Omstreden Poolse wet leidt tot diplomatieke crisis met Israël
De Poolse president Andrzej Duda heeft een controversiële wet ondertekend die de verjaringstermijn voor claims op gestolen eigendommen beperkt tot dertig jaar na diefstal. Daardoor wordt teruggave van door de nazi’s geroofde kunst feitelijk onmogelijk. Zowel de VS als Israël hebben de wet bekritiseerd. De Israëlische premier Naftali Bennett spreekt in Times of Israel van een ‘beschamende beslissing en een schandelijke minachting voor de herinnering aan de Holocaust’.
Leila Amineddoleh, expert op het gebied van cultureel erfgoedrecht, noemt de nieuwe wet in Artnet News ‘zeer teleurstellend’. ‘Slachtoffers ondervonden al overweldigende obstakels in restitutiezaken. Het voor de rechtbank bewijzen van eigendom van kunst die decennia eerder is gestolen, was al een enorme uitdaging. Nu zullen rechtbanken deze geschillen niet eens meer behandelen.’
Volgens president Duda zal de wetgeving een einde maken aan de ‘restitutiemaffia’
Verwijzend naar vermeende fraude in restitutiezaken uit de Tweede Wereldoorlog, zegt Duda dat de wetgeving een einde zal maken aan een ‘tijdperk van juridische chaos’ en ‘restitutiemaffia’. Hij ontkent antisemitisme: ‘Ik maak bezwaar tegen de koppeling van deze wet aan de Holocaust.’
Zaterdag 31 augustus kondigde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, onder leiding van Yair Lapid, aan dat het land de zaakgelastigde in Warschau terugroept en geen nieuwe ambassadeur voor Polen zal benoemen. Het heeft ook ‘aanbevolen‘ dat de Poolse ambassadeur in Israël, Marek Magierowski (momenteel met verlof in Polen), niet naar Israël terugkeert, bericht Gazeta Wyborcza.
FM @yairlapid: “Poland today approved – not for the first time – an immoral, antisemitic law. This evening I instructed the charge d’affaires at our embassy in Warsaw to return immediately to Israel for consultations, for an indefinite period of time. (1/2)
‘Israëls besluit (…) is ongegrond en onverantwoordelijk, en de woorden van Yair Lapid wekken de verontwaardiging van ieder eerlijk mens’, schreef de Poolse premier Morawiecki in een verklaring op Facebook. ‘Als de Israëlische regering Polen op deze manier blijft aanvallen, zal dit een zeer negatief effect hebben op onze betrekkingen – zowel bilateraal als op het internationale toneel.’
Mexicaanse drugskartels bedreigen media
Een groep gewapende leden van de drugsorganisatie Cartel Jalisco Nueva Generación bedreigde vorige week in Mexico drie nationale mediabedrijven, de krant El Universal, de omroeporganisatie Televisa en het dagblad Milenio. De criminelen zijn boos over de manier waarop ze worden afgeschilderd door deze media, schrijft El País.
Bedreigingen van verslaggevers in Mexico zijn al meer dan twee decennia aan de orde van de dag. Sinds 2004 werd elk jaar zeker één journalist vermoord. Het Comité voor de bescherming van journalisten (CPJ) registreerde sinds 1994 moorden op 129 verslaggevers.
Vorig jaar werden zes Mexicaanse journalisten vermoord
Volgens Leopoldo Maldonado, directeur van de organisatie Artículo 19 die toezicht houdt op persvrijheid, moet de Mexicaanse regering nu echt actie gaan ondernemen. ‘Als er geen reactie van de staat komt, zal dit leiden tot nog meer geweld’, zegt hij tegen El País. Artículo 19 registreerde vorig jaar 692 gevallen van agressie jegens journalisten, een stijging van 13,6 procent ten opzichte van 2019. Vorig jaar werden zes Mexicaanse journalisten vermoord.
Parlement blijft buiten werking in Tunesië
De Tunesische president, Kaïs Saïed, heeft op maandag 23 augustus besloten de schorsing van de werkzaamheden van het parlement tot nader order te verlengen, meldt Tunisie Numérique. Op 25 juli had het staatshoofd zich op de grondwet beroepen om zichzelf volledige bevoegdheid te verlenen, de regeringsleider, Hichem Mechichi, te ontslaan en het parlement voor dertig dagen te schorsen. Kaïs Saïed zal ‘de natie toespreken’ in ‘de komende dagen’, aldus de nieuwssite.
De Britse premier zit tot 26 juli in quarantaine nadat hij contact heeft gehad met minister Sajid Javid van Volksgezondheid, die zaterdag bekendmaakte dat hij positief had getest op covid-19. Boris Johnson had aanvankelijk geprobeerd aan de quarantaine te ontkomen door te zeggen dat hij zou deelnemen aan een proef met dagelijkse tests als alternatief voor isolatie. Maar vanwege de daarover ontstane ‘golf van woede’, werd hij uiteindelijk ‘gedwongen tot een vernederende ommezwaai’, aldus The Independent.
In een zondag vrijgegeven video riep de premier op tot ‘voorzichtigheid’ aan de vooravond van de opheffing van coronabeperkingen in Engeland, terwijl het land kampt met een groeiend aantal besmettingen. Hij verzekerde niettemin dat het ‘het juiste moment’ was om door te gaan met deze belangrijke stap in het afbouwen van de maatregelen, omgedoopt tot ‘Freedom Day’. Een groep invloedrijke internationale wetenschappers heeft vrijdag de regering opgeroepen op haar besluit terug te komen, dat ‘de inspanningen om de pandemie onder controle te krijgen dreigt te ondermijnen, niet alleen in het VK maar ook in andere landen’.
Volgens het Amerikaanse National Center for Health Statistics stierven in 2020 ruim 93.000 mensen in de VS aan een overdosis van medicijnen en drugs als opioïde pijnstillers, amfetamine en cocaïne, bericht CNN. Dat komt neer op één sterfgeval per 5,6 minuten. Het aantal steeg met 29,4 procent ten opzichte van 2019, toen 72.151 mensen stierven aan een overdosis.
Zes activisten vrijgelaten in Egypte na internationale kritiek
Zaterdag werden zes Egyptische activisten uit de gevangenis vrijgelaten, waaronder journalist en blogger Esraa Abdel-Fattah, een van de symbolen van de revolutie van 2011, meldt Al-Jazeera. Zij was in oktober 2019 gearresteerd en zat bijna 22 maanden vast wegens ‘verspreiding van nepnieuws’ en ‘collaboratie met een terroristische groepering’.
Analisten zeggen dat de vrijlating van de activisten een manier is om de internationale gemeenschap tegemoet te komen, nadat de VS de arrestaties veroordeelden en zeiden dat de onderhandelingen over wapenverkoop tussen de twee geallieerde landen hierdoor zouden worden beïnvloed.
De Egyptische regering van generaal Sisi heeft de afgelopen jaren op grote schaal opgetreden tegen dissidenten en duizenden mensen gevangengezet. Ook journalisten zijn het doelwit geweest: tientallen zijn in de gevangenis beland en sommige buitenlandse journalisten zijn het land uitgezet. Volgens het Committee to Protect Journalists is Egypte het land waar de meeste journalisten worden gevangengezet, samen met Turkije en China, schrijft Al-Jazeera.
Deense Mohammed-cartoonist overleden
Kurt Westergaard is op 86-jarige leeftijd in zijn slaap na een lang ziekbed overleden, zo heeft zijn familie aan Berlingske laten weten. De tekenaar was verantwoordelijk voor de beroemdste van de twaalf tekeningen die op 30 september 2005 door het conservatieve Deense dagblad Jyllands-Posten werden gepubliceerd onder de titel ‘Het gezicht van Mohammed’. Zijn bijdrage toonde de Profeet met een bomvormige tulband.
De spotprent leidde in februari 2006 tot anti-Deense demonstraties in de moslimwereld, die in Denemarken werden gezien als de ernstigste crisis in het buitenlands beleid van het land sinds de Tweede Wereldoorlog. Het geweld bereikte in 2015 een hoogtepunt met de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs, dat de cartoons in 2012 had heruitgegeven.
De Mexicaanse socioloog Karina García Reyes interviewde 33 voormalige narco’s om de logica van hun wereldbeeld te kunnen begrijpen. Hiermee wil zijn een nieuw perspectief belichten: dat van de daders. ‘We moeten erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij.’
Keuze uit ons archief
Dat verdeeldheid onder neoliberalisme toeneemt, zien we overal gebeuren – nu ook in de politiek. Reyes legde dit gegeven vast in een studie. Ze kreeg de kans te ontsnappen uit een uitzichtloos gebied in Mexico, en besloot te onderzoeken wat ze overal om zich heen had gezien. De drugsbendeleden die ze interviewden zien zichzelf als de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan. Ze hebben de individualistische ethiek waarvan de hele (Mexicaanse) samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme doortrokken is, geïnternaliseerd.
Dit artikel verscheen eerder in #174, februari 2020.
Ik kom uit het noorden van Mexico, een gebied dat het zwaarst te lijden heeft van het geweld in de war on drugs. De periode van 2008 tot en met 2012 was de meest onzekere en gewelddadige in de geschiedenis van mijn stad. In het begin waren de confrontaties tussen het leger en de drugskartels, waarbij met scherp werd geschoten, sporadisch, maar algauw werden ze frequent, overal in de stad en op klaarlichte dag.
Ikzelf maakte een keer een vuurgevecht mee op het deel van de universitaire campus waar ik college gaf. We moesten de deuren sluiten en de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die voor dit soort situaties golden. En al mijn vrienden en familieleden hebben wel iets dergelijks meegemaakt, sommigen zagen het gebeuren vanuit hun auto en anderen vanuit huis.
Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld
Tegelijk met het toenemende geweld begon het kartel Los Zetas de plaatselijke middenstand af te persen. Als de kleine ondernemers geen ‘stageld’ – de eufemistische term voor beschermgeld – betaalden, kregen ze met geweld te maken of werden leden van hun familie ontvoerd.
Geleidelijk aan sloten alle kleine ondernemers hun deuren en groeide de paranoia onder de bevolking vanwege de berichten die de narco’s op sociale media plaatsten. ‘Ga vanavond de deur niet uit, want er wordt geschoten.’ Soms werden die dreigementen nog waargemaakt ook.
In die omstandigheden besloot ik naar het buitenland te gaan om te promoveren. Ik wilde in die onzekere toestand niet verder studeren en ging daarom naar Engeland. Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld. Dankzij de goede raad van een van mijn professoren was ik in staat om door middel van een proefschrift mijn frustratie uit te leven over de veiligheidspolitiek van Felipe Calderón, die van 2006 tot 2012 president van Mexico was. Ik ben zeven jaar met dit onderwerp bezig geweest.
In mijn proefschrift onderzoek ik het drugsgeweld aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Tussen oktober 2014 en januari 2015 interviewde ik 33 mannen uit de wereld van de drugscriminaliteit. We spraken over hun kindertijd en hun puberteit, over alcohol- en drugsverslaving, vandalisme en hoe ze in de criminaliteit terecht waren gekomen en welke rol ze daarin vervulden. Om begrip te krijgen van de invloed die hun persoonlijke ervaringen hadden op hun intrede in de drugswereld, onderwierp ik hun verhalen aan een discursieve analyse.
Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt
De geïnterviewden hebben op twee manieren bijgedragen aan het karakter van mijn studie. In de eerste plaats methodologisch, omdat directe interviews met drugscriminelen iets totaal nieuws zijn in de academische wereld. Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt. Ook opent mijn studie voor de academische wereld een nieuw perspectief, namelijk dat van de daders, dat tot nog toe zowel door onderzoekers als door bestuurders en politici werd genegeerd.
In deze zin werpt de analyse van hun persoonlijke verhalen licht op de mogelijke oorzaken van hun intrede in de drugswereld en verklaart deze de logica van hun wereldbeeld. Dat te begrijpen is cruciaal, niet alleen voor de benadering van zo’n complex fenomeen, maar ook voor het bepalen van beleid om de veiligheid te waarborgen. Tot nog toe werden die maatregelen alleen genomen vanuit de logica van hen die de maatregelen nemen. Geen wonder dus dat ze faliekant mislukten.
Slachtoffers noch monsters
Om te beginnen moeten we erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij. Ze zijn onderhevig aan dezelfde normen en waarden en tradities als wij allemaal. Een van de voornaamste problemen in Mexico is dat de overheid ze systematisch discrimineert door het binaire discours van de Verenigde Staten over te nemen: ‘zij’ versus ‘wij’, ‘goed’ versus ‘kwaad’. Behalve dat dit discours een absurde oversimplificatie is, verdoezelt het de rijkgeschakeerde oorzaken van het geweld.
Een analyse van de persoonlijke geschiedenissen van de ex-narco’s doet die schakeringen juist scherp uitkomen. De geïnterviewden zien zichzelf noch als slachtoffers, noch als monsters. Ze rechtvaardigen allemaal hun intrede in de drugswereld als hun ‘enige optie’ om te overleven, een motivatie die door veel wetenschappelijke studies wordt bevestigd. Maar hoewel ze goed van de schaduweconomie konden leven en voor hun gezinnen zorgden, wilden ze toch ‘meer’.
De geïnterviewden zien zich ook niet als de bloeddorstige criminelen die in films worden opgevoerd. Ze omschrijven zichzelf als vrij handelende personen die besloten hebben in het illegaal circuit te opereren, maar tegelijkertijd noemen ze zichzelf ‘niks waard’, ‘wegwerpartikelen’.
Dat gevoel van marginalisering, gevoegd bij de verslavingsproblemen en het ontbreken van een toekomstperspectief, maakt dat ze weinig waarde hechten aan hun leven en dat de dood zelfs als een bevrijding wordt gezien.
Dit laatste is een cruciale factor voor het beleid dat ten aanzien van deze problematiek gevoerd dient te worden. De kernopdracht daarbij is te vermijden dat nog meer kinderen en jongeren zich als ‘niks waard’ gaan beschouwen.
Mijn onderzoek laat zien hoe de participanten het binaire discours van de overheid overnemen. Ze noemen zichzelf de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan, ze vinden niet dat ze daar deel van uitmaken. Ze hebben ook de individualistische ethiek overgenomen waarvan de hele Mexicaanse samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme aan het eind van de jaren tachtig doortrokken is. Die ethiek is een tweesnijdend zwaard: ze geven niet de staat of de maatschappij de schuld van hun armoede, maar ze hebben ook geen spijt van hun misdaden. Ze vinden dat ze de ‘pech’ hebben gehad in armoede en in de marge van de maatschappij geboren te zijn en dat hun slachtoffers de ‘pech’ hebben gehad in hun handen te vallen. De logica is simpel: ‘Ieder voor zich.’
Niets te verliezen
Uit de analyse van de interviews kwam een cluster van ideeën en opvattingen naar voren die als vaststaande waarheden werden geponeerd en die ik ‘het narcodiscours’ heb gedoopt.
De betekenis die armoede heeft in het narcodiscours liegt er niet om. Het heet dat arme mensen geen toekomst hebben en daarom ook niets te verliezen. Zoals een van de geïnterviewden (Wilson) zei: ‘Ik wist dat ik tot aan mijn dood in armoede zou leven en het enige wat ik deed was God vragen: waarom ik?’ Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven, een omstandigheid waar niets aan te doen is en waar niemand verantwoordelijk voor is. Voetstoots wordt aangenomen dat ‘er iemand moet zijn die arm is’ (Lamberto) en ‘dat je er niks aan kunt veranderen’ (Tabo).
Die kijk op armoede impliceert een individualistische kijk op de wereld: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn economische en sociale ontwikkeling. ‘Ik wist dat ik alleen stond, als ik iets wilde, dan moest ik het zelf gaan halen’ (Rigoletto).
De logica van het narcodiscours met betrekking tot armoede is dat iedereen er alleen voor staat en dat dus ‘het recht van de sterkste’ (Yuca) geldt. Zo verklaart ook Cristian het: ‘In mijn wijk wisten we allemaal wat de regel was: als je zit te slapen, verlies je. Dat was de regel. Je moet gewelddadig zijn, door roeien en ruiten gaan, je moet voor jezelf opkomen, want niemand anders zal het doen.’
“Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?”
In het narcodiscours wordt ervan uitgegaan dat kleine kinderen en tieners onvermijdelijk bendeleden en drugsverslaafden worden. ‘Als je in een arme buurt opgroeit, dan weet je dat je op een bepaald moment aan de drugs verslaafd raakt’ (Palomo). Net zo worden de bendes, die dagelijks geweld en vandalisme plegen, gezien als ‘de enige manier om het geweld van de straat te overleven’ (Piochas). Er wordt dus van uitgegaan dat die jongeren geen toekomst hebben en daarom niks waard zijn: ‘Als je aan drugs verslaafd bent, beschouw je jezelf als een nul, minder dan afval… Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?’ (Palomo).
Ook de vroege dood van deze jongeren wordt als onvermijdelijk gezien: ‘Als je zo veel van je vrienden door geweld, door overdoses, door politiekogels, ziet omkomen, dan denk je dat dat ook jouw toekomst is’ (Tigre). Op die manier wordt al bij voorbaat aangenomen dat het met de jongeren slecht zal aflopen: ‘Ik dacht altijd dat ik óf aan een overdosis óf door een kogel zou sterven’ (Pancho).
Volgens die logica kun je eigenlijk alleen maar van het leven genieten door de consumptie van luxegoederen, en de enige manier om daaraan te komen is door middel van ‘gemakkelijk geld’ dat het ‘gemakkelijke leven’ je biedt. Het gemakkelijke leven is de drugshandel. Ze weten dat de kick van gemakkelijk geld van korte duur is, maar toch loont die de moeite, omdat je ‘in deze wereld, als je geen geld hebt, niemand bent’ (Canastas). Ze kennen de gevaren. ‘De ene dag kun je nog in een duur restaurant zitten met allemaal mooie vrouwen om je heen, en de volgende dag word je wakker in de bajes’ (Ponciano). Het ‘gemakkelijke leven’ moet dus snel en op de toppen geleefd worden: ‘Mijn opzet was om elke dag te leven of het de laatste was. Ik liet het breed hangen. Ik kocht de duurste SUV’s, de duurste wijnen en ik had de mooiste vrouwen’ (Jaime).
‘Echte man’
In het narcodiscours speelt ook het idee van de ‘echte man’, die agressief en gewelddadig dient te zijn. En een rokkenjager.
De participanten noemden de arme wijken ‘de jungle’, de plaats waar het recht van de sterkste heerst. Lichamelijk geweld is essentieel om te kunnen overleven – letterlijk.
In het narcodiscours komt ook een cruciaal element van geweldpleging tot uitdrukking, namelijk dat het aangeleerd gedrag is. Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt. Zoals Jorge zegt: ‘Als kind werd ik door grotere kinderen geslagen, ze maakten misbruik van me omdat ik alleen was. Ik was niet gewelddadig… maar ik moest wel gewelddadig worden, nog gewelddadiger dan zij. Dat moet als je op straat wilt overleven.’
In ‘de jungle’ moeten mannen ook een reputatie opbouwen om te overleven. Een ‘echte man’, zo is de opvatting, is heteroseksueel, een rokkenjager, ‘een feestbeest met drugs en alcohol’ (Dávila).
Daarnaast komt in het discours naar voren dat ‘echte mannen’, in tegenstelling tot vrouwen, geen angst of emoties of zwakte mogen tonen, en de beste manier om dat te doen is laten zien dat je onder alle omstandigheden sterk en dominant bent: binnen de bende, in gevechten met concurrerende bendes en thuis in het gezin.
In de interviews uitten de participanten vaak de wrok die ze jegens hun vader koesterden. Van de 33 geïnterviewden bekenden er 28 dat ze op zeker moment in hun leven het liefst hun vader zouden hebben vermoord. Huiselijk geweld en geweld tussen mannen en vrouwen horen tot de eerste levenservaringen van deze participanten. Allemaal zijn ze het erover eens dat het dagelijks geweld van hun vaders tegen hun moeders hun als kind het meeste weerzin inboezemde. Het is een constant gegeven in de verhalen die ze vertellen, niet alleen over hun kindertijd, maar ook over drugsverslaving, geweld in het algemeen en hun intrede in de wereld van de misdaad.
Voor een aantal participanten was het verlangen om hun vader te vermoorden of te martelen de belangrijkste motivatie om in de drugscriminaliteit te gaan. Rorro, bijvoorbeeld, vertelde dat hij als kind ‘geen enkele illusie of plannen voor de toekomst had, het enige waar ik aan dacht was mijn vader vermoorden als ik groot was… ik wilde hem aan stukken hakken’. De drugscriminaliteit in gaan verschafte hem die mogelijkheid. Ook Ponciano gaf aan dat hij zich, als hij mensen moest martelen, altijd voorstelde dat het om zijn vader ging, ‘en dan martelde ik ze met genoegen, net zoals hij ons martelde’.
