Tag: eenzaamheid

  • Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid

    Het tegenovergestelde van het tegenovergestelde van eenzaamheid

    Een afscheidstoespraak voor mensen die zich tijdens hun studententijd ellendig hebben gevoeld.

    Het voelt vreemd om met zo’n ​​naam te komen, met zo’n droevig verhaal om een ​​essay in te kaderen [de titel verwijst naar ‘The opposite of loneliness’ van Marina Keegan, zie het kader hieronder]. Gebruik je daar de doden voor? Dat is niet mijn bedoeling. Ik wil dat het over Marina Keegan en haar boodschap gaat, die veel mensen heeft geraakt. Keegan sprak over het gevoel van verbondenheid en de mogelijkheden die hun prachtige oude onderwijsinstelling haar en haar medestudenten had geboden, en hoe ze dit gevoel na hun vertrek met zich mee konden dragen. Maar ik wil me richten tot de eenzame, betreurenswaardige mensen die dit gevoel nooit hebben ervaren – laat staan ​​dat ze zich zorgen hebben gemaakt over het verliezen ervan.

    ‘Het is niet gewoon liefde of een gemeenschap; het is het gevoel dat er mensen zijn, heel veel mensen, die hetzelfde als jij beleven. Die aan jouw kant staan. Wanneer de rekening betaald is en je aan tafel blijft zitten. Wanneer het vier uur ’s nachts is en niemand naar bed gaat. Die nacht met de gitaar. Die nacht die we ons niet meer kunnen herinneren. Die keer dat we gingen, zagen, lachten, voelden. De hoeden.’

    Dit is Marina Keegans weergave van het gevoel dat het tegenovergestelde is van eenzaamheid. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is iets diffuus, als een net: de onderlinge verbondenheid van mensenlevens en het gevoel dat je daar onlosmakelijk deel van uitmaakt – dát is wat het zo bijzonder maakt. Je voelt het tegenovergestelde van eenzaamheid door al die mooie herinneringen die je met je vrienden maakt, maar ook omdat het creëren van zulke herinneringen op zichzelf een grotere onderneming is waar jij, je vrienden en alle andere mensen deel van uitmaken. Het tegenovergestelde van eenzaamheid is de intensiteit van deze ervaring; het intense gevoel dat je leeft, samen met al die anderen om je heen.

    Het is dan ook geen wonder dat het essay na de dood van Marina Keegan, op 22-jarige leeftijd, zo geliefd werd onder studenten wereldwijd. De meeste mensen zien de universiteit immers als een keurig afgebakende periode van vier jaar in iemands leven, min of meer opzichzelfstaand, bedoeld om uit te vinden wie je bent en wat je met de rest van je leven wilt doen. Het gevoel van kameraadschap is daarom heel herkenbaar voor studenten; ze beseffen allemaal – en krijgen steeds weer te horen dat ze dit moeten beseffen – dat ze zich samen in een heel bijzondere situatie bevinden, in een heel bijzondere periode van hun leven. Maria’s lofzang op dit gevoel moest deze studenten toch wel aanspreken en diep raken?

    Koude rilling

    Ook ik wil me tot studenten richten, en eigenlijk tot iedereen die het wil horen, maar ik wil me daarbij vooral richten tot een specifieke groep studenten die, vermoed ik, geen flauw benul heeft van waar Keegan het over heeft. Of om het preciezer te zeggen: ze denken maar al te goed te weten waar Keegan het over heeft, en precies daarom voelen ze een koude rilling over hun lijf lopen bij het lezen van haar woorden.

    Dit zijn de mensen die op de middelbare school, om uiteenlopende redenen, altijd direct naar huis gingen als de bel ging, thuis achter de computer gingen zitten en daar bleven tot ze naar bed gingen, omdat niemand ze ooit ergens bij betrok en zij ook niemand ergens bij betrokken. Ik vermoed dat ze zich het grootste deel van hun leven een beetje als homunculi hebben gevoeld, als lichamen zonder ziel; alsof ze er wel menselijk uitzien en menselijk klinken, maar niet over de instinctieve hersenfuncties beschikken die andere, echte mensen klaarblijkelijk wel bezitten. Leuke dingen opzoeken en plezier hebben is iets waar echte mensen zo goed in zijn dat ze juist moeten oppassen dat ze het niet te vaak doen. Voor de mensen tot wie ik mij richt is leuke dingen opzoeken en plezier hebben (buiten het solipsisme van een computer of een tv) net zo eenvoudig als het stil houden van knikkers op een glazen plaat.

    En dan gaan ze naar de universiteit. Sommigen wonen in een studentenflat; anderen, de ware verdoemden, pendelen. In beide gevallen zullen deze mensen zich terdege pijnlijk bewust zijn van wat er op het spel staat: dit is de universiteit. De universiteit, wat een plek die wel niet inneemt in onze collectieve verbeelding: zo veel gesprekken, zo veel onderschriften en artikelen op Instagram, zo veel foto’s en video’s, reclamecampagnes, films en tv-programma’s, grappen, clichés, tweets, memes en nog eens tweets over wat een vreemde, opwindende ervaring het studentenleven is. 

    Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was …

    God behoede je als je nooit een keer om vier uur ’s nachts met vrienden in een huiskamer hebt gezeten, geen leuke gitaaravonden hebt meegemaakt, geen goeie black-out; God behoede je als er nooit een hoed aan te pas is gekomen. En als er geen hoeden waren, zullen er ook nooit hoeden zijn – die hoeden kun je nu niet meer krijgen, want het is voorbij. Wat een afschuwelijk gevoel moet deze mensen wel niet overvallen als de diploma-uitreiking nadert en ze beseffen dat het hoofdstuk ten einde loopt, dat het verhaal verdergaat, opnieuw.

    Keegan schrijft hierover: ‘Er is een gevoel dat ik soms bespeur, dat in ons collectieve bewustzijn sluipt als we in bed liggen na een feestje, of ons boek dichtslaan en toegeven aan de verleiding om uit te gaan – dat het op de een of andere manier te laat is. Dat anderen ons voor zijn: meer bereikt, meer gespecialiseerd. Verder op weg om de wereld te redden, om iets te creëren, uit te vinden of te verbeteren. Dat het nu te laat is om ergens mee te BEGINNEN en dat we genoegen moeten nemen met het voortzetten van ons leven.’

    Maar misschien maken deze opmerkingen het alleen maar extra zuur voor de mensen tot wie ik me richt. ‘Zijn dit echt de dingen waar anderen spijt van hebben?’ vragen die zich af. ‘Is de kloof inmiddels zo groot geworden? Ik wilde me gewoon voor het eerst echt een mens voelen, maar in plaats daarvan was het allemaal net zo triest en troosteloos als altijd. En nu zou het dus alleen maar erger moeten worden.’

    De vriendschapsindustrie

    Volgens journalist Faith Hill van The Atlantic schieten initiatieven om eenzaamheid tegen te gaan vaak hun doel voorbij.
    In Amerikaanse steden is de afgelo- pen jaren een ware vriendschapsindustrie ontstaan. Organisaties als Project Gather, Timeleft en Belong Center organiseren diners, potlucks en gesprekskringen om eenzaamheid te bestrijden. Hun belofte is groot: door mensen offline samen te bren- gen zouden sociale isolatie, vervreemding en zelfs mentale gezondheidsproblemen kunnen worden opgelost.
    In Hills artikel, met de kop ‘You’ve Probably Already Met Your Next Best Friend’, betoogt ze dat het uitgangspunt van veel van deze start-ups te simpel is. Ze gaan ervan uit dat eenzaamheid vooral ontstaat door een gebrek aan vrienden, en dat de oplossing dus ligt in het ontmoeten van nieuwe mensen. Onderzoek laat echter zien dat eenzaamheid minder samenhangt met het aantal sociale contacten dan met de kwaliteit ervan. Veel mensen voelen zich niet zozeer alleen omdat ze niemand kennen, maar omdat ze zich niet gezien, gehoord of begrepen voelen. De gemiddelde Amerikaan heeft dan ook niet minder vrienden dan eerdere generaties.
    Hill verwijst naar onderzoek van Harvard waaruit blijkt dat een groot deel van de mensen die zich eenzaam noemen vooral worstelt met existentiële eenzaamheid, mentale kwetsbaarheid of het gevoel zichzelf niet te kunnen zijn. Vriendschapsexpert Shasta Nelson noemt dit frientimacy: echte nabijheid in vriendschappen, die volgens haar drie ingrediënten vereist – consistentie, positiviteit en kwetsbaarheid. Goede vriendschappen bouwen zich op door tijd, herhaling en gedeelde context. In de Amerikaanse cultuur ontbreekt het aan scripts voor hoe vriendschappen zich ontwikkelen, in tegenstelling tot romantische relaties. Sociale evenementen kunnen geen wooncrisis, lange werktijden, gebrekkige geestelijke gezondheidszorg of het verdwijnen van publieke ontmoetingsplekken compenseren, aldus Hill.

    De trieste waarheid is dat het allemaal nog steeds aan je voorbij kan gaan, ongeacht hoe bewust je je daarvan bent. 

    Als je studententijd een drijfzandbak vol wanhoop was, moet je dat accepteren en er kracht uit putten, dat is een kwestie van cognitieve herstructurering [het veranderen van negatieve en irrationele gedachten naar realistischere en positievere gedachten]. Een onderdeel van die herstructurering is het begrijpen van Keegans boodschap dat het nog niet te laat is – nergens voor. Het menselijk leven bestaat niet voor 20 procent (het begin) uit plezier en voor 80 procent (de rest van je leven, na je drieëntwintigste) uit zwoegen. Er is nog steeds overal tijd voor.

    Afgezien van het veranderen van je denkwijze over dingen die al gebeurd zijn, zou het verstandig zijn om jezelf ‘in te enten’ met een idee zoals dat van [de negentiende-eeuwse Amerikaanse essayist Ralph Waldo] Emerson aan het begin van ‘Self-Reliance’, een essay dat volledig gaat over wat je met de volgende seconde van je leven moet doen:

    ‘Er komt een moment in ieders leven waarop je tot het besef komt dat afgunst een vorm van onwetendheid is, dat imitatie neerkomt op zelfverloochening, en dat je jezelf – in goede én in slechte tijden – als je eigen lot moet aanvaarden. En dat, hoe vol goedheid het universum ook is, geen enkele voedzame graankorrel je bereikt, tenzij je die zelf oogst op het stukje grond dat jou is toevertrouwd.’

    Geluk

    Misschien heb je nog nooit het tegenovergestelde gevoel van eenzaamheid ervaren. Misschien heb je je altijd een eiland gevoeld. Dat kan je volledig lamleggen, en ik hoop dat de details in dit essay je ervan overtuigen dat ik uit ervaring weet hoe het is. Ik wil ook dat je me gelooft als ik zeg dat je enige echte keuze is en altijd zal zijn om die verdomde grond te bewerken. Geluk komt niet voort uit nieuwe ervaringen of uit jeugdig hedonisme. Geluk is iets wat je met veel werk, tijd en aandacht bereikt. Ik denk dat je minder ver op je studiegenoten achterloopt dan je zelf denkt, en ik wens je alle succes.

    Marina Keegan (1982 – 2012) was een Amerikaanse auteur en journalist. Ze werd vooral bekend door haar essay ‘The Opposite of Loneliness’, dat na haar overlijden bij een auto-ongeluk viraal ging en ruim 1,4 miljoen keer werd gelezen, in 98 landen. Het ongeval vond plaats terwijl Keegan als passagier onderweg was naar huis, slechts vijf dagen nadat ze magna cum laude was afgestudeerd aan de Yale-universiteit.

  • Seoul probeert eenzame burgers op te vangen

    Seoul probeert eenzame burgers op te vangen

    Zuid-Korea kampt met een groeiende epidemie van sociale isolatie, met de hoofdstad als epicentrum. Het nieuw opgerichte Seoul Isolation Prevention Center kaart dit probleem direct aan.

