vlees. De kilo’s stapelden zich op. ‘Ik ging heel anders over eten denken. En ik ging dingen eten die ik daarvoor nooit at, ging zelfs voedsel verstoppen, geld stelen van mijn ouders om eten te kopen. Allerlei idiote dingen.’

    Ze woog nu 120 kilo. ‘Ik wilde dood. Elke dag. Ik vond mezelf mismaakt.’ Haar ouders waren er ook niet blij mee. ‘Het was een heel, heel moeilijke tijd.’ Ze zakte twee keer voor haar eindexamen, slaagde de derde keer. De universiteit betekende vrijheid.

    Wat gebeurde er na haar afstuderen? Gabrielle wordt nog kleiner in haar bankje. ‘Ik zag dat al mijn vrienden werkervaring opdeden en ik niet, en ik begreep het niet. Er was geen logische reden voor. Mensen gaven mij administratief werk of slecht betaalde baantjes. Ik deed fabriekswerk.’ Halverwege een sollicitatiegesprek zei een personeelsmedewerker het hardop: ‘Je past niet in het beeld dat wij naar buiten toe willen uitstralen.’ ‘Ik zei: “Nou, ik ben heus geen idioot.” En hij zei: “Het is bekend dat IQ omgekeerd evenredig is aan lichaamsgewicht.”’

    Het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf

    Gabrielle wist dat er iets typisch Frans was aan wat haar overkwam. Ze had een jaar in Spanje gezeten voor haar studie. ‘In Spanje speelde het gewoon geen rol. Als iemand iets over mijn uiterlijk zei, dan was dat alleen maar om me een compliment te geven. In Frankrijk hoorde ik in elk gesprek al na een paar minuten: “Maar waarom ben je dik? Heb je daar zelf voor gekozen? Is het een ziekte?”’

    Was het op haar zeventiende het bezoek aan de dokter dat haar leven op zijn kop zette, twintig jaar later gebeurde dat opnieuw, maar nu andersom: van een nachtmerrie naar een droomleven. Het was vorig jaar juni, vertelt ze: ‘Ik was zwaar depressief, had al een jaar mijn familieleden niet meer gesproken. Ik was zelfs bang dat ik dakloos zou raken. Ik kwam dertig kilo aan. Het ging steeds slechter met me en ik was bang. Ik dacht erover om mezelf dood te schieten of te vertrekken naar een ver oord, maar ik had geen idee waarheen. En op een van die afschuwelijke dagen dwongen vrienden me om naar een boekpresentatie te komen. Ik wilde eigenlijk niet gaan, werd er stomdronken en uiteindelijk zat ik te praten met een stel schrijvers over een journalistiek project waarvoor iemand undercover bij een slachthuis werkte.

    ‘Ik zei: “Weten jullie wat grossofobie is?” en niemand wist waar ik het over had. Dus beschreef ik al die dingen die ik had meegemaakt. Zij zeiden dat ik alles zo snel mogelijk op papier moest zetten en het dan aan hen moest mailen.’ Zelf denkt Gabrielle dat ze, als ze de volgende ochtend niet nog steeds alcohol in haar lijf had gehad, nooit de moed had gehad om haar verhaal onder woorden te brengen, zes pagina’s lang. Huiverend drukte ze op ‘versturen’. Diezelfde dag nog hing er een uitgever aan de telefoon. Twee weken later was er een contract voor een boek. Ze begint te stralen: ‘Het heeft mijn leven gered.’

    Eigenlijk onthult het boek nog het meest over Frankrijk zelf, door de reacties die het heeft opgeroepen – vooral in de lezersbrieven die Gabrielle nu elke dag krijgt (vrijwel nooit van mensen met overgewicht). ‘Een vrouw vertelde me dat ze al twintig jaar lang boulimie had omdat ze bang was dat ze haar man en haar baan kwijt zou raken als ze aankwam.’ Een gecompliceerdere reactie kwam van een man: ‘Hij zei: “Door jouw boek heb ik me gerealiseerd wat een klootzak ik ben. Vijf jaar lang heb ik met jonge mensen gewerkt. Als ze te dik waren, vernederde ik hen.” Hij vroeg me hem te vergeven, alsof ik een priester in een biechtstoel was.’ Dat is haar taak niet, zegt ze.

    Maar de brieven bevestigen één ding: het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf. En dat alles dankzij één boek. Haar verhaal is fascinerend, heroïsch en nog niet afgelopen. Gabrielle Deydier: dit is jouw jaar.