De fantasieën die de participanten hadden over het vermoorden van hun vader lijken allemaal op elkaar, allemaal wilden ze hem laten boeten, niet uit wraak voor wat hij hun had aangedaan, maar voor wat hij hun moeder had aangedaan. Opmerkelijk is dat ze ook geen van allen in staat waren hun voornemen uit te voeren toen ze daar de gelegenheid voor kregen. Facundo verwoordt het zo: ‘Ik had hem kunnen vermoorden als ik wilde. Ik had tientallen huurmoordenaars die voor me werkten. Als ik wilde… ik had hem kunnen laten martelen en toekijken hoe hij crepeerde. Maar ik kon het niet… dus ik zei tegen hem: maak dat je wegkomt, ik wil je nooit meer zien. Als ik je weer zie, vermoord ik je.’
Macho-ideologie
De oorzaken van de criminaliteit en het geweld in Latijns-Amerika zijn vrijwel in alle landen dezelfde. Tussen de verschillende bronnen van het geweld – van drugscriminelen, het leger, de guerrilla of de bendes – zijn er volgens mij twee dwarsverbindingen: de armoede en de giftige macho ideologie*. De dagelijkse ervaringen van de mensen die in armoede leven is de soep waarin alle soorten geweld (huiselijk geweld, bendegeweld, geweld tussen de seksen) gaar koken. En dat alles binnen het kader van het onzichtbare geweld dat zelden onderkend wordt: het structurele geweld van de staat.
Wij moeten allemaal, academici, politici en burgers, deze ervaringen proberen te begrijpen en ervan leren. We kunnen wel erkennen dat armoede de moeder is van alle kwaad, maar we weten niet hoe het is om in armoede te leven. Het terugdringen en voorkomen van geweld kan alleen op lokaal niveau gebeuren. Elke regio, elke wijk heeft zijn eigen specifieke problemen en behoeften. Algemene politieke maatregelen zullen niet helpen. En misschien is dat het grote struikelblok: de geweldsproblemen bij de wortel aanpakken, daar kunnen politici geen goede sier mee maken.
Ook moeten we bedenken dat de dominante macho-ideologie in de Latijns-Amerikaanse landen het geweld niet alleen goedkeurt, maar ook aanmoedigt. In de regio’s worden de problemen onveranderlijk te lijf gegaan met agressie en gemilitariseerde veiligheidsmaatregelen. Geweldloze oplossingen waren tot nog toe geen optie in onze landen, omdat machismo en geweld geïnstitutionaliseerde fenomenen zijn.
Om het geweld aan te pakken moeten we beginnen met het te begrijpen. Waar komt het vandaan? Wie rechtvaardigt het en hoe? Hoe wordt het gepropageerd? Hoe hebben ze het eerder proberen te bestrijden? Om antwoord te geven op die vragen loont het om interdisciplinair te werk gaan en dienen onze overheden bereid te zijn naar ons te luisteren.
Wat eerst moet gebeuren is een verandering van paradigma: de militairen moeten terug de kazerne in, complexe problemen moeten lokaal worden aangepakt (al zal dat de landelijke politiek geen punten opleveren) en we moeten ophouden met het binair discours waarin het heet dat ‘zij’ dood moeten, want daar bereiken we alleen maar mee dat de onverschilligheid van ‘hen’ jegens ‘ons’ toeneemt.
Dat corona de welvaartsverschillen in de VS heeft vergroot, blijkt uit de sterk gestegen vraag naar luxe woningen. De verkopen in het hogere segment stegen in het derde kwartaal met 42 procent ten opzichte van vorig jaar, volgens een rapport van makelaarsbedrijf Redfin. Dat is de grootste sprong sinds 2013.
De verkoop in het middensegment steeg met slechts 3 procent en de verkoop van betaalbare huizen daalde met 4 procent. De rijken lijken te profiteren van de stijgende aandelenmarkten en de lage hypotheekrentes, terwijl banken kredietverlening voor nieuwe kopers juist aanscherpen.
‘De luxehuizenmarkt krijgt normaal gesproken een klap tijdens recessies omdat rijke Amerikanen dan hun hand op de knip houden, maar dit is geen normale recessie,’ aldus de hoofdeconoom van Redfin.
Het vooruitzicht om veel langer thuis te moeten werken zorgt ook voor een verschuiving van populaire plekken. Zo stegen de verkopen in Sacramento, 145 kilometer van San Francisco, met maar liefst 86 procent, omdat werknemers uit Silicon Valley bereid zijn verder weg te gaan wonen.
Los Angeles Times | Los Angeles
Verenigde Staten
Naar een concert in je eigen bubbel
Zweterige concertzalen vol schreeuwende mensen zijn nou niet bepaald geschikt in het anderhalvemetertijdperk. Toch bedacht de Amerikaanse rockband The Flaming Lips een manier om optredens te blijven geven, terwijl de band en het publiek beschermd zijn tegen het coronavirus: iedereen in zijn eigen bubbel. Tijdens een concert in Oklahoma City begin oktober kropen het publiek en de bandleden zelf elk in hun persoonlijke, opblaasbare bal – honderd in totaal. ‘Je kan zo enthousiast doen als je wit, je kan zoveel schreeuwen als je wilt, maar de persoon naast je kan je niet besmetten, ook al vergeet je alles even in je enthousiasme,’ zegt Wayne Coyne, frontman van The Flaming Lips.
My Modern Met | New York
Zwitserland
En we noemen haar Twifia
Het is weliswaar de derde voornaam van het meisje dat begin oktober in het Zwitserse Graubünden werd geboren, maar toch: Twifia. Een naam als een internetprovider. En dat klopt. De ouders vielen voor de oproep van internetprovider Twifi om Twifius of Twifia op de geboorteakte van zoons of dochters te zetten, want dat levert 18 jaar lang gratis internet op. Het uitgespaarde geld, maandelijks 60 Zwitserse franc, ruim 54 euro, zal door de provider op een bankrekening worden gezet voor de kleine. En als het bedrijf over 18 jaar niet meer bestaat? ‘Dan ben ik persoonlijk aansprakelijk,’ belooft Twifi-baas Philippe Fotsch.
Natuurlijk is de actie bedoeld om reclame te maken voor het merk dat in augustus werd gelanceerd, maar, zegt Fotsch, ‘Twifius en Twifia hebben een Romeins tintje. Volgens oude geschriften bestond de naam al in het verleden.’
Demonstranten kondigden voor 5 november acties aan bij Rotax in het Oostenrijkse Gunskirchen. Dat bedrijf maakt motoren die worden gebruikt in Turkse TB2-gevechtsdrones. Die drones worden niet alleen ingezet in de strijd tegen de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en geallieerde Syrische milities, maar ook door Azerbeidzjan in het Nagorno-Karabach-conflict met Armenië.
De demonstranten kunnen thuis-blijven, want Rotax stopt met onmiddellijke ingang met de levering van vliegtuigmotoren aan ‘landen met onduidelijk gebruik’. Dit op last van het Canadese moederbedrijf Bombardier, dat onder vuur kwam na publicaties in de Oostenrijkse Standard over het gebruik van de motoren.
Ook drones van de Iraanse Revolu-tionaire Garde, die eveneens worden aangedreven door Rotax-motoren, worden getroffen door de leveringsstop. De VS merkten de Revolutionaire Garde vorig jaar aan als terroristische organisatie.
Der Standard | Wenen
Verenigde Staten
Taalgebruik verraadt vroege tekenen van Alzheimer
Een onderzoeksteam van IBM en Pfizer heeft met Artificiële Intelligentie (AI) vroege tekenen van Alzheimer weten te herkennen door naar het taalgebruik te kijken. Ze gebruikten gegevens van de Framingham Heart Study, die sinds 1948 meer dan 14.000 mensen van drie verschillende generaties volgt. Om de AI-modellen te trainen, gebruikten de onderzoekers digitale kopieën van handgeschreven antwoorden die deelnemers in de loop der tijd hebben ingeleverd. Zo kwamen ze taalkenmerken op het spoor die in verband worden gebracht met vroege tekenen van cognitieve stoornissen, zoals spel-fouten, herhaling van woorden en het gebruik van eenvoudige zinnen. Deze kenmerken komen overeen met al bestaande kennis over hoe Alzheimer taalgebruik kan beïnvloeden.
Een van de gebruikte AI-modellen behaalde een nauwkeurigheid van 70 procent bij de voorspelling welke deelnemers uiteindelijk vóór de leeftijd van 85 jaar Alzheimer-gerelateerde dementie ontwikkelden.
De onderzoekers erkennen dat de resultaten zeker nog niet sluitend zijn, onder meer omdat het een relatief kleine en specifieke groep betreft en omdat bijvoorbeeld gesproken taal ontbreekt. Nader onderzoek moet uitwijzen of de AI-modellen ook in studies van grotere en meer diverse populaties stabiel blijken bij het op-sporen van trends in taalgebruik. Als dat het geval is, dan zijn de onderzoekers ervan overtuigd de ontwikkeling van Alzheimer te kunnen voorspellen ruim voordat ernstige symptomen zichtbaar worden en zonder dat ingrijpende tests of scans nodig zijn.
Om de wereldwijde drugsgerelateerde criminaliteit te stoppen, moeten cocaïne, ecstasy en amfetamine worden ‘genationaliseerd’ zodat legale verkoop mogelijk wordt. Dat adviseert de Britse campagnegroep voor drugsliberalisering Transform in een onlangs verschenen boek waarin Helen Clark, de voormalige premier van Nieuw-Zeeland, het voorwoord schreef.
In het boek How to regulate stimulants: A practical guide stelt Transform voor om de drugs te verkopen in speciale apotheken die door de staat worden beheerd. De groep pleit voor een gespecialiseerde regelgevende instantie, die onder toezicht van de overheid licenties uit kan geven voor de productie van de drugs. Die nieuwe instantie moet ook de prijzen bepalen en reclame voor de drugs moet worden verboden. Volgens Transform zouden winstprikkels de verkoop alleen maar aanjagen en daarom benadrukt de groep het belang van een staatsmonopolie. Onder strikt toezicht moeten gespecialiseerde nieuwe apotheken worden geopend met verkopers die zijn opgeleid om gezondheids- en risicobeperkende adviezen te geven aan drugsgebruikers.
Volgens arts James Nicholls, directeur van Transform, die op één avond twee zoons verloor aan nepecstasy, bieden de praktische suggesties van het boek een uitweg uit de oorlog tegen drugs die al meer dan vijftig jaar faalt. ‘Onze voorstellen halen de drugs weg bij de georganiseerde misdaad en bieden een systeem dat de schade vermindert in plaats van vergroot. De status quo kan niet blijven bestaan.’ In haar voorwoord valt Helen Clark hem bij: ‘Naarmate de consensus groeit dat de ‘war on drugs’ is mislukt, neemt ook de behoefte toe aan een openhartige verkenning van de alternatieven. Het is essentieel dat we een serieuze discussie beginnen over hoe we stimulerende middelen reguleren.’
Op de vraag of er bij de huidige conservatieve Britse regering plannen leven om de wet op drugs te heroverwegen, reageerde een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken zeer beslist: ‘Absoluut niet.’
The Guardian | Londen
Wat zeggen zij over … het grondwetreferendum in Chili
José María del Pino buitenlandcorrespondent
‘Chili laat de huidige grondwet achter zich, die is opgesteld tijdens de dictatuur van Augusto Pinochet (1973-1990) en die door velen wordt beschouwd als de bron van de grote ongelijkheden in het land. Over de andere vraag die in deze historische stemming aan de orde kwam, betreffende het orgaan dat de nieuwe grondwet moet gaan schrijven: 79 procent stemde voor een constitu-tionele conventie, die zal worden samengesteld uit burgers die voor dat doel zullen worden gekozen.’
Charis McGowan correspondent Zuid-Amerika
‘De grondwet van 1980 bevatte de neo-liberale filosofieën van een groep Chileense conservatieven onder leiding van de Amerikaanse econoom Milton Friedman. De privatisering van publieke sectoren zoals gezondheidszorg, pensioenen en onderwijs werd erdoor gefaciliteerd, waardoor Chili een van de rijkste maar ook meest ongelijke landen van Latijns-Amerika werd. De armoedecijfers gingen omlaag, maar de groeiende middenklasse van het land leefde van dag tot dag, opgezadeld met schulden en afhankelijk van leningen.’
Amaya Alvez Marin universitair hoofddocent recht en politicologie
‘Ik behoor tot de Mapuche, de grootste inheemse groep in Chili. En eigenlijk is dit een heel relevant moment, want voor het eerst wordt er gediscussieerd over het creëren van een plek voor inheemse volkeren in de grondwetgevende vergadering. En dat is een hele grote verandering want we hebben er nooit eerder deel van uitgemaakt. We hebben in het verleden 12 grondwetten gehad en de inheemse bevolking heeft er nooit deel van uitgemaakt. Dus dit is een belangrijk moment voor ons.’
Jennifer M. Piscopo & Peter Siavelis politicologen
‘Vrouwen krijgen een grotere stem in de toekomst van Chili. Slechts twee vrouwen behoorden tot de 12 auteurs van de grondwet uit het Pinochet tijdperk. Maar feministische leiders en vrouwen in het congres eisten dat van de burgers die voor de constitutionele conventie worden gekozen, de helft vrouw is. Met succes. Volgens de wet moet nu de helft van de burgers die worden gekozen om de nieuwe grondwet van Chili te schrijven, vrouw zijn. Wereldwijd een baanbrekende standaard voor de politieke inclusie van vrouwen.’
Legalisering van cannabis staat tegenwoordig op elke politieke agenda. Uruguay nam het voortouw. Canada en sommige staten in de VS volgden. Simon Kuper dook een Amsterdamse coffeeshop in om lering te trekken uit het Nederlandse gedoogbeleid.
Toen ik voor de krant wiet moest gaan roken in Amsterdam, vroeg ik een vriendin of ze me een goede ‘coffeeshop’ kon aanbevelen. Haar antwoord was heel Nederlands: ‘Ik ben nog nooit in een coffeeshop geweest.’ Ze koos de Paradox, de zaak die het dichtst bij de school van haar zoon was, zodat ze hem na afloop kon ophalen.
Nu zitten we in wat voelt als een gezellige huiskamer vol met kussens, omringd door keurige, goedgeklede twintigers van over de hele wereld. De café-eigenaar, Ludo Bossaert, die de Paradox 27 jaar geleden is begonnen, beveelt Pure Special Haze Mix aan, een joint van 5 euro. Volgens de uitgebreide menukaart van de zaak zorgt die voor een ‘super high’.
Waarschijnlijk ben ik de eerste klant in de geschiedenis van de Paradox die om een bonnetje vraagt. Ludo – een gedreven botanist, amateurnarcohistoricus en hasjsommelier – leert me eerst te zuigen voordat ik de joint opsteek, om van de zoete kaneelachtige smaak te genieten. Dan begin ik te roken. Hij steekt twee duimen op: ‘Dat noem ik nou onderzoeksjournalistiek!’
Belangrijk onderwerp
Iemand moet het doen, want cannabis is nu een belangrijk onderwerp geworden in de politiek. Op 17 oktober werd Canada de eerste grote economie die wiet legaliseerde voor recreatief gebruik, nadat Uruguay in 2013 het voortouw had genomen. Sinds 1 november kunnen artsen van de Britse National Health Service medicinale wiet voorschrijven. Dertig staten in de VS hebben medicinale cannabis al gelegaliseerd, terwijl negen recreatief gebruik toestaan.
Donald Trump heeft al aangegeven dat hij de decriminalisering ondersteunt. Cannabis zou in de Angelsaksische wereld binnenkort net zo bij het dagelijks leven kunnen horen als alcohol of koffie, en sigaretten vervangen, die sociaal onaanvaardbaar worden. Kunnen we na bijna vijftig jaar decriminalisering in Nederland zeggen dat dit een goede ontwikkeling is? En is wiet een goed middel tegen pijn en allerlei kwalen?
De cannabisplant wordt al minstens vijfduizend jaar door mensen gerookt, vaak als pijnstiller. Cannabispollen zijn aangetroffen in een 4200 jaar oud Nederlands graf. Zelfs koningin Victoria kreeg volgens John Hudak in Marijuana: A Short History ‘door de hofarts medicinale marihuana voorgeschreven als pijnstiller bij menstruatiekrampen’. Wiet werd in de VS voor het eerst controversieel in de jaren dertig, toen anti-immigratiepartijen marihuana (ze gebruikten bewust het Spaanse woord) in verband brachten met Mexicaanse immigranten.
Al snel na de beëindiging van de Drooglegging begon de VS in 1937 met de harde aanpak van wiet, schrijft Hudak. Eind jaren vijftig was marihuana definitief illegaal in Amerika. In 1961 zette de VN cannabis tussen de meest verslavende middelen op Lijst 1, waarmee de plant bijna overal in de illegaliteit werd gedreven.
Cannabis kan binnenkort net zo bij het dagelijks leven horen als koffie
Toen kwam Richard Nixons war on drugs – wiet, heroïne, alles. Zijn doelwit was niet zozeer de wiet als wel de langharige jongelui die het als een sacrament leken te vereren. ‘Als je hasj rookt, leer je je innerlijk kennen,’ zei Bob Marley, en Bob Dylan zong dat iedereen stoned moest worden.
In 1970 stelde president Nixon de commissie-Shafer in om advies in te winnen over de te volgen aanpak. Maar Shafers eindoordeel paste niet echt in zijn straatje: ‘De commissie is unaniem van mening dat het gebruik van marihuana niet zo’n ernstig probleem is dat mensen die marihuana roken [… ] onderworpen moeten worden aan criminele procedures.’ Dit advies schaarde zich in een reeks officiële Amerikaanse rapporten (te beginnen in 1944 met een rapport van de New Yorkse burgemeester Fiorello La Guardia) waarin werd geconcludeerd dat softdrugs niet echt een probleem vormden.
Nixon negeerde Shafer. Hij ondertekende wetten en richtte een bureau op voor de strijd tegen de wiet. Intussen werd overal agressief reclame gemaakt voor tabak en alcohol, de drugs van zijn ‘zwijgende meerderheid’. (Nixon zelf was een zware drinker, die op eigen houtje het anti-epilepsiemedicijn Dilantin gebruikte als kalmeringsmiddel.)
Onbedoeld zorgde Nixon ervoor dat cannabis cool werd. Veel Amerikaanse tieners wisten al uit eigen ervaring dat wiet waarschijnlijk niet je leven te gronde zou richten. Het werd een onschuldige vorm van rebellie.
Hollands pragmatisme
Terwijl de VS tegen de wiet streed, begon het slaperige Nederland de softdrug net te ontdekken. Waarschijnlijk was het eerste grote marihuanafeest buiten de Amsterdamse hippiekringen een popfestival in Rotterdam in 1970. Duizenden jongeren rookten ongehinderd softdrugs, terwijl politieagenten in burger rondliepen om hen in de gaten te houden.
Cees Ottevanger, destijds een jonge politie-inspecteur, vertelde tientallen jaren later in het Nederlandse televisieprogramma Andere tijden: ‘Met de beste wil van de wereld konden we niet melden dat het slecht, vreselijk of onaangenaam was. Want de sfeer was fantastisch en er was geen enkele reden om bang te zijn dat er iets zou gebeuren.’
De Nederlandse staat legaliseerde de cannabis niet, deels om de buurlanden niet voor het hoofd te stoten. Er werd echter wel besloten om gebruikers van softdrugs niet te vervolgen. De overheid vond niet dat blowen gevaarlijker was dan alcohol of koffie, en zelfs als dat wel zo was, vonden ze dat een drooglegging criminelen aan werk zou helpen.
Het is een misverstand te denken dat de Nederlandse staat voor softdrugs is of voor prostitutie (legaal in Nederland). De Nederlandse staat is eerder pragmatisch. Ze hebben liever dat dergelijke riskante activiteiten in het zicht blijven zodat ze die kunnen reguleren (en er belasting over kunnen heffen), terwijl andere landen ze de illegaliteit in duwen, waar verdere controle ontbreekt.
Ik heb het grootste deel van mijn puberteit in Nederland doorgebracht, van 1976 tot 1986. Waar ik woonde waren coffeeshops en een paar vrienden van mij zaten een tijdje in die scene, maar het was geen grote rage onder tieners. Op mijn middelbare school werd wiet niet geassocieerd met creativiteit en rebellie, maar met ongelukkige drop-outs. Sigaretten werden veel cooler gevonden.
We kregen les over harddrugs. Ik herinner me nog dat we de angstaanjagende Duitse film Christiane F. te zien kregen, over een jonge heroïneverslaafde die prostituee wordt. Toen de Nederlandse staat in 2009 een rapport uitbracht met een lijst van de gevaarlijkste drugs, was dit de top 4: 1. crack; 2. heroïne; 3. tabak; 4. alcohol. Cannabis stond op de tiende plaats.
Amerikanen van mijn generatie werden anders opgevoed. Nancy Reagan, de vrouw van de Amerikaanse president, voerde in de jaren tachtig oorlog tegen hard- en softdrugs met de kreet: ‘zeg gewoon nee’. Overal ter wereld zorgden paniek zaaiende, bekrompen types ervoor dat softdrugs de aantrekkingskracht van verboden vruchten kregen.
