Tag: Drank

  • Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Als veerboot annex drijvende kruidenierswinkel en dorpscafé in een van de meest afgelegen delen van Zuid-Amerika is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen. Nu dreigt de dienst te worden opgeheven.

    Bijna een compleet dorp wurmt zich in een rij over de houten loopplank naar het voordek van de Aquidaban. De Tomáraho hebben enkele dagen terug stroomafwaarts de boot genomen om te stemmen bij de nationale verkiezingen van Paraguay. Daarna hebben ze vier nachten buiten geslapen, in afwachting van de Aquidaban, die hen vandaag weer naar huis brengt.

    Meer dan tweehonderd Tomáraho drommen samen, gehurkt op omgekeerde emmers, opeengepakt in hangmatten of languit op de grond. Niemand weet precies hoeveel reddingsvesten er aan boord zijn, maar bijna iedereen is er zeker van dat er meer passagiers dan zwemvesten zijn.

    ‘De Aquidaban is er al sinds mijn kindertijd,’ zegt Griselda Vera Velázquez (33). Ze is handwerker in het dorp van de Tomáraho, waar geen weg naartoe loopt. Voor haar dochter met het syndroom van Down neemt ze regelmatig de boot naar medische specialisten ruim zeshonderd kilometer verderop. ‘We leven geïsoleerd,’ zegt ze. ‘Er is geen andere manier van reizen.’

    Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden

    Vlakbij drinken vier veedrijvers het ene biertje na het andere en gooien de lege blikjes in de rivier. Ze hebben een maandenlange dienst op het platteland voor de boeg. Een moeder van zes kinderen is na haar scheiding op vakantie. Ze balanceert op de reling van het dek en neemt met luide stem een video op voor haar Facebookvrienden. Op het bovendek wiegt een jong stel uit de omgeving hun dochter van zeventien dagen oud; ze maken een lange reis van het ziekenhuis naar huis.

    Al 44 jaar is het 40 meter lange witte, houten schip de enige reguliere veerdienst die diep binnendringt in de Pantanal, een draslandgebied dat groter is dan Griekenland. Van dinsdag tot zondag vaart het schip 800 kilometer de rivier de Paraguay op en neer, waarbij van alles en nog wat wordt afgeleverd, van crossmotoren tot pasgeborenen. Het benedendek is een drijvende supermarkt, met tien verkopers die de banken waarop ze slapen ombouwen tot kraampjes met groente en fruit, vlees en zoetigheden. Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden.

    Essentieel vervoermiddel

    Behalve een essentieel vervoermiddel, waarmee de mensen uit de omgeving vrijelijk door het gebied reizen, is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen, die al heel lang het handelsmerk van Paraguay is. Dit nergens aan zee grenzende Zuid-Amerikaanse land met zeven miljoen inwoners oefent al generaties lang een grote aantrekkingskracht uit op een gestage stroom van fanatiekelingen, idealisten, utopisten en verschoppelingen van elders. Decennialang was de Aquidaban een van de weinige plekken waar al deze groepen samenkwamen.

    Aan boord zitten mormoonse missionarissen en mennonitische boeren naast lokale leiders en Japanse koks. Moeders geven peuters borstvoeding in een hangmat, boeren binden hun kippen vast aan de reling, jagers verkopen capibara’s zonder kop.

    Maar nu komt er misschien een einde aan het reizen met de boot. In het afgelegen noorden van het land heeft Paraguay nieuwe wegen aangelegd, als onderdeel van een transcontinentale corridor van Brazilië naar Chili, die de Atlantische met de Stille Oceaan verbindt. Deze en andere wegen hebben invloed op de omzet van de Aquidaban. Volgens de familie die eigenaar is van de boot, gaan de zaken steeds slechter.

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren’

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren,’ zegt Alan Desvars (35), mede-eigenaar van het schip. Hij staat op het voordek in een Duits thrashmetalshirt. ‘Dit is misschien wel het laatste jaar.’

    Op de Aquidaban is het vies en luidruchtig. Het eten is van dubieuze kwaliteit en de bemanning chagrijnig. Overal zitten bloeddorstige muggen. Op de vierde dag is de lucht bedompt door de geuren van bederfelijke waren, vee en boerenknechten die terugkeren na maanden in de bush. Maar voor de Desvars, een familie van scheepsbouwers, is de Aquidaban hun grote trots.

    Houten kano’s

    De familie begon bijna een eeuw geleden met de verkoop van houten kano’s langs de rivier, totdat de jongere generatie besefte dat de afgelegen riviergemeenschappen meer nodig hadden dan alleen kano’s. Aan alles was gebrek. Dus bouwden ze met het hout van de roze bloeiende lapacho een schip in de vorm van een lange schoen, dat wordt aangedreven door een oude Mercedes-vrachtwagenmotor. Ze noemden het de Aquidaban, naar een nabijgelegen zijrivier. Het was een schot in de roos. Na de tewaterlating in 1979 moest de bemanning in de havens soms mensen dwingen van boord te gaan om te voorkomen dat het schip zou zinken.

    Sindsdien bevaart de Aquidaban gedurende 51 weken per jaar de rivier met zo’n 10 bemanningsleden en 10 verkopers. Sommigen doen dat al meer dan 25 jaar. ‘Het voelt als familie,’ zegt Desvars. ‘Met sommigen kun je goed opschieten, en er zijn er die je de nek zou willen omdraaien.’ Een rondleiding is na een paar minuten al klaar. De enorme opslagruimte is gevuld met kratten melk, olietanks en televisies. Voorwerpen met afwijkende maten en vormen – bromfietsen, een spiegelkast, een geit – staan op het dek. De verkopers binnen bieden bananen, ingevroren kippen en deodorant aan.

    De vier toiletten lozen rechtstreeks in de rivier; de douches ernaast pompen rivierwater naar binnen. Op het bovendek bieden acht hutten met stapelbedden privacy aan degenen die het kunnen betalen. Voor de volledige riviertocht is het tarief 17,50 euro; een hut kost 12,90 euro extra. De meeste passagiers slapen in hangmatten, op banken of op de grond.

    Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé

    Of ze gaan naar de eetzaal. De kok, Humberto Panza, maakt doorgaans twee gerechten: rijst met taaie stukjes rundvlees of pasta met taaie stukjes rundvlees. De overvloedige verse producten die beneden verkrijgbaar zijn, staan niet op zijn menu. ‘Ik bereid alleen vlees,’ zegt hij. De kantine is waarschijnlijk tevens de hipste bar van de Pantanal.

    Als de Aquidaban op vrijdagavond bij een dorp aankomt, staat er een menigte jonge mensen te dringen. Vanuit de kantine stromen ze de gang op. Ze drinken goedkope blikjes Braziliaans bier en roken sigaretten onder de ‘Verboden te roken’-borden. Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé, vertellen ze.

    De Tomáraho worden gevolgd. Nathan en Zach Seastrand zijn op weg naar hun dorp voor het filmen van wat ze de ‘regendans’ van de Tomáraho noemen. ‘Dat lijkt wel iets uit Indiana Jones,’ zegt Nathan Seastrand, terwijl hij en zijn broer elk een kom met Panza’s stoofvlees naar binnen werken. De gebroeders Seastrand komen uit Utah en zijn jaren geleden als mormoonse missionarissen naar Latijns-Amerika afgereisd. Destijds waren ze gladgeschoren en droegen ze stropdassen en naambordjes met de tekst ‘ouderling Seastrand’.

    Tomáraho

    Nu zijn het bebaarde, langharige socialmedia-influencers zonder shirt; twee bierdrinkende, Spaanssprekende gringo’s die zich in de jungle wagen en honderdduizenden volgers hebben. ‘Veel mensen hebben talent,’ zegt Nathan Seastrand. ‘Maar ze zijn niet stoer, roekeloos of dwaas genoeg.’

    Als zendelingen doopten ze meer dan dertig mensen voor de mormoonse kerk. Maar toen vonden ze op internet een analyse waarin inconsistenties in de leer van de mormonen werden beschreven. ‘Dat was een mokerslag,’ zegt Nathan Seastrand. Ze verlieten de kerk en begonnen berichten te posten. Zoals foto’s waarop ze met ontbloot bovenlijf anaconda’s vasthouden. Nu filmen ze een documentaire over oorspronkelijke gemeenschappen die ze aan het Sundance Film Festival willen aanbieden. De Tomáraho zijn een van de laatste gemeenschappen die ze nog willen bezoeken.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden

    Volgens Nestor Rodríguez, het hoofd van de Tomáraho, die bier drinkt op het dek, is het in de afgelopen twee jaar de vierde groep buitenlanders die door de Aquidaban naar het dorp wordt gebracht. ‘Hun project biedt steun aan de gemeenschap,’ zegt hij. De Seastrand-broers hebben te horen gekregen dat ze moeten betalen om binnen te komen.

    Bij volle maan vaart de Aquidaban naar het dorp. Twintig minuten lang schreeuwen de Tomáraho naar elkaar terwijl ze in het donker naar hun bezittingen zoeken. De Amerikaanse broers houden zich afzijdig. ‘We weten niet waar we terechtkomen,’ zegt Nathan.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden. Al tientallen jaren maken missionarissen gebruik van de boot om de gemeenschappen langs de rivier te bereiken.