    Auteur: Stefanie Marsh
    Vertaler: Annemie de Vries

    The Observer
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000

    Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.

  • ‘Mondiale’ islam verdringt Amerikaanse versie

    ‘Mondiale’ islam verdringt Amerikaanse versie

    Vroeger bestond de moslimpopulatie in de VS vooral uit zwarte aanhangers van de Nation of Islam. Maar intussen vormen autochtone zwarte moslims nog maar 9 procent van de Amerikaanse moslimbevolking. In Mississippi maakt een oudere gemeenschap zich zorgen over de toekomst.

    Wanneer Abdul Hakim Shareef uitkijkt over deze heuvels, over deze moskee – een werkelijk geworden islamitisch ideaal – hoopt hij dat dit alles niet met hem zal eindigen.
    Shareef is nu 86, maar was drie decennia jonger toen hij en een kleine groep medemoslims hier in Mississippi het geld bij elkaar legden voor de oprichting van deze gemeenschap, zo’n veertig kilometer ten westen van Hattiesburg. Hun droom: een eigen gemeenschap waarin ze hun brood konden verdienen, zich konden scholen en een islamitisch leven konden leiden.

    Maar Shareefs kleinkinderen zijn bijna allemaal weggetrokken en hij weet dat New Medinah mensen nodig heeft – jonge mensen – wil de gemeenschap kunnen voortbestaan als hij er niet meer is.

    ‘Konden we hun maar duidelijk maken wat dit betekent, zodat ze hier ook voor kiezen,’ zegt Shareef. ‘Daar hoop ik nu op. Dat zij het stokje overnemen.’

    Er is een tijd geweest, zo’n vijf decennia geleden, dat ‘Amerikaanse moslims’ meestal betekende ‘zwarte moslims’ – in de VS geboren zwarte Amerikanen zoals Shareef, die als jonge man lid werd van de Nation of Islam, een zwarte nationalistische groepering uit de tumultueuze dagen van de burgerrechtenbeweging.

    Maar het huidige beeld van de Amerikaanse moslim heeft die geschiedenis grotendeels verdrongen. De verhalen van Malcolm X en Muhammad Ali zijn in de Amerikaanse herinnering verdrongen door beelden van moslims als immigranten, mensen met een buitenlands accent en een andere ideologie. En dat betekent, zo heeft Shareefs gemeenschap zich gerealiseerd, dat de relevantie van de Amerikaanse stroming naar de achtergrond verdwijnt en New Medinah wel eens mét zijn oprichters zou kunnen sterven.

    De poort van New Medinah, een unieke moslimgemeenschap in het zuidoosten van Mississippi. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    De poort van New Medinah, een unieke moslimgemeenschap in het zuidoosten van Mississippi. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images

    Het algemene beeld van de Amerikaanse moslim is veranderd met de aantallen: door een toestroom van islamitische immigranten na 1965 zijn de in het land geboren zwarte moslims snel in de minderheid geraakt. Volgens schattingen van het Pew Research Center hebben in de twee decennia voor 2012 zo’n 1,7 miljoen moslims een wettige verblijfsstatus gekregen in de Verenigde Staten. In 2014 vormden autochtone zwarte Amerikaanse moslims maar 9 procent van de totale moslimpopulatie in het land.

    Leden van Shareefs gemeenschap zijn volgelingen van Warith Deen (W.D.) Mohammed, een zoon van voormalig Nation of Islam-leider Elijah Muhammad. W.D., die in 2008 is overleden, had weliswaar gebroken met de Nation, maar wel vastgehouden aan enkele culturele praktijken daarvan; in zijn ogen was de Amerikaanse islam onlosmakelijk verbonden met de ervaringen en lessen van de slavernij en de onderdrukking van de zwarten. Zo’n honderdtachtig moskeeën in het hele land volgen zijn leer.

    Maar als gevolg van de veranderende demografie van het land zijn er nu minder Amerikaanse moslims die hun religieuze identiteit in verband brengen met hun raciale geschiedenis in de Verenigde Staten. De kennis van de islam onder moslims uit het Midden-Oosten wordt gezien als superieur, en daardoor is de Amerikaanse interpretatie van de religie de afgelopen decennia steeds verder overschaduwd.

    ‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen. Voor ons is dat niets nieuws’

    Vandaag de dag is het erfgoed van de Nation of Islam en van W.D. Mohammed voor veel zwarte Amerikaanse moslims ‘niet meer relevant’, volgens Nicqan Church (40) uit Philadelphia, die zelf naar een salafistische moskee gaat, een strikt orthodoxe sekte van de soennitische islam.

    Amerikaanse zwarten die moslim zijn, vormen nu een diverse groep van verschillende sektes, ideologieën, culturen en nationaal erfgoed. Zo staat het soort islam dat in de moskee van Church wordt gepraktiseerd dichter bij dat van sommige Saoedische of Egyptische moskeeën dan bij de traditie van W.D. Mohammed – ook al zijn de meeste moskeegangers er, net als Church, zwarten van Amerikaanse afkomst. Niemand daar beschouwt de islam als een religie die speciaal verbonden is met de zwarte Amerikaanse ervaring, volgens Church.

    Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben Shareef, zijn vrouw Ruth en hun leeftijdgenoten deze gemeenschap – 26 hectare grond met huizen, boerderijen en een moskee – opgezet, op aanmoediging van W.D. Mohammed, vertelt Shareef. De bedoeling was om een plek te creëren waar moslims konden wonen, bedrijfjes opzetten, groenten verbouwen en vee, kippen en honingbijen houden. Met hun islamitische gemeenschap wilden ze een tegenwicht bieden aan de problemen waarmee zwarte Amerikanen te maken hadden, vooral hier in het Zuiden.

    Ze noemden hun gemeenschap New Medinah, naar een van de twee heiligste steden van de islam en de plek in Saoedi-Arabië waar de profeet Mohammed zijn eerste volgelingen aantrok. Ze richtten een school op waar hun kinderen konden leren, ondergedompeld in de islam en de rust van het plattelandsleven.

    Moslimverbod

    Maar in 2009 werd de school gesloten. En uiteindelijk was het stroompje nieuwkomers dat binnendruppelde veel kleiner dan de uitstroom van kinderen die naar de universiteit gingen of een baan in de stad kregen en oudgedienden die stierven.

    Afgelopen zomer nog kwamen tientallen volgelingen van W.D. Mohammed uit het hele Zuiden in auto’s en minibusjes naar New Medinah om samen de eenendertigste verjaardag van de kleine islamitische gemeenschap te vieren. Het waren voornamelijk mensen in de pensioenleeftijd, die tai chi deden bij zonsopkomst, nostalgische herinneringen ophaalden aan de goede oude tijd en verder zorgelijk zaten te praten over de problemen waar de volgende generatie mee te kampen had.

    Elders in het land had president Trump het over het instellen van reisbeperkingen, het ‘moslimverbod’ zoals critici het noemden, en de moord op twee mensen in Portland, Oregon door een notoire moslimhater, was nationaal nieuws. Maar de onderstroom aan antimoslimgevoelens in het land was nooit doorgedrongen tot de veilige haven van New Medinah.

    Voor zwarte Amerikaanse moslims is het niet nieuw om onderwerp zijn van argwaan vanuit de overheid en angst van burgers. In de jaren zestig gebruikte de FBI informanten die nauwe banden met de Nation of Islam hadden om de groepering en haar meest vooraanstaande leden te controleren.

    ‘Wij hebben altijd onder vuur gelegen, als Afro-Amerikanen en als moslims,’ zegt Youssef Kromah (27) uit Philadelphia. Die stad was ooit een bolwerk van de Nation of Islam en herbergt nu een grote islamitische gemeenschap, waarvan de meerderheid zwart is.

    ‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen,’ zegt Kromah, ‘want voor ons is dat niets nieuws. Wij hebben altijd geleden.’

    Yahyaa Abdullah, een imam uit Masjid Muhammed in Jacksonville, Florida, verkoopt zijn waar tijdens de jaarlijkse viering van New Medinah. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    Yahyaa Abdullah, een imam uit Masjid Muhammed in Jacksonville, Florida, verkoopt zijn waar tijdens de jaarlijkse viering van New Medinah. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    Maar het publieke wantrouwen richt zich nu op andere dingen. Het huidige debat over immigratie, terrorisme en nationale veiligheid heeft voor het Amerikaanse publiek een nieuwe vorm gegeven aan het gevoel van dreiging – en daarmee ook aan het gevoel wat het betekent om een Amerikaanse moslim te zijn, betoogt Edward E. Curtis IV, hoogleraar religie aan de Indiana/Purdue-universiteit in Indianapolis.