Dat besefte ik als student in Engeland toen ik twee voetbaltrips naar Amsterdam organiseerde. Mijn teamgenoten wilden niet het Amsterdamse studentenleven verkennen, met de prachtige cafés en alle romantische mogelijkheden. Liever slenterden ze iedere avond over de Wallen of zaten ze in een dubieuze coffeeshop waar toeristen enorm werden afgezet. Ik werd sloom van de wiet (vooral toen mijn teamgenoten mijn neus dichthielden zodat ik niet kon uitademen), maar als hyperactieve twintigjarige wilde ik niet sloom worden.
Toen ik protesteerde, wees de Amerikaanse doelman me erop dat het een kick gaf om legaal wiet te kunnen roken. Aan de andere kant, mijmerde hij, was het voor de Amerikaanse adolescent juist een kick om stíékem bier te drinken en wiet te roken. Het legaliseren van softdrugs zou dat verpesten, zei hij. Maar toen leek legalisering in de VS onvoorstelbaar. In die tijd gaf Bill Clinton als eerste president toe dat hij wiet had gerookt (en daarbij niet had geïnhaleerd). Die bekentenis verplichtte hem ertoe Nixons oorlog krachtig voort te zetten.
De cannabisplant wordt al minstens vijfduizend jaar door mensen gerookt
Niet legaal, wel gedoogd
Het Nederlandse drugsbeleid komt ook voorbij in de gangsterfilm Pulp Fiction uit 1994 – met regie en scenario van Quentin Tarantino, die kort in Amsterdam heeft gewoond:
Vincent: ‘Ja, het komt hierop neer: je kunt het legaal kopen, je kunt het legaal in bezit hebben en als je de eigenaar van een hasjcafé bent kun je het legaal verkopen. Het is illegaal om het bij je te hebben, maar dat maakt eigenlijk niet uit, want als je in Amsterdam wordt aangehouden door de politie mogen ze je niet fouilleren…’
Jules: ‘O man! Ik ga erheen, punt uit. Ik ga er f**ing heen.’
In feite zijn softdrugs niet legaal in Amsterdam. Ludo vertelt over een ruzie met een politieagent die een inval deed in de Paradox.
Ludo: ‘Het is toch legaal?’
Agent: ‘Het is helemaal niet legaal!’
Ludo: ‘Dus het is illegaal.’
Agent: ‘Nee, dat ook niet.’
Ludo: ‘Wat dan?’
Agent: ‘Het wordt gedoogd.’
Spacecakes
Ludo mag vijf gram per klant per dag verkopen, waarover hij belasting betaalt, maar geen btw – ‘omdat het geen bestaand product is in Europa’, legt hij uit. De levering – de zogenaamde ‘achterdeur’ van Nederlandse coffeeshops – is officieel illegaal. ‘Omdat de aanvoer illegaal is, zijn de prijzen voor wiet hoog, want je betaalt voor het risico,’ zegt Ludo. Hij koopt alleen met contant geld, van betrouwbare thuistelers.
‘Ik geef de voorkeur aan kleine hoeveelheden die met liefde zijn gekweekt. Met grotere partijen zijn de betrokkenen vaak halfcrimineel.’ Legaal mag hij maar vijfhonderd gram op voorraad hebben, dus de hele dag komen mensen met een bestelbusje of op de fiets langs om de drugs af te leveren. De politie komt regelmatig controleren. Als ze minderjarigen in zijn zaak aantreffen, of harddrugs, of een te grote voorraad, kunnen ze de tent sluiten.
In 1995 waren er 350 coffeeshops in Amsterdam. Sindsdien is ongeveer de helft gesloten, vooral in een poging het drugstoerisme te ontmoedigen. Tot dusver heeft Ludo ervan geprofiteerd dat er concurrenten werden gesloten. Op een doordeweekse middag is elk tafeltje in de Paradox bezet.
Hij is gespecialiseerd in spacecake: een dunne plak cake die één gram wiet per stuk bevat. Een klant uit Shanghai heeft hem eens een brief gestuurd, versierd met origamitekeningen om hem te bedanken voor ‘het brood’. Ludo legt uit: ‘Ze bedoelde cake, maar in China moet je op je woorden letten.’
Spacecake is verraderlijk. Bij een joint wordt de wiet snel in je bloed opgenomen, waarna je stoned wordt en stopt met roken (een zelfbeperkingsmechanisme dat bij alcohol en tabak ontbreekt). Maar bij eetbare cannabis kan het uren duren voordat je het effect voelt, dus vaak nemen gebruikers te veel. De Amsterdamse gezondheidsdienst, die het zat was om Ludo’s bewusteloze klanten uit de goot te rapen, vroegen hem te stoppen met de verkoop van spacecake.
Hij ging ermee door, maar verpakt nu iedere plak met uitgebreide instructies: ‘Als je nog nooit cannabis hebt gerookt: eet een kwart plak en wacht twee uur op het effect’, enzovoorts.
Ingehaald
Ik hou het bij de joints. Ik inhaleer te weinig om een ‘super high’ te krijgen, maar langzaam leer ik snel twee keer achter elkaar te inhaleren en een onbekende sensatie daalt in. Uiteindelijk weet ik wat het is: ik voel me ontspannen.
‘Alles wordt zachter en ronder,’ legt Ludo uit.
Ik zie bleek, merkt mijn vriendin op.
‘Zijn bloedsuikerspiegel daalt,’ zegt Ludo. De budtender brengt een muntthee met honing, maar ik voel me vrolijk. Ik verlies elk besef van tijd en bekijk welwillend de andere klanten, van wie de meesten over hun schermpje gebogen zitten. Alles is rustig, tot buiten een auto toetert.
‘Willem, je taxi!’ roept een van de vaste klanten.
Willem is een oudere man in een rolstoel, die zich eerder in onze discussie over het Amerikaanse drugsbeleid heeft gemengd. Zijn ‘taxi’ is eigenlijk een busje speciaal voor gehandicapten, dat hem komt ophalen. Zoals altijd rolt Ludo Willem naar buiten en via een loopplank het busje in. Het is een typisch Amsterdams tafereel.
Al zo’n veertig jaar lang vormen de Amsterdamse coffeeshops de voorhoede van de mondiale cannabispolitiek. Eind twintigste eeuw werd in Nederland de toekomst uitgevonden. Ik groeide op met aparte fietsstroken op de weg; in 1999 bedachten de Nederlanders Big Brother, het eerste realitytelevisieprogramma; in 2001 waren ze de eersten met het homohuwelijk. Maar Nederland vindt niet langer de toekomst uit. Op het gebied van de cannabis is het Nederlandse gedoogbeleid inmiddels ingehaald door landen waar cannabis is gelegaliseerd.
‘Toen ik jong was, heb ik geïnhaleerd’, zei Barack Obama. ‘Daar ging het juist om’
In deze eeuw begon de VS op een gegeven moment zijn eigen oorlog tegen de wiet ter discussie te stellen. Ondanks de tientallen miljarden die aan handhaving werden uitgegeven en alle levens die kapot werden gemaakt door arrestaties en gevangenisstraffen, konden de meeste Amerikanen makkelijk aan softdrugs komen.
In 2008 bleek uit een data-analyse onder leiding van Louisa Degenhardt van het National Drug & Alcohol Research Centre van New South Wales dat langdurig cannabisgebruik in de VS en Nieuw-Zeeland (beide 42 procent) veel hoger was dan in andere landen. Het Nederlandse percentage was 20 (hoger dan de meeste andere Europese landen). Een gevolg van al dat blowen was dat jonge Amerikanen ontdekten dat softdrugs niet het grote kwaad waren.
Barack Obama werd tot president gekozen nadat hij had gezegd: ‘Toen ik jong was, heb ik geïnhaleerd. Daar ging het juist om.’ (In zijn memoires uit 1995 Dreams From My Father heeft hij waarschijnlijk overdreven hoe vaak hij heeft geblowd.) Toch, zo legt Hudak uit, had Obama’s carrière behoorlijk kunnen ontsporen als hij als tiener was gearresteerd wegens het bezit van softdrugs – het lot van talloze zwarte jongeren, gezien het raciale onderscheid dat wordt gemaakt bij het handhavingsbeleid.
De miljardairs George Soros en Michael Bloomberg hebben toegegeven dat ze wiet hebben gerookt. Nadat Elon Musk had getweet dat hij aandelen Tesla wilde terugkopen voor 420 dollar per stuk, beschuldigde de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC hem van fraude: ‘Musk verklaarde dat hij de prijs had afgerond op 420 dollar omdat hij onlangs had vernomen dat het een bekend getal was in de marihuanacultuur en dacht dat zijn vriendin “het wel grappig zou vinden”, wat natuurlijk geen geweldige manier is om een prijs vast te stellen.’ (‘420’ is Amerikaans slang voor cannabisgebruik.)
Therapeutisch effect
Kortom, wiet wordt algemeen aanvaard in Amerika. De overheid en veel staten zetten de strijd ertegen voort: in 2016 werden 587.700 Amerikanen gearresteerd voor het bezit van marihuana, meer dan alle andere geweldsmisdrijven bij elkaar. De minister van Justitie, Jeff Sessions, is een softdrugsbestrijder à la Nixon. Maar hij heeft de tijd niet mee. Trump is zich ervan bewust dat de meeste Amerikanen nu voor legalisering zijn. Ludo merkt op dat zijn Amerikaanse klanten blasé worden: Vroeger keken ze bewonderend naar mijn menukaart. Nu zeggen ze waarschijnlijk: “Die gast verkoopt maar vijf soorten wiet.”’
Ludo vindt het medicinale gebruik in Engeland een veelbelovend begin: ‘Totale legalisering zou ze goeddoen, dan zou die stiff upper lip eens wat ontspannen. En het schept meteen werkgelegenheid voor duizenden mensen.’
Als softdrugs worden gelegaliseerd in de Angelsaksische wereld zou dat Ludo’s bedrijf kunnen schaden. Maar hij hoopt dat daardoor ook het hoognodige medische onderzoek naar cannabis van de grond zal komen. Wetenschappers hebben de plant nooit intensief bestudeerd, uit angst voor een politie-inval in het lab. Voor zo’n algemeen gebruikte drug is het merkwaardig dat we er zo weinig van weten.
We beginnen net te begrijpen welk deel van de plant wat doet. Nu liggen er verdere ontdekkingen in het verschiet. Er is veel hoop gevestigd op het gebruik van cannabis bij allerlei kwalen, van pijn tot epilepsie tot multiple sclerose. Een eerste verkennende studie door Dame Sally Davies, Chief Medical Officer in Engeland [medisch hoofdadviseur van de regering], concludeerde dat er bewijs is dat medicinale cannabis gunstige therapeutische effecten heeft.
Schadelijk
Cannabis kan positieve effecten hebben, maar ook negatieve. Iemand die ik goed ken zag ik veranderen in een paranoïde futloze blower met een gat van tien jaar in zijn cv, waar hij lang nadat hij was gestopt met blowen nog last van heeft gehad. De Amerikaanse beroepsvereniging van longartsen waarschuwt dat ‘marihuana die wordt gerookt echt schadelijk [is] voor de menselijke long’ en dat ‘geregeld gebruik kan leiden tot chronische bronchitis en ervoor [kan] zorgen dat iemand met een verzwakt immuunsysteem vatbaarder is voor longinfecties’. Zware gebruikers hebben ook een grotere kans op het ontwikkelen van een psychose.
In de VS heeft het legaliseren tot een lichte stijging van het aantal blowers geleid. Sinds deze week mogen op Facebook cannabisgerelateerde bedrijven vermeld worden in de zoekresultaten van gebruikers.
De opkomende Amerikaanse cannabisindustrie heeft er, net zoals de tabaksindustrie en het casino, baat bij om zware gebruikers aan te moedigen. Typisch wellicht dat de VS van massale opsluiting in gevangenissen kan overgaan op gelegaliseerde overconsumptie.
Ik begrijp het gevaar en toch verlaat ik de Paradox als een bekeerling. Een vriend van me die veel van drugs afweet, adviseerde me eens: ‘Je bent zo hyper, ga nooit cocaïne gebruiken. Jij hebt wiet nodig.’ In het late namiddagzonnetje wandelend langs de Amsterdamse grachten, begrijp ik wat hij bedoelde.
Cannabis zou prachtig passen bij mijn overvolle leven als veertigjarige met druk werk en een gezin. Ik heb geen tijd om heel alternatief ’s middags stoned op een sofa te liggen (tenzij de krant me meer van deze opdrachten geeft). Ik wil gewoon af en toe ’s avonds een joint opsteken om te ontspannen (te unwinden, zoals Ludo het in Nederengels noemt). Softdrugs lijken een gezondere methode dan wijn.
David Nutt, hoogleraar neuropsychopharmacologie aan het Imperial College London, voorspelt: ‘Het zal medicinaal breed worden ingezet, maar voor verschillende medicijnen.’ Volgens hem had de epidemische vormen aannemende verslaving aan opiaten in de VS voorkomen kunnen worden als artsen cannabis in plaats van opiaten hadden voorgeschreven.
Ludo is met name enthousiast over een stofje in cannabis dat CBD (cannabidiol) heet. Het is niet psychoactief, maar het kalmeert en helpt je in slaap te vallen, zegt hij. ‘Mensen geven het aan hun kinderen, hun hond.’ Keurige mensen zoals zijn tandarts en accountant vragen hem ernaar. Coca-Cola verklaarde vorige maand dat ‘ze nauwkeurig de ontwikkeling van het non-psychoactieve CBD volgen om het eventueel als ingrediënt te gebruiken in specifieke gezondheidsdrankjes.’ Cannabidiol zou dan maatschappelijk weleens aanvaardbaarder kunnen worden dan suiker.
Headshop
Voor ik Amsterdam verlaat, bezoek ik nog een headshop om een speciaal pijpje te kopen (ik vond joints te bitter). Ik neem echt geen wiet mee naar huis in Frankrijk, waar het illegaal is; ik zal het kopen bij een vriend van me in de buurt van Parijs, die regelmatig iets in huis heeft.
Bij een Nederlandse drogisterij kocht ik een pakje CBD-pillen uit een grote kast met cannabidiolproducten. ‘Niet verslavend’ staat er demonstratief op de verpakking.
Deze ontluisterende, interactieve reis langs drie internationale routes laat tot in detail zien hoe drugsgeld wereldwijd onrust, conflicten en illegaliteit veroorzaakt.
Laat u meevoeren langs de Noordelijke route, waar bijvoorbeeld in Tajikistan drugsgeld goed is voor het equivalent van zo’n 30 procent van het bbp. Langs de Balkan-route, waar de handel in vooral heroïne wordt gebruikt om opstanden van rebellen te financieren, en langs de Zuidelijke route, ‘the new kid on the block’, waar de aandacht pas naar uitging toen in een uitgebrande Boeing 727 in de woestijn van Mali tonnen cocaïne werden gevonden.
Submarine is een productiemaatschappij in Amsterdam die films, documentaires, animaties en transmediale projecten maakt. De focus ligt op internationale, verhalende journalistiek en innovatie.
Ooit gold Medellín als de gevaarlijkste stad op aarde. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig is de stad met zijn zachte klimaat en goede voorzieningen een populaire bestemming voor Amerikaanse bejaarden.
In een drukbezocht café aan een lommerrijke straat in Medellín drinkt Cindy Crawford Thomas een cappuccino. De gepensioneerde lerares uit Colorado Springs vertelt dat het haar geen enkele moeite kostte om het zuiden van Florida te verlaten en zich te vestigen in wat ooit de gevaarlijkste stad van de wereld was. ‘De beslissing om weg te gaan uit Florida was zo genomen. Het leven is daar te hectisch. Je kent je buren nauwelijks. Er zijn veel mensen, maar er is geen cohesie.’
Medellín – waar Pablo Escobar opgroeide en vroeger ’s werelds gewelddadigste drugskartel zetelde – is een warme, kosmopolitische stad, vertellen Thomas en haar man David, met betaalbare huurwoningen, aangenaam weer en goede medische voorzieningen. Bovendien voelen ze zich hier veiliger dan in Florida. ‘Er wordt nog steeds gedacht dat in Medellín het hoogste aantal moorden ter wereld wordt gepleegd,’ zegt Thomas, ‘maar dat klopt niet meer.’
Het echtpaar maakt deel uit van een almaar groeiende golf avontuurlijke gepensioneerden die besluiten naar Colombia te emigreren. In 2017 maakte de Amerikaanse Social Security 6704 pensioenuitkeringen over naar Colombia – een stijging van 85 procent ten opzichte van 2010 en op basis van voorlopige schattingen het hoogste aantal Amerikaanse pensioenen van alle landen in Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico.
Pablo Escobar
Media die zich op gepensioneerden richten, zijn vol lof over Medellín; televisieprogramma’s als House Hunters International brengen de stad prominent in beeld. En dat terwijl Medellín decennialang een plek was waar bezoekers met een grote boog omheen liepen. De stad was de thuishaven van drugsbaron Pablo Escobar en zijn Medellín-kartel. Huurmoorden en aanslagen met autobommen hielden de op een na grootste stad van het land in een wurggreep. Gedurende een groot deel van de jaren negentig werden er de meeste moorden ter wereld gepleegd, met als dieptepunt het jaar 1995: 225 moorden per 100.000 inwoners.
Ondanks de bloedige reputatie die nog steeds aan de stad kleeft, is het aantal moorden gedaald naar 20 per 100.000 inwoners – veel lager dan in steden als St. Louis, Baltimore, New Orleans en Detroit.
‘Nu de stad steeds veiliger is geworden, komen er steeds meer toeristen en gepensioneerden deze kant op,’ zegt Juliana Cardona Quirós, wethouder Toerisme van Medellín. In 2017 bezochten meer dan 735.000 bezoekers de stad, een stijging van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. ‘En het zijn niet alleen jonge mensen die je in cafés ziet zitten. Ook ouderen hebben de potentie van Medellín ontdekt,’ aldus Cardona. ‘Ze waarderen het zachte klimaat, het goede openbaar vervoer en een leven in een door natuur en bergen omringde stad.’
Toch doen populaire series als Narcos of El Patrón del Mal, die zich afspelen in het gewelddadige verleden van de stad, afbreuk aan de reputatie van Medellín. Toen Nancy Kiernan en haar man met de gedachte speelden om na hun pensioen in Latijns-Amerika te gaan wonen, sprak ze een man die enorm enthousiast was over Medellín. ‘We glimlachten beleefd,’ weet ze zich nog te herinneren, ‘terwijl ik hem in gedachten voor gek verklaarde.’
De 59-jarige Kiernan komt uit Maine en is manager medische dienstverlening. Toen ze bijna zes jaar geleden naar Medellín verhuisde, kende ze nauwelijks expats van haar leeftijd. Dat is wel anders sinds de stad zo vaak genoemd wordt in artikelen over pensioengerelateerde onderwerpen. Niet alleen trekt Medellín Amerikanen aan die in de VS wonen, maar ook Amerikanen die zich al hadden gevestigd in landen als Ecuador of Panama. ‘Sommige delen van de stad zitten vol gringo’s,’ zegt Kiernan.
Het echtpaar Thomas verhuisde zes weken geleden van Boquete – een stad met ongeveer 25.000 inwoners in het noorden van Panama – naar Medellín. ‘Ik vond het daar saai, dus besloten we te kijken of Medellín beter zou bevallen,’ aldus Cindy Thomas.
Ze vonden er een driekamerappartement dat ze delen met hun drie honden en drie katten. Ze betalen ongeveer 1400 dollar per maand. Hun maandelijkse uitgaven, inclusief lidmaatschap van een sportschool en frequente uitjes, schatten ze op ‘ruim onder de 3000 dollar’. Volgens Kiernan kan het overgrote deel van de mensen comfortabel leven voor minder dan 2000 dollar per maand. ‘Colombia is niet het goedkoopste land om in te leven, maar het is goed te doen,’ zegt Kiernan, terwijl ze haar vruchtensap drinkt in een glimmende shoppingmall vol winkels met internationale merken. ‘Het weer is fantastisch, het is een kosmopolitische stad, je kunt water uit de kraan drinken en de dienstverlening is deugdelijk.’
De stad heeft een internationale luchthaven, waardoor Medellín makkelijk toegankelijk is vanuit de oostkust van de Verenigde Staten. Daarnaast zijn alle mogelijke medische voorzieningen aanwezig. Uit een enquête over het jaar 2017, gepubliceerd in het tijdschrift América Economía, blijkt dat 7 van de 49 belangrijkste ziekenhuizen van Latijns-Amerika in Medellín staan. Een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie plaatst Colombia op plek 22 in een ranking van medische voorzieningen in 190 landen, boven de Verenigde Staten en Canada, die op nummer 37 en 33 staan. Emigranten met een permanente verblijfsvergunning die in Medellín wonen, kunnen zich inschrijven bij het ziekenfonds, dat maar 30 dollar per maand kost. David Thomas vertelde dat een vriend met een particuliere verzekering onlangs met een hartaanval met spoed naar het ziekenhuis moest. Hij hoefde maar 14 dollar uit eigen zak te betalen.
