Tag: discriminatie

  • Wat is een echte Japanner?

    Wat is een echte Japanner?

    De Japanners zien zichzelf als een etnisch homogene bevolkingsgroep, en hebben traditioneel weinig op met migranten. Maar, zo vraagt de krant Asahi Shimbun zich af, is die houding nog wel van deze tijd?

    In 2016 gebeurde een aantal dingen waardoor ik me begon af te vragen wanneer je eigenlijk kunt zeggen dat iemand ‘een echte Japanner’ is. In augustus bleek de dubbele nationaliteit van Renho Murata – die een Taiwanese vader heeft – een probleem bij haar benoeming tot leider van de Democratische Partij, de grootste oppositiepartij in Japan. Tegelijk werd bij de Olympische Spelen in Rio een groot aantal sporters van buitenlandse afkomst, onder wie de sprinter Asuka Cambridge [geboren op Jamaica, met een Jamaicaanse vader en een Japanse moeder], door veel Japanners aangemoedigd.

    In de wijk Homigaoka in de stad Toyota [waar ook autobouwer Toyota zetelt] heeft de helft van de zevenduizend wijkbewoners een buitenlandse nationaliteit [ze werken er meestal in de fabrieken]. Daar zat ook Marco Soares, een scholier van achttien, tijdens de Olympische Spelen met zijn blik aan het scherm gekleefd. Hij heeft de Braziliaanse nationaliteit, maar zijn overgrootouders waren Japanners. Op de middelbare school is hij aan atletiek gaan doen en intussen heeft hij diverse regionale toernooien gewonnen. In de toekomst wil hij graag tot Japanner genaturaliseerd worden en meedoen aan de Spelen. Zijn lichte ogen contrasteren met zijn donkere huid, maar de manier waarop hij met rechte rug gaat zitten en af en toe heel verlegen praat, is typerend voor alle Japanse jongeren. Als ik hem vraag of hij meer voor buitenlandse atleten is dan voor Japanse, zegt hij onmiddellijk: ‘Nee, helemaal niet. Ik zie mezelf als een gewone Japanner.’

    De meeste van zijn jeugdvrienden zijn Braziliaans. Maar hij heeft altijd zijn best gedaan om ook met Japanse kinderen om te gaan, omdat hij de taal goed wilde leren zodat hij voor zijn ouders kon tolken. Zijn plan om de Japanse nationaliteit aan te vragen heeft niets te maken met het feit dat hij dan gemakkelijker aan de Olympische Spelen mee kan doen. ‘Ik wil graag mijn hele leven in Japan blijven. In dit land ben ik geboren en opgegroeid en ik heb ook een beetje Japans bloed in mijn aderen. Dus waarom zou ik geen Japanner zijn?’

    Teken van verandering

    Sommige beroemdheden met buitenlandse roots vinden dat het afgelopen moet zijn met de stereotype ideeën over hoe Japanners eruitzien. In 2015 was de tweeëntwintigjarige Ariana Miyamoto, die een Afro-Amerikaanse vader en een Japanse moeder heeft, de vertegenwoordigster van Japan bij de Miss Universe-verkiezingen. Ze is bij haar Japanse oma en moeder opgegroeid in Sasebo [dat een Amerikaanse marinebasis heeft en niet ver van Nagasaki ligt]. Ze werd er als kind gepest vanwege haar donkere huid. Omdat ze daar niet langer tegen kon, woonde ze tijdens haar middelbareschooltijd bij haar vaders familie in de VS. Toch weet ze nog dat ze zich opgelucht voelde toen ze daarna weer terugkwam in Japan.

    De dag na haar verkiezing stroomden de felicitaties, maar ook de beledigingen en racistische opmerkingen via internet bij haar binnen. Die negatieve commentaren verbaasden Ariana niet, maar ze hoopte vooral dat daardoor een echt debat op gang zou komen. De aanleiding dat ze zich had opgegeven voor de schoonheidswedstrijd was de zelfmoord van een van haar vrienden van buitenlandse origine. Die vriend voelde zich diep ongelukkig in Japan, terwijl dat toch zijn geboorteland was. ‘Die halfbloed die niet eens Engels sprak’ werd geregeld belachelijk gemaakt.

    ‘Ik wil de mensen duidelijk maken dat er ook Japanners zijn die er anders uitzien.’ Ariana kreeg binnen een jaar meer dan vierhonderd interviewverzoeken. Het waren vooral buitenlandse media die over haar schreven. Hier een citaat uit het Amerikaanse weekblad Newsweek: ‘De Japanners staan voor een keuze: of ze gaan op de oude voet verder, met de economische recessie en al, en raken hun positie op het wereldtoneel kwijt, of ze besluiten eraan te wennen dat er ook “spijkers die uitsteken” zijn [een Japanse uitdrukking waarmee mensen worden bedoeld die niet aan de norm voldoen] en zetten de deur open [voor immigratie].’

    Waarom waren buitenlandse journalisten zo geïnteresseerd in een Japanse kandidate met een donkere huid? Het antwoord van Tom Wofford, de auteur van het artikel in Newsweek, luidt als volgt: ‘Overal ter wereld leeft nog steeds het idee dat de Japanners een etnisch homogeen volk zijn. De keuze voor Ariana Miyamoto als kandidate werd uitgelegd als een teken van verandering.’ Ook in 2016 werd Japan bij de Miss Universe-verkiezingen vertegenwoordigd door iemand met buitenlandse roots: Priyanka Yoshikawa, een Japanse van Indiase afkomst.

    Miss Universe Japan 2016: Priyanka Yoshikawa, een Japanse van Indiase afkomst.
    Miss Universe Japan 2016: Priyanka Yoshikawa, een Japanse van Indiase afkomst.

    Maar waren de Japanners oorspronkelijk wel een homogeen volk? Kenichi Shinoda, directeur van de afdeling antropologie bij het Nationaal Museum van Natuur en Wetenschap, zegt dat wanneer je het mitochondriaal DNA van de wereldbevolking (dat via de vrouwelijke lijn overerft) in honderd groepen zou onderverdelen, de Japanners dan in zo’n twintig ervan voorkomen. Dat is meer dan bij hun buren uit Zuid-Korea en Noordoost-China het geval is en daaruit trekt hij de conclusie dat ‘we de Japanners kunnen beschouwen als een groep met een grote genetische diversiteit’.

    De mensheid stamt af van de homo sapiens, die zo’n tweehonderdduizend jaar geleden in Afrika verscheen en zich zestigduizend jaar geleden over de wereld begon te verspreiden. Volgens de huidige theorie, die gebaseerd is op de ontwikkelingen in de genetica, zou de Japanse archipel eerst bevolkt zijn geweest door de Jomon [tussen 14.000 en 350 v.Chr.]. Dit volk zou zich later hebben vermengd met de Yayoi, die van het Aziatische vasteland kwamen en landbouw en metaalbewerking meebrachten [ongeveer 300 v.Chr. tot 300 n.Chr.]. Tot voor kort was de leidende theorie – onder meer op grond van de skeletvorm – dat het Jomonvolk een homogene groep van zuidelijke oorsprong vormde. Maar volgens Shinoda was er ook toen wel sprake van een enige diversiteit door migratiebewegingen vanaf het eiland Sachalin [dat voor de kust van Siberië ligt] en het Koreaanse schiereiland.

