Beurswaarde start-up Rivian mogelijk 50 miljard dollar
Rivian, een startup voor elektrische voertuigen (EV) en een van de belangrijkste potentiële concurrenten van Tesla, overweegt een beursgang die het bedrijf een waarde van ongeveer 50 miljard dollar zal geven, bericht Markets Insider.
Rivian heeft met 8 miljard dollar sinds 2019 meer geld opgehaald dan concurrenten, en heeft al overeenkomsten met Amazon en Ford voor de levering van onder meer bestelwagens.
Frankrijk verplicht repareerindex voor elektronische apparaten
Elektronisch afval vormt een zware belasting voor het milieu. Een manier om die belasting te beperken, is door apparaten zo lang mogelijk te gebruiken voordat ze worden vervangen. Maar de levensduur van een apparaat is moeilijk in te schatten als je niets weet over reparatiemogelijkheden. Als eerste land ter wereld verplicht Frankrijk fabrikanten van elektronische apparaten daarom te vermelden hoe ‘repareerbaar’ hun producten zijn, meldt Grist, een nieuwsplatform dat zich richt op duurzaamheid.
Daartoe moeten producten worden voorzien van een ‘herstelbaarheidsindex’. Die is gebaseerd op allerlei criteria, zoals hoe gemakkelijk het product uit elkaar is te halen, hoe beschikbaar reserveonderdelen zijn en of technische documenten voorhanden zijn. Met de herstelbaarheidsindex wil Frankrijk het opzettelijk creëren van snel verouderende producten tegengaan en de overgang naar een circulaire economie bespoedigen.
De index, die in eerste instantie van toepassing is op smartphones, laptops, tv’s, wasmachines en grasmaaiers, kent een maximale score van 10. Hoe hoger het cijfer des te beter het apparaat is te repareren. Het ontbreken van een indexcijfer zal vanaf volgend jaar worden beboet.
Eerste geprinte huis in de VS in de verkoop
In de VS staat voor het eerst een 3D-geprint huis te koop. Het staat in Riverhead in de staat New York en heeft een vraagprijs van 299.999 dollar, ruim 247.000 euro. Het huis heeft een oppervlakte van 130 vierkante meter, telt drie slaapkamers, twee badkamers en heeft een vrijstaande garage voor 2,5 auto, aldus CNN.
‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’
‘Zonder twijfel is dit de toekomst’, aldus de woordvoerder van SQ4D Inc., het bedrijf dat het huis heeft gefabriceerd. SQ4D werkt met een zogenoemd Autonoom Robot Constructie Systeem, dat in zes tot acht uur op een bouwplaats kan worden geïnstalleerd. Dat systeem print vervolgens laag voor laag de betonnen fundering en de betonnen binnen- en buitenmuren van het huis.
Volgens SQ4D liggen de bouwkosten 50 procent lager dan die van vergelijkbare, conventionele huizen in Riverhead en gaat de bouw tien keer sneller. ‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’, aldus SQ4D.
Donateur schenkt 11 miljoen pond voor historisch onderzoek
Een anonieme filantroop heeft meer dan 11 miljoen pond, ruim 12 miljoen euro, geschonken aan het University College London (UCL) voor onderwijs en onderzoek naar het erfgoed, de geschiedenis en de talen van het oude Mesopotamië. Het geld gaat naar het zogenoemde Nahrein-netwerk van UCL, dat ernaar streeft een einde te maken aan de systematische verwaarlozing van onderzoek naar de geschiedenis van Irak en omgeving. Met de donatie kan Nahrein de komende tien jaar vooruit, schrijft de krant The Nationaluit Dubai.
Voorzitter Michael Spence van UCL noemt de donatie ‘een baanbrekend moment in de dekolonisatie van kennis over Irak en andere regio’s in het Zuiden’. Het oude Mesopotamië kreeg namelijk pas in de 19e eeuw echt academische belangstelling, maar de meeste studies hebben een westers perspectief. ‘Door deze buitengewoon genereuze schenking krijgen Irakezen hun oude erfgoed terug als lokale geschiedenis, met alle sociale, culturele, economische en educatieve voordelen van dien’, aldus Eleanor Robson, hoofd geschiedenis van de UCL.