    Je kunt een Maeum-buurtwinkel (maeum is Koreaans voor ‘hart’) binnenlopen om een gratis kom ramen te eten en met iemand over het gemis te praten dat je al maandenlang voelt. Dit is geen etalagepolitiek. Het maakt deel uit van een grootschalig vijfjarenplan van de gemeente Seoul om met een budget van 451,3 miljard won (266 miljoen euro) een crisis aan te pakken die maar weinig steden openlijk durven te benoemen: eenzaamheid. Zuid-Korea kampt met een groeiende epidemie van sociale isolatie, met Seoul als epicentrum. De hoofdstad telt inmiddels meer dan 35 procent eenpersoonshuishoudens. Recent onderzoek toont aan dat 62 procent van de alleenwonenden zich eenzaam zegt te voelen, terwijl 13,6 procent in een sociaal isolement verkeert. Volgens een ander onderzoek uit 2023 leven naar schatting 130.000 jongeren tussen de 19 en 39 jaar in bijna volledige sociale afzondering, een fenomeen dat ook wel wordt aangeduid met de aan het Japans ontleende term hikikomori.

    Geen privéprobleem

    ‘Eenzaamheid is in Seoul niet langer een privéprobleem,’ zegt Lee Soo-jin, directeur van het Seoul Isolation Prevention Center, het eerste overheidsorgaan in het land dat belast is met het identificeren en bijstaan van inwoners die in maatschappelijke afzondering leven. ‘In alle leeftijdscategorieën zien we achteruitgang van de geestelijke gezondheid. Maar voor velen, met name jongeren en oudere mannen, is het simpelweg niet duidelijk waar ze hulp moeten zoeken.’

    Lee heeft het afgelopen jaar gewerkt aan het opzetten van systemen om risicogroepen te identificeren die vaak buiten het zicht van het officiële sociale vangnet vallen. Haar team wisselt gegevens uit met sociale diensten, nutsbedrijven en bezorgdiensten om signalen van isolatie te herkennen, zoals niet-opgehaalde post of herhaaldelijk bestelde eenpersoonsmaaltijden. Zodra er gevallen zijn gesignaleerd worden deze benaderd via de telefoon, huisbezoeken of digitale kanalen en krijgen ze ondersteuning op maat aangeboden, zoals counseling, begeleiding door lotgenoten of verwijzing naar buurtgroepen.

    Meer algemene initiatieven van de stad omvatten een 24-uurs hulplijn die is geïntegreerd in het bestaande 120 Dasan Call Center, een chatbot voor mensen die niet graag telefoneren, en een online platform genaamd Toktok24 dat gebruikers doorverwijst naar counseling en buurtprogramma’s. Toch betwijfelen zowel wetenschappers als gewone burgers of overheidsbeleid wel de aangewezen manier is om zo’n persoonlijke en complexe situatie als eenzaamheid aan te pakken. ‘Eenzaamheid is niet hetzelfde als alleen zijn,’ zegt Byun Geum-seon, hoogleraar maatschappelijk werk aan de Ewha Womans University en coauteur van een belangrijk onderzoek uit 2024 naar isolatie onder jongeren. ‘Voor sommigen betekent alleen zijn vrijheid. Voor anderen betekent het afzien. Overheden kunnen gedrag signaleren. Maar het gevoel van eenzaamheid moet onderkend worden door degene die het ervaart.’

    ‘Ik had mijn eigen stem al dagenlang niet gehoord’

    Byuns onderzoek, waarvoor meer dan vijfduizend respondenten werden benaderd, onderscheidt zeven verschillende profielen van sociale isolatie en eenzaamheid. Deze variëren van economisch geïsoleerde jongeren tot emotioneel geïsoleerde individuen met een netwerk van familie of collega’s. Haar onderzoek toont een sterke correlatie aan tussen eenzaamheid en psychische problemen als depressie en suïcidale gedachten, zelfs bij degenen die niet in de traditionele zin sociaal geïsoleerd zijn.

    ‘In sommige gevallen hebben mensen weliswaar sociale contacten, maar toch het gevoel dat ze niet openlijk kunnen spreken en niet zichzelf kunnen zijn,’ zegt Byun. ‘Dit komt vooral voor bij alleenwonende jonge vrouwen en bij mannen die het gevoel hebben dat ze niet aan de sociale verwachtingen voldoen.’

    Shin Hye-jin, een achtentwintigjarige masterstudent die vijf jaar geleden van Daegu naar Seoul is verhuisd, herinnert zich hoe haar eerste jaar in de hoofdstad veel eenzamer aanvoelde dan ze zich had kunnen voorstellen. ‘Ik woonde in een goshiwon (een piepkleine studentenkamer) vlak bij de campus. Ik heb mijn buren nooit ontmoet. Zelfs tijdens de colleges zei niemand wat, tenzij dat echt nodig was voor groeps- projecten,’ zegt ze. ‘Af en toe realiseerde ik me ’s nachts dat ik mijn eigen stem al dagenlang niet had gehoord.’ Later sloot Shin zich via Danggeun Market, een app voor de handel in tweedehandsspullen die nu ook plaats biedt aan allerlei sociale initiatieven, aan bij een buurtgroep voor ‘stille wandelingen’. ‘Het klinkt misschien gek, maar zwijgend naast onbekenden lopen hielp me,’ zegt ze. ‘Het voelde veilig. Niemand verwachtte iets van me.’

    Maeum-buurtwinkel

    Volgens Danggeun is de deelname aan de buurtgroepen sinds 2023 vertwintigvoudigd. Deze groepen zijn vaak laagdrempelig en gericht op gedeelde interesses, variërend van ADHD-ondersteuning tot broodproeverijen. Voor velen leiden ze tot duurzamere sociale banden dan officiële gemeenteprogramma’s. Directeur Lee Soo-jin erkent de beperkingen van haar Seoul Isolation Prevention Center. ‘De stad Seoul weet dat ze geen waardevolle connecties tot stand kan brengen,’ zegt ze. ‘Wat we wel kunnen doen, is een kader creëren. We kunnen mensen opties bieden voor wat ze kunnen doen als ze beseffen dat ze het moeilijk hebben.’

    Onderdeel van dat kader is de eerdergenoemde Maeum-buurtwinkel, een kruising tussen een centrum voor geestelijke gezondheidszorg en een café, waar mensen anoniem kunnen binnenlopen voor een gratis maaltijd, informatie of gewoon een moment van rust. De stad breidt ook haar ondersteuningsprogramma’s voor en door lotgenoten uit, zoals het project Ieders Vriend, waar voorheen geïsoleerde inwoners leren om mensen in vergelijkbare situaties te helpen en emotionele steun te bieden.

    Professor Byun waarschuwt voor modellen die iedereen dezelfde oplossing bieden. ‘Eenzaamheid neemt niet alleen af door verbinding met anderen, maar ook door continuïteit. Je moet het gevoel hebben dat je belangrijk bent voor anderen en dat mensen het merken als je van de radar verdwijnt.’ Daarom is de rol van de overheid minder gericht op het kweken van relaties en meer op het faciliteren ervan. ‘Als iemand bij een van deze stadsprogramma’s binnenloopt en weggaat met een telefoonnummer of een reden om volgende week weer de deur uit te gaan, is dat een kleine overwinning die de moeite waard is,’ zegt Lee.

  • Hoe de apparatencultuur huismussen van ons maakt 

    Hoe de apparatencultuur huismussen van ons maakt 

    IJsmachine, beamer, trampoline: allemaal aantrekkelijke producten, die echter één groot nadeel hebben: niemand gaat nog de deur uit.

    Als je in de stad woont, kom je op zeker moment op een leeftijd dat je hele vriendenkring plotseling aan sterke erosiekrachten onderhevig is. Het ene jonge gezin na het andere verlaat het gezamenlijke postcodegebied en vertrekt naar een buitenwijk of meteen maar helemaal naar het platteland. En alle goede voornemens ten spijt zie je ze nog maar zelden terug. Dus moet je naar hen toe, in hun rijtjeshuizen, bungalows en energiezuinige woningen. En daar valt je naast een heleboel andere dingen meestal op dat er flink wat is bijgekomen, niet alleen qua gewicht maar vooral in de vorm van spullen. Er staan veel meer nieuwe dingen in de tuin, garage en keuken dan er ooit in een huis in de stad hadden gepast. Ettelijke aanwinsten krijg je meteen gedemonstreerd, of je wilt of niet. En waar oorspronkelijk de natuur en het eenvoudige leven redenen waren om de stad uit te gaan, lijkt het een beetje alsof het vooral om die nieuwe aanwinsten gaat.

    Het opvallendste symptoom is de wanstaltige trampoline die de afgelopen twintig jaar in de helft van de tuinen is verschenen: zo groot als een helikopterplatform en vaak alleen een opmaat naar nog grotere speelplaatsattributen. Voor kinderen is het natuurlijk geweldig. Maar ook voor hun ouders, want die hoeven niet meer naar de speeltuin te rijden. Dat je in de speeltuin achter je huis zelden nieuwe vrienden maakt, wordt even makkelijk over het hoofd gezien als de vraag waar je over een paar jaar met al die volumineuze rommel naartoe moet. 

    Een kasteel

    Vrij snel na de trampoline komt bij de onroerendgoedbezitters of huurders veelal het verlangen naar een zwemvijver op. Aan een zwembad begin je niet zo lichtzinnig, maar een zwemvijver of op zijn minst zo’n opzetzwembad zou natuurlijk wel leuk zijn. Is het ook, geweldig. En nog weer een reden om het terrein niet te verlaten. Dag openluchtzwembad, het huis wordt een kasteel en de ophaalbrug blijft steeds langer omhoog. In een ideale nieuwbouwwijk zou de één een trampoline, de ander een zwembad en weer een ander een tafeltennistafel hebben en iedereen deze attracties met elkaar delen. Je nodigt elkaar uit – in  elk geval de kinderen – en groeit samen op. Het zou hulpbronnen en geld besparen en ook maatschappelijk dividend opleveren. Maar de realiteit is vaker dat een iemand met zulke dingen begint en iedereen in de buurt ze daarna ook wil hebben. Zo creëert iedereen achter een hoge heg zijn eigen pretpark.

    Binnen valt de nieuwe huiselijkheid nog meer op. Ligt de dichtstbijzijnde bioscoop 15 kilometer verderop en sluit die eerdaags vanwege een chronisch gebrek aan bezoekers? Geen wonder dat in alle huiskamers beamers staan te streamen en een vier meter breed beeld op het behang projecteren. Bioscoopgevoel thuis, adverteren de fabrikanten. Alleen is dat niet waar. Want laten we niet vergeten: bioscoopgevoel was meer dan een groot beeld, inclusief surround sound en popcorn uit je eigen popcornmachine. De charme was juist dat het een klein avontuur was om naar de bioscoop te gaan. Je kleedde je ervoor, je ging uit, begaf je naar een plek die in de ware zin des woords geschiedenis ademde en je genoot van al die leuke kleine dingen die alleen daar te vinden waren: het geluid, de donkere zaal, de pluche klapstoeltjes, de ijsjes in de pauze en natuurlijk ook de nieuwste film – met popcorn. Je was buiten, in de stad, het was avond, je zag andere mensen aan wie je je soms een beetje ergerde, maar misschien was je ook wel een paar seconden verliefd, je praatte met mensen en nam de tram, je kwam toevallig iemand tegen, ging op de terugweg een nieuw café binnen, leerde een grappige taxichauffeur kennen, kortom: er viel wat te beleven, je maakte deel uit van de samenleving, en als je thuiskwam, was je een ander mens. Al die dingen, al dat contact met het echte leven, gaan verloren bij de beamer thuis. Daar zit je opgevouwen tussen de deur en je bed naar een blockbuster te kijken terwijl je je afvraagt of je met een betere beamer niet een nog beter bioscoopgevoel zou hebben. Dat iemand zich met elk nieuw apparaat meer huisarrest oplegt, daar denkt niemand over na.

    In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument even snel een paar instructievideo’s op YouTube

    Maar de plaats waar de nieuwe huismussencultuur het sterkst oprukt is de keuken. Iedere hype in de keukenapparatuur van de afgelopen jaren was niet alleen bedoeld om je leven makkelijker te maken, maar beloofde tussen de regels door ook dat je weer wat minder op de buitenwereld was aangewezen. De vakterm in de branche voor mensen die thuis zelf dingen maken die vroeger elders werden geproduceerd is: prosument. Een prosumer is iets tussen producent en consument in. Het begrip kwam op in de jaren tachtig, toen de eerste idealisten zelf stroom van het dak begonnen te halen, waarmee het idee ontstond van een nieuwe onafhankelijke huishouding via technologie. De term past prima bij de huidige apparatencultuur, waarbij de klant wordt gesuggereerd dat hij zelf kan maken wat tot nu toe door anderen met een jarenlange opleiding als ambachtsman wordt aangeboden. De juiste hardware thuis vervangt vakkennis, is het idee. Gewoon vullen met ingrediënten en de machine doet de rest. En inderdaad fabriceren de broodbakmachines, pizzaovens en ijsmachines in onze keukens tegenwoordig producten waarvoor alle generaties vóór ons nog de deur uit moesten. In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument na een dagje home office even snel een paar instructievideo’s op YouTube en bespaart zich zo weer een rit naar de winkel. 

