Tag: ecologie

  • Landbouwbeleid wordt hét thema bij komende Europese verkiezingen

    Landbouwbeleid wordt hét thema bij komende Europese verkiezingen

    Bij de komende Europese verkiezingen zal het landbouwbeleid een cruciale rol spelen. Boeren vinden dat ze veel moeten inleveren omwille van het klimaat, en dat terwijl Europa wereldwijd vooroploopt in de groene transitie.

    Op een bord bevestigd op een van de tractoren die de Brandenburger Tor in Berlijn belegeren, staat: ‘Geen boerderijen, geen voedsel, geen toekomst’. Dat is de reactie van de boeren op het beleid dat  Europa volgens hen moet veranderen in een uitgestrekte agrarische woestijn, overwoekerd met wild gras en woeste bossen. En dat allemaal om het dictaat uit te voeren van de ‘Farm to Fork’-strategie, die de kern vormt van de Green Deal voor Europa. Maar volgens de demonstranten is er zonder landbouw geen voedsel en zonder voedsel geen toekomst.

    De laatste golf van boerenprotesten begon in Saksen, trok door Berlijn en over de Champs-Élysées, zwol vervolgens aan in Nederland en bereikte zijn hoogtepunt bij het Berlaymontgebouw, het Brusselse hoofdkwartier van de Europese Commissie met Ursula von der Leyen als voorzitter.

    De eurocraten mogen dan het verhaal ophangen dat de protesten in Duitsland, Frankrijk en Nederland worden veroorzaakt door ‘lokale’ factoren, de leider van de Duitse boeren, Joachim Rukwied, denkt daar heel anders over: ‘We willen dat Olaf Scholz ons de belastingsteun voor diesel [voor landbouwvoertuigen] teruggeeft en de voertuigbelasting op tractors afschaft. Maar we willen ook dat Europa terugkomt op de Farm to Fork-strategie en stopt met het straffen van de boeren.’

    Verkiezingen

    In juni kiezen de Europese burgers de leden van het Europees Parlement. Bij die verkiezingen zal de landbouw een belangrijke rol spelen: de machtsverdeling op het oude continent zou weleens op zijn kop kunnen worden gezet door kiezers op het platteland. Dit is al gebeurd in Nederland, en het gaat ook gebeuren in Duitsland, waar de CDU altijd de partij van het platteland is geweest, maar waar in het hele oosten – het epicentrum van deze protestbeweging – Alternative für Deutschland in de peilingen ver voorligt op alle andere partijen.

    De machtsverdeling op het oude continent zou weleens op zijn kop kunnen worden gezet door kiezers op het platteland

    De kwestie van de boeren zal ook in Frankrijk een belangrijk thema zijn. Daar moet de regering beloften doen om te voorkomen dat de boeren massaal overlopen naar Marine Le Pen. 

    De Franse boeren laten flink van zich horen. Ze hebben dan ook aardig wat redenen gevonden om Europa te haten: het keurslijf dat het hun oplegt, de traagheid van de GLB-subsidies [Gemeenschappelijk landbouwbeleid], de invoer van producten van buiten Europa die zwaar drukken op de prijzen en de gunsten die de Europese Commissie volgens hen verleent aan supermarkten en multinationals.

    Opkomst van rechts

    In vrijwel heel Europa is er op het platteland sprake van een hang naar rechts en wordt er geprotesteerd. Zoals in Hongarije, waar Viktor Orbán inspeelt op het ongenoegen van graanboeren die de import uit Oekraïne willen blokkeren, net als in Slowakije en Polen. Maar het verzet leeft ook sterk in België, waar de beweging die openlijk het Europese veeteeltbeleid aanvecht al sinds maart haar stem laat horen. Hetzelfde geldt voor Nederland, waar op last van de voormalige regering-Rutte en in overleg met Brussel 30 miljoen runderen, varkens en kippen moeten worden afgemaakt en 11 200 boerenbedrijven moeten sluiten.

    Volgens een nieuwe peiling van Europe Elects zal deze tractorrevolutie zwaar wegen bij de stembusgang: de groene partijen zouden nog slechts 49 zetels in het Europees Parlement overhouden, tegenover 74 op dit moment. Maar de grootste klap zullen ze ongetwijfeld in Duitsland, in hun eigen bastion, moeten incasseren: de Duitse Groenen zullen waarschijnlijk dalen van 24 procent naar 13 procent van de stemmen. Zoals Melanie Vogel, de covoorzitter van de Europese Groene Partij, onlangs zei op het partijcongres in Wenen: ‘Het grootste politieke risico voor de Groenen is de opkomst van rechtse coalities in de regering van de lidstaten.’ 

    Misschien komt dat doordat het groene dogma een beetje te ver lijkt te zijn doorgeschoten. Dat is ook de mening van een groene hardliner die nu probeert zijn zetel te redden: Cem Özdemir, de Duitse minister van Landbouw. Hij was de eerste die het zei: je kunt geen 300 hectare bewerken met elektrische tractoren, dus je kunt niet zonder diesel. En: we kunnen geen Europa willen dat importeert in plaats van produceert. Maar zijn belangrijkste strijd is ongetwijfeld die voor de jaarlijkse rotatie van graangewassen.

    Volgens GLMC-norm 7 (Goede landbouw- en milieuconditie) mag, om de biodiversiteit te bevorderen, eenzelfde gewas – zoals tarwe – niet meer dan twee jaar achter elkaar op één deel van de landbouwgrond worden verbouwd. Kort gezegd betekent dit dat Duitsland zal moeten stoppen met het verbouwen van miljoenen hectaren tarwe per jaar, net als Frankrijk, de grootste producent van zachte tarwe in de Europese Unie, en Italië, de grootste producent van harde tarwe in Europa. Als gevolg hiervan zullen we onze import moeten verdubbelen uit landen die zich niet aan dezelfde regels houden als wij.

    Volgens GLMC-norm 7 mag eenzelfde gewas niet meer dan twee jaar achtereen op één deel van de landbouwgrond worden verbouwd

    Bij deze verplichting om met de gewassen te variëren komt nog de Farm to Fork-strategie, die voorschrijft om 10 procent van de landbouwgrond niet langer te gebruiken voor akkerbouw, een kwart van de grond te gebruiken voor biologische landbouw, het gebruik van pesticiden te halveren en het gebruik van kunstmest tegen 2030 met 20 procent te hebben verminderd en tegen 2050 geheel te hebben afgeschaft. Allemaal doelstellingen die de Europese landbouw ernstig in gevaar dreigen te brengen.

    De weg die Europa inslaat is dus bijzonder riskant, en dat wordt ook bevestigd door een dossier van Divulga. Dit grote Europese landbouwonderzoekscentrum heeft de schattingen van drie vooraanstaande onderzoeksinstituten gebundeld – het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Unie, de Wageningen Universiteit in Nederland en het Amerikaanse ministerie van Landbouw – die de impact van de Farm to Fork-strategie op de landbouwproductie van Europa hebben bestudeerd. Volgens het onderzoek stevent Europa af op een daling van de graanproductie met 10 à 20 procent, een stijging van de import van citrusvruchten met 93 procent en een stijging van de maïsimport van ruim 209 procent. De prijzen zullen volgens het onderzoek ook enorm omhooggaan: het voorziet een stijging van 24 procent voor rundvlees, 43 procent voor varkensvlees en 42 procent voor olie en wijn. En als klap op de vuurpijl: een exportdaling van 30 procentpunt.

    Nog geen 1 procent

    Vanaf een tractor gezien gaat het de verkeerde kant op met Europa. En dat alles in naam van het veronderstelde terugdringen van de broeikasgassen. Maar het is een feit dat de uitstoot van de Europese landbouw slechts 10,4 procent bedraagt van de totale uitstoot van Europa, dat op zijn beurt verantwoordelijk is voor ongeveer 9 procent van de totale uitstoot van de planeet. Willen we de Europese landbouw dan lamleggen om op te treden tegen nog geen 1 procent van de wereldwijde uitstoot?

    Felice Adinolfi, professor aan de Universiteit van Bologna en directeur van Divulga, is pessimistisch: ‘Europa dreigt er alleen voor te staan in de wedloop om een groene transitie in de landbouw.’ En de cijfers geven hem gelijk. Brazilië is onze grootste leverancier van agrovoedingsmiddelen (ter waarde van 9 miljard euro in één jaar), gevolgd door de Verenigde Staten (6 miljard euro) en China (2,6 miljard euro). Deze drie landen zijn samen goed voor 27 procent van de wereldwijde landbouwemissies, die van 1990 tot 2019 met 15 procent zijn gestegen. Europa is de enige die zijn uitstoot heeft verminderd, met 18,5 procent.

    ‘Europa dreigt er alleen voor te staan in de wedloop om een groene transitie in de landbouw’

    Adinolfi en zijn collega’s luiden daarom de noodklok: ‘De verzamelde gegevens vertellen ons dat het verbouwen van een hectare soja of het produceren van een kilo vlees in Europa vandaag de dag veel duurzamer is dan waar ook ter wereld. Daarom zijn wederzijdse milieu- en sociale verplichtingen essentieel als het Europese initiatief om de klimaatcrisis te bestrijden zijn vruchten wil afwerpen, en geen boemerangeffect wil hebben.’ Maar de negatieve gevolgen zijn er, en die zijn al duidelijk zichtbaar.

  • Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea vergroenen. ‘We verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is’

    Franse musea proberen hun energiegebruik te verminderen door hun kunstwerken op een andere manier te bewaren en te vervoeren. De grootste winst valt echter te behalen bij de gasten: 99 procent van de CO2 die het Louvre uitstoot, wordt veroorzaakt door de bezoekers.

    Alle toevoer afsnijden! Water, gas, elektriciteit! Afgelopen lente heeft het Maison des arts de Malakoff in het departement Hauts-de-Seine zijn energiegebruik uit eigen beweging volledig stilgezet: geen enkele expositie meer, een radicale stop van vijf maanden. ‘We hadden al veel milieumaatregelen genomen, zoals het opvangen van regenwater, het planten van een boomgaard en het installeren van andere verlichting,’ vertelt directeur Aude Cartier. ‘We moeten de milieuangst omzetten in initiatieven die mensen mobiliseren en de wereld veranderen in plaats van haar te versomberen, en onze instellingen kunnen daarbij een rol spelen.’