China steelt zand van Taiwan
Voor de kust van Taiwan ligt permanent een armada van Chinese schepen. In plaats van militaire vaartuigen betreft het zandzuigers, bagger- en transportschepen. Volgens de Taiwanese kustwacht vallen ze zonder toestemming de Taiwanese territoriale wateren binnen. Het conflict speelt zich af rond de Matsu-archipel, enkele kilometers uit de Chinese kust. De eilandengroep is Taiwanees sinds 1949, toen Taiwan zich onafhankelijk verklaarde. Beijing beschouwt Taiwan echter nog steeds als provincie van China.
Vorig jaar heeft de kustwacht bijna 4000 keer schepen terug naar de Chinese wateren moeten begeleiden, ruim vijf keer zo vaak als in 2019, bericht Der Spiegel. Er zijn dagen dat 9 boten van de Taiwanese kustwacht 100 tot 200 Chinese baggerschepen tegenover zich zien. Volgens de Taiwanese autoriteiten halen de baggerschepen zand weg van de Taiwanese zeebodem dat wordt gebruikt voor bouwprojecten op het vasteland van China. Het gaat om enorme hoeveelheden; sommige schepen kunnen tot 3000 ton vervoeren. Pure diefstal, vindt Taiwan.
Notturno op shortlist Oscars
De documentaire Notturno (Nocturne) van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi heeft de shortlist voor de Oscars gehaald, schrijft het Italiaanse persbureau ANSA. De documentaire, die Rosi in de loop van drie jaar draaide in Syrië, Irak, Koerdistan en Libanon, toont de dagelijkse worsteling van gewone mensen in oorlogsgebieden in het Midden-Oosten, terwijl ze hopen op een vreedzamer leven.
Rosi zei ‘diep geschokt’ te zijn door wat hij aantrof tijdens het draaien van de film. Hij hoopt dat Notturno, die vorig najaar in première ging, ‘de ogen zal openen voor de gevolgen van oorlog bij mensen die zijn afgestompt door wat ze krijgen voorgeschoteld op tv’.
Egyptenaren boos over reuzenrad
Egyptenaren zijn woedend over plannen voor een nieuwe toeristische attractie in het centrum van hoofdstad Caïro, bericht Al Jazeera. Vorige maand lanceerde de gouverneur van Caïro plannen voor een 120 meter hoog reuzenrad langs de Nijl in Zamalek, een chique wijk op het eiland Gezira in het hart van Caïro, dat er in 2022 moet staan.
Ondanks de ronkende beloften van de regering, wekt het project woede bij inwoners, parlementariërs en voormalige ministers. Zo noemt een voormalig minister van Toerisme het voornemen ‘catastrofaal’. Een voormalige minister van Buitenlandse Zaken schreef op Facebook dat een ‘historisch groengebied’ als Zamalek ‘beschermd en behouden moet worden’.
Voor de oeroude Afrikaanse beschaving van de Nubiërs bestond lang nauwelijks aandacht. Nu zijn archeologen verwikkeld in een race tegen de klok om vast te leggen wat er nog van over is.
In 1905 togen Britse archeologen naar een smalle landstrook in Noordoost-Afrika om artefacten uit drieduizend jaar oude tempels op te graven. Ze keerden onverrichter zake terug met voornamelijk foto’s, ontmoedigd door de immer verschuivende zandheuvels. ‘Bij iedere stap zakten we tot onze knieën weg’, schreef Wallis Budge, de Britse egyptoloog en filoloog destijds. ‘We deden verschillende proefopgravingen maar troffen niets aan wat de moeite waard was mee te nemen.’
In de eeuw die volgde was er nauwelijks interesse voor de regio die bekendstaat als Nubië, de bakermat van oudere beschavingen dan het Oude Egypte, gelegen langs de Nijl in wat vandaag de dag het noorden van Soedan en het zuiden van Egypte is. Het land was onherbergzaam en een aantal archeologen wees al dan niet openlijk het idee van de hand dat zwarte Afrikanen in staat waren kunst te maken, technologie te ontwikkelen of steden te bouwen zoals de Oude Egyptenaren of de Romeinen. Moderne handboeken behandelen Nubië nog steeds als een soort appendix bij Egypte, met hooguit een paar alinea’s over zwarte farao’s.