    Het DNA van de Jomon is ook nu nog bij veel Japanners terug te vinden. Volgens de antropoloog is dat het bewijs dat dit volk vreedzaam met de Yayoi samenleefde: ‘De nieuwkomers werden geaccepteerd en zijn geïntegreerd in de lokale bevolking. Het lijkt erop dat juist die tolerantie ten grondslag ligt aan het specifieke karakter van de Japanner.’ Het grootste deel van de archipel is daarna tot een eenheid gesmeed in het rijk van de Yamato, de voorloper van het Japan zoals we dat nu kennen. We weten nog steeds niet goed hoe dat unificatieproces precies verlopen is, maar in de Kojiki en de Nihon shoki, twee kronieken uit de achtste eeuw, is sprake van verzet van de Kumaso op het eiland Kyushu, van de Izumo in de regio San-in [in het zuidwesten van het eiland Honshu] en van de Emishi in de regio Tohoku [het noordoosten van Honshu]. Als we sommige onderzoekers moeten geloven, dan werden deze volken door het keizerlijk gezag gezien als inheems.

    Tussen 1639 en 1854 was Japan bij overheidsbesluit van de buitenwereld afgesloten [onder meer christelijke missionarissen mochten er niet in]. Maar in deze periode wist Nagasaki wel contacten met het buitenland te onderhouden. Volgens Toka Chin, directeur van de historische vereniging die de handel tussen Nagasaki en China onderzoekt, telde de stad in sommige perioden wel zestigduizend inwoners en deden zo’n tienduizend Chinezen per jaar de stad aan. Sommigen van hen trouwde met Japanse vrouwen uit voorname families. ‘In die tijd werd een huwelijk met een Chinees als iets eervols gezien,’ zegt Toka Chin, en voegt eraan toe dat de kinderen uit deze gemengde huwelijken meestal dienst deden als tolk bij commissionairs.

    Maar toen Japan eenmaal gemoderniseerd was en ging concurreren met de grote westerse mogendheden, groeide de minachting voor de volken van oude beschavingen zoals China en Korea. En juist in de tijd dat het expansionistische Japan overging tot annexatie van Taiwan [in 1895] en Korea [in 1910], vond het idee steeds meer ingang dat het Japanse volk van zeer gevarieerde oorsprong is.

    Die theorie van een ‘gemengd volk’ is vooral gepromoot omdat die uitstekend paste bij een land dat de ambitie had om over andere Aziatische volken te heersen

    In zijn boek Tanichi minzoku shinwa no kige_n [De oorsprong van de mythe van het homogene volk, niet vertaald], onderzoekt socioloog Eiji Oguma hoe dat idee zich vanaf het eind van de negentiende en in de twintigste eeuw heeft ontwikkeld. In de tijd voor de Tweede Wereldoorlog was het een algemeen aanvaarde gedachte dat de Japanners zich al sinds oude tijden met volken van het Aziatische vasteland hadden vermengd. Dat leerden ook de kinderen op school en sommige leerboeken noemden de Kumaso en de Emishi als buitenlandse volken die in het Yamatovolk [nu de grootste bevolkingsgroep van de archipel] waren geïntegreerd. Ten tijde van de annexatie van Korea in 1910 schreef de _Asahi Shimbun in een opiniestuk: ‘De antropologen zijn het er allemaal over eens dat het Japanse volk is voortgekomen uit een brede vermenging met andere bevolkingsgroepen op deze wereld.’

    Die theorie van een ‘gemengd volk’ is vooral gepromoot omdat die uitstekend paste bij een land dat de ambitie had om over andere Aziatische volken te heersen. Maar bij de nederlaag in 1945 verliezen de Koreanen en de Taiwanezen hun Japanse nationaliteit. Op dat moment ontstaat het huidige idee van het homogene volk – van een volk dat al van oudsher in vrede in een eilandenrijk leeft. Volgens Eiji Oguma ‘strookte dit idee prima met het gevoel van oorlogsmoeheid bij de Japanners en met hun alom verloren vertrouwen in internationale relaties’.

    Tijdens de naoorlogse economische bloei sloot het concept van raciale homogeniteit perfect aan bij een maatschappij waarin alles op het bedrijfsleven was gericht. Toen het land uiteindelijk tot de economische grootmachten behoorde, werd vanuit de politiek het ‘homogene volk’ als iets bijzonders gepresenteerd, als een pluspunt van Japan. Volgens cijfers van de Verenigde Naties ligt het percentage immigranten in alle ontwikkelde landen boven de tien procent. We moeten natuurlijk oppassen voor al te simpele vergelijkingen, maar het aantal buitenlanders in Japan blijft onder de twee procent steken. Tegelijk wordt het land geconfronteerd met een sterke bevolkingsdaling. De huidige regering, die zich ten doel heeft gesteld om de bevolking in de komende vijftig jaar rond de honderdmiljoen inwoners te stabiliseren, heeft plannen aangekondigd voor hulp bij geboorte en onderwijs. Daarnaast is besloten meer stagiairs en geschoolde krachten uit het buitenland toe te laten. De regering heeft zelfs de volgende berekening gemaakt: om het bevolkingscijfer boven de honderd miljoen te houden, zou de archipel per jaar tweehonderdduizend buitenlanders moeten opnemen en moet het vruchtbaarheidscijfer, dat in 2015 op 1,45 kind per vrouw lag, omhoog naar 2,07 kind.

    Geconfronteerd met de kritiek dat die ‘buitenlanders’ in feite ‘immigranten’ zouden zijn, blijft premier Shinzo Abe [ultraconservatief] er in het parlement op hameren dat hij helemaal geen immigratiebeleid wil voeren. De grote weerstand in de Japanse samenleving tegen het woord ‘immigratie’ toont aan hoe gehecht die nog altijd is aan het idee van het homogene volk. ‘Degenen die nog steeds geloven in het sprookje van de homogeniteit en niet erg aan hun eigen individualiteit hechten, kunnen de aanwezigheid van mensen die anders zijn maar moeilijk accepteren,’ verklaart Masataka Okamoto, universitair docent aan de districtsuniversiteit van Fukuoka. In het kader van een onderzoek naar de bescherming van de rechten van in Japan wonende Koreanen, heeft hij uitgebreid studie gemaakt van het minderhedenbeleid. Daarvoor nam hij alle uitspraken van politici over het ‘homogene volk’ onder de loep en verbaasde zich erover dat dit volk nooit echt werd genoemd. ‘Als het over het “Yamatovolk” gaat, dan gaat dat mij niet aan, want ik ben van Izumo-komaf…’ ‘Na de oorlog heeft het concept van het homogene volk, maar ook het gevoel bij “een volk” te horen zich onverwacht snel in Japan verspreid’, onderstreept hij.

    Tegenwoordig gaat het in gesprekken en in de media voortdurend over ‘de Japanner’, en sommigen roepen zelfs openlijk op tot uitzetting van de buitenlanders. In de ogen van Okamoto heeft dit volk verloren waar het zich vroeger altijd aan vasthield: zijn wortels, en ook zijn ondernemingszin [die kan bijdragen aan het gevoel ergens bij te horen]. Als je de vierduizend jaar van bewoning van de archipel tot één jaar zou terugbrengen, dan beslaat de periode sinds de modernisering maar één dag. In een wereld waarin iedereen zich steeds meer verplaatst, rest de vraag: wat zijn de kenmerkende waarden die ons vormen en die we moeten blijven verdedigen?