    Mormoonse geloof

    De noordelijkste halte, Bahía Negra, is de thuisbasis van misschien wel de meest afgelegen kerk van het mormoonse geloof. Als de Aquidaban er op een ochtend aanmeert, hebben de dorpsbewoners zich al verzameld aan de rand van de rivier, in afwachting van hun wekelijkse drijvende kruidenierswinkel. Onder hen zijn twee jonge mannen met stropdassen, de huidige mormoonse missionarissen, die hier naar eigen zeggen door goddelijke interventie heen zijn uitgezonden.

    ‘Een van de apostelen bekijkt ons, bestudeert onze papieren, leest wat informatie over ons en pakt er een landkaart bij,’ zegt A.J. Carlson (18) uit Fort Worth, Texas. ‘Dan krijgen ze een openbaring.’

    Iets verderop vlecht een groep vrouwen manden in een achtertuin. ‘Voor de kerk er was, hadden we alleen sjamanen,’ zegt Elizabeth Vera (64) over de mormonen. ‘Toen kwamen de Amerikanen.’ Ze wijst naar Carlson. ‘Hij is een boodschapper van Jezus Christus.’

    Emilia Santos reist met de Aquidaban van haar dorp naar een andere kerk. Ze werkt als kok voor de Unification Church in Puerto Leda, een buitenpost in de jungle. Deze religieuze beweging werd opgericht door dominee Sun Myung Moon, een Koreaan die beweerde de nieuwe christelijke messias te zijn, en die miljoenen volgelingen kreeg. Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen.

    Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen

    Deze nederzetting bestaat voornamelijk uit Japanse missionarissen, en Santos heeft er geleerd hoe ze curry’s en sushi moet klaarmaken. Ze heeft weer een dienst van twee weken voor de boeg, zegt ze. ‘En ik reis altijd met de Aquidaban.’ De missionarissen verbouwen tayer en onderhouden twintig visvijvers. Ze hebben ook een paar van hun buren bekeerd.

    Jamby Balbuena, een arbeider die helpt in de viskwekerijen, zit bier te drinken in de kantine van de Aquidaban. Hij is onderweg naar zijn werk in de nederzetting, waar alcohol verboden is. Twee jaar geleden heeft hij zich bekeerd, zegt hij. ‘Ik hou van hun religie, God volgen – dat allemaal.’

    Derlis Martínez ziet er nerveus uit. De 25-jarige politieagent in camouflagepak en gevechtslaarzen vervoert op de overvolle boot zijn eerste gevangene.

    Gekleed in een shirtje en met handboeien om oogt de 37-jarige Agustín Coronel ontspannen. ‘Hij is mijn lijfwacht,’ zegt hij glimlachend. De twee zijn samen op reis vanuit Bahía Negra, waar Coronel werd gearresteerd nadat hij zijn vrouw had geslagen. ‘Ik ben schuldig,’ zegt hij ongevraagd. Martínez moet hem naar een rechtszitting stroomafwaarts brengen. De reis duurt bijna twee dagen. ‘Voor slapen is geen tijd,’ zegt Martínez. ‘Ik moet hem bewaken.’

    Geboeide handen

    Coronel zegt dat hij ook wakker blijft, om zijn reispartner gezelschap te houden. De twee mannen kletsen met elkaar. Over Coronels misstap en zijn berouw, over hobby’s, over het leven. Nippend aan hetzelfde zilveren rietje delen ze een van een runderhoorn vervaardigde beker tereré, een koude mate die populair is in Paraguay. Ze eten zij aan zij in de kantine – Martínez betaalt Coronels maaltijd van zijn eigen geld.

    Om twee uur ’s nachts, nadat ze twintig uur samen hebben doorgebracht, zit Martínez beneden op een bank. Hij staart naar Coronel, die op de vloer ligt met zijn geboeide handen boven zijn hoofd. Ze hebben een band, zegt de gevangene. Martínez aarzelt. ‘Het is mijn werk,’ antwoordt hij.

    Tegen de ochtend zijn ze terug in de kantine en geven toe dat ze voor de machinekamer naast elkaar zijn ingedommeld. Hoe gaat het nu met ze? ‘Geweldig,’ antwoordt Coronel. Tijdens de lange uren in de krappe behuizing van de Aquidaban ‘hebben we vriendschap gesloten’, geeft Martinez toe. 

    Lees ook:

  • De laatste ronde: hoe onze liefde voor alcohol verdween

    De laatste ronde: hoe onze liefde voor alcohol verdween

    Steeds meer jongeren kiezen ervoor om niet te drinken. Maar hoe ziet onze maatschappij eruit zonder alcohol? En kan een alcoholvervanger ons echt een roes zonder risico’s bieden?

    Keuze uit het archief

    Het jaar 2024 is bijna ten einde. Voor sommigen betekent dit dat de tijd van de goede voornemens weer is aangebroken. Een van die voornemens is om het jaar met een alcoholvrije maand te beginnen, de zogeheten Dry January. Dit artikel van The Guardian van twee jaar geleden laat zien hoe door de jaren heen steeds meer mensen er bewust voor zijn gaan kiezen om de drank te laten staan.

    Proost en mazzeltov! Halverwege januari merkten we dat ons lichaam het door alle feestelijke frivoliteiten zwaar te verduren had. Maar op de een of andere manier hebben we de ondraaglijke opeenstapeling van katers weer overleefd. We hebben de glasbakken gevuld en de flessen bubbels uit het zicht en uit het hoofd gezet. En voornemens in de trant van ‘een nieuw jaar, een nieuwe ik’ kunnen we inmiddels weer achter ons laten. Iemand zin in een biertje?

    Of heb je daar dit jaar toch net wat minder trek in? Je zou zeker niet de enige zijn die in 2023 overweegt om voorgoed te stoppen: welkom in het tijdperk van de sober-curious, de nieuwsgierigen naar nuchterheid. Blijkbaar bestaat er een steeds grotere beweging van mensen die willen uitvinden hoe een leven zonder alcohol eruitziet. Onder jonge Britten spreken de cijfers voor zichzelf. Het percentage 16- tot 24-jarigen in Engeland dat aangaf maandelijks te drinken daalde tussen 2002 en 2019 van 67 procent naar 41 procent. En hoewel de statistieken niet aantonen dat oudere volwassenen de drank voorgoed laten staan, is er toch iets aan het verschuiven. Volgens de organisatoren van Dry January probeerde een op de zes Britse volwassen alcoholdrinkers dit jaar mee te doen. Ooit waren alcoholvrije biertjes een marginaal verschijnsel, tegenwoordig liggen ze in de schappen van de supermarkten door het hele land. Een 0,0-bestelling gaat niet langer vergezeld van vragen over zwangerschap of verbaasde blikken.

    Tot voor kort ging ik ervan uit dat millennials los stonden van deze nieuwe generatie geheelonthouders en dat dit het domein was van Generatie Z. Maar onlangs merkte ik een verandering op. Nu zie ik een constante stroom van berichten in de tijdlijnen van mijn sociale media waarin vrienden – van eind twintig of begin dertig – aankondigen dat ze zomaar uit zichzelf voor een nuchter leven hebben gekozen.

    De meesten van hen stoppen niet vanwege een zogenaamd drankprobleem: ze besluiten gewoon dat ze beter af zijn zonder. Ook in de datingscene wordt dit zichtbaar. Volgens de app Bumble is een derde van haar Britse gebruikers nu meer geneigd om op een dry date te gaan dan voor de pandemie. En bijna twee derde gelooft dat nuchter daten leidt tot een duurzamere relatie.

    Exponentieel

    Ik kan niet beweren dat ik tot een generatie van onwelwillende drinkers behoor. In mijn tienerjaren werd drank vereerd als het toppunt van de zo felbegeerde volwassenheid. Mijn leeftijdgenoten waren tijdens de vroege pubertijd geen bijzonder zware drinkers, maar dat was een kwestie van vraag en aanbod. Toen ik vijftien was, pikte ik een paar biertjes uit het keukenkastje. Al snel werden de flessen sterke drank van mijn vader langzaam maar zeker verdund. De avond na mijn eindexamen gingen we met een groep kamperen. Tijdens het opzetten van de tenten tikte ik een tweeliterfles Strongbow-cider achterover en ik viel meteen in slaap.

    Op de universiteit nam het drinken exponentieel toe. We waren beter op de hoogte van de nieuwste aanbiedingen bij de slijter dan van onze lesstof, twee flessen ‘witte Italiaanse’ voor vijf pond vormden het ideale begin van de avond – van wat voor avond dan ook. Nu ik de dertig nader, ben ik gematigder geworden. Tequila Tuesdays? Mogen ze rusten in vrede. Desondanks vormt het nuttigen van alcohol zonder twijfel nog altijd een hoeksteen van mijn sociale leven, ondanks mijn Sober October-poging in 2017. Veel leuke ervaringen uit mijn jeugd – en, eerlijk gezegd, ook uit mijn volwassen leven – waren op z’n minst enigszins drankovergoten. Maar dat geldt blijkbaar niet voor iedereen.

    In Japan schreef de regering een wedstrijd uit om drinken onder jongeren te stimuleren

    De uitdrukking sober-curiosity [nuchtere nieuwsgierigheid] werd populair in 2018, maar de verandering in drinkgewoonten gaat verder terug. Amy Pennay, senior onderzoeker aan La Trobe University’s Centre for Alcohol Policy in Melbourne, volgt wereldwijd de alcoholconsumptie. ‘In rijke landen zien we zeker dat jongeren minder gaan drinken,’ aldus Pennay. En dat is al gaande sinds de millenniumwisseling. ‘De VS waren koploper in 1999,’ zegt Pennay. ‘In IJsland, Zweden en de andere Scandinavische landen begon de daling in 2001. Daarop volgden de overige West-Europese landen, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Vervolgens, rond 2005, ook het overige grootste deel van Europa.’ Alcohol is een belangrijke bron van belastinginkomsten; in Japan schreef de regering zelfs een wedstrijd uit om drinken onder jongeren te stimuleren.