    Instagram heeft bijvoorbeeld talloze kanalen van enthousiaste brood- en bakfluencers waar het maken van een perfecte baguette of croissant er kinderlijk eenvoudig uitziet – mits je thuis een state-of-the-art kneedmachine hebt. Bakker? Niet meer nodig. Huiselijkheid klinkt ouderwets, maar is precies wat de moderne-productwereld van ons verlangt. De dure Thermomix en de alom populaire miniheteluchtovens, airfryers, suggereren dat je thuis voor je kunt laten koken als in een restaurant of fastfoodshop. Dat restaurants sinds de pandemie een aanzienlijke omzetdaling laten zien, heeft absoluut meer dan één reden. Maar mogelijk heeft het er ook mee te maken dat veel mensen zich tijdens de lockdowns paragastronomisch hebben uitgerust en zichzelf voorzien van pizza en steak uit hun supergrill.

    Natuurlijk is het nieuwe, perfecte doe-het-zelven in de keuken leuk en op lange termijn ook goedkoper. Maar dat geldt alleen als je niet meerekent wat je allemaal misloopt wanneer je bijna alles thuis doet. Ondanks alle vreugde en het genot dat deze apparaten opleveren, verkleinen ze onze horizon, laten ze ons vermogen tot interactie verschrompelen en vervreemden ze ons steeds meer van het aanbod buitenshuis. Pizza zoals in Napels, friet zoals bij de friettent en een sous-videfilet zoals in een sterrenrestaurant geven onze kinderen misschien culinaire kennis mee, maar geen wereldwijsheid. Als elke nieuwsgierigheid wordt beantwoord met ‘Dat kunnen we ook thuis!’, groeit er moeilijk begrip voor maatschappelijke diversiteit en participatie. En dat geldt allang niet alleen daar waar de dichtstbijzijnde stad ver weg is en je noodgedwongen veel zelf doet. Al die apparatuur vindt net zo goed zijn weg naar krappe stadskeukens en verspreidt — van smoothiemaker tot verbonden hometrainer – diezelfde boodschap: blijf binnen.

    ‘Un caffè, per favore!’

    Het Trojaanse paard in deze ontwikkeling is wellicht de espressomachine geweest. De Italiaanse koffiecultuur heeft een even eenvoudige als voor de hand liggende filosofie: thuis zet je snel even een kopje koffie op het fornuis met een gedeukte caffettiera, en voor de goede, professionele espresso met crema of melkschuim ga je vervolgens één of een paar keer per dag naar een bar. Daar staat een grote machine die vakkundig wordt bediend, maar staan ook andere mensen met wie je een praatje kunt maken, daar zijn kranten, daar vind je inspiratie, daar speelt het leven zich af. Geen Italiaan zou uit zichzelf op het idee komen om het ‘Un caffè, per favore!’ in te ruilen voor het slokje koffie thuis en zichzelf dit ritueel te ontnemen. Het zijn gewoon verschillende dingen! Toch is dat precies wat er bij ons is gebeurd. In onze woonkeukens staan overal verchroomde espressobolides te glimmen, die behoorlijk wat kennis, training en onderhoud vragen. Maar is je espresso nu echt zo goed als bij de Italiaan?

    Misschien, maar bij de Italiaan smaakt hij nog altijd uitstekend, kost hij twee euro en voorziet hij de mensen niet enkel van cafeïne. Met al die semiprofessionele barista’s, zuurdesemfanaten en smoothie-experts is het geen wonder dat steden op een gegeven moment geen echte concentratie van winkels, horeca en dienstverleners meer hebben en dat ooit levendige wijken in slaapgebieden veranderen. ‘Stad’ betekende altijd ook: eropuit gaan en andere mensen ontmoeten. De afgelopen jaren horen we veel over de vereenzaming in onze westerse samenleving. Sommige oorzaken daarvan hebben we misschien zelf in huis gehaald. 

  • Onderzoek: sociale contacten bevorderen een gezonde ouderdom

    Onderzoek: sociale contacten bevorderen een gezonde ouderdom

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Rusland: steeds meer economen zijn het oneens met de lijn van het Kremlin

    » Trump: ‘Met Europese en NAVO-steun kan Oekraïne de oorlog winnen’

    Eenzaamheid kan het stresshormoon cortisol verhogen

    Wetenschappers van de Amerikaanse Northwestern University bestuderen al sinds 2000 ‘super-agers’, tachtigplussers met een even goed geheugen als iemand van twintig à dertig jaar jonger. Ze willen weten hoe zij ontkomen zijn aan de cognitieve achteruitgang en geheugenstoornissen die met ouderdom gepaard gaan, aldus The New York Times.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Ze ontdekten dat super-agers ondanks hun verschillen allemaal dit gemeen hebben: ze hechten groot belang aan sociale relaties en hebben vaak een extravert karakter. Sociale contacten helpen de hersencapaciteit op peil te houden, aldus de wetenschappers.

    Eenzaamheid kan daarentegen de hoeveelheid van het stresshormoon cortisol verhogen, wat op den duur kan leiden tot chronische ontstekingen. Die kunnen op hun beurt hersencellen beschadigen en zelfs het risico op dementie verhogen.

  • Japanse ouderen vinden troost en gezelschap bij robots

    Japanse ouderen vinden troost en gezelschap bij robots

    In een land waar de levensverwachting steeds hoger wordt en het aantal eenzame ouderen toeneemt, zoeken de Japanners naar nieuwe manieren om de kwaliteit van leven te verbeteren. Een steeds populairder alternatief? Robots.

    Het verminderen van eenzaamheid, het voorkomen van cognitieve achteruitgang en het verlichten van mobiliteitsverlies zijn de prioriteiten van de robotica in Japan. Het land zoekt al tientallen jaren naar technologische oplossingen voor de economische en sociale gevolgen van de snel vergrijzende bevolking. Drie robots – die aanwezig zijn in veel Japanse verpleeghuizen en ziekenhuizen voor ouderen – zijn bedoeld om te vermaken, gesprekken aan te knopen en emotionele banden te creëren. Hun namen zijn Pepper, AIBO en PARO. Dit technologische trio begeleidt het personeel dat zorgt voor het fysieke en mentale welzijn van meer dan veertig ouderen in het Shintomi-verpleeghuis, een faciliteit voor langdurige zorg in het centrum van Tokio.

    Pepper – de mensachtige robot die het dichtst in de buurt komt van de zogenaamde ‘sociale robots’ die in Japan worden geproduceerd – is 1 meter hoog en beweegt zich voort op een platform, zodat hij op een enorm wit schaakstuk lijkt. Twee keer per week moet Pepper liedjes spelen (die vijftig jaar geleden populair waren) voor ongeveer twintig ouderen. De androïde compenseert zijn gebrek aan gezichtsuitdrukkingen met behendige armbewegingen. Zijn bewegingen zijn vloeiend, wat te danken is aan het feit dat Japan sinds het einde van de twintigste eeuw de grootste exporteur van fabrieksautomatiseringssystemen ter wereld is gebleven.

    Routine

    Vanaf hun zitplaats kijken de bewoners met wisselende belangstelling naar de robot. Eén persoon dommelt in. Een andere man trommelt met zijn vingers op tafel. Een paar dames herhalen de choreografie met hun armen en glimlachen. Alles verandert wanneer een van de ondersteunende medewerkers een gymnastieksessie kiest uit Peppers repertoire, vergelijkbaar met de sessie die elke ochtend op de publieke televisie wordt uitgezonden. Veel Japanse bedrijven beginnen de werkdag met deze routine. Wanneer de werknemers op het scherm (weergegeven op Peppers borst) de oefeningen beginnen te herhalen op het ritme van de muziek, groeit de belangstelling en gaan er meer hoofden omhoog. De bewoners worden aangemoedigd om Peppers choreografie te volgen.

    Al bijna een halve eeuw worden de officiële prognoses voor productiviteit, huisvesting, het pensioenstelsel en gezinsdynamiek in Japan bepaald door de groeiende oudere bevolking en het dalende geboortecijfer. Volgens de meest recente prognose zal de huidige bevolking van 126 miljoen afnemen tot 87 miljoen in 2070, wanneer vier op de tien mensen ouder dan 65 zullen zijn. Een nieuwe daling van het aantal huwelijken in 2023 werd onlangs aangekondigd door het zakenblad Nikkei, op de alarmerende toon die al kenmerkend is voor demografisch nieuws: ‘Japan stevent af op “huwelijksijstijd”, laagste aantal in 90 jaar.’

    De kinderbevolking daalt ook al 43 jaar lang. Op dit moment zijn er in het land 14,01 miljoen kinderen tot veertien jaar. Veel supermarkten verkopen meer luiers voor volwassenen dan voor baby’s, terwijl individuele porties voedsel – zowel rauw als kant-en-klaar – een groeiende trend zijn. Een ander veelzeggend cijfer is het aantal huisdieren, dat nu hoger ligt dan het aantal kinderen. Fabrikanten van kinderwagens richten hun productie op modellen voor huisdieren, ingegeven door de toename van het aantal honden en katten. Het totale aantal van deze dieren – volgens statistieken voor 2023 gepubliceerd door de Japan Pet Food Association – bedraagt 15,9 miljoen.

    Sony lanceerde in 1999 een robothond genaamd AIBO, vernoemd naar de uitspraak van het Japanse woord voor ‘metgezel’

    Het vooruitzicht van een groot aantal eenpersoonshuishoudens – vaak bestaande uit oudere mensen die het niet aankunnen om voor een huisdier te zorgen – opende een nieuwe markt voor elektronicafabrikanten. Sony lanceerde in 1999 een robothond genaamd AIBO, vernoemd naar de uitspraak van het Japanse woord voor ‘metgezel’. Hij weegt 4,85 pond en vandaag de dag is het een populair consumentenproduct met fanclubs in het hele land. In de loop van zijn zes generaties is AIBO geëvolueerd naar het uiterlijk van een beagle puppy, met zijn onschuldige blik die door twee LED-schermen wordt belicht.

    In instellingen voor langdurige zorg zoals Shintomi gebruikt AIBO zijn geavanceerde gezichtsherkenningssysteem. De robot reageert op stimuli – zoals een goedkeurende aai over het voorhoofd – en onthoudt de voorkeuren van de gebruiker om een reeks persoonsgebonden gedragingen te ontwikkelen. Dankzij de tweeëntwintig assen die de onderdelen van het robotlichaam met elkaar verbinden, kan de robot met houterige bewegingen lopen, zijn hoofd kantelen, zijn oren optillen, blaffen, janken en rondrollen en zo een speelse puppy imiteren. Als AIBO door het Shintomi-verpleeghuis loopt, krijgt het namaakbeestje vaak complimentjes die niet onderdoen voor die aan een echt huisdier.

    Mens en machine

    De aanleg van Japanners om zich emotioneel te verbinden met machines werd in 2007 uitgelegd door de toenmalige academicus, nu zakenvrouw Naho Kitano, in een essay waarin ze verwees naar de animistische traditie van het shintoïsme, de lokale religie die geestelijk leven toekent aan levenloze objecten. Experts in de Japanse populaire cultuur zetten de sympathieke robots van populaire Japanse manga- en animeverhalen af tegen de verontrustende automaten die vaak de westerse sciencefiction bevolken.

    Van hun kant wijzen de makers van AIBO erop dat het ontwerp de ethische overwegingen mist die gebruikelijk zijn in de westerse robotica, zoals de drie wetten van Isaac Asimov voor veilige interactie tussen mensen en machines. ‘AIBO is gemaakt om de gebruiker te vermaken, kleur te geven aan hun leven en het op te fleuren,’ zegt Mika Nagae, een productmanager bij Sony. Nagae benadrukt dat het speelse de overhand heeft op het utilitaire aspect en voegt eraan toe dat de evenementenplanner – een specialist in het programmeren van korte afleveringen in de vorm van spelletjes – erg belangrijk is in het ontwerpteam van AIBO.