    Auteur: Takura Asakura
    Vertaler: Tess Visser

    Openingsbeeld: Ariana Miyamoto in de sportschool. – © Reuters / Toru Hanai

    Ariana Miyamoto, die in 2015 als eerste biraciale Miss Universe Japan werd gekozen – volgens haar geen teken dat Japan milder wordt ten opzichte van andere ethniciteiten. – © Akio Kon / Bloomberg via Getty Images
    Ariana Miyamoto, die in 2015 als eerste biraciale Miss Universe Japan werd gekozen – volgens haar geen teken dat Japan milder wordt ten opzichte van andere ethniciteiten. – © Akio Kon / Bloomberg via Getty Images

    Ariana Miyamoto, Miss Japan 2015

    Zij was de eerste halfbloed kandidate die twee jaar geleden voor Japan werd afgevaardigd naar de Miss Universe-verkiezingen. Ze werd geboren in 1994, heeft een Japanse moeder en een Afro-Amerikaanse vader die op de Amerikaanse basis in Nagasaki werkte, en heeft nu de oorlog verklaard aan alle stereotype ideeën over iemands uiterlijk. Toen de Japanse media haar vragen stelden over haar dubbele nationaliteit, zei ze dat ze in de toekomst alleen de Japanse nationaliteit wilde houden.

    Renho Murata. – © The Asahi Shimbun via Getty Images
    Renho Murata. – © The Asahi Shimbun via Getty Images

    Renho Murata

    Ze is geboren in 1967, heeft een Taiwanese vader en een Japanse moeder en was Taiwanees staatsburger tot 1985, toen ze dankzij een wetswijziging Japanse kon worden. Maar door een procedurefout kreeg ze toch een dubbele nationaliteit, iets wat in Japan zelden voorkomt. Ze begon als model, ging de journalistiek in en werd in 2016 de eerste vrouwelijke leider van de progressieve Democratische Partij van Japan. Toen haar dubbele nationaliteit leidde tot beschuldigingen dat ze niet trouw was aan de natie, heeft ze die opgegeven.

    Asuka Cambridge. – © The Asahi Shimbun via Getty Images
    Asuka Cambridge. – © The Asahi Shimbun via Getty Images

    Asuka Cambridge, sprinter

    Hij is in 1993 geboren op Jamaica, maar al sinds zijn tweede woont hij in Japan omdat zijn ouders, een Japans-Amerikaans stel, toen naar Osaka verhuisden. Bij de Olympische Spelen van 2016 in Rio werden hij en zijn teamgenoten tweede op de 4×100 meter estafette, achter de Jamaicanen aangevoerd door Usain Bolt. Na terugkeer in Japan werd hij dan ook als een held binnengehaald. In de Japanse sportwereld zijn er veel halfbloeden en genaturaliseerde buitenlanders te vinden: in het nationale voetbalelftal spelen een paar Brazilianen en diverse sumoworstelaars hebben Mongoolse en Hawaïaanse roots.

    [Foto Asahi Shimbun via Getty Images]

    schermafbeelding 2017 03 09 om 11 12 40

    Priyanka Yoshikawa, Miss Japan 2016

    Ze vertegenwoordigde haar land bij de Miss World-verkiezingen van 2016 en zegt dat het succes van Ariana Miyamoto haar inderdaad heeft geïnspireerd. Ze heeft een Indiase vader en een Japanse moeder en was in haar jeugd het mikpunt van pesterijen. De Japanners vinden deze jonge vrouw van 23 intrigerend omdat ze niet echt in een hokje te plaatsen is: ze is niet alleen tolk-vertaler, maar ook olifantentrainer.

    Keizer Akihito.
    Keizer Akihito.

    Keizer Akihito

    Sinds 1990 is hij het ‘symbool van de Staat en de eenheid van het volk’, zoals het in de grondwet staat geformuleerd. Hij heeft geen enkele politieke macht en mag zich niet uitlaten over staatszaken, maar hij speelt wel een verbindende rol. Op zijn manier en binnen de grenzen van het protocol staat hij dicht bij de mensen. Toen hij tijdens het Wereldkampioenschap voetbal in 2002, dat Japan en Zuid-Korea gezamenlijk organiseerden, in een rede een toespeling op zijn Koreaanse wortels maakte, verraste hij daarmee veel Japanners.

    POLEMIEK

    Het hier gepubliceerde artikel uit de Asahi Shimbun veroorzaakte heftige discussies op internet. De mythe dat de Japanners een etnisch homogeen volk zijn, is een zeer gevoelige kwestie. Dit onderwerp aansnijden wordt vaak gezien als een gebrek aan loyaliteit tegenover de natie. Het is dus lastig praten over de verschillende etnische groepen die er wonen en de discriminatie waarvan ze al eeuwenlang slachtoffer zijn, of het nu gaat om de Ainu in het Noorden, de Okinawaers in het Zuiden of de zainichi, de Koreanen in Japan die na de oorlog de Japanse nationaliteit verloren.

    Net zo gevoelig ligt het onderwerp van de halfbloeden, in het Japans hafu genoemd (een neologisme afgeleid van het Engelse ‘half’). Daarvan zijn er steeds meer te vinden in de showbusiness, al zijn die dan meestal een westerse mix met een lichte huid. Daarom deed de verschijning van een Miss Japan als Ariana Miyamoto in 2016 zo veel stof opwaaien.

    CONTEXT: Nationaliteit, een netelige kwestie

    Om te bepalen wie Japanner is, draait het vooral om de afstamming. Tussen 1873 en 1950 raakten Japanse vrouwen die met buitenlanders trouwden, hun nationaliteit kwijt. Tot een versoepeling van de wet in 1985 moest je een Japanse vader hebben om aanspraak te kunnen maken op het staatsburgerschap. Japan is nu het enige land van de G7 dat geen dubbele nationaliteit toestaat: wie die wel heeft – en dat zijn naar schatting 800.000 personen – wordt gevraagd om uiterlijk op eenentwintigjarige leeftijd een van de twee op te geven. En voor buitenlanders blijft naturalisatie tot Japanner een privilege dat alleen voor de elites is weggelegd.

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 1.172.0000

    De ‘Krant van de Rijzende Zon’, opgericht in 1879, was tijdens de Tweede Wereldoorlog pleitbezorger voor het pacifisme, en is nu een waar instituut. Drieduizend journalisten zorgen voor de nieuwsgaring op driehonderd Japanse en dertig buitenlandse kantoren. Bijgaand artikel is verschenen in een serie getiteld ‘Waar komen wij vandaan?’

  • Vietnamese ouders op de bres voor hun homoseksuele kind

    Vietnamese ouders op de bres voor hun homoseksuele kind

    In Vietnam, waar andersgeaardheid vaak nog een taboe is, verenigen ouders zich om hun kinderen te ondersteunen. De organisatie PFLAG Vietnam zet zich in om de stem van lhbti-leden te laten horen en hun rechten te beschermen en speelt een grote rol bij het bestrijden van geweld tegen lhbti’ers.

    Keuze uit het archief

    Juni is in veel landen Pride month. De maand wordt gewijd aan de viering van de queer-identiteit en -cultuur en er wordt aandacht gevraagd voor de positie van lhbti’ers in de maatschappij.
    Dit artikel van het Vietnamese dagblad Tuoi Tre uit 2016 werpt licht op de verbeterde situatie van lhbti’ers in de Vietnamese samenleving, waar andersgeaardheid vaak nog een taboe is. Dankzij de belangenorganisatie PFLAG is de acceptatie in het land toegenomen en kunnen ouders in veel gevallen veel meer begrip opbrengen voor hun andersgeaarde kinderen.