Colombia is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse realiteit
Ondanks de juichende woorden is Medellín niet voor iedereen geschikt, vindt Brad Hinkelman, eigenaar van Casacol, een makelaarskantoor dat diensten verleent aan beleggers die in vastgoed willen investeren en aan gepensioneerden die een tweede woning zoeken. Hinkelman verwijt de media dat ze onrealistische verwachtingen scheppen van Medellín: of het is een poel van verderf waar harddrugs de dienst uitmaken, of het is ‘het Parijs van Latijns-Amerika’. ‘Er komen mensen naar ons kantoor die niet adequaat zijn voorbereid op een leven in deze stad,’ zegt hij. ‘Ze denken dat ze met een uitkering een luxeleven kunnen leiden. Aan ons de taak om hen te confronteren met de werkelijkheid.’
Bovendien kampt Colombia nog steeds met omvangrijke en hardnekkige problemen. Het land is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse realiteit. Desondanks plaatste het gezaghebbende tijdschrift International Living, dat zich richt op gepensioneerden, Colombia als zesde op de lijst van landen waar je na je pensioen het best kunt gaan wonen.
Het echtpaar Thomas gaf les op de J.P. Taravella High School in Broward County, op ongeveer 8 kilometer van de Marjory Stoneman Douglas High School, waar onlangs zeventien leerlingen en docenten met een geweer werden afgeslacht. En de moeder van David Thomas woonde een tijd in het bejaardenhuis in Hollywood waar in 2017 twaalf personen omkwamen door een elektriciteitsstoring die werd veroorzaakt door de orkaan Irma. Incidenten als deze maken dat er op een andere manier naar de wereld wordt gekeken, waardoor zelfs een stad met de reputatie van Medellín veilig lijkt. ‘Ik denk niet dat we ooit nog terugkeren naar Florida,’ aldus Cindy Thomas.
In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.
Volgens president Trump leidt de huidige drugsexplosie in Amerika tot een ‘bloedbad’. Maar uit recente cijfers blijkt dat het verband tussen illegale verdovende middelen en geweld in de VS helemaal niet zo duidelijk is.
Het gebruik van illegale verdovende middelen in de Verenigde Staten varieert met de jaren, maar volgens velen – onder wie de president – is het drugsgebruik in het land nog nooit zo groot geweest.
Methamfetamine- en heroïnevangsten aan de Mexicaanse grens hebben een hoogtepunt bereikt. Het cocaïnegebruik neemt weer hand over hand toe. De opioïde-epidemie heeft tot meer dan 60.000 sterfgevallen door overdoses per jaar geleid, een record.
‘Vroeger hadden we de “Age of Aquarius”, waarin het drugsgebruik volgens iedereen de pan uitrees,’ zei president Trump afgelopen januari, verwijzend naar de tegencultuur uit de jaren zestig. ‘Dat was niks vergeleken bij wat er nu gebeurt.’
Minister van Justitie Jeff Sessions bereed diezelfde maand tijdens een toespraak in Pittsburgh twee van zijn stokpaardjes: geweldsmisdrijven en de opioïde-epidemie. Hij heeft strengere wetgeving ingevoerd, die officieren van justitie dwingt het geweld met alle beschikbare middelen in te perken. En eind vorig jaar maakte hij bekend dat iedereen die illegaal fentanyl – een krachtige synthetische opioïde – bezit of het middel importeert, distribueert of produceert, gerechtelijke vervolging tegemoet kan zien.
De president en zijn minister van Justitie zeggen dat de drugsexplosie in Amerika tot een ‘bloedbad’ leidt, maar uit recente cijfers blijkt dat het verband tussen illegale verdovende middelen en geweld in de VS helemaal niet zo duidelijk is.
Grote steden lijken veiliger
In Atlanta, Houston, Los Angeles en andere centra voor drugshandel is het dodental vorig jaar gedaald. Grote Amerikaanse steden lijken veiliger te worden, ook al worden ze overspoeld door drugs.
Nergens is deze trend duidelijker dan in New York City. In 2016 telde de stad bijna 1400 sterfgevallen door overdoses heroïne en fentanyl, een record. Maar vorig jaar meldde de politie slechts 290 sterfgevallen, het laagste aantal sinds 1951 en een daling van 87 procent ten opzichte van 1990, toen er 2245 doden vielen.
De kans om in New York City om te komen als gevolg van drugs is ongeveer even groot als in Montana of Wyoming, zelfs in een tijd dat drugsvangsten tot recordhoogte stijgen.
In Los Angeles, het grootste heroïne-, cocaïne- en fentanylcentrum aan de Westkust, daalde het aantal levensdelicten in 2017 met 6 procent; in Los Angeles County met 20 procent. Ook in Houston, Washington en zelfs Chicago, waar het geweld een jaar geleden zo erg was dat Trump de FBI dreigde te sturen, daalde het aantal levensdelicten vorig jaar met dubbele cijfers.
Deze cijfers lijken te duiden op een wijdvertakte, duurzame ontkoppeling tussen het aantal levensdelicten en de illegale drugshandel in veel Amerikaanse steden, een trend die in tegenspraak is met de gangbare verhalen over de oorsprong van stedelijk geweld.
Criminologen zien veel mogelijke oorzaken, maar één daarvan speelt misschien wel de belangrijkste rol in de afname van het aantal drugsdoden: smartphones.
Zoals de mobiele technologie de gebruikelijke handel heeft veranderd, heeft ze ook een revolutie ontketend op de illegale markten door de drugshandel voorspelbaarder en minder dodelijk te maken. gps-navigatie, versleutelde communicatie en messaging-apps hebben de noodzaak voor drugsdealers om fysieke controle over stedelijke gebieden uit te oefenen en die desnoods met dodelijk geweld te verdedigen enorm verkleind, zeggen deskundigen.
‘De technologie voor de kleinhandel in drugs is radicaal veranderd, vooral de afgelopen tien jaar,’ zegt Mark Kleiman, criminoloog bij New York University. ‘Er staan geen mensen meer op straathoeken. Nu vinden de transacties plaats via de mobiele telefoon, wat de betrokkenen veel minder kwetsbaar maakt.’ Bovendien is het voor de politie, veel moeilijker om in te grijpen, voegt Kleiman eraan toe.
Er zijn veel Amerikaanse steden waar de drugshandel nog grotendeels via de traditionele kanalen verloopt, waaronder Baltimore, waar vorig jaar een recordaantal van 343 doden viel. De drugshandel in de openlucht blijft een aanjager van geweld in St. Louis, New Orleans en andere steden waar het aantal levensdelicten is opgelopen. Maar dat businessmodel is niet overal meer dominant, en zeker niet in steden met grote aantallen drugsgebruikers uit de hogere middenklasse die het zich kunnen permitteren hun spul via hun iPhone te bestellen in plaats van naar uiterst misdadige buurten te rijden.
‘Toen ik in 1998 bij de narcoticabrigade kwam, reed je naar een appartementencomplex waar je de drugs door je raampje kreeg aangereikt’
In Houston, waar het moordcijfer in 2017 met 11 procent daalde, heeft de narcoticabrigade geleerd de online-handel in de gaten te houden, zoals op de handelssite EC21. Als je op die site naar ‘fentanyl’ zoekt komen er geen hits. Maar als je het als ‘fentanyll’ spelt, krijg je een fotootje van wit poeder te zien met een telefoonnummer en e-mailadres, mogelijk van een handelaar in China.
‘Toen ik in 1998 bij de narcoticabrigade kwam, reed je naar een appartementencomplex waar je de drugs door je raampje kreeg aangereikt,’ zegt inspecteur Stephen Casko van de narcoticabrigade in Houston. ‘Nu kun je je drugs gewoon via e-mail bestellen en hoef je geen dealer te zien.’
Postinspecteurs op John F. Kennedy International Airport in New York hebben vorig jaar bijna tachtig fentanylzendingen onderschept, drie keer zoveel als in 2016. FBI-agenten in Atlanta arresteerden afgelopen zomer zestien postmedewerkers op verdenking van het aannemen van steekpenningen om zendingen van een kilo cocaïne af te leveren met hun bestelbusje.
Sanho Tree, verbonden aan de afdeling Drugsdecriminalisering van het Institute for Policy Studies in Washington, zegt dat er geen ‘organisch verband’ bestaat tussen drugs en geweld. ‘Maar er is wel een verband tussen illegale drugshandel en geweld,’ zegt hij.
In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw verliep het dealen betrekkelijk geweldloos, zegt Tree. ‘Gewoonlijk was er een dealer met een rugzak die van deur tot deur ging om bestellingen af te leveren.’
Dat veranderde met de invoering van minimumstraffen, zegt hij, toen straatdealers lange gevangenisstraffen riskeerden. ‘Daardoor werd het te gevaarlijk om met een rugzak vol drugs rond te lopen, wat aanleiding was om minderjarigen in te schakelen bij de drugshandel in de openlucht – als uitkijkpost, runner enzovoort – die niet dezelfde strenge straffen riskeerden.’
Het domineren en verdedigen van de fysieke ruimte was onmisbaar voor grote winsten. ‘Daarom werden straathoeken zo waardevol,’ zegt Tree.
Geweldsmisdrijven in de Verenigde Staten – met name moord – bereikten een hoogtepunt in de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw, toen steden werden bedolven onder de crack. Maar toen het cocaïne- en heroïnegebruik afnam, daalde ook het aantal levensdelicten. Vandaag de dag is het aantal levensdelicten in Amerika per hoofd van de bevolking ongeveer de helft van dat in 1985. Criminologen schrijven de daling toe aan een reeks van factoren, waaronder beter politietoezicht, meer kansen op werk en mogelijk zelfs verminderde blootstelling aan lood.
Na het bereikten van een historisch laagtepunt in 2014 namen de moordcijfers in Amerikaanse steden in 2015 en 2016 abrupt toe. Deskundigen merken op dat ondanks deze stijging het aantal geweldsmisdrijven veel lager is dan een kwart eeuw geleden, maar de plotselinge opleving was voor de regering-Trump reden om de wetshandhaving te intensiveren. ‘De geweldsmisdrijven rijzen de pan uit als nooit tevoren,’ verklaarde Sessions, en hij beloofde daartegen op te treden met strengere gevangenisstraffen, harde maatregelen tegen illegale immigratie en het verstrekken van meer militair materieel aan politiebureaus.
Landelijk steeg het aantal levensdelicten in de eerste zes maanden van 2017 met 1,5 procent ten opzichte van diezelfde periode in 2016, terwijl het totale aantal geweldsmisdrijven – waaronder verkrachting, beroving en ernstige mishandeling – lichtelijk daalde, zo blijkt uit cijfers die de FBI afgelopen januari heeft vrijgegeven. In het zuiden en middenwesten steeg het aantal levensdelicten. In het noordoosten daalde het sterk, en in geringe mate ook in het westen.
In een artikel in USA Today voerde Sessions de nieuwe gegevens aan als bewijs van het snelle succes van de regering. ‘Toen president Trump werd ingehuldigd, deed hij het Amerikaanse volk een belofte: “Dit Amerikaanse bloedbad stopt hier en nu,”’ schreef Sessions, citerend uit Trumps inaugurele toespraak. ‘En die belofte heeft hij gehouden.’ Maar in veel Amerikaanse steden is het geweld maar in beperkte mate teruggekomen. In sommige steden met de hoogste uitschieters, zoals Chicago en Washington, blijft het aantal levensdelicten teruglopen.
De psychotische effecten van narcotica kunnen daarbij ook een rol spelen, zeggen criminologen. Waar een crackroes vaak gepaard gaat met een golf van manische energie en extreem zelfvertrouwen, brengen opioïden de gebruikers tot rust zodat ze misschien minder geneigd zijn tot gewelddadig gedrag.
Anders dan de crack-epidemie van de jaren tachtig, die vooral arme zwarte Amerikanen trof, trekt de opioïdecrisis zich niets aan van geografische of sociale scheidslijnen. ‘Veel huidige verslaafden behoren tot de hogere middenklasse en wonen niet in buurten die worden geteisterd door geweld,’ zegt Volkan Topalli, hoogleraar Strafrecht aan Georgia State University.
‘In de buurten waar zij wonen bestaat geen hoog geweldsniveau,’ zegt hij, ‘en zijn de distributienetwerken niet primair in handen van grote bendes.’
Richard Rosenfeld, criminoloog bij de University of Missouri-St. Louis, zegt dat de opioïdecrisis sinds 2014 de belangrijkste reden lijkt voor het gestegen aantal levensdelicten onder blanke Amerikanen. Maar hij zegt dat de stijging waarschijnlijk nog veel sterker zou zijn ‘als de straathandel nog even wijdverbreid was als vijfentwintig jaar geleden’.
Mexicaanse drugskartels
Er lijkt nog een factor te zijn in het nieuwe tijdperk van de Amerikaanse drugshandel die het dalende moordcijfer kan verklaren: een doelbewuste poging van Mexicaanse drugskartels om het gebruik van geweld aan de Amerikaanse kant van de grens tot een minimum te beperken.
Dezelfde smokkelorganisaties die het moordcijfer in Mexico tot ongekende hoogte hebben opgejaagd gaan in de Verenigde Staten volgens een andere logica te werk, net als de grote bedrijven die profiteren van de economische voordelen van het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord NAFTA.
De verschillende geweldsniveaus langs de grens tussen de VS en Mexico onderschrijven dit patroon. Steden als El Paso en San Diego hebben de laagste moordcijfers in de Verenigde Staten, ook al liggen ze recht tegenover Ciudad Juárez en Tijuana, twee van de moordzuchtigste plekken van Mexico.
Het ontbreken van een ‘overloopeffect’ wordt in elk geval ten dele toegeschreven aan een gedisciplineerde bedrijfsstrategie die erop gericht is zo min mogelijk aandacht te trekken van de Amerikaanse rechtshandhavingsinstanties, zegt Sam Quinones, auteur van Dreamland: The True Tale of America’s Opiate Epidemic.
Anders dan de Colombiaanse kartels, wier pogingen om de drugsmarkt in Miami, New York en andere Amerikaanse steden over te nemen een generatie geleden tot een vloedgolf van moorden leidden, schuwt het merendeel van de moderne Mexicaanse handelaren het gebruik van geweld aan Amerikaanse kant.
‘Ze hebben een scherp oog voor het enorme verschil tussen het strafrecht in Mexico en dat in de Verenigde Staten,’ zegt hij. Uit vrees voor een lange straf in een strenge Amerikaanse gevangenis vechten de gangsters hun geschillen met rivalen liever in Mexico uit, waar minder dan 5 procent van de misdrijven tot een veroordeling leidt. In zijn boek beschrijft Quinones een groep Mexicaanse heroïnedealers in Denver en omgeving, de ‘Xalisco Boys’, wier koeriers de drugs in ballonnetjes afleverden. Ze hielden die ballonnetjes in hun mond en hadden flesjes water bij zich om ze door te slikken als ze werden aangehouden door de politie.
De heroïnedealers bleven zelden lang in één Amerikaanse stad en reden vaak op hun motorfiets op en neer naar Mexico. Ze trokken zich zo weinig aan van hun straatreputatie dat ze ook aan klanten verkochten die hen hadden bestolen of bedrogen, waarbij ze het verlies eerder als een bedrijfsrisico beschouwden dan als een persoonlijke belediging die gewroken moest worden. Ze meden gebieden met veel misdaad en waren ongewapend.
‘Veel van die kerels waren verlegen boerenjongens,’ zegt Quinones. ‘Ze waren geïntimideerd door de VS en beslist niet geïnteresseerd in een bloedige onderlinge oorlog.’
En als de dealers zich bedreigd voelden door politiemensen of concurrerende handelaren verplaatsten ze hun mobiele heroïnehandel gewoon naar een andere Amerikaanse stad. Ze vonden geweld het risico niet waard, zegt Quinones, ‘en de markt in de VS was groot genoeg voor iedereen’.
Grootschalige Mexicaanse handelaren lijken op dezelfde manier te opereren. Toen narcotica-agenten in New York vorig jaar een inval deden in een appartement in Queens en 63 kilo pure fentanyl aantroffen, arresteerden ze een echtpaar van middelbare leeftijd dat een paar weken eerder uit Mexico was gekomen.
Het was de grootste fentanylvangst in de Amerikaanse geschiedenis, met een waarde van tientallen miljoenen dollars. Maar het echtpaar had niet eens een wapen.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de invloedrijkste kranten ter wereld. Eigendom van Amazon-baas Jeff Bezos.
In de Spaanse regio Galicië verdienen visstropers goud geld aan mosselen, scheermessen en coquilles. Hun buit vindt zijn weg naar restaurants, visafslagen en visverwerkingsbedrijven. ‘Ze zijn erger dan de drugshandelaren,’ zegt een kustwachter.
‘Mijn strandvilla heb ik betaald van de opbrengst van de verkoop van scheermessen.’ Aan het woord is Ramón (pseudoniem), een van de grote jongens van de illegale visvangst aan de kust van Galicië. Ooit heeft hij in één nacht wel 140 kilo scheermessen buitgemaakt, aldus Ramón, geboren en getogen in Rías Baixas, waar hij nog steeds woont. We zitten te praten op het terras van een bar waar de regen hard op de overkapping klettert. ‘Op mijn achtste ben ik begonnen. Mijn vader is zeeman, als kind werd ik op zee aan het werk gezet.’ Het verschil is dat Ramón besloot te vissen zonder vergunning: hij vist illegaal en verkoopt zijn vangsten in het zwarte circuit. Ramón is zeevruchtenstroper.
Behalve op scheermessen vist hij op coquilles en zwemkrabben. Hij duikt met en zonder zuurstoffles. ‘Terwijl ik naar de bodem zwem houdt een auto de omgeving in de gaten en post er iemand bij het water. In vier à vijf uur halen we gemiddeld zo’n zestig kilo op. Mijn record is zes uur achter elkaar duiken zonder zuurstoffles.’
Halverwege de jaren negentig heeft Ramón miljoenen verdiend met illegale visserij. Hij kocht er een villa, een appartement in la Coruña en een in Santiago de Compostela van. ‘Alert zijn, dát is de truc. Ik kijk voortdurend in mijn achteruitkijkspiegel. Als ik drie keer achter elkaar dezelfde auto zie, smeer ik hem. En ik duik bijna altijd ’s nachts om een uur of drie. We zijn standaard met vier of vijf man. We hebben de boel strak georganiseerd.’
Dat de zeevruchtenstropers hun zaakjes goed geregeld hebben blijkt uit het feit dat de Guardia Civil en de Servizo de la Xunta de Galicia, de kustwacht van Galicië, de laatste jaren strijd voeren (soms al te letterlijk) tegen wat steeds meer gaat lijken op georganiseerde misdaad: de nieuwe maffia van de Galicische kust.
Gegevens van de Consellería do Mar de la Xunta de Galicia, het Departement Visserij Galicië, laten zien dat er in 2016 73.140 kilo illegale visvangst werd onderschept. Vorig jaar liep dat cijfer op naar 175.074 kilo.
‘Dat we in Galicië een probleem hebben kunnen we niet ontkennen, maar de situatie is niet dramatisch,’ zegt Lino Sexto, onderdirecteur van de kustwacht van Galicië. ‘We hebben vooruitgang geboekt in de strijd tegen een oud probleem waartegen het moeilijk optreden is. Visstroperij is pas sinds de wetsherziening van 2015 een misdaad waar gevangenisstraf op staat. Tot nu toe is nog geen enkele stroper achter de tralies beland. Ze betalen liever een boete. Sommigen voelen zich onaantastbaar,’ aldus Lino.
In Muxía, een vissersdorpje aan de Costa da Morte, vertelt de gepensioneerde eendenmosselvisser Moncho do Pesco dat de stropers in speedboten met zware motoren aan komen varen. ‘Ze duiken naar de rotsen die onder het wateroppervlak liggen en plukken ze kaal. In één nacht kunnen ze zesduizend euro verdienen en ze gaan een derde van het jaar op pad. Tel uit je winst!’
Moncho legt uit dat ze over land en over zee komen. Ze posten, soms zelfs gewapend met stokken en knuppels, op strategische plekken, waarna ze weer vertrekken met kratten vol eendenmossels. ‘Net als die lui die smokkelen.’
‘Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel’
Suso is controleur van de vissersgilde San Telmo de Pontevedra. De vissersgildes in Galicië zijn verplicht om om de beurt de kust te inspecteren op illegale vispraktijken. Op veel kustplekken wordt die afspraak niet nageleefd, en waar men dat wel doet maken de controleurs geen schijn van kans tegen de stropers. ‘Maffiosi zijn het, schrijf dat maar op: maffiosi!’ schreeuwt Suso boos, terwijl hij in de haven van Campelo een touw van zijn vissersboot losgooit. ‘Vorige maand hebben ze mijn auto in de fik gestoken en vorige week moesten de koplampen van mijn andere auto het ontgelden. Gisteren werd ik aangevallen en zijn mijn brillenglazen gebroken. Ze zijn nog erger dan drugshandelaren!’ schreeuwt Suso, ons gesprek afkappend.