    ‘Wanneer het alcoholverbruik in een land verandert, zie je dat normaal geproken terug in alle delen van de bevolking,’ zegt Penney. ‘Maar nu blijven ouderen drinken, terwijl de gewoonte bij jongeren afneemt.’ Deze generatie, zegt ze, is dus de drijvende kracht achter een verschuiving die niet kan worden verklaard door traditionele factoren zoals veranderde vergunningen, recessie of oorlog. Vooralsnog is het onduidelijk of jongeren ook later beginnen met drinken. Maar als de huidige trend doorzet, zou alcohol op een dag wel eens achterhaald kunnen zijn.

    Alternatief

    Om vier uur ’s middags op een winterse donderdag is het druk aan de bar van de studentenvereniging Liverpool University Guild. Een groepje studenten staart naar hun laptop; ernaast nippen twee ouder uitziende gasten, verwikkeld in een verhitte discussie, aan een cappuccino. Het is nog vroeg, maar voor een studentencafé wordt er verrassend weinig gedronken; ik tel slechts een handvol dat een middagbiertje drinkt. Het past wel dat ik hier zit met het hoofd van de Sober Society van Liverpool – een naam die tot voor kort nogal onconventioneel was. De Sober Society, opgericht in het vorige academiejaar, is een nieuwe naam op de lijst van studentenorganisaties hier, maar zeker niet de enige club in zijn soort die de afgelopen jaren opdook. UCL, Queen Mary’s, York en Leeds zijn slechts enkele van de vele instellingen die voor ‘nuchter-nieuwsgierige’ groepen alcoholvrije evenementen organiseren.

    Joey Duckworth, nu drieëneenhalf jaar geheelonthouder, is sinds september vorig jaar voorzitter. Een logische stap voor de zeventwintigjarige student astrofysica. Op zijn negentiende ging hij voor de eerste keer naar de universiteit, maar hij had moeite om bij te blijven en stopte. In de daaropvolgende jaren, zegt hij, werd drank een probleem. Tegen de tijd dat hij zich opnieuw inschreef, was dat definitief verleden tijd. ‘Er bestaat nog steeds een zware drinkcultuur op de universiteit,’ zegt hij, ‘en Liverpool staat bekend om zijn nachtleven.’ Op de meest recente beurs voor eerstejaars bemande Duckworth de Sober Society-kraam en keek hij eens rond bij andere uitgestalde aanbiedingen. ‘Allemaal boden ze vooral alcoholgerelateerde evenementen aan: kroegentochten, ontmoetingen in pubs, drinksessies… Wij willen een alternatief bieden voor wie niet of minder wil drinken.’

    We gaan naar een zaaltje in een aangrenzend gebouw. Daar zijn dertig studenten bijeengekomen voor een sober social, een alcoholvrij samenzijn, voorzien van een stapel bordspellen. Vorig jaar ging het tijdens deze bijeenkomsten vooral over de relatie van de aanwezigen met alcohol. Nu is de belangrijkste functie om vriendschappen te laten opbloeien zonder drank. Eerstejaarsstudent Hannah drinkt af en toe, maar vindt de mate waarin op de campus gedronken wordt buitenproportioneel; Isabella, 18, houdt niet van de smaak noch van het idee dat ze geen controle meer heeft. ‘Het is alsof er nu minder druk bestaat om te drinken,’ zegt Angelina, 19. ‘Er zijn ook zoveel redenen om het niet te doen, zoals lichamelijke en geestelijke gezondheid. En het is duur en door de katers kun je je moeilijk op je werk concentreren.’

    Tien jaar geleden leek de mentaliteit op de campussen: ‘Drink je er maar doorheen’. De huidige lichting daarentegen schaamt zich niet om nee te zeggen. Generatie Z, nog meer digital native dan de millennials, is beter geïnformeerd over de gevaren van alcohol. In mijn tienerjaren leek het volkomen normaal om foto’s van dronkenschap te uploaden naar het pas opgerichte Facebook; tegenwoordig begrijpen jongeren de gevaren van deze onlinebeelden. Simpel gezegd, ze zijn zelfbewuster. De universiteit wordt steeds meer gezien als een weg naar de arbeidsmarkt, niet als een tussendoortje. Drinken leidt af bij de zware strijd om een baan.

    De gin-o’clock-cultuur en prosecco-drinkende ouders hebben alcohol misschien wel oncool gemaakt

    Het is ook mogelijk dat drank uit de mode is geraakt. De gin-o’clock-cultuur en prosecco-drinkende ouders hebben alcohol misschien wel oncool gemaakt. Er zijn tekenen dat jongeren steeds vaker illegale drugs gebruiken. En er is ook nog de kostencrisis: alcohol is een luxe die velen zich niet kunnen veroorloven. In plaats van zichzelf wezenloos te drinken, voelen jongeren de druk om productief te zijn, hetzij op het werk, hetzij door te proberen de wereldwijde klimaatramp op te lossen.

    Weinig mensen kunnen dit fenomeen beter uitleggen dan Millie Gooch, oprichtster van de Sober Girl Society, een grote onlinegemeenschap van niet-drinkende jonge vrouwen, die ook regelmatig live-evenementen organiseert. Gooch, nu 31, was vroeger een grote drinker. ‘Toen ik 26 was,’ vertelt ze, ‘was mijn leven een cyclus van uitgaan, dronken worden, een kater en dan weer van voren af aan. Op een ochtend werd ik wakker en realiseerde ik me: dit kan zo niet doorgaan.’

    Een vloedgolf van nieuwe boeken en onlinebronnen bood haar al direct houvast. ‘Google maar eens sober-curiosity– er is zoveel te vinden,’ zegt Gooch. ‘Podcasts, influencers, online-artikelen – de generatie van onze ouders beschikte niet over al deze bronnen.’ Technologie is ook een factor. ‘Je wilt niet dronken viraal gaan op TikTok – dat is iets wat zomaar kan gebeuren. Onze ouders hoefden als ze wakker werden niet te denken: “Shit, heb ik nou gisteravond mijn ex vijftien keer gebeld?” Als ik wakker werd met een kater zag ik vrienden op Instagram die stoelen aan het opknappen waren of iets anders nuttigs deden. Ik voelde me schuldig dat ik het weekend dan wel dronken, dan wel in bed had doorgebracht.’

    Gooch predikt geen evangelie van geheelonthouding of onthouding. Haar organisatie is geen alternatief voor Anonieme Alcoholisten. ‘Ik wil gewoon dat mensen zien dat er een andere relatie met alcohol mogelijk is,’ zegt ze. ‘Toen ik nog dronk had ik een leuke avond zolang ik de hoeveelheid onder controle hield. De problemen ontstonden pas als ik te ver ging.’

    Voetstuk

    Dus waarom zou je het risico nemen? Als we alleen naar de medische gegevens kijken, is alcohol zeker een plaag voor de wereldbevolking. Een studie in The Lancet uit 2018 meent dat er ‘geen veilig niveau van alcoholconsumptie’ bestaat, en raadt regeringen aan om totale onthouding te adviseren. Een recenter artikel, gepubliceerd in hetzelfde medische tijdschrift, stelde dat mensen onder de veertig jaar alcohol moeten vermijden omdat het nuttigen ervan aanzienlijke gezondheidsrisico’s en geen voordelen met zich meebrengt. Zoals hoofdauteur Emmanuela Gakidou het formuleert: ‘Onze boodschap is simpel: jongeren moeten niet drinken.’

    Maar ondanks alle nadelen van recreatief drinken, kan het ook gewoon leuk zijn. Eeuwenlang speelde alcohol een grote rol in onze meest gedenkwaardige avonturen; drank hielp ons om los te komen. Het vooruitzicht van een generatie geheelonthouders – die zich nooit zal overgeven aan de geneugten van de roes vanwege de onophoudelijke druk van het eenentwintigste-eeuwse leven – stemt enigszins somber, bijna triest. Is dat mijn eerste flirt met de ‘in mijn tijd was alles beter’-fase van het ouder worden? Of zou het kunnen dat ondanks de rationele redenen voor onthouding, er ook echt iets verloren gaat?

    Alcohol is in de westerse cultuur lange tijd op een voetstuk geplaatst. Maar volgens sommigen zwaait de slinger nu te ver de andere kant op.

    In Drunk, zijn boek uit 2021, worstelt Edward Slingerland met deze vraag. Als hoogleraar filosofie aan de Universiteit van British Columbia gelooft hij dat de huidige consensus over alcoholgebruik niet helemaal juist is. ‘We hebben te vaak een beperkte kijk op de rol die alcohol heeft gespeeld in de vorming van de samenleving,’ stelt Slingerland in een gesprek via Zoom. De focus op berichten over de volksgezondheid gaat volgens hem voorbij aan andere, minder tastbare voordelen van drank in ons leven. ‘Natuurlijk,’ maakt Slingerland duidelijk, ‘is het totale netto fysiologische effect van alcohol negatief. Puur vanuit gezondheidsperspectief bekeken kun je er maar beter vanaf blijven. Maar als je een bredere wetenschappelijke, antropologische en historische blik op alcohol werpt, gaat het niet alleen om de medische kant.’ Kijk maar naar het menselijk brein, betoogt Slingerland; dat kan een goede reden zijn om jezelf nog eens een glas in te schenken.