    Lampen op zonne-energie, emmers water in de wc’s… Aude Cartier en haar team hebben elk onderdeel van het dagelijks leven een nieuwe invulling gegeven. In de vorm van sculpturen, een broodoven in de tuin, fermentatieworkshops voor het maken van miso, kombucha en kimchi, het middels allerlei acrobatische toeren kweken van paddenstoelen en het voeren van talloze discussies over morgen.

    Niet alle Franse musea en kunstencentra gaan zo ver, maar aandacht voor het milieu is onontkoombaar sinds de coronapandemie. De klimaatrampen van 2022 hebben alles nog in een stroomversnelling gebracht. Er is geen groot museum meer zonder duurzaamheidsadviseur. Doel, volgens het collectief Les Augures dat de groene transitie in de beeldende kunst begeleidt, is ‘het reduceren van de negenduizend ton CO2 die een gemiddeld museum jaarlijks uitstoot, de voetafdruk van achthonderd Fransen’. In Malakoff heeft het collectief een maximaal aantal gegevens verzameld, variërend van de wijze waarop bezoekers naar het museum komen tot de psychologische impact die bepaalde veranderingen hebben op het team. Alles is geïnventariseerd en geanalyseerd, ‘om te kunnen bepalen wat werkt en wat niet, en om ook anderen van onze bevindingen te laten profiteren’, legt Aude Cartier uit.

    ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen‘

    Want dat is het grootste struikelblok. ‘Musea weten vaak niet waar ze moeten beginnen, het valt buiten hun competentie en stelt ze voor een aantal heel uiteenlopende uitdagingen,’ onderstreept Fanny Legros, die drie jaar geleden Karbone Prod heeft opgericht, een ander bureau dat zich in procesbegeleiding op dit gebied heeft gespecialiseerd.

    Een toekomstig museum dat 100 procent duurzaam is? Daarvoor moet je het verbruik van een vrachtauto kunnen berekenen, expert worden op het gebied van isolatie, de herkomst van de vis in je restaurant kunnen vermelden, op de hoogte zijn van het Franse decreet van 2019 dat bepaalt dat het energieverbruik van openbare gebouwen in 2030 met 40 procent verminderd moet zijn, in 2040 met 50 procent en in 2050 met 60 procent, je bezoekers aansporen om op de fiets te komen, de levenscyclus van de bekleding van je banken achterhalen, een toekomst bedenken voor afgedankte vloerbedekking. Een duizelingwekkende hoeveelheid uiteenlopende expertises.

    Recycling

    ‘Maar we hebben geen keus: binnen enkele jaren zal Frankrijk het klimaat van Andalusië hebben,’ benadrukt Sandra Patron, die een voortvarend actieplan heeft gelanceerd voor het Musée d’Art Contemporain in Bordeaux dat ze sinds 2019 leidt. ‘Ons hoofdgebouw? Het is binnenkort misschien te warm om daar exposities te houden. Maar we verwerpen het idee dat de toekomst uitzichtloos is. De vragen die voorliggen zijn even fascinerend als beangstigend. En hoe meer je op de zaken vooruitloopt, des te intelligenter de antwoorden.’ Patron zet vooral in op recycling: komende herfst zal Bordeaux een ondergrondse recyclinginstallatie in gebruik nemen die het ‘afval’ van de culturele instellingen van de stad zal inzamelen en herverdelen. Een prijzenswaardig initiatief dat is gestart door de Réserve des arts de Pantin in het departement Seine-Saint-Denis en sinds 2020 ook in Marseille is gerealiseerd. In 2022 heeft de organisatie 722 ton materiaal ingezameld bij tal van grote en kleine musea en kunstenaars; 520 ton daarvan is weer in gebruik genomen door de 13.000 aangeslotenen. Vooral hout, maar ook metaal, textiel, leer. Een succes dat helaas wordt bedreigd: omdat de Réserve binnenkort moet verhuizen wordt wanhopig naar een nieuwe locatie gezocht, terwijl er nog nooit zo’n groot beroep op de organisatie is gedaan. Want veel instellingen hebben zich met name op het meest voor de hand liggende afvalitem gestort: expositiepanelen. Deze worden voor elke tentoonstelling op maat gemaakt en belandden voorheen systematisch in de afvalcontainer. Maar dat is nu verleden tijd.

    ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt’

    En verder? De musea wisselen steeds meer ervaringen uit, maar ieder voor zich blijft de regel. Frankrijk kent geen equivalent van de in het Verenigd Koninkrijk opgerichte Gallery Climate Coalition, waarbij momenteel 800 musea aangesloten zijn, van PS! in New York tot Barbican in Londen, die tussen nu en 2030 hun CO2-uitstoot willen halveren en streven naar 0 procent afval. Het enige aangesloten Franse museum is het Musée Picasso in Parijs.

    ‘Frankrijk loopt een beetje achter, want het ontbreekt ons aan gegevens over de werkelijke voetafdruk van de cultuursector, die geen deel uitmaakt van de koolstofarme strategie die de overheid voorstaat,’ zegt Fanny Legros spijtig. Karbon Prod en Augures hebben daarom de handen ineengeslagen om een instrument voor dataverzameling te ontwikkelen waarvoor ze de financiering op korte termijn hopen rond te krijgen; een tiental Franse musea zou als ‘bêtatesters’ fungeren. ‘Het wordt hoog tijd dat een expositie van begin tot eind milieubewuster verloopt en dat er meetinstrumenten komen voor elk afzonderlijk geval,’ aldus Legros. 

    Permacultuur als model

    Intussen voltrekt de facelift zich zo goed en zo kwaad als het gaat: de exposities worden langer, er wordt vaker een beroep gedaan op plaatselijke collecties, koolstofboekhouding vindt steeds meer ingang. Maar dat volstaat in de ogen van Guillaume Désanges niet voor een duurzaam ontwikkelingsbeleid: de directeur van het Palais de Tokyo in Parijs wil verder gaan en permacultuur, een duurzame landbouwmethode, als model gebruiken. ‘Natuurlijk moeten we de koolstofuitstoot beperken, maar we moeten vooral weer ontdekken dat het nodig is om dingen anders te doen. Wij gaan prat op onze vrolijke, creatieve nederigheid. Voor ons is duurzaamheid geen gespreksonderwerp, maar het uitgangspunt van de manier waarop we werken.’

    Dankzij sponsorgelden heeft het Palais de Tokyo het bureau Utopies in de arm kunnen nemen voor het opstellen van een koolstofboekhouding. In 2021 heeft het museum 7200 ton CO2 uitgestoten, constateert het rapport. Oftewel 16 kilo per bezoeker, twee keer zo veel als het Gugenheim in Bilbao. Drie kwart daarvan wordt veroorzaakt door de bezoekers van exposities, die voor het overweldigende merendeel uit het buitenland komen. Een situatie die op nationale schaal aangepakt zou moeten worden: van de 4 miljoen ton CO2 die het Louvre uitstoot wordt 99 procent veroorzaakt door de bezoekers.

    Voor het overige beschikt het Palais de Tokyo nog over de nodige manoeuvreerruimte, verzekert de directeur. Doel is 42 procent minder CO2-uitstoot in 2030. Eerst genomen beslissing in de zomer van 2023 was de sluiting van de glazen zaal op de begane grond, die tijdens grote hitte onbruikbaar is. De tienduizend vierkante meter met airco koelen is ondenkbaar. Het hele parcours is herzien: vanuit de frisse tuinen komt men binnen via het souterrain en de expositie van Laura Lamiel wordt omsloten door dikke muren. ‘Deze initiatieven helpen om het cynisme te doorbreken van de kunstwereld, waar veel over duurzaamheid wordt gesproken zonder werkelijk te beseffen wat er aan de hand is. Maar het belangrijkste is dat we een opwaartse spiraal creëren,’ vervolgt Guillaume Désanges. ‘Het Palais is een levend ecosysteem dat niet als monocultuur mag worden gebruikt, maar waar de gebruiksintensiteit varieert en er soms ruimte onbenut blijft.’

    Op het programma van dit duurzame Palais staat een intensievere dialoog met andere instellingen en het afwijzen van ‘concurrentiestrategieën zodat de artistieke en intellectuele inbreng voorrang krijgt. Altijd haantje de voorste zijn? Die logica is zijn doel voorbijgeschoten. Wij houden ons liever aan de tijd van de kunstenaars.’ En ook aan hun vergroeningstempo, dat ze zichzelf inmiddels heel vaak opleggen. Zo heeft Davide Balula het project Artists Commit gelanceerd, dat de voetafdruk van een expositie haarfijn wil analyseren.

    Grote oceaanstomer

    Bij musea met oude kunst speelt deze aandrang minder. Hoe kunnen we deze grote oceaanstomers een draai laten maken? ‘Bij al onze projecten houden we de energietransitie in het oog; daar staan we met onze teams dagelijks bij stil,’ verzekert Virginie Donzeau, directielid van het Musée d’Orsay.

    ’s Winters één graad minder, ’s zomers één graad meer: eind 2021 heeft Orsay een plan aangenomen voor een haarfijne afstelling van verwarming en airconditioning, aldus Donzeau. Resultaat is dat de energiekosten in de winter van 2022 met 16 procent zijn gedaald. Er zal onder geen beding een beroep worden gedaan op de uitzonderingsclausule voor monumenten die in het energiedecreet van 2019 is opgenomen: voor 2024 wordt gemikt op een daling van het energiegebruik met 25 procent, en voor 2050 met 60 procent, conform de eisen die het decreet stelt aan alle openbare gebouwen van meer dan duizend vierkante meter. ‘Ons gebouw, een spoorstation uit de negentiende eeuw dat aan vier windrichtingen is blootgesteld, is onze grootste uitdaging, maar we zien die complicatie ook als een kans,’ verzekert Donzeau.

    In alle tentoonstellingszalen is inmiddels ledverlichting aangebracht, en de andere ruimtes zullen binnenkort volgen. De renovatie van de entree zal het verbruik ook doen dalen. Er wordt zelfs aan gedeeltelijke geothermie gedacht. ‘De daling van de CO2-uitstoot die in 2022 is gerealiseerd heeft ons een beetje verrast,’ vervolgt ze, ‘want die is nogal contra-intuïtief. Als je de bezoekers niet meetelt komen de exposities zelf pas op de vierde plaats qua energieverbruik, na het gebouw, de winkelactiviteiten en de horeca.’ Transporteurs bewegen tot verduurzaming van hun wagenpark, met verzekeraars onderhandelen om een of twee kunstwerken meer in dezelfde vrachtwagen of hetzelfde vliegtuig te mogen vervoeren, elk detail wordt onder de loep genomen om de uitstoot van broeikasgassen tussen nu en 2030 met 30 procent te verminderen.