    De regering, de media, de denktanks en andere opinievormende centra zetten nu de bruine moslims neer als mogelijke vijand van de Verenigde Staten,’ zegt hij. ‘Institutionele islamofobie maakt de bruine moslim zichtbaar en brengt de stem van zwarte moslims tot zwijgen.’

    Blanke duivels

    Volgens Samory Rashid, hoogleraar politieke wetenschappen aan Indiana State University, werd de term ‘zwarte moslim’ voor het eerst gebruikt door een journalist die zwart noch moslim was: CBS-verslaggever Mike Wallace. Hij gebruikte de term in de tv-documentaire The Hate That Hate Produced (De haat die haat voortbracht) die hij in 1959 maakte over de Nation of Islam, en tegenwoordig wijzen veel moslims het idee van een duidelijke ‘black muslim’-identiteit van de hand.

    Elijah Muhammad, de leider van de Nation, hield zijn volgelingen een ideologie voor waarin blanken duivels waren en die integratie, het bredere doel van de burgerrechtenbeweging, afwees. Die ideologie sprak indertijd veel jonge zwarte mensen uit de arbeidersklasse aan.

    ‘Ik zat vol vuur, omdat Elijah Muhammad ons tot goden had gemaakt,’ zegt Shareef, die is opgegroeid in het gesegregeerde Mississippi, waar hij ‘getraind was om opzij te gaan’ als hij een blanke op het trottoir zag.

    Maar het idee van de zwarte superioriteit strookte niet met de bredere islam, en na de dood van Muhammad in 1975 brak zijn zoon W.D. Mohammed met de Nation en haar nieuwe fakkeldrager Louis Farrakhan. Hij leerde zijn volgelingen de algemene islam kennen, die volgens hem mensen sterker maakte: een geloofssysteem dat berustte op het idee van ‘één natie onder één god’. De gemeenschap leerde bidden en de islamitische geboden naleven zoals miljoenen andere moslims over de hele wereld dat deden. Ze gingen op les om Arabisch te leren en de Koran en de Hadiths. Ze omarmden het idee van rassengelijkheid.

    Mohammed hield wel vast aan de zwarte Amerikaanse wortels van zijn gemeenschap. De culturele praktijken van de Nation, zoals het commercieel kweken van wijting en het eten van bonentaart, bleven bestaan, net als Elijah Muhammads nadruk op ondernemerschap en economisch succes als een manier om zwarte Amerikanen onafhankelijk te maken.


    ‘Met Imam [W.D.] Mohammed hadden we een leider uit ons eigen land,’ zegt Abd’Allah Adesanya uit Columbia, South Carolina, die de traditie van W.D. Mohammed volgt. ‘Wij zijn niet ondergeschikt aan een of andere sjeik in het Midden-Oosten.’

    Zelf vinden ze dat zij bij uitstek geschikt zijn om de kloof tussen nieuwere moslimgemeenschappen en de rest van Amerika te overbruggen, maar de leiders van de W.D. Mohammed-stroming zeggen dat hun raad zelden wordt gevraagd. Hun vroegere band met de Nation of Islam wordt hen nog steeds nagedragen, en van andere moslims krijgen ze soms het verwijt dat ze op religieus gebied minder authentiek of minder gezaghebbend zouden zijn. Daar komt volgens hen bij dat geïmmigreerde moslims vanuit racistische motieven niet naar moskeeën gaan die van oorsprong zwart zijn.

    ‘Ze komen alleen naar ons toe als de blanken het hun moeilijk maken,’ zegt Sameeh Ali uit Newark, die eigenaar van een bakkerij is en tot de W.D. Mohammed-stroming behoort. De zwarte moslims weten wat het is om gediscrimineerd en slecht behandeld te worden, benadrukt hij. ‘Wij hebben het antwoord! Ik ga al driehonderd jaar met blanken om. Ik begrijp blanken al sinds mijn geboorte.’

    Anderen zeggen dat de leer van W.D. Mohammed simpelweg minder relevant wordt in een land dat de tijd van de gesegregeerde lunch counters voorbij is en de opkomst van een grotere, meer diverse moslimgemeenschap heeft meegemaakt. In Philadelphia, waar volgens plaatselijke leiders de moslimgemeenschap nog steeds in meerderheid zwart is, volgen maar drie van de zevenendertig moskeeën de W.D. Mohammed-traditie.

