Tag: duurzaamheid

  • Hoe huurmode big business werd

    Hoe huurmode big business werd

    Een op de acht Britten koopt elke week een nieuwe outfit. Kan het huren van kleding onze verslaving aan wegwerpmode genezen – en is het wel zo goed voor het milieu als velen beweren?

    We zijn eraan gewend geraakt om in het huis van vreemden te verblijven via Airbnb, boeken te lenen via Kindle en gebruik te maken van betaal-voor-wat-je-rijdt clubjes van deelauto’s zoals Zipcar om naar Ikea te gaan, maar kleding huren was tot voor kort een relatief nieuwe ervaring.

    Dat zou wel eens kunnen veranderen aangezien een groot aantal merken en verkopers kledinghuur tot een levensvatbare optie voor vaste klanten heeft gemaakt. Zo voegde H&M een huurafdeling toe aan zijn vernieuwde winkel in Regent Street in Londen, terwijl M&S onlangs aankondigde het aanbod uit te breiden op verhuurplatform Hirestreet, waar het bedrijf een jaar geleden voor het eerst kledingstukken begon te verhuren. Ook LK BennettJohn Lewis en Jigsaw bieden hun klanten de mogelijkheid om online te huren in plaats van te kopen.

    Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode

    Elders lanceerde de luxe webwinkel MatchesFashion pasgeleden een collectie feestkleding van ontwerpers: een maliënkolderjurk van Paco Rabanne die voor 2500 pond, ruim 2800 euro, te koop is, kan gedurende vier dagen voor 219 pond worden gehuurd. In plaats van een meme-waardig tasje in de vorm van een chipszakje of chocoladeverpakking van het Britse accessoiremerk Anya Hindmarch aan te schaffen voor 995 pond, kun je er een huren voor 23 pond per dag.

    Ook beroemdheden omarmen langzamerhand deze meer circulaire benadering van mode. Eerder deze maand droeg Kate Middleton tijdens de Earthshot Prize in Boston een limoengroene Solace-jurk, gehuurd van het platform Hurr voor 74 pond, in plaats van die te hebben gekocht voor 350 pond. Acteur Priyanka Chopra Jonas en reality-tv-ster Kourtney Kardashian zijn fan van huurmode, net als Carrie Johnson, de vorige bewoner van Downing Street nr. 10. Haar complete garderobe voor de G7-top in 2019 was naar verluidt gehuurd, terwijl ze haar bruidsjurk van de Griekse ontwerper Christos Costarellos voor 45 pond per dag huurde bij My Wardrobe HQ.

    Schadeverzekering

    Tot nu toe richten de grootste spelers op de Britse verhuurmarkt voor mode – waaronder website Hurr en de app By Rotation – zich op het aanbieden van een selectie topmerken en ‘sweet-spot brands’, zoals de mode-industrie ze graag noemt – zoals Ganni en Rixo London, met verkoopprijzen van rond de 250 pond. Ging je het afgelopen jaar naar een bruiloft, dan droeg ten minste één gast gegarandeerd een bedrukte zijden jurk afkomstig uit deze groep. De huurprijs is meestal ongeveer 10 procent van de verkoopprijs, en de huurcontracten duren meestal vier dagen. Je kunt ook vaak een kleine schadeverzekering afsluiten, bijvoorbeeld voor gemorste wijn of een kapotte rits. Verhuur van grote merken begint al vanaf 7 pond per dag.

    Het Verenigd Koninkrijk gaat graag kledingshoppen. Volgens milieugroep Wrap koopt een op de acht mensen elke week een nieuw kledingstuk, terwijl de kledingkasten thuis circa 1,6 miljard stuks ongedragen kleding bevatten. Een kwart van wat we bezitten, hebben we al een jaar niet gedragen.

    Tot voor kort werd de huurmarkt grotendeels gevoed door Generatie Z, die over het algemeen bewust is over het milieu en de rechten van werknemers, maar die toch ook graag nieuwe kleding wil om mee te pronken op sociale media. Nu de kosten van levensonderhoud maar blijven toenemen, voelen consumenten zich steeds meer gedwongen te kiezen tussen duurzaamheid en prijs.

    Met dit in het achterhoofd blijkt 2022 een keerpunt te zijn geweest wat de verhuur van mode betreft. Volgens GlobalData, een bedrijf dat data analyseert, bedraagt de Britse markt voor kledingverhuur tegen het einde van het jaar naar verwachting 142 miljoen pond, met een groei van 62 procent in 2023 en een voorspelde groei van 164 procent in de daaropvolgende jaren tot 2026. Geen wonder dat de bekende merken ook graag mee willen doen.

    Cara, een dertigjarige financieel medewerker uit Londen, zegt dat ze liever grote merken huurt omdat dat voordeliger is. ‘Ik heb de duurdere verhuursites bekeken, maar voor 180 pond die ze daar vragen, kan ik een jurk kopen in plaats van huren. Het huren van bekende merken bespaart me geld.’

    De verhuur werkt op verschillende manieren. Het meest gebruikelijk is persoonlijke verhuur, waarbij mensen rechtstreeks van elkaar kleding lenen tegen betaling. Voor het aanbieden van hun garderobe brengt een platform de uitlener dan een commissie in rekening, meestal zo’n 10 tot 15 procent.

    Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes

    Er is ook een service die bekendstaat als ‘white label’ en die steeds populairder wordt. Hierbij gebruikt een detailhandelaar, zoals Jigsaw, een verhuurplatform (in het geval van Jigsaw is dat My Wardrobe HQ) dat de logistiek verzorgt maar het doet voorkomen alsof de klant rechtstreeks van de retailer huurt. Dit is een gemakkelijke manier om klanten aan te trekken die anders misschien afgeschrikt zouden worden door een specifieke verhuursite. In plaats van een ronde te moeten maken langs allerlei merken, navigeren ze op de site van een bedrijf waarmee ze al vertrouwd zijn.

    Victoria Prew, oprichter en CEO van Hurr, zegt dat haar bedrijf voor een hybride aanpak kiest. Naast het hosten van een grote persoon-tot-persooncommunity (artikelen moeten minder dan twee jaar oud zijn en meer dan 120 pond kosten) verricht Hurr alle ingewikkelde zaken zoals het organiseren van retourzendingen, het reinigen en opnieuw verzenden van elk artikel. Het bedrijf doet dat voor meer dan 130 merken, waaronder Hugo Boss. Hurr verzorgt ook de verhuur voor retailers als Selfridges, John Lewis en sinds kort ook Matches Fashion. ‘Wat inkomsten betreft groeien we met 700 procent op jaarbasis,’ zegt ze.

    Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes

    Met hun gelikte branding en glamoureuze reclamecampagnes verpersoonlijken deze platforms de Generatie Z-klant die ze hopen te lokken: denk aan met veren afgezette mini-jurkjes van 16 Arlington, torenhoge hakken van Prada en piepkleine tasjes van Jacquemus die zijn ontworpen om likes te krijgen op Instagram. Het lijkt eerder op rondkijken in een luxe winkel dan op neuzen tussen iemands afdankertjes.

    Populaire verhuurders zoals Hirestreet, hanteren een bescheidener aanpak. Oprichter en CEO Isabella West zegt dat ze werd geïnspireerd om het bedrijf op te zetten nadat ze zich realiseerde dat er een gat in de markt was voor goedkopere verhuur. Naast M&S zijn er ook Britse ketens als French Connection en River Island te vinden. Daarnaast zijn er ook speciale collecties voor groot, klein of plus-size, uiteenlopend van de Britse maten UK 4 tot UK 32.

    ‘Wij zijn niet het bedrijf waar je heengaat als je 100 pond hebt om een jurk van 1000 pond te huren,’ zegt West. ‘Ons populairste aanbod op dit moment zijn twee jurken voor 30 pond. We doen dergelijke aanbiedingen omdat onze klanten lieten weten dat dit het bedrag is dat ze normaal gesproken in een winkel als H&M zouden uitgeven voor bijvoorbeeld kerst.’

    De kosten van levensonderhoud zijn duidelijk een drijvende kracht achter de populariteit van Hirestreet. Het begon in 2018 en nu heeft het bedrijf meer dan 1,5 miljoen gebruikers. Het biedt geen lopend abonnement; gebruikers kunnen kledingstukken huren van 4 tot 30 dagen. Mensen die sinds januari zijn aangesloten, huurden de afgelopen 10 maanden elk gemiddeld 10 keer.

    Weekendje weg

    ‘Vroeger gaven mensen misschien 5 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan mode, maar nu hebben ze 3 procent extra nodig voor essentiële zaken, zoals boodschappen,’ vertelt West. ‘Toch gaan ze nog steeds naar evenveel evenementen, terwijl ze minder hebben te besteden. Duurzaam zijn wordt voor hen steeds moeilijker.’

    Terwijl de meeste platforms zich richten op kleding voor evenementen zoals feesten en bruiloften, richt M&S zich met zijn nieuwste Hirestreet-aanbod op vrijetijdskleding, zoals blijkt uit de lancering van zes ‘capsulecollecties’ met namen als Autumn Warmth en Comfy Cool, bestaande uit onder meer hoodies, donzen jacks en jeans met rechte pijpen. De huurprijzen variëren van 39 pond voor 5 dagen tot 59 pond voor 30 dagen.

    ‘De huurmarkt wordt vaak geassocieerd met evenementen, maar we weten dat 35 procent van onze klanten ook iets eenvoudigers wil huren, zoals voor een weekendje weg,’ zegt Richard Price, managing director Clothing and Home van M&S.

    Met het opnemen van bestsellers in themacollecties, wil M&S laten zien ‘hoe basisartikelen kunnen worden gebruikt om tot 10 verschillende outfits te komen – perfect dus om meer uit je besteedbare budget te halen,’ aldus Price. De City Knits-capsule, die bestaat uit een jersey broek met wijde pijpen, een fleece gilet en een Bretonse gestreepte trui, is het populairst en is al tot januari in de meeste maten volgeboekt.

    Cara huurt behalve gelegenheidskleding sinds kort ook basiskleding, zoals T-shirts. ‘Momenteel moet ik beter nadenken over elke aankoop die ik doe. Ook het basics kosten veel geld en gezien de kwaliteit en de mate waarin ik ze zou dragen, zouden ze de winter niet overleven. Huren is duurzamer, maar ik heb nog wel steeds de onmiddellijke voldoening dat ik elk weekend iets nieuws aanheb.’

    Hurr is een gecertificeerde B Corporation, wat betekent dat het bedrijf voldoet aan gecontroleerde normen met betrekking tot sociale en milieuprestaties. Het streven naar duurzaamheid behelst onder meer een exclusief partnerschap met Oxwash – een stomerij die geen chemicaliën gebruikt – en verpakkingen die gemiddeld 30 keer kunnen worden hergebruikt. Dit betreft echter alleen de zaken die Hurr rechtstreeks beheert.

    Hoewel alle verhuursites beweren dat ze zich inzetten voor duurzame mode, valt dat moeilijk te meten

    Bij persoonlijk uitlenen moeten de uitleners zelf voor het transport van het kledingstuk zorgen, wat eventuele duurzaamheidsclaims over afname van de hoeveelheid kleding in de modecyclus verder bemoeilijkt. Sommige uitleners kopen namelijk specifiek kledingstukken om te verhuren, en dat leidt tot topuitleners die tot 20.000 pond per jaar verdienen. Is verhuren dan nog een duurzame bijverdienste? Dat wordt steeds vager.

    Vanessa, een schoonheidsspecialiste uit Londen, verdiende onlangs 1000 pond in een week en wil ‘dat momentum vasthouden’ in de aanloop naar de feestdagen. Ze zegt dat ze zich richt op ‘avondjurken, glitterdingen en dingen met veren – items die je één keer draagt’. Haar best presterende merken zijn The Vampire’s Wife, 16Arlington en Alessandra Rich. ‘De meeste mensen kunnen hun prijzen niet opbrengen, zegt ze, over winkelprijzen die gemiddeld rond de 1500 pond liggen. ‘Bij mij betaal je een fractie van de winkelprijs voor de huur.’

    Hirestreet een eigen magazijn in Glasgow heeft, waar het naar eigen zeggen de chemische reinigingsmiddelen tot een minimum beperkt en probeert het plastic afval van bijvoorbeeld kleerhangers te verminderen. Toch denkt West dat de grootste impact van verhuur schuilt in de verandering van consumentengedrag, vooral van de mentaliteit ‘één keer kopen, één keer dragen’.

    ‘Negentig procent van de CO2-afdruk van een artikel ontstaat in de productiefase. Het huren van een artikel biedt de mogelijkheid om dat te verdelen over elke persoon die het artikel draagt,’ zegt ze.

    In een moeilijk economisch klimaat biedt verhuur ook een enorme kans voor retailers. Cara zegt dat M&S over het hoofd zou hebben gezien voordat ze het merk via Hirestreet huurde. Een leren broek, gehuurd voor 32 pond in plaats van gekocht voor 179 pond, deed haar van gedachten veranderen. Bij Hirestreet kun je overigens ook vaak meerdere maten huren, en ongedragen kledingstukken leveren dan krediet op dat je kunt gebruiken voor toekomstige huurcontracten.

    Vijftig kledingstukken

    In 2020 sloot Oasis al haar winkels nadat bewindvoerders lieten weten de modeketen niet te kunnen redden. De kledingvoorraad werd verkocht aan herstructureringsbedrijf Hilco. Deze zomer groeide het merk uit tot een van de populairste op de site van Hirestreet.

    ‘Veel van onze klanten zoeken op gelegenheid in plaats van op merk,’ zegt West. ‘We bevelen ze een selectie van zo’n vijftig kledingstukken aan. Ze kijken eerder naar een stijl dan naar een label. Ze kozen er misschien niet voor om naar de website van een bepaald merk te gaan, dus wij kunnen fungeren als de perfecte herintroductie tot een merk.’