    Het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is, blijft een knelpunt

    Origineler is nog dat het museum een project heeft geïnitieerd voor vergroening van de oevers van de Seine in Argentueil in het departement Val d’Oise, naar voorbeeld van de impressionistische doeken waarop het destijds nog ongerepte landschap staat afgebeeld.

    Maar er blijft een knelpunt, namelijk het beheer van de museumcollecties, waar nog heel wat werk aan de winkel is. Zelfs de International Council of Museums breekt zich daar het hoofd over: ‘Sommige normen voor preventieve conservering dateren van dertig jaar geleden. Zijn die nog valide en werkbaar in de huidige tijd?’ Sandra Patron gaat nog verder: ‘Kun je nog werken in koelcellen conserveren à raison van 15.000 euro per jaar? Je moet verder durven denken, zelfs als dat in strijd is met de regels.’

    Lees ook:

  • WarWilding: hoe Moeder Natuur kan worden ingezet als oorlogswapen

    WarWilding: hoe Moeder Natuur kan worden ingezet als oorlogswapen

    Van overstromingen als verdediging tot het instellen van bufferzones: het inzetten van de natuur in gewapende conflicten is zo oud als oorlog zelf. Een extra voordeel: de natuur raakt erdoor hersteld. Zo ook rondom de Oekraïense rivier de Irpin.

    Keuze uit het archief

    Begin deze week werd de Nova Kachovka-dam in de regio Cherson opgeblazen, met grote overstromingen tot gevolg. Dat was niet de eerste keer dat in de oorlog in Oekraïne water werd ingezet om de tegenstander dwars te zitten. Al in de eerste dagen van de oorlog zetten de Oekraïners het gebied rond de rivier de Irpin bij Kyiv onder water om de opmars van de Russen tegen te houden. Gelukkig had dat toen minder desastreuze gevolgen dan nu in Cherson. Integendeel, de natuur bloeide ervan op.

    In de eerste dagen van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne naderde de invasiemacht de rivier de Irpin en stond bijna voor de poorten van de Oekraïense hoofdstad. Maar toen het water van de rivier plotseling begon te stijgen, werden de Russen gedwongen om te draaien, waarbij ze een spoor van tanks en ander militair materieel moesten achterlaten. Kyiv kon weer ademhalen en het wetlands-ecosysteem raakte voor het eerst in meer dan zeventig jaar overstroomd.

    Al had de gebeurtenis veel weg van een wonder, het was niet de hand van God die Oekraïne te hulp schoot. Jasper Humphreys, programmadirecteur van de Marjan Study Group, onderdeel van het departement oorlogsstudies aan het King’s College in Londen, dat onderzoek doet naar conflicten en milieu, noemt wat er bij de Irpin gebeurde warWilding, ofwel het manipuleren van de natuur tijdens conflictsituaties.

    ‘Ik werd ’s nachts wakker, een paar dagen nadat ik het verhaal over de “heldenrivier” in The Guardian had gelezen, over hoe het Oekraïense leger de opdrogende Irpin en de voormalige moerasgebieden weer onder water zette om de Oekraïense hoofdstad te redden,’ vertelt de academicus. Zo kwam hij op het woord. ‘Ik ging rechtop in bed zitten en fluisterde tegen mezelf: “Dit is warWilding.”’

    Verwildering

    Humphreys bedacht de term voor ‘het creëren en soms zelfs het vernietigen van een habitat als resultaat van tactische manipulatie van de natuur’. Of, om het simpeler te zeggen; ‘het toepassen van de natuur bij oorlogsvoering’. De tweede W wordt met een hoofdletter geschreven om het belang van wilding te benadrukken, legt hij uit.

    ‘Het tactische vernuft van het Oekraïense leger was dat ze de natuur inzetten om de invasie te stoppen, en het resultaat was positief omdat de Russische opmars door de “verwildering” van land en water tot halt werd geroepen. In die zin is deze gebeurtenis een klassiek voorbeeld van warWilding.’

    Hoewel warWilding een neologisme is, is het strategische en tactische gebruik van de natuur al zo oud als oorlog zelf, zegt Humphreys, die eraan toevoegt dat de resultaten niet altijd positief uitpakken. ‘Helaas heeft warWilding ook een schaduwzijde. Saddam Hoesseins tactische manipulatie van de natuur resulteerde bijvoorbeeld in de drooglegging van de moerassen in Centraal-Irak en in de [etnische] zuivering van de Ma’dan, ofwel de moerasarabieren [de oorspronkelijke Arabische bewoners van de moerassen van Mesopotamië (het zuiden van het hedendaagse Irak en aangrenzende Iran)].’

    ‘De overstroming van de Irpin kan resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit’

    Hij voegt eraan toe: ‘WarWilding is van nature onvoorspelbaar, maar als de strategische motieven creatief zijn en niet destructief, dan biedt deze tactiek uitgelezen mogelijkheden om grote stukken wildernis te redden en bufferzones in conflictgebieden te creëren. Op langere termijn kunnen deze zelfs voor vrede zorgen.’

    De aanpak van het Oekraïense leger bij de overstroming van de Irpin is volgens Humphreys een goed voorbeeld van een geslaagde vorm van warWilding. ‘De overstroming van de Irpin redde niet alleen de Oekraïense staat, maar kan in het naoorlogse Oekraïne bovendien resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit door de heropleving van de eens zo machtige rivier en de tienduizenden hectaren aan moerasland.’

    Park van de vrede

    Humphreys noemt ook het Gorongosa Park in Mozambique als voorbeeld van een succesvol staaltje warWilding. ‘Negentig procent van de fauna was verwoest als gevolg van de burgeroorlog, maar dankzij gecoördineerde inspanningen en investeringen zijn de populaties olifanten en leeuwen weer hersteld. De waardering voor deze aanpak bleek uit de benoeming van het gebied tot “park van de vrede”.’

    ‘Op dezelfde manier zou een hersteld ecosysteem rondom de Irpin een monument kunnen worden voor een van de meest legendarische warWildings in de geschiedenis: een hotspot voor biodiversiteit, met safari’s voor toeristen, en bovendien een wildernisbarrière die Kyiv honderden jaren kan beschermen tegen indringers,’ aldus Humphreys.

    De Amerikaanse bioloog en natuurbeschermer Thor Hanson, expert op het gebied van de invloed van oorlogen op het milieu, noemt de nieuwe term ‘aanstekelijk’. ‘Hij kan goed van pas komen om bepaalde milieugevolgen van oorlogsvoering mee aan te duiden,’ aldus Hanson, coauteur van het artikel Warfare Ecology uit 2008.

    ‘Vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag’

    ‘Aanzienlijke “verwilderings”-trends doen zich ook wel voor tijdens de voorbereiding op een oorlog, met name op de grote stukken land die zijn gereserveerd voor het trainen van troepen en het testen van bewapening. De gevolgen zijn dan niet noodzakelijkerwijs opzettelijk; in grote delen van zo’n gebied zijn simpelweg de meeste menselijke activiteiten opgeschort,’ zegt Hanson.

    ‘Ik weet nog niet goed of de term warWilding ook van toepassing is in dergelijke situaties, die zich ver buiten de context van de oorlogen zelf voordoen. Ik vind het een relevante term voor het opnieuw verwilderen van habitat als gevolg van oorlog. Dat kan om tactische redenen zijn, zoals het opzettelijk onder water zetten van de Irpin, maar vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag en landgebruik. Je kan denken aan regeneratie van verlaten landbouwgrond, of aan onderbreking van de exploitatie van een gebied, zoals commerciële visserij, bosbouw of jacht.’

    Ecologische vredesopbouw

    Verwijzend naar de Irpin, stelt Hanson voor om ten minste enkele van de overstroomde gebieden van het voormalige moerasland te behouden om daarmee ‘ecologische vredesopbouw’ in het naoorlogse Oekraïne te bevorderen. ‘Betwiste grensgebieden worden vaak bufferzones die conflicten kunnen helpen temperen, doordat ze het contact tussen beide partijen belemmeren,’ zegt hij.

    ‘Vermindering van menselijke activiteit in dergelijke gebieden kan leiden tot herstel van de habitat en de bijbehorende flora en fauna. Het klassieke moderne voorbeeld hiervan is de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea, maar er zijn vele andere voorbeelden te vinden in de geschiedenis. Als we milieuoverwegingen een rol laten spelen bij de vredesinspanningen, kan dat beide partijen in het conflict aanzienlijke voordelen opleveren – denk aan betere waterkwaliteit, leefgebied voor wilde dieren of beheersing van overstromingen. Bovendien nemen de spanningen mogelijk af doordat het conflict over de betwiste grond wordt weggenomen.’

    ‘Ik ken niet alle details van de situatie rond de Irpin, maar het is denkbaar dat een dergelijke situatie kan worden bereikt als ten minste een deel van dat overstroomde land in permanent moerasgebied wordt veranderd. Strategisch gezien kunnen permanente, onbegaanbare moerasgebieden ook potentiële toegangswegen blokkeren voor aanvallen in de toekomst. Dit is een goed voorbeeld van de overlap tussen militaire overwegingen en die van milieuplanning.’

    ‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress’

    Hoewel de twee academici het nog niet helemaal eens zijn over de exacte definitie van warWilding, beamen beiden dat het fenomeen door de huidige klimaatsituatie, de voortdurende plundering van natuurlijke hulpbronnen en de snelle vernietiging van vitale ecosystemen steeds vaker zal voorkomen.

    ‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress, dus we verwachten wel degelijk dat spanningen toenemen naarmate de klimaatcrisis zich verder ontvouwt. Dat zal een context creëren voor oorlogszuchtige handelingen, zowel tactisch als onbedoeld,’ zegt Hanson.

    ‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren’

    ‘Beleidsmakers, wetenschappers en natuurbeschermers moeten zich bewust zijn van de mogelijkheden die “verwildering” biedt om vrede en veiligheid te bevorderen, zoals het creëren van grensoverschrijdende vredesparken en bufferzones, maar ook sociale en politieke stabiliteit op de lange termijn, die worden geassocieerd met een gezond milieu.’

    Humphreys, die de Oekraïense Groep voor Natuurbehoud heeft gevraagd een studie uit te voeren naar de ecologische staat van het gebied, stelt voor dat de Irpin, net als Gorongosa, een vredespark wordt.