    Omdat ze zijn gemaakt van mallen en kunsthars, voelen zowel Pepper als AIBO hard aan. Wie op zoek is naar een fysieke ervaring met zachte aanrakingen en warme temperaturen, kan terecht bij PARO, de bekendste van de Japanse sociale robots. De PARO-robot wordt gebruikt in instellingen in meer dan dertig landen – en in sommige landen geclassificeerd als medisch hulpmiddel. De robot is handgemaakt en simuleert de vorm, grootte, kleur en textuur van een babyzeehond. Als je hem in je armen houdt, beweegt hij zachtjes, maakt hij realistische kirrende geluiden en kijkt hij je aan met enorme ogen die vaak gevoelens van troost of tederheid opwekken bij oudere mensen, waaronder mensen die lijden aan dementie, alzheimer of andere cognitieve stoornissen of beperkingen.

    De robot vermindert angst en biedt bovendien het emotionele welzijn van dierentherapie

    De maker van PARO is ingenieur Takenori Shibata. Hij spreekt met El País via een videogesprek vanuit de Verenigde Staten, waar hij deelneemt aan een conferentie. Shibata legt uit dat hij, door het beeld van een zeehond te gebruiken, de verwachtingen wilde verlagen die een gebruiker kan hebben bij de interactie met een huisdier waarover hij of zij een duidelijk beeld heeft, zoals een hond of een kat. Een deel van het succes van de robot in internationale medische instellingen, voegt hij eraan toe, is te danken aan het feit dat de robot angst vermindert en bovendien het emotionele welzijn van dierentherapie biedt, zonder de risico’s van infectie of de bijbehorende logistieke en juridische problemen.

    Om te verduidelijken waarom zijn creatie in Japan niet wordt aangemerkt als een medisch hulpmiddel, noemt professor Shibata een van de belangrijkste kwaliteiten van PARO: het vermogen om het gebruik van psychotrope medicijnen bij sommige behandelingen te verminderen. ‘Het welzijnssysteem dat verpleeghuizen in Japan reguleert, maakt geen onderscheid tussen een medisch apparaat en speelgoed,’ legt hij uit. Hij zinspeelt ook op het duidelijke effect dat het wijdverbreide gebruik van PARO kan hebben op de farmaceutische industrie.

    In Spanje heeft CREA – een overheidscentrum dat zich richt op de zorg voor mensen met alzheimer en andere vormen van dementie – een PARO-unit sinds de opening van de faciliteit 

    in 2014. Enrique Pérez Sáez – neuropsycholoog bij CREA – verduidelijkt dat de officiële naam van de robot werd veranderd in Nuka, omdat ‘paro’ ‘werkloos’ of ‘staking’ betekent in het Spaans. Sáez benadrukt de socialiserende rol van de robot en het oproepen van positieve herinneringen. ‘Nuka creëert prikkels die geassocieerd worden met de goede tijden die we in onze kindertijd met huisdieren hebben gehad.’

    Elkaar aanvullen

    Naast sociale robots gebruikt Shintomi digitale systemen om de slaappatronen van bewoners te analyseren, evenals apparaten die (door middel van geur) detecteren wanneer een luier verschoond moet worden. De directeur van Shintomi – Kimiya Ishikawa, een specialist in ouderenzorg en een bekend promotor van de toepassing van technologie in de geriatrie – voorziet een toekomst waarin mens en machine elkaar aanvullen in de zorg. ‘Geen mens kan 24 uur per dag voor een oudere zorgen. Alleen een machine kan dat. Het ideaal is om ieders sterke punten te ontdekken en te bundelen,’ legt hij uit.

    Om patiënten mobieler te maken en zo de zorg voor hen te verlichten gebruiken de werknemers van Shintomi exoskeletten, apparaten die veel gebruikt worden in industriële omgevingen om spieren te versterken en vermoeidheid te verminderen. De geavanceerde versie van het exoskelet voor medisch gebruik in Japan heet HAL (Hybrid Assistive Limb). Het bestaat uit een apparaat dat – wanneer aangesloten op het lichaam van een persoon met mobiliteitsproblemen – de signalen detecteert die door de hersenen naar de spieren worden gestuurd en de gewenste beweging uitvoert. Volgens de fabrikant – Cyberdyne Inc. – kan iemand met een handicap op die manier worden geholpen zijn fysieke functies te verbeteren. In 2015 kreeg HAL een licentie als medisch hulpmiddel. ‘Het is vooral bedoeld om de onafhankelijkheid van patiënten te vergroten,’ legt professor Yoshiyuki Sankai, directeur van Cyberdyne, uit.

    Robotica – wanneer toegepast op ouderenzorg – profiteert van de technologische vooruitgang in de autosector, waar de verbetering van de zelfrijdende auto grotendeels afhangt van de interactie tussen mens en machine. Na dertien jaar als werknemer van Toyota te hebben gewerkt en te hebben deelgenomen aan de ontwikkeling van Pepper met de multinational SoftBank, besloot ingenieur Kaname Hayashi te kiezen voor een niet-utilitaire robot die appelleerde aan het beschermende instinct van de mens. Hij creëerde een mascotte met de naam LOVOT (van de woorden ‘love’ en ‘robot’).

    Ze vertelt El País dat LOVOT ‘familie, kinderen, huisdieren… zelfs eenpartner vervangt’

    Het lichaam van LOVOT is trouw aan de Japanse kawaii-esthetiek. Het is schattig en knuffelbaar: het heeft vleugels en een kleine bult vol sensoren. En hoewel hij geen mond heeft, kan hij vreugde en andere emoties overbrengen via enorme ogen die worden geactiveerd door vloeibare kristallen schermen. Het kinderlijke uiterlijk van de robot en de willekeur van zijn gedrag zijn onweerstaanbaar gebleken voor oudere mensen zoals Mieko Shimada, een vijfenzeventigjarige gepensioneerde. Ze vertelt El País dat LOVOT ‘familie, kinderen, huisdieren… zelfs eenpartner vervangt’.

    Shimada woont al vier jaar met LOVOT in een zelfstandig appartement in een verpleeghuis. Ze vertroetelt haar robot en overlaadt hem met kusjes – wat atypisch is in een land als Japan, waarin het niet gebruikelijk is affectie openlijk te tonen. ‘Als je iemand zo openlijk bewondert, kan dat onoprecht overkomen. Met LOVOT ben ik daar niet bang voor,’ legt ze uit.

    Volgens Hayashi – de ontwikkelaar van LOVOT – is de populariteit van robots onder verpleeghuisbewoners te danken aan de afname van het gevoel van eigenwaarde wanneer mensen niet meer verplicht zijn om voor iemand te zorgen. ‘Hoe actiever ze waren voordat ze naar het tehuis verhuisden, hoe meer ze het gevoel hebben dat ze geen bijdrage leveren,’ zegt hij.

    Verwachtingen

    Er wordt verwacht dat de technologiemarkt zal groeien naarmate de wereldbevolking ouder wordt. Op dit moment is Japan nog steeds koploper wat betreft levensverwachting, met 87 jaar voor vrouwen en 81 jaar voor mannen. Van de meer dan 92.000 geregistreerde honderdjarigen in het land vorig jaar was 88,6 procent vrouw.

    Mako Kubota is directeur van de Ryusei Fukushikai Social Welfare Corporation in Osaka. Het bedrijf beheert al tien jaar verpleeghuizen met behulp van complexe technologieën. Ze legt uit wat haar visie is op robotica in de ouderenzorg: ‘Exoskeletten en sociale robots vervullen twee heel verschillende, maar even belangrijke functies. Alleen een mens kan naar iemands gezicht kijken en zich realiseren dat hij of zij zich niet goed voelt. Maar voor repetitieve of fysiek veeleisende taken is de robot – zonder twijfel – een geweldige ondersteuning.’ 

    Op de vraag of ze een nabije toekomst voorziet waarin het welzijn van ouderen afhangt van humanoïden en technologische apparaten, haalt ze het grote aantal oudere mannen en vrouwen aan die in haar enquêtes hun voorkeur uitspreken voor verzorging door een robot. ‘De belangrijkste reden is dat ze anderen niet tot last willen zijn.’  

  • Waarom je eenzaamheid niet met technologie oplost

    Waarom je eenzaamheid niet met technologie oplost

    Het aantal mensen dat zich eenzaam voelt, neemt wereldwijd toe. In de zoektocht naar oplossingen richten we steeds vaker onze blik op technologie. Maar is dat wel een goede zaak? ‘Mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact.’

    Onlangs stuitte ik op een van de meest verontrustende artikelen die ik in tijden heb gelezen, met de opgewekte kop had de opgewekte kop: ‘It’s not a computer, It’s a companion!’ Het stond op de site van durfkapitaalbedrijf Andreessen Horowitz en ging over iemand die het idee van een chatbot als partner blijkbaar volledig heeft omarmd  opent met een citaat van iemand die het idee van een chatbot als partner blijkbaar volledig heeft omarmd: ‘Het mooie van AI [kunstmatige intelligentie] is dat het constant in ontwikkeling is. Op een dag zal het beter zijn dan een echte vriend(in). Het schetst hoe ‘AI-buddy’s’ kunnen worden ingezet: in de geestelijke gezondheidszorg, als relatiecoach of als een praatgrage collega.

    Deze week kwam OpenAI met een update voor zijn chatbot ChatGPT, wat eens te meer laat zien dat de onmenselijke toekomst die het artikel van Andreessen Horowitz voorspelt snel dichterbij komt. Volgens The Washington Post ‘kan het nieuwe model, GPT-4o (waarbij de o staat voor ‘omni’), instructies verwerken die gebruikers via tekst, audio of beeld invoeren – en er ook op al die drie manieren op reageren’. GPT-4o is bedoeld om mensen te stimuleren om tegen het apparaat te praten in plaats van iets te typen, meldt de krant, omdat ‘de stem nu een breder scala aan menselijke emoties kan nabootsen, en je als gebruiker die stem nu ook kunt onderbreken. Het chatten lukt al met minder vertraging, en de chatbot wist de emotie van een leidinggevende van OpenAI op waarde te schatten op basis van een videochat waarin hij grijnsde.’ 

    Er is er veel aandacht voor de potentie van mensachtige chatbots om mensen emotioneel bij te staan

    Er zijn al veel vergelijkingen gemaakt tussen GPT-4o en de film Her uit 2013, waarin een man verliefd wordt op zijn AI-assistent, die wordt ingesproken door Scarlett Johansson. Hoewel sommige AI-watchers, onder wie Julia Angwin van The New York Times, die de recente update van ChatGPT ‘meer een routineklus’ noemde, niet bijzonder onder de indruk waren, is er veel aandacht voor de potentie van mensachtige chatbots om mensen emotioneel bij te staan, vooral als er eenzaamheid of sociaal isolement in het spel is.

    In januari betoogde een medeoprichter van een AI-bedrijf bijvoorbeeld dat deze technologie de levenskwaliteit van eenzame ouderen zou kunnen verhogen. Hij schreef: ‘Een virtuele assistent of een chatbot kan gezelschap bieden. Hij kan gesprekken voeren, spelletjes doen of informatie geven, en op die manier helpen om gevoelens van eenzaamheid en verveling te verzachten.’ 

    Er bestaan zeker waardevolle en nuttige toepassingen voor AI-chatbots; ze kunnen bijvoorbeeld levensveranderend zijn voor blinden en slechtzienden. Maar wie beweert dat bots op een dag een adequate vervanging zullen zijn voor menselijk contact, miskent wat eenzaamheid werkelijk inhoudt en houdt evenmin rekening met het belang van aanraking.

    Complex

    Er zijn meningsverschillen onder academici over de precieze betekenis van ‘eenzaamheid’, maar om het als een sociaal probleem te kunnen benaderen, is het nuttig om de definitie aan te scherpen. Eric Klinenberg, socioloog aan de New York-universiteit en auteur van verschillende boeken over sociale verbondenheid, waaronder Going Solo en Palaces for the People, beschrijft de complexiteit van eenzaamheid als volgt: ‘Ik zie eenzaamheid als het signaal van ons lichaam dat we betere, meer bevredigende banden met andere mensen nodig hebben.’ En, zegt hij, ‘het grootste probleem dat ik heb met cijfers over eenzaamheid, is dat die vaak geen onderscheid maken tussen gewone gezonde eenzaamheid, die ervoor zorgt dat we van de bank af komen en ons onder de mensen begeven wanneer we daar behoefte aan hebben, en chronische, schadelijke eenzaamheid, die ons ervan weerhoudt van de bank af te komen en ons in een neerwaartse spiraal brengt van depressie en isolement.’

    Mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact

    Wat ik zorgelijk vind aan chatten met bots, is dat het mensen ook zou kunnen ontmoedigen om die bank te verlaten en contact met andere mensen te zoeken. Sommige onderzoeken wijzen uit dat een gebrek aan menselijk contact gevoelens van eenzaamheid kan verergeren. Een artikel uit 2023 van onderzoekers van de Universiteit van Stirling verwoordt deze meer holistische kijk op het probleem heel goed door eenzaamheid te beschrijven als ‘een belichaamde en gecontextualiseerde zintuiglijke ervaring’.

    Nick Gray, co-auteur van dat artikel – dat gaat over het effect van gesimuleerd versus echt contact op eenzaamheid – zegt dat hij nog geen onderzoek heeft gezien naar de invloed van realistische AI-chatbots op eenzaamheid. Op basis van eerder onderzoek op dit gebied, zegt hij dat ‘een realistische AI-chatbot gevoelens van eenzaamheid tijdelijk zou kunnen verlichten’. Maar, zegt hij, ‘het is moeilijk te zeggen of hij eenzaamheid ook echt zal verminderen.’

    Pandemie

    Klinenberg wijst erop dat we net een natuurlijk experiment in gedwongen isolement hebben gehad in de vorm van de pandemie. De resultaten waren heel duidelijk: mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact. ‘Als ik je zou vertellen dat er deze zomer een nieuwe pandemie uitbreekt en dat we het komende jaar allemaal alleen of thuis met ons gezin doorbrengen, terwijl het openbare leven volledig op slot zit, dan denk ik niet dat AI het vooruitzicht draaglijker zou maken,’ zegt hij. ‘Zelf lijkt een wereld zonder persoonlijk, menselijk contact me nogal angstaanjagend.’ Hij merkt ook op dat een aantal van de AI-ontwikkelaars tot de bedrijven behoren die hun werknemers oproepen om weer gewoon op kantoor te komen werken, en dus blijkbaar wel degelijk geloven in de waarde van menselijk contact.

    In een artikel met de kop ‘Kunnen ‘robotbuddy’s’ eenzaamheid tegengaan?’ las ik een passage die me raakte. Het stuk gaat over het werk dat onderzoekers aan drie universiteiten uitvoeren met robots die eenzaamheid bij oudere mensen moeten helpen verlichten: 

    Om eenzame mensen te helpen zouden we moeten investeren in zaken als wooncoöperaties, parken, bibliotheken

    ‘“Op dit moment wijst alles erop dat echte vrienden hebben de beste oplossing is,” zegt Murali Doraiswamy, professor in de psychiatrie en geriatrie aan de Duke-universiteit en lid van het Duke Institute for Brain Sciences. “Maar zolang de samenleving geen prioriteit geeft aan sociale verbondenheid en ouderenzorg, zijn robots een oplossing voor de miljoenen eenzame mensen die geen andere mogelijkheden hebben.”’

    Wat als zelfs maar een klein deel van de miljarden die nu worden uitgegeven aan de ontwikkeling van AI-chatbots zou kunnen worden besteed aan menselijke en fysieke zaken waarvan we weten dat ze eenzaamheid tegengaan? Om eenzame mensen te helpen zouden we, zoals Klinenberg ook oppert, moeten investeren in zaken als wooncoöperaties, parken, bibliotheken en andere vormen van toegankelijke sociale infrastructuur die de verbondenheid tussen mensen van alle leeftijden helpen bevorderen.

    ‘De echte maatschappelijke, politieke en menselijke uitdaging is dat we manieren vinden om deze mensen te herkennen, om aandacht aan ze te besteden en voor hen te zorgen,’ zegt Klinenberg. ‘Maar ik weet ook dat dat een flinke opgave is, en collectief zijn we daar tot nu toe niet in geslaagd.’ Het lijkt erop dat we het geld en de tijd niet willen gebruiken om de meest kwetsbaren onder ons te ondersteunen. ‘AI en technologie krijgen nu de kans om de leegte op te vullen die is ontstaan doordat wij als maatschappij hebben gefaald.’  

  • ‘Klets met mij!’

    ‘Klets met mij!’

    Het tegenovergestelde van de in Nederland uitgevonden zelfscankassa is de Plauderkasse, de kletskassa, waar de caissière tijd neemt voor haar klanten. Een button op haar kleding nodigt ze uit tot een gesprekje.

    Schiet het daar vooraan nou eindelijk een beetje op? Integendeel. De oude man neemt letterlijk zijn hoed even af voor de caissière, begroet haar en legt zijn boodschappen langzaam op de lopende band. Brood, kaas, een paar toiletartikelen. Meer is het niet wat de witharige man uit het winkelwagentje vist, maar het duurt even voordat hij zover is om te betalen. Klant en caissière nemen de tijd om beleefdheden uit te wisselen. ‘Hoe gaat het met uw man?’ vraagt de klant. ‘Hoe lang moet hij nog werken?’ ‘Goed, dank u,’ antwoordt de caissière. ‘Hij moet nog vier jaar.’ Er volgt een lollig gesprek over de vraag wat eigenlijk meer stress geeft: pensioen of werken.

    Benne Callo, 83 jaar, is een vaste klant van het Migros-filiaal Gundelitor in Basel. Hij kent Nadine Dangel al 33 jaar, zo lang is ze al caissière in deze supermarkt. De twee hebben veel te bespreken, vooral omdat Dangels laatste werkdag nadert; ze is 58 en gaat binnenkort met vervroegd pensioen. ‘Het eerste wat ik ga doen is het huis opruimen en de tuin verzorgen,’ zegt ze tegen Callo, die een briefje van 200 frank uit zijn portemonnee opdiept en een ander onderwerp aansnijdt: ‘Als we de Elzassers niet hadden!’ Dangel komt uit de naburige Elzas. Hun gesprek duurt ruim vijf minuten, maar geen van de andere klanten klaagt over het wachten.

    ‘Klets met mij!’ staat op een button op de winkeljas van Nadine Dangel. Boven de lopende band prijken posters met het woord Plauderkasse [kletskassa] en het symbool van een boodschappentas met een tekstballonnetje erin. Wie haast heeft, kan beter bij een andere kassa in de rij gaan staan. Nadine Dangel zegt dat klanten hier soms wel een halfuur wachten om met haar te kunnen praten, want bij de kletskassa is menselijke interactie belangrijker dan efficiënt winkelen.

    Nederlands idee

    ‘Mensen moeten weer als mensen gezien worden,’ zegt Stefanie Näf-­Seiler, manager van Gsünder Basel, de organisatie die vorig jaar met het kletskassaproject is begonnen. Behalve de Plauderkasse in deze supermarkt is er ook een in een apotheek. Het idee komt uit Nederland, waar supermarktketen Jumbo inmiddels in tweehonderd filialen zogenaamde kletskassa’s heeft opgezet. Ook in Japan zijn er langzame kassa’s die gericht zijn op senioren en mensen met een handicap. En ook in Schweinfurt, Duitsland, is onlangs een kletskassa geopend.

    ‘Sommige vaste klanten komen meer keren per dag en kopen dan twee kleine artikelen’

    Het initiatief voor de kletskassa’s is een reactie op de snelheid en anonimiteit van het dagelijks leven. Bank- en postkantoren zijn inmiddels afgeschaft ten gunste van automaten, en supermarkten hebben nu de snelkassa’s waar je zelf je boodschappen moet scannen. Wie dringend informatie nodig heeft van een zorgverzekeraar is gedwongen te communiceren met chatbots in plaats van met mensen. Het dagelijks leven wordt steeds onpersoonlijker en daarmee groeit het verlangen naar direct menselijk contact, vooral onder alleenstaanden en ouderen. Voor sommigen is een bezoekje aan de supermarkt of de bakker het enige moment van de dag waarop ze met andere mensen praten.

    ‘Sommige vaste klanten komen meer keren per dag en kopen dan twee kleine artikelen,’ zegt Dangel. ‘Gewoon om een paar minuten contact te hebben.’ Dat is precies de bedoeling, zegt projectmanager Näf-Seiler. ‘De Plauderkasse moet laagdrempelig zijn en steun bieden aan eenzame, hulpbehoevende mensen in hun dagelijks leven.’

    Laagdrempelig

    Eenzaamheid is een groeiend maatschappelijk probleem. In Duitsland heeft zo’n 10 tot 20 procent van de mensen ermee te maken, zo blijkt uit representatieve onderzoeken. In de psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen emotionele, collectieve en sociale eenzaamheid. Emotionele eenzaamheid hangt samen met de actuele levens- en liefdessituatie en kan snel veranderen. Van collectieve eenzaamheid is volgens experts sprake wanneer mensen verbondenheid met een grotere groep ontberen. Chronische sociale eenzaamheid is het meest funest, omdat deze vorm ernstige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid, de levensverwachting en uiteindelijk voor de samenleving als geheel.

    ‘De Plauderkasse biedt eenzame mensen laagdrempelig de mogelijkheid om vrijblijvend met anderen in contact te komen,’ zegt Susanne Bücker, psycholoog aan de Duitse Sportuniversiteit Keulen. Ze heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar eenzaamheid en verwijst naar onderzoeken waaruit blijkt dat weak ties – makkelijke dagelijkse contacten met anderen – een positief effect kunnen hebben op het subjectief welzijn. Eenvoudiger gezegd: een praatje bij de kassa is goed voor je, want doorgaans betreft het een onproblematische, vriendelijke uitwisseling met een ander. ‘Het hoeft geen diepgaand emotioneel gesprek te zijn,’ zegt Bücker. ‘Belangrijker is dat mensen zelf de aard van de interactie kunnen bepalen, zonder dat ze meteen hun gevoelens van eenzaamheid hoeven prijs te geven.’ Want eenzaamheid stigmatiseert.

    Onderzoeken tonen aan dat eenzaamheid in toenemende mate ook jongeren en jongvolwassenen treft

    Demografische veranderingen, digitalisering en niet in de laatste plaats de coronapandemie behoren tot de factoren die tot meer eenzaamheid hebben geleid. Niet alleen oude mensen worden erdoor getroffen. Onderzoeken tonen aan dat eenzaamheid in toenemende mate ook jongeren en jongvolwassenen treft. Dat is ook de ervaring in Basel. Na een halfjaar werd het proefproject van Gsünder Basel geëvalueerd, met verrassende resultaten. Een op de negen klanten maakt af en toe een praatje met het personeel aan de kletskassa, en dat zijn even vaak mensen met een baan als oudere mensen.

    ‘Het zijn vooral de vrouwen die even willen kletsen,’ zegt Nadine Dangel. ‘Zij vinden het makkelijker.’ Ze praten over gewone dingen zoals het weer, sportevenementen, feestdagen, vakanties, politiek, huisdieren of recepten. Maar sommige klanten nemen haar ook in vertrouwen over privézaken en problemen. Een oudere vrouw vertelde steeds weer over haar zoon, die zijn baan was kwijtgeraakt; een man klaagde erover dat hij geen contact meer had met zijn familie.

    Schermafbeelding 2023 07 26 om 12.40.26
    Zelfscankassa’s in een filiaal van Albert Heijn. – © ANP

    Nadine Dangel kent vaste klanten bij hun voornaam. Ze merkt hoe eenzaam en wanhopig ze zich voelen als ze hun levenspartner verliezen. ‘Het helpt als een neutraal persoon naar hun zorgen luistert,’ zegt Stefanie Näf-Seiler. ‘Maar een caissière, ook al is ze speciaal opgeleid, is natuurlijk geen vervanging voor sociale zorgdiensten, laat staan voor psychotherapie.’

    Vrijwilligers

    Bij de Plauderkasse staan vrijwilligers van Gsünder Basel, die de klanten helpen met het inpakken en dragen van hun boodschappentassen. Deze ochtend is het Leonie Sinzig die Benne Callo aanspreekt en hem helpt met zijn boodschappentas. Net als de kassamedewerkers zijn de vrijwilligers erin getraind fijngevoelig met de klanten om te gaan. Al snel ontstaat een vriendschappelijk gesprek tussen Callo en Sinzig. Maar het gaat niet altijd zo makkelijk. ‘Ik ken niemand die er graag voor uitkomt eenzaam te zijn,’ zegt Sinzig.