    Kan modeverhuur een manier zijn om winkelketens toekomstbestendig te maken in een onzekere markt, gezien de berichten over leeglopende stadscentra en winkelsluitingen? Nu veel merken op verschillende locaties al wekenlang geboekt zijn, is dit misschien wel de oplossing waar de sector naar hunkert. De tijd en de sociale media zullen het uitwijzen.

    Lees ook:

  • Datacenters Duitse overheid moeten duurzamer worden

    Datacenters Duitse overheid moeten duurzamer worden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Lula wordt opnieuw president van Brazilië ‘dat niet meer hetzelfde is’

    » VS: grootschalige fraude met corona-uitkeringen

    Nog niet een op de drie datacenters draait op duurzame energie

    Klimaatbescherming en digitalisering zijn twee centrale doelstellingen van de federale regering in Duitsland. Maar de huidige coalitie worstelt met de combinatie van die twee. Zo worden de datacentra van de federale overheid op een veel minder milieuvriendelijke manier beheerd dan de faciliteiten van internetgiganten als Google, Microsoft of Amazon. Dat blijkt uit antwoorden van de regering op vragen in de Bondsdag door leden van Die Linke, aldus Freie Presse.

    Nog niet een op de drie datacenters van de federale overheid draait op elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Ter vergelijking: wereldwijd gebruikt zo’n 66 procent van de datacentra van Google hernieuwbare energie. In Duitsland behaalde het bedrijf sinds begin 2022 zelfs een aandeel van 80 procent. 

    In haar antwoord op de vragen belooft de Duitse regering dat het gebruik van duurzame energie binnen afzienbare tijd sterk zal verbeteren. Zo zal de elektriciteit voor federale instanties eind 2024 volledig moeten worden gedekt door hernieuwbare energie, ook in de datacentra.

    Lees ook:

  • Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.

    In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.

    Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.

    Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!

    De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken

    Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.

    Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.

    Verandering

    Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.

    Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.

    Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’

    Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?

    Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.

    Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?

    Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.

    ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’

    De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’

    Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.

    Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.

    ‘Guerrilla gardeners’

    Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’

    Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’

    De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.

    Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen

    Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.

    ‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.

    Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.

    Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.

    In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’

    Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.

    Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.

    Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.

    Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.

    Andhra Pradesh

    Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.

    Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.

    Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.

    Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.

    Tuinen én wildernis

    Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.

    Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.

    En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.

    Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.

    In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.

    Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.

    Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.

  • Voor het razend populaire fastfashionmerk Shein speelt duurzaamheid geen rol

    Voor het razend populaire fastfashionmerk Shein speelt duurzaamheid geen rol

    Shein is de rijzende ster van de modebranche. Het Chinese concern verdient miljarden met de onlineverkoop van supersnel gemaakte goedkope kleding. Dat deze ultrafastfashion ook ultraslecht is voor de planeet, lijkt de jonge klanten niet te kunnen schelen.

    Links de originele jurk van Zara, rechts de kloon van Shein. Op het eerste gezicht lijken de jurken als twee druppels water op elkaar: in een dessin van groen-blauwe en beige kleuren, een beetje zoals oma’s gordijnen. Links een lange split, boven een korte rolkraag. Allemaal heel erg hetzelfde, op de geur na: de ene ruikt zoals nieuwe kleding nu eenmaal ruikt, een beetje naar de doos waarin ze werd bezorgd. De andere stinkt. Naar plastic.

    De eerste jurk is van Zara, een van de grootste fastfashionfabrikanten ter wereld. De tweede is van Shein, een Chinees concern en pionier van wat ‘ultrafastfashion’ heet, of ook wel realtimemode. Het is de verabsolutering van wat Zara en H&M ooit groot maakte: sneller, goedkoper en innovatiever zijn. Shein doet dat nog consequenter, en nietsontziender.

    Het kopiëren hoort bij het concept, maar wordt tegelijk brutaal ontkend. De kopie van een handtas van ontwerper Marc Jacobs wordt door Shein op de website omschreven als een ‘unieke tas’. Het concern kopieert niet alleen de grote bedrijven uit de branche, het verkoopt ook kopieën van een vintage slip-over die iemand op een tweedehandsplatform aanbood, of het shirt van een kleine countryband uit South Carolina. Van een Amerikaanse ontwerpster die veel van haar kledingstukken met de hand haakt, zou Shein meer dan veertig ontwerpen hebben nagemaakt.

    Het concern is ongelofelijk succesvol met dit concept. Gemiddeld verdubbelt Shein elk jaar zijn verkoopcijfers. Waar H&M en Zara tijdens de coronapandemie soms klanten verloren, maten marktonderzoekers in de VS bij Shein in meerdere maanden ruim 200 procent groei op jaarbasis van ‘unique shoppers’ per maand. Binnen twee jaar kon de onderneming de gemiddelde omzet van haar klanten in de VS bijna verdubbelen tot 89 dollar per maand.

    Op de lijst van waardevolste start-ups wereldwijd staat Shein op de derde plaats, direct na SpaceX, het ruimtevaartbedrijf van Elon Musk

    Daarmee is de Chinezen iets ‘echt groots’ gelukt, zegt Michael Maloof, analist bij marktonderzoeker Earnest. ‘Zoiets heb ik nooit eerder gezien.’

    In het afgelopen jaar alleen al zou Shein wereldwijd 16 miljard dollar hebben omgezet. Dat is evenveel als een kwart van de totale modemarkt in Duitsland. De onderneming zelf publiceert geen cijfers. Investeerders waarderen het bedrijf intussen op 100 miljard dollar, meer dan H&M en Inditex, het moederconcern van Zara, samen. Op de lijst van waardevolste start-ups wereldwijd staat het op de derde plaats, direct na SpaceX, het ruimtevaartbedrijf van Elon Musk. 

    Dit succesverhaal past eigenlijk niet goed in deze tijd. De mode-industrie probeert overal van het imago van milieuvervuiler af te komen, spreekt voortdurend over betere arbeidsvoorwaarden en duurzame consumptie. Is Shein uiteindelijk het eerlijkere antwoord op wat werkelijk belangrijk is voor de klanten? Hoofdzaak: dat het goedkoop is – en na ons de zondvloed? 

    Kledingstukken als data

    Misschien moeten we Shein niet zien als een verdere ontwikkeling van het fastfashionidee, maar als het eerste modeconcern dat helemaal niet meer geïnteresseerd is in mode. In wezen is het een technologiebedrijf waarvoor kledingstukken alleen nog data zijn. Het groeipotentieel zit niet meer in de verbetering van de kwaliteit, maar in de precisie van de aanbevelingsalgoritmen. Jongeren moeten niet meer alleen kopen, maar zo lang mogelijk op de app blijven hangen en lid van een community worden.

    Misschien is dat ook de reden waarom Shein in nog geen twintig jaar zo succesvol kon worden, en vrijwel niemand van boven de dertig het in de gaten had.

    De ontstaansgeschiedenis van Shein is, zoals alles bij deze firma, vaag. Het bedrijf werd opgericht in 2008 of 2012 – al naargelang welke bron je gebruikt – in de Oost-Chinese stad Nanjing. Toen heette de site nog ‘Sheinside’ en werd er bruidsmode verkocht. Ook over oprichter Xu Yangtian, die zich Chris noemt, is weinig bekend.

    Video’s met de hashtag #Shein werden op TikTok meer dan 32 miljard keer bekeken

    Chinese kranten schrijven dat Xu afkomstig is uit de kustprovincie Shandong, daar studeerde in Qingdao en ervaringen opdeed in het optimaliseren van zoekmachines. Andere media menen te weten dat hij in de VS is geboren en afgestudeerd is aan de Washington-universiteit. Hij noch zijn onderneming geeft ooit interviews.

    Naar het schijnt zei Xu in 2020 tegen een Chinese krant: ‘Wat u ook schrijft, als het niet waar is zal ik u zeker aanklagen.’

    In 2014 verhuisde zijn firma naar Guangzou. Een jaar later schrapte de oprichter de laatste vier letters van de firmanaam. Sheinside werd Shein, de business werd uitgebreid naar kleding voor mannen, vrouwen en kinderen, geoptimaliseerd voor zoekmachines en ultragoedkoop. Shein heeft nooit de Chinese markt bediend; de doelgroep was jongeren in het buitenland die weinig geld willen uitgeven aan mode. Misschien was de druk van de concurrentie in het thuisland te groot.

    Influencers

    Addison Rae, een Amerikaanse TikTok-ster van het eerste uur, maakt reclame voor het goedkope merk, evenals de Duitse youtuber Bianca Classen, alias Bibi van BibisBeautyPalace. Minstens zo belangrijk als de megasterren – en hun prijs meer waard – zijn de kleine sterretjes, de MeSound-micro-influencers met minder dan honderdduizend volgers, die in ruil voor polyester bikini’s of kunstleren handtassen voor hun huiskamerspiegel dansen in de outfit van de dag. Content waaraan je nauwelijks kunt zien dat het om reclame gaat, ware het niet dat in de profielbeschrijving een code staat waarmee de volgers een korting van 15 procent krijgen en de influencer een bescheiden provisie.

    Die strategie heeft Shein op TikTok gemaakt tot het meest genoemde merk van het jaar 2020. Video’s met de hashtag #Shein werden op het platform meer dan 32 miljard keer bekeken. 25 miljoen gebruikers hebben een abonnement op het Engelstalige Instagramkanaal.

    ‘Iemand draagt een bepaald jurkje en plotseling wil iedereen zoiets,’ zegt de Amerikaanse blogger Alexandra Hildreth (24). Zij noemt de voordelige handel die uit een enkele foto of video ontstaat en zich over het hele platform verspreidt ‘microtrends’. Maar even snel als die trends ontstaan, kan de hype ook weer voorbij zijn. ‘Je krijgt gauw het gevoel dat je er te laat bij bent,’ zegt ze. ‘En dan stort je je op de volgende trend.’

    Jaarlijks brengt Shein 1,3 miljoen nieuwe producten op de markt.

    Het lukt Shein beter dan de gevestigde merken om deze trends op te sporen en daar een miljardenbusiness van te maken. Navenant hoog is de output van nieuwe kledingstukken die de onderneming produceert: in de laatste week van juni verschenen er elke dag meer dan duizend nieuwe kledingstukken in de webwinkel. Jaarlijks brengt Shein 1,3 miljoen nieuwe producten op de markt. Bij fastfashionconcurrent Zara zijn dat er 35.000, bij H&M 25.000.

    Verzoeken om interviews worden door Shein afgewezen.

    In een bijdrage aan het techblog Techonomy verduidelijkt hoofd marketing Molly Miao de bedrijfsfilosofie van Shein. ‘In een ideale wereld zouden modebedrijven een oneindig aantal stijlen moeten aanbieden,’ schrijft ze, waaruit klanten volgens hun individuele voorkeuren kunnen kiezen. Elk kledingstuk zou dan slechts ‘een enkele keer’ worden gemaakt. 

    Arbeiders gezocht

    Hoe Shein dit ideaal benadert, is te zien in Guangzhou. In de Zuid-Chinese provinciehoofdstad hangen overal rode reclameborden waarop staat: ‘Arbeiders gezocht voor een internationaal modemerk.’ In verwaarloosde industriegebouwen, in magazijnen van supermarkten of gewoon in de wirwar van nauwe straatjes worden topjes van 4 euro en plastic handtasjes genaaid.

    Bij de bazen van de naaiateliers op achterplaatsjes is Shein gewild als opdrachtgever: het concern garandeert het opkopen van de hele productie en betaling binnen twee weken. In deze bedrijfstak worden rekeningen doorgaans vaak pas na drie maanden betaald, en soms helemaal niet. 

    Gaat een tanktop viraal, dan wordt dat topje de volgende dag in het naaiatelier om de hoek genaaid

    Nieuwe voorraad bestelt Shein in heel kleine hoeveelheden, de ene keer honderd, de andere keer slechts vijftig stuks. Als de kledingstukken in de opslag van de webwinkel zijn aangekomen, analyseert de software van het bedrijf in realtime wat op de website en de app gezocht en gekocht wordt. Gaat een tanktop viraal, dan wordt dat topje de volgende dag in het naaiatelier om de hoek genaaid.

    Blijkt het een winkeldochter te zijn, dan heeft Shein in het ideale geval slechts een paar kledingstukken te veel besteld. Een minimaal risico bij maximale flexibiliteit. Door de directe verbinding tussen de naaiateliers en Sheins software verloopt het hele proces duizelingwekkend snel: binnen drie tot vijf dagen zou een ontworpen – of gekopieerd – kledingstuk verkocht kunnen worden.

    Voor Chinese ondernemingen is het normaal om zo datagedreven te werken, zegt de Chinees-Amerikaanse techanalist Rui Ma. De clientèle is ‘extreem divers’, de verschillen tussen stad en platteland, tussen rijk en arm, zijn enorm. ‘Shein doet niet alsof het weet wat een klant wil,’ zegt Ma. ‘Ze experimenteren gewoon met kleine aantallen, en analyseren dan heel precies de data van de verkoop.’

    Volgende Amazon

    De onderneming beperkt zich allang niet meer tot kleding, maar maakt ook meubels, cosmetica, spullen voor huisdieren et cetera. Veel waarnemers vinden de vergelijking met andere modebedrijven daarom niet meer opgaan. Shein, zegt de Duitse handelsexpert Gerrit Heinemann, is eerder op weg om ‘de volgende Alibaba of Amazon’ te worden.

    In elk geval de geldschieters lijken dit in te zien. In de laatste financieringsronde haalde Shein 1 miljard dollar op van investeerders. Onder hen waren grote namen als de investeerder van risicokapitaal Sequoia Capital, die ooit techreuzen als Apple, Google en Airbnb groot maakte. Ook Tiger Global, een van de meest ambitieuze geldschieters van de laatste jaren, investeerde miljoenen.