    ‘De prefrontale cortex (PFC),’ legt Slingerland uit, ‘speelt een centrale rol bij het uitvoeren van cognitieve controle. Hij stelt je in staat om gefocust te blijven en taken af te ronden.’ Of het nu gaat om planning, besluitvorming of het matigen van gedrag, de PFC is er een integraal onderdeel van. ‘Maar het mes snijdt aan twee kanten,’ aldus Slingerland, ‘want de PFC is ook beperkend: sommige inzichten vereisen creativiteit en het vermogen buiten de kaders te denken.’

    En dat, gaat Slingerland veder, is waar alcohol om de hoek komt kijken. Simpel gezegd kan alcohol de PFC kalmeren en onze geest verruimen. ‘Alcohol is als een culturele technologie, die we hebben ontwikkeld om ons even terug te voeren naar de hersenen van een vijfjarige,’ meent Slingerland. ‘We worden er flexibeler en creatiever van. Na een paar uur is het effect uitgewerkt en kunnen we de resultaten noteren.’ Door de geschiedenis heen werd alcohol overal ter wereld geassocieerd met creatievelingen: kunstenaars, dichters, grote denkers. ‘En dit is geen mythe,’ zegt hij. ‘Er zijn stevige bewijzen dat alcohol de creativiteit verhoogt. En dat is wat we als samenleving ook nodig hebben.’

    Ik voorspel een minder creatieve en meer geatomiseerde samenleving

    Daarnaast kan alcohol een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van relaties. Door de PFC tijdelijk uit te schakelen, zijn we geneigd andere mensen meer te vertrouwen en opener te zijn. ‘Zoals handen schudden begon als een manier om te laten zien dat we geen wapens dragen,’ zegt Slingerland, ‘is het als we een biertje drinken – ofwel onze PFC uitschakelen – alsof we onze mentale wapens aan de kant zetten. Door de PFC te ontspannen, is het moeilijker om te liegen of onoprecht te zijn.’ En, voegt hij eraan toe, alcohol stimuleert de aanmaak van chemische stofjes zoals dopamine, serotonine en endorfine, waardoor we ons prettig voelen. ‘Die maken ons niet alleen minder geneigd om vals te spelen; doordat we ons positief ten opzichte van elkaar opstellen, ontstaat er bovendien een band die cruciaal is voor ons menszijn.’

    Hetzelfde resultaat kan worden bereikt met andere stoffen. Bedwelmende middelen zoals cannabis kunnen soortgelijke functies vervullen, hoewel de effecten minder uniform zijn. En de genoemde effecten kunnen ook ontstaan door bijvoorbeeld slaaponthouding of inspannende groepswandelingen. In religies en culturen die alcohol beperken, zegt Slingerland, worden vaak andere praktijken toegepast. Maar zonder dergelijke alternatieven, concludeert hij, zou er iets verloren gaan. ‘Het zou zorgwekkend zijn als deze effecten teniet worden gedaan. Ik voorspel dan een minder creatieve en meer geatomiseerde samenleving. Als het klopt dat jongeren in een sociale omgeving minder vaak in een roes verkeren, voorspel ik een afname van innovatie en ook van samenwerking.’

    Slingerland verwoordt wat een gelegenheidsdrinker als ik niet helemaal kan plaatsen. Waarom houden we toch vol, ondanks het feit dat we weten dat alcohol enorm verslavend is, tot allerlei ziekten leidt en in 2021 de oorzaak was van bijna tienduizend sterfgevallen in het Verenigd Koninkrijk? Alcohol is blijkbaar ook functioneel en voor velen de risico’s waard. Gelukkig lijkt er binnenkort een oplossing voor deze paradox te komen.

    Sentia

    Professor David Nutt is een van de belangrijkste Britse drugsexperts. De laatste jaren probeert hij een vervanger voor alcohol samen te stellen. Het gaat hem er niet om de smaak van wijn of bier na te bootsen – wat in feite dure frisdranken oplevert – maar om een effect dat ook hij ‘functioneel’ noemt. ‘Als alles volgens plan verloopt,’ legt hij uit, ‘hebben we binnenkort een ingrediënt dat aan elke drank kan worden toegevoegd om de sensatie van een paar eenheden alcohol te creëren. Zo worden duidelijke sociale voordelen gereproduceerd zonder risico’s.’

    Er is al één product op de markt: Sentia, een natuurlijke, plantaardige drank die zich richt op bepaalde zenuwreceptoren om de ervaring van die eerste paar glazen na te bootsen. ‘En we hebben ook een nieuwe molecuul uitgevonden,’ aldus Nutt. ‘Die heet Alcarelle, en wordt momenteel getest op voedselveiligheid. Alcohol is de ultieme sociale drug. Er is een goede reden om het te gebruiken. We willen een alternatief vinden dat de positieve effecten heeft, en tegelijkertijd een heleboel levens spaart.’

    De medische redenen om geen alcohol te drinken zijn evident. En net zoals we blij mogen zijn dat minder jongeren roken, mogen we het vanuit gezondheidsoogpunt ook waarderen dat het alcoholgebruik afneemt. Maar als je verder kijkt, zie je dat gezondheid niet de enige drijfveer is achter de beweging van nuchtere nieuwsgierigen. Of het nu de druk is van sociale media, het onderwijs, de economie of de arbeidsmarkt, misschien hebben jongeren moeite zich over te geven aan een middel dat je tijdelijk afleidt van alle spanningen van het moderne leven. En dat, denk ik, zou wel eens zorgelijk kunnen zijn.

    Alcohol – meestal met mate – heeft veel plezier in mijn leven gebracht. Dat waardeer ik en daar komt mijn liefde voor drinken vandaan. Vooralsnog lijkt het erop, zoals wel vaker, dat jongeren verstandigere keuzes maken dan degenen voor hen. Gelukkig biedt de wetenschap binnenkort mogelijk een oplossing waarmee de genoegens behouden blijven terwijl de potentiële schade enorm kan worden beperkt. Interessante stof dus voor in de kroeg vanavond, of tijdens een inspannende nachtelijke groepswandeling.

    Dit artikel werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.

  • Italië verzet zich tegen Ierse waarschuwingen op wijn

    Italië verzet zich tegen Ierse waarschuwingen op wijn

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Meer dan 4300 doden bij aardbeving in Turkije en Syrië

    » Zelensky mogelijk deze week op bezoek in Brussel

    Italië tegen stigmatisering van wijn

    De wens van Ierland om het vermelden van de gevaren van alcoholmisbruik verplicht te stellen op wijn, bier en gedistilleerd is prima, maar het mag niet leiden tot stigmatisering van het drinken van wijn, want dat is gezond als het met mate gebeurt. Aldus de Italiaanse minister van Landbouw en Voedsel, Francesco Lollobrigida – inderdaad familie van de onlangs overleden actrice Gina – na een ontmoeting met zijn Ierse collega Charlie McConalogue op een bijeenkomst van Europese landbouwministers. Italië protesteert tegen de voorgestelde etikettering op wijn – naar voorbeeld van die op pakjes sigaretten – en wil dat de EU de zaak zo nodig voorlegt aan de Wereldhandelsorganisatie, aldus ANSA.

    Italiaanse wijnproducenten vrezen dat de export, jaarlijks 60 miljard euro, door de etikettering zal worden getroffen. Ze werken daarom met collega’s in Frankrijk, Spanje en andere belangrijke wijnproducerende landen aan een gezamenlijke verklaring.

    Lollobrigida zei na zijn gesprekken met McConalogue: ‘Er mag geen stigma komen op producten die, mits met mate geconsumeerd, in feite bijdragen aan het welzijn, en dat is wat wijn volgens ons doet.’

    Lees ook:

  • De Mezcalhausse: van armeluiselixer tot hip drankje

    De Mezcalhausse: van armeluiselixer tot hip drankje

    Dankzij een forse investering van de regering en internationale belangstelling, voedt de productie van de lokale sterke drank mezcal in Oaxaca, een zuidelijke deelstaat van Mexico, 125.000 gezinnen. Hoe een voorheen illegaal gestookte drank een hele regio uit de slop trok.

    Het epicentrum van de drank die de wereld wil veroveren is een dorpje van minder dan vijfduizend inwoners in een van de armste regio’s van Mexico. Santiago Matatlán, in de deelstaat Oaxaca, is het paradijs voor de mezcalliefhebber. En tevens een verplichte stop voor wie een graantje wil meepikken van de handel die jaarlijks 7,4 miljoen liter alcohol verspreid over 68 landen omvat. Als iemand twintig jaar geleden ook maar met de gedachte aan zoiets had gespeeld zou hij voor gek zijn verklaard. 

    GettyImages 1247945208
    El Sabino distilleert mezcal in Santiago Matatlán met een ‘denominación de origen’. – © Alfredo Martinez / Getty Images

    Waar men het vroeger had over gehuchtjes en dorpsfeesten ter ere van de beschermheiligen heeft men het nu over terroir en exclusieve proeverijen. Waar vroeger rosmolens stonden vind je nu Italiaanse en Japanse investeerders. Wat vroeger langs de kant van de weg in een oud colaflesje werd verkocht, zit nu in een karaf van geslepen kristal bekleed met platina, waarvoor op een veiling in Frankrijk 55 duizend euro werd neergeteld. Het elixir van de armelui is een hip drankje geworden. 