Inmiddels is dit beeld gekanteld en beseffen archeologen hoe weinig tijd hen rest om de historische betekenis van Nubië volledig te ontvouwen. ‘Dit is een van de grote, oudste bekende beschavingen ter wereld,’ zegt archeoloog Neal Spencer, verbonden aan het British Museum. De afgelopen tien jaar heeft Spencer op een van de archeologische sites gewerkt die zijn academische voorgangers een eeuw geleden hebben gefotografeerd: Amara West, ongeveer honderdvijftig kilometer ten zuiden van de grens tussen Egypte en Soedan. Uitgerust met een magnetometer, een apparaat dat magnetische patronen van objecten in de bodem registreert, brengt Spencer duizenden metingen in kaart om zo hele nederzettingen onder het zand bloot te leggen, fundamenten van piramides en ronde grafheuvels, oftewel tumili, met tombes waarin skeletten in typisch Nubische stijl op grafbedden rusten, daterend uit 1300 tot 800 vóór Christus.
‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving’
Het Nijldal in het noorden van Soedan is bezaaid met dit soort sites, en overal stuitten archeologen op honderden artefacten, rijkversierde tombes, tempels en steden. Elke vondst is waardevol, zeggen de wetenschappers, omdat ze licht werpen op de Nubiërs: wie ze waren, wat voor kunst ze maakten, de taal die ze spraken, hun godsdienstige rituelen, hoe ze stierven: belangrijke puzzelstukken voor de beeldvorming van de mozaïek van beschavingen. Alleen dreigen deze heilige archeologische sites door woestijnvorming en de aanleg van stuwdammen voorgoed onder het zand of onder de waterspiegel te verdwijnen. ‘Nu pas realiseren we ons hoeveel archeologische schatten daar nog op ons liggen te wachten,’ zegt archeoloog David Edwards van de Universiteit van Leicester. ‘Maar nu is het eigenlijk te laat,’ voegt hij eraan toe. ‘Binnen tien jaar is het grootste deel van het oude Nubië waarschijnlijk weggevaagd.’
Tussen 5000 en 3000 v.Chr., toen de tropische jungles bij de opwarming van de aarde plaatsmaakten voor woestijnen, begon de trek naar de groene oevers van de Nijl. ‘Het wemelt er van de archeologische sites omdat de Nijlvallei, vanaf de prehistorie tot nu, al duizenden jaren is bewoond,’ vertelt Vincent Francigny, directeur van het Franse Archeologische Instituut in zijn kantoor in de hoofdstad van Soedan, Khartoem. De eerste archeologische sporen van het Nubische koninkrijk, Koesj, stammen uit ongeveer 2000 v.Chr. Egyptenaren veroverden gedurende een paar honderd jaar delen van het Koesjitische rijk. Rond 1000 v.Chr. lijken de Egyptenaren te zijn vertrokken, of ze hebben zich geheel met de lokale bevolking vermengd. In 800 v.Chr. namen Koesjitische koningen, ook wel bekend als de zwarte farao’s, Egypte een eeuw lang over: twee cobra’s die de kronen van de farao’s versieren staan voor de vereniging van de koninkrijken. Rond 300 n.Chr. begon de ondergang van het Koesjitische rijk.
Over het leven van Nubiërs in die tijd is bijna niets bekend. ‘Britse egyptologen uit de negentiende eeuw verlieten zich op verslagen van oude Griekse historici die de wildste verhalen uit hun duim zogen,’ zegt Francigny. ‘Ze namen niet de moeite zelf af te reizen naar Soedan.’ De Amerikaanse archeoloog George Reisner, verbonden aan de Harvard-universiteit, was de eerste die begin twintigste eeuw serieus onderzoek deed. Reisner ontdekte tientallen piramides en tempels in Soedan, legde de namen van koningen vast en verscheepte de kostbaarste antiquiteiten naar het Museum of Fine Arts in Boston. Met dedain dichtte hij iedere vorm van hoogstaande architectuur zonder enig bewijs aan blankere rassen toe. In 1918 schreef hij, alsof het als een paal boven water stond, in een bulletin van het museum: ‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving.’ Er heilig van overtuigd dat een donkere huidskleur een lagere intelligentie aanduidde, weet hij de ondergang van Nubië aan de vermenging van de Egyptenaren met de oorspronkelijke bewoners.