In Galicië heb je zeevruchtenstropers die illegaal een paar kilo eendenmosselen en zwemkrabben vangen om te overleven. Het is kruimelwerk vergeleken met de tonnen zeevruchten die de grote jongens zwart verkopen en de duizenden euro’s die ze ermee omzetten. Ze verkopen vooral venusschelpen, coquilles en scheermessen, want die worden het hele jaar door gegeten en leveren het meeste geld op.
‘Ze zijn goed georganiseerd, verdienen tonnen en lopen er gewoon mee te koop. Ze rijden in dikke auto’s, varen in zware boten en schaffen appartementen aan. Ze gedragen zich als drugshandelaren,’ vertelt een lid van een vissersgilde. ‘En een paar zijn dat ook. Ze houden zich bezig met drugshandel, tabaksmokkel en visstroperij. De Os Fanchos-clan, bijvoorbeeld, van die kerel die Diana Quer heeft vermoord. Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel.’
‘Het probleem is dat bijna iedereen weet wie ze zijn,’ zegt Lino Sexto. ‘Stropen is de normaalste zaak van de wereld, het wordt in Galicië geaccepteerd. Die lui werken niet in de luwte, integendeel, ze houden van machtsvertoon. Door de storm lag een paar dagen geleden het hele strand bezaaid met coquilles. De mensen wisten er wel raad mee. Maar zelfs de burgemeester beweerde dat zoiets normaal was. En hij is nog wel bioloog! De mensen beseffen niet hoeveel schade illegale visvangst aanricht,’ aldus Lino.
Ook in Muxia zegt Moncho heel goed te weten wie zich bezighoudt met de illegale vangst van eendenmosselen. ‘Wat kan ik doen? Ruziemaken met die lui? Dat is mijn werk niet.’ In de stad la Coruña hoort de clandestiene verkoop van coquilles tot het straatbeeld. In een halve ochtend hebben de stropers hun buit op straat verkocht.
Onder controle
‘Een paar jaar geleden hadden we veel problemen op de O Burgo, de riviermond die vlak bij la Coruña ligt,’ vertelt kustwachter Enrique Rodríguez. Verschillende families jatten daar venusschelpen en gebruikten hun kinderen als schild tegen ons. Ik kreeg klappen en hield er een kapotte wenkbrauw aan over. Een tijdje geleden was er zelfs een vuurgevecht met de Guardia Civil.’
Ook Javier – hij wil evenmin met zijn echte naam in de krant – stroopt zeevruchten. Maar hij maakt geen grote omzet, zoals Ramón. ‘Ik doe dit om een boterham te verdienen. Wat doe ik verkeerd? Ik werk alleen maar. Wat heeft de kustwacht met mij te schaften? Een paar van ons zijn gewelddadig, voor het overgrote deel zijn we eerlijke mensen die de kost willen verdienen voor onze gezinnen.’
In de haven van Marín, vlakbij Pontevedra, nodigt Enrique ons uit voor een tochtje op de Irmáns García Nodal, een van de vaartuigen die de kustwacht inzet op zijn kruistocht tegen de illegale visserij. Stuiterend over de golven van de rivier legt Enrique uit dat de kustwacht acht uitvalbases heeft langs de hele kust. ‘Ze verlinken elkaar om de haverklap. We krijgen aan één stuk door informatie doorgespeeld. Dat gaat van: hé, die gaan vanavond op stap, en die hebben geen vergunning. We hebben onze informanten.’
Volgens Ramón gaat de informatie beide kanten op. ‘Ik weet precies op welke dagen en om hoe laat de kustwacht uitvaart. Wij hebben daar onze mannetjes zitten. De boel is onder controle,’ vertelt Ramón glimlachend. En als de kustwacht toch onverwacht komt, dan krijgen ze hen nooit te pakken. De stropers hebben de krachtigste motoren van de hele riviermond.
‘We moeten ons richten op de handelsstromen, daar draait het om,’ verzekert Lino Sexto me. De stropers raken hun handel probleemloos kwijt. ‘Ik verkoop mijn visvangst aan de beste restaurants in la Coruña en Santiago. Als ik namen noem dan val je van je stoel,’ vertelt Ramón. ‘Ik lever wat ze bestellen, de rekening gaat op naam van een collega beroepsvisser en klaar is Kees.’
Onderdeel van het probleem is dat de illegale vangst wordt afgezet bij kwekerijen, visverwerkingsbedrijven en visafslagen. Veel zeevruchtenstropers hebben een vergunning, en anders heeft iemand anders uit de groep er wel een. De vangst zit overal en nergens. ‘Wee de dag dat er serieus onderzoek wordt gedaan naar de visverwerkingsbedrijven in Galicië,’ zegt Ramón.
Hij doet zijn verhaal in een restaurant in Rías Baixas. Als ons gesprek is afgelopen staat hij op en wijst naar een leeg aquarium waar zeevruchten in horen te zwemmen. ‘Weet je waarom dat ding leeg is?’ Niet Ramón zelf maar de ober van het restaurant geeft uitleg: ‘Je hebt ons al een maand niets gebracht!’ Iedereen schiet in de lach.
‘Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft’
Niemand van de vele leden van de vissersgilde Costa da Morte is bereid te praten. Een voor een weigeren ze een interview als ze horen dat het over de illegale visvangst gaat. Nadat meer dan een dozijn mannen heeft bedankt, komt er een die ook anoniem wil blijven. Hij fluistert: ‘Weet je waarom niemand wil praten? Omdat de meeste vissers zich niet aan de regels houden, ze hebben allemaal boter op hun hoofd. Zij stropen net zo goed.’
‘De meeste, zeg je?’ vraagt Ramón, de zeevruchtenstroper uit Rías Baixas. ‘Het is honderd procent, dat weet ik zeker. Zij zijn de echte maffia.’
‘Vijfennegentig procent van de overtredingen en van het probleem komt daar vandaan,’ zegt Lino Sexto. ‘De vangst, het volume, de quota vormen een groot probleem.’ De visser van de Costa de Morte gaat verder waar hij gebleven was: ‘Iedereen belazert hier de boel en trekt zijn eigen plan. Er is geen commitment, geen eensgezindheid. Zo gaat dat in Galicië. Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft.’
‘Er is geen werkelijk besef van wat het probleem behelst,’ vult Lino aan. Ramón de stroper maakt het fijntjes af: ‘Nooit heeft men een serieuze poging gedaan om zich daar bewust van te zijn. Als men het echt goed zou doen, als de zeevruchtenvissers een goede opleiding zouden krijgen, dan was dit probleem in twee dagen opgelost.’
Door de hoge vanilleprijs beleeft Madagaskar, de grootste producent ter wereld, gouden tijden. Maar de handel leidt ook tot veel criminaliteit, en gaat ten koste van het regenwoud.
‘Het is big business,’ zegt Dominique Rakotoson, een vanillehandelaar van de oude stempel uit Sambava, de uitdijende ‘vanillehoofdstad’ in het noordoosten van Madagaskar. Het drukke verkeer doet stofwolken en dunne plastic zakjes opwaaien, spiksplinternieuwe SUV’s razen voorbij, uit speakers dreunt Malagassische popmuziek. Maar nergens is er een vleugje vanille te bespeuren in deze tropische stad – alleen de geur van afval, en van geld. ‘Deze quatre-quatres [fourwheeldrives] zijn allemaal betaald van het “zwarte goud”,’ zegt Rakotoson met een gepijnigde glimlach. Veel inwoners hebben de afgelopen jaren goede zaken gedaan in vanille. ‘Mijn broer, een boer die nog niet eens zijn lagere school heeft afgemaakt, is in een mum van tijd miljardair geworden [in ariary, de lokale munteenheid]. Ik heb jarenlang in de hoofdstad gestudeerd terwijl anderen hier een fortuin vergaarden.’
Dankzij de snel groeiende vraag in China en kritische westerlingen die hun neus ophalen voor kunstmatige smaakstoffen lijkt er een onstilbare honger te zijn ontstaan naar de aromatische specerij uit deze contreien. Madagaskar exporteert jaarlijks zo’n tweeduizend ton vanille, die wordt verwerkt in bakproducten, ijs en parfum. Naar verluidt zou vanille een van de geheime ingrediënten van Coca-Cola zijn. De prijzen zijn omhooggeschoten: de peulen van de oogst van vorig jaar werden voor 500 euro per kilo aan internationale levensmiddelenproducenten verkocht, het tienvoudige van de kiloprijs in 2013. In een land waar meer dan 80 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is deze vanillekoorts voor de telers een geschenk uit de hemel. Of niet?
Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele “vanillemoorden”
‘Hier ben ik nu mee getrouwd.’ Moira, een zeventigjarige weduwe uit het dorp Anjiamangotroka, prikt haar machete in de aarde waar ze pas geleden vanille-orchideeën heeft geplant. Met haar eerste oogst – het duurt drie tot vier jaar voordat de tropische slingerplant vruchten draagt – hoopt ze genoeg geld te verdienen ‘om een fatsoenlijk huis te kopen’. Ze is niet in de veronderstelling dat ze slapend rijk zal worden. ‘De teelt is erg arbeidsintensief.’ Het draait allemaal om handwerk. De delicate vanillebloemen bloeien maar één dag per jaar en moeten handmatig worden bevrucht. De plant komt oorspronkelijk uit Midden-Amerika en wordt alleen bevrucht door een lokale bijensoort die niet in Madagaskar gedijt. Na de bestuiving duurt het negen maanden voordat de groene vanillepeulen rijp zijn. Vervolgens worden ze geplukt en gefermenteerd. Ze moeten wekenlang in de zon drogen voordat ze hun aroma, en daarmee hun waarde, ontwikkelen. Het zonnige, vochtige klimaat in de regio Sava is perfect voor de kwetsbare, kostbare orchidee – zo perfect zelfs dat driekwart van de wereldproductie hiervandaan komt, meestal van kleine familiebedrijfjes zoals dat van Moira. Maar de afgelopen tien jaar is de teelt steeds riskanter geworden.
‘Het regent minder en het gewas groeit minder goed,’ legt Moira uit. De grootste kwaaddoeners zijn de cyclonen die tijdens de zomermaanden over het eiland razen. Vorig jaar werd de regio getroffen door de hevigste storm van de afgelopen tien jaar. Cycloon Enawo veroorzaakte landverschuivingen en overstromingen. Er vielen 81 doden, 250.000 huizen raakten verwoest. De cycloon vernielde een vijfde van alle oogsten en een derde van de vanilleoogst, waardoor de vanilleprijs nog verder omhoogschoot.
‘Dankzij Enawo is vanille peperduur geworden,’ zegt Charles Rambolarson, uitvoerend secretaris van het Nationaal Bureau voor Rampenbestrijding. ‘En alle andere levensmiddelen ook: de prijzen rijzen de pan uit. Bevolkingsgroepen die al kwetsbaar waren, lijden nu honger.’ Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt: na een verwoestende cycloon in 2004 steeg de vanilleprijs van 20 euro naar meer dan 400 euro per kilo. Na de oorspronkelijke stijging zakte de kiloprijs terug naar 40 euro. ‘Het zal ook zeker niet de laatste keer zijn,’ benadrukt Rambolarson. ‘Door de klimaatverandering zijn de tropische stormen in kracht toegenomen.’
Met de stijgende vanilleprijs is ook de vanilleroof gegroeid. ‘Het overkomt ons allemaal,’ zegt Emmanuel Zafihavama, een 55-jarige boer die een kleine vanilleplantage langs de weg naar Andapa beheert. ‘Hoe hoger de kiloprijs, des te vroeger in het jaar duiken dieven op om de peulen van de planten te grissen.’ Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, vertelt hij, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele ‘vanillemoorden’. In zijn lommerrijke tuin, waar honderden helgroene vanilleplanten groeien, vertelt Zafihavama dat de boeren in zijn dorp de handen ineen hebben geslagen. ‘We hebben een burgerwacht opgericht om onze velden tijdens de vier maanden vóór de oogst dag en nacht te bewaken. We gaan op patrouille en slapen tussen de planten. Het is gevaarlijk en vermoeiend,’ zegt hij. ‘Het heeft totaal geen zin om bij de politie aangifte te doen. Ze spelen allemaal onder één hoedje.’ Boeren klagen dat dieven die ze in de kraag vatten en aan de politie overdragen zichzelf meteen vrijkopen.
In de afgelopen jaren is de markt overspoeld met gestolen, onrijpe peulen, waardoor de gemiddelde kwaliteit van vanille uit Madagaskar is verslechterd. Om boeren ervan te weerhouden de vanillepeulen uit angst voor roof vroeg te plukken, heeft de regering voor elk dorp een oogstdatum vastgesteld. Van boeren die zich niet aan de regels houden wordt de oogst in beslag genomen of zelfs verbrand. Maar velen nemen dat risico op de koop toe.
In Sambava wachten vanilledealers op de beruchte Rue Ambudimanga op klandizie. Het zijn jongemannen in gekleurde T-shirts, met spiegelzonnebrillen en gouden kettingen. De kleine koningen van deze morsige achterafstraat genieten zichtbaar van het geld en de roem die de handel hen oplevert. Een van hen, een twintiger die Prisco à l’Appareil [aan de telefoon] heet, veert op en trekt een bundeltje vanillestokjes uit zijn broekzak. ‘Topkwaliteit, slechts 1,5 miljoen ariary [ca. 390 euro] per kilo.’ Andere vanilledealers hebben vacuümverpakte pakketjes in hun tassen of lopen openlijk met kleine hoeveelheden in plastic zakjes rond. ‘De verkoop van vanille is niet zo relaxed als de jongens doen voorkomen,’ zegt Julio, een vader van vier. ‘Je moet uitkijken dat de vanillestokjes niet onder je neus vandaan worden gestolen. De baas weegt aan het einde van de dag de onverkochte waar. Als je een deel bent verloren, draai je er zelf voor op.’ ‘Niet iedereen is er geschikt voor,’ beaamt een groepje dealers eensgezind. Maar in Sambava, waar veel werkloosheid heerst, grijpen gelukszoekers hun kans. ‘Als je geen vanille verkoopt,’ zegt Prisco, ‘wacht je een zwaar leven. Hier is geen werk voor mannen.’ Er zijn alleen slecht betaalde baantjes in de bouw waarmee ze zich geen gouden horloges kunnen veroorloven.
Ins en outs
Max, een 21-jarige chauffeur, kent de ins en outs van de vanillehandel. ‘Je moet ten eerste de juiste mensen kennen.’ Hij voelt zich er te jong voor, haast hij zich te zeggen. ‘Voor mij is het op dit moment te riskant.’ Met een blik over zijn schouder leidt hij ons naar een magasin de vanilla; een vanillepakhuis. Van buiten ziet het eruit als een doodgewoon woonhuis: een roze villa met balkons, twee verdiepingen hoog, tussen de bescheiden houten huisjes. Omdat de patron weg is mogen we even een kijkje nemen. Binnen zitten ongeveer zestig vrouwen met haarnetjes en lichtgroene schorten aan lange tafels. Ze sorteren de zongedroogde vanille en bundelen ze in kleine pakketjes ter waarde van tienduizenden dollars, die in de hal worden ingepakt in grote dozen. Max is erg nerveus en loodst ons snel weer naar buiten. ‘De mensen zijn bang,’ zegt hij. Het is overduidelijk dat achter die roze muren iets illegaals plaatsvindt. Het is nu januari, en de laatste oogst was in juni. Als deze vanille niet meteen na de oogst is verwerkt en verkocht, is het dan gegarandeerd gestolen waar? Of heeft de baas de peulen meteen na de oogst vacuüm verpakt om ermee te speculeren?
Dominique Rakotoson, de handelaar van de oude stempel, schuimbekt over de vanillespeculanten die grote hoeveelheden onrijpe en veelal gestolen peulen vacuüm verpakken om ze te conserveren. ‘Die gasten doen de peulen in Chinese plastic zakken en zuigen met een gewone stofzuiger de lucht eruit,’ zegt Rakotoson met overslaande stem. ‘En dan wachten ze rustig af tot de prijzen stijgen.’ Speculeren met onrijpe vanille is slecht voor de reputatie van de regio als producent van de hooggewaardeerde bourbonvanille, het neusje van de zalm, geprezen voor de zoete, intense smaak. Vacuüm verpakte groene peulen leveren een product op met een lager vanillinegehalte, en soms zelfs met een muffe smaak. Volgens Rakotoson wordt speculatie in de hand gewerkt door het gebrek aan overheidscontrole en welig tierende corruptie. ‘En het zijn niet alleen straatdealers in Sava die snel geld verdienen, er gaat een veel grotere handel achter schuil. Ga maar eens kijken in Antalaha,’ zegt hij. ‘Dan kun je het met eigen ogen zien.’
Met haar door palmbomen omzoomde lanen, de witte stranden en de grote villa’s die over de Indische Ocean uitkijken, ademt Antalaha, de tweede vanillestad in de regio Sava, een koloniale sfeer. Vanillemagnaten als Henri Fraise en Ramandriabe maken hier al decennia de dienst uit. Om hun marktaandeel te behouden moeten deze grote exporteurs concurreren met kapers op de kust, vooral uit China, India en Pakistan. De stad is schoon, chic en erg rustig. Toch is ons op het hart gedrukt hier niet de nacht door te brengen. Achter de zonnige façade gaat een duister geheim schuil: Antalaha staat bekend als het hart van de illegale handel in rozenhout. Driekwart van het resterende regenwoud van Madagaskar bevindt zich in deze regio. De drie nationale parken Marojejy, Macolline en Masoala hebben stuk voor stuk te maken met leegroof van beschermde tropische houtsoorten als palissander, ebben en rozenhout. De bomen worden illegaal naar China verscheept en verwerkt tot traditionele meubels die gretig aftrek vinden onder de groeiende middenklasse. Volgens schattingen uit recent onderzoek is in de illegale rozenhouthandel in de afgelopen twintig jaar bijna 1 miljard euro omgezet. Om deze enorme bedragen wit te wassen hebben de houtbaronnen volop in vanille geïnvesteerd; ze kopen de peulen tegen elke prijs op, waardoor de kiloprijs nog verder wordt opgejaagd. ‘Geld werd niet meer geteld maar gewogen, in stapels biljetten van 500 kilo,’ vertelt Rakotoson. ‘Het maakte hen niet uit hoeveel het koste. Krankzinnig. De boeren profiteerden ervan. De lokale speculanten profiteerden ervan. Elke dag dreven ze de prijzen iets verder op.’
Als we Solfi, het jonge dorpshoofd van Ambohimanarina, een klein dorpje naast nationaal park Marojejy, naar de handel in rozenhout vragen, schiet hij overeind. Zijn ogen spuwen vuur. ‘Dat gebeurt hier niet meer,’ zegt hij. Deze reactie krijgen we vaker. De vraag wordt ongemakkelijk weggewuifd, men kijkt liever de andere kant op. Een dorpsbewoner die graag anoniem wil blijven schetst een ander beeld wanneer hij ons vertelt dat de illegale handel in rozenhout een van de bekendste ‘geheimen’ van de regio is. ‘Het hele dorp weet ervan maar omdat iedereen ervan profiteert, doet niemand zijn mond open. Je hoort hier vaak midden in de nacht vrachtwagens rondrijden. Wat hebben die hier om drie uur ‘s nachts te zoeken als er geen rozenhout wordt verhandeld?’
Vorig jaar kwamen het Environmental Investigation Agency en Global Witness, twee internationale organisaties die tegen milieucriminaliteit strijden, met bewijzen dat er nog steeds illegale houtkap plaatsvindt. Ondanks eerdere intentieverklaringen van de regering om de illegale handel te bestrijden is er, zo stellen deze ngo’s, nog nooit een houtbaron door een rechtbank veroordeeld. Milieuactivisten die de rozenhoutmafia in de wielen rijden belanden daarentegen geregeld achter de tralies, of worden met de dood bedreigd. De woordvoerder van het ministerie van Milieu, Ecologie en Regenwouden begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven wanneer we hem de vraag voorleggen wie de vermaarde houtbaronnen achter de georganiseerde criminaliteit en de vanille-investeringen zijn. ‘Het is een politiek probleem, begrijpt u.’ Hij verwijst ons naar de minister-president.
‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school’
Naar verluidt bezitten de regering en particuliere eigenaren tussen de 500 miljoen en 4 miljard euro aan rozenhout. Maar aangezien de export van rozenhout illegaal is onder het CITES-verdrag, de overeenkomst inzake de internationale handel in beschermde planten en dieren, kan de elite weinig aanvangen met hun spaarpotje. Dit jaar zal de regering het hervatten van de houtexport heroverwegen. Het feit dat dit vlak voor de aankomende presidentsverkiezingen is gepland, is ‘puur toeval,’ stamelt een nerveuze regeringsfunctionaris.
Voor kleine boeren heeft de vanilleteelt in de afgelopen jaren eindelijk iets opgeleverd. ‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school,’ zegt Zafihavama. ‘En het wordt alleen maar beter, als ik tenminste niet wordt bestolen.’ Glimmend van trots laat hij me zijn huisje zien, een kleine houten hut met één bed. In de eenvoudige ruimte staan zijn nieuwe aanwinsten: vijf gloednieuwe plastic stoelen, twee vitrinekasten en een computer met een aanzienlijke dvd-verzameling, vrijwel alle populaire kungfu-films.