    Als het oudste drankje van Mexico langs je keelgat glijdt, voelt dat alsof je mond in brand staat

    Toen mezcal in 2015 enorm in de lift zat, investeerde de deelstaatregering van Oaxaca 17,5 miljoen in de aanleg van de Ruta del Mezcal. Tientallen stokerijen in Matatlán in de regio Valles Centrales bieden op die route hun producten aan: mezcal cristalino (wit) en mezcal añejo (bruin), de gerijptere soorten en de jongere. Mezcal lijkt op niets wat je eerder hebt geproefd. Als het oudste drankje van Mexico langs je keelgat glijdt, voelt dat alsof je mond in brand staat. Neem nog een slok. Bij de tweede teug proef je kruiden, fruit of rokerige tonen. De trouwe drinkers zullen beweren dat mezcal meer nuances bevat dan whisky of cognac. Het drankje kan van een plant komen die men 35 jaar lang heeft laten groeien. Het kan gefermenteerd zijn met een most met een brede schakering aan aroma’s. Het kan afkomstig zijn van een droge of juist een natte streek. Het is een mysterie, net als zijn oorsprong: daar waar de Arabisch distilleerketel, de traditionele Europese hang naar sterke drank en complexe inheemse tradities in Zuid-Amerika bij elkaar komen. 

    Op de velden van Santiago Matatlán geselt de zon de landbouwgrond en schieten de agaveplanten als zwaarden om hoog. De espadín – het zwaard –, agave angustifolia, is de agaveplant die het vaakst wordt gebruikt voor de productie van dit drankje. Anastasio Santiago is tachtig jaar oud en heeft op zijn enorme land duizenden planten staan, ze heten magueyes, agave of mezcal, afhankelijk van aan wie je het vraagt. In 1590 noemde de Spaanse jezuïet en historicus José de Acosta de maguey de ‘wonderboom’ en een ‘miraculeuze’ plant. 

    Stille revolutie

    Het jongste wonder dat aan de maguey wordt toegeschreven is de wederopstanding van mezcal. Er heeft zich een stille revolutie voltrokken die meer dan 125.000 gezinnen voedt. Don Tacho, zoals iedereen hem noemt, bewerkt sinds 1956 dagelijks zijn land. In een marktsector waar steeds meer heren in pak zijn te vinden, blijft hij zijn grond bewerken. ‘De maguey heeft ons veel gegeven, ik kan hem niet aan zijn lot overlaten,’ zegt hij bedachtzaam. Toch snapt hij de mezcalmarkt als geen ander. Hij is wees sinds zijn zevende en heeft niet gestudeerd, maar hij heeft wel zes mezcalmerken en produceert maandelijks tienduizend liter voor 400 Conejos, een merk dat hoort bij het tequilaconcern Casa Cuervo, een van de populairste in Mexico. 

    Je hele leven investeren in mezcal klinkt nu als een gouden idee en een sprookje dat werkelijkheid wordt. In de jaren negentig was dat niet zo. Agaveplanten die er jaren over deden om volwassen te worden, werden door de producenten verkocht voor 0,2 peso per kilo, minder dan één eurocent. De tussenhandelaren maakten misbruik van de wanhoop van de boeren en mezcalproducenten door ze woekercontracten aan te bieden: ze kochten hun hele opbrengst op tegen een ridicuul lage prijs die de boeren en producenten accepteerden uit noodzaak of uit angst dat de oogst verloren zou gaan. ‘Die lui hebben ons genaaid,’ vat Santiago de situatie samen. 

    GettyImages 1247944067
    © Alfredo Martinez / Getty

    Dat er alleen maar agaveplanten groeiden en de handel in mezcal moeizaam ging, leidde ertoe dat de bevolking in die lastige jaren in groten getale naar de Verenigde Staten emigreerde. Joel Santiago, Don Tacho’s zoon, beproefde eerst zijn geluk in Los Angeles en daarna in Las Vegas. De familielegende wil dat hij midden jaren negentig een beetje mezcal bij zich had en dat hij de potentie van deze goudmijn zag. Hij besloot toen terug te keren naar Mexico en een zaak op te zetten. Rond die tijd, in 1994, besloot de Mexicaanse overheid mezcal een denominación de origen (herkomst- en kwaliteitsgarantie) te verlenen net als tequila, het belangrijkste product van Mexico. 

    Vroeger werd gezegd dat je ervan ging ‘hallucineren’, dat het ‘gevaarlijk’ of zelfs ronduit ‘schadelijk’ was

    Bijna tien jaar voor de mezcalhausse werd de kwaliteitsgarantie ingevoerd. Dat bleek doorslaggevend. Dronk je vroeger mezcal dan werd je de kerk uitgezet, met als gevolg dat het drankje tot eind jaren tachtig illegaal werd gestookt. Dat bleek een voedingsbodem voor negatieve verhalen: dat je ervan ging ‘hallucineren’, dat het ‘gevaarlijk’ of zelfs ronduit ‘schadelijk’ was. Maar nu mocht de mezcal zich op culinair niveau meten met wijnen uit La Rioja of kaas uit Camembert. 

    analuisa gamboa gxP 96CoEi0 unsplash
    © Unsplash

    Maar de kwaliteitsgarantie brengt een groot dilemma met zich mee. Tot 1994 was de mezcalhandel van niemand. Hierdoor beweerden kwade tongen dat er met producten werd geknoeid of dat er namaakproducten in omloop waren. Ook was de markt kwetsbaar door de plotselinge opkomst van Japanse of Chinese mezcalmerken. Maar de norm die tot dit enorme succes leidde, zette het overgrote deel van de eenvoudige boeren en producenten buitenspel omdat ze niet aan de kwaliteitseisen kunnen voldoen. ‘We moeten concurreren met wereldspelers en beseffen dat we nooit zullen winnen,’ klaagt Gonzalo Martínez, mezcalmeester van Macurichos, een hoog aangeschreven lokaal merk dat maar tweehonderd liter per maand produceert. 

    Meer dan twee derde van de totale productie wordt geëxporteerd. Vooral naar de Verenigde Staten, waar zeven van de tien flessen terechtkomt. Ver daaronder staat Spanje met 6 procent op de tweede plaats. Omdat de maguey er zo lang over doet om te volgroeien, duurt het ambachtelijke productieproces acht tot twaalf jaar. Voor het flessen van een liter mezcal is dertig kilo agave nodig, zeven kilo stookhout voor het distillatieproces en maar liefst twintig liter water. Daar komt bij dat mezcal in Mexico vanwege het alcoholpercentage net zoveel accijns moet afdragen als industriële likeur zoals rum of wodka, die veel goedkoper en eenvoudiger geproduceerd kunnen worden. 

    Concurrentie

    Het drankje vindt zijn weg naar Mexico-Stad en de grote wereldsteden, en de productie is de afgelopen tien jaar met 700 procent toegenomen en intussen is niets meer hetzelfde. De emigranten zijn teruggekeerd. De kostprijs van de grondstof is omhooggeschoten naar 15 peso per kilo, vijfenzeventig keer zo duur als in de jaren negentig. Diefstal van agaveplanten en illegale handel zijn steeds normaler geworden. En de concurrentie is moordend. Bij het Mexicaanse Instituut voor Intellectueel Eigendom staan vijftienhonderd bedrijven geregistreerd die in hun bedrijfsnaam het woord mezcal voeren, van Jiménez tot Bryan Cranston en Aaron Paul, hoofdrolspelers van de serie Breaking Bad.

    GettyImages 1247940178 1
    © Alfredo Martinez / Getty
    david garcia sandoval h2 H 7FPbnw unsplash
    © Unsplash

    In maart, toen de termen ‘mondkapje’ en ‘anderhalve meter afstand’ nog niemand iets zeiden, kwamen er hordes buitenlandse toeristen naar de bars, proeverijen en rondleidingen in de stad Oaxaca die van mezcal een toeristisch speerpunt had gemaakt. 

    De mezcalpioniers die contact zochten met afgelegen boerengemeenschappen om het drankje naar de grote steden te brengen, voelen zich nu verplicht ervoor te zorgen dat deze trend niet ten koste gaat van de inheemse cultuur. Maar de mezcal heeft ook ongekende voorspoed gebracht. Boeren hebben internationale prijzen gekregen. Die faam heeft de mezcalproducenten gerehabiliteerd. De hoop leeft dat men kan leven van een drankje dat eeuwenlang in het verdomhoekje zat. Terwijl de discussie over globaal dan wel lokaal, industrieel dan wel ambachtelijk in volle gang is, lijkt de mezcalhandel wel een droom waaraan geen einde mag komen. Het antwoord zit hem misschien in dit inmiddels populaire Mexicaanse spreekwoord: ‘Zit je in de val, drink mezcal, bij goed weer, des te meer, heb je stress, neem een hele fles.’

  • Hoe alcohol mijn leven overnam

    Hoe alcohol mijn leven overnam

    Journalist William Leith stopte elk jaar van 1 januari tot zijn verjaardag op 30 april met drinken, maar de overige maanden had hij nooit genoeg. Tot hij vijf jaar geleden onverwacht besloot ‘toch maar niet’ opnieuw te beginnen. Sindsdien probeert hij de magische aantrekkingskracht van zijn lievelingsdrug te doorgronden.