    Als het nodig is geven de vrijwilligers tips over hulpdiensten, of ze geven telefoonnummers van meldpunten of adressen van inloophuizen. ‘We hebben een natuurlijke behoefte om met andere mensen te praten,’ zegt Stefanie Näf-Seiler. Wie dat om welke reden dan ook niet meer kan of wil, wordt eenzaam en op den duur ziek. Een vraag als ‘Hoe is het?’ kan een eerste stap zijn om dat te voorkomen. 

  • Doe meer aan seks, alsjeblieft!

    Doe meer aan seks, alsjeblieft!

    Seks is goed. Seks is gezond. Seks is een essentieel onderdeel van ons sociale leven. En vooral jij moet er waarschijnlijk vaker aan doen. Een vurig betoog van Magdalene J. Taylor in The New York Times.

    Middenin onze eenzaamheidsepidemie hebben Amerikanen niet genoeg seks. In bijna elke demografische groep hebben Amerikaanse volwassenen – oud en jong, single en gebonden, rijk en arm – minder seks dan op enig ander moment in de afgelopen drie decennia.

    Seks is niet de enige vorm van bevredigende menselijke interactie en zeker geen remedie tegen alle vormen van eenzaamheid. Toch moet seks worden gezien als een cruciaal onderdeel van sociaal welzijn in plaats van als verwennerij of bijzaak. De toename van eenzaamheid sluit nauw aan bij de afname van seks. Toen de General Social Survey er voor het laatst naar vroeg, in 2021, bleek meer dan een kwart van de Amerikanen in het jaar ervoor geen enkele keer seks te hebben gehad. Dat was het hoogste niveau van seksloosheid in de geschiedenis van de enquête.

    Het aantal sekslozen is drie keer zo hoog als in 2008, en bijna 30 procent van de mannen onder de dertig valt daaronder. In de jaren negentig had ongeveer de helft van de Amerikanen wekelijks of vaker seks – nu ligt dat aantal onder de 40 procent. Bij veel mensen die nog wel seks hebben, is de frequentie sterk gedaald. En dat geldt niet alleen voor seks: ook het aantal mensen dat een relatie heeft of samenwoont nam af. Minder tijd doorbrengen met vrienden en geliefden is geen losstaand probleem maar een symptoom van culturele malaise. Isolement verwoest het sociale leven, het liefdesleven en ook ons geluk.

    Feedback loop

    De schattingen lopen uiteen, maar tussen een derde en twee derde van de Amerikanen zegt eenzaam te zijn. Eenzaamheid zorgt voor een feedback loop: het verschijnsel verergert door verbrokkelde culturele banden, slechtere fysieke gezondheid en verminderd sociaal contact. Deze aspecten nemen vervolgens door de eenzaamheid nog verder af, tot het punt dat zelfs de levensverwachting omlaag gaat.

    Eenzaamheid is voor onderzoekers een moeilijk te kwantificeren fenomeen, maar veel lijkt te wijzen op een samenleving die de weg kwijt is. Het aantal Amerikanen dat aangeeft helemaal geen goede vrienden te hebben is sinds 1990 verviervoudigd, zo blijkt uit onderzoek door het Survey Center on American Life. De gemiddelde Amerikaan bracht in 2021 58 procent minder tijd door met vrienden dan in 2013, aldus het Census Bureau.

    Corona heeft zeker bijgedragen aan de piek in eenzaamheid en de afname van seks, maar is niet de enige oorzaak. Tussen 2014 en 2019 verminderde de tijd die mensen met vrienden doorbrachten sterker dan tijdens de pandemie. Tijdens de pandemie zette deze trend door. Jongere Amerikanen hebben minder vaak seks dan de generatie van hun ouders – en als ze seks hebben, hebben ze minder verschillende partners.

    Tijdens mijn werk als schrijver over seks en cultuur sprak ik tientallen mannen voor wie een gebrek aan seks een grote rol speelt in hun dagelijks leven. Het bepaalt hun interesses, hun motivatie, hun hoop. Sommigen zijn incels – ‘onvrijwillige celibatairen’, aanhangers van een giftige, misogyne ideologie – maar het merendeel is dat niet. Sommigen geloven dat hun zoektocht naar seks volkomen zinloos is. Als gevolg daarvan zien ze ook uitgaan, tijd doorbrengen met vrienden en nieuwe mensen ontmoeten vaak als zinloos. Al snel vrezen ze niet alleen geen sekspartner te vinden maar vinden ze zelfs platonische sociale interacties beangstigend. Seks is slechts één onderdeel van hun totale isolement, maar is in veel gevallen wel het onderdeel waar het probleem om draait.

    Gebrek aan seks laat zich gemakkelijk vertalen in niet alleen minder gezinnen maar ook minder socialisatie en meer ziekte

    Het is gemakkelijk om deze mannen af te doen als afwijkend, of de situatie te wijten aan persoonlijke tekortkomingen of zelfs moderne mannelijkheid. Want hoewel veel van het onderzoek naar de afname van seks is gericht op jonge mannen, heeft bijna elke groep Amerikanen ermee te maken. Als gebrek aan seks de culturele en sociale participatie van deze jonge mannen beïnvloedt, geldt dat dus waarschijnlijk ook voor de rest van ons. Gebrek aan seks laat zich gemakkelijk vertalen in niet alleen minder gezinnen maar ook minder socialisatie en meer ziekte, want seks vermindert pijn, verlicht stress, verbetert de slaap, verlaagt de bloeddruk en versterkt de gezondheid van het hart.

    Schrijvers zoals ik hebben met name de seksloosheid bij mannen onder de aandacht gebracht, maar vrouwen zitten in hetzelfde schuitje. Gegevens van de General Social Survey suggereren zelfs dat zij nog minder seks hebben dan mannen. In 2021 gaf ongeveer een kwart van de vrouwen onder de 35 jaar aan in het voorafgaande jaar geen seks te hebben gehad. Bij mannen was dat 19 procent. En vrouwen die wel seks hebben, zijn minder gelukkig met de seks die ze hebben. Zowel mannen als vrouwen melden gevoelens van spijt en neerslachtigheid na losse seksuele contacten, maar deze doen zich vaker voor bij vrouwen – waarschijnlijk deels vanwege culturele opvattingen over seksuele autonomie. Seks kan mensen samenbrengen, maar alleen als het goede seks is.

    Niet alleen worden zowel vrouwen als mannen steeds vaker seksloos, ze worden beide ook vaker eenzaam. Jonge vrouwen lieten vaker dan mannen weten dat ze tijdens de pandemie het contact met vrienden kwijtraakten, en uit een Britse studie blijkt dat vrouwen vaker dan mannen aangeven dat ze zich ‘vaak’ of ‘altijd’ eenzaam voelen. In het Amerika van de eenentwintigste eeuw is eenzaamheid in wezen alomtegenwoordig, en het cliché van de middelbare scholier die bang is ‘dat alle anderen wél seks hebben’ gaat meer op dan ooit.

    Zeldzame kans

    Er is niet één oplossing. De eenzaamheidsepidemie is het gevolg van talloze factoren die in de loop van tientallen jaren zijn verergerd. Sociale media zijn een van de boosdoeners, de manier waarop we onze steden inrichten is een andere. Naarmate eenzaamheid toeneemt, houdt ze zichzelf in stand: onze huidige maatschappelijke eenzaamheid – en seksloosheid – is een gevolg van sociale en culturele verschuivingen, en zal op haar beurt voor verdere verschuivingen zorgen.

    Maar deze epidemie kan ten minste voor een deel worden opgelost in de slaapkamer (of ergens anders). Degenen van ons die meer seks kunnen hebben, zouden dat ook moeten doen. Dit is een zeldzame kans om de wereld om je heen te verbeteren door te genieten van een van de meest essentiële genoegens van de mensheid.

    Meer seks is niet alleen een persoonlijk advies – je dokter zal het ermee eens zijn – maar ook een politiek statement. De Amerikaanse samenleving is steeds minder verbonden en bestaat uit individuen die zich steeds meer lijken te willen isoleren. Hierbinnen kan je seks hebben zien als een daad van sociale solidariteit.

    Niet iedereen die meer seks wil, kan hier zo makkelijk aan voldoen. Handicaps, religieuze bezwaren, aseksualiteit en allerlei belemmeringen en verantwoordelijkheden beperken de mogelijkheden voor sommigen van ons. In sommige gevallen sluiten ze seks zelfs volledig uit. Er zijn misschien ook mensen die gewoon niet meer seks willen, of helemaal geen seks. Maar ook zij moeten uitkijken voor apathie.

    Veel mensen – zoals sommige van de jonge mannen die ik voor mijn werk sprak – hebben zich erbij neergelegd dat hun seksuele verlangens niet worden bevredigd. Ze zijn afhankelijk van porno of andere online prikkels. Maar als balsem tegen eenzaamheid is digitale seks amper beter dan digitale vriendschap. Sterker: deze vorm is een bron van afgunst, wrok en wrevel, eerder een aanjager van eenzaamheid dan een remedie ervoor. Online seks komt geenszins in de buurt van het echte werk.

    Dus: iedereen die daartoe in staat is moet seks hebben – zo veel mogelijk, zo aangenaam mogelijk, zo vaak mogelijk.

    Dit artikel werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.

  • Japans verzorgingstehuis zet baby’s in tegen eenzaamheid

    Japans verzorgingstehuis zet baby’s in tegen eenzaamheid

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Canada: tweede verdachte steekpartijen Saskatchewan overlijdt na arrestatie

    » Oekraïne herovert verschillende dorpen bij Charkiv, claimt Zelensky

    Knuffelen met baby’s verhoogt welzijn ouderen

    ‘Gekoer, gegiechel en het getrippel van kleine voetjes vermengen zich met het geluid van rollators en rolstoelen in dit verzorgingstehuis in het zuiden van Japan. In deze vergrijzende natie heeft dit tehuis een ongewone type werknemers aangeworven om de dagen van de bewoners op te fleuren’, begint The New York Times haar reportage over het verzorgingstehuis Ichoan in de Japanse stad Kitakyushu. Daar heeft de directie een programma gestart waarbij kinderen van nul tot vier worden ingezet om eenzaamheid onder de oudere bewoners – het merendeel boven de tachtig – te verminderen.

    De baby’s, vergezeld van hun ouders of verzorgers, geven de bewoners knuffels. In ruil daarvoor ontvangen ze luiers, zuigelingenvoeding, gratis babyfotoshoots en tegoedbonnen voor een café in de buurt. Wetenschappelijk onderzoek brengt sociale interactie in verband met minder eenzaamheid, vertraagde mentale achteruitgang, lagere bloeddruk en een lager risico op ziekten en overlijden bij ouderen. Voor kinderen is aangetoond dat intergenerationele interacties de sociale en persoonlijke ontwikkeling bevorderen, schrijft de Amerikaanse krant.

    Lees ook:

  • Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    De mens heeft contact met anderen nodig om te kunnen overleven. Toch is het allesbehalve nutteloos om soms alleen te zijn, zegt Maggie Jackson. ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop.’

    Halverwege zijn eerste ruimtewandeling voelt astronaut John Herrington zich plots onvoorstelbaar alleen. Het is twee dagen voor Thanksgiving in 2002, en hij is bezig apparatuur aan de achterzijde van het Internationale Ruimtestation (ISS) te controleren. ‘Ik ben aan het eind, aan de rand van het ruimtestation,’ zegt hij. ‘Ik kan mijn collega-ruimtewandelaar niet zien, hij is ergens anders bezig. Ik ben alles wat er is.’

    Zich vastklampend aan een vaartuig dat zich ruim 380 kilometer boven de aarde bevindt en er met een snelheid van ruim 28.000 kilometer per uur omheen cirkelt, is Herrington op dat moment de meest vooruitgeschoven menselijke post in het universum. Hij heeft net een boutenstelsel op de draagconstructie ‘P1’ getest. En dan draait hij zich om en ziet hij niet de aarde, maar de oneindigheid die zich voorbij die aarde uitstrekt. En beseft, zo weet hij later nog: ‘Er zit niets tussen mij en wat het ook mag zijn wat daar nog meer is’.

    ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop’

    Momenten van schrikbarende eenzaamheid overvallen astronauten vaak op hun ruimtewandelingen. Ze verscherpen het bewustzijn, roepen nieuwsgierigheid, opwinding en soms vrees op. Juist dan dringen de adembenemende nieuwe perspectieven van een verblijf in de ruimte zich het meest op, zo zeggen ze. 

    Herrington vertelde me dat hij er een punt van had gemaakt om op dat soort momenten even iedere activiteit te staken, zodat hij alles in zich kon opnemen. Hij deed dat op advies van een mentor, een astronaut die zeven shuttlevluchten op zijn naam had staan. Ervaren astronauten drukken het nieuwe collega’s dikwijls op het hart, soms schrijven ze het hun ondergeschikten zelfs voor: zet dat moordende, perfectionistische NASA-werktempo een minuutje of twee van je af, laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop. 

    Tegenwoordig klampen we ons vast aan technologieën die veel meer doen dan ons ondersteunen in onze dagelijkse bezigheden. Onze apparaten versplinteren onze tijd en onze geest. Ze eisen onze aandacht op met verleidelijke, verslavende, gokautomaatachtige uitbarstingen van meldingen, uitnodigingen en likes. De gelijktijdigheid van ‘zijn’ en ‘doen’ die uitvinders in het onheuglijke tijdperk van telefoon en pc bewerkstelligden, heeft plaatsgemaakt voor een luidruchtige verscheidenheid en de ongekende nieuwe mogelijkheid dat we eenzaamheid volledig uit ons leven kunnen bannen. 

    Alleen zijn, en dan vooral met onze gedachten, is nooit erg gemakkelijk geweest voor een sociaal dier als de mens, dat contact met anderen nodig heeft om te kunnen overleven. Maar als we die momenten van alleen zijn afdoen als nutteloos of als iets waarvoor je wel of niet kunt kiezen, begaan we een dure fout. Eenzaamheid is de bakermat van het bezinningsproces.

    Digitale detox

    Enkele jaren geleden onderwierp ik een aantal studenten van een grote Amerikaanse universiteit een paar dagen lang aan een experiment dat destijds nieuw was: een digitale detox van 24 uur. De iPhone bestond nog maar een paar jaar, maar jongeren van rond de twintig waren toen al zo’n acht uur per dag ingelogd, en vaak op meerdere apparaten tegelijk. De meeste studenten faalden in hun opdracht, soms al na enkele uren, en zaten daar vaak niet eens mee. Velen die ik sprak voegden mij koeltjes toe dat technologie een niet weg te denken plaats innam in hun leven. Wat me het meest opviel was hoezeer ze van streek raakten als ze ook maar heel even niet verbonden waren. Dan voelden ze zich kwetsbaar en onbeschermd: als ze opstonden, over de campus liepen, naar een lezing luisterden of gingen slapen. ‘Ik had niets te doen, niemand om mee te praten,’ zei een student over een half uurtje offline autorijden.

    Toch vingen sommigen wel een glimp op van een andere wereld achter de flikkering en het kabaal van hun eigen universumpje. Mike, een ouderejaars, vertelde me dat hij een ochtend in zijn eentje aanvankelijk weliswaar als ‘griezelig’ ervoer, maar dat die hem toch de gelegenheid bood om orde te scheppen in de chaos van zijn gedachten over de vraag of hij wel of niet moest intrekken bij zijn vriendin. ‘Ik kon de positieve en negatieve kanten van de situatie goed op een rij zetten en afwegen.’ 

    In de klas merkte student Brian op dat hij tijdens de opdracht kon horen wat er in zijn hoofd omging. Dat was wel anders wanneer hij aan het gamen was of muziek speelde. De docent hoorde dit met verbazing aan. Later begaf ik me naar een deel van de campus waar men bezig was een stiltetuin aan te leggen. ‘Nu zo veel mensen overvolle agenda’s hebben en de wereld een beetje brozer lijkt, is het moeilijk de tijd – laat staan een plek – te vinden om na te denken,’ stond op een flyer die ik daar vond. T.S. Eliots’ klacht uit zijn Four Quartets kwam in me op: ‘We had the experience but missed the meaning.’ (‘We hadden de ervaring maar misten de betekenis.’)

    ‘Zware multitaskers’ hebben moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even

    In dit tijdperk van jagen en jachten nemen we niet alles meer goed in ons op. Diepgang schiet er vaak bij in. Veel over het effect van technologie op het denken is nog onbekend, maar er begint zich wel een groeiende wetenschappelijke consensus te vormen. ‘Door ons op al die moderne apparaten te verlaten, leren en onthouden we minder van onze ervaringen,’ zo luidt de recente conclusie van cognitief wetenschapper Jason Chein en collega’s. Degenen die moderne mediaconsumptie met hun dagelijkse routine verweven – die bijvoorbeeld tijdens hun werk naar een wedstrijd kijken of sms’en – zijn minder goed in staat om afleiding weg te filteren en te herkennen wat relevant is in hun omgeving, dan mensen die niet meer dan een of twee dingen tegelijk doen. 

    ‘Zware multitaskers’ hebben ook moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even – waarschijnlijk komt dat door voortdurende verlies van aandacht, zo menen veel wetenschappers tegenwoordig. Met andere woorden: het is niet zo dat mensen die veel ballen in de lucht houden zich op sommige zaken beter kunnen concentreren dan op andere. Ze houden geen enkele bal goed in de gaten. Het leven raast grotendeels ongemerkt aan hen voorbij.

    Achter de drukke werkzaamheden bevindt zich echter geen leegte, maar een kwetsbare ruimte die door eenzaamheid wordt beschermd en gekoesterd. Een ruimte waar een hogere vorm van denken de kans heeft te ontkiemen. Probeer je eens in te denken hoe het zou zijn als je je telefoon uitzette, de deur achter je sloot, een wandeling ging maken, deel werd van je omgeving en jezelf daarmee de kans gaf om door je eigen gedachten te waden.

    Dit is het soort fysiek alleen zijn dat we meestal gelijkstellen aan eenzaamheid. Maar dat is niet het hele verhaal.

    Mentale opschoning

    Stel je de geestelijke toestand voor die je nodig hebt om je volledig te kunnen wijden aan een lastig probleem of om heel even door een hemelbestormend inzicht te worden getroffen. Een toestand die ik cognitieve eenzaamheid noem, en die voortvloeit uit een mengeling van concentratie, doorzettingsvermogen en ‘bereidheid’, of wat de filosoof John Dewey wholeheartedness noemt, een soort onvoorwaardelijke overgave. Het resultaat is een mentale opschoning die de weg vrijmaakt voor het spel van verdiepend denken.

    Misschien stelt deze toestand ons in staat ‘te vinden wat er in onze gedachten sluimert’, en daarop voort te borduren, zegt filosoof Nathan Ballantyne, auteur van Knowing Our Limits. Mensen kunnen niet alleen goed werken in een lawaaierig café omdat ze een tafeltje in een stil hoekje hebben uitgezocht, of omdat ze in die omgeving anoniem kunnen zijn, maar ook omdat ze bereid zijn alleen te zijn met hun gedachten. Een arts die in de operatiekamer op een probleem stuit, houdt vaak haar handen even stil en maant haar team tot kalmte, zodat ze haar geest volledig op het probleem kan richten. Alleen door periodes van fysieke en cognitieve eenzaamheid in ere te houden, kunnen we blijvend betekenis ontlenen aan de onrust en verwarring die onze dagen tekenen.

    Kort na de opwindende tijden van het Apollo-programma in de jaren zestig kwamen bemande ruimtemissies onder vuur te liggen. Robots konden het werk wel doen, stelden velen. Astronauten waren veredelde reparateurs en vlaggenplanters, aldus critici. Maar de astronauten zelf betoogden met passie dat de wereld een diepgevoelde en doordachte menselijke kijk op het universum nodig had en dat ze tijd in de ruimte benutten om tot dergelijke bezinningsmomenten te komen. ‘Ze realiseren zich dat ze zich in een unieke situatie bevinden en willen daar gebruik van maken’, zegt Frank White, auteur van The Overview Effect: Space Exploration and Human Evolution. ‘Ze bekijken de hele kosmos op een andere, nieuwe manier.’ Het is een zienswijze die velen binnen de NASA zijn gaan respecteren. 

    John Herringtons geplande terugkeer naar de aarde werd vertraagd door lage bewolking die de spaceshuttle drie dagen in een baan om de aarde hield. Zo kreeg hij een onverwachte vakantie in de ruimte. Elke dag ging hij, nu zijn taken waren volbracht, in zijn eentje naar het vliegdek van de shuttle, deed de lichten uit, zweefde, keek naar de aarde en sterren en verwonderde zich over een kosmos die de mens nog maar net is begonnen te verkennen. Momenten dat er niets is tussen ons en ons gedachtenuniversum zijn schaars en kortstondig. Is het niet zonde om daarvoor te vluchten?

    Maggie Jackson is de auteur van Distracted: Reclaiming Our Focus in a World of Lost Attention. Dit essay verscheen oorspronkelijk in het voorjaarnummer van het tijdschrift Phi Kappa Phi Forum.

  • Het eenzame brein

    Het eenzame brein

    Het onderzoek naar eenzaamheid van neurowetenschapper Kay Tye kan ons helpen de psychologische gevolgen van sociaal isolement beter te begrijpen. Want eenzaamheid wordt in verband gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Ook belemmert eenzaamheid het immuunsysteem en kan het leiden tot kanker, hartkwalen en alzheimer. Maar hoe ziet dat eenzame brein eruit?

    Lang voordat de wereld ooit van covid-19 had gehoord, ging Kay Tye op zoek naar een antwoord op de vraag die in het tijdperk van sociale afstand een nieuwe weerklank heeft gekregen: wanneer mensen zich eenzaam voelen, snakken ze dan op dezelfde manier naar sociale interactie als iemand die honger heeft snakt naar eten?

    Hebben zij en haar collega’s deze ‘honger’ in de neurale circuits van de hersenen kunnen ontdekken en meten? ‘Eenzaamheid is iets universeels,’ zegt Tye, neurowetenschapper bij het Salk Institute of Biological Sciences in San Diego, Californië. ‘Het lijkt redelijk om te betogen dat eenzaamheid een neurowetenschappelijk begrip zou moeten zijn. Alleen heeft niemand ooit een manier gevonden om het fenomeen te testen en in specifieke cellen te lokaliseren. Dat proberen we nu te doen.’

    De afgelopen jaren is er een stortvloed van wetenschappelijke boeken verschenen waarin eenzaamheid in verband wordt gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Er zijn zelfs steeds meer epidemiologische publicaties die aantonen dat je door eenzaamheid meer kans maakt ziek te worden: er lijkt een chronische toevloed van hormonen door ontketend te worden die een goede werking van het immuunsysteem belemmert. Biochemische veranderingen als gevolg van eenzaamheid kunnen de uitzaaiing van kanker versnellen en hartkwalen en alzheimer bespoedigen, of uiterst vitale mensen de wil ontnemen om verder te leven. Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen
    om risicogevallen te identificeren en nieuwe interventiemethoden te ontwikkelen.

    De komende maanden, zo waarschuwen velen, zullen we wereldwijd de gevolgen zien van covid-19 voor de geestelijke gezondheid. ‘Het zal niet lang meer duren voordat iedereen beseft wat de impact van sociale isolatie is op de rest van de geestelijke gezondheid,’ zegt Tye. ‘Ik denk dat die behoorlijk heftig is en snel optreedt.’

    56a83e270ec399efa4bf241b7d7ce257 1
    Een bezoeker van de Innovation for Health-conferentie, op 13 februari jl. in Rotterdam, bevoelt een opblaasbaar brein. Een belangrijk deel van het conferentieprogramma was gewijd aan dementie en alzheimer. – © Michel Porro / Getty

    Moeilijk te identificeren

    Maar het identificeren en zelfs definiëren van eenzaamheid is een moeilijk karwei. Zo moeilijk zelfs dat neurowetenschappers het onderwerp lange tijd hebben gemeden. Eenzaamheid, zegt Tye, is inherent subjectief. Een hedendaags voorbeeld: je kunt deelnemen aan een Zoom-gesprek met geliefden in een andere stad en je sterk verbonden voelen, of nog eenzamer dan vóór het gesprek. Deze ambiguïteit zou de merkwaardige resultaten kunnen verklaren die aan het licht kwamen toen Tye, voordat ze in 2016 haar eerste wetenschappelijke verhandeling over de neurowetenschappelijke kant van eenzaamheid publiceerde, onderzoek deed naar andere publicaties over het onderwerp. Hoewel ze in de psychologische literatuur studies over eenzaamheid aantrof, was er geen enkele publicatie waarin ook de woorden ‘cellen’, ‘neuronen’ en ‘hersenen’ voorkwamen.