Maar de vanillehandel floreert ten koste van een van de waardevolste regenwouden ter wereld. Door de geografische isolatie van het eiland vind je hier een groot aantal planten en dieren die nergens anders voorkomen.
Dasy Ibrahim, projectmanager van CARE, een internationale ngo die boeren begeleidt bij de overstap op klimaatslimme landbouw, noemt de combinatie van hoge werkeloosheid en armoede en het witwassen van grote hoeveelheden tropischhardhoutgeld ‘funest’. ‘De situatie in de vanillesector dreigt volledig uit de hand te lopen.’ Hij trekt een pijnlijk gezicht. ‘De vanillehandel is nog erger dan de cocaïnehandel.’
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.
Met drie presidentskandidaten, tientallen gouverneurs, honderden congresleden en miljoenen volgelingen krijgt de evangelische beweging steeds meer politieke invloed in Latijns-Amerika.
Onlangs waren de ogen van heel de wereld gericht op de begrafenis van Billy Graham, een van de invloedrijkste predikers van de twintigste eeuw. In het Capitool in Washington bewezen de meest vooraanstaande figuren van het land hem de laatste eer, terwijl op sociale media mensen van de statuur van Bill Clinton, George W. Bush en Barack Obama ‘de predikant van de Verenigde Staten’ hun laatste groet brachten.
Het massaevenement waarmee zijn afscheid gepaard ging, vormt het bewijs dat het meer dan zeventig jaar lang prediken van het woord van God in 185 landen zijn vruchten heeft afgeworpen. Niet alleen neemt het aantal volgelingen van de evangelische beweging nog steeds toe, maar ook op andere terreinen worden de evangelisten belangrijker en invloedrijker, met name in de politiek.
Latijns-Amerika is een van hun belangrijkste bolwerken. In deze regio is het katholicisme zijn vijfhonderd jaar oude geloofsmonopolie in slechts drie decennia kwijtgeraakt. Twintig procent van de Latijns-Amerikanen is evangelist, de grens tussen wat van God is en wat van de keizer vervaagt steeds meer. Tot de beweging behoren presidenten als Jimmy Morales (Guatemala) en presidentskandidaten als Fabricio Alvarado (Costa Rica), Jair Bolsonaro (Brazilië) en zelfs Javier Bertucci (Venezuela). En hoewel alle ogen op deze grote namen zijn gericht, ligt de werkelijke macht van de evangelische beweging vooral bij de burgemeesters, ministers, afgevaardigden, congresleden, adviseurs en andere hoge overheidsfunctionarissen.
Door het groeiende aantal evangelisten in Latijns-Amerika is de religieuze beweging een belangrijke politieke speler geworden. In Peru, Ecuador, Colombia, Venezuela, Argentinië en Panama is meer dan vijftien procent van de bevolking evangelist, in Brazilië, Costa Rica en Puerto Rico twintig procent en in landen van Midden-Amerika zoals Guatemala, Honduras en Nicaragua zelfs veertig procent.
Al vormen ze in geen enkel Latijns-Amerikaans land een meerderheid, vanwege het gemak waarmee evangelisten hun populariteit weten om te zetten in stemmen zijn ze van grote politieke waarde. Zoals Javier Corrales, politicoloog en docent aan het Amherst College (Massachusetts), uitlegt: ‘Evangelisten zijn uiterst gedisciplineerd en gehoorzaam, ze gaan regelmatig naar de kerk (ze luisteren dus naar politieke boodschappen), ze roeren zich in de traditionele media en op sociale media én ze zijn enorm bedreven in het mobiliseren van mensen.’
Daarom jagen presidentskandidaten op hun stem. In Brazilië, een land met 42 miljoen evangelisten, speelde de alliantie (én breuk) van oud-president Dilma Rousseff met de evangelische kerk Iglesia Universal del Reino de Dios een cruciale rol bij haar overwinning en daaropvolgende afzetting. En in Chili bewees het feit dat Sebastián Piñera vier predikanten als campagneadviseurs had dat hij dit deel van het electoraal aan zich wilde binden tijdens de presidentsverkiezingen van 2017.
Conservatieve allianties
Toch beperkt de invloed van de evangelisten zich niet tot hun electorale potentieel. Ze veranderen de politiek in Latijns-Amerika met een agenda die meer wegheeft van een moreel dan van een politiek project.
In Costa Rica belandde evangelist, presentator en zanger Fabricio Alvarado Muñoz bovenaan in de peilingen toen het Inter-Amerikaans hof voor de Mensenrechten (CIDH) zich uitsprak vóór het homohuwelijk. Alvarado beloofde vervolgens om het CIDH niet langer te erkennen, en op deze manier het gezin en het leven te beschermen. Dat leverde hem nog eens een flinke sprong in de peilingen op. Zijn beoogde vicepresident, Francisco Prendas, moest onlangs [na felle reacties uit de LHTB-beweging] zijn excuses aanbieden omdat hij had gezegd dat hij nooit een homoseksueel op een hoge post zou benoemen aangezien hij de meerderheid van de bevolking niet voor het hoofd wilde stoten. [Nadat hij de eerste ronde had gewonnen, werd Fabricio Alvarado op 1 april verslagen door zijn rivaal en naamgenoot Carlos Alvarado Quesada. Maar intussen wordt het politieke debat nog steeds gedomineerd door het homohuwelijk.]
Het grote aantal evangelische partijen, presidentskandidaten en stemgerechtigden geeft een nieuwe impuls aan de conservatieve beginselen van andere politieke en religieuze groeperingen in Latijns-Amerika. Onderwerpen als abortus, gelijke rechten voor man en vrouw binnen het huwelijk en de slecht gemunte term ‘genderideologie’ hebben evangelisten en katholieken verenigd in een gezamenlijke strijd.
Met leuzen als ‘handen af van onze kinderen’ stroomden duizenden gelovigen, die zulke vrijheden zien als een bedreiging, de straten op van Colombia, Paraguay, Ecuador, Peru, Mexico en Chili. De enorme druk die hiermee werd uitgeoefend vertaalde zich vrijwel meteen in maatregelen op overheidsniveau: in Paraguay is een docentenhandboek ter preventie van vrouwenmishandeling op school geschrapt. Hun enorme invloed betaalt zich politiek uit. Bijvoorbeeld in Colombia, waar het Nee-kamp triomfen vierde tijdens het referendum [over vrede met guerrillabeweging FARC].
De relatie tussen politiek en geloof wordt steeds nauwer. Terwijl conservatieve partijen weer opleven en nieuwe kiezers winnen voor hun politieke programma’s, winnen de evangelisten electoraal terrein door parlementaire fracties te vormen en allianties te smeden met conservatieve partijen, aldus Andrew Chesnut, hoofd Catholic Studies aan de Virginia Commonwealth University [in de VS].
Het meest in het oog springende voorbeeld van zo’n alliantie is de omstreden kandidatuur van Jair Bolsonaro voor het presidentschap van Brazilië. Bolsonaro is oud-militair en hoewel hij publiekelijk nooit heeft verklaard evangelist te zijn, wordt zijn politieke boodschap, die aanschuurt tegen rechtsextremisme, gesteund door de christelijke Partido Social Cristiano. Met uitspraken als: ‘Gays zijn het gevolg van drugsgebruik’, ‘Je verdient het niet eens verkracht te worden’, en ‘De vergissing van de dictatuur was dat er gemarteld werd in plaats van gedood’, wist Bolsonaro de tweede plek te veroveren in de peilingen, achter president Lula, die vleugellam is vanwege corruptieschandalen.
In Brazilië, het grootste land van Latijns-Amerika, is de opmars van de evangelisten het meest zichtbaar. Ze kunnen er intussen bogen op negentig congresleden, het burgemeesterschap van Rio de Janeiro (de meest kosmopolitische en multiculturele stad van het land) en rond de veertienduizend nieuwe kerken per jaar. En hun economische positie is gigantisch. Volgens het Amerikaanse tijdschrift Forbes overstijgt het opgetelde vermogen van de vijf rijkste Latijns-Amerikaanse predikers de 1,5 miljard dollar.
De steeds sterkere aanwezigheid van het geloof in de politiek vormt een grote uitdaging voor de democratieën in Latijns-Amerika. ‘Het is niet altijd zo, maar áls ze invloed willen uitoefenen op de manier waarop we ons gedragen kunnen ze met hun extreme opvattingen over zonde en moraal de vijand worden van de vrije gedachte, de privacy en de vrije wil,’ aldus politicoloog Corrales. ‘We moeten hun macht niet onderschatten en niet vergeten dat de evangelisten achter de verbijsterende overwinning van Donald Trump zaten.’
Alberto Camargo was tweemaal president van Colombia. Tussendoor richtte hij dit tijdschrift op. Het ging in 1961 ter ziele maar werd opnieuw gelanceerd. Semana geldt als een van de beste bladen uit Latijns-Amerika. Onafhankelijk en altijd goed geïnformeerd.
De paradijselijke Kalalau-vallei op Hawaii is al sinds de jaren zestig een toevluchtsoord voor hippies, new agers en backpackers. Maar na een halve eeuw wil de overheid van de illegale bewoners af.
De eerste mens die ik ontmoet in de Kalalau-vallei is een Irakveteraan zonder schoenen maar met een door de zon gebleekte REI-rugzak, die als een trofee over zijn getatoeëerde schouders hangt. Barca – zoals hij zichzelf noemt – had gehoord dat een kajakker de rugzak in een grot aan het strand had achtergelaten. Hij ging als een speer naar de rotsen omdat hij die rugzak wilde hebben.
Bezoekers laten hier van alles en nog wat achter. Ik zie een klapstoel met een kapotte armleuning. Ergens anders een halfvol brandstoftankje. En nu dan die rugzak – het is een heuse schat.
‘Weet je hoeveel zo’n ding kost?’ wil Barca van mij weten.
In dollars, bedoel je? Hooguit tien.
‘Veel!’ antwoordt hij voordat ik ook maar iets kan zeggen.
Barca is vierendertig en hij scharrelt zijn kostje bij elkaar diep in het Nāpali Coast State Park aan de westkust van Kauai. Het middelste gedeelte van het tweeënhalfduizend hectare grote natuurpark – de Kalalau-vallei – vormt een natuurlijk amfitheater dat aan de ene kant wordt begrensd door zee en niets dan zee. De steile, groene wanden van de vallei rijzen aan drie kanten op, als gordijnen die het afschermen van de rest van het eiland. Door alle kieren en spleten lopen glasachtige banen water, die naar beneden storten van een grotere hoogte dan bij de Yosemite Falls. Dit afgelegen paradijs, waar zich honderden jaren geleden Polynesische pioniers hebben gevestigd, is niet minder dan een wilde tuin, een hoorn des overvloeds die vrijwel alles biedt wat een vernuftig mens nodig heeft om in leven te blijven. ‘Als de mens ergens een paradijs heeft weten te creëren, dan is het hier,’ zegt Barca. ‘In het avocadoseizoen eten we avocado’s. En als het mangotijd is, eten we mango’s.’
Een soort kraker
Voor wie zich mocht afvragen of het is toegestaan om hier zo te leven: het antwoord is nee. In de ogen van de Hawaïaanse overheid is Barca een soort kraker. Hij doet het milieu geweld aan, hij overtreedt wetten en regels, hij moet verdwijnen. In Barca’s ogen is dit, niet verwonderlijk, laster. ‘Als je niet met je hele wezen van deze plek houdt, kun je hier niet leven,’ zegt hij. Hoewel hij er nog maar acht maanden woont, waarmee hij naar valleimaatstaven een betrekkelijke nieuwkomer is, is hij al hard op weg een expert te worden in wat hij ‘kalalaulogie’ noemt. Niet alleen is hij afvalrecylcer, hij is ook beschermer van het land, tuinier, botanist, cultureel tolk en anarcho-theoreticus. Hij heeft de gewoonte om tijdens het praten te grijnzen en met een hand over zijn sikje te strijken. Dat geeft hem een ondeugende uitstraling, die zijn anti-establishmentopvatting nog eens extra benadrukt. Hij heeft geen goed woord over voor het groepje toeristen dat op maagdelijke gore-tex-wandelschoenen een beekje oversteekt. ‘De meeste mensen die hier komen hebben geen idee hoe ze in het wild moeten overleven,’ zegt hij. ‘Ze begraven hun eigen poep niet eens!’
Ik word nogal overvallen door alle kritiek die hij spuit terwijl ik nog maar net vijf minuten in de vallei ben – en ik kan niet al te veel hebben aangezien ik voor dag en dauw ben opgestaan om de kleine dertig kilometer hiernaartoe te lopen. Ik heb even helemaal geen behoefte aan een feestmaal van mango’s of een gesprek over toiletgang in het wild. Het enige wat ik wil is een plek om mijn rugzak neer te zetten, een rugzak waar ik tweehonderd dollar voor heb neergeteld en die ik heb volgestouwd met gevriesdroogd eten voor een week – erger kan haast niet. Maar waar moet ik slapen? Er worden geen kampeervergunningen verstrekt in het paradijs en ik had er geen kunnen bemachtigen voordat ik op stel en sprong aan deze reis begon, dus of ik het nou wil of niet, ook ik ga de regels overtreden. Ik vraag Barca of hij een onopvallende plek weet om mijn tent op te zetten. ‘Kom maar mee,’ zegt hij. Hij wikkelt een keffiyeh [Arabische sjaal] om zijn hoofd tegen de zon. Hij haalt een oud gasje van een andere kampeerplek en zegt dat hij de ideale schuilplek voor me weet. Voor ik er goed en wel erg in heb is hij al op weg, springend op zijn blote voeten van de ene kei op de andere. Ik kijk rechts van me naar beneden: de duizelingwekkende aanblik van de golven die dertig meter in de diepte stukslaan op geërodeerde stenen. Dan lopen we om een grote kei en Barca wijst op een tunnel in de struiken, die uitkomt op een kampeerplek die onzichtbaar is voor de rangers die vanuit een helikopter op wildkampeerders jagen.
Nadat ik mijn spullen daar heb neergezet, ga ik met Barca naar het witte zandstrand, waar hij me zijn levensverhaal vertelt. Na tien jaar geleden in Irak te hebben gediend, kostte het hem grote moeite om in het reine te komen met het feit dat hij mensen had gedood, en dat hij ook bijna zelf het leven had gelaten. ‘Toen ik terugkwam uit Irak had ik behoorlijk wat issues,’ zegt hij.
Hij werkte als archeoloog in Noord-Californië, maar het was hem al snel duidelijk dat hij niet echt paste in de moderne samenleving. Hij had het gevoel dat zijn hoofd, dat door de oorlogsjaren flink in de war was geraakt, rust nodig had. Het stond hem geweldig tegen om zich in een huis in een buitenwijk te verschansen, afgeschermd van zijn buren door dikke muren, om belasting te betalen en zo een systeem in stand te houden waarin hij niet langer geloofde. Zelfs de gedachte om elke ochtend een koffie te gaan halen – bij die multinational met het zeemeerminlogo – kon hij niet aan. ‘Het was zwaar om terug te keren naar het echte leven en alle onbenulligheden van alledag serieus te nemen,’ zegt hij. Hij werd boos. Hij dronk en ging op de vuist. Van een vriend hoorde hij over deze droomachtige vallei in Hawaï, waar je in het eeuwige heden kon leven. Kalalau. Hij ging erheen. Hij ging niet meer weg. ‘Ik geloof niet dat ik me ooit eerder ergens zo thuis heb gevoeld,’ zegt hij, waarna hij zijn camouflageshorts uittrekt en in de golven duikt.
1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)
Barca is niet de enige die zich zo sterk met deze plek verbonden voelt. Sinds de jaren zestig, zo niet eerder, oefent de Kalalau-vallei een grote aantrekkingskracht uit op langharige hippies, new agers die kristallen strelen, backpackers die geen deo gebruiken en talloze anderen die op zoek zijn naar een spirituele wedergeboorte – of op zijn minst een mooie plek om naakt te zwemmen. Tijdens de Vietnamoorlog woonden er een paar dienstweigeraars en gedesillusioneerde veteranen in de boomhutten aan het einde van de verharde weg in het noorden, en zij realiseerden zich dat dit de ideale plek was om in de zomer marihuana te verbouwen.
Het waren de hoogtijdagen van de alternatieve beweging, maar met het verstrijken van de jaren liep het idealisme stuk op de wanordelijkheid van de gemeenschap. Het toevluchtsoord veranderde van een idyllische commune in een party zone voor millennials en zelfs een keer in een piratennest. Inmiddels begint het geduld een beetje op te raken. Nadat een jaar geleden een vrouw uit de buurt omkwam bij een auto-ongeluk met Coday Safagado, een voortvluchtige die dat voorjaar een tijdje in Kalalau doorbracht, besloot de overheid hard op te treden tegen de illegale bewoners. Vorig jaar zijn in totaal vierendertig mensen op de bon geslingerd en is in ieder geval één man geboeid afgevoerd. Barca is er zonder kleerscheuren van afgekomen. ‘Ik woon hier godverdomme, en ik weet waar ik naartoe moet vluchten,’ zegt hij. ‘Dit is mijn thuis en ik kan me sneller verplaatsen in mijn eigen huis dan jij.’
Op Kauai is echter weinig sympathie voor de illegale bewoners. Tijdens de invallen zijn foto’s gemaakt waarop de lokale bevolking duidelijk kan zien hoe goed geoutilleerd de kampen in de vallei inmiddels zijn. In een van de kampen staan een stenen pizzaoven en een tweepersoonsbed op een bamboe onderstel. Ook was er, zoals de overheid het enigszins overtrokken formuleert, sprake van een ‘professionele marihuanaplantage’, compleet met zonnepanelen en daarop aangesloten lampen. De vallei doet ook dienst als geheime bioscoop en bibliotheek – een bedompte tent vol klassiekers zoals The Joy of Partner Yoga en een boek met songteksten van Cat Stevens. Al met al heeft de overheid zo’n tweeënhalve ton afval afgevoerd. ‘Er leefde het idee dat ze bepaalde rechten hebben,’ zegt Curt Cottrell, hoofd van de staatsparken van Hawaï. ‘Er werd gepoept op archeologische vindplaatsen, of ze groeven als katten een gat in het strand.’
Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel
Alle stampei riep wezenlijke vragen op over ras, soevereiniteit en de toekomst van de natuur in het moderne, kapitalistische Hawaï. Hoe heeft de gemeenschap het meeste baat bij een plek als Kalalau, met zijn gecompliceerde geschiedenis? Wordt het eiland uitgeleverd aan rijke toeristen die al zes maanden van tevoren een vergunning aanvragen of aan mensen die tweehonderd dollar per persoon neertellen voor een helikoptertour van een uur? Of behoort het nog altijd toe aan de oorspronkelijke Hawaïanen die er zelden komen, maar wier voorouders als eersten het landschap hebben vormgegeven? En wat te doen met de haole (blanke) overtreders, zoals Barca, die, op hun eigen rommelige wijze, het hippieproject van de jaren zestig voortzetten en nog enige structuur aanbrengen in de vallei waar de overheid slechts sporadisch aanwezig is?
Voor mensen die vrijwel niets hebben is de vallei onmiskenbaar een van de meest begerenswaardige plekken op aarde om te ontsnappen aan de regels en de rituelen van het moderne bestaan, om een simpeler leven te leiden, om je eigen kostje bij elkaar te scharrelen. Barca noemt het een ‘Disney-woud’, een tropisch toevluchtsoord, maar dan zonder giftige slangen en hongerige tijgers, waar ook nog eens iedereen Engels praat en er min of meer hetzelfde uitziet. Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel, zoiets. Het enige wat ik weet is dat ik het een keer wil meemaken voor het te laat is.
Reputatie van wetteloosheid
Eind achttiende eeuw voer George Dixon, een Engelse bonthandelaar die ooit onder kapitein James Cook had gevaren, langs deze kust en stelde vast dat het gebied volkomen onontgonnen was. ‘De kust langs het water bestaat voor het grootste deel uit bergen en is moeilijk toegankelijk,’ schreef hij. ‘Ik zag nergens vlak terrein en ik zag ook niets waaruit bleek dat dit deel van het eiland bewoond was.’ Dixon had het natuurlijk mis. De rieten hutten gingen volkomen op in het groen. In Kalalau, dat zo’n tachtig hectare landbouwgrond heeft, woonden vermoedelijk enkele honderden mensen, afgaande op verschillende tellingen van missionarissen. De oudste menselijke nederzetting op Kauai dateert, voor zover we weten, uit de tiende eeuw, en was gelegen op Kēʻē Beach – het beginpunt van de Kalalau Trail.