    Keuze uit het archief

    Journalist William Leith is een expert in Dry January – gedurende de hele maand januari geen alcohol nuttigen. Sinds 2013 drinkt hij zelfs helemaal niet meer. In dit essay lees je hoe hij het volhoudt en wat hij van zijn geheelonthouderschap heeft geleerd.

    Mijn laatste glas alcohol heb ik vijf jaar geleden genomen, in de heel vroege ochtend van 1 januari 2013. Het zal om een uur of twee zijn geweest. Ik zou mezelf toen niet dronken genoemd hebben. Ik zou zeggen dat ik er een paar op had. Maar ik was dronken. Als ik had geprobeerd auto te rijden of te schrijven of een praatje voor publiek te houden, had ik het er heel slecht vanaf gebracht. Niet gelukkig, maar ook niet verdrietig, hief ik het glas en slikte de drank door. Het was een soort vruchtenbowl.

    Op dat moment wist ik niet dat het echt mijn allerlaatste drankje zou zijn. Ik dacht dat ik niet meer zou drinken tot mijn verjaardag op 30 april. Tien jaar lang had ik ieder jaar de eerste vier maanden doorgebracht als geheelonthouder, op twee uitzonderingen na: ik ben een keer op 27 april begonnen, omdat ik op een woonboot was in een haven waar ik een glas wijn aangeboden kreeg. Ik haatte mezelf vanwege die drie dagen. Ook ben ik een keer pas in maart gestopt, maar toen heb ik mezelf gestraft door acht maanden droog te staan in plaats van vier.

    Maar misschien was dat droogstaan niet echt een straf, heb ik vaak gedacht. Ik vond het wel prettig. Ik sliep beter. Ik viel af. Mijn huid werd frisser. Ik voelde me echt fitter. Ik kon me beter concentreren, kon in een paar uur een boek uitlezen, mijn geest was scherper. Ik voelde me lichter, gelukkiger. Ik kwam niet meer zweterig en naar de drank ruikend te laat op afspraken. Ik had meer tijd. Ik herinner me een gesprek dat ik had na vijftien weken geheelonthouding; de man met wie ik sprak zei dat hij niet kon geloven hoe jong ik eruitzag. En dat meende hij echt. Droogstaan is de beste verjongingskuur.

    En dan kwam mijn verjaardag weer, mijn drankdag. Van tevoren was ik al zenuwachtig, een vervelend gevoel omdat ik eigenlijk niet meer wilde gaan drinken, gecombineerd met het vervelende gevoel dat ik toch weer begon. In ieder geval voelde ik een drang om weer te gaan drinken; dat behoorde tot de afspraak die ik met mezelf had gemaakt, want ik wilde heel graag drinken. Ik wilde drinken om precies dezelfde reden dat ik niet wilde drinken: omdat ik een drankprobleem had. Drank leek een vreemde, verstandsverbijsterende macht over me te hebben. Op mijn verjaardag werd ik altijd wakker met het soort onrust in me dat je ook hebt voor een date of een feest. Ik zou weer gaan drinken. Vanavond zou ik in een andere wereld zijn.

    Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde

    Als ik mijn drankprobleem probeer uit te leggen, gaat dat als volgt: naar mijn idee was ik een matige drinker, maar als ik er een op had, was ik dat niet meer. Hoe meer ik dronk, hoe meer ik wilde drinken. Drinken vergrootte mijn dorst. Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde. Mijn dorst nam in de loop van een avond altijd toe, maar op een subtielere manier ook in de loop van een maand, een jaar, een decennium. Drank voegde iets toe, maar leek ook altijd meer weg te halen dan toe te voegen, dus om alles weer normaal te krijgen moest ik meer drinken, en al die drank begon mijn geest aan te tasten. En dan stopte ik en was ik honderdtwintig dagen nuchter. En in die tijd voelde ik me altijd geweldig. Waarom begon ik dan altijd weer met drinken?

    De eerste dagen zonder drank gaven wel een begin van een antwoord op die vraag. De eerste dag werd ik wakker met een kater. De tweede dag werd ik wakker met een fantoomkater. En de dag daarna werd ik wakker en hield mijn hoofd onder het dekbed, in afwachting van de pijn en de misselijkheid. Even schoten mijn gedachten dan razendsnel heen en weer. Wat heb ik gisteravond gedronken? En zonder de waas van de kater voelde mijn geest zich vreemd weerloos; iedere emotie kon maar bij me binnendringen en urenlang in mij ronddenderen. Op die momenten begreep ik iets van mijn drankprobleem.

    Op slot

    In de tijden dat ik niet dronk, was ik me er niet van bewust dat ik wilde drinken. Ik snakte er niet naar en dronk ook niet stiekem. Het deed me denken aan kettingrokers die tijdens een lange vliegreis ook niet naar een sigaret snakken. Ze weten dat ze niet kunnen roken, dus zetten ze het ook uit hun hoofd.

    Marc Lewis, neuroloog en verslavingsdeskundige, legde me uit dat het net zoiets was als wanneer je een stuk vlees in de koelkast legt en je hond probeert jankend met zijn poot de deur open te krijgen. Maar als je de hond ervan overtuigt dat de deur op slot zit, houdt hij op met janken en loopt hij weg.

    Ieder jaar stopte ik met janken en liep ik weg. Ik bezocht cafés en bars en dronk bronwater. ’s Avonds dronk ik thee. Ik merkte dat het de meeste mensen, bijna iedereen eigenlijk, niet kon schelen of ik nu wel of niet dronk op hun feestje. Sommige mensen viel het niet eens op. Ik zei: ‘Ik ben van de drank af.’ Mensen zeiden dan alleen: ‘Cool.’ In een vliegtuig hoefde ik niet de kleine wijnflesjes te drinken. Ook geen zwak alcoholische dranken. Ik nam geen slokjes van het een of ander. Ik wist dat ik niet ging drinken en daardoor wilde ik ook niet drinken. Ik had alles onder controle. Ik wist dat ik op mijn verjaardag weer zou drinken. Ik maakte mezelf steeds weer wijs dat het allemaal veel beter zou gaan als ik straks weer ging drinken.

    Dat ging het nooit. Ik kon nooit met mate drinken. Ik kon er nooit eentje nemen, of een paar. Ik wilde altijd meer. Ik kon nooit maathouden, alsof mijn hersenen waren aangetast. Ergens voelde ik dat het verkeerd was, en dat gevoel werd sterker naarmate het jaar vorderde – ’s zomers sterker dan in de lente, in de herfst sterker dan in de zomer. In de periodes dat ik dronk kwam er ook steeds een fantasiebeeld in me op: een stevig, groot bekerglas met supersterke wodka, glinsterend onder een laag ijs, zo sterk dat het bijna naar benzine rook. De ideale borrel. Dat was mijn fantasie als ik dronk en dat was het nog steeds op de dag dat ik mijn laatste borrel achteroversloeg, een vruchtenbowl, in de vroege uurtjes van 1 januari 2013. Over honderdtwintig dagen staat dat stevige, grote glas wodka in een of andere hippe, minimalistisch ingerichte bar op me te wachten.

    In de vijf jaar daarna heb ik niet gedronken en heb ik er ook niet naar getaald. Mijn drankperiode lijkt ver weg, bijna als een leven geleid door iemand anders. Drank – alleen het idee al – lijkt me smerig. Zuur of scherp smakende vloeistoffen achteroverslaan, alleen maar om mezelf dommer te maken. Belachelijk! Ik heb dezelfde mening over alcohol als toen ik tien was. Het is gevaarlijk, het is smerig, het veroorzaakt kanker, het verziekt je lever en zorgt ervoor dat je eruitziet en ruikt als een veel ouder en zieker iemand. Toch heb ik me er altijd over verbaasd waarom ik zo stevig in de greep van de drank zat en zo lang, waarom ik delen van mijn leven heb laten verwoesten, delen die ik nooit meer terugkrijg. Wat had drank me te bieden dat zo veel beter was dan een leven zonder drank? Welke magische kracht had drank precies?

    Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky

    In het begin dronk ik omdat ik angstig was en omdat ik op een kostschool zat. Dat is het verhaal dat ik mezelf vertel en dat ik Colin Drummond vertelde, een psychiater bij het National Addiction Centre van King’s College in Londen. Ik zocht Drummond eind november 2017 op omdat ik de mening van een ter zake kundige wilde horen over mijn drinkgedrag. Hij luisterde en maakte aantekeningen in zijn werkkamer op de campus Denmark Hill van het King’s College. Op de kostschool, zo vertelde ik hem, word je voortdurend in de gaten gehouden; soms kun je er stiekem tussenuit glippen. Ik dronk vanaf mijn vijftiende. Extra sterk bier uit blik en wodka in kwartliterflesjes, verstopt in de stortbakken van het toilet, 
of pils in het café. Ik wilde voortdurend ontsnappen. Drank was geen echte ontsnapping, maar het leek er wel op.

    Op school voelde ik me vaak gevangen en kwetsbaar; met drank verbeterde mijn stemming een poosje. In mijn geest begon zich een patroon te vormen, een soort leerproces. Niet het leerproces dat je op school zou moeten doormaken, maar desalniettemin een leerproces. Drank bezorgde me ook slechte momenten: misselijkheid en hoofdpijn na afloop. Maar het goede begon het te winnen van het slechte. Ik herinner me de moutachtige smaak van extra sterk bier, het gevoel van het blikje in mijn hand, de belletjes 
in mijn neus, en ik herinner me de gouden kleur van het bier in cafés, hoe koud dat was als ik de eerste slok nam, hoe helder en vrolijk ik me voelde als het indaalde. Ooit nam ik als zestienjarige in een café een slok pils uit een groot glas en was alles perfect; die perfectie stond in mijn geheugen gegrift en tientallen jaren bestelde ik grote glazen bier en dronk daaruit om weer even dat draadje te voelen dat me verbond met mijn jongere ik.