Reisner was in alle opzichten een kind van zijn tijd. Archeologen van de oude stempel waren meer gericht op het samenstellen van namenlijstjes van farao’s en het verschepen van culturele schatten, dan dat ze door middel van antiquiteiten inzicht probeerden te krijgen in de ontwikkeling van samenlevingen en culturen.
Archeoloog Stuart Tyson Smith, verbonden aan de Universiteit van Californië, Santa Barbara, stoft objecten die hij de afgelopen jaren in Nubische graven heeft verzameld vanuit een heel andere benadering af. Smith en zijn team doen opgravingen in Tombos, een enorme necropolis ten zuiden van Amara West, die vóór 700 v.Chr. honderden jaren in gebruik was. Opgetogen leidt Smith me op locatie rond door opslagruimtes die vol staan met onlangs opgegraven voorwerpen. Ook tijdens hun reis naar het land der doden wilden onze voorvaderen goed voor de dag komen: ze kregen in hun graf kohlpoeder, reukwater en versierde cosmeticadozen mee. Op een houten tafel ligt een vrouwenschedel met een aangekoekte laag aarde vol termietengangen. Glunderend pakt Smith een vuistgrote amulet die hij naast dit skelet heeft gevonden. De amulet heeft de vorm van een scarabee, in Egypte een veelvoorkomend symbool van wedergeboorte, alleen heeft deze kever een mensenhoofd. ‘Dit is heel ongebruikelijk,’ zegt Smith. Lachend vertaalt hij de hiërogliefen die op de onderkant zijn gegraveerd: ‘Laat mijn hart op de Dag des Oordeels niet tegen mij getuigen.’
Smiths collega, Michele Buzon, bioarcheoloog aan de Purdue-universiteit in Indiana, zal de schedel naar haar lab in West Lafayette laten verschepen om de isotopensamenstelling van strontium in het tandglazuur te analyseren. Strontium is een element dat in wisselende hoeveelheden in de grondlaag en in gesteente voorkomt. Omdat strontium bij opgroeiende kinderen via het drinkwater in de tandglazuurlaag wordt opgenomen, is het een indicatie van de regio waar een persoon is geboren. De uitslag zal uitwijzen of de vrouw uit Egypte kwam, zoals de scarabee doet vermoeden, of dat het om een lokale bewoner gaat met een voorliefde voor Egyptische spullen.
Er zijn voldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat Egyptische gezagsdragers tussen 1450 en 1100 v.Chr. in Tombos tussen de Nubiërs leefden en stierven. Egypte inde belasting in de regio, een belangrijk handelscentrum waar ivoor, goud en dierenhuiden vanuit het zuiden via de Nijl naar het noorden werden vervoerd. Maar in schedels uit 900 v.Chr. vindt Buzon nog zelden aanwijzingen voor Egyptische wortels in het tandglazuur. Strontiumisotopen tonen aan dat het om geboren en getogen Nubiërs gaat, hoewel de cultuur nog duidelijke Egyptische invloeden vertoonde; een vroege vorm van culturele assimilatie. ‘De twee culturen smolten samen,’ zegt Smith. In 2005 legde hij een grafkamer bloot met daarin een mannelijk skelet, omgeven door Nubische pijlpunten, geïmporteerde voorwerpen uit het Midden-Oosten en een koperen beker, aan de binnenzijde gegraveerd met stieren, een veelvoorkomend motief in Nubische ontwerpen. ‘Dat hij met traditionele Nubische objecten en kosmopolitische spullen is begraven, geeft aan dat hij bij de elite hoort,’ legt Smit uit.