Hoewel de Nāpali-kust meestal wordt omschreven als een ‘wildernis’, heeft het meer weg van een verlaten supermarkt te midden van adembenemend natuurschoon. De plek wordt doorsneden door stenen muurtjes, overblijfselen van de terrassen, ofwel de lo‘i, die de Hawaïanen honderden jaren geleden hebben aangelegd om taro te verbouwen, de zo belangrijke kanoplant die de Polynesiërs naar de andere kant van de Stille Zuidzee hebben gebracht. De mensen die zich hier vestigden hebben het oorspronkelijke kreupelbos geleidelijk vervangen door kukuinoten en gember, en pili voor hun rieten daken.
Latere bewoners en blanke boeren importeerden vee, zoals geiten, varkens en koeien. Ook plantten ze guave en jambolan, dat inmiddels een groot deel van de vegetatie uitmaakt. ‘Zoals voor veel laaggelegen gebieden in Hawaï geldt, hebben geïntroduceerde gewassen zich verspreid en overheersen grote delen van het park’, staat te lezen in een verslag van de Division of State Parks uit 1990. De Kalalau-vallei, de grootste vallei in het park, is een van de weinige plekken op Kauai waar je niet elke ochtend hanen hoort kraaien. In plaats daarvan wemelt het in de bossen van een andere immigrant, Erckels frankolijn – een fazantachtige uit Afrika.
Terwijl uit dit allegaartje geleidelijk het ecosysteem van de vallei vorm kreeg, ontstond ook langzaam de reputatie van wetteloosheid. In 1893, nadat een groep Amerikaanse zakenlieden de koningin van de troon hadden gestoten van wat destijds het Koninkrijk Hawaï was, besloten ze de oorspronkelijke Hawaïanen op te pakken – met als argument dat ze in quarantaine moesten vanwege lepragevaar. Sheriff Louis Stoltz en twee van zijn mannen gingen naar Kalalau om een bende leprozen weg te halen. Daar schoot een cowboy, die luisterde naar de naam Kaluaikoolau, or Ko’olau, de sheriff dood met twee kogels uit zijn geweer. Zo werd Ko’olau de held van het plaatselijke verzet. Een klopjacht eiste nog meer slachtoffers en Ko’olau bleef in de vallei zitten. Hij werd verder met rust gelaten en stierf twee jaar later een natuurlijke dood. ‘Hij had geleefd als een vrij man, en hij stierf als een vrij man’, schrijft auteur Jack London in een kort verhaal over het leven van Ko’olau.
Kameaoloha Hanohano-Smith, wiens overgrootvader deel uitmaakte van de laatste generatie die is opgegroeid in Kalalau, zegt dat het even duurde voordat het tot de Hawaïanen doordrong wat er met hun cultuur gebeurde. ‘De ene dag waren we nog een koninkrijk, de volgende dag maakten we deel uit van de Verenigde Staten,’ zegt hij.
In december 1959 plaatste het tijdschrift Ebony een artikel over de enige permanente bewoner van Kalalau: Bernard Wheatley, een zwarte arts (‘een zonderling, een heilige, een schizofreen en een genie’) die daar tien jaar lang in een grot woonde totdat de plek werd overspoeld door hippies. ‘Het langharige volk zoekt een plekje in de zon op Kauai’, luidde een kop uit die tijd. In 1974 kocht de Hawaïaanse overheid het gebied op en verdreef de illegale bewoners voordat de vallei in 1979 tot ‘state park’ werd bestempeld. Maar ze kwamen terug. Ze komen keer op keer terug.
‘Wij houden van onze vrijheid en zijn op zoek naar een betere plek om te leven, waar we niet door de maatschappij aan banden worden gelegd,’ aldus Billy Guy, die voor het eerst in de Kalalau-vallei kwam nadat hij als hospik had gediend in de Vietnamoorlog. Hij komt telkens weer terug, voor langere periodes. ‘Het is de verwezenlijking van een droom. Halverwege de jaren negentig dartelden er zo’n vijftig tot zestig haole in het paradijs dat de kanaka – de autochtone Hawaïanen – hadden geschapen.’
Op mijn tweede ochtend in Kalakau besluit ik op zoek te gaan naar de gemeenschappelijke moestuin. Vanaf het strand loopt er een officieel pad dat zo’n drie kilometer de vallei in voert om vervolgens door te lopen op de steile achterwand. Je kunt dat pad moeiteloos een paar keer op en neer lopen voordat je een klein spoor ziet, zonder bordje. Als je dat spoor een paar honderd meter volgt opent het bladerdak zich en hoor je water murmelen bij je voeten. Een tiental rechthoekige vijvers glinstert in de zon, metershoge taroplanten ontspruiten aan het water. Er lopen paadjes om de vijvers, met aan weerszijden papaja, bananen, broodvruchten, zuurzak en kastanje – voor wie maar wil. Ooit werd van alle illegale bewoners verwacht dat ze meehielpen als ze van de vruchten wilden plukken. Maar nu is alles anders. ‘Er gelden geen regels meer,’ zegt ene Mowgli, die aanbiedt om me rond te leiden.
Mowgli is slank en gespierd, en zijn lange bruine haar zit in een paardenstaart. Hij heeft geholpen deze ondergelopen terrassen weer te ontginnen en hij werkt misschien wel het hardst van iedereen in Kalalau. Zijn vorige kamp, op een plateau hier niet ver vandaan, hangt vol met schedels van de geiten en varkens die hij heeft geslacht, en ademt de sfeer van Lord of the Flies. De politieacties hebben hem geknakt. ‘Het is lastig om je in te zetten voor iets wat keer op keer wordt kapotgemaakt,’ licht hij toe. ‘Dit is een van de grootste toeristische trekpleisters in de vallei,’ zegt hij over de moestuin.
‘De mensen komen hierheen om ons te zien en om Kalalau-pizza te eten,’ zegt Mowgli’s vrouwelijke metgezel, wier enige kledingstuk een honkbalpetje is. Ze noemt zichzelf Joules. ‘Naar de eenheid van energie,’ legt ze uit.
Ik heb mezelf vijf dagen gegund om de vallei te onderzoeken en me onder te dompelen in de hippiesfeer. Het wordt me duidelijk dat vrouwen zoals Joules – een paar uitzonderingen daargelaten – zelden langer dan een paar weken in de vallei blijven, en dat het er om de een of andere reden een stuk minder zijn sinds de invallen. Gedurende de tijd dat ik er ben is er dan ook zo’n overdaad aan testosteron in de vallei dat het bepaald geen utopische kibboets lijkt, maar eerder een geheime boomhut in de achtertuin van je vriendje, waar niet echt sprake is van begrip of respect voor meisjes. Met als verschil dat deze mannen volwassen zijn.
In een van de lompe liedjes die ik op een avond hoor zingen, hebben ze het over ‘groupies’ die alleen maar willen profiteren en niet eens lang genoeg blijven om de afwas te doen. Toch snakken de mannen naar vrouwelijk gezelschap. ‘Als een vrouw wel besluit te blijven, zitten er elke dag wel tien mannen achter haar aan,’ aldus Stevie, een 68-jarige vrijgezel die kan bogen op 35 jaar ervaring in de vallei.
Kalalau – of het idee van Kalalau – mag dan nog zo veel betekenen voor de illegale bewoners, zij zijn niet de enige belanghebbenden bij de toekomst van de vallei.
Sabra Kauka, docente Hawaïaanse cultuur en voormalig voorzitter van Nā Pali Coast Ohana, een non-profitorganisatie die samenwerkt met de overheid om het natuurlijke en culturele erfgoed van de vallei te beschermen, zegt dat mensen als Barca en Mowgli niet in Kalalau zouden mogen wonen. Het is tegen de wet en het is een klap in het gezicht van de Hawaïaanse bevolking. Eind jaren tachtig nam Kauka deel aan de eerste pogingen om de vallei op te ruimen. Samen met een groep vrijwilligers zeulde ze al het afval naar het strand, waar het in stukken zeil werd geladen, die vervolgens door helikopters werden afgevoerd. ‘Ik vond het verbijsterend dat mensen die zo graag in de natuur wilden leven, er zo slordig mee omsprongen,’ zegt ze. Op een gegeven moment heeft ze de moed opgegeven. ‘Je moet geen vrijwilligerswerk doen waar je steeds kwaad van wordt.’
Alan Carpenter, een archeoloog die is verbonden aan de state parks, vertelt over Nualolo Kai, een veertiende-eeuwse nederzetting aan de kust – enkel toegankelijk per boot en omgeven door het grootste rif van de Nāpali-kust. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft Nā Pali Coast Ohana vrijwel al haar activiteiten geconcentreerd op die plek. Er zijn hekken neergezet om de geiten buiten te houden en er is een kleine inheemse tuin aangelegd om iets van de biodiversiteit van de regio te behouden. Op grond van de Native American Graves Protection and Repatriation Act zijn zelfs de stoffelijk overschotten van voorouders teruggehaald, die tot dan toe werden bewaard in onder meer het Bishop Museum in Honolulu.
Momenteel worden er, onder leiding van Randy Wichman, een geschiedkundige en de huidige voorzitter van de organisatie, eindelijk plannen gemaakt om ook weer aan de slag te gaan in Kalalau. Het valt nog te bezien of ze nu zullen slagen waar ze in het verleden hebben gefaald. Wichman moet tegen wil en dank toegeven dat hij wel bewondering heeft voor de inventiviteit van de bewoners, als je ziet wat ze hebben gedaan op het gebied van de sanitaire voorzieningen, maar hij zegt ook dat ze vaak meer kwaad dan goed hebben gedaan. ‘Hun bedoelingen zijn goed, maar je vaagt de geschiedenis uit als je niet precies weet wat je in handen hebt,’ zegt hij tegen me. ‘De vallei zou adembenemend zijn als hij goed zou functioneren.’
De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois
Ik vraag me af welke rol de illegale bewoners zullen spelen in de geschiedenis van Kalalau als over honderd jaar hun doeken zijn weggerot en hun voetpaden overwoekerd. Hoewel ze door sommigen worden verguisd en er vraagtekens worden geplaatst bij hun idealistische opvattingen, heeft dit minirijkje de moderne wereld duidelijk gemaakt hoe krachtig de invloed van de omgeving kan zijn op de collectieve psyche. De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois. ‘We zijn apen met gereedschap,’ zegt Barca de eerste keer dat ik hem spreek. Deel uitmaken van een zelfvoorzienende gemeenschap appelleert aan een diepgeworteld oerverlangen. ‘Een biologische noodzaak,’ zegt hij zelf. Voor de een noodzakelijker dan voor de ander.
Curt Cottrell, die aan het hoofd staat van de state parks, vertelt me dat toen hij in 1983 als ‘bebaarde hippie’ naar Hawaï ging, de Kalalau Trail een van zijn twee voornaamste reisdoelen was. (Het andere doel was de top van de Mauna Loa halen.) Toen zijn vergunning was verlopen wist hij de rangers te ontlopen door een paar honderd meter te zwemmen naar Honopū, de dichtstbijzijnde baai. Ik vraag hem of er ooit een dag zal komen dat het park de hippiebewoners zal gedenken. Hij weegt zijn woorden met zorg. ‘Het is niet zo dat wij dit deel van de geschiedenis willen uitwissen,’ zegt hij. ‘Maar momenteel voelen we niet de behoefte aan enige vorm van viering. Eerst willen we orde op zaken stellen in de vallei.’
Dat kon nog wel eens lastig worden. De organisatie heeft 117 medewerkers, verspreid over de vijftig state parks in Hawaï. Kalalau geniet prioriteit, maar er zijn zo veel plekken waar de illegale bewoners zich kunnen verschuilen dat het ondoenlijk is om ze allemaal op te pakken. De dienst heeft gevraagd om extra budget zodat er permanent twee medewerkers in de vallei kunnen worden gestationeerd. Het verzoek is afgewezen.
Kalalau is nu al een heel andere plek dan een paar jaar geleden. Het is er zonder enige twijfel schoner dan in lange tijd. En los van de intieme bijeenkomsten waar ik in de vallei getuige van ben geweest, hangt er de sfeer van een spookstad. Ik dool van de ene plek naar de andere, via overwoekerde voetpaadjes, op zoek naar de overblijfselen van een kampvuur of andere sporen van menselijke bewoning. Zelfs de officiële kampeerplekken – waar meestal niet meer dan twintig tot dertig toeristen staan, terwijl de overheid een limiet heeft gesteld van zestig – zijn verlaten. Hoewel er ook Hawaïanen naar het park komen, bijvoorbeeld om te jagen, kom ik tijdens mijn bezoek alleen illegale bewoners tegen.
Hanohano-Smith, die zijn stamboom kan herleiden tot de vallei, zegt dat hij graag zou willen dat gewone Hawaïanen een grotere rol spelen in de toekomst van Kalalau – dat die niet alleen wordt bepaald door de overheid. Hij vindt dat zijn familie vrij toegang moet krijgen tot het gebied zonder te hoeven vechten om de schaarse vergunningen, en dat de banen, bijvoorbeeld als voorlichter of gids, naar de Hawaïanen zelf moeten gaan. ‘Het gaat niet alleen om duurzaamheid,’ zegt hij. ‘Het is ook een kwestie van trots – de trots om zorg te dragen voor de natuurlijke bronnen die mijn familie al duizend jaar geleden in leven hielden.’
Tijdens een van mijn laatste ochtenden in Kalalau zie ik twee mannen, Sticky Jesus en Stevie, op het strand bezig om hun spullen in een kajak te laden. Stevie, de oudste bewoner, is minder vaak is de vallei dan vroeger. Vijf jaar geleden kwam hij in aanmerking voor een goedkope huurwoning in Kehaka. Hij is dol op Kalalau maar hij realiseert zich dat hij op een bepaald moment te zwak zal zijn om de tocht naar de vallei te maken en om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
Voor Sticky ligt het allemaal iets ingewikkelder. Hij gaat in een busje samenwonen met zijn nieuwe vriendin en hij wil proberen wat geld te verdienen. Ik betwijfel of hij ooit terug zal komen, en dat zeg ik min of meer. ‘Ik heb hier ook nog een stek,’ antwoord Sticky. ‘Het meeste is een paar weken geleden weggehaald, maar ik heb er wel een goed gevoel over.’ Hij vindt het wel prettig om te onthechten van zijn bezittingen.
‘Je hebt het er minder moeilijk mee dan Mowgli?’ zeg ik.
‘Mowgli heeft het overal moeilijker mee dan ik,’ zegt hij.
De twee mannen springen in de kajak en Carlton geeft hen een zetje in het kniediepe water. We blijven nog een paar minuten staan, zien ze verdwijnen om de rode rotsen in het zuiden. Dan loop ik terug over het paadje de vallei in. Ik ben er nog niet klaar voor te vertrekken. Ik ben er nog niet klaar voor om mijn portemonnee te pakken en te betalen voor voedingsmiddelen waar een prijsje op is geplakt terwijl hier het fruit gewoon uit de bomen valt en wegrot als er niemand is om het op te eten. Ik moet nog één dag in het wild leven, hier in de Kalalau-vallei. Of misschien twee.
Hakai Magazine is een onlinemagazine dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, British Columbia. Het magazine wordt gefinancierd door de Tula Foundation.
De Summer of Love is er nooit geweest. O, natuurlijk, deze zomer vijftig jaar geleden is er heus wel wat gebeurd in San Francisco, maar het was niet de idyllische, dartele en utopische pastorale uit de popmythologie.
Dat was een jaar eerder.
Aan het begin van de zogeheten Summer of Love in 1967 waren hippies officieel niet welkom in San Francisco. Maar zelfs toen ze overduidelijk waren afgeschrikt door burgemeester John F. Shelley en het voltallige gemeentebestuur streken tienduizenden jongeren uit heel Amerika in San Francisco neer zodra de zomervakantie begon. De trottoirs van Haight Street raakten algauw verstopt met onelegante, ronddolende misfits.
Wat ze zochten was al grotendeels verdampt en verdween praktisch geheel met hun komst. In juli werd er in Haight Street openlijk oorlog gevoerd door de hippies en de politie. Busroutes werden verlegd om de brave burgers te behoeden voor het mini-Sodom. In augustus waarde George Harrison van The Beatles door de straten van Haight-Ashbury, als een rattenvanger gevolgd door het wrakhout dat daar die zomer was aangespoeld. Later zei hij dat hij door deze ervaring voorgoed van de drugs af was geraakt.
Aan het eind van die zomer maakten de bloemenkinderen weer plaats voor het gebruikelijke straatpubliek en had het hippiegebeuren de wijk naar de heuvels genomen. De Grateful Dead, die op dat moment op tournee waren, hadden hun vrouwelijke hulptroepen naar New Mexico gestuurd om daar plattelandsgemeenten te verkennen, terwijl een handjevol deugnieten nog voor het hoofdkwartier van de Dead op Ashbury Street 710 bleef hangen. Ze zouden er niet lang blijven.
Hoe gecommercialiseerd, gecorrumpeerd, gedesintegreerd of impopulair de hippies ook zijn geworden, ze weigeren te verdwijnen
Toch zijn we vijftig jaar later nog steeds verbaasd over de hippies, die even geheimzinnig kwamen en gingen als de druïden, en vragen we ons af: Wat was er aan de hand? Ze hadden een vaag maar onmiskenbaar cultureel stempel op de stad gedrukt, een merkwaardig bezinksel dat nog voortleeft in de vorm van yogastudio’s in winkelcentra of organische groentestalletjes op de boerenmarkt. De flits aan de horizon die een halve eeuw geleden zijn licht over de wereld verspreidde vanaf de straten van Haight-Ashbury is nooit volledig gedoofd. Hoe gecommercialiseerd, gecorrumpeerd, gedesintegreerd of impopulair de hippies ook zijn geworden, ze weigeren te verdwijnen. Dit komt deels doordat de babyboomers zich hun jonge jaren altijd zijn blijven herinneren. Tegelijkertijd was de mythologie van de Summer of Love zo vaag dat jongere generaties altijd zijn blijven proberen haar nieuw leven in te blazen.
Het was inderdaad een verbazingwekkende tijd. De kern van de oprechte gemeenschapszin van Haight Ashbury werd gevormd door een stoet opmerkelijke rockbands, knotsgekke artistieke virtuozen van wie bijna niemand buiten San Francisco in die tijd had gehoord. Overal was opwindende nieuwe muziek te horen. Zo hadden muziekfans dat jaar tijdens een typisch meiweekend in de Fillmore de keus tussen Jefferson Airplane en een Canadese rockband die zich The Paupers noemde; in de Avalon Ballroom in Sutter Street tussen twee bands uit Los Angeles, The Doors en The Sparrow (later omgedoopt tot Steppenwolf, bekend van Born to be Wild); in de California Hall tussen Big Brother & the Holding Company en Country Joe and the Fish; in de Matrix speelde Sopwith Camel; in UC Berkeley speelde de Steve Miller Blues Band; in de Ark in Sausalito speelde het Sir Douglas Quintet; en in de Golden Gate Park Panhandle kon je op een zondagmiddag gratis naar een Airplane-concert.
Toen was er de derde week in juni na het Monterey International Pop Festival waarin de toen nog onbekende Jimi Hendrix Experience zes avonden in het voorprogramma van Jefferson Airplane stond in de Fillmore. Nadat ze de eerste avond door Hendrix van het podium waren geveegd, vertrok de Airplane de volgende dag in allerijl naar Los Angeles om aan hun nieuwe album te werken. Voor de rest van de week werd Big Brother ingehuurd. Maar de Airplane nam Hendrix niets kwalijk; ze leenden hem die zondagmiddag zelfs hun dieplader om een gratis concert te geven in de Panhandle voor een paar honderd overdonderde toeschouwers.
De muziek was subliem, inventief en bedwelmend. Bill Graham organiseerde vanaf begin 1966 regelmatig concerten in de Fillmore en een paar weken later namen Chet Helms en zijn commune Family Dog de Avalon Ballroom op de hoek van Sutter Street en Van Ness Street over. Iedereen die toegang tot een van die twee zalen wist te krijgen werd een alternatief universum binnen gevoerd. Iedereen daar wist hoe geweldig het allemaal was en begon spontaan alle andere aanwezigen te omhelzen als medeleden van een speciaal geheim genootschap.
Er stonden geen spotlights op de bands gericht. De zalen waren in kolkende, pulserende projecties van gekleurd licht gehuld die vaak wel door een tiental mensen werden bediend. Helms, meer een hippievisionair dan een concertorganisator, vergeleek de ervaring altijd met een dionysisch festijn waarin geen onderscheid bestond tussen publiek en muzikanten. De zalen waren doortrokken van een bijtende marihuanageur. Veel mensen in het publiek waren high van de lsd. Veel muzikanten op het podium idem dito. Iedereen danste.
Want ja, de concertzalen waren in 1966 echte lsd-holen. De revolutionaire psychedelische drug vormde de kern van alles wat er in die tijd gebeurde. Nadat hij twee weken lang de literatuur had bestudeerd in de Dow-bibliotheek van de Universiteit van Californië-Berkeley werd ex-student Augustus Owsley Stanley III de eerste privépersoon die in 1964 de geestverruimende chemische samenstelling synthetiseerde. Nadat hij begonnen was in een klein laboratorium in zijn huis in Berkeley heeft Stanley wellicht de eerste miljoen doses van de pas in oktober 1966 verboden acid geproduceerd, en daarmee de aanzet gegeven tot de wereldwijde psychedelische revolutie die begon in San Francisco.
