Tag: duurzaamheid

  • Italië beboet Shein met 1 miljoen euro wegens greenwashing

    Italië beboet Shein met 1 miljoen euro wegens greenwashing

    Eerder legde Frankrijk al een boete op van 40 miljoen euro

    De Chinese fastfashiongigant Shein heeft een boete van 1 miljoen euro gekregen van de Italiaanse mededingingsautoriteit AGCM wegens greenwashing. Dat schrijft Politico. Volgens de toezichthouder misleidt het bedrijf consumenten met vage of onjuiste informatie over de duurzaamheid van de kleding.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Shein promoot zijn ‘evoluSHEIN by design’-collectie als milieuvriendelijker, onder meer door het gebruik van ‘groene vezels’. Volgens AGCM kan dit consumenten de indruk geven dat de kleding volledig recyclebaar is. Ook noemt de toezichthouder klimaatbeloftes van Shein ‘vaag‘ en ‘tegenstrijdig’, mede vanwege een toename van de uitstoot in 2023 en 2024.

    Shein zegt in een reactie dat het onmiddellijk maatregelen heeft genomen, waaronder strengere interne controles en aanpassingen aan de website.

    Italië is na Frankrijk het tweede EU-land dat Shein beboet wegens misleidende claims. In juli legde Frankrijk een boete van 40 miljoen euro op. Daarnaast onderzoekt de Europese Commissie het Chinese e-commercebedrijf momenteel voor andere mogelijke overtredingen van consumentenwetgeving.

  • Is tweedehands winkelen wel echt zo duurzaam?

    Is tweedehands winkelen wel echt zo duurzaam?

    Tweedehands winkelen is populairder dan ooit. Is dit een belangrijke stap richting duurzaamheid of overconsumptie in een nieuw jasje? Directrice van Oxfam Groot-Brittannië Halima Begum en journalist Chloë Hamilton gaan in debat.

    ‘Door zelfs maar af en toe voor tweedehands te kiezen, laten we zien dat we verandering eisen’ 

    ‘Het beste fashion-statement dat je dit seizoen kunt maken? Koop tweedehands’, schrijft Halima Begum, directrice van Oxfam Groot-Brittannië, in The Guardian. Ze herinnert zich het therapeutische gezoem van de naaimachine uit haar kindertijd nog. ‘Het is een geluid dat ik associeer met mijn vader, die kledingmaker was in East End in Londen. Vanaf mijn vroegste jeugd heeft mijn vader me de waarde van een kledingstuk en de kunst van het creëren ervan bijgebracht, evenals de noodzaak om afval bij de productie te verminderen.’ Ze omschrijft haar vader als een klassiek voorbeeld van de Bengaalse man die naar het Verenigd Koninkrijk kwam om in een naaiatelier te werken. Deze kledingmakers verloren hun werk toen fast fashion zijn intrede deed, stelt Begum. De Britse textielsector ging over naar goedkope productiecentra in het buitenland, waaronder Bangladesh. Toen de textielfabriek Rana Plaza daar instortte, waarbij 1100 kledingarbeiders om het leven kwamen, legde dat pijnlijk bloot wat er mis is met de huidige modeindustrie, stelt de directrice van Oxfam GB.

    Als het aan haar ligt, zijn te weinig mensen zich bewust van de schade die fast fashion aanricht aan de aarde. ‘Als we even voorbijgaan aan de vaak erbarmelijke arbeidsomstandigheden in deze industrie, verbruikt de productie van slechts één T-shirt in een fabriek in een opkomende economie en het transport ervan het equivalent van 2700 liter zoet water.’ Dit is genoeg voor de dagelijkse behoeften van 1600 mensen, vervolgt de directrice van Oxfam. ‘Voor de productie van een spijkerbroek is 8000 liter water nodig.’ De fast fashion-industrie produceert wel 80 miljard kledingstukken per jaar en is verantwoordelijk voor meer schade aan het milieu dan de internationale scheep- en luchtvaart samen.

    ‘Uit ons onderzoek blijkt dat twee derde van de mensen in het Verenigd Koninkrijk tweedehands kleding bezit’

    Begum vertelt dat Oxfam een campagne heeft gelanceerd om duurzame kleding aan te moedigen. Tweedehands kleding aanbieden is volgens haar hoogst noodzakelijk om de planeet te redden. ‘Nu consumenten het schadelijke idee van fast fashion de rug toekeren, zien we betekenisvolle resultaten. Uit ons onderzoek blijkt dat twee derde van de mensen in het Verenigd Koninkrijk tweedehands kleding bezit.’ De belangstelling is groot. ‘Zo groot zelfs dat Oxfam en onze partner Vinted het voorrecht hadden om de Londense modeweek van dit najaar te openen met onze Style for Change-show. Beroemdheden, waaronder Deborah Meaden, Vick Hope en George Robinson, toonden tweedehands kleding die direct te koop was op de websites van Oxfam en Vinted.’

    ‘Kledingliefhebbers denken misschien dat het politiek gezien ingewikkeld is om de reus van de kledingindustrie te bestrijden. Maar dat valt reuze mee’, schrijft ze. ‘Door zelfs maar af en toe voor tweedehands te kiezen, ondernemen we actie om de machtsbalans tussen de fast fashion-industrie en onszelf als consument te herstellen en laten we zien dat we verandering eisen, of het nu gaat om milieunormen of arbeidsomstandigheden.’


    ‘Ik vrees dat te veel van mijn tweedehands aankopen dopaminehits zijn geweest’

    Tweedehands shoppen is duurzaam en kostenbesparend. Hoewel kringloopwinkels en apps als Vinted om die reden vaak de hemel in worden geprezen, ziet journalist Chloë Hamilton dit gedrag vooral als een verkapte shopverslaving, legt ze uit in een ander artikel in The Guardian. ‘Net als andere shopverslaafden overtuig ik mezelf ervan dat mijn verslaving eigenlijk niet zo problematisch is – en dat wordt ons tegenwoordig verrassend makkelijk gemaakt. Apps (ik heb ze allemaal: Vinted, Depop, eBay) wakkeren mijn slechte gewoonte aan. Ik scroll ’s nachts door goedkope kleding en speelgoed en kan soms niet slapen van de opwinding over al mijn vondsten.’ Maar zodra haar pakketje aankomt, is voor haar de spanning er al snel weer af.

    Hamilton vreest dat tweedehands winkelen fast fashion in de hand werkt, wat juist niet de bedoeling zou zijn. Zo worden er na de feestdagen extra veel spullen aangeboden, aangezien mensen cadeaus die niet naar hun smaak waren weer doorverkopen. Op die manier kan een overmaat aan tweedehands spullen een wereld die lijdt aan chronische overconsumptie juist voeden, aldus de journalist.

    Soms wordt die overconsumptie zelfs direct aangemoedigd, betoogt Hamilton. Klarna speelt daar volgens haar een belangrijke rol in, een achterafbetalingssysteem dat samenwerkt met Depop en eBay. Zo worden mensen verleid om geld uit te geven dat ze niet hebben. Leden van Vinted worden continu gestimuleerd om kleding te consumeren, onder andere door middel van een constante stroom van e-mails. 

    ‘Misschien heb ik ook gewoon een lesje in duurzaamheid nodig’

    ‘Mijn zoon is een goed voorbeeld. Hij is drie jaar en een van zijn favoriete bezigheden is de kringloopwinkel bezoeken. Ik ben hier altijd nogal tevreden over geweest en heb altijd lopen pronken met zijn liefde voor alles wat tweedehands is. Voor hem niet het glimmende nieuwe spul, hij geeft de voorkeur aan ouder speelgoed. Het heeft me een tijdje gekost – te lang misschien – om te beseffen dat dit kleine kind geen aangeboren verlangen heeft om geld te besparen, het milieu te beschermen of aan een goed doel te doneren; hij houdt van de sensatie van een nieuwe speelgoedtrein. Ik heb hem gewoon geleerd om van spullen te houden.

    Ik plunderde liefdadigheidswinkels voordat dat cool was en, in een verhaal dat familiefolklore is geworden, vond ik ooit een lamp in een filiaal van de British Heart Foundation en nam hem mee in de bus naar huis’, schrijft ze. ‘Eerlijk is eerlijk, die lamp is zeven keer met me meeverhuisd en staat nog steeds, schitterend, in mijn woonkamer.’ Maar niet alle inkopen bleven haar zo lang dierbaar. ‘Ik vrees dat te veel van mijn andere tweedehands aankopen dopaminehits zijn geweest.’ Zoals de stapels kleding die nu liggen te verstoffen achterin haar kledingkast.

    Ze denkt dat duurdere prijzen haar zouden helpen tegen overconsumptie. ‘Dat zou me dwingen om bewuster te zijn van wat ik koop. Misschien heb ik ook gewoon een lesje in duurzaamheid nodig. Uiteindelijk is niets echt gratis. Alles kost iets.’

  • Groene economie kan tegen 2030 3,3 miljoen banen opleveren in heel Afrika

    Groene economie kan tegen 2030 3,3 miljoen banen opleveren in heel Afrika

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Griekenland: duizenden geëvacueerd nu bosbranden Athene naderen

    » China bouwt steden met ‘kunstmatig’ zand

    Energietransitie biedt kansen voor Afrika

    Een groenere economie kan 3,3 miljoen banen opleveren in enkele van de grootste landen van Afrika. Dat stellen ontwikkelingsagentschap FSD Africa en impactadviesbureau Shortlist in het rapport ‘Forecasting Green Jobs in Africa‘. Dat rapport voorspelt dat 60 procent van de banen, voornamelijk in de hernieuwbare energiesector, voor opgeleide arbeidskrachten zullen zijn die ‘de groei van de middenklasse kunnen stimuleren in landen met snelgroeiende sectoren’, zoals hernieuwbare energie, e-mobiliteit, bouw en productie, bericht The Guardian.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het rapport is gebaseerd op voorspellingen voor vijf landen – de Democratische Republiek Congo, Ethiopië, Kenia, Nigeria en Zuid-Afrika – waar volgens het onderzoek in de komende zes jaar meer dan een vijfde van de verwachte nieuwe banen een gevolg zullen zijn van de energietransitie.

    Ongeveer 10 procent van de nieuwe banen zal een universitair diploma vereisen, 30 procent zal ‘gespecialiseerd’ werk zijn waarvoor een certificaat of beroepsopleiding vereist is, en 20 procent administratief werk. Ongeschoolde arbeid zal stabieler zijn, met mogelijkheden voor opwaartse mobiliteit, voorspelt de studie. ‘Dit is het eerste openbare rapport dat het idee serieus neemt dat menselijk kapitaal en talent belangrijk zijn als input voor groene economische groei, en als positief resultaat – in de vorm van miljoenen nieuwe, directe banen,’ zegt Paul Breloff, CEO van Shortlist, tegen The Guardian.

  • Dossier: Anders Leven

    Dossier: Anders Leven

    Om uiteenlopende redenen lijkt het erop dat steeds meer mensen anders gaan of willen leven. En dat gaat niet alleen over alternatievelingen die de commune opwaarderen en het begrip ‘gemeenschap’ opnieuw uit willen vinden, maar ook over architecten, stedenbouwkundigen en burgers die andere modellen uitproberen: duurzamer voor mensen en minder schadelijk voor de planeet.

    In het dossier Anders leven:

    1. Zo ziet een emissiearme toekomst eruit
    2. Architectuur als maatschappelijk instrument
    3. Kopenhagen heeft een wolkbreukbeheerplan

  • Veel jonge mensen willen een groen beroep – maar de realiteit valt tegen

    Veel jonge mensen willen een groen beroep – maar de realiteit valt tegen

    Veel jonge afgestudeerden willen zich in hun werk inzetten voor een duurzame wereld. Maar de praktijk blijkt weerbarstig: ‘Het klimaat is belangrijk, maar we blijven natuurlijk wel een bedrijf.’

    Ze zijn verantwoordelijk voor de duurzame ontwikkeling van een bedrijf of voor de afdeling MVO (Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen). Of ze zijn consultant ecologische transitie, of verantwoordelijk voor het verminderen van de CO2-uitstoot van een bedrijf, projectmanager biodiversiteit of data-analist ESG [Ecologische, Sociale en Governance aspecten]. Ze sporen in de media bedrijven aan hun koers te veranderen of foute bedrijven de rug toe te keren, en zijn op zoek naar verandering van binnenuit. Dat doen ze in zogenoemde ‘groene’, ‘MVO’- of ‘positieve impact’-banen, die de laatste jaren een hoge vlucht hebben genomen. Het gaat om een stijging van 21 procent tussen 2019 en 2021, volgens een onderzoek uit 2022. Maar het uitvoeren van dit ‘zinvolle’ werk verloopt niet altijd zonder moeilijkheden, strijd of soms zelfs ontgoocheling. 

    Enkele tientallen jonge professionals reageerden op een oproep van Le Monde om hun ervaringen te delen. Ze vertelden over de aanvankelijke passie voor hun beroep, maar ook over frustraties en concessies, trage besluitvorming en wel erg kleine triomfen.

    Waarden

    ‘Ik had beter moeten weten op grond van het sollicitatiegesprek,’ zegt Julien (die net als de andere geïnterviewden om anonimiteit vroeg). ‘Toen ik zei dat de strijd tegen klimaatverandering belangrijk voor me was, antwoordde de hr-manager met een glimlach: “Natuurlijk, voor ons ook! Maar we blijven natuurlijk wel een bedrijf…”.’ 

    Nadat hij was afgestudeerd als ingenieur en onderzoekservaring had opgedaan, ontdekte deze Parijse dertiger ‘de geweldige wereld van de groene technologie’. In 2021 begon hij een adviesbureau dat gespecialiseerd is in dataverwerking om de duurzame ontwikkeling in bedrijven te ondersteunen, met name door het uitvoeren van CO2-audits. ‘Ik wil niet werken voor een bedrijf dat alleen maar bezig is met dom en vervuilend kapitalisme. Liever iets wat een beetje meer in het algemeen belang is, snap je,’ aldus de datawetenschapper.

    Hij is niet de enige. Uit onderzoek van Toluna-Harris Interactive onder 2000 jongeren tussen de 18 en 30 jaar, dat in juni werd uitgevoerd voor het collectief Pour un réveil écologique [Voor een ecoligisch ontwaken], blijkt dat meer dan acht van de tien ondervraagden het belangrijk vindt om een baan te hebben waarin het milieu een rol speelt en die nut heeft voor de samenleving. Zeven op de tien zeggen zelfs niet te solliciteren bij een bedrijf dat onvoldoende rekening houdt met het milieu.

    Maar voor Julien valt het werk, ondanks de ‘goede sfeer met collega’s, trainingen over klimaatverandering en een verbod op wegwerpbestek in de kantine’, nogal tegen. ‘Ik heb gemerkt dat de verwachtingen van de bedrijven die ons advies inschakelen soms vrij laag zijn en dat we vaak te weinig feedback krijgen over wat ze daadwerkelijk met onze rapporten doen. Soms wordt er zelfs helemaal niets mee gedaan – terwijl ze er wel graag goede sier mee maken dat ze een cool, verantwoordelijk bedrijf hebben ingehuurd.

    Hij voelt zich er slecht bij bedrijven die werkzaam zijn in de oliesector te certificeren vanwege hun milieubeleid. Ook voelt het niet goed dat bepaalde studies die hij ‘bullshit’ noemt vanuit de overheid worden gefinancieerd. ‘Ik had geen zin om daar nog langer aan mee te doen.’ Dus stopte Julien na anderhalf jaar bij zijn adviesbureau om zich aan te sluiten bij een grote, ‘meer geëngageerde’ start-up op het gebied van de deeleconomie. Daar is hij als datawetenschapper nu veel gelukkiger, omdat hij ‘werkt in overeenstemming met zijn waarden’.