    De meeste lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders (LHBT’ers) krijgen te maken met discriminatie, stigmatisering of vervreemding van hun familie en de maatschappij, zodra ze uit de kast komen. Een aantal jaar geleden kreeg Nguyen Dang Khoa, nu 27 en openlijk homo, een brief van zijn wanhopige moeder Yen Ly, waarin ze haar zoon voor de keus stelde zich te gedragen als een ‘normale’ man, of het huis te verlaten. Yen Ly kwam tot het ultimatum nadat ze alle mogelijkheden voor ‘behandeling’ van haar zoon had uitgeput, inclusief consulten bij psychologen.



    Een week later antwoordde de jongeman haar met een ontroerende brief van vier kantjes, waarin hij zich oprecht verontschuldigde en haar smeekte hem te accepteren zoals hij werkelijk is, of hem in ieder geval nog een jaar te geven om te kunnen afstuderen. Hij zei dat hij de familie daarna zou verlaten en hen niet langer te schande zou maken.



    Door Khoa’s brief begreep zijn moeder pas hoe hard hij had geworsteld met zijn geaardheid en hiermee eindigde de impasse die vijf jaar eerder was begonnen, toen ze per ongeluk zijn dagboek uit de vijfde klas middelbare school onder ogen had gekregen, waarin hij zijn kalverliefde voor een vriend bekende. In 2013, sloot Yen Ly zich aan bij de Parents, Families & Friends of Lesbians and Gays (PFLAG) Vietnam, een organisatie van ouders, families, vrienden en medestanders van LHBT’ers die tot doel heeft hun steun van hun beminde bloedverwanten of vrienden te bundelen. Sterker nog, twee jaar later werd ze voorzitter van de organisatie.

    Crises

    Voordat ze lid werden, hebben de meeste PFLAG-ouders crises meegemaakt doordat ze te weinig kennis hadden van de seksuele geaardheid van hun kinderen. Later hebben ze manieren gevonden om hun eigen frustraties te overwinnen en anderen te helpen hetzelfde te bereiken.

    Tieu Hanh Nhi, uit de provincie Binh Duong, zo’n dertig kilometer van Ho Chi Minhstad, zag bij haar dochter Ai, toen die nog maar een klein meisje was, al wat eigenschappen die traditioneel als mannelijk worden gezien. Ze vond echter pas materiaal over homoseksualiteit toen Ai negentien werd. Ze was opgelucht toen ze van een neuropsychologisch expert hoorde dat aanleg en seksuele geaardheid deels worden bepaald door de relatie met de ouders. Ai vertelde haar moeder drie jaar geleden over het bestaan van de PFLAG-groep in Ho Chi Minhstad. Toen de organisatie werd opgericht, werd Nhi, voormalig universitair docente, verkozen tot bestuurslid van de PFLAG.

    In de zomer van 2014 kreeg Nhi een noodoproep van Dao, een jongeman uit Nha Trang, een vakantieoord in het zuiden van Vietnam. Omdat ze zich zorgen maakte over het vreemde gedrag van haar zoon, wilde Ly, Dao’s moeder, hem de volgende dag in Ho Chi Minhstad laten behandelen. Vastbesloten om Dao en zijn moeder te helpen, vroeg Nhi Ly haar te ontmoeten bij het centrum Information Connecting and Sharing (ICS) in Ho Chi Minhstad, een organisatie die LHBT-rechten in Vietnam steunt en die is gevestigd in hetzelfde gebouw als de PFLAG. De twee moeders bespraken met elkaar hoe hard hun kinderen werkten en wat een deugdzaam leven ze leidden; zo reed Dao elke dag tientallen kilometers om bestellingen rond te brengen voor het bedrijf in zeevruchten dat hij vanuit huis runt. Diezelfde avond werd Nhi door Dao getagd op Facebook: ‘Dankzij jouw hulp is ons gezin nu stralend en een en al geluk. Alsof ik vandaag opnieuw geboren ben.’

    PFLAG-begeleiders krijgen een training van vier maanden van een lokale psycholoog, waarbij de voornaamste les bestaat uit emotiebeheersing

    Niet elke counselingbijeenkomst heeft echter meteen positieve resultaten. Na een consult van twee uur gaf Yen Ly, de moeder van Khoa, alle hoop op dat ze iets kon bereiken met de vader van H., een andere jonge homo die als kind zijn moeder had verloren. De vader hield vol dat H.’s homoseksualiteit zijn toekomst zou verpesten. Drie jaar later vertelde H. glimlachend dat hoewel zijn vader zijn seksuele geaardheid nog steeds niet volledig accepteert, hij in ieder geval niet meer zo hard tegen hem is.

    PFLAG werd in 1972 in Amerika in opgericht door één moeder, Jeanne Sobelson Manford, een Amerikaanse docente en activiste die haar homoseksuele zoon openlijk steunde. De organisatie is volgens haar website de grootste familie- en medestandersorganisatie van het land. Ze bestaat uit 400 afdelingen en 200.000 aanhangers uit meerdere generaties Amerikaanse families. Twee jaar geleden nam een echtpaar uit de Amerikaanse PFLAG contact op met Yen Ly, voorzitter van de Vietnamese tegenhanger, nadat ze van hun bestaan gehoord hadden, en gaf haar nuttige informatie over het functioneren van hun vereniging.

    De start van PFLAG Vietnam werd in 2011 ondersteund door de ICS, maar de officiële lancering was pas in januari 2015. Op dit moment kan de organisatie bogen op zo’n zeventig leden, van wie twintig regelmatig begeleidingsgesprekken voeren met ouders van LHBT-jongeren. Er zijn zeven vaders die vorig jaar lid zijn geworden van PFLAG Vietnam en nu actieve leden zijn. PFLAG-begeleiders krijgen een training van vier maanden van een lokale psycholoog, waarbij de voornaamste les bestaat uit emotiebeheersing.

    Twee Vietnamese meisjes tijdens de vierde gay pride in Hanoi, in 2015. © Borja Sanchez-Trillo / Getty
    Twee Vietnamese meisjes tijdens de vierde gay pride in Hanoi, in 2015. © Borja Sanchez-Trillo / Getty

    Volgens Tran Khac Tung, baas van de ICS, is steun van de familie voor de meeste leden van de LHBT-gemeenschap van essentieel belang voor hun sociale integratie. Een onderzoek van de ICS uit 2015 liet zien dat 95 procent van de gemeenschap in Vietnam met discriminatie te maken had gehad, meestal van familie en vrienden.



    Tung zegt dat de oprichting van PFLAG Vietnam van groot belang is geweest bij het verenigen van ouders en het bestrijden van geweld tegen LHBT-leden. De organisatie heeft zich ook ingezet om de stem van LHBT-leden te laten horen en hun rechten te beschermen. Ze speelde een belangrijke rol in 2014 bij het aannemen van een aangepaste huwelijkswet door het parlement, die het homohuwelijk in Vietnam verbiedt noch erkent. De leden voerden in 2015 ook campagne om in de aangepaste grondwet een nieuwe regel op te nemen die voorziet in het recht op sekseverandering of transgenderschap. De wet gaat per 1 januari 2017 in.

  • ‘Het is gewoon apartheid’

    ‘Het is gewoon apartheid’

    Op een zwarte school in het Deense Aarhus heeft het schoolbestuur ervoor gekozen om alle witte leerlingen samen te zetten.