    Na een tijdje, vertelde ik Drummond, ontstond er een patroon, een patroon dat me nu eigenlijk pas opviel. Mijn drankgebruik ontwikkelde zich in vlagen. Veel op school. Veel in mijn tussenjaar. Niet zo veel op de universiteit. Toen verhuisde ik naar Londen om er te gaan werken als freelancejournalist en begon ik zwaarder te drinken. Drie jaar later vertrok ik uit Londen en dronk ik veel minder, na zes jaar verhuisde ik weer naar Londen en begon weer veel meer te drinken. Mijn hele sociale leven speelde zich af in cafés en bars en bij mensen thuis die graag dronken. De drank had zich stevig in mijn leven genesteld. Eigenlijk kende ik niemand die niet dronk. Dat was de tijd dat ik pogingen ondernam om te stoppen.

    Al pratend tegen Drummond dacht ik na over dat patroon. Er waren drie periodes van zwaar drinken, elke periode weer ernstiger dan de vorige. In de eerste twee periodes, mijn schooltijd en rond mijn vijfentwintigste, was dat drinken een reactie op stress – schoolstress, werkstress. In de derde periode, toen mijn drankgebruik ernstig uit de hand liep, was het alsof de drank zelf de stressveroorzakende factor was geworden.

    Sommige mensen drinken en dan gaan ze meer drinken en op een bepaald moment raken ze geobsedeerd door de drank. Ik lette altijd op flessen, de vorm van een fles, het etiket en de kleur van het glas. Alleen al door te kijken naar flessen voelde ik het verlangen in me opkomen. Ik wist in welke cafés de sterkste bieren en ciders te krijgen waren, voor het geval dat. Ik kwam graag in slijterijen om een fles te pakken en vast te houden. Soms ging ik midden op de dag even naar een slijterij om met de man achter de toonbank een praatje te maken over wijn of whisky. Een jaar lang heb ik een wijncursus gevolgd, want wijn leek me beschaafd. Eén avond per week zat ik in een klas te praten over wijn, wijn te drinken en aantekeningen te maken. Na afloop ging ik dan met een of twee medecursisten nog een paar flessen wijn drinken. Er waren in mijn leven altijd flessen, overal flessen, meer flessen dan ik kon bevatten.

    Al die tijd had ik een relatie en we dronken allebei. Ik dronk meer dan zij. Onze vrienden dronken. Als we vrienden op bezoek hadden, maakte ik in de keuken de wijn open en schonk die uit in vier glazen. Ik bracht twee glazen naar de gasten. Dan liep ik terug naar de keuken en dronk zo vlug mogelijk een van de twee overgebleven glazen leeg. Razendsnel maakte ik een nieuwe fles open, schonk mijn glas weer vol 
en voegde me bij de anderen, die genoten van hun drankje. Maar tijdens het drinken nam mijn trek in drank altijd toe, dus ik had mijn tweede glas eerder leeg dan de anderen hun eerste. Dan ging ik terug naar de keuken en schonk nu mijn zogenaamd tweede glas in. Tegen de tijd dat de anderen drie glazen hadden gedronken, waren er vier flessen leeg. Er was natuurlijk een oplossing: vijf flessen kopen. Met drank lijkt er altijd een oplossing te zijn.

    ‘Drank neemt heel geniepig steeds meer bezit van je,’ zegt Drummond. ‘Ik wil er eigenlijk niet aan dat het ook wel eens te laat kan zijn, maar het wordt wel steeds moeilijker om er iets aan te doen als de drank je eenmaal in zijn greep heeft.’

    Drummond vroeg naar mijn familie. Kwam er in mijn familie alcoholisme voor? Soms is dat moeilijk te zeggen, want over alcohol en de hele cultuur eromheen hangt altijd een waas van geheimzinnigheid. Ik dacht na over mijn familie. Mijn opa, de vader van mijn moeder, dronk stevig, en dat is nog zacht uitgedrukt. Mijn broer drinkt stevig. Mijn moeder drinkt nauwelijks. Af en toe een glaasje wijn. Misschien twee op een bruiloft. Mijn vader dronk tot zijn vijftigste heel weinig. Daarna dronk hij een beetje. Toen hij met pensioen ging, begon hij meer te drinken. Toen hij in de veertig was en niet veel dronk, waarschuwde hij me altijd dat ik te veel dronk. Toen ik uiteindelijk stopte, was hij in de tachtig en dronk hij iedere dag. Ik heb hem nooit dronken gezien; hij beweerde dat hij nog nooit dronken was geweest. Maar ik maakte me zorgen over de cognac, de rum, de gin. De rollen waren omgedraaid; nu waarschuwde ik hem dat hij te veel dronk. Ik had zijn waarschuwingen altijd in de wind geslagen, ik denk dat hij dat ook met die van mij doet. Als je drinkt, denk je echt niet helder na over je eigen drankgebruik.

    Alleskunner

    Alcohol was de lievelingsdrug van zowel mijn zestienjarige ik als mijn zesentachtigjarige vader; dat zegt toch wel iets. Drummond noemde een paar redenen waarom alcohol zo aantrekkelijk is: ‘Drank ontspant, maakt je gezelliger, geeft je in gezelschap meer zelfvertrouwen, neemt de stress weg, je wordt er vrolijker van als je je wat down voelt, in het begin althans – dat zijn allemaal eigenschappen van drank.’ Hij dacht nog even na en zei toen: ‘Chemisch gezien is het een alleskunner.’

    Hoe krijgt alcohol al die dingen voor elkaar? Hoe kon ethanol, eenmaal opgenomen, mij zulke prachtige ontsnappingsmomenten bieden? En waarom veranderde mijn zoektocht naar die prachtige momenten in een levensgevaarlijke obsessie?

    Ik vroeg het aan Marc Lewis, hoogleraar neurologie aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen. Lewis heeft in zijn boek Memoires van een verslaafd brein zijn eigen ervaringen met alcohol, opiaten en verscheidene andere drugs schitterend beschreven.

    Als de goudkleurige pils of glinsterende wodka door mijn keel gleed en mijn hersenen bereikte, zo legde Lewis uit, veranderde mijn stemming doordat er werd geknoeid met enkele neurotransmitters – de stofjes die neuronen, of hersencellen, in staat stellen met elkaar te communiceren. Als je een gedachte hebt, of een idee of een gevoel, komt dat doordat neuronen in je hersenen samenwerken en ketens vormen, gefaciliteerd door neurotransmitters. De neurotransmitters regelen het verkeer in de hersenen. Twee van de belangrijkste zijn glutamaat en gamma-aminoboterzuur, oftewel gaba. Glutamaat stimuleert de hersenactiviteit; gaba remt die activiteit. Drank zet voor glutamaat het licht op rood en voor gaba op groen.

    Laat dat even bezinken. gaba remt de communicatie en glutamaat stimuleert haar. Drank stimuleert de rem en remt de stimulant. In Memoires van een verslaafd brein beschrijft Lewis wat er gebeurde toen hij voor het eerst dronken werd: ‘De plekken waar glutamaat actief is vallen stil en werken niet meer, dus de informatiestroom is traag, alleen grote signalen komen nog door en kleinere signalen leveren alleen maar ruis op.’
    Bovendien: ‘Het is de taak van gaba om gedachten en waarnemingen precies af te stellen, om alles helder te krijgen, maar nu wordt alles helder op het karikaturale af… Met andere woorden, ik denk aan iets heel kleins, maar ik denk eraan met een overweldigende helderheid.’

    Alcohol verhindert dat je te veel denkt. Het vertraagt de tredmolen van de angst. Het versimpelt. Het redigeert. Natuurlijk doet het nog meer. Het knoeit ook met het beloningssysteem van de hersenen. Als je drinkt, verspreidt een andere neurotransmitter, dopamine, zich overal in je hersenen. Dopamine is 
de neurotransmitter van de verwachting, van de opwinding, van het meer willen.

    Dopamine overspoelt je hersenen met een soort opgewonden honger, de sensatie van door iets geobsedeerd te zijn. De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wurtzel schreef een boek over haar verslavingen,_ More, Now, Again;_ dat ongepolijste verlangen is een adequate beschrijving van hoe je je voelt als de dopamine je brein overspoelt. Zoals de beruchte drinker Kingsley Amis ooit heeft gezegd: het gaat niet om dronken zijn, maar om dronken worden. Het gaat om dat magische moment waarop je wordt meegesleurd naar elders, naar die ideale plek waar verwachting en beloning perfect in balans zijn.

    Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen

    Mij begon iets op te vallen aan die perfecte balans. Die leek steeds vluchtiger te worden. De hoeveelheid euforie en opwinding die een borrel kon verschaffen, gemeten in tijd en intensiteit, leek af te nemen. Dat komt doordat als je zit te knoeien met je hersenen, die hersenen proberen dat geknoei ongedaan te maken. Als je ze in de maling neemt, worden ze wijzer. Als je ze overspoelt met stofjes om een gevoel van beloning op te roepen, vinden je hersenen een manier om die beloning wat minder intens te maken. Dus moet je iets meer drinken om dezelfde roes te krijgen. En daarna weer meer, en nog meer. Op de korte termijn, zo legde Drummond uit, neemt het verlangen toe naarmate de beloning dichterbij komt. Maar op de lange termijn wordt de eerste toevloed van dopamine nooit geëvenaard door de tweede toevloed, als je de drank echt doorslikt. Het verlangen neemt toe, terwijl de bevrediging afneemt; de verwachting vraagt, terwijl de beloning minder uitkeert.