Nubische taal
Om meer te weten te komen over de verloren taal van het oude Nubië zoek ik Claude Rilly op, een linguïst die is gespecialiseerd in oude talen. Hiervoor moet ik afreizen naar Soleb en Sedeinga, archeologische sites met majestueuze, vervallen tempels en een terrein vol kleine piramides. De woestijn tussen de twee sites doet postapocalyptisch aan: zover het oog reikt een desolate vlakte, bezaaid met zwarte rotsblokken. Op het punt waar de weg onder het zand verdwijnt stap ik over in een gammele motorboot. Ik word opgewacht door Rilly, een boomlange, goedlachse man met een verweerd gezicht. ‘Welkom in de wieg van de mensheid.’ Vol enthousiasme begint Rilly de Egyptische hiërogliefen te vertalen die in de zandstenen zuilen van de tempel in Soleb zijn gegraveerd. Hij wil maar al te graag zijn kostbaarste vondsten laten zien: stèles, stenen platen met Meroïtische inscripties uit het oude Nubië. Rilly, verbonden aan het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek in Parijs, is een van de weinigen die Meroïtische teksten kan vertalen. Het schrift is niet verwant aan Egyptische hiërogliefen. Rilly heeft wel verbanden gevonden tussen het Meroïtisch en een handvol talen die vandaag de dag door etnische groepen in Nubïe, Darfoer en Eritrea worden gesproken.
Eind 2016 vond Rilly een beschilderde stèle die tussen de bakstenen van een grafkapel in Sedeinga was gevallen en zo beschermd was gebleven voor zandstormen en regen. De bovenkant van de stenen plaat is versierd met een zonneschijf, omringd door twee goudgele cobra’s en uitgerust met een paar rode vleugels. De gegraveerde lijn die de illustratie van de tekst scheidt is blauw, een zeldzaam pigment. In de tekst staat een woord dat Rilly nooit eerder is tegengekomen. Afgaande op de talen die momenteel in de regio worden gesproken, vermoedt hij dat het een tweede woord is voor de zon, maar dan voor de zonnegod en niet voor het hemellichaam. Rilly kan niet wachten tot hij meer teksten in handen krijgt waarmee hij de woordenschat kan uitbreiden om zo de verhalen die ze over Nubische religie vertellen te ontcijferen. Hij heeft het idee dat er een verborgen stad in de buurt van de tempels moet liggen, en hopelijk ook papyrusrollen met geschriften van onze voorouders. De komende maand zal Rilly met een magnetometer de omgeving afspeuren naar sporen van een nederzetting onder de boerderijen langs de Nijl of het omringende land. Het draagbare apparaat berekent het magnetische signaal aan de oppervlakte van de grond en vergelijkt dat met het signaal van twee meter daaronder. Als de fluxdichtheid verschilt, wordt de plek op de kaart met een grijze tot zwarte stip aangemerkt om aan te geven dat er iets onder het aardoppervlak ligt. Rilly zoekt ook naar de restanten van een Koesjitische tempel waarnaar wordt verwezen op een stèle die hij onlangs heeft ontcijferd. ‘De zonnegod en de maangod worden genoemd, en de godin Isis zelfs wel vijftien keer,’ vertelt Rilly. ‘We weten dat hier een Koesjitische cultus was, en een cultus kan niet zonder tempel bestaan.’
Hedendaagse Nubiërs krijgen de verhalen over het oude Nubië, doorgegeven van generatie op generatie, met de paplepel ingegoten. En of ze nu wel of niet direct van de Koesjieten afstammen, hun identiteit is onlosmakelijk verbonden met het verleden. Ze zijn opgegroeid tussen piramides, tempels en omgevallen beelden.
Op heilige dagen wandelen gezinnen uit de aan de Nijl gelegen plaats Karima naar de zanderige voet van Djebel Barkal, een heilige tafelberg die wordt gekenmerkt door een natuurlijke, 75 meter hoge monoliet waarvan de ogenschijnlijk ontoegankelijke top inscripties bevat van wellicht 3400 jaar oud. Terwijl de zon ondergaat, is het uitzicht met recht bijbels te noemen: de groene oevers van de Nijl, de tempels in de schaduw van de berg, de piramides aan de horizon. Toen de oude Egyptenaren de regio veroverden, herkenden ze in Djebel Barkal de verblijfplaats van de god Amon, die ieder jaar voor nieuw leven zorgt wanneer de Nijl buiten haar oevers treedt. Ze hakten aan de voet van de berg een tempel voor hem uit en versierden de muren met goden en godinnen. Toen de Nubiërs de macht overnamen, vonden de kroningen van hun farao’s op deze heilige berg plaats, en ze bouwden er piramides naast.