    ‘Soms is “verwildering” alleen niet genoeg, maar warWilding kan er de perfecte voorwaarden voor scheppen en die kans moeten we grijpen, zowel tijdens de oorlog als in post-conflictfases,’ zegt hij. ‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren, met waterbuffels die zich wentelen in onneembare moerasgebieden, lynxen die diep in het dichte kreupelhout sluipen en daarboven rondzwevende zeearenden.’

    Lees ook:

  • Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Saoedi-Arabië stelt luchtruim open voor alle luchtvaartmaatschappijen

    » President Sri Lanka stuurt ontslagbrief naar parlement

    Fransen maken zich grote zorgen om toekomst

    De intensiteit en snelle opeenvolging van hittegolven in Frankrijk veroorzaken ‘eco-angst’ bij de Fransen, schrijft Le Monde. Het Franse dagblad vroeg aan zijn lezers om ervaringen online te plaatsen over de manier waarop zij omgaan met de hitte en wat het met hen doet. Uit de reacties blijkt dat de Fransen zich grote zorgen maken. ‘Hittegolven maken me bang’, schrijven ze. De huidige hittegolf, waarbij het kwik op maandag 18 juli in sommige delen van Frankrijk tot 40°C zal stijgen, vormt hierop geen uitzondering.

    Een van de reacties komt van Nadia (24). De hoge temperaturen wekken bij haar de onaangename indruk dat ze geen controle heeft over de situatie: ‘Weten dat het steeds vaker zal voorkomen en dat het probleem niet serieus wordt genomen, irriteert me enorm.’ Een getuigenis die volgens epidemioloog Alice Desbiolles ‘volledig past in het emotionele en intellectuele spectrum van eco-angst: er is zowel woede als een gevoel van machteloosheid, maar ook bezorgdheid over de situatie’.

    ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen’

    De gevoelens van angst verbazen ook klimatoloog Serge Zaka niet. ‘Sinds 1947 is het aantal hittegolven alleen maar toegenomen,’ zegt hij. ‘Vroeger hoorden we alleen voorspellingen, maar nu komen die voorspellingen van de klimatologen uit. Wanneer we dit soort dingen meemaken, ofwel via de televisie of thuis, ontstaat er angst.’

    Klimatoloog Aurélien Ribes van het Nationaal Centrum voor Meteorologisch Onderzoek bevestigt dat de kans op een hittegolf in 2019 door de klimaatverandering minstens vertienvoudigd is. Als er niets verandert, zal de situatie naar verwachting niet keren: ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen.’

    Lees ook:

  • Alles is mooi aan de baobab

    Alles is mooi aan de baobab

    De door droogte bedreigde baobabboom wordt aanbeden in Senegal. 
De bomen dienen als gemeentehuis waar pasgeboren baby’s hun 
naam krijgen en waar geschillen worden beslecht. Bovendien zou 
de apenbroodboom over bovennatuurlijke krachten beschikken.

    Brede, robuuste baobabs zijn bijna als vanzelfsprekend opgenomen in het stadslandschap van Dakar, de drukke hoofdstad van Senegal. Vlak bij een snelwegoprit wassen chauffeurs hun taxi’s in de schaduw van een indrukwekkende baobab, oftewel apenbroodboom. Zijn leerachtige stam is het plaatselijke prikbord met advertenties voor loodgieters en huurappartementen.

    Massieve apenbroodbomen, sommige meer dan 
duizend jaar oud, hebben in heel Senegal stand-gehouden; dankzij hun broze, sponsachtige hout dat ongeschikt is voor meubels, zijn ze de houtkap 
ontsprongen. Maar de bladeren worden door de couscous gemengd, de bast levert vezels waarvan touw wordt gemaakt, de vruchten worden in drankjes verwerkt en uit de zaden wordt olie geperst. 
‘Deze boom’, zegt Adama Dieme, terwijl hij zijn hoofd achterover buigt om naar de kroon van zijn buurt-baobab te kijken, ‘is de trots van de buurt.’

    Bedreigd

    De baobab wordt, zoals vele andere bomen in de regio, bedreigd door diezelfde krachten die ook de samenleving op meerdere fronten treffen: klimaatverandering, verstedelijking en bevolkingsgroei. West-Afrika is veel van de natuurlijke rijkdommen die ooit nauw verweven waren met de culturele identiteit, kwijtgeraakt. Door stroperij is de populatie van wilde dieren flink uitgedund: leeuwen, giraffen en savanneolifanten worden ernstig bedreigd. Grote bosgebieden sneuvelen voor palmolie- en cacaoplantages. Mangroves sterven door vervuiling. Zelfs de ranke acacia wordt gekapt en opgestookt onder de kookketels van uitdijende gezinnen. Een recente studie stelde dat klimaatverandering de 
oorzaak is van de sterfte van enkele van de oudste apenbroodbomen van Afrika. Lokale onderzoekers schatten dat de helft van de Senegalese baobabs in de afgelopen vijftig jaar door droogte en stedenbouw is gesneuveld.

    Niet ver van Dakar wordt op initiatief van de president een heel nieuwe stad uit de grond gestampt, een van de grootste bouwprojecten van het land – midden in een baobabbos. Van hogerhand is beloofd dat alle bomen die moeten wijken, elders opnieuw zullen worden geplant. Aan de buitenste ring van de bouwplaats verrijzen nieuwe woningen. Op de grond ligt een gevelde baobab. Uit zijn holle binnenste stijgt een schimmellucht op. Zijn bast is gehavend door bijlsporen. Niet ver ervandaan ligt een aantal verkoolde exemplaren. Een bouwvakker vertelt dat ze met benzine zijn overgoten. ‘Je hart breekt bij het zien van een gevelde baobab’, zegt hij.

    ‘Het 
is ons nationale symbool. Maar ja, huisvesting gaat voor.’

    De baobabs dienen als gemeentehuis; ontmoetingsplaatsen waar dorpse knopen worden doorgehakt, waar pasgeboren baby’s hun naam krijgen, waar geschillen worden beslecht

    ‘Het 
is ons nationale symbool. Maar ja, huisvesting gaat voor.’
    In Senegal siert de baobab het presidentiële wapen. Blinde muren worden ermee opgetooid en hij prijkt op billboards. 
Een luxe strandhotel heeft zich ernaar vernoemd, evenals een beroemde worstelaar. Een van de apenbroodbomen die volgens de plaatselijke bevolking 850 jaar oud is en een omtrek heeft van maar liefst 30 meter, vormt een toeristische attractie. Je kunt een overnachting boeken in een baobabboomhut of van baobab naar baobab roetsjen met een tokkelbaan. Senegal heeft weinig rivieren en geen bergen, dus baobabs rijzen als majestueuze bakens op boven de 
laagbegroeiing in het vlakke landschap. Hele gemeenschappen werden rond deze bomen opgebouwd. De baobabs dienen als gemeentehuis; ontmoetingsplaatsen waar dorpse knopen worden doorgehakt, waar pasgeboren baby’s hun naam krijgen, waar geschillen worden beslecht. Hun lijvige, pythonachtige wortels dienen als zitzakken voor de vermoeiden. Hun takken bieden schaduw aan hen die verkoeling zoeken. De stammen van sommige baobabs zijn volgehangen met voorwerpen, stuk voor stuk om geluk af te dwingen: een hanenpoot, een armband, een teenslipper. Pelgrims bezoeken de immense baobab op een van de Îles de la Madeleine, eilandjes voor de kust van Dakar, om bij wijze van gebed geld of briefjes in de gleuven van de stam te schuiven.

    Bidden voor regen

    De afgelopen jaren is het regenseizoen steeds later begonnen en is de regenval verminderd. Terwijl het land zich opmaakt voor steeds meer droogte, scharen veel dorpelingen zich rondom de plaatselijke baobab om te bidden voor regen. In het dorp Diock, op drie uur rijden van Dakar, had het regenseizoen al lang moeten zijn losgebarsten, maar begin augustus heeft het er nog maar vier keer geregend. De giersthalmen in de omringende velden steken maar net boven de grond uit. ‘We zien op tv wat er in Europa en de rest van de wereld gebeurt’, zegt Mamadou Diop, de dorpsoudste. ‘We weten wat ons boven het hoofd hangt.’ Om de klimaatverandering te beteugelen proberen de dorpelingen het gebruik van benzine-slurpers te beperken en jonge bomen bij de houtkap te ontzien. Maar de oogsten zijn zo schamel dat een groot deel van de zeshonderd inwoners de akkerbouw heeft opgegeven en naar de stad is getrokken, waar ze werk vinden in het onderwijs of bij het leger. ‘We doen ons best de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen’, zegt Diop, ‘maar het lijkt alsof we machteloos staan.’

    Iedere stad en ieder dorp kent zijn eigen baobab-
traditie. In Diock loopt een pasgetrouwd stel na de huwelijksinzegening zevenmaal om de plaatselijke apenbroodboom. In Fadiouth, een schelpeneiland aan de zuidwestkust, houden rouwstoeten halt aan de voet van de dorpsbaobab, voordat ze verdergaan naar het katholieke heiligdom en de begraafplaats. Seydou Kane, werkzaam voor het ministerie van Cultuur, werd op vierjarige leeftijd in de stad Thiès besneden onder een baobab. Volwassenen hadden hem verteld dat er in de apenbroodbomen geesten huizen die boos worden als je de stam aanraakt. 
Na de ceremonie werd hij geacht met een mes in de boombast te kerven. Hij raapte al zijn moed bijeen, rende naar de baobab en bracht een kerf in de schors aan. ‘Nu ben je een man’, werd hem voorgehouden. ‘Nu hoef je nergens meer bang voor te zijn.’ Onlangs bezocht Kane de boom uit zijn jeugd. Hij was gestorven.

    Baobabbladeren vormen een vast onderdeel van het dieet van Selbe Dione en haar zus, die in de regio Fatick wonen. Met behulp van een lange houten stok plukken ze de bladeren van de grote boom die 
midden in het veld van de buren staat. De boom helt opzij, alsof hij hun tegemoet wil komen. ‘Alles aan de baobab is mooi’, zegt Dione, terwijl ze omhoog kijkt naar de groene ovale vruchten en de grote, witte, 
hangende bloemen. ‘Van de kruin tot aan de wortel.’