    Vier van de tien ondervraagde jongeren hebben het gevoel dat hun bedrijf lippendienst bewijst aan het milieu

    Degenen die betrokken zijn bij duurzame ontwikkeling of maatschappelijk en milieuverantwoord ondernemen, geven aan dit soort opmerkingen regelmatig te horen van jonge mensen aan het begin van hun carrière, wanneer ze de realiteit ontdekken van hun vermeende droombaan. Maar echte teleurstellingen ‘zijn toch vrij zeldzaam, omdat deze banen over het algemeen echt zinvol zijn’, volgens Caroline Renoux, directeur van Birdeo, een wervingsbureau dat gespecialiseerd is in banen met een maatschappelijke impact. Haar rol is om de ‘misverstanden en valkuilen’ weg te nemen.

    Een van de moeilijkheden is de vermeende greenwashen van bepaalde bedrijven, die zich slechts voor de vorm in zouden zetten voor het klimaat om zo mee te profiteren van de groeiende maatschappelijke drive. Soms trekken ze om die reden bewust jonge mensen aan. Vier van de tien ondervraagde jongeren in de recente Toluna-Harris Interactive-enquête hebben het gevoel dat hun bedrijf enkel lippendienst bewijst aan het milieu. Omgekeerd zegt een aantal door Le Monde ondervraagde professionals, die overtuigd zijn van de grotere betrokkenheid van hun bedrijf, dat ze moe worden van de verdenkingen dat hun bedrijf aan greenwashing doet.

    Verwachtingen

    Maar als het erop aankomt het kaf van het koren te scheiden, om ‘te kiezen tussen een bedrijf dat alleen maar aan de regels wil voldoen of een dat juist een meer geëngageerde aanpak wil volgen’, zijn net afgestudeerden tijdens hun sollicitatie vaak ‘niet duidelijk over hun waarden, wensen en wat ze bereid zijn te accepteren’, zegt Caroline Renoux. Ze moeten ook oppassen dat ze ‘een bedrijf niet verwarren met een ngo of een stichting. Want een bedrijf moet zowel voldoen aan zijn rendementsdoelstelling als aan sociale of milieudoelstellingen. En dat verloopt natuurlijk nooit zonder spanningen.’

    Wanneer de noodzaak van economische groei conflicteert met de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen, de impact van CO2 of het gebruik van water te verminderen, kunnen waardeconflicten en cognitieve dissonantie optreden.

    Jonge mensen die in ‘junior’-posities terechtkomen, met weinig invloed binnen het bedrijf, ‘zien al snel de tegenstrijdigheden in waarmee ze te maken krijgen en waaraan ze moeten wennen’, voegt Fabrice Bonnifet toe. Hij is hoofd duurzame ontwikkeling van de Bouygues-groep en voorzitter van het Collège des directeurs de développement durable (C3D), een organisatie waarin de hoofden duurzame ontwikkeling van veel bedrijven zich hebben verenigd. ‘We krijgen regelmatig van jonge mensen te horen dat ze gedesillusioneerd zijn,’ zegt hij. ‘Ze werken in MVO-functies maar vinden dat er niet naar ze wordt geluisterd, en bespeuren bij hun gesprekspartners niet de mate van urgentie die ze zelf ervaren.’

    De jonge professionals die wij hebben geïnterviewd lieten weten ook moeilijk overweg te kunnen met de manier waarop met tijd wordt omgegaan. ‘We zijn ons bewust van de ecologische noodsituatie. We zien dat de klimaatverandering versnelt en we weten dat we nu moeten handelen. Maar alles gaat zo langzaam,’ zegt Morgan (25), die sinds twee jaar verantwoordelijk is voor de bescherming van wetlands bij een grote fabrikant van transportinfrastructuur. Hij schetst een situatie die ook veel andere professionals ervaren. ‘Onze werkzaamheden, die relatief nieuw zijn, botsen standaard met die van andere diensten binnen het bedrijf die al lange tijd geld opleveren. Wij krijgen dus zelden voorrang. Het duurt maanden, soms jaren voordat beslissingen worden genomen en uitgevoerd. Je moet geduld hebben. En je moet accepteren dat de milieumaatregelen die je er met moeite doorheen krijgt, zeker in het begin slechts “compenserend” zijn voor activiteiten die voor de rest weinig veranderen…’  Het is een traagheid die hij ook ondervond bij de overheidsinstellingen waarvoor hij in het verleden werkte.

    ‘Je moet ook leren genieten van deze permanente oefening in diplomatie’

    Nu de tijd begint te dringen, ‘moet je over uithoudingsvermogen beschikken en positief blijven – dat is bijna onderdeel van je functieomschrijving,’ zegt Alexandra (27). Ze is hoofd duurzame transformatie voor een groot cosmeticaconcern en gepassioneerd over haar werk. ‘Je moet ook leren genieten van deze permanente oefening in diplomatie ten overstaan van mensen die minder overtuigd zijn dan jij,’ voegt Guillaume (26) toe, die bij de kamer van koophandel en industrie in de regio Parijs bedrijven adviseert over ecologische transitie. In plaats van mensen die ‘soms klimaatsceptisch’ zijn te wijzen op de noodsituatie, probeert hij hen bijvoorbeeld ‘te laten zien hoe ze geld kunnen besparen door hun milieu-impact te verminderen’.

    Om zijn ongeduld tegen te gaan, evenals het gevoel dat hij te veel concessies doet aan zijn eigen waarden, doet hij, net als andere geïnterviewde jongeren, naast zijn baan ook vrijwilligerswerk. Zo initieert hij muurschilderingen over het klimaat, neemt hij deel aan klimaatmarsen, zamelt hij afval in et cetera. Het helpt om plezier in zijn werk te behouden en niet ondergedompeld te raken in de klimaatangst, die vaak op de loer ligt.

  • Lucia Reisch: ‘Beleidsmakers moeten nudgen in de richting van plantaardig voedsel’

    Lucia Reisch: ‘Beleidsmakers moeten nudgen in de richting van plantaardig voedsel’

    Om de uitputting van de aarde te voorkomen en de klimaatverandering af te remmen, moeten we minder vlees en meer plantaardig voedsel eten. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de gastronomische sector en de beleidsmakers, betoogt Lucia Reisch.

    De catastrofale gevolgen van de klimaatverandering dienen zich al aan: Europa wordt door dodelijke hittegolven geteisterd en de poolkappen smelten, de aangroei van het zee-ijs heeft op Antarctica een historisch dieptepunt bereikt. Is er ook iets wat wij daar persoonlijk aan kunnen doen? Het antwoord is driewerf ja. Vooral wat we eten maakt heel veel uit. De leus ‘koeien zijn de nieuwe steenkool’ klinkt misschien overtrokken, maar is in wezen waar. Bijna een derde van alle uitstoot van broeikasgassen is afkomstig van voedselsystemen, en alleen al rundvlees is verantwoordelijk voor een kwart van de uitstoot van de veehouderij en voedselproductie.

    Bovendien worden de voetafdruk van dierlijk voedsel en de daaruit voortvloeiende kosten om de uitstoot terug te dringen niet weerspiegeld in de prijs. Onderzoek toont aan dat mens en planeet baat zouden hebben bij een overstap op plantaardige voeding of op minder milieuvervuilend dierlijk voedsel zoals kip of vis. In een gezamenlijk rapport van onder meer de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF werd onlangs gesteld dat voor een duurzaam en gezond voedingspatroon de voedselsystemen grondig op de schop moeten – en snel. Ook het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft aangetoond dat vergroening van de voedselsystemen een grote bijdrage kan leveren aan de strijd tegen de opwarming van de aarde.

    Je kunt de voedselkeuze van mensen beïnvloeden door duurzame maaltijden aantrekkelijker en toegankelijker te maken

    In de gedragswetenschap is onderzocht op welke manieren mensen op alle punten in de keten beïnvloed kunnen worden in de keuzes die ze maken: van boeren die moeten besluiten wat ze gaan verbouwen tot detailhandelaren die kunnen overschakelen op de verkoop van duurzamer voedsel en consumenten die eten bestellen in een restaurant. In de VS zit vooral bij die laatste doelgroep veel potentieel, aangezien Amerikanen gemiddeld zes keer per week buiten de deur eten.

    Het is aangetoond dat je de voedselkeuze van mensen kunt beïnvloeden door duurzame maaltijden aantrekkelijker en toegankelijker te maken, bijvoorbeeld door plantaardige opties prominenter en in ruimere mate aan te bieden. Deze vorm van beïnvloeding stuit ook op betrekkelijk weinig weerstand, terwijl regels en verboden doorgaans betuttelend worden gevonden en een heffing op specifieke producten als vlees en suiker nadelig uitpakt voor de armen.

    Nudging

    Het zou dus een echte gamechanger kunnen zijn om plantaardig voedsel meer centraal te stellen op het menu van restaurants, cafés en kantines. Door het veranderen van de context waarin mensen hun eigen keuze maken, kun je ze met behoud van hun keuzevrijheid toch een duwtje in de goede richting geven (nudging). Maar zo’n verandering moet niet op zichzelf staan. Die moet onderdeel zijn van een bredere verandering van alle aspecten van het voedselsysteem waarmee de consument in aanraking komt, en daarin moeten industrie en detailhandel een grote rol spelen. Overal waar consumenten keuzes maken, kunnen op basis van gedragsonderzoek wijzigingen worden ingevoerd.

    Politici zullen misschien liever grote klimaatbeloften doen, wetten tegen voedselverspilling aannemen of het bedrijfsleven tot duurzame keuzes oproepen, en soms hameren ze er zelfs op dat ‘mensen zelf moeten bepalen wat ze eten’. Maar ze kunnen de detailhandel stimuleren om zijn geavanceerde arsenaal aan marketingtechnieken in te zetten om duurzame en gezonde voedingskeuzes (of zoals het tegenwoordig heet: een ‘planetary health diet’) aantrekkelijker, betaalbaarder, toegankelijker en sociaal breder aanvaard te maken. Dat zou al een grote stap zijn in de richting van verlaging van de uitstoot van broeikasgassen.

    Beleidsmakers mogen hun kiezers natuurlijk nooit manipuleren, al is het voor nog zo’n goed doel. Maar krachtige instrumenten om gedrag te beïnvloeden werken ook als ze volledig transparant zijn. En op basis van inzichten uit consumentenonderzoek en de economische en gedragswetenschappen kan beleid tegen klimaatverandering worden ontworpen dat de emoties, gewoonten, denkpatronen, sociale normen en voorkeuren van mensen centraal stelt. De kritiek op nudging – met name dat het weinig effect heeft en andere, nuttigere middelen overschaduwt – snijdt meestal geen hout. Beleidsmakers streven naar een verantwoorde toepassing, en overal ter wereld wordt door steden als New York en Kopenhagen en andere regio’s keuzearchitectuur ingezet om bij te dragen aan de verandering van voedselsystemen. Dankzij de kracht van suggestie en de neiging van mensen om inspanning te mijden en de weg van de minste weerstand te kiezen is het tot standaard verheffen van de vegetarische optie een van de beste middelen om gedrag te veranderen.

    Standaardoptie

    Als plantaardig eten eenmaal de standaardkeuze wordt en vlees de ‘andere’ optie is, daalt de vleesconsumptie. Uit een systematische analyse van vijftien onafhankelijke interventiestudies die zijn gepubliceerd tussen 2012 en 2020 en uitgevoerd in uiteenlopende situaties in zes Europese landen en de Verenigde Staten bleek dat zo’n ingreep steeds leidde tot een aanzienlijke verlaging van het aantal consumenten dat voor vlees koos, variërend van 53 tot 87 procent. Uit een Deens onderzoek bleek dat ruim 84 procent van de 300 deelnemers achter de keuze stonden om een vegetarische lunch tot standaardoptie te maken. En er zijn sterke aanwijzingen dat deze methode in diverse situaties de voedselkeuze kan beïnvloeden. Voortbouwend op eerder onderzoek voert mijn eigen El-Erian Institute of Behavioral Economics and Policy aan de Universiteit van Cambridge nu een vergelijkbaar veldexperiment uit in dertien van onze mensa’s.

    Gezien deze resultaten is het dus geen gek idee om van vega de standaardoptie te maken in restaurants, supermarkten, scholen en kantoren. De non-profitorganisatie Better Food Foundation heeft een hele reeks tips en ideeën voor hoe je dit kunt aanpakken. Meatless Monday was bijvoorbeeld een actie die wereldwijd aansloeg en door veel mensen en organisaties werd gedragen. Ook de woordkeuze op een menu is van belang: door een gerecht niet ‘vegetarisch’ maar ‘planetair’ of ‘plantaardig’ te noemen, breng je beter over dat het ook een duurzame keuze is.

    Het is dus geen gek idee om van vega de standaardoptie te maken

    Het veranderen van voedselsystemen als een vorm van klimaatactie kan beginnen met beleidsveranderingen van bovenaf. Vanuit die gedachte hebben activisten, mensen uit het veld, beleidsmakers en onderzoekers op de VN Voedseltop in New York twee jaar geleden samen de Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 geformuleerd. Maar bij de implementatie van die doelen moeten beleidsmakers oog houden voor de rol die de menselijke factor in de voedselkeuze speelt. Gelukkig slaan partijen uit allerlei sectoren nu de handen ineen om nieuwe beleidsinstrumenten uit te testen en nieuwe normen en keuzefuiken te bedenken. Want dat consumenten moeten overstappen op meer plantaardig voedsel om de broeikasuitstoot van de voedselsystemen te verminderen, staat buiten kijf. Samen met andere beleidsinstrumenten die tot gedragsverandering leiden, kan een centrale plaats van plantaardig voedsel op het menu leiden tot een flinke daling van de vleesconsumptie met behoud van keuzevrijheid. Zo kunnen we straks allemaal een actievere rol spelen in het behoud van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde en het afremmen van klimaatverandering.

  • Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea proberen hun energiegebruik te verminderen door hun kunstwerken op een andere manier te bewaren en te vervoeren. De grootste winst valt echter te behalen bij de gasten: 99 procent van de CO2 die het Louvre uitstoot, wordt veroorzaakt door de bezoekers.

    Alle toevoer afsnijden! Water, gas, elektriciteit! Afgelopen lente heeft het Maison des arts de Malakoff in het departement Hauts-de-Seine zijn energiegebruik uit eigen beweging volledig stilgezet: geen enkele expositie meer, een radicale stop van vijf maanden. ‘We hadden al veel milieumaatregelen genomen, zoals het opvangen van regenwater, het planten van een boomgaard en het installeren van andere verlichting,’ vertelt directeur Aude Cartier. ‘We moeten de milieuangst omzetten in initiatieven die mensen mobiliseren en de wereld veranderen in plaats van haar te versomberen, en onze instellingen kunnen daarbij een rol spelen.’

    Lampen op zonne-energie, emmers water in de wc’s… Aude Cartier en haar team hebben elk onderdeel van het dagelijks leven een nieuwe invulling gegeven. In de vorm van sculpturen, een broodoven in de tuin, fermentatieworkshops voor het maken van miso, kombucha en kimchi, het middels allerlei acrobatische toeren kweken van paddenstoelen en het voeren van talloze discussies over morgen.