Onder invloed van lsd maakten de vertolkers van de hippierock, grotendeels voormalige folkmuzikanten van in de twintig die als tieners de rock-’n-roll hadden afgezworen, korte metten met de bestaande rockorthodoxie. Terwijl de chemisch compatibele menigte onvermoeibaar danste rekten de muzikanten hun songs op tot epische instrumentale omzwervingen die de drie minuten van de top 40 op de radio ruimschoots overstegen. Hun muziek werd geïnspireerd door een breed, stralend en kleurig scala van invloeden. Muziekcolumnist Ralph J. Gleason van The San Francisco Chronicle raakte geïntrigeerd toen hij gitarist Jerry Garcia van de Grateful Dead hoorde zeggen dat hij een groot fan was van zigeunerjazzgitarist Django Reinhardt. Dat was niet iets wat je zou verwachten van een rock-’n-rollmuzikant.
Zonder dat ze zelfs maar buiten de concertzalen waren gehoord leidden de bands uit San Francisco overal op de wereld een bloeiend bestaan in de verbeelding van de tegencultuur. Het nieuwe album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, dat in juni zou uitkomen, werd overal ter wereld voorafgegaan door krantenkoppen die verkondigden dat de leden van de groep hadden geëxperimenteerd met lsd. In mei leende Paul McCartney de Learjet van Frank Sinatra om stiekem een bezoek te brengen aan een repetitie van Jefferson Airplane in San Francisco, met een proefpersing van het nieuwe album in zijn koffertje. Iedereen spoedde zich naar het enorme victoriaanse pand van de Airplane in Fullton Street, tegenover het Golden Gate Park, voor een psychedelische top.
Die zomer was de Airplane de hotste nieuwe band in het land. Hun tweede album, Surrealistic Pillow, was in februari uitgekomen en had al twee grote hitsingles opgeleverd – ‘Somebody to Love’ en ‘White Rabbit’ – die allebei onmiddellijk hippiehymnen werden.
Een snaar geraakt
Na het Monterey Pop Festival richtte de hele muziekwereld zijn aandacht op San Francisco. Terwijl de muziek een gecodeerde boodschap uitzond aan jongeren overal ter wereld, deinsde de gevestigde orde geschokt en vol afschuw terug voor deze mesjogge, vriendelijke, ongekamde kinderen. De beweging was geëxplodeerd.
In San Francisco namen de mensenmassa’s het eerste jaar exponentieel toe, van de duizend die in oktober 1965 het eerste acidrockconcert in de Longshoremen’s Hall in North Beach bijwoonden tot de wel honderdduizend in januari 1967 tijdens de Human Be-In op het Golden Gate Park Polo Field.
De Amerikaanse media raakten gefascineerd door de hippies. Er was een eindeloze parade van gniffelende artikelen in kranten en tijdschriften. Met hun exuberante, blijmoedige verwerping van conventionele waarden hadden de hippies duidelijk een snaar geraakt.
CBS News stuurde de doorluchtige Harry Reasoner op onderzoek uit. Hij baande zich een weg door de straten van Haight-Ashbury, interviewde Grateful Dead, leunde tegen een boom in de Panhandle terwijl de Dead een gratis concert gaven en vatte zijn gedachten samen voor de camera.
‘Daar zijn de hippies,’ galmde Reasoner. ‘Ze geven je een ongemakkelijk gevoel omdat er kennelijk iets mis is met de wereld die ze zelf niet hebben gemaakt als ze zich tot zulk grotesk gedrag laten verleiden. Maar met alle begrip voor de fouten van de samenleving kun je drie dingen over ze zeggen. Ze streven, in het gunstigste geval, een stoort groepsheiligheid na, en heiligen die groepen formeren worden algauw lachwekkend. Ze zijn voor hun filosofie afhankelijk van hallucinatie. Dat is geen nieuw idee en het heeft nooit gewerkt. En ten slotte oefenen ze een valse aantrekkingskracht uit op jongeren en corrumperen ze het idee van onschuld. Niets ter wereld is zo aantrekkelijk als echte onschuld. Maar dat is per definitie een eigenschap van kinderen. Mensen die een baard kunnen laten staan en de liefde kunnen bedrijven worden geacht onschuld voor wijsheid te verruilen.’
Overal in het land luisterden jongeren naar verantwoordelijke zegslieden als Reasoner en dachten: ‘Die hippies klinken geweldig … Ik ga naar San Francisco.’
Op de radio maakte ‘San Francisco’ (‘Be Sure to Wear Flowers in Your Hair’) van Scott McKenzie, die junimaand een enorme hit in heel Amerika, expliciet reclame voor dit idee. Terwijl de zomer daagde aan de horizon bracht de song de boodschap duidelijk over: ‘If you’re going to San Francisco…’
Net als de cowboys en indianen van het oorspronkelijke Wilde Westen zijn de hippies van San Francisco een blijvend Amerikaans archetype geworden
En ze gingen, ook al bleek de werkelijkheid wat naargeestiger dan de popsong suggereerde. De armoedige realiteit van kinderen die als vluchtelingen op straat leefden en bedelden om eten, gevoegd bij een plotselinge epidemie van speed en met kalmerende middelen voor dieren (en erger) aangelengde geestverruimers, was velen een doorn in het oog. Al in de eerste week van juni meldden de autoriteiten dat ze elke dag wel tien jongeren naar huis stuurden. De politierazzia’s in Haight Street werden algauw meedogenloos en alle oudgedienden op straat wisten dat de vertoning was afgelopen.
Dus terwijl San Francisco zich opmaakt om weer een nieuwe invasie van bezoekers te verwelkomen die, aangetrokken door de mythe van de Summer of Love, het gouden jubileum van dit beroemde tijdperk van de stad komen vieren dat helemaal niet zo liefdevol was, staan de hippies opnieuw in de schijnwerpers.
Net als de cowboys en indianen van het oorspronkelijke Wilde Westen zijn de hippies van San Francisco een blijvend Amerikaans archetype geworden dat door de hele wereld wordt erkend.
Met 20 dollar op zak lanceerden de zeventien- en negentienjarige Charles en Michael de Young in 1865 de destijds geheten Daily Dramatic Chronicle. De titel bevatte satirisch nieuws, reclame en het theaterprogramma en werd nauwelijks serieus genomen. In 1960 werd de krant gekocht door de Hearst-groep, een mediagigant met een tiental kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s en voormalig eigenaar van de San Francisco Examiner, de Chronicle’s grootste concurrent. Op de site zijn alle artikelen negentig dagen lang gratis te lezen.
Mexico wordt al tientallen jaren geterroriseerd door drugsbaronnen. Regisseur Matthew Heineman kreeg het onwaarschijnlijke gedaan; hij filmde in de methlaboratoria, zag de martelingen en was getuige van het corrupte perpetuum mobile waarin de drugswereld en overheid elkaar in stand houden. Met de documentaire Cartel Land dook Heineman in het hart van de drugsduisternis.
Oorspronkelijk wilde Heineman een film maken over de freelance ‘vigilantes’, de zelfbenoemde Border Patrol in Arizona. Maar toen zijn vader een krantenknipsel stuurde over de burgermilities aan de andere kant besloot hij een parallel verhaal te filmen.
Heineman bleef en bleef en kroop onder de huid van de horror, de nachtmerrie die Mexico in stukken scheurt en al meer dan 100.000 doden telt en 20.000 vermisten. Het resultaat is een rauwe, onverschrokken film over de drugsoorlog die de VS en Mexico jammerlijk verbindt.
Cartel Land won de Best Director Award en de Special Jury Award for Cinematography op het Sundance Festival in 2015.
Giancarlo Mazzanti, de Colombiaanse architect die Escobars vesting in een toeristische attractie omtoverde, wil met zijn ontwerpen iets wezenlijks bijdragen aan de gemeenschap, die volgens hem nog altijd door angst wordt beheerst.
Om aan de maatschappelijk behoeften te voldoen moeten er risico’s worden genomen, aldus architect Giancarlo Mazzanti, ontwerper van gedurfde publieke bouwwerken. Volgens deze Colombiaan, die onlangs de Internationale Prijs voor Duurzame Architectuur van het Institut Français d’Architecture heeft gewonnen, wordt de vooruitgang van de bouw in zijn land belemmerd doordat een groot deel van de architectuur in Colombia gebaseerd is op angst.
Het feit dat hij de oude onneembare vesting van de huurmoordenaars van Pablo Escobar uit de jaren tachtig heeft veranderd in een toeristische attractie waar de bewoners van Santo Domingo Savio, een wijk van Medellín, trots op kunnen zijn, was echter niet zozeer een dappere daad als wel een mijlpaal: voor dit Parque Biblioteca España ontving Mazzanti de prijs voor het beste architectonische werk op de VIe Latijns-Amerikaanse Biënnale voor Architectuur en Urbanisme.
Maar dit is niet zijn enige project van culturele betekenis voor een kwetsbare, gewelddadige gemeenschap. Bibliotheek La Ladera in Medellín, kleuterschool El Porvenir in Bosa, de Gerardo Molina-school in Suba, het Museo del Caribe in Barranquilla, het Parque Tercer Milenio in San Vitorino, een sportcomplex voor de IXe Latijns-Amerikaanse Spelen in Medellín, en tal van andere projecten – allemaal hebben ze hetzelfde uitgangspunt: eerbied betuigen aan de mensen die het minste hebben, hun laten zien dat een maatschappij er beter op kan worden door scholing.
‘Mazzanti is gefascineerd door het onderwerp scholing en heeft op dat gebied een belangrijke rol gespeeld. Hij heeft een nieuwe dimensie aan de architectuur gegeven en deze naar een niveau getild waarvan we niet hadden durven dromen, dankzij zijn talent voor creëren en verrassen,’ zegt architect en historicus Alberto Escovar.
Giancarlo Mazzanti, die inmiddels 47 jaar oud is, deed al vroeg van zich spreken. Hij was nog maar pas afgestudeerd aan de Javeriana-universiteit van Bogotá, toen hij de prijsvraag won voor het Museo de Arte Moderno van Barranquilla ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Le Corbusier. ‘Hij behoort tot een generatie voor wie al die architectonische paradigma’s – zoals het functionalisme – niet meer voldeden en die zich, mede dankzij het systeem van prijsvragen voor publieke bouwwerken, anders is gaan uiten,’ verklaart Escovar. ‘Door de vele publieke bouwprojecten maakt de Colombiaanse architectuur twee gouden decennia door.’
Mazzanti voelde zich als kind al aangetrokken tot de stadsmuren van Cartagena, tot forten en tot lego. Hij is totaal niet dogmatisch en respecteert de opvattingen van anderen. Hij is intelligent, theoretisch, geïnteresseerd in geografie en geschiedenis – hij volgde een master in Geschiedenis en Theorie van de Architectuur en het Industrieel Ontwerp aan de Universiteit van Florence – en ook is hij filosofisch onderlegd. Hij citeert Hegel om aan te geven dat hij niet gelooft in het verband tussen esthetiek en ethiek, en [de Mexicaanse auteur] Octavio Paz om het breken met traditie te definiëren als kritische rede, want zonder kritische rede zou er geen vooruitgang bestaan.
Bij een openbare aanbesteding wordt de goedkoopste beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert
Hij is een mediafenomeen, maar er zijn ook mensen die twijfelen aan de doelmatigheid van zijn ontwerpen. ‘Ik zie daarin heel fantasierijke, subjectieve ideeën, die de ware taak van de architectuur echter soms in gevaar brengen, namelijk het scheppen van ruimten die geschikt zijn voor het gebruik,’ betoogt architect Daniel Bermúdez, de ontwerper van het pas geopende cultureel centrum Julio Mario Santo Domingo. ‘Zijn oplossingen missen de technische kwaliteit die ze zouden moeten hebben voor duurzame architectuur,’ meent hij. Hoewel hij erkent dat Mazzanti’s ontwerpen moedig zijn, voegt hij eraan toe: ‘Je moet niet overal opvallende, bijzondere dingen willen neerzetten, je moet ook leren bescheiden te zijn.’
Esthetisch vraagstuk
Ondanks dit soort kritiek is Mazzanti vast van plan door te gaan met zijn ‘onbescheiden’ ontwerpen. Vanuit zijn glazen studio naast het Museo Nacional filosofeert en schrijft hij, ontwerpt en droomt hij.
Waarom verkiest u de architectuur van de buitenkant boven die van het interieur?
In Italië heb ik me beziggehouden met het interieur, maar ik ben vooral geïnteresseerd in de publieke architectuur, want dat is de manier om het sociaal welzijn te bevorderen en culturele activiteiten te genereren. Bovendien werk ik over het algemeen in buitenwijken waar armoede en geweld heersen.
Wat geeft het publieke bouwwerk u wat de private bouw u niet geeft?
De betekenis van het publieke bouwwerk is handelen in sociale termen, werken aan welzijn, stedelijke en architectonische verbanden ontwikkelen. Daarbij speelt de politiek een rol, terwijl de private bouw wordt bepaald door persoonlijke smaak en de kans op economisch gewin; het oogmerk ervan is comfort te verschaffen. Als je een huis bouwt, word je geleid door je eigen smaak of door de wensen van een opdrachtgever, en in dat proces raakt het huis op de achtergrond en wordt het een esthetisch vraagstuk.
Maar de architectuur wordt toch bepaald door de esthetiek van degene die het ontwerp maakt?
Ja en nee. Wanneer de architectuur een kwestie van goede smaak is, wordt het een subjectieve kwestie. Ik veroordeel het een noch het ander, het zijn alleen twee verschillende dingen. Wat mij interesseert in de architectuur is het bouwen aan de samenleving, architectuur als instrument van politiek handelen. Ons doel – dat van mij en mijn team – is het omvormen en scheppen van politieke voorwaarden in een maatschappij die behoefte heeft aan wezenlijke veranderingen.
Hoe hebben uw ontwerpen het sociale klimaat veranderd?
Bij elk bouwwerk ligt dat weer anders. Wat we in Medellín met de Biblioteca España voor ogen hadden was een houvast creëren voor een gestigmatiseerde gemeenschap. We wilden een verwijzingselement creëren, een icoon van het stoere landschap. Bij de kleuterschool El Porvenir, in Bosa, hebben de mensen rechtstreeks toegang tot de groenzone, zonder dat de school daar last van ondervindt, en daardoor behoort het gebied meer toe aan de gemeenschap; hetzelfde gebeurt bij de Gerardo Molina-school in Suba. Alle ontwerpen beogen drie dingen: een meervoudig gebruik, een plaats krijgen binnen de stedelijke structuur als een plek van referentie, en ten derde dat de mensen met het minste geld een eersteklas bouwwerk krijgen dat ze zich kunnen toe-eigenen.
Volgens u is een groot deel van de Colombiaanse architectuur gebaseerd op angst. Waarom?
Ik hoor vaak: ‘Pas op, dat moet je zo niet ontwerpen’, ‘dat moet je niet maken, want het materiaal wordt binnen een maand gestolen’. Er is altijd veel angst en verzet tegen verandering. Maar de motor van een stad heet ‘kritische rede’, dat is een begrip van Octavio Paz. Zonder kritische rede geen verandering, en zonder verandering geen vooruitgang. Als ons onderwijs draait om angst, krijgen we angstige mensen die niet in staat zijn met het oude te breken en risico’s te nemen.
Vragen mensen die in de buurt van uw bouwwerken wonen zich ook af waarom deze publieke gelden niet worden aangewend voor het verbeteren van hun huizen en straten, of voor openbare voorzieningen?
Dat komt neer op: geef ik ze vis of leer ik ze vissen? Ik geloof in dat laatste. Een bibliotheek biedt de mensen de mogelijkheid zich te ontwikkelen, en die van Santo Domingo Savio functioneert niet alleen als bibliotheek maar ook als een groot gemeenschapscentrum waar workshops in het starten van kleine ondernemingen worden gegeven en waar jongeren worden gestimuleerd om zich niet bij bendes aan te sluiten. Op die manier verander je de samenleving. De architectuur is niet alleen een fysieke uitdaging, maar ook een mentale.
Hoe ziet u de rol van de overheid bij sociale woningbouwprojecten?
Tegenwoordig vervult de overheid deze taak heel weinig, omdat ze de oplossing van het woningbouwprobleem aan de privésector heeft overgelaten. De overheid moet veel meer ingrijpen. Ze moet meer beleid voeren en meer stedelijke projecten genereren, zoals dat is gebeurd met Metrovivienda – wat een goed voorbeeld van stedenplanning is. De megaprojecten zijn in handen van private partijen en de overheid heeft geen controle over de uiteindelijke kwaliteit.
Moeten steden in de hoogte of in de breedte groeien?
Ze moeten wat dichter worden, vooral de onze. En de groei van de periferie moet worden beteugeld, anders zijn steden niet werkzaam.
Wat voor beleid zou er moeten worden gevoerd bij zo’n hoge mate van informele bouw?
Moeilijke vraag. We zijn niet in staat de bouw van een stad onder controle te houden als 60 of 70 procent informeel is. We zouden mechanismen moeten creëren die ervoor zorgen dat de woningen een zo goed mogelijke kwaliteit hebben, en dat heeft weer te maken met scholing, met workshops waardoor bouwsystemen verbeteren en ruimten beter worden benut.
Tegen welke problemen met aannemers bent u aangelopen?
Tegen de aannemer die bij de bouw uitsluitend geïnteresseerd is in het besparen van zo veel mogelijk geld. Over het algemeen wordt bij een openbare aanbesteding de goedkoopste kandidaat beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert.
En architectonisch gesproken?
Ik hoef niet vaak strijd te leveren. Dat komt doordat je ontwerp bij het winnen van een prijsvraag niet ter discussie staat; de aannemer heeft het gewoon uit te voeren. Colombia is in Latijns-Amerika een voorbeeld wat betreft het uitschrijven van prijsvragen, zo gaat het hier al bijna veertig jaar. De prijsvraag is de enige optie in de architectuur om dingen te doorbreken.
Waar komt de kritiek op uw werk vandaan?
Die komt van mensen die het moeilijk vinden dingen te waarderen die zijzelf nooit zouden maken, omdat ze daartoe niet in staat zijn of omdat ze die niet mooi vinden. Hun angst is gebaseerd op een dogma, op één enkele zienswijze op de architectuur. Ik zie tot mijn spijt dat ons land op vele gebieden heel fundamentalistisch is.
Sommige mensen beweren dat u buitenlandse ontwerpen kopieert…
Ik geloof dat het bouwwerk van ideeën en bouwstijlen niet aan één bepaalde plek toebehoort. Wij zijn westerlingen, en wat we doen is ontwerpen maken zoals die ook in Europa of de Verenigde Staten worden gemaakt. Ik ben niet bang voor een soort ‘vervuiling’ die je zou krijgen door ideeën van elders hier toe te passen. Ik geloof niet in identiteiten, en ook niet dat we één enkele vorm van Colombiaanse architectuur hebben.
Hoe moeten we ervoor zorgen dat de architectuur vriendelijker voor onze planeet wordt?
De meesten van ons doen aan duurzame architectuur, en de beroepsgroep meent dat dit voldoende is om druk vanuit de maatschappij te voorkomen.
Wat is duurzame architectuur?
Regenwater opvangen, omstandigheden in de buitenomgeving aanwenden om luchtstromen en ventilatie te genereren in plaats van airconditioning te gebruiken. Maar we moeten veel verder gaan, dat we op een andere manier naar de maatschappij en het milieu moeten kijken. Duurzaamheid bestaat niet alleen uit het verbeteren van energieprestaties, het stoppen met bomen kappen en het verwerken van grassen in het dak van een gebouw. Dat is een nogal naïeve gedachte.
Gekleurd rubber
Waarom krijgen duurzame materialen zo’n warm onthaal?
Er zijn materialen die in de loop der tijd worden afgebroken, die door het milieu kunnen worden opgenomen. Ik heb die wel op een paar plaatsen gebruikt, maar in onze context is dat niet makkelijk. We hebben gewerkt met een bepaald type plantaardige bekledingsmaterialen waarmee je de buitentemperatuur kunt reguleren, met materialen die belangrijke thermische isolatie mogelijk maken, en nu met gekleurd rubber – dat lijkt op kurk – gemaakt van hergebruikte banden.
Waar bent u op dit moment mee bezig?
Met de plannen voor een park langs de Calle 26, in Bogotá, en de bouw van een kleuterschool in Soledad, en ook nog een in Santa Marta. Ik heb net een sociaal woningbouwproject in Spanje afgerond en ben bezig een ander project te ontwikkelen met de architectengroep Elemental de Chile. En ik ben uitgenodigd projecten in Taiwan en in Bahrein te presenteren.
El Tiempo Colombia, dagblad, oplage 1.100.000
Grootste krant van Colombia. Uitgesproken conservatief en centrum-rechts, in tegenstelling tot zijn links-liberale concurrent El Espectador , maar bereid om verschillende standpunten te tonen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.