    Iedere stad en ieder dorp kent zijn eigen baobab-
traditie. In Diock loopt een pasgetrouwd stel na de huwelijksinzegening zevenmaal om de plaatselijke apenbroodboom. In Fadiouth, een schelpeneiland aan de zuidwestkust, houden rouwstoeten halt aan de voet van de dorpsbaobab, voordat ze verdergaan naar het katholieke heiligdom en de begraafplaats. Seydou Kane, werkzaam voor het ministerie van Cultuur, werd op vierjarige leeftijd in de stad Thiès besneden onder een baobab. Volwassenen hadden hem verteld dat er in de apenbroodbomen geesten huizen die boos worden als je de stam aanraakt. 
Na de ceremonie werd hij geacht met een mes in de boombast te kerven. Hij raapte al zijn moed bijeen, rende naar de baobab en bracht een kerf in de schors aan. ‘Nu ben je een man’, werd hem voorgehouden. ‘Nu hoef je nergens meer bang voor te zijn.’ Onlangs bezocht Kane de boom uit zijn jeugd. Hij was gestorven.
    Baobabbladeren vormen een vast onderdeel van het dieet van Selbe Dione en haar zus, die in de regio Fatick wonen. Met behulp van een lange houten stok plukken ze de bladeren van de grote boom die 
midden in het veld van de buren staat. De boom helt opzij, alsof hij hun tegemoet wil komen. ‘Alles aan de baobab is mooi’, zegt Dione, terwijl ze omhoog kijkt naar de groene ovale vruchten en de grote, witte, 
hangende bloemen. ‘Van de kruin tot aan de wortel.’

    Tombe

    In een aantal van de oudste baobabs van Senegal is 
het weefsel afgestorven, wat enorme holtes oplevert. In de kustplaats Nianing staat een baobab met een holte waarin met gemak tien mensen kunnen staan. Vroeger werden deze holtes als mausolea gebruikt voor griotten [verhalenvertellers], die er rechtop in werden begraven. Deze mannen waren wandelende bibliotheken; de kracht van hun woorden werd zo sterk geacht dat die tot in de eeuwigheid vanuit de boom zou uitstralen. De gewoonte werd in de jaren zestig verboden, maar inwoners van plaatsen met apenbroodbomen die ooit tombes waren, hebben het nog altijd over heilige baobabs. Ook zijn veel begraafplaatsen rondom baobabs aangelegd. In Kaolack liggen 45 koningen van de Guelewar-dynastie begraven onder een baobab.

    In een uitgestrekt veld in Samba Dia, waarop één enkele, reusachtige baobab prijkt, hoedt de 72-jarige Aminita Ba haar geiten. Toen Ba hier vijftig jaar geleden neerstreek, bouwde ze haar huisje naast de boom, wetende dat hij als wegwijzer zou fungeren voor bezoekers. ‘Ik ben zo trots op deze baobab’, 
zegt ze. ‘Je kunt hem al van verre zien, en naast 
deze enorme boom staat een huisje: en dat is míjn huis.’
    Dionne Searcy

    Auteur: Dionne Searcy

  • IJslands invasieve alfaplant

    IJslands invasieve alfaplant

    Eerst werd de Alaska-lupine nog verwelkomd als bedekker voor de geërodeerde grond. Maar nu is men de ‘kwaadaardige paarse indringer’ beu. De spanningen tussen voor- en tegenstanders lopen hoog op.

    Twee jaar voordat Neil Armstrong de eerste stap op de maan zette, ging hij op zalm vissen in het noorden van IJsland. In een plaatselijk museum hangt een foto waarop hij in een rivier staat – maar het fotootje is zo klein dat ik aanvankelijk dacht dat het slechts een sfeerbeeld was, bedoeld om te laten zien hoe mensen in de jaren zestig hun vrije tijd doorbrachten. Met een flauwe glimlach houdt de 36-jarige Armstrong zijn hengel vast. Hij zou kunnen doorgaan voor een IJslander, ware het niet dat hij een honkbalpetje draagt, en 
een dure pilotenzonnebril. En vier lagen kleren.

    Armstrong verkeerde destijds in het gezelschap van nog enkele toekomstige ruimtevaarders, die in trainingskampen in het binnenland van IJsland verbleven. Het was zomer en door het constante daglicht werd hun uiteindelijke doel aan het oog onttrokken. Midden in de hooglanden van IJsland had de NASA een tweede maanlandschap aangetroffen: geen vegetatie, geen leven, geen kleuren, geen oriëntatiepunten. In feite was het hele gebied één uitstrekte grindvlakte. De toekomstige astronauten maakten van de gelegenheid gebruik en formeerden twee teams voor een partijtje voetbal, om de spanningen van de dag kwijt te raken. Met grote stenen markeerden ze het doel. De dichtstbijzijnde boom was vele dagen lopen in noordoostelijke richting, naar de kust, over de Hólasandur, de zwarte zandwoestijn. En dan nog zou de boom in kwestie niet veel langer zijn geweest dan Armstrongs hengel, verweerd 
zoals alles op het door erosie geteisterde Noord-Atlantische eiland.

    De term ‘maanlandschap’ wordt tegenwoordig veel gebruikt door toeristen die foto’s maken van de eindeloze IJslandse vlakten – gevormd door vulkaanuitbarstingen, bedekt met verschillende tinten lava. 
Op veel van die foto’s prijkt echter een opmerkelijk paarse indringer: de lupinus nootkatensis, ook wel de Alaska-lupine genoemd. Deze plant deed zijn intrede niet lang na de astronauten, en hij werd verwelkomd als een prima bedekker voor de geërodeerde grond. Maar geleidelijk keerde het experiment zich tegen het gebied en inmiddels wordt IJsland getekend door een permanente paarse vlek. Tegenwoordig wordt deze Alaska-lupine beschouwd als een invasieve plant, die niet alleen een bedreiging vormt voor de bestaande vegetatie maar ook voor het kale, vulkanische landschap dat geregeld wordt omschreven in termen waarin de bewoordingen doorklinken van Buzz Aldrin toen hij voor het eerst het maanlandschap aanschouwde: een desolate pracht.

    Kleur van IJsland

    Het ooit zo zwarte zand van de Hólasandur, waar 
de astronauten rondliepen, is momenteel een paarse vlakte. Met de klimaatverandering rukt de lupine 
op naar plekken die er tot dan toe van waren gevrijwaard door de koude temperaturen en de regenval. Sommige IJslanders zijn blij met deze paarse plant. De strijd om de kleur van IJsland heeft geleid tot 
een diepgaande discussie die een nieuwe vorm van identiteitspolitiek in de hand heeft gewerkt. De spanningen liepen hoog op toen afgelopen zomer enkele gemeenschappen in het oosten van IJsland – het zogenaamde maanlandschap – de bewoners opriepen de handen ineen te slaan teneinde IJslands alfaplant te verdrijven. Maar zelfs als we het er allemaal over eens zouden zijn dat de lupine een kwaadaardige indringer is die het veld moet ruimen, zouden we de plant dan ook echt weten uit te roeien?

    De lupinus nootkatensis – die oorspronkelijk voorkwam in Alaska en Brits-Columbia – is een geslacht uit de vlinderbloemenfamilie, waartoe ook de peulvruchten behoren. Hij is een specialist in fotosynthese: lupine is gastheer van bepaalde bacteriën die stikstof uit de lucht halen en doorgeven via de okselknoppen. Wanneer je de aarde onder de lupine (of peulvruchten) omspit, komt de stikstof in de aarde terecht, wat dient als mest voor de planten die volgen. Het is een elegante oplossing om uitgeputte grond van voeding te voorzien.

    De lupinus nootkatensis is ooit in een koffer in IJsland gearriveerd. De doelbewuste introductie van 
de plant in het IJslandse landschap is echter al zo’n duizend jaar geleden in gang gezet. Toen de eerste kolonisten hun Vikingschepen aanlegden, was tweederde van het eiland bedekt met groen en leefde er slechts één landzoogdier, de poolvos. De eerste mensen die zich op het eiland vestigden, hadden een scheepslading vee bij zich en namen hun agrarische manier van leven mee: ze kapten bomen en stookten het hout, zonder zich te realiseren dat de IJslandse bodem eerder uitgeput raakte en minder snel herstelde dan die van het Europese vasteland.

    Een lupineveld aan de rand van Reykjavik. – © Getty Images
    Een lupineveld aan de rand van Reykjavik. – © Getty Images

    De kolonisten van toen zouden nauwelijks de kale kustlijn van nu herkennen, die de overheid nieuw leven heeft willen inblazen door in 1908 de National Forest Service op te richten. Tegen die tijd was IJsland in ecologisch opzicht ‘het zwaarst beschadigde land van Europa’, om de beroemde polyhistor en auteur Jared Diamond te citeren. Door winderosie werd het eiland, korrel voor korrel, de zee in geblazen. De verwoesting ging onverminderd voort en halverwege de twintigste eeuw, toen andere Europese landen druk bezig waren met de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog, brak de IJslandse Forest Service zich het hoofd over een heel andere vorm van verwoesting: de IJslanders hadden roofbouw gepleegd op hun eiland, ze hadden de berkenbossen gekapt en er was sprake van overbegrazing van het land. Van de oorspronkelijke vegetatie restte nog slechts 25 procent.

    De Forest Service stuurde het hoofd, Hákon Bjarnason, naar Alaska, om daar drie maanden lang alle zaden van alle planten en bomen te verzamelen waarvan hij meende dat ze de natuur van IJsland een nieuwe impuls zouden kunnen geven. De dag dat hij huiswaarts keerde, 3 november 1945 – zoals uit het stempel in zijn paspoort blijkt – is de dag waarop de IJslandse lupinelegende een aanvang neemt.

    De eerste drie decennia leeft de plant in de groene ruimten in de buurt van de hoofdstad Reykjavik. Árni Bragason, hoofd van de Soil Conservation Service of Iceland, zegt dat pas in 1976 actief lupinezaad werd verzameld en in het wild uitgestrooid, met de bedoeling de kwetsbare grond in het land een extra impuls te geven. De lupine deed het uitstekend en fungeerde als een soort mestfabriek. Het hele landschap kleurde roze zonder dat er veel kosten mee waren gemoeid en zonder dat er speciaal mensen voor hoefden te worden opgeleid: werkelijk iedereen kon de zaden verzamelen, die in een gat ter grootte van een schoenzool strooien en – abacadabra – geleidelijk zag je het landschap veranderen. Misschien wel voorgoed.

    Pas na enkele tientallen jaren werd mij enigszins duidelijk wat deze paarse plant heeft gedaan met 
de psyche van mijn landgenoten. IJsland is verdeeld in twee kampen en de splijtzwam is de lupine.

    Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen “slechte doorbloeding, Parkinson en kanker”, om maar een greep te doen

    In 2006 posteerde ik me voor de ingang van een supermarktje in Selfoss, in het zuiden van IJsland, met een notitieblokje en een goedkope camera, 
die ik te leen had gekregen van een lokale krant, 
de Sunnlenska. Ik was op zoek naar mensen die hun mening wilden geven voor ‘De vraag van de dag’, 
een column waarin toevallige voorbijgangers wordt gevraagd zich uit te spreken over een heet hangijzer, een onderwerp waar ze gewoonlijk niet al te veel van afweten, waarna ze ook nog – na enige intellectuele gêne – op de foto worden gezet, voor bij het stukje.

    Milieukwesties liggen altijd gevoelig – welk normaal mens gaat boodschappen doen om een gesprek te voeren over de vraag of de aarde al dan niet ten dode is opgeschreven? Maar die dag bleek ik een wel zeer gevoelige snaar te raken met een zo op het oog redelijk onschuldige vraag: hoe kijkt u aan tegen de lupinus nootkatensis?

    Iedereen vond er het zijne van. Veel van de mensen die ik sprak hadden de lupine letterlijk zien oprukken. Wie aan het begin van de zomer over IJslands Route 1 rijdt, die alle kleine dorpjes en steden van het eiland met elkaar verbindt, heeft het gevoel dat hij over een weg rijdt die dwars door de lupinevelden is aangelegd, alsof de bloemen er eerder waren dan de weg. Dat is niet het geval. In de loop der jaren is het enthousiasme van de Forest Service overgeslagen 
op veel van de inwoners, die in het wilde weg zaden hebben meegenomen naar andere steden, andere valleien en zelfs naar enkele eilandjes voor de kust. Er is geen IJslander die zich níét heeft vergaapt aan de paarse vlakten. En velen zijn dol op de lupine.

    De Facebookgroep Vinir lúpínunnar, ‘Vrienden van de lupine’, die momenteel zo’n 2800 leden telt, maakt duidelijk hoeveel steun er onder de IJslanders is voor de lupine. Sommige leden roemen de eigenschappen van de bloem als middel om de ontbossing te keren: bomen die in de buurt van lupine worden geplant, profiteren van de rijke grond. Zodra de bomen groot genoeg zijn, nemen ze het licht weg van de bloemen, die bijna een meter hoog kunnen worden. In het ideale geval zullen na zo’n 25 tot 30 jaar de lupines als vanzelf verdwijnen en is de grond vruchtbaar genoeg voor andere vegetatie. Sommige leden van 
de Facebookgroep zijn voorstander van de lupine vanwege de esthetische waarde. Ze posten filmpjes en foto’s, zonder er ook maar een moment bij stil 
te staan dat de plant niet inheems is.

    De vrienden van de lupine zijn met name gecharmeerd van zogeheten ‘voor en na’-foto’s. En natuurlijk probeert men munt te slaan uit die geestdrift. Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen ‘slechte doorbloeding, Parkinson en kanker’, om maar een greep te doen.

    De mensen bij de supermarkt die op mijn vraag ingingen, waren duidelijk in twee kampen te verdelen: pro en contra lupine. Het is volkomen zwart-wit. De meeste antwoorden waren echter lang en emotioneel geladen, allesbehalve objectief, noch wetenschappelijk onderbouwd.

    Balanceeract

    De eerste twee mensen vertelden verhalen over de magie van de lupine: dat hij erosie en afstuiving tegengaat en dat er dankzij lupine weer bomen 
kunnen worden geplant. De derde zei dat de lupine het uitzicht uit zijn zomerhuisje had verpest. De vierde beweerde in zijn vrije tijd lupinevelden leeg 
te ruimen maar durfde daar niet openlijk voor uit te komen. Vrijwel iedereen voorspelde twee verschillende toekomstscenario’s: een toekomst met lupine en een toekomst zonder lupine. Mijn vijfde respondent stak een lange tirade af, die ik zou willen terugbrengen tot een enkele vraag: ‘Waarom heeft niemand hier een stokje voor gestoken?’

    Het is een balanceeract om IJsland weer groener te maken: we willen de natuur herstellen in de oude glorie, met onze op natuurlijke wijze ontstane vulkanische woestijnen, maar daarnaast moeten we de vegetatie herstellen die verloren is gegaan. De voor- en tegenstanders hebben allebei valide argumenten.

    Ongeveer 0,4 procent van het oppervlak van het eiland is bedekt met lupine, als we afgaan op schattingen op grond van luchtfoto’s. Dat klinkt niet veel, maar in aanmerking genomen dat slechts 400 vierkante kilometer van het eiland bebost is, gaat het toch om een heleboel lupine. En terwijl de aangeplante bossen in 2085 naar verwachting 1,6 procent van het oppervlak zullen bedragen, zou het aandeel van de paarse bloemen wel eens in de dubbele cijfers kunnen komen, mede dankzij klimaatverandering en menselijke activiteit. ‘Exponentiële groei is de natuur van invasieve soorten,’ zegt botanist Pawel Wasowicz, de lupine-expert van het Iceland Institute of Natural History. Naar zijn inschatting zal de groeicurve ergens in de volgende twee decennia een spectaculaire piek vertonen.

    Volgens het Institute of Natural History zijn maar weinig landen zo gevoelig voor het broeikaseffect 
als IJsland, aangezien invasieve soorten een ongekend groot vermogen hebben om de bestaande vegetatie te verdringen en op te rukken naar de hoger gelegen binnenlanden, waar het momenteel voor de meeste planten nog te koud en te nat is. Met andere woorden: dit op natuurlijke wijze ontstane maanlandschap zou kunnen verdwijnen. Als de klimaatverandering in dit tempo doorgaat, zou de lupine over dertig jaar een groot deel van het hoger gelegen land kunnen innemen, blijkt uit een onderzoek dat in 2013 is verschenen in het blad Flora. Hjörleifur Guttormsson, een 82-jarige naturalist en voormalig parlementslid, tevens een van de eerste tegenstanders van de plant, zegt: ‘Alles behalve de gletsjers is een mogelijke ondergrond voor lupine.’


    ‘We zijn op een keerpunt aangeland,’ beaamt Bragason van de Soil Conservation Service. ‘Het beste wat we nu kunnen doen, is proberen consensus te bereiken over waar we de plant willen toelaten. Dat is al moeilijk genoeg.’ Bragason is van mening dat de beschadigde kustgebieden het ideale terrein vormen voor 
de lupine, met bergen en rivieren als natuurlijke grenzen. Daar kunnen de positieve effecten zich 
aftekenen op zowel de korte als de lange termijn: het voorkomen van zandstormen en het creëren van een vruchtbare voedingsbodem voor herbebossing. Niet ver van de vulkaan de Hekla, waar door de veelvuldige uitbarstingen in de loop der jaren een immens berkenbos verloren is gegaan, heeft de Soil Conservation Service met behulp van de magische lupine delen van het bos nieuw leven weten in te blazen. Het zou veel tijdrovender en duurder zijn geweest om gebruik te maken van inheemse planten en bemesting.

    Er zijn maar weinig regio’s die over de middelen beschikken om het landjepik van de lupine een halt toe te roepen. Met het uitroeien van de plant blijkt zo’n drie tot vijf jaar te zijn gemoeid. Wanneer ik lúpína drepa – ‘lupine doden’ – intik in mijn zoekmachine, kom ik terecht op diverse blogs waar het proces in allerlei militaristische termen wordt beschreven. De lupine blijkt vijanden te maken onder de bevolking zodra hij aangrenzende bessenvelden 
binnendringt. Gewapend met grastrimmers slaan 
de IJslanders de handen ineen om de indringers het hoofd te bieden. De gehanteerde methode is om de lupine aan het begin van de zomer te kortwieken, nog voordat de plant zaadjes heeft gemaakt, op een moment dat de wortels het snoeien vermoedelijk niet te boven zullen komen. Afgelopen zomer zijn in drie plaatsen in het oosten van IJsland grastrimmers uitgeleend aan alle vrijwilligers die wilden deelnemen aan de moordpartij. Het voornemen is om elk jaar een uitroeiactie te organiseren, net zo lang totdat ‘de plant is verdrongen, in ieder geval uit onze natuurgebieden’, aldus Anna Samúelsdóttir, hoofd van de milieudienst van de gemeente Fjardabyggd, die het voortouw heeft genomen bij deze vernietigingsexpeditie. Haar inspanningen hebben de landelijke pers gehaald, omdat dergelijke gecoördineerde acties, met een hoge participatiegraad, een nieuw fenomeen zijn in IJsland.

    ‘De mensen zien dat het lupinelandschap zich als een sneeuwbal uitbreidt,’ zegt Samúelsdóttir. Sterker nog, in de afgelopen vijftien jaar heeft de plant zich in delen van oostelijk IJsland vervijfendertigvoudigd, met name op plekken waar voorheen inheemse planten groeiden. ‘Als je in het midden van een lupineveld naar beneden kijkt, zie je de grond niet eens omdat het zo dicht begroeid is. Kraaiheibessen, blauwe bessen en blauwe bosbessen – allemaal verdwenen.’

    Ondertussen wordt het initiatief van Samúelsdóttir op de Facebookpagina van de lupinelobby gezien als een regelrechte oorlogsverklaring. ‘Snoei maar lekker raak’, schrijft een van de leden, doelend op de guerrilla-achtige methoden die de lupineactivisten hanteren. ‘Ik ga daarna gewoon met een zak vol zaden naar diezelfde plek.’ Iemand anders oppert dat het streven van de oostelijke IJslanders om het land lupinevrij te maken, tekenend is voor hun xenofobie: men zou niets moeten hebben van alles wat afkomstig is uit het buitenland.

    Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren

    Van de twaalf mannen die tussen 1969 en 1972 voet op de maan hebben gezet, hebben er negen eerst de geologie van IJsland bestudeerd, vanuit de gedachte dat ze zo een beter beeld zouden krijgen van de geologie van de maan. NASA had ooit die parallel getrokken op grond van beelden die jaren eerder waren gemaakt vanuit een satelliet die in een baan om 
de aarde cirkelde: de hoogvlakten van de maan (van grote afstand zichtbaar als de lichtere delen van het oppervlak) deden sterk denken aan de desolate binnenlanden van IJsland. Op 24 juli 1969 landde de Apollo 11 weer op de aarde met aan boord een geologisch monster – een stukje maan. De gelijkenis met IJsland bleek oppervlakkig.