    Niet alle Franse musea en kunstencentra gaan zo ver, maar aandacht voor het milieu is onontkoombaar sinds de coronapandemie. De klimaatrampen van 2022 hebben alles nog in een stroomversnelling gebracht. Er is geen groot museum meer zonder duurzaamheidsadviseur. Doel, volgens het collectief Les Augures dat de groene transitie in de beeldende kunst begeleidt, is ‘het reduceren van de negenduizend ton CO2 die een gemiddeld museum jaarlijks uitstoot, de voetafdruk van achthonderd Fransen’. In Malakoff heeft het collectief een maximaal aantal gegevens verzameld, variërend van de wijze waarop bezoekers naar het museum komen tot de psychologische impact die bepaalde veranderingen hebben op het team. Alles is geïnventariseerd en geanalyseerd, ‘om te kunnen bepalen wat werkt en wat niet, en om ook anderen van onze bevindingen te laten profiteren’, legt Aude Cartier uit.

    ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen‘

    Want dat is het grootste struikelblok. ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen, het valt buiten hun competentie en stelt ze voor een aantal heel uiteenlopende uitdagingen,’ onderstreept Fanny Legros, die drie jaar geleden Karbone Prod heeft opgericht, een ander bureau dat zich in procesbegeleiding op dit gebied heeft gespecialiseerd.

    Een toekomstig museum dat 100 procent duurzaam is? Daarvoor moet je het verbruik van een vrachtauto kunnen berekenen, expert worden op het gebied van isolatie, de herkomst van de vis in je restaurant kunnen vermelden, op de hoogte zijn van het Franse decreet van 2019 dat bepaalt dat het energieverbruik van openbare gebouwen in 2030 met 40 procent verminderd moet zijn, in 2040 met 50 procent en in 2050 met 60 procent, je bezoekers aansporen om op de fiets te komen, de levenscyclus van de bekleding van je banken achterhalen, een toekomst bedenken voor afgedankte vloerbedekking. Een duizelingwekkende hoeveelheid uiteenlopende expertises.

    Recycling

    ‘Maar we hebben geen keus: binnen enkele jaren zal Frankrijk het klimaat van Andalusië hebben,’ benadrukt Sandra Patron, die een voortvarend actieplan heeft gelanceerd voor het Musée d’Art Contemporain in Bordeaux dat ze sinds 2019 leidt. ‘Ons hoofdgebouw? Het is binnenkort misschien te warm om daar exposities te houden. Maar we verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is. De vragen die voorliggen zijn even fascinerend als beangstigend. En hoe meer je op de zaken vooruitloopt, des te intelligenter de antwoorden.’ Patron zet vooral in op recycling: komende herfst zal Bordeaux een ondergrondse recyclinginstallatie in gebruik nemen die het ‘afval’ van de culturele instellingen van de stad zal inzamelen en herverdelen. Een prijzenswaardig initiatief dat is gestart door de Réserve des arts de Pantin in het departement Seine-Saint-Denis en sinds 2020 ook in Marseille is gerealiseerd. In 2022 heeft de organisatie 722 ton materiaal ingezameld bij tal van grote en kleine musea en kunstenaars; 520 ton daarvan is weer in gebruik genomen door de 13.000 aangeslotenen. Vooral hout, maar ook metaal, textiel, leer. Een succes dat helaas wordt bedreigd: omdat de Réserve binnenkort moet verhuizen wordt wanhopig naar een nieuwe locatie gezocht, terwijl er nog nooit zo’n groot beroep op de organisatie is gedaan. Want veel instellingen hebben zich met name op het meest voor de hand liggende afvalitem gestort: expositiepanelen. Deze worden voor elke tentoonstelling op maat gemaakt en belandden voorheen systematisch in de afvalcontainer. Maar dat is nu verleden tijd.

    ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt’

    En verder? De musea wisselen steeds meer ervaringen uit, maar ieder voor zich blijft de regel. Frankrijk kent geen equivalent van de in het Verenigd Koninkrijk opgerichte Gallery Climate Coalition, waarbij momenteel 800 musea aangesloten zijn, van PS! in New York tot Barbican in Londen, die tussen nu en 2030 hun CO2-uitstoot willen halveren en streven naar 0 procent afval. Het enige aangesloten Franse museum is het Musée Picasso in Parijs.

    ‘Frankrijk loopt een beetje achter, want het ontbreekt ons aan gegevens over de werkelijke voetafdruk van de cultuursector, die geen deel uitmaakt van de koolstofarme strategie die de overheid voorstaat,’ zegt Fanny Legros spijtig. Karbon Prod en Augures hebben daarom de handen ineengeslagen om een instrument voor dataverzameling te ontwikkelen waarvoor ze de financiering op korte termijn hopen rond te krijgen; een tiental Franse musea zou als ‘bêtatesters’ fungeren. ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt en dat er meetinstrumenten komen voor elk afzonderlijk geval,’ aldus Legros. 

    Permacultuur als model

    Intussen voltrekt de facelift zich zo goed en zo kwaad als het gaat: de exposities worden langer, er wordt vaker een beroep gedaan op plaatselijke collecties, koolstofboekhouding vindt steeds meer ingang. Maar dat volstaat in de ogen van Guillaume Désanges niet voor een duurzaam ontwikkelingsbeleid: de directeur van het Palais de Tokyo in Parijs wil verder gaan en permacultuur, een duurzame landbouwmethode, als model gebruiken. ‘Natuurlijk moeten we de koolstofuitstoot beperken, maar we moeten vooral weer ontdekken dat het nodig is om dingen anders te doen. Wij gaan prat op onze vrolijke, creatieve nederigheid. Voor ons is duurzaamheid geen gespreksonderwerp, maar het uitgangspunt van de manier waarop we werken.’

    Dankzij sponsorgelden heeft het Palais de Tokyo het bureau Utopies in de arm kunnen nemen voor het opstellen van een koolstofboekhouding. In 2021 heeft het museum 7200 ton CO2 uitgestoten, constateert het rapport. Oftewel 16 kilo per bezoeker, twee keer zo veel als het Gugenheim in Bilbao. Drie kwart daarvan wordt veroorzaakt door de bezoekers van exposities, die voor het overweldigende merendeel uit het buitenland komen. Een situatie die op nationale schaal aangepakt zou moeten worden: van de 4 miljoen ton CO2 die het Louvre uitstoot wordt 99 procent veroorzaakt door de bezoekers.

    Voor het overige beschikt het Palais de Tokyo nog over de nodige manoeuvreerruimte, verzekert de directeur. Doel is 42 procent minder CO2-uitstoot in 2030. Eerst genomen beslissing in de zomer van 2023 was de sluiting van de glazen zaal op de begane grond, die tijdens grote hitte onbruikbaar is. De tienduizend vierkante meter met airco koelen is ondenkbaar. Het hele parcours is herzien: vanuit de frisse tuinen komt men binnen via het souterrain en de expositie van Laura Lamiel wordt omsloten door dikke muren. ‘Deze initiatieven helpen om het cynisme te doorbreken van de kunstwereld, waar veel over duurzaamheid wordt gesproken zonder werkelijk te beseffen wat er aan de hand is. Maar het belangrijkste is dat we een opwaartse spiraal creëren,’ vervolgt Guillaume Désanges. ‘Het Palais is een levend ecosysteem dat niet als monocultuur mag worden gebruikt, maar waar de gebruiksintensiteit varieert en er soms ruimte onbenut blijft.’

    Op het programma van dit duurzame Palais staat een intensievere dialoog met andere instellingen en het afwijzen van ‘concurrentiestrategieën zodat de artistieke en intellectuele inbreng voorrang krijgt. Altijd haantje de voorste zijn? Die logica is zijn doel voorbijgeschoten. Wij houden ons liever aan de tijd van de kunstenaars.’ En ook aan hun vergroeningstempo, dat ze zichzelf inmiddels heel vaak opleggen. Zo heeft Davide Balula het project Artists Commit gelanceerd, dat de voetafdruk van een expositie haarfijn wil analyseren.

    Grote oceaanstomer

    Bij musea met oude kunst speelt deze aandrang minder. Hoe kunnen we deze grote oceaanstomers een draai laten maken? ‘Bij al onze projecten houden we de energietransitie in het oog; daar staan we met onze teams dagelijks bij stil,’ verzekert Virginie Donzeau, directielid van het Musée d’Orsay.

    ’s Winters één graad minder, ’s zomers één graad meer: eind 2021 heeft Orsay een plan aangenomen voor een haarfijne afstelling van verwarming en airconditioning, aldus Donzeau. Resultaat is dat de energiekosten in de winter van 2022 met 16 procent zijn gedaald. Er zal onder geen beding een beroep worden gedaan op de uitzonderingsclausule voor monumenten die in het energiedecreet van 2019 is opgenomen: voor 2024 wordt gemikt op een daling van het energiegebruik met 25 procent, en voor 2050 met 60 procent, conform de eisen die het decreet stelt aan alle openbare gebouwen van meer dan duizend vierkante meter. ‘Ons gebouw, een spoorstation uit de negentiende eeuw dat aan vier windrichtingen is blootgesteld, is onze grootste uitdaging, maar we zien die complicatie ook als een kans,’ verzekert Donzeau.

    In alle tentoonstellingszalen is inmiddels ledverlichting aangebracht, en de andere ruimtes zullen binnenkort volgen. De renovatie van de entree zal het verbruik ook doen dalen. Er wordt zelfs aan gedeeltelijke geothermie gedacht. ‘De daling van de CO2-uitstoot die in 2022 is gerealiseerd heeft ons een beetje verrast,’ vervolgt ze, ‘want die is nogal contra-intuïtief. Als je de bezoekers niet meetelt komen de exposities zelf pas op de vierde plaats qua energieverbruik, na het gebouw, de winkelactiviteiten en de horeca.’ Transporteurs bewegen tot verduurzaming van hun wagenpark, met verzekeraars onderhandelen om een of twee kunstwerken meer in dezelfde vrachtwagen of hetzelfde vliegtuig te mogen vervoeren, elk detail wordt onder de loep genomen om de uitstoot van broeikasgassen tussen nu en 2030 met 30 procent te verminderen.

    Het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is, blijft een knelpunt

    Origineler is nog dat het museum een project heeft geïnitieerd voor vergroening van de oevers van de Seine in Argentueil in het departement Val d’Oise, naar voorbeeld van de impressionistische doeken waarop het destijds nog ongerepte landschap staat afgebeeld.

    Maar er blijft een knelpunt, namelijk het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is. Zelfs de International Council of Museums breekt zich daar het hoofd over: ‘Sommige normen voor preventieve conservering dateren van dertig jaar geleden. Zijn die nog valide en werkbaar in de huidige tijd?’ Sandra Patron gaat nog verder: ‘Kun je nog werken in koelcellen conserveren à raison van 15.000 euro per jaar? Je moet verder durven denken, zelfs als dat in strijd is met de regels.’

    Lees ook:

  • Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Waarom het zo moeilijk is om afscheid te nemen van steenkool

    Het bonte gezelschap van financiers dat ‘de tandwielen’ van de steenkoolindustrie smeert, zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze lucratieve handel stand houdt, ook al is dat schadelijk voor planeet. De markt wil maar geen afscheid van de de vervuilende brandstof nemen.

    Opgestapeld onder de azuurblauwe lucht in de haven van het Australische Newcastle liggen bergen steenkool waar gigantische shovels hapjes uit nemen. Ze scheppen het spul op transportbanden, die naar vrachtschepen leiden van soms wel drie voetbalvelden lang. Jaarlijks verwerken deze terminals 200 miljoen ton van de brandstof, wat Newcastle de grootste kolenhaven ter wereld maakt. De doorvoer beleeft een indrukwekkende comeback, nadat overstromingen vorig jaar de toelevering een zware slag hadden toegebracht. 

    Aaron Johansen, die toezicht houdt op de nieuwste, volledig geautomatiseerde terminal, verwacht voor de komende zeven jaar in ieder geval geen kleinere cijfers. Rijke Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, snakken naar de hoogwaardige steenkool die de terminal passeert. En dat geldt ook steeds meer voor opkomende landen als Maleisië en Vietnam.

    Aan de andere kant van de wereld is de stemming wel anders. De afgelopen weken verstoorden activisten meermaals de jaarlijkse algemene vergadering van Europese banken en energiebedrijven, waarbij zij grote schrijvers citeerden, onder wie Shakespeare (Don’t shuffle off this mortal coil) en de Spice Girls (Stop right now), in hun oproep een einde te maken aan de steenkoolwinning. Ze geven een stem aan de breed gevoelde angst voor wat steenkool voor het klimaat kan aanrichten als grootste bron van broeikasgassen. De brandstof was goed voor ruim 40 procent van energiegerelateerde koolstofemissies in 2022. De Verenigde Naties zeggen dat de productie met 11 procent per jaar moet dalen om de opwarming van de aarde ten opzichte van pre-industriële tijden onder de 1,5 graad Celsius te houden. Het Internationaal Energieagentschap (IEA), een officiële voorspellende instantie, wil niet dat er nieuwe mijnen worden geopend, noch dat er bestaande worden uitgebreid. Klimaatexperts denken dat 80 procent van de reserves ongebruikt moet blijven.

    In 2020 meende het IEA nog dat de steenkoolconsumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt

    Dit moet dan voornamelijk gebeuren door de financiële toeleveringsketen af te knijpen. Ruim tweehonderd van ’s werelds grootste financiers, waaronder 87 banken, hebben aangekondigd dat ze investeringen in kolenmijnbouw of kolencentrales aan banden zullen leggen. Kredietverstrekkers die goed zijn voor 41 procent van de wereldwijde bankactiva hebben zich aangesloten bij de Net-Zero Banking Alliance en toegezegd hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op CO2-neutrale emissies. Op de COP26-top in 2021 voorspelden de VN dat de steenkoolproductie door deze campagne verleden tijd zou worden. In 2020 meende het IEA nog dat de consumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt.

    Geoliede handelsmachine

    Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit. In 2022 bedroeg de vraag ernaar voor het eerst meer dan 8 miljard ton. In dit artikel beschrijven we wie de tandwielen van deze ooit tot ondergang gedoemd lijkende handelsmachine smeert. Onze bevinding is dat de markt levendig, goed gefinancierd en winstgevend is. Nog opvallender is dat het bonte gezelschap van financiers er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de handel tot ver in de jaren dertig van deze eeuw standhoudt, en dat die handel nog een aantal zakken flink zal vullen, ten nadele van de planeet.

    Het is verleidelijk om 2022 als een uitzonderlijk jaar te beschouwen. Rusland sneed de gasleidingen naar Europa af en Europa verbood de invoer van steenkool uit Rusland. Het continent verliet zich op vloeibaar aardgas (lng) dat bestemd was voor Azië en thermische steenkool uit Colombia, Zuid-Afrika en het verre Australië. Ook Aziatische landen die afhankelijk zijn van hoogwaardige Russische steenkool gingen diversifiëren. De prijzen voor topkwaliteit stegen. De armere buren van Europa werden uit de gasmarkt geprijsd en stortten zich op brandstof van mindere kwaliteit.

    De crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt

    Nu is de storm gaan liggen. Na een zachte winter hebben Europese nutsbedrijven weer behoorlijke voorraden aan gas en kolen. Maar naarmate de vraag naar stroom voor verkoelingsapparatuur in steeds warmere zomers toeneemt, zal de invoer van steenkool versnellen. De Chinese economie is het tijdperk van zerocovidbeleid te boven gekomen, India gaat als een speer. Handelaren verwachten dat het wereldwijde verbruik dit jaar met nog eens 3 tot 4 procent zal groeien.

    Steenkool blijft waarschijnlijk ook na 2023 in trek. Het klopt dat de vraag in Europa zal afnemen naarmate het aanbod van hernieuwbare energiebronnen stijgt. In de VS, met hun goedkopere schaliegas, ís de vraag al laag. Maar de crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt. Kolen zijn goedkoper en ruimer voorradig dan andere brandstoffen en – eenmaal op eenvoudige schepen geladen – overal naartoe te vervoeren. Dit in tegenstelling tot lng, waarvoor je speciale schepen en terminals voor hervergassing moet bouwen, wat jaren duurt. China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen, meer dan welk land dan ook ter wereld vandaag de dag aan capaciteit heeft. India en een groot deel van Zuidoost-Azië volgen hetzelfde pad.