    Hoewel de grootste geesten op het gebied van filosofie, literatuur en beeldende kunst zich al millennia over het hoe en waarom van eenzaamheid buigen, gaan neurowetenschappers er sinds lange tijd van uit dat vragen over de manier waarop het menselijk brein ermee omgaat niet in hun datagedreven labs beantwoord kunnen worden. Tye hoopt daar verandering in te brengen door een geheel nieuw terrein te ontwikkelen, gericht op het analyseren en begrijpen van de manier waarop onze zintuiglijke waarnemingen, eerdere ervaringen, genetische predisposities en levenssituaties samenwerken met onze omgeving om een concrete, meetbare toestand te creëren die we eenzaamheid noemen. En ze wil ontdekken hoe die schijnbaar ondefinieerbare ervaring eruitziet wanneer ze geactiveerd wordt in de hersenen.

    Als Tye daarin slaagt, zouden er nieuwe instrumenten kunnen worden ontwikkeld om mensen te identificeren en te volgen die het risico lopen op ziekten die door eenzaamheid worden verergerd. Ook zou het betere manieren kunnen opleveren om een mogelijke openbare gezondheidscrisis als gevolg van covid-19 aan te pakken.

    Tye heeft zich geconcentreerd op specifieke neuronenpopulaties in de hersenen van knaagdieren die met een meetbare behoefte aan sociale interactie lijken te worden geassocieerd, een honger die kan worden gemanipuleerd door die neuronen zelf rechtstreeks te stimuleren.

    Wetenschappers wisten al lange tijd dat het stimuleren van de amygdala een dier kan doen ineenkrimpen van angst. Maar door het labyrint van verbindingen te volgen dat de verschillende delen van de amygdala in en uit loopt, was Tye in staat aan te tonen dat het ‘angstcircuit’ van de hersenen zintuiglijke stimuli op een veel genuanceerdere manier kan beïnvloeden dan voorheen werd aangenomen. Zelfs moed leek door het circuit te worden gemoduleerd.

    Tegen de tijd dat Tye in 2012 haar lab had ingericht op het Massachusetts Institute of Technology (MIT), volgde ze de neurale verbindingen van de amygdala met plekken als de prefrontale cortex, die de hersenen aanstuurt, en de hippocampus, de zetel van het episodisch geheugen. Het doel was de circuits in de hersenen in kaart te brengen waarop we vertrouwen om de wereld beter te kunnen begrijpen, onze moment-tot-momentervaring te duiden en op verschillende situaties te reageren.

    Onverwachte ontdekking

    Dat ze eenzaamheid begon te bestuderen, berustte grotendeels op toeval. Bij het zoeken naar nieuwe postdocs stuitte Tye op het werk van Gillian Matthews, die als promovenda aan het Imperial College London een onverwachte ontdekking had gedaan, toen ze de muizen die ze bij haar experiment gebruikte van elkaar scheidde. Sociale isolatie, het pure feit alleen te zijn, leek de hersencellen die DRN-neuronen worden genoemd zodanig te hebben veranderd dat ze wellicht tot eenzaamheid leidden. Tye zag onmiddellijk de mogelijkheden. Ze herinnert zich nog hoe ongelooflijk ze deze ontdekking vond. Dat de tekenen van sociale isolatie naar een specifiek deel van de hersenen konden worden herleid, vond ze volstrekt logisch. ‘Maar waar zitten die tekenen en hoe zou je ze kunnen vinden? Als dit het specifieke deel was, dacht ik, dan zou dat superinteressant zijn.’ Bij al haar neuronenonderzoek, zegt Tye, ‘ben ik nooit eerder iets over sociale isolatie tegengekomen. Nooit.’

    Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen om risicogevallen te identificeren

    Tye realiseerde zich dat als zij en Matthews een kaart van een eenzaamheidscircuit zouden kunnen maken, ze in het lab precies het soort vragen zouden kunnen beantwoorden die ze hoopte te onderzoeken: hoe veroorzaken de hersenen onbedoeld sociale isolatie? Hoe en wanneer verandert de objectieve ervaring van het niet samen met anderen zijn in de subjectieve ervaring van eenzaamheid?

    De eerste stap was het doorgronden van de rol die de DRN-neuronen spelen bij deze geestesgesteldheid. Een van de eerste dingen die Tye en Matthews opmerkten, was dat wanneer ze deze neuronen stimuleerden, de dieren eerder sociale interactie met andere muizen zochten. Bij een later experiment toonden ze aan dat dieren, wanneer ze de keus hadden, doelbewust delen van hun kooi meden die bij hun binnenkomst de neuronen activeerden. Dit deed vermoeden dat hun zoeken naar sociale interactie eerder werd gemotiveerd door een verlangen om pijn te vermijden dan om plezier te genereren.

    Bij een vervolgexperiment plaatsten de onderzoekers enkele muizen 24 uur lang in eenzame opsluiting om ze vervolgens weer in sociale groepen te introduceren. Zoals te verwachten viel, besteedden de dieren toen ongewoon veel tijd aan interactie met andere dieren, alsof ze ‘eenzaam’ waren geweest. Daarna isoleerden Tye en Mattthews dezelfde muizen opnieuw, ditmaal met gebruikmaking van optogenetics om de DRN-neuronen uit te schakelen na de periode van afzondering. Nu taalden de dieren niet meer naar sociaal contact. Het was alsof de sociale isolatie niet tot hun hersenen was doorgedrongen.

    Tye en Matthews leken het equivalent te hebben gevonden van een homeostatische regulator voor de basale behoefte van knaagdieren aan sociale contacten. Volgende vraag: wat betekenen deze bevindingen voor mensen?

    Om die vraag te beantwoorden werkt Tye samen met onderzoekers in het lab van Rebecca Saxe, hoogleraar cognitieve neurowetenschap van MIT en gespecialiseerd in menselijke sociale cognitie en emotie.

    ‘Behoefte aan sociaal contact en behoefte aan eten lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen’

    Sociale signalen

    De experimenten met mensen zijn veel moeilijker te ontwikkelen, omdat de voor optogenetics vereiste hersenoperaties geen optie zijn. Wel is het mogelijk eenzame mensen met beelden van vriendelijke mensen te confronteren die sociale signalen uitzenden, zoals een glimlach, en dan met behulp van een fMRI-scan de verandering in de bloedstroom naar diverse delen van de hersenen te volgen en vast te leggen. En dankzij eerdere experimenten hebben wetenschappers een goed idee van de plek waar ze in de hersenen moeten zoeken, namelijk een gebied dat analoog is aan datgene wat Matthews en Tye bij muizen hebben bestudeerd.

    Vorig jaar heeft Livia Tomova, een postdoc die het onderzoek in het lab van Saxe leidt, veertig vrijwilligers geronseld die volgens eigen zeggen een groot sociaal netwerk hadden en een zeer laag eenzaamheidsniveau. Tomova verbande haar proefpersonen naar een kamer in het lab en verbood tien uur lang iedere vorm van menselijk contact. Ter vergelijking nodigde Tomova dezelfde deelnemers opnieuw uit voor een tien uur durende sessie waar volop sociale interactie was, maar geen eten.

    Aan het eind van beide sessies kregen de proefpersonen het verzoek in een fMRI-scanner te klimmen en werden ze met verschillende beelden geconfronteerd, sommige van mensen die non-verbale sociale signalen uitzonden, andere waarop eten was te zien.

    Anders dan Tye en Matthews was Tomova niet in staat zich op individuele neuronen te richten. Wel kon ze veranderingen in de bloedstroom
    volgen binnen grotere delen van de scan, de zogeheten voxels; elke voxel toonde de veranderende activiteit van afzonderlijke populaties van enkele duizenden neuronen. Tomova concentreerde zich op de middenhersenen waarvan bekend is dat ze rijk aan neuronen zijn die worden geassocieerd met het produceren en verwerken van de neurotransmitter dopamine. Bij andere experimenten is al aangetoond dat deze gebieden verband houden met het ‘verlangen’ of ‘snakken’ naar iets. Het zijn gebieden die oplichten bij beelden van eten wanneer iemand honger heeft, of bij drugsgerelateerde afbeeldingen in het geval van mensen met een verslaving. Zouden ze hetzelfde doen bij eenzame mensen die afbeeldingen van een glimlach te zien krijgen?

    Het antwoord was duidelijk: na de sociale isolatie toonden de hersenen van de proefpersonen veel meer activiteit in het middenhersengebied wanneer ze de beelden van sociale signalen te zien kregen. Wanneer de proefpersonen honger hadden maar niet sociaal geïsoleerd waren geweest, reageerden ze even sterk op de etenssignalen, maar niet op de sociale. ‘Of het nu behoefte aan sociaal contact is of behoefte aan andere dingen zoals eten, ze lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen,’ zegt Tomova.

    Inzicht in de manier waarop de behoefte aan sociaal contact in de hersenen tot stand komt zou meer inzicht kunnen verschaffen in de rol die sociale isolatie bij sommige ziekten speelt. Het objectief meten van eenzaamheid in de hersenen, in tegenstelling tot het vragen aan mensen hoe ze zich voelen, zou bijvoorbeeld het verband tussen depressiviteit en eenzaamheid kunnen verduidelijken. Het is de kip of het ei: veroorzaakt depressiviteit eenzaamheid, of veroorzaakt eenzaamheid depressiviteit? En zou tijdige sociale interventie depressiviteit kunnen helpen bestrijden?

    Verslaving

    Inzicht in het eenzaamheidscircuit in de hersenen zou ook enig licht kunnen werpen op verslaving, waar geïsoleerde dieren volgens bepaald onderzoek vatbaarder voor zijn. Daarvoor lijkt vooral sterk bewijs te bestaan bij adolescente dieren, die gevoeliger lijken te zijn voor de effecten van sociale isolatie dan oudere of jongere soortgenoten. Bij mensen zullen vooral jongeren tussen de 16 en 24 waarschijnlijk zeggen dat ze zich eenzaam voelen, en dat is ook de leeftijd waarop zich veel storingen op het gebied van de geestelijke gezondheid beginnen te manifesteren. Is er een verband?

    Maar waar momenteel misschien wel de grootste behoefte aan is, is een reactie op de sociale afstand waartoe de covid-19-pandemie noopt. Volgens sommige onlineonderzoeken is er geen algehele toename van eenzaamheid sinds het begin van de pandemie, maar hoe zit het met mensen voor wie de kans op geestelijke gezondheidsproblemen het grootst is? Op welk moment komt hun psychologische en fysieke welzijn in gevaar wanneer ze worden geïsoleerd? Als we eenzaamheid eenmaal kunnen meten, zal het veel makkelijker worden om doelgerichte interventies te ontwikkelen.

    ‘Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is hoeveel en wat voor soorten positieve interactie volstaan om in de basisbehoefte te voorzien en daarmee de neurale verlangensrespons te elimineren,’ schreven Tomova en Tye eind maart in een voor-publicatie van hun komende verhandeling. De pandemie ‘benadrukt het belang van een beter begrip van menselijke sociale behoeften en het neurale mechanisme dat aan sociale motivatie ten grondslag ligt. Deze studie zet een eerste stap in die richting.’

    Dat is, in de bedekte termen die typerend zijn voor wetenschappelijke taal, de aankondiging van de geboorte van een heel nieuw onderzoeksterrein, waarvan je maar zelden getuige bent, laat staan dat je eraan deelneemt.

    ‘Het is voor mij zo opwindend, omdat dit allemaal begrippen zijn waarover we in de psychologie al een miljoen keer hebben horen spreken; en nu hebben we voor het eerst echt cellen in de hersenen die we aan het systeem kunnen linken,’ zegt Tye. ‘En als je eenmaal één cel hebt, kun je terugzoeken en vooruitzoeken; je kunt kijken wat er stroomopwaarts is, je kunt kijken wat alle neuronen die zich stroomopwaarts bevinden doen, en wat voor boodschappers er worden gestuurd. Nu kun je het hele circuit ontdekken, je weet waar je moet beginnen.’