Verder noordwaarts ligt aan de Nijl nog een heilige berg, in de geboorteplaats van Ali Osman Mohamed Salih, een 72-jarige professor in archeologie en Nubische studies aan de universiteit van Karthoem. Zijn ouders leerden hem dat God in de berg huist en aangezien mensen van God afstammen, zijn ze uit deze berg ontstaan. Deze gedachtegang verbindt het heden met het verleden en mensen met een plaats. ‘Je bent zo oud als de berg, wordt ermee bedoeld,’ zegt Salih, ‘en niemand kan je uit dit land verdrijven.’ Maar dat is precies wat dreigt te gebeuren met de bouw van de drie nieuwe waterkrachtcentrales die de Soedanese regering langs de Nijl heeft gepland. Mensen zullen van hun geboortegrond worden verdreven, vreest Salih, en talloze Nubische schatten zullen onder water komen te staan. Volgens een schatting van Soedans Nationale Genootschap voor Oudheden en Musea zal het stuwmeer dat vlak bij de plaats Kajbar door de geplande dam zal ontstaan meer dan 500 archeologische sites onder water zetten, waaronder 1600 rotsgravures en -schilderingen, waarvan de oudste uit het neolitische tijdperk stammen en de jongste uit de middeleeuwen. Soedanese activisten schatten dat honderdduizenden mensen door de aanleg van de centrales uit hun woonplaatsen zullen worden verdreven.
Salih heeft al eerder tegen stuwdammen in de Nijl geprotesteerd. In 1967 werd hij in Caïro gearresteerd voor zijn openlijke verzet tegen de Hoge Aswandam vlak bij de Soedanese grens. Het hierdoor gevormde reservoir met een lengte van bijna vijfhonderd kilometer heeft honderden archeologische sites onder water gezet, hoewel de mooiste tempelcomplexen, zoals Aboe Simbel, werden verplaatst. Ook moesten meer dan honderdduizend mensen, onder wie veel Nubiërs, verhuizen. De regeringen van landen langs de Nijl rechtvaardigen de stuwdammen door te wijzen op de toenemende vraag naar elektriciteit. Op dit moment heeft twee derde van de Soedanese bevolking geen elektriciteit. Helaas leert de ervaring dat de verdrevenen meestal niet degenen zijn die van de elektriciteit en de opgeleverde winst profiteren. Maar er is weinig ruimte voor onderhandelingen. De Soedanese president Omar al-Bashir, volgens het Internationaal Strafhof een oorlogsmisdadiger, regeert met ijzeren vuist. Sinds 2006 hebben zijn veiligheidstroepen meer dan honderdzeventig demonstranten neergeschoten en talloze tegenstanders, ook van andere politiek geladen onderwerpen, opgesloten en gemarteld. Internationale archeologen die in het land willen blijven werken, durven de geplande bouw van de waterkrachtcentrales niet hardop te bekritiseren. En de meeste archeologen van eigen bodem houden wijselijk hun mond om niet achter de tralies te belanden.
Oprukkend zand
Andere archeologische sites, zoals Djebel Barkal en Tombos, worden bedreigd door de bevolkingsaanwas. En dan is er nog de verwoestende kracht van de natuur. Zo worden de rijkelijk versierde muren van de 43 Koesjitische piramides en de bijbehorende grafkapellen van Meroë, werelderfgoed volgens Unesco, sinds de jaren tachtig steeds ernstiger aangetast door zandstormen. Met financiering uit Qatar hebben archeologen de dodenstad geprobeerd vrij te maken van het steeds verder oprukkende zand. Maar een verslag uit 2016 stelt dat er bijna niet tegenop te graven is. ‘Als archeoloog sta je altijd onder druk,’ zegt Geoff Emberling, verbonden aan de Universiteit van Michigan. ‘Vanwege het tijdsgebrek en het eeuwige geldgebrek. De situatie is altijd nijpend.’ Voor Emberling zich aan Nubië wijdde, was het oude Mesopotamië in Syrië zijn onderzoeksveld. ‘Ik had nooit voorzien dat IS de oude tempels in Palmyra zou verwoesten en een Syrische archeoloog zou executeren.’ Het onthoofde lichaam van de bejaarde archeoloog Khaled al-Asaad werd ter afschrikking aan een zuil in de ruïnestad gehangen. ‘Syrië heeft me geleerd dat niets vanzelfsprekend is in het leven,’ zegt Emberling. ‘Alles kan zomaar omslaan in het tegendeel.’