    Blijvende vraag naar steenkool

    Zelfs als het Westen steenkool snel afzweert, zal de vraag naar thermische steenkool tussen nu en 2030 met slechts 10 tot 18 procent dalen, verwacht de Boston Consulting Group. Een groot deel van de vraag komt voor rekening van de binnenlandse productie in China en India, de grootste verbruikers ter wereld. Import blijft echter cruciaal. Investeringsbanken verwachten niet dat de verhandelde volumes dit decennium snel onder de 900 miljoen ton komen, ten opzichte van 1 miljard ton vorig jaar. Eén investeringsbank, Liberum Capital, verwacht de komende vijf jaar een stijgende invoer.

    Blijft de wereldwijde kolenmarkt aan die hardnekkige vraag voldoen? Ons onderzoek lijkt te zeggen van wel. Er is genoeg geld voor drie vitale schakels in de toeleveringsketen: handel en scheepvaart, meer graven in bestaande mijnen, en nieuwe projecten.

    Handelsfinanciering is nog het eenvoudigst. Consultant Oliver Wyman berekende voor The Economist dat hoge prijzen, samen met de langere reizen als gevolg van omgeleide export, de behoefte aan werkkapitaal van kolenhandelaren in 2022 opdreven tot 20 miljard dollar, vier keer het historische gemiddelde. Ervan uitgaande dat de gemiddelde kolenprijs boven de 100 dollar per ton blijft, wat veel analisten verwachten, blijft die behoefte tot ten minste 2030 boven de 7 miljard dollar.

    Handelaren in grondstoffen blijven liquide genoeg om de aankoop van kolen te financieren. Een van hun geldbronnen bestaat uit bedrijfsleningen via meerjarige bankleningen of obligaties, waardoor bedrijven een vastgesteld bedrag naar eigen goeddunken kunnen gebruiken. Handelaren kunnen ook gebruikmaken van doorlopend krediet op korte termijn, verstrekt door groepen banken. Veel van dit soort financieringen zijn sinds begin 2022 uitgebreid – en belopen vaak enkele miljarden dollars – om handelaren te helpen sterke prijsschommelingen op te vangen. Banken die restricties opleggen en bepalen dat het geld niet mag worden gebruikt om steenkool te kopen, lopen het grote risico dat handelaren hun toevlucht zoeken tot concurrenten die wat minder strikt in de leer zijn. Dat zijn dus maar weinig banken.

    Financieel directeuren bij handelsfirma’s zeggen dat banken in landen waar handel de voornaamste bron van inkomsten is, waaronder DBS in Singapore en UBS in Zwitserland, nog steeds steenkoolaankopen financieren. Zwitserse regionale geldschieters helpen graag. Hetzelfde geldt voor banken in consumerende landen, zoals China en Japan, evenals voor de Britse bankengroep Standard Chartered, die zich richt op Aziatische bedrijven (DBS en Standard Chartered melden allebei dat ze hun belang in thermische steenkool aan het verminderen zijn). Alleen Europese kredietverstrekkers, vooral Franse, hebben zich teruggetrokken. De opengevallen plaatsen zijn ingenomen door banken uit producerende landen, zoals Australië, Indonesië en Zuid-Afrika. 

    Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool

    Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk. Banken die toch al nooit veel geld aan hen hebben verdiend, kunnen nauwelijks volhouden dat ze niet weten hoe het geleende geld wordt gebruikt. Vorig jaar werden sommige handelaren gedwongen geld te lenen van private fondsen, vaak gedekt door vermogende individuen, tegen jaarlijkse tarieven van bijna 25 procent – ongeveer vijf keer de standaardkosten. Maar na maanden van bloeiende handel hebben velen geen externe financiering meer nodig. Eén bankier zegt dat sommige van zijn in kolen handelende klanten de winst in 2022 hebben zien vertienvoudigen. Een van hen, gevestigd in Londen, zag zijn totale vermogen stijgen van 50 miljoen pond in 2021 naar 700 miljoen in 2023.

    Om het product vervolgens naar kopers te verschepen, hebben handelaren vaak een door een gerenommeerde bank afgegeven garantie nodig dat ze op tijd worden betaald. Steeds minder leners willen dergelijke ‘kredietbrieven’ verstrekken, maar er zijn ook manieren om dit te omzeilen. Sommige handelaren brengen hun klanten meer in rekening om het tegenpartijrisico te dekken. Het helpt dat de investering beperkt is. Met de huidige prijzen kan een vracht steenkool niet meer dan 4 tot 5 miljoen dollar waard zijn. Een olietanker daarentegen kan voor 200 miljoen dollar aan ruwe olie vervoeren. Anderen maken gebruik van vertrouwde tussenpersonen, of vragen grotere garanties op andere goederen die de klant koopt. Sommige overheden in ontvangende landen geven de garantie zelf af of betalen zelfs vooruit.

    Transport

    Buiten Zuid-Afrika, waar spoorwegstakingen het transport hebben lamgelegd, biedt het vasteland voldoende infrastructuur om steenkool te vervoeren. Die infrastructuur zal zich alleen maar uitbreiden. Global Energy Monitor, een Amerikaanse ngo, verwacht dat India van plan is zijn kolenterminals meer dan te verdubbelen tot 1400 (momenteel zijn er wereldwijd 6300). De logistiek over zee is beperkter: onder druk van groene aandeelhouders mijden sommige verladers steenkool inmiddels. Maar kleinere transporteurs, vaak Chinezen of Grieken, hebben het stokje overgenomen. Handelaren melden geen problemen bij het verzekeren van de vracht. Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool en gebruikt dezelfde mix van obscure handelaren en scheepvaartmaatschappijen, uit Hongkong of de Golf, die het gebruikt om zijn olie naar Azië te verschepen.

    Financiering van meer graafwerkzaamheden in bestaande mijnen – de tweede schakel in de toeleveringsketen – is ook geen probleem. Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton. Maar helemaal business as usual is het niet. Sinds 2018 hebben veel ‘majors’ in de mijnbouw (gediversifieerde conglomeraten die op openbare markten opereren) hun steenkoolactiva geheel of gedeeltelijk verkocht. Maar in plaats van te worden ontmanteld, zijn afgestoten activa opgepikt door particuliere mijnbouwers, concurrenten in opkomende markten en investeringsfirma’s. Nieuwe eigenaren hebben er geen moeite mee om mijnen volledig te benutten. In 2021 verzelfstandigde Anglo American, een in Londen gevestigde major, zijn Zuid-Afrikaanse mijnen in een nieuw bedrijf dat onmiddellijk beloofde de productie op te voeren.

    Net als handelaren zitten de mijnbouwondernemingen op dit moment goed in de slappe was. De drie grootste ‘pure-play’-steenkoolproducenten van Australië gingen van een nettoschuld van 1 miljard dollar in 2021 naar 6 miljard dollar aan nettocontanten vorig jaar. Ze hebben het grootste deel van hun langlopende leningen afgelost, dus op dat gebied zijn er geen belangrijke deadlines. ‘Tegenwoordig gaat het niet meer om de vraag “Hoe herfinancier ik mijn schuld?” maar om “Wat doe ik met mijn extra geld?”,’ zegt een financieel directeur van een van hen.

    Inconsequent beleid

    Steenkoolmijnbouwondernemingen kunnen nog steeds geld lenen wanneer dat nodig is. Uit gegevens die de ngo Urgewald verzamelde, blijkt dat ze in de periode 2019-2021 in totaal 62 miljard dollar aan bankleningen hebben verkregen. Japanse bedrijven (SMBC, Sumitomo, Mitsubishi) waren de grootste geldschieters, gevolgd door Bank of China en JP Morgan Chase en Citigroup uit de Verenigde Staten. Europese banken stonden ook in de top-15. In deze periode slaagden mijnbouwbedrijven, voornamelijk uit China, er ook in om voor 150 miljard dollar aan obligaties en aandelen te verkopen, waarvoor Chinese banken vaak borg stonden. En de liquiditeit houdt aan. Urgewald heeft berekend dat in 2022 zestig grote banken in totaal 13 miljard dollar naar de dertig grootste steenkoolproducenten ter wereld hebben gesluisd.

    Dit is mogelijk doordat het beleid van financiële ondernemingen dat steenkool uitsluit verre van consequent is. Vaak treedt dat beleid pas in 2025 in werking. In sommige gevallen geldt het alleen voor nieuwe klanten. In andere is financiering van projecten wel verboden, maar geldt dat niet voor algemene bedrijfsleningen die mijnbouwers kunnen gebruiken om naar steenkool te graven. Beleid dat dergelijke leningen beperkt, geldt vaak alleen voor mijnbouwers die veel van hun inkomsten uit steenkool halen, meestal 25 of 50 procent. Veel grote bedrijven, waaronder Glencore, een Zwitserse grondstoffengigant die 110 miljoen ton per jaar produceert, zitten onder deze percentages.

    Sommige beleidsregels zijn bewust vaag geformuleerd om vrijstellingen mogelijk te maken. Hoewel Goldman Sachs heeft beloofd ‘binnen een redelijk tijdsbestek’ te zullen stoppen met het financieren van thermische steenkoolmijnbouwbedrijven zonder diversificatiestrategie, schijnt de bank leningen te blijven verstrekken aan Peabody, een gigantisch Australisch mijnbouwbedrijf dat vorig jaar 78 procent van zijn inkomsten betrok uit de verkoop van steenkool (wellicht hielp het dat het bedrijf onlangs een bescheiden dochteronderneming op het gebied van zonne-energie heeft opgericht). Van de 426 grote banken, investeerders en verzekeraars die werden beoordeeld door Reclaim Finance, een andere ngo, kan van slechts 26 worden vastgesteld dat ze een beleid voeren dat overeenstemt met een nettonulscenario in 2050. Nog minder van die bedrijven hebben gezegd steenkool volledig te zullen afzweren. De meeste Chinese en Indiase staatsbanken hullen zich op dat gebied in stilzwijgen.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels

    Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden. Volgens analisten helpt dit de bestaande mijnen om tot begin 2030 aan de vraag te voldoen. Pas dan kan er sprake zijn van een crisis in de steenkoolsector. Westerse banken, die hun beleid vaak om de zoveel tijd evalueren, zullen de duimschroeven langzaam maar zeker aandraaien. Het huidige gebrek aan nieuwe projecten – de derde schakel in de keten – betekent dat er mogelijk niet genoeg nieuwe voorraad is wanneer oude mijnen stoppen met produceren.

    Hoewel het steeds moeilijker is om nieuwe projecten gefinancierd te krijgen, is er nog altijd geld beschikbaar. Westerse banken trekken zich terug, maar andere spelers dringen zich op de voorgrond. Westerse mijnbouwers zijn al jaren zuinig met kapitaalinvesteringen. Nadat ze in het eerste decennium van deze eeuw een hoop hadden uitgegeven, leden velen onder de prijsdalingen halverwege de jaren tien. En al boeken ze nu weer flinke winsten, dan nog kopen de grote jongens liever concurrenten op, heropenen ze oude mijnen of geven ze kapitaal terug aan aandeelhouders dan dat ze nieuwe ondernemingen in het leven roepen. Het investeringsklimaat is het schraalst in de steenkoolsector. Een mijn vanaf de grond opbouwen kan meer dan tien jaar duren. En ook het verkrijgen van vergunningen, die in het Westen steeds vaker worden geweigerd, is een uiterst tijdrovende zaak.

    Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels. Vorig jaar moest Adani Group, een Indiaas bedrijf dat het beheer voert over Carmichael, een enorme kolenmijn in aanbouw in Queensland, uit eigen zak 500 miljoen dollar aan obligaties herfinancieren die het voor het project had uitgegeven. Sommige opportunistische fondsen zullen blijven mikken op sappige winsten, vooral in geval van prijsstijgingen. De eerste diepe steenkoolmijn die in decennia in Groot-Brittannië is gegraven, is uiteindelijk eigendom van EMR Capital, een investeringsfirma die is opgericht op de Kaaimaneilanden. Peter Ryan van Goba Capital, een soortgelijk bedrijf in Miami, verwacht dat de kolenactiva van zijn bedrijf tegen 2030 verachtvoudigd zullen zijn.

    Hardnekkige grondstof

    In Azië is de situatie anders. Banken blijven behulpzaam. Beleggers zijn begonnen nieuwe mijnen in eigen land te steunen. Familiefondsen, die zijn opgericht om het fortuin van de rijken te beleggen, zijn geïnteresseerd. Elke zakelijke dynastie in Indonesië, waar mijnbouw de ruggegraat van de economie vormt, moet steenkool bezitten, zegt een handelaar. In India doen obscure vastgoedfirma’s biedingen op land waar steenkool valt te winnen. Uiteindelijk zouden bedrijven uit deze landen mijnen kunnen aanleggen in het buitenland, gevolgd door banken, maar Chinese uitstapjes in het Westen zullen zeldzaam blijven; Indiase en Indonesische bedrijven, die al een samenstel van steenkoolactiva in Australië bezitten, zullen hun voetafdruk echter ongetwijfeld vergroten.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren

    En dus zal de steenkolenmarkt er in de jaren dertig heel anders uitzien. ‘Van eigendom en exploitatie tot financiering en consumptie: steenkool wordt een grondstof voor opkomende markten,’ zegt een mijnbouwondernemer. De prijzen blijven hoog door aanvoerbeperkingen, maar de groep exporteurs die hieraan goud geld verdient, zal krimpen. Colombia en Zuid-Afrika, die Europa bedienen, verliezen hun afzetmarkt. Rusland zal het moeilijker krijgen om naar China te verschepen. Alle drie zullen ze minder steenkool exporteren voor minder geld. Australië zal critici sussen door zich te concentreren op de efficiëntste steenkool; dan kan het land minder exporteren maar hogere prijzen berekenen. Indonesië zou de toonaangevende exporteur kunnen worden, zoals Saoedi-Arabië dat nu is voor olie. Het zal meer van zijn basissteenkool verkopen, vaak voor meer geld.

    Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren. Rond de jaren veertig kan de vraag voorgoed uitdoven, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen. Maar zelfs dan houden sommige landen hun opties open. Stel dat er nog eens een energiecrisis komt. ‘Dan zal steenkool, die grondstof die niemand wil, de grondstof zijn die we wel weer moeten gebruiken,’ zegt een grote handelaar die Azië bedient. ‘Dat zou weleens een eeuwigdurend kenmerk van steenkool kunnen zijn.’

    Lees ook:

  • Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Ze hebben het over duurzaamheid én dromen van privéjets. Er is geen klantengroep die ondernemingen meer hoofdbrekens bezorgt dan Generatie Z. Waar geven jongeren hun geld aan uit? En hoe kun je ze bereiken zonder dat ze het cringe vinden?

    Als Sally Özcan, een influencer van 34 jaar, uitlegt hoe haar wereld eruitziet, komen zelfs keukenbedrijven als Miele, Vitra en Bosch naar haar luisteren. Ook managers van andere traditionele bedrijven zijn naar München gekomen om iets van haar op te steken. Het gaat erom hip en aantrekkelijk te worden voor een jonge doelgroep, wier wensen niet meer worden begrepen. Ze heeft een hand-out meegenomen, een to-do-list voor de nieuwe tijd. Het allerbelangrijkste is volgens haar de app die je gebruikt. 