    In 1945 keerde de Indiana Jones-achtige bosbeheerder Hákon Bjarnason terug van zijn onderzoekingen in Alaska. Hij was het vliegtuig nog niet uit of hij zei tegen een verslaggever dat IJsland met enige moeite zou kunnen gaan lijken op de kuststreek van Alaska, met hoge bomen en veel bessenstruiken. Het klimaat in beide landen vertoonde opmerkelijk veel overeenkomsten. Maar ook hier bleken de overeenkomsten uiteindelijk slechts oppervlakkig.

    Achteraf gezien zijn de hooggespannen verwachtingen zeer begrijpelijk. In de jaren na 1945 kwamen we terecht in een technologische stroomversnelling. Het was een tijd waarin we meenden de natuur de baas te zijn, waarin we zelfs meenden de zwaartekracht te kunnen trotseren door mensen naar de maan te sturen. Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren.

    Auteur: Egill Bjarnason

    Hakai Magazine
    Canada | hakaimagazine.com

    Onlinetijdschrift dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de hele wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, Brits-Columbia. Hakai wordt gefinancierd door de Tula Foundation.

  • Dieren en hun zesde zintuig

    Dieren en hun zesde zintuig

    Verhalen over dieren die aardbevingen, tsunami’s en vulkaanuitbarstingen voelen aankomen, doen al sinds de oudheid de ronde. Onderzoekers proberen er nu achter te komen hoe dit ‘zesde zintuig’ werkt.

    Er was iets vreemds aan de hand met de padden, dat had Rachel Grant meteen gemerkt. In 2009 wilde de biologe van het Britse Hartpury University Centre onderzoek doen naar het paringsgedrag van de amfibieën in de 
Italiaanse provincie L’Aquila.

    Maar midden in de voor het soortbehoud zo belangrijke paartijd raakten de diertjes plotseling de belangstelling voor elkaar kwijt en zochten een schuilplaats. Ruim een week heerste er een spookachtige stilte. Toen kwam de klap: een aardbeving met een kracht van 5,8 op de schaal van Richter deed de regio Abruzzen trillen, verwoestte duizenden gebouwen en eiste 308 levens. Een paar dagen later zetten de padden hun paringsrituelen voort, alsof er niets was gebeurd. Sindsdien is Grant ervan overtuigd dat padden een ‘zesde zintuig’ hebben. Ze lijken te voelen dat er een aardbeving in aantocht is, terwijl de mens er meestal door wordt overrompeld.

    De Britse is meer bewijzen voor haar stelling aan 
het verzamelen. In 2011 volgde ze met cameravallen verscheidene diersoorten in het Parque Nacional Yanachaga in Peru. Ook hier liet zich in de week voor een zware aardbeving plotseling geen dier meer zien – een hoogst ongebruikelijke rust voor een soortenrijk tropisch bergwoud. Momenteel is Grant in een gebied met veel seismische activiteit op zoek naar aanwijzingen voor opvallend gedrag.

    Alleen over de oorzaken – genoemd worden een 
verandering in de vochtigheid van de grond, 
ontsnappende gassen, zwakke microbevingen en zelfs een elektrische oplading van de lucht – kan ook de biologe tot nog toe alleen maar speculeren.

    ‘Door dieren te observeren kunnen niet alleen aardbevingen, maar ook vulkaanuitbarstingen worden voorspeld’

    Verhalen over dieren die zich voorafgaand aan natuurrampen merkwaardig gedroegen deden al in de oudheid de ronde, maar zijn nooit systematisch onderzocht. Uitgerekend nu, in het tijdperk van 
uitgekiende meettechnieken en gevoelige waarschuwingssystemen, staat het levende wezen als voorspeller van natuurrampen opnieuw in de belangstelling. Het complexe gedrag van dieren heeft de potentie puur technische waarschuwingssystemen te overvleugelen, dat is de stellige 
overtuiging van Martin Wikelski, directeur van het Max-Planck-Institut für Ornithologie in Radolfzell aan de Bodensee. ‘Door dieren te observeren kunnen niet alleen aardbevingen, maar ook vulkaanuitbarstingen worden voorspeld,’ zegt hij. Op beide bijten geofysici tot op heden hun tanden stuk, ondanks sensoren, supercomputers en satelliettechnieken. Anekdotes zijn er te over. Zo volgden de bewoners van het Indonesische eiland Simeulue in december 2004 hun opgeschrikte vee de nabijgelegen heuvels in. Een uur later kwam de eerste vloedgolf van de verwoestende tsunami aan land, die in de kustgebieden rond de Indische Oceaan 230.000 slachtoffers maakte. Na de ramp vertelden deze mensen dat ze het aan de dieren te danken hadden dat ze nog leefden. Ook uit Sri Lanka zijn er ooggetuigenverslagen: daar waren het nerveuze olifanten die de bewoners ertoe wisten te bewegen het binnenland in te 
vluchten.

    Zendertjes

    Gestaafde verklaringen voor het waarschuwende gedrag van dieren zijn er tot dusverre niet. Veel theorieën daarover staan nog ter discussie. Zo kunnen olifanten heel laagfrequente infrageluidsgolven opvangen; overeenkomstige trillingen in de grond zouden ze via hun zolen waarnemen. Koeien, schapen en geiten registreren lichte bevingen mogelijk dankzij een uiterst gevoelige tastzin in de hoeven. Weer andere dieren hebben een buitengewoon ontwikkeld reukvermogen dat al op enkele moleculen van een gas reageert of kunnen elektromagnetische velden detecteren. Al deze gaven zouden aanwijzingen kunnen geven voor een dreigend onheil, die de mens ontgaan. Om de ernstige lacunes in de kennis op te vullen, voorziet Wikelski dieren systematisch van zendertjes. Hij behoort tot de weinige voortrekkers die de legenden over waarschuwend gedrag van dieren het aureool van geheimzinnigheid en onverklaarbaarheid willen ontnemen. Gps-modules en bewegingssensoren moeten grote hoeveelheden gegevens gaan leveren die als basis kunnen dienen voor een zuivere, wetenschappelijke bewijsvoering.
    Vijf jaar geleden al voorzagen Wikelski en zijn collega’s een tiental schapen en geiten bij de Italiaanse vulkaan Etna van een elektronische halsband. Met 
de computer analyseerden ze hun bewegingspatronen, met als resultaat: bij alle grotere activiteit van de vulkaan werden de dieren tot zes uur eerder onrustig en vluchtten ze naar de dichtstbijzijnde schuilplaats. Wikelski vroeg vervolgens patent aan op zijn waarschuwingsmethode met behulp van dieren.

    Momenteel analyseert het team nieuwe gegevens 
uit een Italiaans aardbevingsgebied. Na de eerste trillingen in het afgelopen najaar waren de onderzoekers snel ter plaatse en vonden een boerderij waar ze het vee van sensoren mochten voorzien. ‘Dieren 
in stallen zijn uitermate geschikt,’ zegt Wikelski, ‘want daar staan ze nauwelijks bloot aan andere invloeden van buiten.’

    Het onderzoekersgeluk was met hem: op de eerste bevingen volgde een tweede, krachtigere serie. Zo konden voor en tijdens de aardschokken betrouwbare gegevens worden verzameld. Wikelski mag nog niet zeggen of het gedrag van de dieren echt zo opvallend was als gehoopt, want de resultaten van het onderzoek zullen op korte termijn in een gerenommeerd vakblad worden gepubliceerd – ook na commentaar van tot nog toe sceptische onderzoekers van aardbevingen. Wikelski is niet 
de enige die met behulp van dieren betrouwbare voorspellingen over aardbevingen en vulkaanuitbarstingen wil doen. Geoloog Ulrich Schreiber van de Duisburg-Essen-universiteit ontdekte mieren als waarschuwingssysteem. Honderden nesten in de Eifel, het Zwarte Woud en het Beierse Woud heeft hij in kaart gebracht. De kolonies hadden een duidelijke voorkeur voor scheuren in de aardkorst – hotspots voor aardbevingen. ‘De nesten bevonden zich altijd langs de tektonisch actieve zones,’ zegt Schreiber. Een mogelijke verklaring is dat de insecten worden aangetrokken door de ongeveer een tiende graad hogere temperatuur, wat wordt veroorzaakt door koolstofdioxide die uit diepere en warmere aardlagen naar boven stroomt.

    Olifanten kunnen laagfrequente infrageluidsgolven opvangen; overeenkomstige trillingen in de grond zouden ze via hun zolen waarnemen. – © Will Burrard-Lucas / Getty
    Olifanten kunnen laagfrequente infrageluidsgolven opvangen; overeenkomstige trillingen in de grond zouden ze via hun zolen waarnemen. – © Will Burrard-Lucas / Getty

    Ruim drie jaar lang, van 2009 tot en met 2011, observeerde Schreiber twee mierenhopen in de Eifel met hogeresolutiecamera’s die dag en nacht opnamen maakten. De krachtigste beving die zich in die tijd voordeed had een magnitude van 3,2 op de schaal van Richter. Enkele uren voor de aardschokken gingen de diertjes – die er verder een strikt ritme op na hielden – inderdaad abnormaal gedrag vertonen: ’s nachts waren ze actiever, overdag juist rustiger dan anders. Pas de volgende dag vervielen ze weer tot de dagelijkse sleur. Een mogelijke verklaring daarvoor zijn gassen die voor de aardbeving uit de scheuren 
ontsnapten – een voorbode van geologische activiteit.

    Of het nu gaat om geiten, padden, mieren of olifanten, alle tot nog toe uitgevoerde studies zijn gebaseerd op een gering aantal observaties, leveren een beperkte hoeveelheid gegevens en doen daarom veel deskundigen twijfelen aan het ‘waarschuwingssysteem dier’. Maar daarin moet het project ICARUS dit jaar verandering gaan brengen. Half februari 2018 is vanuit het Russische ruimtestation Bajkonoer een speciale antenne naar het internationale ruimte-
station ISS geschoten, die astronauten vóór mei 2018 
tijdens een ruimtewandeling zullen installeren.

    Uiterlijk vanaf juni 2018 moet de antenne dan voor het eerst zendergegevens van duizenden dieren 
gaan verzamelen en naar een databank op aarde sturen. Vanaf dat moment zijn bijvoorbeeld de routes van trekvogels van moment tot moment en van 
continent tot continent te volgen. De deelnemende onderzoekers uit verscheidene landen verwachten een enorme hoeveelheid gegevens die de resultaten van alle bestaande metingen zullen overtreffen, omdat telemetrieprojecten – waarbij met antennes op land de sensoren uitgelezen kunnen worden – meestal beperkt blijven tot slechts enkele tientallen getagde dieren en enkele vierkante kilometers.