    Als je bij de Lankaer Middenschool* in Tilst – een buitenwijk van Aarhus [de tweede stad van Denemarken] – op bus 3A stapt, kun je goed zien dat de leerlingenpopulatie van deze school qua etnische samenstelling geen afspiegeling is van de Deense bevolking. Op deze maandagmiddag, nu de school net uit is, is de bus propvol. De meerderheid van de passagiers is zo te zien van buitenlandse komaf. Veel meisjes dragen een hoofddoek en ondanks de warme nazomerzon zijn er geen blote benen te zien.

    Geen wijk in het land schijnt zo veel rijtjeshuizen te hebben als Tilst en de meeste bewoners zijn autochtone Denen, al staan er ook wat sociale woningbouwflats waar dat niet het geval is. Toch hebben veel allochtone leerlingen de afgelopen jaren een voorkeur opgevat voor de Lankaer Middenschool. Aan het begin van dit schooljaar hebben de tweehonderd eersteklassers zelfs een record gebroken: acht op de tien zijn geen autochtone Denen.

    De schooldirectie heeft besloten om, in tegenstelling tot vroeger, Deense en allochtone leerlingen niet meer willekeurig over de klassen te verdelen, maar een onderscheid te maken: alle autochtoon Deense leerlingen zijn in slechts drie klassen geplaatst, waar zij ongeveer de helft van de 28 leerlingen van elke klas uitmaken. De vier andere klassen bestaan volledig uit allochtone leerlingen.

    ‘De rector zei dat sommige leerlingen misschien bang worden als ze alsmaar in de gang ‘wallah wallah’ horen’

    Sarah Azzam en Hafsa Omar zitten samen in zo’n klas zonder autochtone Denen. De twee meisjes vinden het niet ideaal: ‘Het niveau in onze klas ligt lager. Als er ook Deense kinderen waren, dan zouden we meer met ze omgaan en zouden ze ons kunnen helpen,’ vertelt Sarah Azzam. Hafsa Omar valt haar bij: ‘Wij hebben allebei buitenlandse ouders. Zij spreken geen Deens en kunnen ons niet helpen met ons huiswerk.’ Ze vertellen dat de rector in alle klassen is komen uitleggen waarom de leerlingen op deze manier over de klassen zijn verdeeld.

    ‘Hij zei dat sommige leerlingen misschien bang worden als ze alsmaar in de gang “wallah wallah” horen (uitdrukking die “bij allah” betekent),’ vertelt Hafsa Omar, en ze voegt eraan toe dat ze het argument niet goed begrijpt. De meisjes voelen zich achtergesteld omdat ze in een klas zonder Denen zitten.

    Twee moslimmeisjes in de achterstandswijk Gellerup in Aarhus. – © Laerke Posselt / Agence VU
    Twee moslimmeisjes in de achterstandswijk Gellerup in Aarhus. – © Laerke Posselt / Agence VU

    Nog maar tien jaar geleden, in 2007, waren de meeste leerlingen van de Lankaer Middenschool autochtone Denen. In die tijd was zo’n 25 procent van de leerlingen allochtoon. Dit percentage bleef groeien en ligt nu in de eerste klas al op zo’n 80 procent.

    Volgens rector Yago Bundgaard is deze ontwikkeling niet te stoppen. Op de basisschool en daarna gaan kinderen meestal naar de voor hen dichtstbijzijnde school, maar hun middenschool mogen ze zelf uitkiezen. De jongeren zoeken een omgeving uit waarin ze zich thuis denken te voelen, en daardoor ontstaat een vicieuze cirkel. De vele autochtone Denen uit Tilst kiezen liever voor de andere middenscholen van de stad, waar over het algemeen niet meer dan vijf à tien procent van de leerlingen allochtoon is.

    De Lankaer Middenschool trekt veel jongeren uit de getto’s van Bispehaven en Gellerupparken, al is deze school voor hen niet het dichtstbij. ‘We komen in een kritische fase terecht, waarin we de Deense leerlingen dreigen te verliezen, als ze nog maar met twee of drie per klas zijn. Uiteindelijk vertrekken ze dan,’ vertelt Yago Bundgaard. De rector hoopt door in bepaalde klassen een meer Deense omgeving te creëren, de autochtone Denen te kunnen behouden.

    ‘Er blijkt een kritische grens te bestaan van zo’n veertig à vijftig procent allochtone leerlingen’

    Leerlingvertegenwoordiger Jens Philip Yazdani vertelt dat veel leerlingen van Deense komaf tot hun verbazing merken dat veel van hun klasgenootjes schoolfeesten mijden omdat ze moslim zijn, geen alcohol drinken en sowieso geen feesten mogen bezoeken. ‘Dan kiezen ze vaak voor de makkelijkste oplossing en zoeken een school waar ze vrienden kunnen maken met wie ze meer gemeen hebben,’ zegt hij.

    Volgens professor Niels Egelund van de universiteit van Aarhus is het heel verstandig van de school dat de paar overgebleven Deense leerlingen bij elkaar worden gezet. Anders zou de Lankaer Middenschool binnenkort de primeur hebben de eerste school in Denemarken te zijn met honderd procent allochtone leerlingen. Volgens hem blijkt uit allerlei onderzoek dat het niveau van de lessen in de klassen met Deense kinderen hoger is.

    ‘Het zou geen enkel verschil maken als je in elke klas vier of vijf autochtone Denen zou plaatsen. Er blijkt een kritische grens te bestaan van zo’n veertig à vijftig procent allochtone leerlingen. Ga je daaroverheen, dan gaat het leerproces eronder lijden,’ vertelt Egelund.

    Beetje raar

    Bus 3A slaat de weg in richting de wijk Bispehaven. De twee vrienden Mahmoed Azzam en Abdul Hassan houden zich absoluut niet bezig met de klassensamenstelling of het onderwijsniveau. Hun lager onderwijs volgden ze op een islamitische privéschool, die geen enkele Deen onder de leerlingen telde, maar wel een uitstekend niveau had. Mahmoed Azzam vertelt dat er tijdens de facultatieve lessen sowieso leerlingen uit verschillende klassen bij elkaar zitten. ‘Toch vind ik het wel een beetje raar, ik had verwacht toch wel met minstens twee of drie Denen in de klas te komen,’ geeft Abdul Hassan toe.

    Je mag verwachten dat de samenstelling van een klas die van de samenleving reflecteert, vindt Yago Bundgaard. Politici zouden naar zijn mening instrumenten moeten creëren om de leerlingen beter over de verschillende scholen te verdelen. Eén oplossing zou bijvoorbeeld zijn om schooldistricten in het leven te roepen en een maximum te stellen aan het aantal migrantenkinderen per klas.

    Na twintig minuten komt bus 3A aan in Bispehaven en stappen de meeste passagiers uit, ook die uit Gellerupparken (een verpauperde wijk niet ver van Aarhus), want zij moeten hier overstappen. Een klein groepje eersteklassers blijft nadat de bus is vertrokken even staan kletsen.

    ‘Zo leren we nooit om met de Denen samen te leven en zij ook niet om voor ons open te staan’

    ‘Ik zit in een klas met alleen maar donkere kinderen. Zo leren we nooit om met de Denen samen te leven en zij ook niet om voor ons open te staan,’ zegt een van de kinderen. Abdullah Aden uit Somalië zit juist in een van de eerste klassen met wel vrij veel Denen. De samenstelling van de klassen op zijn school doet hem denken aan de vroegere scheiding van zwarten en blanken in Zuid-Afrika. ‘Het is gewoon pure apartheid,’ vindt hij.