    Precieze cijfers zijn er nauwelijks. Zelfs David Hachfeld, die zich maandenlang met Shein heeft beziggehouden, moet het met schattingen doen. Hij werkt voor de Zwitserse ngo Public Eye, die wereldwijd schendingen van mensenrechten onderzoekt. Shein, zegt Hachfeld, is een ‘zwart gat’.

    Shein kreeg onlangs een duurzaamheidsscore van 0, op een schaal van 150 punten

    Hachfeld vindt dat het businessmodel een stap terug is. Als je kleding, meestal van polyester, in kleine ladingen door contractarbeiders in Chinese achterkamertjesbedrijven laat maken, ze per stuk in plastic zakken laat verpakken en per luchtvracht naar Europa en de VS laat vliegen, ‘dan kan dat nooit een duurzaam bedrijfsmodel zijn. Zo word je snel groot, dat is duidelijk. Maar de mensen en het milieu betalen daarvoor de prijs.’ 

    Blijkbaar heeft men bij Shein ingezien dat hier een zwakke plek zit. Tussen de glanzende kortingscodes en aflopende countdowns voor speciale aanbiedingen bevindt zich ook het label ‘Shein Cares’. ‘Wij proberen het goede te doen’, heet het daar. ‘Door duurzame methoden en materialen te gebruiken dragen we ons steentje bij om de planeet er zo goed mogelijk te laten uitzien.’ 

    Eind april begon Shein zelfs een ‘duurzame’ lijn, ‘Evolushein’, met producten die ten minste voor een deel uit gerecycled polyester bestaan. Op aanvraag van Der Spiegel somt de onderneming meerdere duurzaamheidsinitiatieven op waaraan Shein deelneemt.

    In een merkenrapport van de ngo Remake, die zich bezighoudt met mensenrechtenschendingen in de mode-industrie, kreeg Shein onlangs een duurzaamheidsscore van 0, op een schaal van 150 punten. Zara kreeg, bijvoorbeeld voor zijn ondersteuning van vakbonden, tenminste nog 24 punten, en de H&M-groep 39 punten. De uitspraken van Shein zouden ‘extreem misleidend’ zijn en in veel gevallen simpelweg onbewezen, aldus het rapport van Remake.

    Leven van een naaister

    De naaisters in Guangzhou weten meestal niet eens voor wie ze zo hard zwoegen. Een of ander buitenlands merk, zegt een vrouw uit Hubei. Sinds twee jaar naait ze tegen stukloon, zeven dagen in de week, vaak tot diep in de nacht, in het schemerige licht van de neonbuizen. Haar naaimachine staat op de eerste verdieping van een industrieel complex. Bij de ingang liggen Shein-zakken opgestapeld, je hoort het monotone ratelen van de machines. Af en toe krijst de parkiet die de chef in een vogelkooi heeft opgesloten. Als in een mijn.

    De werkdag van de naaister begint om 8.00 uur, om 11.30 uur houden zij en haar collega’s middagpauze. Vanaf 13.30 uur beginnen ze weer. Avondeten om 17.30 uur. Om 19.00 uur volgt dan de late shift tot 23.30 uur. Alleen op zondagen maken ze geen overuren. Twee dagen in de maand heeft ze vrij. Een arbeidscontract, vertelt de vrouw, heeft ze niet. Soms krijgt ze 5000, soms 6000 yuan per maand, omgerekend ongeveer 800 euro. Als de stroom uitvalt, zoals afgelopen herfst, staan de machines stil en verdient niemand iets.

    Wat vindt ze daarvan? ‘Het is prima. Ik ben blij dat ik dit kan doen,’ zegt ze. ‘Wat kan ik anders doen?’

    Arbeiders die in touw zijn voor Shein werken vaak meer dan 70 uur per week, en dat blijkbaar meestal zonder arbeidscontract. Dat laten interviews zien die Public Eye in zes fabrieken in Guangzhou heeft afgenomen. Eigenlijk zijn dat duidelijke overtredingen van de arbeidswetten van de Volksrepubliek, die de gemiddelde werktijd per week beperken tot 40 uur. Per maand zijn 36 overuren toegestaan, en elke medewerker moet een arbeidscontract krijgen. Schendingen van het arbeidsrecht komen evenwel in de hele branche voor, zowel bij leveranciers van Shein als bij veel andere bedrijven in Zuid-China die voor grote merken produceren.

    Shein deelt schriftelijk mee dat de toeleveringsbedrijven regelmatig worden gecontroleerd door onafhankelijke instanties. ‘Als er overtredingen worden geconstateerd, nemen wij verdere maatregelen, die zelfs tot opzegging kunnen leiden.’ Hoe vaak er gecontroleerd wordt en welke overtredingen tot op heden zijn ontdekt, daarover zwijgt de keten. 

    Regelgeving

    In Duitsland toont men zich vastbesloten om Shein daarmee niet te laten wegkomen. Ondernemingen zouden de verantwoordelijkheid niet langer op derden moeten kunnen afschuiven, ‘niet op hun toeleveranciers, noch op externe certificeerders,’ zegt Anosha Wahidi van het ministerie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De nieuwe wet op productieketens, die in 2023 van kracht wordt, zou juist daarop gericht zijn en ‘dwingt ondernemingen tot een verandering van perspectief’. Ook de geplande Europese regulering zou een ‘sterk instrument’ zijn.

    In de praktijk wordt Shein door deze nieuwe regels nauwelijks geraakt, omdat het in Duitsland geen hoofdkantoor heeft. Een EU-wet wordt op z’n vroegst in 2024 van kracht. Op dit moment wordt nog gesproken over de details.

    De ‘New York Fashion Act’ laat zich zelfs lezen als een ‘Shein-wet’

    De VS en Groot-Brittannië denken al na over aanscherpingen van de wet. Vooral de praktijk van Shein om invoerrechten te ontwijken door grote bestellingen te verdelen in kleine pakketjes die per luchtvracht worden verstuurd, stuit in de VS op weerstand. De ‘New York Fashion Act’ laat zich zelfs lezen als een ‘Shein-wet’: de staat en de stad New York willen ondernemingen die hun plicht tot transparantie niet nakomen uitsluiten van de markt. Alle firma’s met een jaaromzet van meer dan 100 miljoen dollar moeten daaronder vallen. Alleen dat, zo is de overtuiging van experts in politiek Berlijn, zal voor Shein ‘duidelijk problemen opleveren’.

    En het jatten van ontwerpen? Op een vraag van Der Spiegel deelt Shein mee dat alle leveranciers moeten garanderen dat hun producten geen inbreuk zijn op geestelijk eigendomsrecht. Men zou verder investeren in reviewprocedures. Tot dusver, zo lijkt het, is het aan de merken zelf om daarop te letten.

    Ralph Lauren diende een klacht in, net als het bedrijf achter Dr. Martens. Voor minder bekende ontwerpers blijft vaak alleen de optie over om de publiciteit op te zoeken. Misschien reageert Shein alleen na een shitstorm.

    Voor de directe concurrenten, aldus handelsexpert Heinemann, blijft alleen ‘de vlucht naar voren’ over. ‘H&M en Zara moeten zorgen dat zij de jonge doelgroep duidelijk kunnen maken waarom hun producten meer kosten.’

    Mindere kwaliteit

    Dat zou eigenlijk niet moeilijk moeten zijn. Een onderzoek dat een team van de Hogeschool Niederrhein uitvoerde voor Der Spiegel laat duidelijke verschillen zien tussen de Shein-kopieën en hun fastfashionvoorbeelden. Vijf kledingstukken werden uitvoerig geanalyseerd.

    Een groene schoudertas ruikt sterk naar kunststof, uit een gebloemd bovenstukje met hartvormige uitsparing stijgt de geur op van een tankstation. Dat zou kunnen komen, zegt Maike Rabe, die het Onderzoeksinstituut voor textiel en bekleding van de hogeschool leidt, doordat de producten geen tijd hebben gekregen om te luchten. 

    De kledingstukken van Shein zijn allemaal van polyester. De ‘goedkoopste stof die je in de textielindustrie kunt gebruiken,’ zegt Rabe, ‘uitsluitend op basis van aardolie’. Bij de producten van de concurrentie worden ook textielmengsels gebruikt, bijvoorbeeld van viscose.

    Bij het uitvoerige onderzoek komen nog meer verschillen aan het licht. Bij de producten van Shein zijn de naden slordiger en zijn ritssluitingen niet in stof vastgezet. In plaats van de pasvorm met relatief kostbare snij- en naaitechnieken te fixeren, worden bij sommige kledingstukken van Shein simpelweg stukken elastiek gebruikt.

    ‘De kledingstukken zijn van het niveau van carnavalskleren’

    Ook de dessins, op het eerste oog identiek, verschillen bij nader inzien. Soms ziet de bedrukte stof er ‘verpixeld’ uit, soms zijn de kleurovergangen ‘minder vloeiend’. Alsof iemand de Zara-kleding heeft gefotografeerd en het dessin op basis daarvan heeft laten nadrukken. ‘Brutale kopieën,’ noemt Rabe de producten. ‘De kledingstukken zijn van het niveau van carnavalskleren,’ luidt haar vernietigende oordeel.

    Dat lijkt de klanten nog niet bijzonder te storen. Op een binnenplaats in Covent Garden, het winkel- en uitgaansgebied in Londen, heeft Shein een pop-upstore ingericht voor het weekend. De rij reikt tot aan de hoek van de straat. Bijna een uur hebben de wachtenden nodig om de ingang te bereiken. Zulke events zijn zeldzaam.

    De ruimte is nauwelijks groter dan een woonkamer. Een dj draait platen. Tweehonderd, misschien tweehonderdvijftig mensen verdringen zich rond de kledingrekken. Enkelen laten zich door een tekenaar schetsen in hun lievelingsoutfit. Anderen poseren in het nieuwe bovenstukje voor de camera’s, ‘voor TikTok’.

    Spotgoedkoop

    Het label is vooral vanwege de prijzen populair onder tieners: een croptop kost als speciale aanbieding nu 2 euro, sneakers 15 euro. Zelfs winterjassen heb je hier voor 23 euro. En vaak krijg je er nog korting op.

    De Amerikaanse Mafalda Fonseca (30) is een van de talrijke Instagrammers die reclame maken voor Shein. Zij post spiegelselfies uit haar slaapkamer, soms met een grote pluchen teddybeer. Natuurlijk weet ze ‘dat Shein niet het meest ethische bedrijf is’, zegt ze. ‘Die willen alleen maar geld verdienen, daar ben ik niet naïef in.’ Maar ze kan daar eindelijk kleding vinden ‘die me past en die ik me kan veroorloven’. Ze draagt meestal kledingmaat 2XL. Extra grote maten zijn volgens haar ‘saai of duur, of allebei’. Bij Shein zou dat anders zijn.

    Ook het milieu-argument weegt soms bij de jonge doelgroep niet zwaar meer. ‘Jarenlang verspreidden de merken de boodschap: koop duurzamer, dan kun je de wereld redden,’ zegt Madeleine Alizadeh, de 33-jarige Duitstalige influencer die bekend is als @Dariadaria. Jarenlang regende het negatieve commentaren als je nieuwe kleding aanschafte of met het vliegtuig op vakantie ging. Nu is ze ervan overtuigd dat individuele consumptie ‘niets verandert aan het feit dat er in de mode-industrie zo veel misgaat’. In plaats van de consumenten moeten volgens haar de bedrijven ter verantwoording worden geroepen. Hier moet de politiek ingrijpen. 

    Lees ook:

  • Kraanwater moet weer cool worden

    Kraanwater moet weer cool worden

    Waarom wordt overal ter wereld water uit flessen gedronken, zelfs in gebieden waar kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is? Antwoord: omdat water uit de kraan niet het gigantische marketingbudget heeft waar multinationals 217 miljard dollar per jaar mee omzetten.

    Het Penrose Recreation Center in het noorden van Philadelphia heeft een nieuwe lik verf gekregen. Na de onthulling afgelopen september zien de omwonenden nu op een van de muren een helblauw portret van een heuse buurtgenote die met een grijns op haar gezicht een slok neemt uit haar navulbare drinkfles. Het is een van de twee muurschilderingen die het drinkwaterbedrijf van Philadelphia heeft laten maken om het plaatselijke kraanwater te promoten, toen aan het licht kwam dat veertig procent van de inwoners thuis uitsluitend flessenwater dronk. Ook bleek dat flessenwater vooral werd gekocht door mensen met een Afro-Amerikaanse of Zuid-Amerikaanse achtergrond en uit de lagere inkomensklasse.

    Dat was een zorgwekkende ontdekking, ‘vooral in een stad als Philadelphia, waar het kraanwater van verbazingwekkend goede kwaliteit is’, zegt Maura Jarvis van het plaatselijke drinkwaterbedrijf. De drinkwatervoorziening in de Verenigde Staten als geheel behoort tot de veiligste ter wereld en het water in Philadelphia voldoet aan de officiële veiligheidsnormen en valt binnen de geadviseerde grenzen voor bepaalde synthetische stoffen waarvoor nog geen regels bestaan. Het drinkwaterbedrijf heeft zich ten doel gesteld het vertrouwen in het plaatselijke kraanwater te herstellen. Maar dat zal niet meevallen.

    ‘Het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen’

    ‘We moeten concurreren met een gigantische flessenwaterindustrie die haar status quo wil behouden,’ zegt Jarvis. ‘Maar het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen.’