    Facebook? De mensen daar zijn ‘oud en koopkrachtig’ en die zijn het gemakkelijkst te bereiken met nostalgie, met slogans in de trant van ‘Vroeger was alles beter’. Generatie Z moet je elders zoeken, vertelt Özcan. Op feelgoodsite Pinterest bijvoorbeeld (‘veel geld, veel vraag’) of op TikTok (‘laag inkomen, korte aandachtsspanne’). Om de heel jonge consumenten te bereiken moet de bedrijfstak in elk geval zijn oude reclamespotjes overboord gooien. Wat voor hen telt, is geloofwaardigheid. ‘Dat is wat Generatie Z zoekt. Ze willen geen reclame, ze willen transparantie.’

    Geloofwaardigheid

    Via haar website Sallys Welt (shop, blogs, filmpjes) bereikt Özcan miljoenen kijkers. Op YouTube bakt ze Schwarzwälder Kirschtorte, op TikTok legt ze uit hoe een spuitzak werkt, op Facebook post ze foto’s van haar boekhouding. Ook al hoort ze daar zelf niet bij, voor Generatie Z – de mensen die geboren zijn tussen 1995 en 2010 – is Özcan een ster. Zij weet hoe je de ‘zoomers’ moet aanspreken.

    ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid’

    Om de maand maakt ze een ‘grote keukeninrichtingsvideo’ voor het dure merk Nobilia. Ze werkt samen met KitchenAid en Bosch, waarvan ze producten gebruikt om taarten en quiches te bakken. Sallycon Valley, dat ze samen met haar man runt in Waghäusel in Baden, heeft een miljoenenomzet en bijna honderdvijftig werknemers. Haar simpele formule: ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid,’ zegt Özcan. En dat mag wat kosten.

    Inmiddels proberen bijna alle ondernemingen de jonge klanten aan zich te binden, maar de manier waarop ze dat doen komt vaak nogal hulpeloos over. Meubelfabrikant XXXLutz gebruikt jongerentaal in zijn reclamespots. Deutsche Telekom probeert met behulp van een jonge vrouwelijke rapper van zijn dure imago af te komen. Ryanair gooit het over een andere boeg en steekt op de sociale netwerken de draak met ontevreden klanten.

    Generatie Z is op de consumentenmarkt inmiddels de grootste machtsfactor. Over een paar jaar zal ze de millennials als grootste kopersgroep voorbijstreven. Business Insider schat haar koopkracht in de VS nu al op 360 miljard dollar. Jonge mensen kopen meer nieuwe kleding en elektronica dan voor de pandemie en zetten trends die hun leeftijdsgroep overstijgen: recession core, bijvoorbeeld, minimalistische beige mode voor een leven in crisistijd. Met traditionele middelen zijn ze intussen nauwelijks nog te bereiken. Meer dan een derde van de Duitse Generatie Z kijkt geen tv en verdeelt reclamespotjes in twee categorieën: belachelijk of irritant.

    Is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe, oftewel totaal gênant wordt?

    Het grootste probleem voor ondernemers is dat de vertegenwoordigers van deze generatie zo tegenstrijdig lijken. Volgens een enquête vindt bijna twee derde van hen het belangrijk zijn winkelwagen te vullen met duurzame producten. Tegelijkertijd zijn veel van de populairste producten heel schadelijk voor het milieu. Wegwerp-e-sigaretten van ELFBAR: van plastic. Fast fashion van Shein: uit China. Bontgekleurde fidget toys met plopeffect: gekocht uit verveling. Wat wil deze generatie nou echt? Hoe kunnen bedrijven zo’n ambivalente leeftijdsgroep bereiken? En is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe wordt, dat wil zeggen: zonder het risico te lopen dat het totaal gênant wordt?

    Volgens Mathias Horsch wel. Hij is 28 – Patagoniahemd, Birkenstocks, Apple Watch – en start-up-ondernemer. Met zijn vrienden Fredi en Philipp heeft hij een paar jaar geleden Holy opgericht. In het begin maakten ze gaming boosters: energydrinks in poedervorm die de prestaties bij videogames moeten verbeteren. Highscores door cafeïne, een absolute hit bij jonge gamers. Tegenwoordig is het bedrijf in Berlijn gespecialiseerd in softdrinks in poedervorm. Horsch ziet Red Bull en Coca-Cola als zijn belangrijkste concurrenten, hij krijgt er per maand 15.000 nieuwe klanten bij. Dat kan alleen als je concessies doet.

    ‘Onze producten zijn suikervrij, maar er zit natuurlijk wel een zoetstof in omdat ze anders niet smaken,’ zegt hij; veel klanten vinden dat ongemakkelijk. De kakelbonte Holy-verpakking moet duurzaam zijn, maar er moet wel een plastic deksel op omdat het poeder anders hard wordt. Horsch zucht en bestelt een curryworst – van vlees, maar met vegan mayo.

    Concessies

    Het zijn concessies die vermoedelijk elk jong bedrijf moet doen. Maar Holy heeft ze in zijn eigen voordeel leren gebruiken. Zijn concept: radicale nabijheid. Horsch en zijn medeoprichters leggen op Instagram continu uit wat ze doen, ze rijden met een omgebouwde frietkar door het hele land en laten leden van de Holy Squad, zoals de hardcore-klanten zich noemen, stemmen over toekomstige varianten. ‘Er is zo veel oninteressant spul op de markt,’ zegt Horsch. Als je jongeren wilt bereiken, moet je eerlijk zijn. ‘Dan zijn ze ook authentiek gehypet.’

    Traditionelere producenten hebben het daar moeilijk mee. Thomas Wlazik leidt het marketingteam van TikTok voor de Duitstalige markt. Hij moet bedrijven telkens weer leren op hun apps geen klassieke tv-spots te gebruiken. Dat zou gewoon te gênant zijn.

    ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging’

    Als voorbeeld van een bedrijf dat de boodschap heeft begrepen, noemt hij Deutsche Bahn. ‘Hun posts zitten vol zelfspot en laten gewoon de werkelijkheid zien,’ zegt hij. In de eerste video van DB is een aankondiging te horen: ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging.’

    Merken die bij Generatie Z scoren, zijn vooral de merken die zich door een persoon laten presenteren. Meer dan de helft van de jongvolwassenen vindt influencers geloofwaardiger dan klassieke reclamespotjes.

    Zelfs het blauwe mosterdpotje van Bautz’ner wordt nu op de markt gezet via content creators die in de camera grijnzen terwijl ze mosterd naar binnen lepelen. Het doel is de mosterd neer te zetten als de ‘zelfironische love brand van Gen Z’, schrijft reclamebureau WeCreate, zonder ‘de vaste klanten (met name in Oost-Duitsland) van zich te vervreemden’.

    ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon’

    Wanneer je als merk niet heel vroeg in iemands leven aanwezig bent, ben je gewoon nooit aanwezig, zegt Yaël Meier: ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon.’ Meier weet waar ze het over heeft: grote concerns bellen haar als ze in verband met Generatie Z weer eens met de handen in het haar zitten. De 22-jarige Zwitserse is een soort exegeet voor gearriveerde marketingafdelingen; samen met haar levenspartner runt ze het managementadviesbureau Zeam in Zürich; ‘team’, maar dan met een z.

    Als ze met bedrijven praat, moet ze vaak vooroordelen uit de weg ruimen, zegt Meier terwijl ze van haar matchathee nipt. Bijvoorbeeld dat jonge mensen nauwelijks geld hebben om uit te geven. ‘Dat klopt niet,’ zegt ze. ‘Jongeren hebben geen vermogen, maar wel geld. En dat geven ze graag uit, liefst aan luxe zaken.’ Aan Rolexhorloges, kleren van Yves Saint Laurent of een peperdure haardroger van Dyson. Ook BMW, zegt Meier, is ongelooflijk populair bij Gen Z, ‘omdat het merk erin is geslaagd aansluiting te vinden bij de digitale wereld’. Het automerk uit München zet inmiddels inderdaad zijn logo op gamestoelen en computermuizen. Een sportwagen past nu eenmaal niet in de kinderkamer.

    First class

    Ook luxe reizen zijn bij Generatie Z ongelooflijk in opkomst, beweert Meier. ‘In mijn Instabubbel is het tegenwoordig absoluut trendy om business of first class te vliegen.’ Bedrijven als Solutions Holding, dat wereldwijd meer dan vijftig hotels exploiteert of beheert, profiteren daarvan. Ronja Gerhard (37), erfgename van het bedrijf, ontwikkelde een half virtuele, half analoge avonturenreis voor jonge vrouwelijke vakantiegangers: Sisters of Paradise.

    De kern ervan is een soort speurtocht met websitebegeleiding, waarbij je een bende meisjes helpt die op zoek gaan naar hun verdwenen broer. Op elke vakantielocatie van Gerhard wordt een nieuw hoofdstuk van de participatieroman geactiveerd. Een trip die het midden houdt tussen rollenspel en voorleesboek. Juist jonge mensen, zegt Ronja Gerhard, willen geen doorsneehotels, maar een story.

    ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z’

    Zulke trends zorgen bij veel bedrijven voor verwarring. Was het niet deze generatie die niet van straat weg te krijgen was omdat ze opkwam voor het klimaat? Hadden ze het niet zojuist nog over vliegschaamte?

    Marc Herz (41), marktonderzoeker en partner bij het strategiebureau K’UP in Berlijn, heeft begrip voor deze ambivalentie: ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z.’ Over elkaar heen buitelende crises zijn deel van het dagelijks leven van deze leeftijdsgroep, die is opgegroeid met corona, de klimaatcrisis en de Russische oorlog tegen Oekraïne. En die nu ook weleens wat anders wil. Bij een deel constateert Herz een ‘vlucht naar schoonheid’, die af en toe doorslaat naar verspilling.

    Uit onderzoek blijkt dat 20 procent van de jongeren tussen 14 en 29 jaar schulden heeft.

    Herz ziet dat deze generatie in een zingevingscrisis zit. Jongeren zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en zouden vaak ook meer aan biologische producten willen uitgeven. En dan moeten ze voor zichzelf verantwoorden dat ze geen weerstand kunnen bieden aan snelle modetrends. ‘Dan zeggen ze dat iedereen het immers doet en dat je toch niets goed kunt doen,’ zegt Herz. Een kwart van de 18- tot 25-jarigen vindt het in eerste instantie een taak van de overheid om milieuproblemen aan te pakken, slechts 13 procent geeft zichzelf de schuld. Chinese webwinkels als AliExpress en Temu, razend populair bij Generatie Z, passen in dit beeld: hier speelt een schoon geweten dan even geen rol.

    Jongere consumenten die het anders willen doen, zie je op zaterdagochtend in Kulturkirche Altona in Hamburg. Start-up Vinokilo verkoopt er vintage kleren; de rekken hangen vol geruite overhemden, spijkerrokjes en bloemetjesjurken. De clou is dat je hier per kilo betaalt, de prijzen liggen tussen de 40 en 55 euro. Zo’n honderd jongvolwassenen verdringen zich tussen de rijen. Sehraa (20) stopt kleren in een fruitkrat die op een weegschaal staat. ‘Vijf kilo?’ zegt ze lachend en ongelovig. Ze duwt haar metgezel twee jassen in handen en weegt alle items nog eens, een voor een. Ze heeft al zo veel kleren, zegt ze. Ze koopt ze toch.

    Achter Vinokilo zit ondernemer Robin Balser (33), die al als student een soort kledingruilbeurs runde. Sinds 2017 verkoopt hij beroepsmatig tweedehands spullen en heeft hij het oude idee van verkoop per kilo voor een nieuwe generatie aantrekkelijk gemaakt. Sehraa en andere klanten hebben het evenement ontdekt op Instagram. ‘Don’t let fashion rule you,’ schrijft Vinokilo daar. Dat past bij hun levensstijl: wie vintage koopt, draagt zowel individualiteit als duurzaamheid uit.

    De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’

    In de ogen van de kopers, zegt Robin Balser, is tweedehands kleding van een soort vodden veranderd in een premium product. De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’. Zo’n driekwart van Generatie Z zegt wel eens tweedehands kleding te hebben gekocht. De koopzucht wordt in elk geval niet minder, ze verandert alleen. Neem Henri, negentien jaar, die met zijn vingers snel door de mannenoverhemden gaat. Minder consumeren is belangrijk voor hem, zegt hij. ‘Maar nog belangrijker is hoe dingen eruitzien.’

    Het lijkt alsof deze generatie klem zit tussen twee uitersten: fast fashion en slow vintage, verspilling en duurzaamheid. Maar er is een derde weg en ook die is allang een trend geworden. Met deinfluencing willen jonge mensen corrigeren wat influencers hebben aangericht. Ze gaan voor een camera zitten, laten allerlei producten van Amazon of Chinese webwinkels zien en zeggen wat niemand anders zegt: ‘Dit heb je helemaal niet nodig.’

  • Noord-Californië blijft groen dankzij gezuiverd afvalwater

    Noord-Californië blijft groen dankzij gezuiverd afvalwater

    Jaarlijks wordt in het Californische Healdsburg 1,3 miljoen kubieke meter rioolwater voor hergebruik gezuiverd en vervolgens gratis verdeeld onder de gebruikers. Essentieel in een regio die kampt met droogte en watertekorten.

    Onder een schaduwrijke boom vol granaatappels wijst Brad Simmons vol trots op de boomgaard in zijn achtertuin. Het is eind 2022 in Healdsburg en deze gepensioneerde metaalbewerker, die al zevenenvijftig jaar in dit Californische plaatsje woont, heeft op het kleine lapje grond bij zijn bungalow niet alleen appel-, kersen- en perzikbomen, maar ook nog een perenboom, twee citroenbomen en een honderd jaar oude olijfboom staan. Die kleine boomgaard heeft natuurlijk veel water nodig, en dat wordt ieder jaar schaarser in deze staat, die ondanks de hevige regenval van rond de jaarwisseling nog steeds met historisch grote droogtes kampt. Toch hebben Simmons en veel van de andere twaalfduizend inwoners van dit wijnmakersstadje ten noorden van San Francisco alles er groen bij staan, terwijl het waterverbruik in de gemeente sinds 2020 gehalveerd is.

    Healdsburg beschikt namelijk over een bijzondere troef als het gaat om de bevloeiing van tuinen, bomen en wijngaarden: gratis, niet drinkbaar water afkomstig uit een speciale zuiveringsinstallatie voor de recycling van afvalwater. Volgens de gemeente recyclet die installatie elk jaar ruim een miljard liter rioolwater, iets meer dan de helft van het jaarlijkse waterverbruik. Dat gerecyclede water kan gebruikt worden voor irrigatie, in de bouw en bij andere toepassingen die geen drinkwaterkwaliteit vereisen. Dat verlicht de druk op de reservoirs en waterputten in de regio, stimuleert een grote groep gebruikers om bewuster met water om te gaan en verlaagt de hoeveelheid afvalwater die in de Russian River wordt geloosd.

    Reservoirs

    ‘Ik maak me voortdurend zorgen over watertekort,’ zegt Simmons, terwijl hij een tuinslang over het uitgedroogde gras van zijn tuin naar een enorme vierkante tank met duizend liter gerecycled water sleept. Die reservoirs ter grootte van een wasdroger zie je hier overal in de gemeente staan. ‘Dit is dus echt een uitkomst.’

    Momenteel wordt in Californië een kleine 900 miljoen kubieke meter water voor hergebruik gezuiverd, ofwel 18 procent van de totale jaarlijks hoeveelheid afvalwater. Maar de staat heeft hogere ambities voor zijn waterzekerheid: de nieuwe doelstelling is bijna een verdriedubbeling, tot 2,5 miljard kubieke meter in 2030. Dankzij initiatieven zoals het Clean Water State Revolving Fund van de Californische waterautoriteit en steun van de federale overheid, waaronder een subsidieprogramma van 750 miljoen dollar, staan er verschillende grote projecten op stapel. Zo wil Orange County de capaciteit vergroten van zijn zuiveringsinstallatie voor drinkwater, die nu al de grootste ter wereld is, om straks zo’n vijfhonderd miljoen liter rioolwater per dag te kunnen recyclen. Het Metropolitan Water District of Southern California wil voor 3,4 miljard dollar een nieuwe recycle-installatie bouwen die voor 19 miljoen gebruikers in de regio Los Angeles een duurzame bron van drinkwater moet worden.