    Bundgaard: ‘Het probleem is dat mijn leerlingen zelden in contact komen met de cultuur van jonge Deense kinderen. De opdracht van een middelbare school is om de leerlingen een vorming te bieden waarmee ze burgers van de Deense maatschappij kunnen worden. Dat wordt lastig als ze in hun dagelijks leven geen echte Denen ontmoeten. Maar het is evengoed zonde dat leerlingen van andere scholen de wereld van deze jonge allochtone kinderen niet leren kennen.’

    Minister van Onderwijs Ellen Trane Nørby erkent dat op sommige scholen in het land het aandeel allochtone leerlingen te groot is geworden. Zij benadrukt dat er een akkoord ligt over het middelbaar onderwijs (waar alle politieke partijen zich achter hebben geschaard). Afgesproken is dat de partijen deze herfst nog gezamenlijk een plan maken waarin de verdeling van leerlingen over scholen geregeld wordt, zodat het al volgend schooljaar in werking kan treden.

    ‘We moeten zowel aandacht hebben voor het probleem van de gettoscholen als voor het probleem dat leerlingen van het platteland vaak heel ver moeten reizen als zij van hogerhand op een school worden geplaatst’, zo valt in een verklaring te lezen.

    Auteur: Thomas Vibjerg
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    *Het Deense schoolsysteem komt niet overeen met het Nederlandse. De leerlingen van de ‘Middenschool’ waar het in dit stuk om gaat zijn rond de vijftien jaar en volgen een tweede fase van het hoger onderwijs, die niet verplicht is.

    Jyllands-Posten
    Denemarken | dagblad | 148.000

    Grootste krant van Denemarken, die in het najaar van 2005 internationaal in het nieuws kwam toen zij een serie van twaalf satirische politieke spotprenten publiceerden waarin de profeet Mohammed werd gebruikt als illustratie bij een artikel over zelfcensuur en vrijheid van meningsuiting.

  • Japan maakt begin met aanpakken racisme

    Japan maakt begin met aanpakken racisme

    Een nieuwe wet in Japan moet discriminatie van minderheden, vooral de Koreaanse, tegengaan. De eerste effecten lijken positief, al kunnen overtreders niet bestraft worden

    Van de nieuwe wetgeving tegen haatdragend taalgebruik jegens minderheden, vooral de Koreaanse, begint eindelijk een afschrikwekkende werking uit te gaan. Voorheen bestond er geen enkele maatregel die die naam verdiende.

    Op 1 juli, meer dan een maand nadat de wet tegen haatdragend taalgebruik in werking was getreden, was Osaka de eerste Japanse stad waar een plaatselijke verordening met die strekking werd ingesteld. Meteen daarna kwam een groep die op 12 juli voor het gemeentehuis van Osaka wilde demonstreren met nieuwe aanbevelingen voor de demonstranten: ‘Zet geen agressieve slogans op je bord!’ en ‘Hakenkruizen zijn verboden!’. Omdat de betoging wegens regen werd afgelast, weten we niet wat deze groep met ‘agressieve slogans’ bedoelde.

    De secretaris-generaal van de Bond tegen Haatdragend Taalgebruik van Osaka, de van oorsprong Koreaanse Moon Kong-hwi, erkent dat de situatie enigszins verbeterd is sinds deze nieuwe maatregel. ‘Toen een deelnemer aan een racistische betoging laatst expliciet tegen Koreanen tekeerging, hebben de organisatoren hem in allerijl het zwijgen opgelegd,’ zegt hij. ‘En het aantal betogingen is aanzienlijk afgenomen.’

    Kat uit de boom

    Op grond van de plaatselijke verordening, waaraan geen sancties verbonden zijn, kan de burgemeester besluiten de naam van particulieren en groepen openbaar te maken die zich aan discriminerend gedrag hebben schuldig gemaakt, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. ‘Dat het aantal betogingen is afgenomen komt misschien gewoon doordat de organisatoren eerst de kat uit de boom willen kijken,’ licht Moon toe.

    Ook in de wijk Ginza in Tokio, waar het aantal racistische betogingen sinds vorig jaar duidelijk was toegenomen, begint zich een verandering af te tekenen. Tijdens de betoging van 19 juni verving de slogan ‘Voor het verbreken van de Japans-Koreaanse betrekkingen’ de gebruikelijke gewelddadige beledigingen aan het adres van de Koreanen. Volgens Masayuki Watanabe, lector aan de universiteit Daito Bunka, die winkeliersverenigingen en de deelraad van Ginza oproept om maatregelen te nemen tegen discriminerend gedrag, ‘zijn de racistische ideeën misschien in wezen niet veranderd, maar begint het effect van de recente initiatieven merkbaar te worden, althans op het eerste gezicht. De organisatoren geven geen megafoons meer aan de agressiefste betogers.’

    Een antiracismedemonstratie in Tokio. – © Yuya Shino / Reuters (links) en HH (rechts)
    Een antiracismedemonstratie in Tokio. – © Yuya Shino / Reuters (links) en HH (rechts)

    Ook de houding van politie en overheid tegenover racistische betogingen is veranderd. Op 5 juni, kort nadat de nieuwe verordening was ingesteld, weigerde de gemeenteraad van Kawasaki, ten zuiden van Tokio, toestemming te geven voor een betoging in een park tegen Seikyusha, een vereniging die de belangrijke Koreaanse gemeenschap in de wijk Sakuramoto bijstaat. De plaatselijke rechtbank kwalificeerde de racistische betogingen als ‘een schending van de mensenrechten’ en verbood ze in de onmiddellijke omgeving van het verenigingsbureau. De politie van de prefectuur had een andere route voorgesteld, maar omdat de organisatoren een sit-in wilden houden is erop aangedrongen dat ze de betoging om veiligheidsredenen afgelastten, zodat deze niet heeft plaatsgevonden.

    Tomohito Miura, de secretaris-generaal van Seikyusha, prijst zich gelukkig met de recente inspanningen van de plaatselijke overheid, de rechterlijke macht, de politie en de burgers: ‘Voordat de wet werd aangenomen vertelde de politie ons niet eens welke route betogingen zouden volgen; niet de betogers maar wij werden als een illegale groep behandeld. We werden niet beschermd tegen racistische taal en gedragingen, en de plaatselijke overheid zei ons dat de wet haar niet toestond om in te grijpen. Het afgelasten van de betoging is een belangrijke stap in de goede richting.’

    Maar ook al verdwijnen de vulgaire beledigingen langzaam maar zeker uit de straten, het blijft de vraag of deze wetgeving doeltreffend genoeg is om discriminatie uit te roeien.

    Om de vrijheid van meningsuiting te respecteren, die is opgenomen in de Japanse grondwet, is de nieuwe wet geen dwangmiddel

    Om de vrijheid van meningsuiting te respecteren, die is opgenomen in de Japanse grondwet, is de nieuwe wet geen dwangmiddel, maar verplicht ze de regering om slachtoffers van rassendiscriminatie te hulp te komen en het publiek er de ogen voor te openen. Als de wet een afschrikwekkend effect heeft, dan is dat dus niet zozeer het gevolg van repressie maar van een bewustmakingscampagne door de overheid.