    De flessenwaterindustrie is wereldwijd goed voor een omzet van 217 miljard dollar, een bedrag dat jaarlijks 11 procent stijgt. En van de 29 miljard waterflessen die Amerikanen jaarlijks kopen wordt maar een op de zes gerecycled. De rest heeft duizend jaar nodig om te vergaan, waarbij de nodige vervuilende stoffen in de watersystemen terechtkomen. Volgens het Barcelona Institute for Global Health is de impact van het drinken van flessenwater op onze ecosystemen veertienhonderd keer hoger dan die van kraanwater en zijn er alleen om aan de vraag in de VS te voldoen al zeventien miljoen vaten olie per jaar nodig. Een zaak dus met grote gevolgen voor zowel milieu en volksgezondheid als sociale gelijkheid.

    Maar hoewel we weten dat flessenwater een aanslag is op onze portemonnee, onze gezondheid en onze planeet blijven we het kopen, zelfs in gebieden waar de toevoer van kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is. Dus hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen voor het alternatief kiezen?

    Hoe massaal werd overgestapt op flessenwater

    Het idee om water te bottelen en naar nieuwe bestemmingen te transporteren ontwikkelde zich tot een commercieel fenomeen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen Perrier agressief reclame begon te maken voor haar flessen bruisend H₂O als een chic, ambitieus alternatief voor kraanwater. In de jaren negentig volgden Coca-Cola en Pepsi, die hun distributienetwerken gebruikten om de markt te overspoelen met hun eigen merken flessenwater.

    Wat er in deze flessen zit is niet per se beter, zoals tests uitwijzen. Maar flessenwater heeft iets heel belangrijks wat kraanwater mist: een gigantisch marketingbudget. Richard Wilk, hoogleraar antropologie aan Indiana University, schreef in 2006 in het Journal of Consumer Culture dat de alomtegenwoordigheid van flessenwater te danken is aan marketeers, of zoals hij het uitdrukt, ‘tovenaars die alledaagse en in overvloed aanwezige zaken in exotische kostbaarheden veranderen’. Tegenwoordig zijn er zelfs chique hotels en restaurants die watersommeliers aanstellen.

    ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben’

    Door lyrische verhalen op te hangen over natuurlijke bronnen en hun flessen te versieren met plaatjes van gletsjers en bossen, hebben ze ons ervan overtuigd dat wat zij verkopen gezonder, smakelijker en natuurlijker is dan wat via leidingen ons huis binnenkomt. Die strategie is zo succesvol dat velen zich niet realiseren dat de bron van hun water veelal dezelfde is als die van ons. ‘Deze bedrijven kunnen miljarden dollars aan reclame besteden,’ zegt Wilk. ‘Een staats- of gemeentebestuur dat met zijn beperkte middelen ook nog duizend andere dingen moet doen, kan met geen mogelijkheid op tegen de marketing van een softdrinkbedrijf.’

    Sam Höller werkt voor a tip: tap, een non-profitorganisatie die kraanwater promoot in Duitsland. Hij zegt: ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben. Dat is geweldig nieuws, zeg ik dan. Ik ken meer mensen zoals jullie.’ Toch is flessenwater een bloeiende bedrijfstak die aan veel mensen werk biedt, zodat het promoten van een gratis alternatief minder makkelijk is dan je zou denken. Maar a tip: tap doet zijn best. In Berlijn heeft de organisatie sinds 2010 het aantal openbare waterfonteintjes helpen groeien van zestien tot meer dan tweehonderd.

    Hoe de kraan terrein wint

    Langzaam maar zeker worden consumenten zich bewuster van het afval dat flessenwater produceert en stappen ze over op navulbare waterflessen of eisen ze betere verpakkingsalternatieven. Toen Kim Kardashian haar Instagramvolgers in 2020 een rondleiding gaf in haar keuken, zullen ze hebben gezien dat haar koelkast uitsluitend water bevatte van merken die glas of karton als verpakking gebruiken en geen plastic. In 2019 promootte Gwyneth Paltrow gebotteld water van Flow, een B-merk dat recyclebare Tetra Pak-verpakkingen gebruikt.

    PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt

    Ook grote bedrijven beginnen zich aan te passen aan de veranderende consumentenvoorkeur. Volgens Euromonitor is de verkoop van flessenwater in Duitsland (de op een na grootste Europese consument van het product) in 2021 met drie procent gedaald. Dit leidde ertoe dat Coca-Cola in 2021 zijn merk Apollinaris uit de Duitse supermarkten haalde, nadat de verkoop van hun segment ‘hydrateringsproducten’ met 11 procent was gedaald. PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt. Ondertussen lanceert zowel Danone als Nestlé zijn eigen systeem om thuis kraanwater een smaakje te geven, te laten bruisen en te filteren.

    Maar de Europese campagnegroep Break Free From Plastic klaagt dat de reactie van de grote bedrijven op het plasticprobleem meestal voorbijgaat aan de kern van de zaak. In plaats daarvan besteden ze de meeste energie aan het hypen van onbewezen technieken, het verleggen van de verantwoordelijkheid naar de consument of het simpelweg aankondigen van projecten die nooit zullen worden gerealiseerd. Wat echt nodig is, is een transitie naar nieuwe systemen die zijn gebaseerd op hergebruik, aldus de campagnegroep.

    Hoe de regels worden veranderd

    Vorig jaar heeft de Europese Unie verscheidene plastic items voor eenmalig gebruik in de ban gedaan, maar geen flessen. De VN hebben zich voorgenomen een eind te maken aan de plasticvervuiling, maar een bindende overeenkomst laat nog op zich wachten. Toch is er op plaatselijk niveau al een aantal succesverhalen. In Cape Cod, Massachusetts, heeft de campagnegroep Sustainable Practices actie gevoerd om de verkoop van flessenwater binnen de gemeentegrenzen te verbieden. Negen gemeenten hebben het idee inmiddels overgenomen en toegepast. ‘Flessenwater komt uit een bron in iemands gemeente. Het komt niet van een andere planeet,’ zegt Madhavi Venkatesan, verbonden aan de economische faculteit van Northeastern University in Boston en directeur van Sustainable Practices. ‘Dus zitten er dezelfde vervuilende stoffen in als in je plaatselijke water, maar met een plastic fles vererger je die vervuiling.’

    Het verbieden van plastic flessen is een voortdurende strijd: zo gaat het dorp Sandwich in Massachusetts binnenkort voor de derde keer over de kwestie stemmen, nadat het verbod vorig jaar tot tweemaal toe door de gemeenteraad was goedgekeurd en vervolgens weer verworpen. Volgens Venkatesan maken tegenstanders van het verbod (dat tijdens de laatste campagne 38 van de 300 stemmen tekortkwam) zich vooral zorgen over de gevolgen voor winkeliers of willen ze het gemak behouden van het kopen van flessenwater.

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik. Voor 95 procent van de in plastic gebottelde waterproducten kon de luchthaven een geschikte alternatieve verpakking bieden. ‘De winstmarge voor onze verkopers is nagenoeg gelijk gebleven,’ zegt Erin Cooke, directeur duurzaamheid van de luchthaven. ‘En we hebben ze de mogelijkheid geboden meer premiumproducten te verkopen, zoals herbruikbare flessen van glas of ander materiaal.’ Om het makkelijker voor consumenten te maken om hun eigen waterfles mee van huis te nemen, heeft de luchthaven honderd navullocaties geïnstalleerd en wordt reizigers meegedeeld dat ze met een lege waterfles moeiteloos door de security komen.

    Waar San Francisco een ongebruikelijk verbod op plastic flessen heeft ingesteld, ondernemen veel andere luchthavens stappen om alternatieven aan te bieden. De luchthaven van Manchester in het VK heeft zich aangesloten bij het landelijke programma Refill, dat mensen met behulp van een app helpt de dichtstbijzijnde plek te vinden om hun fles te vullen.

    Terug naar Philadelphia, waar het drinkwaterbedrijf blijft peilen hoe inwoners over kraanwater denken, om te zien of de boodschap doorkomt. Het is nog te vroeg om de effectiviteit van de campagne te kunnen beoordelen, zegt Maura Jarvis, maar de houding is al een klein beetje positiever geworden. ‘Mensen moeten zelf kiezen wat het beste is voor hun gezin en hun huishouden,’ zegt ze. ‘Maar ik wil niet dat ze voor flessenwater kiezen zonder dat ze de feiten kennen.’

  • Balinese ondernemers willen duurzaam toerisme

    Balinese ondernemers willen duurzaam toerisme

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Kazachstan: president ontslaat regering na ‘zeldzame’ protesten

    » Intel maakt excuses in China vanwege boycot Xinjiang

    Duurzame bedrijven in opkomst op Bali

    In 2020 werkten 236.000 mensen op Bali in de toeristische sector, tegenover 328.000 in 2019. Dat aantal zal in 2021 hoogstwaarschijnlijk niet gestegen zijn. Want internationale reizigers zijn sinds oktober weer welkom, maar in de eerste tien maanden van dit jaar verwelkomde het eiland slechts vijfenveertig toeristen, tegenover ruim zes miljoen internationale en tien miljoen binnenlandse toeristen in 2019.

    ‘Jongeren zoeken ook naar alternatieven omdat ze zien hoe destructief het effect van massatoerisme op Bali is’

    De pandemie en de ineenstorting van het toerisme hebben veel jonge mensen geïnspireerd om na te denken over het starten van een eigen bedrijfje, schrijft Al Jazeera. Als medeoprichter van de nonprofitorganisatie Pratisara Bumi Foundation helpt Irma Sitompul hen bij het opzetten van bedrijven die prioriteit geven aan duurzame praktijken. ‘Jongeren zoeken ook naar alternatieven voor toerisme omdat ze zien hoe destructief het effect van massatoerisme op Bali is, hoe voorouderlijk land plaats moest maken voor villa’s en hoe het eiland lijdt onder afvalvervuiling’.

    Sitompul heeft inmiddels 276 aanmeldingen van mensen tussen de 18 en 32 jaar; 45 procent daarvan zit nog op school.

  • De Hollandse windmolen 2.0: duurzaam én esthetisch

    De Hollandse windmolen 2.0: duurzaam én esthetisch

    Zo gaat hij er ooit uitzien, de windturbine die de komende jaren in de haven van Rotterdam gebouwd moet worden. Want ook de energietransitie vraagt om esthetiek. ‘Wat we nu moeten formuleren, is een soort Futuristisch manifest 2.0.’

    Midden in de haven van Rotterdam moet de komende jaren een 174 meter hoge windturbine worden gebouwd waarin je ook kunt wonen. Maar het futuristische gebouw, in de vorm van een enorme ring die enerzijds een archaïsche indruk wekt, maar anderzijds doet denken aan het gigantische lanceerplatform uit de sciencefictionfilm Contact, gunt je vooral een blik in de toekomst. 

    De Windwheel Corporation, het consortium dat de windturbine in het land van de windmolens – waar anders? –symbolisch wil heruitvinden als spektakel van duurzaamheid, bestaat uit het team architecten rond Duzan Doepel en een ploeg investeerders die wordt aangevoerd door Johan Mellegers. De Technische Universiteit Delft levert knowhow in de vorm van een prototype, waarin de windturbine, die geen rotor of wieken heeft en dus niet het typische windgeluid en ook geen vibraties produceert, sinds 2013 proefdraait.

    Het Rotterdamse project is al een paar jaar bekend. De realisatie is, zeer optimistisch, op zijn vroegst gepland in 2025, en gaat tussen de 200 en 500 miljoen euro kosten, wat eveneens erg optimistisch lijkt. Het bouwwerk moet vooral als symbolische eco-architectuur dienen, maar ook als marktconform woongebouw, hotel, horecagelegenheid, uitkijktoren, hotspot voor toeristen en als een zichzelf bedruipende attractie voor selfies tegelijk. Op de tekening bestaat de gevel vrijwel geheel uit zonnepanelen. Ook elektrostatisch geladen waterdamp, binnen een elektrisch veld door wind in beweging gehouden, moet energie gaan produceren.

    Is hier ooit een deel van de oplossing of alleen een deel van het probleem te bewonderen?

    Tot zover de theorie. Of die in deze mate ook werkelijk functioneert, is nog niet te zeggen. En wat de vogels ervan vinden, weten we ook niet. Dat zouden we ze moeten vragen. Los van onze gevederde vrienden is het trouwens de vraag of hier iets futuristisch staat te gebeuren of dat er alleen sprake is van greenwashing, een project dat zich duurzamer voordoet dan het feitelijk is: is hier ooit een deel van de oplossing of alleen een deel van het probleem te bewonderen?

    Als dit visionaire, maar geenszins onrealistische project met succes wordt gerealiseerd, zou het een unieke hybride zijn: windkrachtcentrale en zonne-architectuur ineen. En zodoende precies wat Markus Söder (de Beierse minister-president) nu nodig heeft: een letterlijk bezienswaardige, zelfs blij stemmende oplossing voor twee actuele problemen. Want zowel met zonne- als met windenergie zitten we soms behoorlijk in onze maag.

    Groene wind

    Op deze twee natuurlijke energiebronnen is in de kwestie van het veranderende klimaat al onze hoop gevestigd. Maar veel deskundigen (zoals architecten) en hoeders van het stedenschoon houden niet van daken met zonnepanelen. En veel leken (zoals gewone mensen) en hoeders van het landschapsschoon houden niet van windturbines. Terwijl de politiek eindelijk wakker wordt en – met uitzondering van de gebruikelijke, bijna niet van idiotie te onderscheiden rechtse nostalgie – in alle verkiezingsprogramma’s een duidelijk groenere wind waait, heeft de samenleving moeite om akkoord te gaan met een energietransitie die aan hun kijkgewoonten raakt. En in die zin ook een kwestie van smaak is.