    De moslimbegraafplaats in New Medinah telt meer graven dan het aantal vaste bewoners

    In New Medinah, dat ooit het ideaal van de W.D. Mohammedgemeenschap belichaamde, is het probleem nu de ouderdom.

    De school heeft in 2009 haar deuren gesloten na het vertrek van de laatste leerlingen, en andere W.D Mohammedscholen in grotere steden hebben hetzelfde lot ondergaan. De moslimbegraafplaats in New Medinah telt nu enkele tientallen graven – meer dan het aantal vaste bewoners.

    Shareef vertelt vol verlangen over de kostschool die de gemeenschap zou willen openen en die ooit misschien de sleutel voor de toekomst van New Medinah kan zijn. Op een met gras begroeide heuvel staat een groot bord: ‘Hier komt de W. Deen Mohammed Boarding School’.

    Op het jaarfeest benadrukte een bezoekende imam uit Houston in zijn lezing dat de volgende generatie ontwikkeld moet worden wil de gemeenschap blijven voortbestaan. Zelf kwam Tyerre El Amin Boyd (41) uit een moskee die geregeld nieuwe, jonge leden aantrok. Tegen de oudere mannen en vrouwen die ingespannen zaten te luisteren op het tapijt van de gebedsruimte, zei Boyd dat ook zij een manier moesten bedenken om jongeren te trekken.

    ‘We bidden dat Allah onze kinderen opvoedt,’ zei hij, ‘zodat we het erfgoed van imam W.D. Mohammed niet verloren laten gaan.’

    Auteur: Abigail Hauslohner
    Vertaler: Annemie de Vries

    De auteur is journalist voor landelijke media en gespecialiseerd in de islam en Arabische aangelegenheden in Amerika. Voor ze in 2015 naar Washington kwam, schreef ze zeven jaar over oorlog, politiek en religie in het Midden-Oosten en was ze correspondent van de Post in Caïro. Ze heeft ook geschreven over regionale politiek en de overheid.

    Bekijk hier het Facebook-propagandafilmpje voor de commune.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • De Arabische man verkeert in crisis

    De Arabische man verkeert in crisis

    Uit nieuw onderzoek blijkt 
dat veel Arabische mannen lijden aan stress en depressie. Hun chauvinisme zou wel eens aangedreven kunnen worden door een gevoel van zwakte, niet van kracht.

    Ahmed woont in Caïro en heeft zijn vrouw toestemming gegeven om buitenshuis te werken. ‘Eerst wilde ik dat ze thuisbleef, maar het lukte haar om de kinderen op te voeden, voor het huishouden te zorgen en toch nog tijd over te houden om te gaan werken,’ zegt hij. Toch is hij daar kennelijk niet echt van onder de indruk. ‘Natuurlijk blijf ik als man wel de hoofdkostwinner. Dat kunnen vrouwen gewoon niet, volgens mij.’

    Dat is de algemene opvatting in deze regio, waar mannen nog steeds de dienst uitmaken in het gezin, in het parlement en op kantoor. Het chauvinisme komt tot uiting in de wetgeving, waarin vrouwen worden behandeld als tweederangsburgers. Onlangs verscheen een rapport van de VN en lobbyorganisatie Promundo over een onderzoek naar de kijk van Arabische mannen 
op de relatie tussen man en vrouw. 
Volgens dat onderzoek vindt 90 procent van de mannen in Egypte dat de man het laatste woord hoort te hebben bij de beslissingen in het huishouden, en dat vrouwen de meeste huishoudelijke taken moeten uitvoeren.

    Minstens twee derde van deze mannen meldt zich grote zorgen te maken om de veiligheid en het welzijn van hun gezin. In Egypte en Palestina zeggen de meeste mannen dat ze last hebben van stress of depressie als gevolg van een gebrek aan werk of inkomen

    Geen verrassing, tot nu toe. Maar het onderzoek werpt wel nieuw licht op de worsteling van de Arabische mannen in de vier landen waar het is gehouden (Egypte, Libanon, Marokko en Palestina) en laat zien hoe die worsteling de ontwikkeling naar meer gelijkheid belemmert. Minstens twee derde van deze mannen meldt zich grote zorgen te maken om de veiligheid en het welzijn van hun gezin. In Egypte en Palestina zeggen de meeste mannen dat ze last hebben van stress of depressie als gevolg van een gebrek aan werk of inkomen. De cijfers over de gemoedstoestand van vrouwen zijn nog ernstiger, maar volgens dit onderzoek verkeren Arabische mannen in een ‘mannelijkheidscrisis’.