    Sinds de wet van kracht is heeft de directie van de afdeling mensenrechten van het Japanse ministerie van Justitie mensen naar de betoging gestuurd die was gepland in Kawasaki, maar ook naar de betogingen die zijn georganiseerd in Fukuoka, op het eiland Kyushu, en in Osaka, om het publiek bewust te maken met behulp van video’s en affiches. Maar, zo benadrukt de directie, ‘de wet voorziet in geen enkele juridische maatregel in het geval van discriminatie’. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur, Sport, Wetenschap en Technologie heeft op zijn beurt aan de onderwijsraden van de prefecturen gevraagd ‘om de geëigende maatregelen’ te nemen. Toen men wilde weten wat daaronder werd verstaan, antwoordde het ministerie: ‘Bij het nemen van maatregelen dient rekening te worden gehouden met factoren als het aantal buitenlanders in het gebied’. Als dit klopt, lijkt het erop dat het ministerie nog twijfelt over de methodes.

    Zullen andere gemeentes het voorbeeld van Osaka volgen door verordeningen in te stellen tegen haatdragend taalgebruik? Toen we het gemeentebestuur van Kawasaki vroegen welke maatregelen zij op het oog hadden, was het laconieke antwoord dat de burgemeesters daarover gingen. Toen we aandrongen, vertrouwde een zegsman ons toe: ‘Nadat betogers de toegang tot een park in Kawasaki was geweigerd, werd gezegd dat mensen een klacht tegen het gemeentebestuur wilden indienen wegens “discriminatie van Japanners”. We zeggen er het liefst zo min mogelijk over.’ Kortom, zowel de plaatselijke overheid als de betogers wachten af welke kant de situatie op gaat.

    Represailles

    Volgens de secretaris-generaal van Seikyusha ‘geeft het feit dat de politie de betoging in juni wilde toestaan aan waar de grenzen van de wet liggen. We kunnen niet van de politie en de plaatselijke overheid verlangen dat ze alles doen. Er is nog een lange weg te gaan.’ Behalve op het gebied van de strijd tegen haatdragend taalgebruik zal Seikyusha ook met het gemeentebestuur samenwerken om verordeningen en richtlijnen te ontwikkelen die de co-existentie van verschillende culturen moeten bevorderen. Volgens Miura weet Seikyusha nog niet in hoeverre de beslissing van Osaka doeltreffend zal zijn. ‘Dat is de reden dat we zo vaak mogelijk een beroep willen doen op deze nieuwe wettekst, om de sterke en zwakke kanten ervan te ontdekken,’ zegt hij. ‘Zo nodig zullen we een herziening eisen.’

    Dat de wijk Sakuramoto als speerpunt is gekozen is omdat de van oorsprong Koreaanse bewoners er in september 2015 in traditionele klederdracht hebben gedemonstreerd tegen de nieuwe nationale defensiewetten, die een andere invulling geven aan de pacifistische grondwet van 1947. ‘Er was duidelijk sprake van represailles,’ verzekert Miura. Alle deelnemers aan deze betoging waren bejaarde leden van Fureai-kan, een centrum voor culturele uitwisseling dat onder Seikyusha valt.

    Kim Bang-ja, een 85-jarige immigrant van de eerste generatie, volgt een schrijfcursus in dit centrum. Toen ze op vijfjarige leeftijd in Japan arriveerde om zich bij haar vader te voegen die in een kolenmijn werkte, moest ze voor haar broertjes en zusje zorgen en kon ze niet leren schrijven. Toen de wet tegen haatdragend taalgebruik afgelopen mei werd aangenomen, was ze als waarneemster aanwezig in het parlement. Ze beschrijft haar indrukken in een opstel dat ze tijdens de les heeft geschreven en zegt daarin hoe afschuwelijk ze het vindt om beledigd te worden. ‘Het wordt hoog tijd dat er een eind komt aan dit gedrag en dat we ons verzoenen,’ schrijft ze. En ze voegt eraan toe: ‘Mensen leren elkaar begrijpen door te communiceren. We moeten ophouden elkaar te haten en nader tot elkaar komen.’

    Auteur: Jun Ida
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)

    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • Het zwarte lichaam

    Het zwarte lichaam

    De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt het Zwitserse bergdorp waar James Baldwin in de jaren vijftig zijn essay ‘Stranger in de the Village’ schreef. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun thuisland ook zo veel veranderd?

    Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis. Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.

    James Baldwin had in 1951 voor het eerst Parijs verlaten om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn. Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht. ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig blank dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.

    Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.

    Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing.’ Ze zou over een trombone kunnen zingen. En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.

    Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika

    ‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.

    Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.

    (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’) – Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’

    Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden blank – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.

    Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.
    Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.

    Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren.

    Dit was de grootste verandering van allemaal. Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en werden omhuld door een onsterfelijk blauw.


    In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’ Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien. Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach tevoorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’

    Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.

    Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.

    Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen. In ‘A Question of Identity’ (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’

    Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.
    Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.

    De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis. En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’. We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.

    Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.

    Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij erbuiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):

    ‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’

    De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.

    Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige blanken, net zoals sommige blanken meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de blanke superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.

    Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “blank” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’

    Stoom van zijn pagina’s

    En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft. Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’

    Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de blanke superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van blanke superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.

    In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist

    Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws. De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had. De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metrotreinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen. Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.

    Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.

    William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’

    ‘... de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.
    ‘… de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.

    Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid. Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep. Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.

    Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en blanken konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel blank Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost blanken een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben. Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?

    Auteur: Teju Cole
    Vertaler: Paul van der Lecq

    Dit is een voorpublicatie uit de nieuwe essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen van Teju Cole (isbn 978 90 234 1487 2, € 24,99, Uitgeverij De Bezige Bij).

    Beeld bovenaan: James Baldwin – © Ted Thai / Getty

    Vrijkaarten masterclass Teju Cole

    Op 23 september opent Teju Cole nieuwe seizoen van academisch-cultureel podium SPUI25 in Amsterdam met een lezing in de Aula van de Lutherse Kerk. Hij treedt daarmee in het voetspoor van onder anderen Stefan Hertmans, Philipp Blom, David van Reybrouck, A.S. Byatt en Karen Armstrong, die in voorgaande jaren het academisch-culturele seizoen van SPUI25 openden. Cole zal spreken over classificaties van ‘de ander’ in literatuur, politiek en samenleving. Na afloop wordt hij geïnterviewd door Stephan Sanders. De lezing is intussen uitverkocht, maar 360 Magazine mag tien kaarten weggeven voor de masterclass die Cole dezelfde middag van 14.00 tot 15.00 uur geeft. Hierin wordt, op basis van het bovenstaande essay, gesproken over het belang van het werk van Cole in Nederlandse context.

    Belangstelling? Stuur dan vóór 15 september een mailtje met uw contactgegevens naar marketing@360international.nl

    schermafbeelding 2016 09 07 om 14 58 32

    Wie is Teju Cole?

    Teju Cole (1975) is schrijver, kunsthistoricus en fotograaf. Hij is ‘Distinguished Writer in Residence’ aan Bard College (New York) en fotografiecriticus voor The New York Times Magazine.