    Misschien biedt juist de waanzin waarin over het rationele op een irrationele en over het objectieve op een subjectieve manier wordt meebeslist, een uitweg uit het dilemma. Misschien heeft de energietransitie, waarvan de feitelijke noodzaak meer dan genoeg is aangetoond, niet nog meer feiten nodig. Maar moeten we die met eigen ogen kunnen zien. Misschien moet de push die nog nodig is niet zozeer uit de kracht van argumenten komen, maar uit de kracht van suggestie. Misschien heeft de klimaatverandering, die steeds sneller steeds apocalyptischer beelden produceert, ook symbolen van hoop en veelbelovende architectuur nodig.

    Na de overstromingsramp in West-Duitsland werden de talkshows op tv overspoeld met mensen die de noodzaak van een radicaal andere klimaat- en milieupolitiek verkondigden. Alweer. Het onderwerp ligt allang waar het thuishoort: op straat, de straat die eigenlijk een weiland had moeten zijn. Alleen bestaat er voor groene oplossingen weliswaar veel ostentatief verkondigde goede wil, maar aan het einde van de verkiezingsdag blijkt merkwaardigerwijs dat er tot nu toe nog steeds geen politieke meerderheid voor is. Daarom krijgen windturbines en zonnedaken een betekenis die de functionele betekenis verre overstijgt. In het gunstigste geval worden ze het emblematische handelsmerk van de energietransitie. Betekenisvolle symbolen en daarmee transformatoren naar een nieuw tijdperk.

    Futuristisch manifest 

    De kritiek op alle pogingen om de energiehonger van de mensheid te stillen door een pact te sluiten met zon en wind, zodat de nu al levensbedreigende klimaatverandering niet nog erger wordt, is nog steeds opmerkelijk robuust. De energietransitie, van fossiele, CO2-uitstotende energiedragers naar regeneratieve, schone bronnen, is allang geen technisch vraagstuk meer, maar een probleem van maatschappelijke acceptatie. En precies op dat punt komt er een factor in het spel die er ogenschijnlijk niets mee te maken heeft: de esthetiek.

    Wat we nu moeten formuleren, is een soort Futuristisch manifest 2.0. Om het geheugen wat op te frissen: het oprichtingsmanifest van het Futurisme, op 20 februari 1909 gepubliceerd in Le Figaro, is te danken aan de enerzijds door het fascisme en anderzijds door het anarchisme beïnvloede, krankzinnige ideeën van Filippo Tommaso Marinetti, dichtend advocaat van beroep en daarnaast actief als revolutionair. In het manifest bezweert hij op eloquente wijze het moderne tijdperk: als een tijd waarin de overlevering wordt vervloekt en reikhalzend wordt uitgekeken naar het per se ‘nieuwe’. En dat zo allesomvattend dat het opkomende totalitarisme er net zozeer in zit als het verlangen naar een niet alleen nieuwe, maar ook betere wereld.

    Er is nu niet alleen behoefte aan een nieuw ecologisch evenwicht, maar ook aan een nieuwe esthetiek

    Vanuit hedendaags gezichtspunt moet de manifeste onzin in het manifest – waarin wordt geconcludeerd dat raceauto’s mooier zijn dan antieke beeldhouwwerken en dat musea moeten worden gesloopt en parkeergarages moeten worden gebouwd, en waarin dynamiek en versnelling de nieuwe middelen tegen alle kwalen zijn – niet al te serieus worden genomen. Maar het manifest maakte toch enorm veel los. Zowel in de doelstellingen van het Bauhaus van Walter Gropius als in veel andere op esthetiek gebaseerde stromingen in het begin van de twintigste eeuw zijn er elementen van terug te vinden. Futurisme, Bauhaus, rationalisme: ze waren (en zijn in principe nog steeds) allemaal succesvol mede omdat ze de stromingen van hun tijd een gemeenschappelijke en zichtbare noemer gaven. Het nieuwe denken was ook altijd een nieuw verlangen. En een nieuwe manier van kijken.

    Daarom is nu niet alleen behoefte aan een nieuw ecologisch evenwicht, maar ook aan een nieuwe esthetiek, aan nieuwe architecten, landschapsarchitecten en ontwerpers. Zij beheersen de kunst om zon en wind tot de beelddragers van een op zijn beurt vernieuwde tijd te maken. Het gaat niet alleen om ingenieurstechniek, het gaat ook om de overtuigingskracht van de vorm. De wind, zie Rotterdam, kan ook een beeldbepalend oriëntatiepunt zijn; de zon, zie Rotterdam, moet niet leiden tot stuitend gepruts op de daken. Ecologie kan ook een kracht worden, juist van de esthetiek. Goed leven is wellicht niet voldoende, het moet ook mooi leven zijn. 

  • Google Maps gaat reisadvies geven op basis van CO2-uitstoot

    Google Maps gaat reisadvies geven op basis van CO2-uitstoot

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Regering-Biden vraagt hoogste rechters om abortuswet in Texas te blokkeren

    » Rusland verbreekt de banden met de NAVO

    Google vergroent zoekresultaten in Maps en Flights

    Door rekening te houden met factoren zoals verkeersdichtheid, weghellingen en dergelijke biedt Google Maps automobilisten voortaan de keuze uit routes met de laagste CO2-uitstoot, bericht techblog Grist. Als de reistijd in grote lijnen hetzelfde is, kiest Google Maps standaard voor de route met de laagste CO2-uitstoot. De nieuwe service is onderdeel van een milieuvriendelijker beleid.

    Volgens Google-CEO Sundar Pichai zorgt het initiatief jaarlijks voor een besparing van 1 miljoen ton koolstofdioxide

    Volgens Google-CEO Sundar Pichai zorgt het initiatief jaarlijks voor een besparing van 1 miljoen ton koolstofdioxide, het equivalent van 200.000 minder auto’s op de weg. De nieuwe optie werd vorige week gelanceerd in de VS en zal volgend jaar in Europa beschikbaar zijn.

    Andere groene initiatieven die door het technologiebedrijf werden aangekondigd, zijn onder meer het aanbieden van emissie-informatie bij zoekresultaten voor luchtvaarttarieven op Google Flights. Het programma biedt koolstofarme vluchtopties aan en wereldwijd kunnen gebruikers voortaan per stoel de CO2-uitstoot voor elke vlucht zien. In zoekopdrachten naar hotels wordt vanaf nu informatie over inspanningen voor duurzaamheid vermeld.

    Lees ook:

  • EU haalt 12 miljard euro op met ’s werelds grootste uitgifte van groene obligaties

    EU haalt 12 miljard euro op met ’s werelds grootste uitgifte van groene obligaties

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » G20 belooft Afghanistan te behoeden voor humanitaire crisis

    » Goudexport uit Bolivia groeit

    EU haalt 12 miljard euro op met groene obligaties

    De Europese Unie heeft dinsdag 12 miljard opgehaald met groene obligaties om een deel van het coronaherstelplan van 750 miljard euro te financieren. In totaal moet tegen 2026 een derde van het plan met dergelijke obligaties worden gedekt, wat Europa tot ’s werelds grootste emittent van groene obligaties zou maken.

    Regeringen zijn verdeeld over de vraag of gas en kernenergie tot de groene activiteiten moeten worden gerekend

    De groene obligaties zullen grotendeels gebaseerd zijn op de EU-regels voor duurzame financiering, hoewel deze nog niet definitief zijn vastgesteld omdat de regeringen verdeeld zijn over de vraag of gas en kernenergie tot de groene activiteiten moeten worden gerekend, aldus Financial Times.

    Lees ook:

  • Toyota was koploper verduurzaming, maar verzet zich nu tegen elektrisch rijden

    Toyota was koploper verduurzaming, maar verzet zich nu tegen elektrisch rijden

    De autogigant liep ooit voorop met de hybride Toyota Prius, maar nu de wereld bezig is over te schakelen op elektrische auto’s, vecht het bedrijf tegen klimaatregels in een poging tijd te winnen. ‘Toyota is van een voorloper een achterblijver geworden.’

    De hybride Toyota Prius was een mijlpaal in de geschiedenis van schone auto’s en vond wereldwijd miljoenen kopers die zo hun steentje konden bijdragen aan een schoner milieu en tegelijkertijd op benzine konden bezuinigen. Maar de afgelopen maanden is Toyota, een van de grootste autoproducenten ter wereld, stilletjes de grootste tegenstander van een algehele overstap op elektrische auto’s geworden die volgens voorstanders cruciaal is om de klimaatverandering te bestrijden.

    In juni reisde topman Chris Reynolds van Toyota USA, die de contacten met de Amerikaanse regering onderhoudt, naar Washington voor achterkamertjesgesprekken met Congresleden, en lichtte daarbij Toyota’s agressieve verzet tegen volledig elektrische auto’s toe. Volgens vier ingewijden betoogde hij dat hybrides als de Prius, die zowel benzine als elektriciteit gebruiken, een grotere rol zouden moeten spelen, evenals auto’s die waterstof gebruiken.

    Reden voor die opstelling is een zakelijk dilemma: waar andere autofabrikanten op een toekomst van elektrische auto’s hebben ingezet, mikt Toyota voor de lange termijn op de ontwikkeling van waterstofbrandstofcellen, een technologie die kostbaarder is en een grote achterstand op accu’s heeft opgelopen, en voor de korte termijn op een groter gebruik van hybrides. Dat betekent dat een snelle omschakeling van benzine op elektriciteit funest zou kunnen zijn voor het marktaandeel en de nettowinst van het bedrijf.

    D-kwalificatie

    De recente lobby in Washington volgt op wereldwijde pogingen van Toyota, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook in het Verenigd Koninkrijk, de Europese Unie en Australië, om strengere emissienormen voor auto’s en het verplicht stellen van elektrische voertuigen tegen te gaan. Zo hebben leidinggevenden van Toyota’s Indiase poot de doelstelling van de regering aldaar om in 2030 alleen nog de verkoop van volledig elektrische auto’s toe te staan als onuitvoerbaar afgedaan.

    Ook heeft Toyota samen met andere autofabrikanten de kant van de regering-Trump gekozen in een geschil met de staat Californië over de ‘Clean Air Act’, een wet tegen luchtvervuiling, en is het bedrijf een proces tegen Mexico begonnen vanwege brandstofbesparingsregels. In Japan is Toyota in het geweer gekomen tegen CO2-belasting.

    Op het gebied van schone-autoproductie is ‘Toyota van een voorloper een achterblijver geworden’, terwijl andere autoproducenten voortvarend doorgaan met de ontwikkeling van elektrische voertuigen, zegt Danny Magill, analist bij InfluenceMap, een denktank uit Londen die de klimaatlobby van grote bedrijven volgt. InfluenceMap geeft Toyota een ‘D-kwalificatie’, de laagste onder autofabrikanten, en zegt dat het bedrijf politieke invloed uitoefent om openbare klimaatdoelen te ondermijnen.

    In verklaringen zegt Toyota dat het helemaal niet tegen elektrische voertuigen is. ‘Wij zijn het ermee eens dat geheel elektrische voertuigen de toekomst zijn,’ aldus Toyota-woordvoerder Eric Booth. Maar Toyota denkt dat er ‘te weinig aandacht wordt besteed aan wat er gebeurt tussen vandaag, nu 98 procent van de verkochte personen- en vrachtauto’s in elk geval ten dele fossiele brandstof gebruikt, en die volledig elektrische toekomst,’ aldus Booth. Tot die tijd is het volgens Booth logisch dat Toyota zijn bestaande hybrides en plug-inhybrides inzet om de uitstoot te verminderen. Ook waterstoftechnologie zou een rol moeten spelen. En iedere efficiëntienorm ‘zou een realistische inschatting moeten maken van de technologische mogelijkheden en voertuigen betaalbaar moeten helpen houden’, zegt het bedrijf in een verklaring.

    Toyota afficheert zichzelf als een bedrijf dat vierkant achter een groene transitie staat

    Vorig jaar sloot een groep vooraanstaande autofabrikanten in de VS een compromis over uitlaatemissies met de staat Californië, die strengere emissienormen wilde opleggen dan de regering-Trump. Toyota sloot zich niet aan bij dat compromis. Volgens ingewijden betoogde korter geleden de Alliance for Automotive Innovation, een lobbygroep van de auto-industrie, tijdens achterkamertjesgesprekken in Washington dat het compromis met Californië, dat naar verwachting model zal staan voor nieuwe normen van de regering-Biden, in feite niet haalbaar is voor al haar leden. Voorzitter van de lobbygroep is Chris Reynolds, de topman van Toyota USA.

    De regering-Biden wil strengere emissieregels uitvaardigen om de verkoop van elektrische voertuigen te bespoedigen. Ook wordt overwogen het Congres te vragen akkoord te gaan met de investering van miljarden dollars voor de bouw van laadstations en het verlenen van belastingvoordelen voor elektrische personen- en vrachtauto’s.

    Don Steward, een woordvoerder van de Alliance, zegt er niet bekend mee te zijn dat een van de vertegenwoordigers van de lobbygroep het compromis met Californië onhaalbaar heeft genoemd. De groep steunt normen die grofweg het midden houden tussen die van de regering-Trump en de regering-Obama, zegt hij.

    De strategie van Toyota houdt in dat op de lange termijn waterstofbrandstofcellen nog altijd een belangrijke technologie voor personenauto’s zullen zijn, terwijl hybrides de emissies op de korte termijn helpen reduceren. Maar waterstofauto’s blijven kostbaarder, en waterstof als brandstof voor personenauto’s is niet op grote schaal beschikbaar. Intussen hebben verschillende studies aangetoond dat hybrides op de korte termijn minder emissiereductie realiseren. Als grote sponsor van de Olympische Spelen in Tokio heeft Toyota dat podium benut om zijn duurzaamheidsboodschap uit te dragen. De Olympische fakkel brandde gedurende een deel van zijn reis op waterstof en een vloot van gestroomlijnde, door waterstof aangedreven Toyota’s Mirai vervoerde Olympische hoogwaardigheidsbekleders met gezwinde spoed door Tokio. (Overigens heeft het bedrijf toen de zorgen over covid-19 toenamen in Japan alle reclame die verband hield met de Olympische Spelen gecanceld.) 