    Alles staat er groen bij, terwijl het waterverbruik sinds 2020 gehalveerd is

    Maar voor gemeentes met minder inwoners of minder middelen kan een bescheiden aanpak net zo effectief zijn, zegt waterdeskundige Anne Thebo van het Pacific Institute in Oakland, een non-profit onderzoeksinstituut voor waterbescherming. ‘De lokale context kan gemeentes veel flexibiliteit bieden bij het opstellen van plannen voor hergebruik van water,’ meent zij. Landbouwgemeentes zijn daarbij in het voordeel, omdat water voor irrigatie vaak niet drinkbaar hoeft te zijn.

    Irrigatie

    Elke gemeente heeft keuzemogelijkheden bij de zuivering van rioolwater voor hergebruik, want ook water voor de irrigatie van bosbouw of gazons hoeft niet zo schoon te zijn als water dat gebruikt wordt voor de bevloeiing van gewassen als luzerne (alfalfa) of voedsel dat rauw gegeten wordt, zoals sla en aardbeien. Een goed plan voor hergebruik van water dat is toegesneden op de specifieke behoeften van een gemeente kan de waterportefeuille van een regio veelzijdiger maken en helpen voldoen aan de vraag. 

    Hergebruik was niet de eerste prioriteit van Healdsburg toen het in 2008 zijn waterzuiveringsinstallatie moderniseerde. De gemeente moest voldoen aan de milieuvoorschriften voor lozing in de Russian River, waaronder een strengere norm voor de aanwezigheid van voedingsstoffen en ziekteverwekkers. Voor 29,3 miljoen dollar werden membraanfilters en UV-licht voor het verwijderen van ziekteverwekkers toegevoegd aan een zuiveringsproces dat al filtratie en bacteriële zuivering omvatte. Met die extra maatregelen wordt het rioolwater nu bijna tot drinkwaterkwaliteit gezuiverd, zodat het schoon genoeg is voor lozing in het bijna vierduizend vierkante kilometer grote stroomgebied.

    Gratis maar niet drinkbaar

    Maar zelfs van zulk schoon water staan de regionale waterschappen lozing alleen toe in de periode van oktober tot half mei, als het waterpeil in de rivieren verhoogd is door de regenval en de kans op schadelijke gevolgen dus nog kleiner. In de resterende maanden van het jaar ‘moeten we zelf maar zien wat we ermee doen’, zegt Patrick Fuss, hoofd water- en afvalwaterbeheer van de gemeente. Dat werd de grote uitdaging en uiteindelijk ook de grote triomf van het waterbeleid van zijn stad: genoeg vraag creëren voor dat aanbod.

    In Californië is gebruik van gezuiverd afvalwater in de landbouw toegestaan, maar alleen met een vergunning die precies vastlegt waarvoor het wordt gebruikt, vooral om de veiligheid van het grond- en drinkwater te garanderen. De oorspronkelijke vergunning van Healdsburg bood ruimte voor zowel de irrigatie van wijngaarden als gebruik in huishoudens, tuinen en industrie. Toch was het jarenlang lastig om genoeg afnemers voor het gerecyclede water te vinden, aldus Fuss. Het is weliswaar gratis, maar niet drinkbaar en vergt daarom de aanleg van aparte leidingen, wat een kostbare grap kan zijn. Verder maakten sommigen zich nodeloos zorgen over de aantasting van hun kostbare druiven door mogelijke resten nitraat, mineralen en andere chemische stoffen. Daarom werd gerecycled water nog een tijdlang in de rivier geloosd. Tot de gemeente zich drie jaar geleden door de toenemende droogte genoopt zag de lozingsvoorschriften strikt te gaan handhaven. Met de nieuwe veelsporenaanpak wordt de hoeveelheid geloosd afvalwater verlaagd door betere waterbesparing, en wordt tegelijkertijd de vraag naar gerecycled water verhoogd.

    ‘De gebruikers zorgen wel dat wij geen loopje nemen met de voorschriften’

    Fuss heeft daarvoor mede de basis gelegd door actief bij de wijnboeren langs te gaan en deelnemers te werven voor de verlenging van de waterleiding om het hergebruikte water bij hen te krijgen. Verder heeft de gemeente de bouwsector verplicht tot het gebruik van gerecycled water, dat afgehaald kan worden bij twee vulstations. En toen vorig jaar overal in Californië het watergebruik aan banden werd gelegd, is Healdsburg juist begonnen met de levering van bijna tweeduizend liter gratis water per huishouden per jaar voor alle afnemers.

    GettyImages 1089435092

    Om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen is het volgens Fuss van cruciaal belang dat er een breed scala van gebruikers is. ‘We weten dat we bij droogte aan de regels kunnen voldoen, want de toestroom, de hoeveelheid afvalwater die we moeten zuiveren, is dan kleiner omdat mensen zuiniger met water omgaan, terwijl de vraag naar gezuiverd water juist groter is,’ zegt hij. In een jaar met veel of normale regenval is de situatie omgekeerd en zou het systeem snel overstromen als er niet voldoende tappunten waren.

    Beheer van de kwaliteit van geloosd afvalwater is een belangrijke drijfveer voor projecten voor hergebruik van water in Californië, zegt Thebo. En de gemene deler van geslaagde projecten lijkt het combineren van verschillende voordelen te zijn. ‘Dat is het hart van de samenwerking tussen gemeentes, telers, milieugroeperingen en de talrijke andere belanghebbenden. En dat is ook hoe je politici en de bewoners erbij betrekt.’

    Populair

    In Healdsburg lijkt het met die maatschappelijke betrokkenheid wel goed te zitten. Het programma van gratis aan huis bezorgd water is zelfs aan zijn eigen populariteit ten onder gegaan, doordat er op het hoogtepunt meer dan een kwart van de huishoudens gebruik van maakte. ‘Het was [financieel] onhoudbaar op de lange termijn,’ zegt gemeentelijk waterinspecteur Rob Scates, ‘maar het was goed voor de bekendheid.’ Bij de vulstations is het water nog steeds gratis verkrijgbaar en verschillende particuliere bedrijven bezorgen het voor een klein bedrag aan huis. (Simmons zegt dat hij eens in de twee weken veertig dollar betaalt voor een levering.)

    Maar de gemeente neemt geen risico. Om van afname verzekerd te blijven mag het water sinds kort ook gebruikt worden voor de irrigatie van weiden, commerciële boomgaarden en slachtvee. En er zijn plannen om, met dank aan een staatssubsidie van zeven miljoen dollar, het leidingnet (met paarse leidingen om aan te geven dat het geen drinkwater is) uit te breiden tot in de bebouwde kom, voor de bewatering van het stadsgroen. ‘Het raakt bekend dat de waterkwaliteit goed is en dat het een behoorlijk betrouwbaar systeem is,’ zegt Scates. De gebruikers ‘zijn er nu echt aan gehecht geraakt. Die zorgen wel dat wij geen loopje nemen met de voorschriften.’

    Dennis De La Montanya, eigenaar van De La Montanya Vineyards en een van de gebruikers van het eerste uur, is daar niet bang voor. Hij bevloeit de druiven waarmee hij zijn bekroonde pinot noir en chardonnay maakt al jaren met water uit de paarse leidingen. ‘Het heeft enorm bijgedragen aan de beschikbaarheid van water. En het belast het grondwater en de openbare watervoorziening niet,’ zegt hij. ‘Het is echt win-win.’ Dat tastbare resultaat demonstreert de waarde van de recycling van water, zegt Thebo: ‘Waterschaarste lijkt soms onoverkomelijke problemen op te leveren. Maar als mensen oplossingen zien waarvan ze de gevolgen in hun eigen leven ondervinden, wordt dat volgens mij een bron van collectieve trots.’

    Lees ook:

  • Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Voor de groene transitie waar Europa op inzet zijn veel metalen nodig. Het kleine Estland loopt voorop in het duurzaam recyclen van microchips en zet de eerste stap in de richting van een gezamenlijke Europese toeleveringsketen van essentiële grondstoffen.

    ‘Stelt u zich een goudmijn voor waarin elke ton erts een kilo goud bevat,’ zegt Priit Joers. ‘Elk mijnbouwbedrijf zou staan te popelen.’ Hij overdrijft niet: specialisten beschouwen een groeve met 10 gram goud per ton al als een schatkist. Dan moet een kilo echt een klapper zijn. Joers draagt in een kleine emmer een minuscuul deel uit zo’n wonderlijke mijn met zich mee, wanneer hij in Tartu, de tweede stad van Estland, zijn gast ontvangt. Het is restafval van elektrische apparaten in de vorm van elektrische circuits, die eerst door de shredder zijn gegaan en daarna tot een fijn poeder zijn vermalen.

    Overigens is Joers geen mijnbouwkundig ingenieur, maar moleculair bioloog, en werkt hij niet in een groeve, maar in een laboratorium. Wel houdt hij zich bezig met het winnen van goud en andere edelmetalen, want zijn expertise ligt bij het zogenoemde microbiële uitlogen van erts (bioleaching). Bij dit proces wordt het metaal niet, zoals momenteel de gangbare methode is, met behulp van agressieve oplosmiddelen uit erts geïsoleerd. In plaats daarvan laat men micro-organismen het werk doen. Joers en zijn team willen onderzoeken welke bacteriën dat voor welke delfstof het best en het snelst kunnen.

    Op een paar vragen hebben ze al antwoorden gevonden, maar Joers is erop bedacht die voor zich te houden. ‘We zijn in afwachting van een besluit over de octrooiaanvraag voor onze procedure, daarom kan ik niets concreets verklappen,’ zegt hij. Met ‘we’ bedoelt hij het bedrijf Biotatec, waar hij als wetenschappelijk directeur aan verbonden is.

    Grote ambities

    De start-up staat de laatste tijd in het centrum van de belangstelling. Prestigieuze instituties, zoals de Innovatieraad van de Europese Unie en de Estse rijksdienst voor het ondersteunen van nieuwe technologische ontwikkelingen, hebben al ettelijke miljoenen euro’s financiering toegezegd. Verder heeft PricewaterhouseCoopers Biotatec op de lijst van de belangrijkste bedrijven op het gebied van veelbelovende milieutechnologie in de regio Centraal- en Oost-Europa geplaatst.

    Het jonge bedrijf koestert grote ambities: het wil binnen vijf jaar op internationaal niveau een leidende rol spelen binnen de microbiële uitloging, een sector die weliswaar niet nieuw is, maar decennialang een bestaan als muurbloempje heeft geleid.

    Europa zet nu op ambitieuze wijze in op de groene transitie: windmolens, zonnepanelen, een waterstofeconomie, elektrische auto’s. Daar zijn hopen metaal voor nodig, onder meer edelmetalen en zeldzame aardmetalen.

    Hiervoor beschikt Europa echter nog niet over een waardeketen (een eigen keten van grondstoffen tot eindproduct), waardoor het continent afhankelijk is van autoritaire regimes zoals China of Rusland. Wat zeldzame aardmetalen betreft is China momenteel bijvoorbeeld goed voor ongeveer twee derde van de winning van ertsen en ongeveer 85 procent van de verwerkte eindproducten – je kunt dus vooralsnog niet om Beijing heen. De coronacrisis en de Russische invasie in Oekraïne hebben echter laten zien hoe snel er problemen kunnen ontstaan in wereldwijde toeleveringsketens.

    Oftewel: als Europa zijn groene transitie veilig wil stellen, moet het meer zelf gaan produceren in een sector die vaak op gespannen voet staat met het milieubeleid en waarvoor de benodigde installaties dus niet altijd steun vinden bij de bevolking. De technologie van microbiële uitloging biedt oplossingen voor deze problemen.

    Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie

    Een eerste uitweg ligt in het beter hergebruiken van elektronisch en elektrisch restafval (ook wel e-afval genoemd). Daar kun je niet alleen goud uit halen, maar ook zilver, palladium of platina – dat laatste wordt gezien als het sleutelelement voor een efficiënte waterstofproductie. Van het e-afval waar we reeds over beschikken wordt momenteel slechts ongeveer een vijfde benut, zegt Joers. Dat komt doordat de bestaande methodes voor recycling te traag en te duur zijn. Met optimale microbiële uitloging zou dit proces daarentegen zelfs al op kleine schaal winstgevend zijn, om nog maar te zwijgen over industriële schaal.

    Tegelijkertijd is e-afval niet het enige afval dat Biotatec op het oog heeft. Ook fosforgips en zogenoemde rode modder zijn interessant. Beide zijn industriële restproducten uit de kunstmest- en aluminiumproductie. Alleen in Europa liggen er al miljoenen tonnen van op afvalbergen. Omdat ze giftige en radioactieve materialen bevatten, worden ze nauwelijks hergebruikt, hoewel ze van alles te bieden hebben – onder meer zeldzame aardmetalen. ‘Wat op deze afvalhopen ligt,’ zegt Joers, ‘zou Europa voor de komende decennia onafhankelijk van import kunnen maken.’

    Maar waarom zijn dan niet allang overal in Europa bacteriën aan het werk gezet om de begeerde stoffen uit het industriële afval en e-afval te halen, of zelfs uit ertsvindplaatsen met lage concentraties metaal, waar exploitatie tot nu toe niet loonde? Die vraag dringt zich temeer op omdat de technologie achter microbieel uitlogen welbekend is en in bepaalde gevallen ook al op industriële schaal toegepast wordt.

    Het probleem is dat deze technologie vergeleken met de traditionele aanpak voor uitloging van erts tot dusver te traag en te duur was. Mijnbouwbedrijven zagen daarom geen reden om van hun beproefde methodes over te stappen op een andere technologie of te investeren in nieuwe productielijnen.

    Autarkie

    Maar die redenering begint te rammelen. Om te beginnen hebben de laatste paar jaar bewezen hoe rap het raderwerk van de wereldeconomie tot stilstand kan komen. Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de vraag naar strategische grondstoffen die nodig zijn voor de ‘groene transitie’ zienderogen zal toenemen en de prijzen zal opdrijven, zolang het aanbod de vraag niet kan bijbenen.

    En als Europa bovendien een bepaalde mate van autarkie wil bereiken in de waardeketen, zullen ook milieuvraagstukken een rol gaan spelen. Vergeleken met de klassieke uitlogingsmethodes heeft microbieel uitlogen wat dit betreft evidente voordelen. Ook op het gebied van de snelheid werden in het laboratorium van Biotatec al aanzienlijke vorderingen gemaakt.

    Wist Sirli Sipp Kulli dat dit in het verschiet lag, toen ze ruim tien jaar geleden besloot de traditionele mijnbouw in Estland achter zich te laten en een start-up op te richten die deze weg zou inslaan? ‘Het was intuïtie,’ zegt de gepromoveerde scheikundige van midden veertig, ‘op een of andere manier wist ik gewoon dat dit groots kon worden.’ Vooralsnog moet de laatste stap – toepassing op industriële schaal – nog gezet worden. Maar met de nieuwste generatie bioreactoren staat Biotatec op het punt ook deze horde te nemen en kan het bedrijf aantonen dat hun methode binnen de sector een serieuze concurrent zal worden.

    Daarvoor zou een potentiële industriepartner zowat om de hoek liggen. In het oosten van Estland staat namelijk de enige fabriek van Europa (en tegelijkertijd een van de weinige buiten China) voor het op grote schaal isoleren van zeldzame aardmetalen.