    Er gebeurt iets in de prefrontale cortex, het beslissingscentrum van de hersenen. Stel je een gedachte voor als een smal paadje. Stel je nu een obsessieve, met dopamine doordrenkte gedachte voor die steeds maar opduikt. Dat wordt een hoofdweg en ten slotte een snelweg. Er zijn geen andere routes. Je zit in een lastig parket. Je wilt drinken, maar drinken maakt je ziek. Je voelt je ziek, maar je wilt drinken. Je voelt een intens verlangen. Dus je drinkt. En het werkt niet meer zoals het eerst deed.

    In haar autobiografische boek Drinken: Een liefdesverhaal vertelt de inmiddels overleden Amerikaanse schrijfster Caroline Knapp dat er een subtiele grens ligt tussen probleemdrinken en echt alcoholisme, maar dat je die als drinker niet ziet. Je gaat eroverheen zonder dat je weet dat je eroverheen gaat. Ik heb mensen gekend die op het punt stonden eroverheen te gaan of er al overheen waren. Ik heb met hen gesproken over hun drankgebruik. Ze zeiden steevast dat ze niet veel dronken of dat ze aan het minderen waren, kalmer aan deden, zich hielden het bij een of twee glazen. Ik wist dat ze de waarheid niet spraken. Ze logen tegen mij, ze logen tegen zichzelf. Die gesprekken maken me kwaad, vooral op mijn vroegere ik.

    Soms vraag ik me af wanneer ik tegen mezelf begon te liegen. Dat was niet op school. Daar was ik een en al bravoure: ‘Ik heb een flesje wodka op, een blik Breaker en daarna een halve liter Kronenbourg…’ Ook niet toen ik een jaar of vijfentwintig was. Ik was nog steeds vol bravoure, drinken verschafte je een zekere status. Het liegen, de misleiding moet zijn begonnen toen ik een jaar of dertig was. Vijf flessen wijn kopen in plaats van vier. Overal in huis flessen verstoppen. Bij iemand thuis een deel van zijn fles whisky opdrinken, en nog een beetje, en dan beseffen dat je een nieuwe fles moet kopen en hopen dat je daarmee wegkomt. Caroline Knapp beschrijft hoe ze bij iemand de port opdronk, een nieuwe fles kocht en vervolgens probeerde precies dezelfde hoeveelheid in de oude fles te gieten.

    Drink!

    Je gaat een grens over als je tegen jezelf begint te liegen. Maar je weet niet waar die grens ligt. Colin Drummond vertelde dat sommige mensen na het werk met collega’s nog even één glaasje drinken en daarna de hele avond in hun eentje doordrinken. Ik had iets vergelijkbaars gedaan, zij het net even anders. Ik ging uit met collega’s, die graag een paar borrels dronken, dan zocht ik vrienden op die nog wat wilden drinken en laat op de avond zat ik in een nachtcafé met mensen die ervan hielden om tot heel laat door te zakken. We snoven lijntjes coke om wakker te blijven en nog meer te kunnen drinken. Ik herinner me nog dat ik een keer uit zo’n nachtcafé kwam, de trappen van het keldercafé opging en dat het op straat al licht was. Niet alleen maar licht, maar ook zonnig. Dat was een treurig moment. Maar het was niet de laatste keer.

    Ik stopte niet met drinken. Toen niet. Ik ging door, al wist ik dat ik iets moest doen. Maar de drank had me in zijn greep. Het beslissingscentrum van mijn hersenen was ontzettend goed geworden in het nemen van één beslissing: drink! Ik liep over straat, probeerde weg te duiken in de schaduw. Ik hield een taxi aan, ging naar huis en viel in slaap.

    Op een gegeven moment begint de perfecte balans tussen verwachting en beloning te verdwijnen. Je gaat ernaar op zoek. Je gaat ernaar op zoek door meer te drinken. De katers worden erger. Uiteindelijk ben je de helft van de dag bezig met het vechten tegen je kater. Je blijft tot het allerlaatste moment in bed liggen. Je hebt stekende hoofdpijn achter je ogen. Je voelt je paranoïde en angstig. Je zweet. Je zweet ruikt naar de drank. Je krijgt steeds meer een hekel aan jezelf. Dus ga je drinken. Dat werkt, een beetje. Dan een beetje minder.

    En toen kwam vijftien jaar geleden het begin van het einde. Iedere probleemdrinker die besluit om te stoppen heeft zo’n verhaal. Ik was wezen stappen. Ik was dronken. Ik had het gevoel dat ik niet genoeg had gedronken, ik wilde nog meer en toen ik thuiskwam ging ik naar de keuken. Er stond een halfvolle fles wodka in de vriezer. Ik schonk wodka in een glas, deed er jus d’orange bij en dronk het op. Daarna schonk ik de rest van de wodka in het glas, deed er wat jus d’orange bij en dronk het op en toen was de wodka op. Ik had nog een enorme trek in nog meer drank, wilde die ideale balans opzoeken. Ik hoefde alleen maar de straat over te steken. Ik keek uit het raam: de winkel was dicht. Ik was vijf minuten te laat. De trek zakte af en ik ging naar bed.

    Weken, maanden zelfs dacht ik hier niet meer aan. maar ik herinnerde het me toen januari weer begon te naderen. Ik ga stoppen, dacht ik. En: Nu echt. En: Tot mijn verjaardag. Tien jaar later zou ik mijn laatste borrel drinken.

    ‘Hoeveel dronk je op je hoogtepunt?’ vroeg Colin Drummond. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: twee flessen wijn per dag. Dat vertel ik mezelf. Acht grote glazen per dag. Zesenvijftig glazen per week. Ik herinner me dat iemand zei dat de aanbevolen hoeveelheid achtentwintig units was. ‘Dat kan niet kloppen,’ had ik gezegd. ‘Ik drink geen achtentwintig units per dag, eerder vijfentwintig.’ Die aanbevolen hoeveelheid was natuurlijk per week. Nu is het veertien. En dat is de bovengrens. Twee flessen wijn klinkt nog niet zo slecht. Maar in werkelijkheid dronk ik het tienvoudige van de aanbevolen hoeveelheid [een gemiddelde fles wijn bevat 12 units].

    Ik heb tien jaar van mijn leven veel te veel gedronken en ben tien jaar bezig geweest met stoppen.

    Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen

    Waarom dronk ik? Ik dronk omdat ik angstig was, omdat mijn tong dan wat losser werd, omdat als ik me zorgen maakte over mijn drankgebruik, ik me minder zorgen maakte over andere dingen, over dingen waar ik echt gestresst van raakte, zoals schrijven. Drank verlicht de stress, maar veroorzaakt daarna weer stress, maar die stress houdt, in elk geval een tijdje, je echte zorgen buiten de deur. En dan wordt je drankgebruik je grootste zorg. Je gaat over een grens heen, maar je ziet het niet, dus je gaat gewoon door.

    ‘Een bekend verhaal,’ zei Colin Drummond, toen ik hem alles had verteld. Ik was als puber niet echt gelukkig. Ik zat op kostschool. Ik begon al vroeg met drinken. Als ik naar mijn familie kijk, kan er een genetische component in zitten. Ik wilde graag aan de universiteit werken, maar werd uiteindelijk journalist, een beroep dat een vruchtbare bodem biedt voor drankproblemen. Een ontvankelijke geest was in de vuurlinie geplaatst. Een ideale voorgeschiedenis. Geen ontsnappen aan.

    Waarom ben ik gestopt? Die vraag wordt me vaak gesteld. Ik heb veel antwoorden. Om gezondheidsredenen. Om geestelijke-gezondheidsredenen. Omdat het het niet waard was. Omdat het welletjes was. Omdat ik me niet de hele tijd ziek wilde voelen. Omdat het me kapot had gemaakt. Omdat ik niet gewoon één glas kon drinken. Of twee. Of drie. Ik was erdoor geobsedeerd. Ik voorzag dat het verkeerd zou aflopen. Lang geleden kreeg ik er een goed gevoel van, maar er was iets veranderd. Stoppen is moeilijk, wordt gezegd. En dan vragen ze waarom het voor mij makkelijk was. Ik weet het niet, zeg ik dan. Ik heb de onthouding steeds een kans gegeven. En de onthouding heeft gewonnen.

    Ik sta nu vijf jaar droog. En het is heerlijk om nuchter te zijn. Daar ben ik diep vanbinnen echt van overtuigd. Het is veel beter dan ik vijf jaar geleden dacht dat het zou zijn, in die vroege uurtjes van 1 januari. Maar dat was niet het werkelijke keerpunt. Het werkelijke keerpunt lag honderdtwintig dagen later, op mijn verjaardag, de dag waarop ik weer zou gaan drinken. Ik zat met mijn vriendin in een restaurant. Ze vroeg of ik wijn ging bestellen. Tot op dat moment was ik dat ook van plan geweest. Maar er gebeurde iets in mijn hersenen. Een onverwachte beslissing.

    ‘Nee,’ zei ik. ‘Toch maar niet.’