    Toyota afficheert zichzelf als een bedrijf dat vierkant achter een groene transitie staat, maar in werkelijkheid verzet het zich tegen initiatieven die volgens anderen van doorslaggevend belang zijn voor een groene transitie.

    Politieke donaties

    Naast de lobbyactiviteiten liggen ook de politieke donaties die de Japanse automaker heeft gedaan inmiddels onder een vergrootglas. Vorige maand heeft de Amerikaanse non-profitwaakhond Citizens for Responsibility and Ethics campagnebijdragen onderzocht en geconstateerd dat Toyota dit jaar veruit de grootste geldschieter was van Republikeinen in het Congres die het verkiezingsresultaat van 2020 aanvochten. Volgens een analyse van The New York Times bestrijden minstens 22 van die Congresleden bovendien de wetenschappelijke consensus over de door mensen veroorzaakte klimaatverandering.

    Aanvankelijk verdedigde Toyota zijn donaties, maar later veranderde het bedrijf van koers en zei de donaties te zullen stoppen.

    Eric Booth, de Toyota-woordvoerder, zegt dat Toyota wel degelijk in klimaatverandering gelooft. ‘De meningen die Congresleden hebben geuit zijn… nu ja, voor hun eigen rekening,’ zegt hij. Ook merkt hij op dat politici die er zulke overtuigingen op nahouden eveneens donaties van andere autofabrikanten hebben ontvangen.

    Sommige kenners van de auto-industrie met een lange staat van dienst verbazen zich over deze bevindingen. Toyota hield zich vroeger over het algemeen politiek gedeisd maar heeft zich de laatste tijd als een grote donor en lobbyist ontpopt in Washington. ‘Ze waren echt op de goede weg, vooral met de introductie van de Prius, en ze hebben het nog steeds over klimaatverandering,’ zegt Margot T. Oge, voormalig directeur Luchtkwaliteit en Transport van EPA, het Amerikaanse bureau voor milieubescherming. ‘Maar ze vechten overal op de wereld de bevordering van elektrische voertuigen aan, wat beleidsmakers hindert bij hun pogingen met ambitieuze maatregelen te komen.’

    ‘Waterstof is veelbelovend , maar het loopt momenteel minstens tien jaar achter op accu’s’

    Op papier is Toyota’s benadering van zero-emissievoertuigen, de waterstofbrandstofcel, een ware droom: anders dan met accu’s uitgeruste elektrische voertuigen beschikken deze auto’s over waterstoftanks en brandstofcellen die de waterstof in elektriciteit omzetten. Ze kunnen snel worden bijgevuld en kunnen vele honderden kilometers rijden op een tank, waarbij ze alleen waterdamp uitstoten. En waterstof is in theorie volop aanwezig. Maar een hoge aanschafprijs en een gebrekkige bijvulinfrastructuur hebben de groei van de waterstofeconomie belemmerd, althans voor personenauto’s. Van de Mirai, de in 2014 geïntroduceerde waterstofauto, heeft Toyota er maar elfduizend verkocht. Honda, een andere waterstofpionier, heeft kortgeleden aangekondigd zijn waterstofmodel de nek om te draaien. Volgens veel analisten is waterstoftechnologie geschikter voor lange-afstandstrucks of voor gebruik in energie-intensieve industrieën als staalfabrieken.

    ‘Ik denk dat waterstof veelbelovend is, maar het loopt momenteel minstens tien jaar achter op accu’s,’ zegt David Friedman, vicevoorzitter van de Amerikaanse consumentenorganisatie Consumer Reports. ‘En Toyota zegt: “Nee, we moeten de boel uitstellen, we moeten wachten tot ze klaar zijn met waterstof.” Maar het klimaat kan niet wachten.’

    Ook stelt Toyota dat hybridetechnologie, dus voertuigen die gebruikmaken van een interne verbrandingsmotor en een elektrische motor, de overstap naar volledig elektrische auto’s vergemakkelijkt en sneller meer mensen in schonere auto’s kan krijgen totdat waterstof overal voorhanden is. Toyota heeft dan ook grote investeringen in de hybridetechnologie gedaan. Het bedrijf heeft tot 2050 een toekomstperspectief geschetst dat gedomineerd wordt door hybrides, veel later dan nieuwe auto’s volgens veel analisten uitstootvrij moeten zijn.

    Pick-ups en SUVs

    Toyota verkoopt momenteel geen elektrische voertuigen op grote markten buiten China, maar heeft afgelopen april verklaard dat het van plan is in 2025 wereldwijd een uit zeventig modellen bestaand programma te presenteren dat, om kopers ‘meerdere keuzes’ te bieden, uit vijftien elektrische modellen zal bestaan en voor de rest uit hybrides en waterstofmodellen. De in het Japanse Toyota City gevestigde autofabrikant is achterop geraakt op het gebied van brandstofbesparing omdat men de nadruk heeft gelegd op de verkoop van benzine slurpende pick-ups en SUV’s, waarop de winstmarge groter is. Momenteel bungelt het bedrijf qua zuinige motoren onder aan de Amerikaanse pikorde, samen met General Motors en Ford.

    Jeffrey K. Liker, emeritus hoogleraar industriële en operationele techniek aan de Universiteit van Michigan en auteur van The Toyota Way, zegt dat er andere factoren zijn geweest die de ontwikkelingen bij Toyota hebben vertraagd. Als bedrijf dat beroemd is om zijn behoedzaamheid heeft Toyota onderzoek gedaan naar vastestofaccu’s, die veel veiliger zijn dan de in brede kring gebruikte lithium-ion-accu’s, maar de ontwikkeling van die technologie duurde veel langer dan verwacht, aldus Liker. Ook heeft Toyota gezegd niet dat het niet wil dat er werknemers moeten worden ontslagen of leveranciers failliet gaan door een snelle transitie naar elektriciteit. ‘Daarnaast is Toyota van mening dat landen blindelings inspelen op de elektrische rage, wat volgens hen eerder een vorm van politieke propaganda is dan van weloverwogen planning,’ zegt Liker.

    Er zijn verschillende factoren die Toyota’s koers uiteindelijk kunnen veranderen. Om te beginnen is China, een belangrijke markt voor Toyota, op een agressieve manier van autofabrikanten gaan verlangen dat ze elektrische auto’s produceren. Dat heeft Toyota ertoe aangezet om in coproductie elektrische auto’s te vervaardigen.

    Mary Nichols, die in haar tijd als voorzitter van de California Air Resources Board, de organisatie die toeziet op de luchtkwaliteit van de staat, met Toyota heeft onderhandeld, zegt dat ze zich de afgelopen jaren over Toyota heeft verbaasd. ‘Ik denk dat ze in de loop der jaren echt goede techniek hebben geproduceerd, en dat ze pioniers zijn geweest,’ zegt ze. ‘Maar op dit moment slaan ze de plank volledig mis.’

  • Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?

    In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?

    Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.

    Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen

    In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.

    DO 2.1 1

    Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.

    Toerismecarrousel

    Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.

    Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.

    Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?

    Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.

    Koude douche

    Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.

    Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.

    Electrofuels

    Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’. 

    En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?

    De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.

    In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.

    Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.

    Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.

    BayernCloud

    Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.

    ‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.

    Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn

    ‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.

    Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.

    Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.

    ‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?

    Transport naar behoefte

    Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.

    Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.

    Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen

    Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’

    Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.

    Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.

    Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.

    Microavontuur

    Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.

    ‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.

    Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.

    En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’

    De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.

    Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.

    Resonantie

    Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.

    ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’

    Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see

    De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?

    Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.

    Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.

    Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?

    Werkverblijf

    ‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.

    Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.

    We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn

    De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’

    De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.

    In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’

    ‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’

    Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.

    Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’ 

    Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.

    Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’

  • Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Hoewel de smaak weinig markant is en de kleur wat aan de bleke kant, worden vrijwel alle eigenschappen van de erwt bejubeld. En de populariteit van de onopvallende peulvrucht zal alleen nog maar toenemen in een toekomst waarin vlees meer en meer wordt vervangen door de plantaardige variant.

    Op de velden rond het dorpje Knau in het zuiden van Thüringen staan dit voorjaar niet alleen zachtjes in de wind wuivende graanhalmen. Op 260 hectare schieten er ook de ranken van kruidachtige planten met groene bladeren uit de grond. In de vier Duitse fabrieken van de Emsland-groep – met een omzet van jaarlijks meer dan 600 miljoen euro een van de grootste verwerkers van agrarische producten in Europa – lopen niet meer enkel aardappelen over de lopende band. Met tonnen tegelijk worden er ook kleine korrelige vruchten schoongemaakt en opgesplitst. En nu op tv de reclameslogan ‘Vlees mevrouw, u weet wel waarom’ allang niet meer te zien valt, laat Amidori, een start-up uit Bamberg, zijn vegetarische braadworsten en gehaktballen aanprijzen door een animatiefiguurtje: een sprekende erwt. 

    De erwt is hét gewas van dit moment. En veel wijst erop dat de opmars die hij enkele jaren geleden begon, nog wel even voort zal duren. Dat is niet alleen zo in Duitsland, maar overal ter wereld: jaar na jaar worden er wereldwijd meer erwten geoogst; de grootste producenten zijn Canada en China. Het areaal waarop in Duitsland erwten geteeld wordt, is de laatste tien jaar verdubbeld. En nog altijd groeit de vraag sneller dan het aanbod. Tegenwoordig vertegenwoordigt deze onopvallende peulvrucht – in het spraakgebruik symbool voor alles wat nietig is – een miljardenmarkt. Daarop zijn landbouwbedrijven als Agrofarm Knau uit Thüringen actief, maar ook gevestigde ondernemingen zoals de Emsland-groep of opkomende bedrijven zoals Amidori.

    Megatrends

    Hoe kan dat? Maar liefst twee megatrends hebben de erwtenbusiness de wind in de rug gegeven. Als eerste: de zorg voor het milieu. Erwten bevatten veel eiwit, evenals linzen en bonen. Bovendien zijn ze goed voor de grond. Ze slaan er namelijk stikstof in op. Een boer die op een akker peulvruchten teelt, hoeft het volgend jaar minder kunstmest te gebruiken. Met als plezierig ecologisch bijeffect: wie erwten of veldbonen oogst, heeft voer voor het eigen vee. Voor de eiwitverzorging van zijn dieren hoeft deze boer dan niet langer zoveel soja uit Amerika te halen, een product dat als genetisch gemanipuleerde plant en notoire regenwoudkiller toch al in een kwaad daglicht staat. Om dit dubbel heilzame effect te bevorderen heeft de Duitse overheid in 2014 een ‘eiwitstrategie’ afgekondigd. Ook de EU zet een deel van haar agrarische subsidies in op de teelt van peulvruchten; sommige Duitse deelstaten zoals Thüringen leggen daar nog geld bij. Het was de prozaïsche reden voor bedrijven als Agrofarm in Knau om op grote schaal haar erwtenareaal uit te breiden. Zonder die subsidies, zo geven de boeren toe, zouden ze veel minder erwten telen.

    Op het moment dat politici en bureaucraten hun stimuleringsregelingen ontwierpen, was er van veggieburgers, visloze vis en melk zonder koeien nog maar nauwelijks sprake. Sindsdien hebben miljoenen mensen hun voedingspatroon aangepast – geen dierlijk voedsel meer, maar plantaardige vervangers. Aangespoord door gezondheidsapostelen, dierbeschermers en klimaatredders in Californië en aan de Amerikaanse oostkust, maar inmiddels ook salonfähig bij de gegoede burgerij in eigen land (zij het nog niet bij een meerderheid), is dat de tweede megatrend ter verklaring van de zegetocht van de erwt. De grote zoektocht naar alternatieven voor vlees, vis en melkproducten haalt tegenwoordig de hele levensmiddelenindustrie overhoop; vanwege de fantastische winstvooruitzichten zorgt hij over de hele wereld voor schitterende ogen bij financiële beleggers; zelfs het verder zo biovriendelijke pluimveeconcern PHW (Wiesenhof) doet hij ijverig samenwerken met fabrikanten van eiervervangers en vleesloze burgers. 

    En nu komt de clou: in deze burgers zit geen rundergehakt maar vooral erwtenpuree. Let wel, niet gemaakt van die groene erwten uit de diepvrieskast, maar van die gele korrelerwten die vroeger vooral aan het vee werden gevoerd en in de keuken tot hooguit een stevige soep werden verwerkt. Die tijden zijn voorbij. Met dank aan de veggiegolf. Tegenwoordig zit in alles erwten: in de tonijnvervanger van het Amerikaanse bedrijf Good Catch net zo goed als in het alom aangekondigde melkalternatief van VLY uit Berlijn, nog zo’n start-up uit het geheel van veggiebedrijven. Zelfs de Zwitserse voedingsmiddelengigant Nestlé brengt een erwtendrank op de markt. 

    Het is haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst

    Waarom groeide uitgerekend de erwt uit tot superster van de vleesvervangersbranche? Natuurlijk omdat hij zoveel eiwit bevat, tenslotte is dat de voedingsstof die vlees, vis en melk zo interessant maakt voor menselijke voeding. Maar ook alle overige peulvruchten bevatten veel eiwit. En subsidies die voor lage prijzen zorgen, zijn er ook voor linzen en bonen. Wat maakt de erwt dan zo bijzonder?