    Arabische mannen verzachten hun patriarchale houding niet, integendeel: ze klampen zich eraan vast. In alle landen behalve Libanon denken jongere mannen niet wezenlijk anders over sekserollen dan oudere mannen. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, maar volgens het rapport zou het feit dat jonge Arabische mannen moeite hebben om werk te vinden, zich een huwelijk te veroorloven en de status van kostwinner te krijgen, zich wel eens tegen mondige vrouwen kunnen keren. Met andere woorden, mannelijk chauvinisme zou wel eens aangedreven kunnen worden door een gevoel van zwakte, niet van kracht.

    Mannen en vrouwen gebroederlijk naast elkaar bij de bibliotheek van Alexandrië. – © Soeren Stache / HH
    Mannen en vrouwen gebroederlijk naast elkaar bij de bibliotheek van Alexandrië. – © Soeren Stache / HH

    Een andere verklaring is dat het religieus conservatisme dat overal heerst, de mannen wantrouwig maakt tegenover nieuwerwetse vrijheden. Islamitische geestelijken zijn voorstander van quwamah, een soort voogdijschap dat mannen gezag geeft over vrouwen. In conservatieve landen als Saoedi-Arabië is dit officieel beleid. Maar de opvatting leeft ook in relatief liberale delen van de Arabische wereld, zoals Marokko, waar 77 procent van de mannen vindt dat het hun plicht is om het voogdijschap te voeren over vrouwelijke familieleden.

    In zo’n sfeer komt geweld tegen vrouwen, al dan niet seksueel, veel voor. 
In de vier landen waar het onderzoek werd gehouden, gaf 10 tot 45 procent van de mannen die ooit getrouwd waren geweest toe hun vrouw te hebben geslagen. Tussen 31 en 64 procent van de mannen gaf toe vrouwen op straat te hebben lastiggevallen. Minder dan de helft van de Marokkaanse mannen vindt dat verkrachting binnen het huwelijk strafbaar gesteld moet worden, de meesten vinden dat een echtgenote verplicht is seks te hebben als haar man dat wil. Zo’n 70 procent van de Egyptische mannen staat nog steeds positief tegenover vrouwenbesnijdenis.

    Overigens keurt ook meer dan de helft van de Egyptische vrouwen vrouwenbesnijdenis goed. Arabische vrouwen tonen in veel opzichten zelfs dezelfde opvattingen als de mannen. In Egypte en Palestina zegt meer dan de helft van de mannen en vrouwen dat een vrouw die verkracht is, met haar verkrachter moet trouwen. In minstens drie van de onderzochte landen zeggen meer vrouwen dan mannen dat een vrouw die zich provocerend kleedt, er zelf om vraagt lastig gevallen te worden. De meeste vrouwen in het onderzoek zeggen achter het idee van mannelijke voogdij te staan.

    Psychologische hulp

    Actievoerders hebben hard hun best gedaan om Arabische vrouwen aan te moedigen voor zichzelf op te komen. Maar ze hebben weinig gedaan om de houding van mannen te verzachten. Daar komt verandering in. Een van de ngo’s in de regio die het opnemen tegen de strenge mannelijkheidsnormen is het Libanese ABAAD; deze organisatie voert bewustwordingscampagnes en biedt psychologische hulp. De auteurs van het rapport, onder wie voormalig Economist-journalist Shereen El Feki, signaleren dat mannen relatief liberaler zijn geworden als het gaat om vaderschap en werkende vrouwen. Ze pleiten er ook voor dat jongens thuis en op school niet langer worden geslagen, want dat maakt de kans groter dat ze zelf later vrouwen zullen mishandelen.

    Uit onderzoeken blijkt dat grotere gelijkheid tussen man en vrouw de Arabische landen rijker en eerlijker zou maken – geëmancipeerde vrouwen verdienen meer. Toch komt daarvoor vanuit de overheid maar weinig steun, al is er wel iets veranderd aan sommige wetten die vrouwen achterstelden. ‘We hebben nog geen Justin Trudeau in de Arabische wereld,’ zegt El Feki, in een verwijzing naar de sexy premier van Canada met zijn feministische ideeën. Maar Libanon heeft onlangs wel voor het eerst in zijn geschiedenis een minister voor vrouwenzaken aangesteld – een man.

    Vertaler: Annemie de Vries

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad, | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.