    De Estse Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld

    Het complex is gebouwd in de periode van de Sovjet-Unie. Die had in de provinciestad Sillamäe een uiterst geheime fabriek voor de vervaardiging van uraniumconcentraat in bedrijf. Later werden daar ook zeldzame aardmetalen gezuiverd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd de Estse fabriek aanvankelijk als staatsbedrijf onder de naam Silmet voortgezet en vervolgens geprivatiseerd.

    Tegenwoordig is Silmet in het bezit van een Canadees concern, dat zowel in China als daarbuiten materialen produceert die in toenemende mate voor de nieuwe milieutechnologieën worden gebruikt. De Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld en bedient daarmee een klantenbestand dat al net zo internationaal is.

    Daarnaast speelt de wens Estland als investeringsland op te waarderen. In Narva, niet ver van Sillamäe, wil het moederconcern 80 miljoen euro investeren in een fabriek voor de productie en het recyclen van sterke magneten, die in elektrische auto’s en windmolens gebruikt worden. De Estse regering gooit nog zo’n twintig miljoen euro tegen het project aan via het Just Transition Fund van de EU, een financieringsinstrument voor de economische diversificatie van zwakkere regio’s en de bevordering van milieuvriendelijke technologieën.

    Voor de Ida-Viru-regio, die al jaren door industriële teloorgang wordt bedreigd, betekent dat ongeveer duizend nieuwe en zeer gewenste banen. Potentieel worden dat er zelfs nog meer, want een toekomstige uitbreiding van de magnetenfabriek wordt al uitgetekend. Volgens Kristian Järvan, de Estse minister voor Ondernemerschap en IT, komt er op deze manier een geïntegreerde productieketen voor hoogwaardige sterke magneten tot stand, die de EU momenteel nog niet heeft en goed kan gebruiken.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-kassandra-van-europa/
  • Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.

    Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.

    Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.

    Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.

    Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.

    Mondgevoel

    Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.

    Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.

    Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.

    Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is

    Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.

    Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.

    Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.

    Pakkende naam

    Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.

    Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.

    Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.

    Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen

    Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.

    Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.

    Lees ook:

  • Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?

    Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)

    De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen

    Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.

    ‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’

    Winstoogmerk

    Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.

    Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’

    De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’

    ‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’ 

    Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.

    Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.

    Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’

    We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld

    Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.

    Circulose

    De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.

    Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’

    De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.

    Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)

    ‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.

    Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.

    De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.

    ‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’

    Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.

    De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken

    Gloeiende plaat

    Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.

    Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.

    ‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’

    Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’ 

    Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.

    Lees ook:

  • Groene energie als er geen zon en wind is? Dit Duitse bedrijf heeft de oplossing

    Groene energie als er geen zon en wind is? Dit Duitse bedrijf heeft de oplossing

    De overstap naar hernieuwbare energiebronnen slaagt alleen als we de elektriciteit uit zon en wind kunnen opslaan. Zijn de ijzer-zoutbatterijen van start-up VoltStorage uit München de ontbrekende bouwsteen voor de energietransitie?

    In de kelder bij hem thuis zette Michael Peither zijn eerste laboratorium op. Als student elektrotechniek begon hij bij het licht van een neonbuis te experimenteren met water, zout en metaal. Zijn doel was een vloeibare batterij te construeren waarin de energie van de zonnepanelen op het dak kon worden opgeslagen. Met een doe-het-zelfhandleiding van internet ging Peither aan de slag. Zonder resultaat. Zijn eerste batterij functioneerde prima, maar had onvoldoende capaciteit om de elektriciteit van de zonnepanelen op te slaan.

    Peither gaf niet op. Vooral omdat hij niet alleen was geïnteresseerd in de elektriciteit van zijn eigen dak. Met zijn zelfgemaakte batterij wilde hij een fundamenteel probleem van de energietransitie oplossen. Want hoe meer wordt ingezet op hernieuwbare energiebronnen, hoe meer opslagcapaciteit er nodig is. Alleen daarmee kunnen we ons ook van elektriciteit uit zonne- en windenergie voorzien wanneer de zon niet schijnt en er niet genoeg wind is. Er zijn wel bestaande technologieën, maar geen daarvan heeft echt voet aan de grond gekregen. Als alleen de elektriciteit uit de bestaande opslagfaciliteiten voor hernieuwbare energie zou worden gebruikt, gaat in het ergste geval al na een half uur het licht uit.

    Spoedcursus

    Acht jaar na de eerste experimenten in zijn kelder staan Peither en zijn start-up VoltStorage op het punt om in elk geval een deel van de oplossing voor dit probleem te realiseren. Om aan zijn batterij te kunnen blijven sleutelen, nam hij indertijd een semester vrij. Bij manifestaties voor start-ups aan de TU München vond hij in Jakob Bitner en Felix Kiefl twee medestrijders. In 2016, het jaar van hun afstuderen, richtten ze hun onderneming op. Daarna ging alles opeens heel snel. Hoewel ze nog midden in de ontwikkeling zaten, haalden ze bij investeerders binnen een paar maanden meer dan 1,6 miljoen euro op. Kort daarna vlogen ze naar Shenzhen voor een spoedcursus batterijen in de ‘Silicon Valley voor hardware’.

    Voor de opslag van stroom uit hernieuwbare energiebronnen richten de drie mannen zich op ijzer-zoutbatterijen. Die bestaan in wezen uit een cel die elektrische energie omzet in chemische energie en die opslaat in twee tanks met een oplossing van water, zout en ijzer. Om de energie weer vrij te laten komen, wordt de chemische energie omgezet in elektrische energie. Daarmee onderscheiden de oprichters zich bewust van de concurrentie uit China, die vooral werkt met lithium-ionbatterijen. Terwijl lithium een schaarse en dure grondstof is, zijn ijzer en zout bijna overal ter wereld goedkoop en goed verkrijgbaar. ‘Je zou zelfs ijzer van verroeste spoorrails of fietsframes kunnen recyclen,’ zegt Peither. Zijn hun ijzer-zoutbatterijen de ontbrekende bouwsteen voor de energietransitie?

    ‘De meeste periodes van windstilte of gebrek aan zonneschijn kunnen zo worden overbrugd’

    De drie mannen werken nog steeds aan hun uitvinding en hebben hem nog niet op de markt gebracht. Kai Peter Birke, onderzoeker aan de universiteit van Stuttgart naar opslagsystemen voor elektrische energie: ‘Het idee is in elk geval veelbelovend.’ Als langetermijnopslagsysteem voor zonne- en windenergie kan het bijdragen aan het slagen van de energietransitie. ‘Maar daarvoor moet de technologie echt volwassen zijn. Zo kan bijvoorbeeld de batterij exploderen als bij het overladen knalgas (oxywaterstofgas) ontstaat.’

    Bij vloeibare batterijen bestaat inderdaad het gevaar dat in de oplossing waterstof wordt gevormd, die in combinatie met zuurstof tot een explosie kan leiden. Maar de oprichters van VoltStorage menen ook daarvoor een oplossing te hebben gevonden: ‘Wij scheiden de waterstof af voordat die kan reageren met zuurstof. Het waterstofgas wordt vervolgens teruggevoerd naar de elektrolyt. Voor dat proces hebben we patent aangevraagd,’ zegt medeoprichter Bitner. In het algemeen lijkt VoltStorage de belangrijkste problemen van deze batterijtechnologie in de afgelopen jaren te hebben opgelost. Zo gaan de oprichters ervan uit dat hun opslagunits een enorme levensduur hebben: ze zouden tienduizend laadcycli moeten kunnen doorlopen, dat wil zeggen dat ze twintig jaar zonder capaciteitsverlies kunnen blijven werken. In principe kunnen de opslagunits in containers bij elk wind- of zonnepark worden geplaatst. Er passen vijf ijzer-zoutmodules in een container. Elektriciteit uit zon en wind kan zo achtenveertig uur lang worden opgeslagen.

    ‘De meeste periodes van windstilte of gebrek aan zonneschijn kunnen zo worden overbrugd,’ zegt Bitner. ‘Dat zal ons niet alleen permanent onafhankelijk maken van Russisch gas en gasgestookte elektriciteitscentrales, maar ook de elektriciteitsprijzen doen dalen.’

    Als hun technologie succesvol blijkt, kan het een enorme business worden. De markt voor langdurige energieopslag groeit gigantisch: McKinsey becijfert het potentieel op één tot drie biljoen dollar tegen 2040. Ook durfkapitalisten lijken zich dit te realiseren, want ze hebben in juli nog eens 24 miljoen euro in VoltStorage geïnvesteerd. Het enige hartzeer: ‘Duitse investeerders zijn jammer genoeg nog steeds terughoudend. Nu zijn we een Duits bedrijf dat in meerderheid in buitenlandse handen is,’ zegt Peither met lichte spijt in zijn stem.

    Het bedrijf heeft momenteel zestig werknemers, maar VoltStorage zoekt dringend dertig nieuwe medewerkers en meer kantoor- en productieruimte in München. Vanaf 2024 willen ze hun ijzer-zoutbatterij in serie gaan produceren. Voor die tijd moet de onderzoeksfase zijn afgerond en moeten de eerste pilotsystemen zijn geïnstalleerd.

    Energiedichtheid

    Peither en Bitner willen in het openbaar nog niet praten over concrete orders, winstverwachtingen of plannen om naar de beurs te gaan. Maar ze laten zich wel ontvallen dat er twee tot drie grotere pilots met wind- en zonneparken in Duitsland en Europa gepland staan. Er komen al aanvragen uit Amerika, Oceanië en Afrika.

    De enige vraag die resteert: als het zo’n goed idee is, waarom heeft dan niemand er eerder aan gedacht? Eén reden zou de lage energiedichtheid kunnen zijn, vermoeden de uitvinders. De batterijen zijn aanzienlijk zwaarder en groter dan de alternatieven met lithium. ‘Daarom zijn ze ook niet geschikt voor elektrische auto’s,’ zegt Birke. De oprichters van VoltStorage geven dat openlijk toe. ‘Zelfs voor huiseigenaren met zonnepanelen op het dak is onze batterij nog niet rendabel,’ zegt Peither. Het opslagprobleem voor huizen heeft hij dus ook na jaren experimenteren in zijn kelder nog niet opgelost. Maar een veel groter probleem mogelijk wel.

    Lees ook:

  • Een dag zonder plastic

    Een dag zonder plastic

    Plastic is slecht voor de planeet, en toch is het overal. De bevindingen van een Amerikaanse journalist die een dag zonder probeert te leven.

    Keuze uit het archief

    Volgens onderzoek dat deze week in het tijdschrift The Lancet eBioMedicine is gepubliceerd, is plastic verantwoordelijk voor honderdduizenden doden per jaar. Zo zouden in 2018 alleen al wereldwijd ruim 356.000 mensen gestorven zijn door hartziekten als gevolg van dagelijkse blootstelling aan DEHP, een toxische stof die in veel plastic spullen zit.
    We zouden plastic uit ons leven moeten bannen, maar dat is onmogelijk, want het is overal. Daar kom je pas achter als je probeert één dag zonder plastic te leven. Journalist Arnold Jacobs nam de proef op de som en schreef zijn ervaringen op in deze longread van The New York Times.

    Toen ik wakker werd op de dag dat ik ging proberen geen plastic producten te gebruiken – of zelfs maar aan te raken – zette ik vrijwel meteen mijn blote voeten op het tapijt. Het is gemaakt van nylon; een soort plastic. Mijn experiment was net tien seconden bezig en ik was al in overtreding.

    Sinds plastic meer dan een eeuw geleden werd uitgevonden, is het in elke vezel van ons leven binnengedrongen. Het is moeilijk om ook maar een paar minuten niet met dit onverwoestbare, lichte, veelzijdige materiaal in aanraking te komen. Plastic heeft elk modern gemak mogelijk gemaakt en kan op duizenden manieren worden toegepast. Maar het heeft ook nadelen, vooral voor het milieu. Vorige week probeerde ik als experiment om vierentwintig uur lang helemaal zonder plastic te leven. Zo wilde ik erachter zien te komen welke plastic spullen we niet kunnen missen en welke eventueel overbodig zijn.

    Meestal check ik ’s morgens nadat ik wakker word mijn iPhone. Op die bewuste dag was dat niet mogelijk, want elke iPhone bevat behalve aluminium, ijzer, lithium, goud en koper ook plastic. Ter voorbereiding op het experiment had ik mijn toestel in een kast opgeborgen. Al snel voelde ik me gedesoriënteerd maar ook stoutmoedig, alsof ik een soort onverschrokken tijdreiziger was.

    Ik liep naar de badkamer, maar ging niet meteen naar binnen. ‘Kun je de deur voor me opendoen?’ vroeg ik aan Julie, mijn vrouw. ‘Op de deurknop zit een plastic coating.’ Ze deed voor me open en zuchtte: ‘Dit wordt een lange dag.’

    Routine

    Mijn ochtendroutine moest compleet op de schop. Daarvoor had ik de dagen voorafgaand aan mijn experiment zorgvuldige voorbereidingen getroffen. Zo kon ik mijn normale tandpasta, tandenborstel, shampoo en vloeibare zeep alvast niet gebruiken.

    Gelukkig is er een enorm aanbod van plasticvrije producten voor milieubewuste consumenten. Ik had er een hele trits van aangeschaft, waaronder een bamboe tandenborstel met haren van wilde zwijnen van Life Without Plastic. ‘De borstelharen zijn volledig gesteriliseerd,’ vertelde Jay Sinha, mede-eigenaar van het bedrijf, toen ik hem de week ervoor sprak.

    In plaats van tandpasta gebruikte ik mijn potje grijze tandpastakorrels van houtskool met munt. Ik kauwde erop, nam een slok water en poetste mijn tanden. De smaak was lekker, mijn askleurige spuug oogde minder fris.

    Het shampooblok dat ik had aangeschaft beviel me wel. Een shampooblok is precies dat: een blok shampoo. De mijne ruikt naar roze grapefruit en vanille, en schuimt goed. Voorstanders van het shampooblok zeggen dat het per wasbeurt goedkoper is dan shampoo in flessen (een blok kan 80 keer gebruikt worden). En dat is mooi, want het plasticvrije leven kan duur zijn. Package Free, een stijlvol verkooppunt in de NoHo-buurt van Manhattan dat grenst aan de Goop-winkel van Gwyneth Paltrow, verkoopt scheermessen van zink en roestvrijstaal voor 84 dollar, ongeveer 77 euro. Ze verkopen er overigens ook ‘de eerste biologisch afbreekbare vibrator ter wereld’.

    Op advies van een blogger heb ik een doe-het-zelfdeodorant gemaakt van tea tree-olie en zuiveringszout. De geur doet denken aan een middeleeuwse kathedraal, maar is niet geheel onaangenaam. Je eigen spullen maken is zeker een manier om plastic te vermijden, maar je hebt er wel vrije tijd voor nodig – een luxe. Voordat ik in de badkamer klaar was, had ik de regels een tweede keer overtreden; ik moest naar de wc.

    Op basis van onderzoek schat ik dat ik ongeveer 800 plastic voorwerpen per jaar in de vuilnisbak gooi

    Ook aankleden was een uitdaging, aangezien zoveel kledingstukken plastic bevatten. Ik had een wollen broek besteld, maar die was nog niet gearriveerd. In plaats daarvan koos ik een oude, comfortabele chino van Banana Republic. Op het label staat ‘100 procent katoen’, maar toen ik het de dag ervoor navroeg bij een behulpzame vertegenwoordiger van Banana Republic, bleek het iets ingewikkelder te liggen. De hoofdstof is inderdaad 100 procent katoen, maar er zit plastic in de rits, en verder in de tailleband, het geweven label, de zakken en de draden, aldus de vertegenwoordiger. Ik sneed in mijn duim toen ik probeerde het zwarte merklabel eraf te snijden met een volledig metalen mes. In plaats van een pleister – ja, plastic – moest ik gegomde tape van papier gebruiken om het bloeden te stoppen.