    Nina Blijdorp kan ons dat precies uitleggen aan de hand van een tabel met heel veel cijfers. Blijdorp is productmanager voor haver en erwten bij plantenverdelingsbedrijf KWS Saat in Einbeck; haar tabel bevat de aminozurenprofielen van een tiental verschillende planten. Want een eiwit is niet zomaar een eiwit, experts weten dat ze op onderdelen sterk kunnen verschillen: hoeveel histidine bevat het, hoeveel lysine, hoeveel fenylalanine? De erwt heeft alles precies in de juiste verhoudingen: een perfecte middelmaat. Bovendien bevat hij vrijwel geen stoffen die allergieën kunnen veroorzaken. En nog beter: de erwt doet dat allemaal zonder zelf erg veeleisend te zijn. ‘Hij heeft bijvoorbeeld maar ongeveer half zoveel water nodig als de veldboon,’ vertelt Nina Blijdorp.

    ANP 68140200
    Een erwtenoogstmachine leegt peulvruchten in een trailer van diepvriesbedrijf Frosta in Lommatzsch, Duitsland. Bijna alle erwten die in Duitsland worden gegeten, zijn diepgevroren. Bedrijven en boerderijen moeten in de vroege zomer voldoende erwten oogsten om aan de vraag van het hele jaar te voldoen. – © Sebastian Kahnert/dpa-Zentralbild/dpa/Newscom

    Zo bezien is het haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst. Het tegendeel was het geval. In de afgelopen vijftig jaar, zo geeft Nina Blijdorp toe, zijn er maar heel weinig pogingen ondernomen om de opbrengst te vergroten of de planten robuuster te maken. ‘De erwt was enigszins verwaarloosd, een soort weeskind. Maar sinds ongeveer vijf jaar is dat anders. Nu tonen landbouw en voedingsmiddelenindustrie ineens heel veel belangstelling voor onze veredelingspogingen.’ 

    Een paar jaar voor de meeste anderen ontdekte Friedrich Büse, de grondlegger van Amidori, het potentieel van de erwt. Büse voldeed dan ook aan de ideale voorwaarden om op dit gebied een pionier te worden. Opgeleid tot kok en slager werkte hij lange tijd in de vleeswarenindustrie. Tot hij zijn geloof in het hervormingsvermogen van zijn branche in de richting van meer dierenwelzijn en betere arbeidsomstandigheden verloor en het plan opvatte een onderneming te stichten die op planten gebaseerde alternatieven voor vlees op de markt moest brengen. Zo schildert Friedrich Büse het in elk geval zelf. ‘Sinds 2008 heb ik daarvoor diverse mogelijke eiwitbronnen onderzocht. Aanvankelijk stonden er zestien planten op mijn lijstje. In 2012 was duidelijk dat in Duitsland de erwt de meeste kansen bood. En in 2015 hadden we vervolgens de eerste oogst.’ In datzelfde jaar richtte Friedrich Büse in Bamberg Amidori op.

    Visvoer

    Vanuit landbouweconomisch perspectief is het een voordeel dat de erwt als voedingsmiddel in Europa een lange traditie heeft. ‘De boeren zijn er goed mee bekend,’ zegt Büse. ‘Bovendien laten erwten zich gemakkelijk opslaan. En waar koolzaad en linzen te klein zijn om ze in het productieproces veel verder te verwerken, hebben erwten daarvoor precies de juiste grootte.’ Zelfs wat in vroegere tijden eerder in het nadeel van de gele erwt was, verkeert nu in haar triomf. Dat de smaak weinig markant is en de kleur aan de bleke kant, maakt haar juist heel geschikt als proteïnebron voor vleesvervangers – die moeten immers niet op peulvruchten lijken en ernaar smaken, maar naar gehakt of braadworst, waarvoor dan weer een reeks andere plantaardige ingrediënten moet zorgen.

    Nu zit het zo: het vee in de stal vreet de korrelerwten zoals die in hun schil gegroeid zijn; ze hoeven alleen klein te worden gemaakt. Maar in de veggieburgers komen de erwten niet rechtstreeks van het veld, het deeg voor de plantaardige gehaktballen mengt ook vrijwel niemand thuis in de keuken. Daarvoor zijn de recepturen veel te complex. (Dat is ook een reden waarom vervangingsproducten zich zo goed lenen voor het opbouwen van merken met relatief hoge prijzen: aan de toonbank betaalt de klant ook voor de productie-knowhow van de producent.) De branche van nieuwe, alternatieve voedselproducenten noemt zich niet voor niets met een chic Engels woord FoodTech. Om aan de behoeften van deze FoodTech-bedrijven te voldoen, worden de erwten na de oogst eerst uitgesplitst in commercieel bruikbare bestanddelen. 

    Dat gebeurt bijvoorbeeld in de fabrieken van de Emsland-groep. Circa 180.000 ton erwten worden hier jaarlijks verwerkt. Ook op dit onderdeel van waardetoevoeging heeft een gunstig toeval de opmars van de erwt vereenvoudigd: het proces van schoonmaken, fijnwrijven, filteren en drogen dat de vrucht keurig uitsplitst in vezels, zetmeel en zogeheten proteïne isolaat met een zo hoog mogelijke eiwitconcentratie, hoefde niet specifiek voor de erwt te worden uitgevonden. Hetzelfde principe en dezelfde installaties worden op veel grotere schaal toegepast voor de verwerking van aardappelen. Met dit verschil dat de aardappel van oudsher vanwege haar zetmeel wordt gewaardeerd, terwijl het bij de erwt om het eiwit gaat.

    Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan

    Dat was overigens niet altijd zo, meldt Christian Kemper, een van de bedrijfsleiders van de ooit door aardappelboeren opgerichte Emsland-groep. ‘Het eiwit was een bijproduct; van groter belang was de vraag naar erwtenzetmeel en erwtenvezels vanuit de bakkerij- en zoetwarenindustrie, maar ook vanuit de papier- en textielproductie.’ Aan het begin van deze eeuw werd de overtollige erwtenproteïne nog vooral tot visvoer verwerkt. Stapje voor stapje is vervolgens echter het proteïne isolaat, een beige poeder, uitgegroeid tot het gewilde product. ‘Eerst werd het gebruikt voor sportvoeding, in de vorm van shakes en repen,’ vertelt Kemper. ‘Voor visvoer is erwtenproteïne inmiddels te duur geworden. Tegenwoordig leveren we circa 70 procent van deze proteïne aan fabrikanten van vleesvervangers.’

    In Duitsland is de omzet het afgelopen jaar met een kleine 40 procent gestegen tot 375 miljoen euro. Dat is weinig in vergelijking met de huidige 40 miljard euro die de vlees- en worstmarkt per jaar omzet. Maar de groeipercentages zijn enorm en er is sprake van een wereldwijde markt. Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar, kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan. En dat betekent maar één ding: de wereld heeft meer erwten nodig.

    Wie daarvan overtuigd is, moet nu handelen. De Emsland-groep beraadt zich over de volgende grote investering in het verwerkingsproces van erwten. Friedrich Büse van Amidori stelt voor de tweede helft van dit jaar nieuwe producten in het vooruitzicht. En de plantenveredelaars van KWS Saat werken aan een erwtenplant met meer ranken en minder bladeren, die in oogsttijd niet meer zo vlak tegen de grond ligt. Dat is zo’n beetje de enige eigenschap van de erwt waarover momenteel niet wordt gejubeld.

  • Het woord ‘vliegschaamte’ kent inmiddels ook zijn tegenhanger, ‘treintrots’

    Het woord ‘vliegschaamte’ kent inmiddels ook zijn tegenhanger, ‘treintrots’

    De Zweedse antiluchtvaartbeweging Flygskam breidt zich uit over heel Europa, ten gunste van de trein, de auto en soms zelfs het vrachtschip. Maar zelfs in Zweden lijkt het slechte geweten van reizigers zijn grenzen te kennen.

    Dossier Klimaat

    Nu vrijwel overal ter wereld is begonnen met vaccineren en het einde van de coronacrisis in zicht is, selecteren wij artikelen voor u uit ons archief die onze blik weer op een ander urgent probleem richten: de klimaatcrisis.

    Dit artikel verscheen eerder op 22 augustus 2019 in nummer 164 van 360 Magazine

    ‘Heeft sinds 2004 geen vliegtuig meer genomen.’ ‘Heeft het vliegtuig afgezworen in 2008.’ ‘Hebben begin 2019 besloten volledig te stoppen.’ Aldus beschrijft The Guardian enkele spijtoptanten die de krant heeft geïnterviewd voor een artikel over ‘pioniers van de antiluchtvaartbeweging, een nog kleine maar snel groeiende gemeenschap die heeft besloten ofwel veel minder vaak het vliegtuig te nemen, ofwel er helemaal van af te zien’.

    Volgens het Britse dagblad zou de burgerluchtvaart momenteel verantwoordelijk zijn voor 2 procent van de mondiale CO2-uitstoot. En dat zou kunnen groeien tot ‘16 procent in 2050’. Een constatering die academici in 2015 heeft aangezet tot het lanceren van de campagne ‘Flying Less’, met het doel onderzoekers overal ter wereld op te roepen andere middelen van vervoer te kiezen voor hun werkgerelateerde reizen.

    ‘Zweden vliegen vijf keer zoveel als andere Europeanen’

    Maar in Zweden heeft het initiatief pas echt een hoge vlucht genomen: in dit land, waarvan de inwoners ‘vijf keer zoveel vliegen als andere Europeanen’, aldus vicepremier Isabella Lövin van de Milieupartij, is de term flygskam, ‘vliegschaamte’, voor het eerst gemunt.

    Greta Thunberg, de jonge milieuactiviste die aan de wieg stond van de wereldwijde klimaatstaking, behoort ook tot de mensen die het goede voorbeeld willen geven: afgelopen januari is ze met de trein naar het Wereld Economisch Forum in het Zwitserse Davos gegaan, een reis van tweemaal 32 uur. Volgens The Guardian brengt vliegschaamte, in het Duits inmiddels ook al bekend als Flugscham, ‘mensen op andere gedachten over het reizen per vliegtuig’.

    Treintrots

    In het land van oorsprong zijn er inmiddels zeer concrete resultaten geboekt. Volgens cijfers van financieel dienstverlener Bloomberg is het aantal binnenlandse vluchten in Zweden in 2018 met 3 procent afgenomen, terwijl ‘de Zweedse spoorwegmaatschappij SJ in diezelfde periode een record brak met 32 miljoen passagiers’.

    Het woord ‘vliegschaamte’ kent inmiddels ook zijn tegendeel, train brag, oftewel ‘treintrots’, aldus het Zwitserse dagblad Le Temps, dat bericht over het succes van een Facebookgroep genaamd ‘Tågsemester’ (‘Treinreizen’), waarvan de leden plannen en adviezen uitwisselen voor treinreizen door Europa. ‘Tågsemester telt inmiddels 74.000 leden in Zweden, en in Noorwegen en Finland zijn vergelijkbare groepen opgericht.’

    Lees ook:

    Maar de antiluchtvaartstemming beperkt zich lang niet alleen tot de noordelijke landen. In het Verenigd Koninkrijk roept Siân Berry van de Green Party de Britten op hun vliegreizen tot eenmaal per jaar te beperken en wil ze extra vluchten extra belasten. Verscheidene Britten vertellen in The Guardian over hun lange reizen per trein, auto of in sommige
    gevallen zelfs per vrachtschip om een werk- of vakantiebestemming te bereiken.

    Dichter bij de aarde

    Zoals kinderboekenschrijfster Nicola Davies, die er kortgeleden ruim 48 uur over deed (met de auto en de boot) om naar de Balearen te reizen: ‘Je hebt het gevoel dat je dichter bij de aarde blijft terwijl je, als je per vliegtuig reist, aan de ene kant van de planeet een metalen buis in gaat om er aan de andere kant weer uit te komen, zonder dat je je realiseert wat voor afstand je hebt afgelegd.’

    Is het reizen op een andere manier dan per vliegtuig behalve ‘spannender’ ook echt minder vervuilend? Volgens Le Temps stoot de trein wereldwijd vijftien keer minder CO2 uit dan het vliegtuig, waarbij ‘de Franse en Zweedse treinen nog beter scoren, omdat ze energie gebruiken die wordt opgewekt door kern- of waterkrachtcentrales’. Maar ‘niet alle landen beschikken over een spoorwegnet dat geschikt is voor middellange afstanden’, onderstreept de Amerikaanse site Quartz. Wanneer het spoor geen optie is, kun je beter voor het vliegtuig kiezen als je alleen reist en voor de auto als je met meer mensen reist.

    Maar zal het verzet tegen het vliegtuig duurzaam blijken, ook al veranderen de gewoonten misschien een beetje? Zal het aan kracht winnen in de geïndustrialiseerde landen? Zelfs in Zweden lijkt het slechte geweten van reizigers zijn grenzen te kennen.

    Volgens het Zweedse dagblad Dagens Nyheter leidde het slechte weer in het land aan het begin van de zomer ertoe dat de lastminutereizen naar zonbestemmingen ‘als warme broodjes over de toonbank gingen’. En in de overgrote meerderheid ging het om vliegreizen.

  • Duurzaam dineren is een lucratieve groeimarkt

    Duurzaam dineren is een lucratieve groeimarkt

    In de VS worden klimaatneutrale restaurants steeds populairder. Zeker nu blijkt dat je er ook goed aan kunt verdienen.

    Dossier Klimaat

    Nu vrijwel overal ter wereld is begonnen met vaccineren en het einde van de coronacrisis in zicht is, selecteren wij artikelen voor u uit ons archief die onze blik weer op een ander urgent probleem richten: de klimaatcrisis.

    Dit artikel verscheen eerder op 3 december 2015 in nummer 89 van 360 Magazine.