    Teju Cole werd geboren in de VS in 1975 en groeide op in Nigeria, het land waar zijn ouders vandaan komen. Momenteel woont hij in Brooklyn, New York. Hij is auteur van drie boeken. Elke dag is voor de dief werd uitgeroepen tot boek van het jaar door The New York Times, The Globe and Mail, NPR en The Telegraph. Zijn tweede roman, Open stad, won de PEN/Hemingway Award, de New York City Book Award for Fiction, de Rosenthal Award of the American Academy of Arts and Letters en de Internationaler Literaturpreis. Zijn nieuwste boek Vertrouwde en vreemde dingen is een essaybundel over kunst, literatuur en politiek, met onderwerpen variërend van Virginia Woolf en W.G. Sebald tot Obama, Palestina en Boko Haram.

  • Worden Fransen in Zwitserland gediscrimineerd?

    Worden Fransen in Zwitserland gediscrimineerd?

    In haar boek Bienvenue au paradis (‘Welkom in het paradijs’) beschrijft de in Lausanne wonende Franse journaliste 
Marie Maurisse de ‘hel’ waarin expats in Zwitserland leven. Dat raakt bij de Zwitsers een gevoelige snaar.

    meyer3

    JA

    We hebben een probleem met hen.

    Marie Maurisse is een jonge journaliste die passie voor haar beroep uitstraalt, de behoefte om te begrijpen en te vertellen in combinatie met de nodige dynamiek en nieuwsgierigheid. Omwille van de liefde heeft ze haar geboortestreek in het zuidwesten van Frankrijk voor Helvetische dreven verruild 
en zich er een plaats verworven, zowel in de Zwitserse pers als de Franse (eerst Le Figaro, daarna Le Monde).

    Als jonge moeder heeft ze een bitterzoet boek gepubliceerd over haar integratie in Franstalig Zwitserland, waarbij ze persoonlijke ergernissen en feitenonderzoek vermengt om het idee te relativeren, soms op niet mis te verstane wijze, 
dat Zwitserland een eldorado voor expats zou zijn. Een onvolmaakt boek, want subjectief, maar ook een oprecht boek, dat vorige week in 24 Heures is besproken.

    Het gevolg was een stortvloed van commentaren op de website, in het gunstigste geval denigrerend, in het ongunstigste hatelijk, waarbij haar in uiterst subtiele termen 
te verstaan werd gegeven dat ze ‘maar gauw weer terug moest gaan naar Toulouse’. Wat had ze misdaan? Ze had het gewaagd haar gastland te bekritiseren, woorden te wijden aan de kleine misverstanden en diepe malaise waaraan ze in de zeven jaar dat ze bij ons woont was blootgesteld. Na een hele dag ‘Marie bashen’ hebben we, ontsteld, besloten de commentaren, die steeds verder ontspoorden, te blokkeren. Geconcludeerd moet worden dat al die tierende internetgebruikers van Frans-Zwitserse bodem onze collega gelijk gaven.

    De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt

    Integreren in een ander land is nooit makkelijk, zelfs niet als men er dezelfde taal spreekt. Er zijn altijd momenten van onbegrip, het gevoel aan de kant te worden geschoven, er niet bij te horen, ook al doe je nog zo je best. De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt. Het is een bekend fenomeen.

    Wat ook waar is, is dat we in de periode waarover Marie Maurisse spreekt, zijn overspoeld door een golf van volstrekt irrationele en verderfelijke anti-Franse sentimenten. Denk maar eens aan het afkeurende gejoel van het ‘coole’ publiek van het muziekfestival Paléo in Nyon toen Stromae het over grensarbeiders had. Dat was om je rot te schamen.

    Natuurlijk mogen we alle Zwitsers niet over één kam scheren. Maar dat neemt niet weg dat we weleens mogen stilstaan bij wat een goed geïnformeerd iemand ons onder de neus wrijft. Want in dit geval zijn wij het die een probleem met de Fransen hebben, en niet andersom.

    Auteur: Thierry Meyer

    24 Heures
    Zwitserland | dagblad | oplage 105.000

    micheldanthe

    NEE

    Het is een overdreven en ongenuanceerd verhaal. Er zijn tekenen die niet bedriegen, oprispingen die symptomatisch zijn. De reacties op het onlangs verschenen boek van Marie Maurisse zijn daar een voorbeeld van. De jonge Franse journaliste schildert in 200 bladzijden een gitzwart beeld van de hel waarin Fransen in Zwitserland zouden leven. En waarin ons Zwitsers geen cliché bespaard blijft, variërend van drie zoenen geven en Rivella drinken tot het toenemende racisme, het aantal zelfmoorden onder autochtonen, de belastingvluchtelingen, de steden die na tien uur ’s avonds uitgestorven zijn en de kille houding van de bewoners.

    Op de Facebookpagina van Le Temps liep en loopt het nog steeds storm. Iedereen – Zwitsers, Fransen, expats, grensarbeiders – wil zijn ei kwijt, uiting geven aan zijn wanhoop of de eentonige treurzang van Marie Maurisse overstemmen. De internetgebruikers hebben Bienvenue au paradis dus niet gespaard. Neem Fabienne Bogádi, schrijfster en communicatiemedewerkster: ‘Dit onderzoek heeft maar één doel, conflicten 
uitlokken daar waar ze niet zijn. Dat is onfatsoenlijk, respectloos tegenover de mensen in dit land en onnodig kwetsend. Vooral als je bedenkt dat meer dan de helft van de Zwitsers inmiddels minstens één ouder van buitenlandse origine heeft. Als je in een land komt, er werk vindt en er wordt opgenomen, dan begin je met dankjewel te zeggen.’

    Of Selva Del Monte: ‘De enige klacht die ik heb gehoord, is dat mensen soms wat afstandelijk zijn, maar meestal niet alleen tegenover Fransen dus… Ik zou zeggen: “Hou op met die clichés en veralgemeniseringen.”’

    ‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen’

    Symptomatischer zijn de commentaren van grensarbeiders 
en Fransen die de journaliste verwijten dat haar verhaal vooringenomen is: ‘Ik ben een Fransman uit Bresse en ik woon in Zwitserland. (…) Dit boek staat niet voor heel Zwitserland. 
Het zijn vaak de Fransen die niet uit de grensstreek komen 
die kritiek hebben op Zwitserland, het is meer een kwestie 
van onbegrip tussen noorderlingen en zuiderlingen’, aldus Stéphane Escobar.

    Mohamed Seghir constateert: ‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen.’ Philippe Launay-Debnath: ‘Ik werk al vijfentwintig jaar in Zwitserland als grensarbeider, misschien ben ik verblind door mijn liefde voor dit land, maar ik heb vaker nare dingen horen zeggen door Fransen in Zwitserland zelf.’

    Zodat we ons kunnen troosten met de gedachte dat de grootste zwakte van dit boek zijn systematische vooringenomenheid is: dat het niet werkelijk op zoek is gegaan naar getuigenissen die de lucht hadden kunnen klaren, maar alleen uit was op ongenuanceerde zwartmakerij. Met welk doel?

    Michel Danthe

    Auteur: Michel Danthe

    Michel Danthe (1956) is redacteur en plaatsvervangend chef bij Le Temps. Voorheen was hij redactiechef bij Matin Dimanche.

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

  • Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam.
De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.

    Keuze uit het archief

    Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
    Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
    In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’

    Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer
en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd.
Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.



    Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.

    Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.

    Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam 
van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.

    Halloween

    Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.

    Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.

    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images

    Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑
bepalingen de boventoon voeren.’


    Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?

    Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie 
verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.

    Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd

    Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.



    De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑
klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.

    Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.

    Uiterste grens

    Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras
of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.



    Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien.
De huidige studentenactivisten 
verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.