    Biologen en gedragsonderzoekers staan met tal 
van ICARUS-projecten in de startblokken. Zoogdieren, trekvogels, zeeschildpadden en in de toekomst 
zelfs sprinkhanen zullen worden uitgerust met 
gps-modules, versnellingsmeters en detectoren voor temperatuur en magnetische velden. De onderzoekers richten zich vooral op de verrassende capaciteiten 
van groepen dieren. ‘Die zouden wel eens een soort supersensor kunnen worden,’ zegt Iain Cuzin, expert in de groepsintelligentie van dieren aan het Max-Planck-Institut in Radolfzell. Uit veel waarnemingen is al gebleken dat groepen dieren veel gevoeliger zijn voor prikkels uit hun omgeving en betere en snellere beslissingen nemen dan individuele dieren. De redenen daarvoor zijn nog in nevelen gehuld. ICARUS moet eraan bijdragen om dat raadsel op te lossen.

    Om de reusachtige hoeveelheid gegevens te kunnen opslaan en beoordelen, werken zogeheten bio-loggingexperts samen met wiskundigen, natuurkundigen en IT-specialisten. Hun gemeenschappelijke doel is om met big data en onweerlegbare, statistische significantie het gedrag van de meest uiteenlopende dieren te begrijpen en hun waarschuwingspotentieel voor rampen nauwkeurig te documenteren. De 
toepassingen reiken veel verder dan aardbevingen 
en vulkaanuitbarstingen, want de sensoren onthullen niet alleen onbekende gedragspatronen. Alleen al het volgen van trekvogels heeft een groot potentieel, zoals een eerdere signalering van epidemieën als vogelgriep of ebola. ‘Gegevens over vliegroutes en overwinteringslocaties van trekvogels zijn noodzakelijk voor de voorspelling van een infectieverspreiding als vogelgriep,’ zegt ICARUS-onderzoeker Grigori 
Tertitski van de Russische Academie van Wetenschappen in Moskou. Uit voorstudies is gebleken 
dat ganzen en eenden uit China en Europa dezelfde broedplaatsen gebruiken tijdens hun trek en daar gevaarlijke virussen kunnen doorgeven aan zwermen vogels uit elk ander continent. Temperatuursensoren bieden de mogelijkheid een aandoening van vogels over grote afstand te diagnosticeren. Mocht er weer eens een griepgolf uit het Verre Oosten aankomen, dan kan Europa zich daar veel eerder op voorbereiden.

    Als de zendertjes bovendien weergegevens over onder andere de luchtdruk, temperatuur, neerslag 
en windsnelheid verzamelen, dan kunnen zelfs de gevolgen van de klimaatverandering in de gaten worden gehouden. ‘Met dieren als levende meetapparatuur zouden we extreem weer en langdurige veranderingen van het klimaat kunnen onderkennen, wat met andere methoden vrijwel niet mogelijk is,’ zegt Gil Bohrer van de Ohio State University, 
die eveneens deelneemt aan ICARUS. Niet alleen waarschuwt de dierenwereld de mens voor natuurrampen, ze is ook behulpzaam bij een betere 
bescherming van de natuur zelf.

    Auteur: Jan Oliver Löfken
    Vertaler: Pieter Sterutker

    CONTEXT: Truffels, drugs, darmkanker

    Vanwege hun fijne neus staan honden hoog aangeschreven als levende sensoren. Op luchthavens en bij grensovergangen sporen ze de kleinste hoeveelheden drugs en springstof op. Fijnproevers schakelen de dieren in om op vochtige bosgrond truffels te lokaliseren; de hond heeft het varken allang de loef afgestoken. Speciale hulphonden waarschuwen diabetespatiënten voor een te lage bloedsuikerspiegel en epileptici voor een komende aanval. Kennelijk registreren ze een dalende zuurstofsaturatie van het bloed. Zelfs voor een vroege diagnose van kanker zouden honden geschikt zijn. Volgens enkele kleine studies kunnen ze borst-, nier- en longkanker herkennen aan de geur van de adem of de urine van een patiënt. Onduidelijk is echter welke stoffen de honden hierbij ruiken. Een systematische studie met verscheidene hondenrassen – onder andere labradors, riesenschnauzers en herdershonden – heeft de hoop op een vroege diagnose van kanker echter getemperd. Na een training van enkele maanden – analoog aan die van drugshonden – was 45 tot 74 procent van de diagnoses juist, een veel te laag percentage om betrouwbare uitspraken over de aanwezigheid van de ziekte te doen.

  • Hoe een Bengaals eilandje een ecologisch paradijs werd

    Hoe een Bengaals eilandje een ecologisch paradijs werd

    Wetenschappers zijn verrukt over de vervijftigvoudiging van het aantal diersoorten op een eilandje
    in West-Bengalen. Als toerist mag je er voorlopig niet heen.

    Tot 1990 was het nieuw ontstane eiland Nayachar in de monding van de Hooghly-rivier in West-Bengalen helemaal kaal, er leefden nauwelijks planten of dieren. Het is ontstaan door aangroeiend rivierslijk en lag aanvankelijk grotendeels onder water, al kwamen de overstroomde gedeeltes bij lage waterstanden af en toe droog te staan.

    In oktober 2017 publiceerde de Zoological Survey of India (ZSI) echter een onderzoek getiteld ‘Studies on the succession and faunal diversity and ecosystem dynamics on Nayachar island, Indian Sundarban delta’ [Onderzoek naar de successie en faunadiversiteit en ecosysteemdynamiek op het eiland Nayachar, de Indiase delta van Sundarban]. Daarin worden 151 op het eiland levende diersoorten beschreven, wat Nayachar tot een zeldzaam ecologisch gebied maakt.

    Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte

    ‘Deze unieke publicatie laat zien hoe een nieuw ontstane landmassa stukje bij beetje aan diverse groepen organismen een habitat kan bieden’, vertelt ZSI -directeur Kailash Chandra. Vóór hem hield A.K. Hazra zich al sinds 1989 met het onderzoek bezig. Ook deze laatste noemt de studie het eerste onderzoek in zijn soort in India. ‘De bedoeling is om inzicht te krijgen in de stabilisering van de bodem op een nieuw ontstaan eiland, en in de successie van levende organismen in een nieuwe habitat. Toen wij het eiland in 1989 voor het eerst in kaart brachten, vonden we maar drie soorten ongewervelde bodemdieren. Twee jaar later was dit aantal verdubbeld en eind jaren negentig telden we 76 ongewervelde diersoorten, zowel ondergrondse als bovengrondse. Momenteel leven er al 151 soorten, en niet alleen ongewervelden.’

    Een andere wetenschapper van het ZSI, specialist in ongewervelde bodemdieren Gurupada Mandal, vertelt dat kort na het verschijnen van protisten (eencellige organismen) op het eiland, wetenschappers ook zoutminnende microfauna vonden uit de geslachten acarina [spinachtigen, zoals mijten en teken] en collembola [springstaarten; de zespotigen], die onder de grond leven.

    ‘Nayachar is een mangrove-ecosysteem; we zagen hier een unieke successie van diersoorten. Tot dusver vonden we twintig soorten microfauna, acht acarina- en zes collembolasoorten’, aldus Mandal.

    Niet alleen zag het eiland het aantal diersoorten dramatisch toenemen, ook groeide het de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk in oppervlakte. Uit satellietdata blijkt dat het eiland tussen 1967 en 2015 van 18 vierkante kilometer groeide tot ruim 46 vierkante kilometer.

    In elke groep nam het aantal diersoorten toe. Het artikel noemt bijvoorbeeld 27 vissoorten, terwijl dat er in 1992 nog maar 12 waren. Het aantal vogelsoorten nam sinds 1992 toe van 6 tot 37.

    Nayachar, in 1990 nog een woestenij, telt nu meer dan 150 diersoorten. – © Panoramio
    Nayachar, in 1990 nog een woestenij, telt nu meer dan 150 diersoorten. – © Panoramio

    Zoogdieren, vooral ratten, muizen, vleermuizen en eekhoorns, namen in diezelfde periode toe van 3 tot 11. Ook biedt het eiland een thuis aan 33 soorten vlinders en motten, waar dat er in 1992 nog maar 7 waren. ‘De kolonisatie door zo veel diersoorten is interessant omdat het eiland aan alle kanten omringd wordt met water en de dichtstbijzijnde landmassa – het zinkende eiland Ghoramara – dertig kilometer verderop ligt. De natuurlijke successie van diersoorten op het eiland wordt in de hand gewerkt omdat het bij vloed overstroomt en omdat vissers aarde meebrengen van elders’, vertelt Hazra. De vissers komen van andere eilanden in de deels bewoonde Sunderban-archipel waarvan het eiland deel uitmaakt.

    De onderzoekers wijzen erop dat de bodemvorming en daaropvolgende veranderingen die de aanwezigheid van 151 diersoorten op het eiland mogelijk maakten, volgens een klassiek patroon verliepen. In de grond zit materiaal afkomstig van microscopische diertjes, waaruit energie en koolstofdioxide vrijkomt. Dit trapsgewijze proces draait om microfauna als collembola en acarina, wat op termijn leidt tot nitrificatie en de vorming van een humuslaag.

    Nieuw eiland

    De grotere dieren op het eiland leven zowel ondergronds als in de sterk toenemende begroeiing. Insecten en vissen komen af op het beschikbare voedsel in de onderwaterhabitat en de bodemvegetatie.

    ‘Daardoor neemt het aantal vogelsoorten toe’, aldus het artikel. Hazra vertelt dat de naam Nayachar ‘nieuw eiland’ betekent. Doordat het zo nieuw is, is het belangrijk om alle fysieke en biologische veranderingen continu te observeren. Ook moet het eiland voorlopig gevrijwaard blijven van economische activiteit. Dr. Chandra: ‘Nayachar bood wetenschappers de zeldzame kans om de successie van diersoorten vanaf het allereerste begin te bestuderen.’

    Auteur: Shiv Sahay Singh
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    The Hindu
    India | dagblad | oplage 700.000

    The Hindu staat bekend om zijn centrum-linkse politieke opvattingen, onafhankelijke analyses en genuanceerde standpunten.