    Gelukkig was ik met mijn ondergoed niet in overtreding: blauwe boxers van Cottonique van 100 procent biologisch katoen met een katoenen koord in plaats van de elastische tailleband, die vaak van plastic is. Na een zoektocht op internet koos ik het uit een lijst met ‘14 Hot & Sustainable Underwear Brands for Men’.

    Verder had ik het geluk dat onze vriendin Kristen als verjaardagscadeau voor mijn vrouw een trui had gebreid met blauwe en paarse rechthoeken van 100 procent merinowol. ‘Mag ik die trui van Kristie een dagje lenen?’ vroeg ik aan Julie. ‘Maar dan lubbert ie uit,’ zei ze. ‘Het is voor de planeet, hè?’ antwoordde ik.

    Kunststoffen

    Volgens een rapport van de Verenigde Naties produceert de wereld jaarlijks ongeveer 400 miljoen ton plastic afval. Ongeveer de helft wordt na eenmalig gebruik weggegooid. Het rapport merkt op dat ‘we verslaafd zijn geraakt aan plastic producten voor eenmalig gebruik – met ernstige gevolgen voor het milieu, de maatschappij, de economie en de gezondheid’.

    Ik ben een van die verslaafden. Op basis van onderzoek schat ik dat ik ongeveer 800 plastic voorwerpen per jaar in de vuilnisbak gooi – verpakkingen voor afhaaleten, pennen, bekers, verpakkingsmateriaal van Amazon met piepschuim erin en nog veel meer. Voor mijn Dag Zonder Plastic verdiepte ik me in een aantal no-plastic en zero waste-boeken, video’s en podcasts. Een van die boeken, Life Without Plastic: The Practical Step-by-Step Guide to Avoiding Plastic to Keep Your Family and the Planet Healthy van Jay Sinha en Chantal Plamondon, was door Amazon verpakt in doorzichtig plastic, als een stuk kaas. Toen ik dit aan Sinha vertelde, beloofde hij erachteraan te gaan.

    Ik belde ook met Gabby Salazar, een sociaal wetenschapper die zich verdiept in wat mensen motiveert om milieuzaken te steunen. Ik vroeg haar om advies voor mijn plasticvrije dag. ‘Het is misschien beter om klein te beginnen,’ zei Salazar. ‘Eerst één gewoonte – bijvoorbeeld altijd een roestvrijstalen waterfles meenemen. Als je dat onder de knie hebt, doe je er iets bij. Je neemt bijvoorbeeld altijd een tasje mee naar de supermarkt. Als je geleidelijk opbouwt, kom je tot echte veranderingen. Anders raak je alleen maar overweldigd.’ ‘Misschien dat dat wel verhelderend werkt?’ opperde ik. ‘Dat zou mooi zijn,’ zei Salazar.

    Verontrustende effecten zijn onder meer gedragsproblemen

    Toegegeven, helemaal zonder plastic leven is waarschijnlijk een absurd idee. Ondanks de nadelen vormt de stof een cruciaal onderdeel van medische apparatuur, rookmelders en helmen. De slagzin van de plasticindustrie uit de jaren negentig bevat een waarheid: ‘Kunststoffen maken het mogelijk’.

    In veel gevallen kan plastic het milieu helpen. Zo zijn plastic vliegtuigonderdelen lichter dan metalen, wat minder brandstof en minder CO₂-uitstoot betekent. Zonnepanelen en windturbines hebben kunststof onderdelen. Maar de aarde ligt bezaaid met het spul, vooral in wegwerpvorm. Het Earth Policy Institute schat dat mensen er jaarlijks een biljoen plastic tassen voor eenmalig gebruik doorheen jagen.

    De crisis zat er al lang aan te komen. Er is enige discussie over wanneer plastic zijn intrede deed, maar velen houden 1855 aan, toen de Britse metaalbewerker Alexander Parkes een thermoplastisch materiaal patenteerde als waterdichte coating voor stoffen. Hij noemde de stof ‘Parkesine’. In tientallen jaren tijd zijn in laboratoria over de hele wereld andere soorten ontstaan, allemaal gebaseerd op soortgelijke chemie. Het zijn polymeerketens en de meeste worden gemaakt van aardolie of aardgas. Door chemische toevoegingen variëren kunststoffen enorm. Ze kunnen ondoorzichtig of transparant zijn, schuimend of hard, rekbaar of breekbaar. Ze zijn bekend onder vele namen, zoals polyester en piepschuim, en met afkortingen als PVC en PET.

    Prefab-afval

    De productie van kunststof nam een hoge vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kunststof was cruciaal voor de oorlogvoering, denk aan nylon parachutes en plexiglas vliegtuigramen. Na de oorlog ontstond een ware hausse, aldus Susan Freinkel, auteur van Plastic: A Toxic Love Story, een boek over de geschiedenis en de wetenschap van plastic. ‘Plastic werd verwerkt in dingen als formica toonbanken, koelkastzakken, auto-onderdelen, kleding, schoenen, kortom in alles wat werd ontworpen om lange tijd mee te gaan,’ volgens Freinkel.

    En toen kwam de ommekeer. ‘We zijn in de problemen gekomen toen we overgingen op spullen voor eenmalig gebruik,’ aldus Freinkel. ‘Ik noem dat prefab-afval.’ De overdaad aan rietjes, bekertjes, zakjes en andere kortstondig te gebruiken zaken heeft geleid tot rampzalige gevolgen voor het milieu. Volgens een studie van de Pew Charitable Trusts komt er elk jaar meer dan 11 miljoen ton plastic in de oceanen terecht.

    Bijna een vijfde van het plastic afval wordt verbrand, waarbij CO2 in de lucht terechtkomt, aldus de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Deze meldt ook dat slechts 9 procent van het plastic wordt gerecycled. Sommige plastics zijn niet rendabel om te recyclen, andere soorten nemen door recycling af in kwaliteit.

    Plastic kan bovendien schadelijk zijn voor onze gezondheid. Bepaalde plastic additieven – zoals BPA en ftalaten – kunnen volgens het National Institute of Environmental Health Sciences het endocriene systeem bij mensen verstoren. Verontrustende effecten zijn onder meer gedragsproblemen en een lagere testosteronspiegel bij jongens en een lagere hormoonspiegel van de schildklier en vroeggeboorten bij vrouwen.

    ‘Het oplossen van het plasticprobleem mag niet volledig in de schoot van de consument worden geworpen,’ vindt Salazar. ‘We moeten er op alle fronten aan werken.’

    Rauw voedsel

    Al aan het begin van mijn dag zonder plastic, begon ik de wereld anders te bekijken. Alles zag er bedreigend uit, alsof overal polymeren in zaten. Vooral de keuken was bijzonder beladen. Alles wat ik kon gebruiken om te koken was verboden terrein – broodrooster, oven, magnetron. Mijn zoon zwaaide met een plastic zakje gevuld met wentelteefjes. ‘Wil je hier wat van?’ En of ik dat wilde. Maar in plaats daarvan ging ik op zoek naar rauw voedsel.

    Ik verliet mijn woning via de trap, in plaats van de lift met zijn plastic knoppen, en liep naar een natuurvoedingswinkel in de buurt van ons appartement aan de Upper West Side in Manhattan.

    Ik probeer altijd een stoffen tas mee te nemen als ik ga winkelen. Deze keer had ik wel zeven tassen van verschillende grootte bij me, allemaal van katoen. Ik had ook twee glazen bakjes meegenomen.

    In de winkel vulde ik een van mijn katoenen tassen met appels en sinaasappels. Bij nadere inspectie zag ik dat op elke schil een sticker met een code zat. Een mogelijke overtreding, die ik negeerde. Met een schone stalen pollepel die ik van huis had meegenomen, schepte ik walnoten en havermout in mijn glazen bakjes. Dat de winkelbakken van plastic waren, negeerde ik, want ik had honger.

    Ik ging naar de kassa om af te rekenen. Maar dat was een probleem. Creditcards konden niet. Apple Pay met mijn iPhone kon ook niet. Ook papiergeld zou een overtreding zijn. Want ook al is Amerikaans papiergeld voornamelijk gemaakt van katoen en linnen, elk biljet bevat ongetwijfeld synthetische vezels, en de grotere biljetten bevatten een veiligheidsdraad van plastic om vervalsing te voorkomen.

    Voor de zekerheid had ik een katoenen zak vol munten meegenomen. Ja, een grote zak vol kwartjes, dubbeltjes en centen – ongeveer 60 dollar die ik had opgenomen bij Citibank en uit de spaarpotten van mijn kinderen had gehaald. Bij de kassa begon ik vliegensvlug de muntjes te stapelen, terwijl ik af en toe een nerveuze blik wierp naar de klanten achter me in de rij.

    ‘Het spijt me echt dat dit zo lang duurt,’ zei ik. ‘Dat geeft niks,’ zei de man achter de kassa. ‘Ik mediteer elke ochtend om met dit soort dingen om te kunnen gaan.’ Hij voegde eraan toe dat hij mijn inzet voor het milieu waardeerde. Het was mijn eerste positieve feedback. Ik telde 19 dollar en 2 cent neer – allemaal muntjes! – en ging naar huis om te ontbijten: noten en sinaasappels op een metalen koekblik, dat ik op schoot hield.

    De passagiers waren zo verdiept in hun telefoon dat de aanblik van een man op een houten stoel hen ontging

    Een paar uur later liep ik, op zoek naar een plasticvrije lunch, naar Lenwich, een broodjes- en saladezaak bij mij in de buurt. Ik was er al vroeg in de middag, met een rechthoekige glazen schaal en bamboebestek. ‘Kunt u de salade in deze glazen schaal bereiden?’ vroeg ik, terwijl ik het geval omhoog hield. ‘Ogenblik alstublieft,’ zei de man achter de toonbank kortaf. Hij riep een manager, die het oké vond. Maar mijn volgende verzoek, om mijn stalen schep te gebruiken, wees de manager af.

    Na de lunch ging ik naar Central Park, in de veronderstelling dat dit de plek in Manhattan zou zijn waar ik kon ontspannen in een plasticvrije omgeving. Ik nam de metro, wat me nog meer overtredingen opleverde, aangezien de treinen zelf plastic onderdelen hebben en je een MetroCard of smartphone nodig hebt om op het perron te komen. Maar de plastic oranje stoelen vermeed ik. Ik had mijn eigen stoel meegenomen: een ongeverfde, opklapbare teakhouten stoel in Scandinavische stijl, hard en strak. Die had ik ook al in mijn appartement gebruikt om het plastic van stoelen en banken te omzeilen. Ik zette mijn stoel neer bij een paal in het midden van de wagon. Een van de passagiers had zo’n spreek-me-alsjeblieft-niet-aan-blik in de ogen, de andere waren zo verdiept in hun telefoon dat de aanblik van een man op een houten stoel hen ontging.

    Tijdens mijn parkwandeling zag ik plastic tandenstokers op de grond liggen, een zwart plastic mes en een plastic tas.

    Microplastics

    Thuisgekomen legde ik enkele van mijn indrukken vast. Ik schreef op papier met een ongeverfd cederhouten potlood uit een ‘Zero Waste Pencil tin set’ (gewone potloden bevatten namelijk met plastic gevulde gele verf). Na een tijdje haalde ik wat water. En toen kreeg ik te maken met misschien wel het meest alomtegenwoordige probleem van alle: microplastics. Die kleine deeltjes zijn echt overal – in ons drinkwater, in de lucht die we inademen, de oceanen. Microplastics zijn onder meer afkomstig van plastic afval dat is vergaan.

    Zijn ze schadelijk voor ons? Ik sprak met verschillende wetenschappers, en over het algemeen was het antwoord: we weten het nog niet. ‘Ik denk dat we hier de komende jaren een beter inzicht in zullen krijgen,’ aldus Todd Gouin, consultant op het gebied van milieuonderzoek. Voor wie extra voorzichtig wil zijn, bestaan er producten die beweren microplastics uit water en lucht te filteren.

    Ik had een kan gekocht van LifeStraw waar een membraanmicrofilter in zit. Natuurlijk bevatte de kan zelf plastic onderdelen, dus kon ik hem niet gebruiken op de grote dag. In plaats daarvan stond ik de avond ervoor enige tijd aan het aanrecht om water te filteren en er weckpotten mee te vullen. Onze keuken zag eruit alsof we ons voorbereidden op de apocalyps.

    Het water smaakte bijzonder zuiver, wat volgens mij een soort placebo-effect was. Ik zat een tijdje op mijn houten stoel te schrijven. Zonder telefoon. Zonder internet. Julie had medelijden met me en bood aan een kaartspelletje te doen. Ik schudde mijn hoofd. ‘Plastic coating,’ zei ik.

    Rond negen uur ’s avonds nam ik onze hond mee voor haar avondwandeling. Ik had online een riem gekocht van 100 procent katoen. De poepzakjes had ik thuisgelaten, want zelfs de duurzame die ik had zijn gemaakt van gerecycled of plantaardig plastic. In plaats daarvan had ik een metalen spatel bij me. Gelukkig hoefde ik die niet te gebruiken.

    ‘Vergeet niet dat plastic niet de vijand is. Eenmalig gebruik is de vijand’

    Om halfelf ging ik uitgeput op mijn geïmproviseerde bed liggen: katoenen lakens op de houten vloer, want mijn matras en kussens bevatten plastic. De volgende ochtend werd ik wakker, blij dat ik mijn beproeving had overleefd en mijn telefoon weer terug had – maar ergens voelde ik me ook verslagen. Ik had 164 overtredingen begaan.

    Zoals Salazar had voorspeld, was het overweldigend geweest. En er was nog veel onduidelijk, zelfs nadat ik me wekenlang in het onderwerp had verdiept. Welke plasticvrije artikelen maken echt het verschil, en wat is louter greenwashing? Is het een goed idee om tandenborstels met zwijnenhaar te gebruiken, deodorant van tea tree, apparaten die microplastics filteren en papieren rietjes, of maakt al die moeite ons zo gek dat we de zaak uiteindelijk juist schaden? Ik belde Salazar voor peptalk.

    ‘Je kunt jezelf zeker gek maken,’ zei ze. ‘Maar het gaat niet om perfectie, het gaat om vooruitgang. Geloof het of niet, individueel gedrag is belangrijk. Het telt op. En vergeet niet,’ ging ze verder, ‘dat plastic niet de vijand is. Eenmalig gebruik is de vijand. De cultuur om iets maar één keer te gebruiken en dan weg te gooien.’

    Ik dacht terug aan iets wat Susan Freinkel me had verteld: ‘Ik ben helemaal geen absolutist. Als je in mijn keuken zou komen, zou je zeggen, wat krijgen we nou? Je hebt dit boek geschreven en kijk eens hoe je leeft!’ Maar Freinkel doet wel moeite, vertelde ze. Ze vermijdt onder andere wegwerpzakjes, bekers en verpakkingen.

    Ondanks mijn niet geheel geslaagde poging tot een eendagsonthouding beloof ik dat ook te proberen. Ik begin met kleine dingen, om eraan te wennen. Zoals het shampooblok. En ik kan zakjes voor groente en fruit meenemen naar de supermarkt. Misschien neem ik zelfs mijn stalen waterfles en bamboe bestek mee als ik naar Lenwich ga. En daarna, wie weet? Ik draag in ieder geval met trots het T-shirt met de tekst ‘Keep the Sea Plastic Free’ dat ik online kocht in de dagen voorafgaand aan mijn experiment. Het bevat maar 10 procent polyester.