    Bij Farmers Fishers Bakers, in Washington D.C., zet men zich al zeven jaar lang in voor klimaatneutraal dineren – en dat begint op het moment dat de klant de deur door komt. Een klein bordje nodigt de gasten uit om het restaurant te betreden door de uitbundig versierde draaideur. (Draaideuren, zo heeft een onderzoeksteam van het Massachusetts Institute of Technology ontdekt, zijn acht keer zo energie-efficiënt als traditionele deuren.) Eenmaal binnen in het chique, biologische restaurant, ziet de klant hergebruikt sloophout, herwonnen marmer en waterkaraffen uit een buurtwinkel. Op de menukaart staat uitdrukkelijk vermeld dat de ingrediënten afkomstig zijn van plaatselijke leveranciers en dat de restjes de volgende dag gebruikt kunnen worden voor een voorafje.

    ‘We verleiden de klant met duurzaamheid, verse producten, het aangename gevoel dat je weet waar alles vandaan komt,’ zegt Jennifer Motruk, plaatsvervangend hoofd marketing en communicatie van de Farmers Restaurant Group, waar Farmers Fishers Bakers onder valt, net als de Founding Farmers-restaurantketen. ‘Bij elke beslissing die we nemen stellen we onszelf de vraag: Zou ik hier ook voor kiezen als ik een boer was?’ Men streeft ernaar dat alles wat op tafel staat zo van het land komt, en dat alles in een omgeving die zo veel mogelijk klimaatneutraal is.

    Alles wat er gedaan kán worden op het gebied van duurzaamheid, wórdt ook gedaan. Founding Farmers composteert, recyclet, gebruikt linnen servetten, drukt de menukaarten met soja-inkt op hergebruikt papier, geeft het eten mee in bakjes van afbreekbaar materiaal, gebruikt natuurlijke schoonmaakmiddelen, maakt zelf groente in en bakt het brood ter plaatse.

    14230941594 a60f1ad8ca k 1
    Founding Farmers Restaurant. – © Davis Staedtler

    Deze filosofie wordt doorgetrokken tot op het toilet, met bewegingssensoren en waterbesparende stortbakken. Tot slot wordt de klant op het hart gedrukt dat het bedrijf doet aan klimaatcompensatie via Carbonfund.org, om de schadelijke uitstoot te compenseren van het wekelijkse transport van een kleine duizend kilo graan vanuit North Dakota naar Washington.

    Sinds de eerste Founding Farmers-zaak in 2008 de deuren opende is de keten uitgegroeid tot een concern met vier vestigingen die ongekende populair zijn. Volgens Motruk voeren de Founder Fathers al 49 maanden de lijst aan van restaurants die worden gereserveerd via OpenTable. Daarnaast is de keten ongekend winstgevend. In 2014 bedroeg de omzet meer dan 35 miljoen. En hoewel Founding Farmers slechts een kleine keten is in een industrietak van immense omvang, wordt het concept van klimaatneutraal eten en het verkleinen van de ecologische voetafdruk steeds populairder. Het bedrijf probeert iets te veranderen binnen een energieverslindende bedrijfstak.

    Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor

    Het systeem waarin voedsel wordt verbouwd, verscheept, bereid en weggegooid, is wereldwijd verantwoordelijk voor 30 procent van de koolstofemissie. Van elke dollar die een Amerikaan aan eten uitgeeft gaat 47 procent naar een restaurant – en daarvan is het land er bijna één miljoen rijk, afgaande op de cijfers van de National Restaurant Association [volgens de gegevens uit 2015].

    Laura Abshire, hoofd duurzaamheidsbeleid en overheidszaken van de National Restaurant Association, qua ledental de grootste vakbond in de voedselindustrie ter wereld, zegt dat restaurants zich er terdege van bewust zijn dat ze een grote invloed kunnen hebben op het milieu, maar ze willen het natuurlijk ook de klant naar de zin maken. Wat de klant meer en meer wil, zegt ze, is dat de zaak die hij bezoekt begaan is met het milieu.

    foundingfathers 1
    Het filiaal van Farmers Fishers Bakers in Washington D.C.

    ‘Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor,’ zegt Abshire. ‘Restaurants hebben er alleen maar bij te winnen. Ze kunnen geld besparen en klanten trekken.’

    In San Francisco opent binnenkort een nieuw restaurant haar deuren, een restaurant dat vanuit een iets andere invalshoek streeft naar een klimaatneutrale bedrijfsvoering. The Perennial is de droom van het echtpaar Anthony Myint en Karen Leibowitz, die al naam hebben gemaakt in de Bay Area met twee andere restaurants met een charitatief oogmerk.

    [The Perennial sloot begin 2019 alweer zijn deuren gesloten, de voormalige eigenaren concentreren zich nu op het adviseren van andere restaurants om duurzamer te werken.]

    Ze zullen gebruikmaken van een bijna tweehonderd vierkante meter grote kas en een ecologisch verantwoorde combinatie van visteelt en hydrocultuur om de voedselrestanten te verwerken en groenten en kruiden voor het restaurant te verbouwen. Ze gaan de samenwerking aan met leveranciers die klimaatneutraliteit hoog in het vaandel hebben staan bij de productie van rundvlees en graan, en ze zullen gebruikmaken van typisch milieuvriendelijke pijlers als energiezuinige keukenapparatuur en een daktuin. Met al die middelen hopen Myint en Leibowitz een aangename, educatieve omgeving te scheppen die duidelijk maakt dat het voedselsysteem ook op een meer verantwoorde wijze kan functioneren.

    Spitsroeden

    ‘Het is lastig omdat klimaatverandering en milieukwesties mensen ook kunnen afschrikken,’ zegt Myint. ‘Het is een beetje spitsroeden lopen om dat aan de kaak te stellen in een restaurant waar mensen het vooral naar hun zin willen hebben.’

    Myint is ook een van de oprichters van een non-profit-consultancy dat een richtlijn met ‘best practices’ beschikbaar wil stellen voor restaurants die hun ecologische voetafdruk willen verkleinen – Zero Foodprint geheten. Ze willen een klimaatneutrale bedrijfsvoering binnen de restaurantwereld presenteren als iets om trots op te zijn, vergelijkbaar met vrijhandel, waarbij chefs of restauranthouders een bepaalde procedure moeten doorlopen om gecertificeerd te worden. Kennis is macht, zegt Myint, en nadenken over klimaatverandering wil nog niet zeggen dat je niet langer zou nadenken over eten. ‘Rundvlees heeft een gigantische ecologische voetafdruk,’ zegt hij. ‘Ik eet nog steeds rundvlees, maar met de kennis die ik nu heb ben ik wel kieskeuriger.’

  • Eerste geprinte huis in de verkoop | China steelt zand van Taiwan

    Eerste geprinte huis in de verkoop | China steelt zand van Taiwan

    Beurswaarde start-up Rivian mogelijk 50 miljard dollar

    Rivian, een startup voor elektrische voertuigen (EV) en een van de belangrijkste potentiële concurrenten van Tesla, overweegt een beursgang die het bedrijf een waarde van ongeveer 50 miljard dollar zal geven, bericht Markets Insider.

    Rivian heeft met 8 miljard dollar sinds 2019 meer geld opgehaald dan concurrenten, en heeft al overeenkomsten met Amazon en Ford voor de levering van onder meer bestelwagens.


    Frankrijk verplicht repareerindex voor elektronische apparaten

    Elektronisch afval vormt een zware belasting voor het milieu. Een manier om die belasting te beperken, is door apparaten zo lang mogelijk te gebruiken voordat ze worden vervangen. Maar de levensduur van een apparaat is moeilijk in te schatten als je niets weet over reparatiemogelijkheden. Als eerste land ter wereld verplicht Frankrijk fabrikanten van elektronische apparaten daarom te vermelden hoe ‘repareerbaar’ hun producten zijn, meldt Grist, een nieuwsplatform dat zich richt op duurzaamheid.

    Daartoe moeten producten worden voorzien van een ‘herstelbaarheidsindex’. Die is gebaseerd op allerlei criteria, zoals hoe gemakkelijk het product uit elkaar is te halen, hoe beschikbaar reserveonderdelen zijn en of technische documenten voorhanden zijn. Met de herstelbaarheidsindex wil Frankrijk het opzettelijk creëren van snel verouderende producten tegengaan en de overgang naar een circulaire economie bespoedigen.

    De index, die in eerste instantie van toepassing is op smartphones, laptops, tv’s, wasmachines en grasmaaiers, kent een maximale score van 10. Hoe hoger het cijfer des te beter het apparaat is te repareren. Het ontbreken van een indexcijfer zal vanaf volgend jaar worden beboet.


    Eerste geprinte huis in de VS in de verkoop

    In de VS staat voor het eerst een 3D-geprint huis te koop. Het staat in Riverhead in de staat New York en heeft een vraagprijs van 299.999 dollar, ruim 247.000 euro. Het huis heeft een oppervlakte van 130 vierkante meter, telt drie slaapkamers, twee badkamers en heeft een vrijstaande garage voor 2,5 auto, aldus CNN.

    ‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’

    ‘Zonder twijfel is dit de toekomst’, aldus de woordvoerder van SQ4D Inc., het bedrijf dat het huis heeft gefabriceerd. SQ4D werkt met een zogenoemd Autonoom Robot Constructie Systeem, dat in zes tot acht uur op een bouwplaats kan worden geïnstalleerd. Dat systeem print vervolgens laag voor laag de betonnen fundering en de betonnen binnen- en buitenmuren van het huis.

    Volgens SQ4D liggen de bouwkosten 50 procent lager dan die van vergelijkbare, conventionele huizen in Riverhead en gaat de bouw tien keer sneller. ‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’, aldus SQ4D.


    Donateur schenkt 11 miljoen pond voor historisch onderzoek

    Een anonieme filantroop heeft meer dan 11 miljoen pond, ruim 12 miljoen euro, geschonken aan het University College London (UCL) voor onderwijs en onderzoek naar het erfgoed, de geschiedenis en de talen van het oude Mesopotamië. Het geld gaat naar het zogenoemde Nahrein-netwerk van UCL, dat ernaar streeft een einde te maken aan de systematische verwaarlozing van onderzoek naar de geschiedenis van Irak en omgeving. Met de donatie kan Nahrein de komende tien jaar vooruit, schrijft de krant The National uit Dubai.

    GettyImages 980260042 1 1
    Een traditioneel moerasdorp in Zuid-Irak, circa 1978. – © Nik Wheeler / Corbis / Getty Images

    Voorzitter Michael Spence van UCL noemt de donatie ‘een baanbrekend moment in de dekolonisatie van kennis over Irak en andere regio’s in het Zuiden’. Het oude Mesopotamië kreeg namelijk pas in de 19e eeuw echt academische belangstelling, maar de meeste studies hebben een westers perspectief. ‘Door deze buitengewoon genereuze schenking krijgen Irakezen hun oude erfgoed terug als lokale geschiedenis, met alle sociale, culturele, economische en educatieve voordelen van dien’, aldus Eleanor Robson, hoofd geschiedenis van de UCL.


    China steelt zand van Taiwan

    Voor de kust van Taiwan ligt permanent een armada van Chinese schepen. In plaats van militaire vaartuigen betreft het zandzuigers, bagger- en transportschepen. Volgens de Taiwanese kustwacht vallen ze zonder toestemming de Taiwanese territoriale wateren binnen. Het conflict speelt zich af rond de Matsu-archipel, enkele kilometers uit de Chinese kust. De eilandengroep is Taiwanees sinds 1949, toen Taiwan zich onafhankelijk verklaarde. Beijing beschouwt Taiwan echter nog steeds als provincie van China.

    Vorig jaar heeft de kustwacht bijna 4000 keer schepen terug naar de Chinese wateren moeten begeleiden, ruim vijf keer zo vaak als in 2019, bericht Der Spiegel. Er zijn dagen dat 9 boten van de Taiwanese kustwacht 100 tot 200 Chinese baggerschepen tegenover zich zien. Volgens de Taiwanese autoriteiten halen de baggerschepen zand weg van de Taiwanese zeebodem dat wordt gebruikt voor bouwprojecten op het vasteland van China. Het gaat om enorme hoeveelheden; sommige schepen kunnen tot 3000 ton vervoeren. Pure diefstal, vindt Taiwan.


    Notturno op shortlist Oscars

    De documentaire Notturno (Nocturne) van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi heeft de shortlist voor de Oscars gehaald, schrijft het Italiaanse persbureau ANSA. De documentaire, die Rosi in de loop van drie jaar draaide in Syrië, Irak, Koerdistan en Libanon, toont de dagelijkse worsteling van gewone mensen in oorlogsgebieden in het Midden-Oosten, terwijl ze hopen op een vreedzamer leven.

    Rosi zei ‘diep geschokt’ te zijn door wat hij aantrof tijdens het draaien van de film. Hij hoopt dat Notturno, die vorig najaar in première ging, ‘de ogen zal openen voor de gevolgen van oorlog bij mensen die zijn afgestompt door wat ze krijgen voorgeschoteld op tv’.


    Egyptenaren boos over reuzenrad

    Egyptenaren zijn woedend over plannen voor een nieuwe toeristische attractie in het centrum van hoofdstad Caïro, bericht Al Jazeera. Vorige maand lanceerde de gouverneur van Caïro plannen voor een 120 meter hoog reuzenrad langs de Nijl in Zamalek, een chique wijk op het eiland Gezira in het hart van Caïro, dat er in 2022 moet staan.

    Ondanks de ronkende beloften van de regering, wekt het project woede bij inwoners, parlementariërs en voormalige ministers. Zo noemt een voormalig minister van Toerisme het voornemen ‘catastrofaal’. Een voormalige minister van Buitenlandse Zaken schreef op Facebook dat een ‘historisch groengebied’ als Zamalek ‘beschermd en behouden moet worden’.