Spencer, de archeoloog van het British Museum die piramides en nederzettingen in Amara West uitgraaft, weet wat hem boven het hoofd hangt. Zijn werk is een gevecht tegen het zand. Als een zware zandstorm over de site raast worden alle opgravingen in één klap tenietgedaan. En als er verderop een dam in de Nijl wordt gebouwd, loopt Amara West volledig onder. Staand naast een labyrint van pas uitgegraven muren, vlak onder het zandoppervlak, vouwt Spencer een kaart open met meetvelden, de blauwdruk voor zijn opgravingen. Hij wijst een punt aan dat buiten de grijze lijnen van de nederzettingen ligt en wijst daarna naar de uitgestrekte zandheuvels in de verte. ‘Het lage magnetische signaal van deze landsstrook geeft aan dat hier waarschijnlijk ooit een rivier heeft gestroomd,’ legt Spencer uit, die heeft aangetoond dat de regio er 3300 jaar geleden heel anders uitzag. Door middel van optisch gestimuleerde luminescentiedatering (OSL) – een techniek die wordt gebruikt om te bepalen wanneer een zandkorrel voor het laatst is blootgesteld aan licht – heeft zijn team de fluviale kleiafzetting die onder het kwarts ligt gedateerd. Daaruit blijkt dat Amara West een eiland in de Nijl was toen de Egyptenaren en de Nubiërs het land bevolkten. De rivierafsplitsing is rond 1000 v.Chr. opgedroogd, waardoor het eiland met het vasteland werd verbonden.
Spencers collega, bioarcheoloog Michaela Binder, verbonden aan het Oostenrijkse Archeologische Instituut in Wenen, heeft ontdekt dat lichamen die hier begraven liggen jong zijn gestorven. ‘Mensen werden zelden ouder dan dertig,’ zegt Binder. Hun botten vertonen in veel gevallen putjes, een teken van ondervoeding. Veroorzaakt door mislukte oogsten, vermoedt Binder. Ze vond in ribben ook aanwijzingen van chronische longziektes door de met zand en stof vervuilde lucht. Het onderzoek zou erop kunnen wijzen dat de stad niet zozeer door oorlogen of slecht bestuur ten onder is gegaan, zoals eerdere hypothesen luidden, maar dat de bewoners door klimaatverandering zijn verdreven.
Nog altijd is Amara West door zandstormen onbewoonbaar. Spencers team verblijft op een nabijgelegen eiland in de Nijl. In de vroege ochtenduren, als het nog koud is, varen Spencer en zijn team onder de heldere sterrenhemel naar de opgraving. Ze beginnen zo vroeg omdat de wind rond het middaguur aanzwelt en zandwolken en kleine vliegjes aanvoert. Het team brengt hun vondsten niet alleen in kaart door middel van notities, tekeningen, video’s en modellen, ze laten ook vliegers op met digitale camera’s die iedere twee secondes foto’s nemen. Deze foto’s worden met behulp van een fotogrammetrische techniek gelinkt aan duizenden vanaf de grond genomen foto’s om een 3D-model te creëren. Bij terugkeer in Londen worden deze modellen geïmplementeerd in dezelfde software die voor het ontwikkelen van ‘first person shooter’-videogames wordt gebruikt.
Om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt
Spencer laat me op zijn laptop de resultaten zien. Al scrollend navigeert hij door een buitenwijk die we eerder op de dag hebben bezocht. De gangen waar Spencer virtueel doorheen loopt zijn zo smal dat hij met zijn schouders langs de muren schampt. Hij betreedt een krappe ruimte met de buste van een man met een zwarte pruik en een rood geverfd gezicht. Het is een getrouwe afbeelding van Spencers vondst. Spencer verlaat de virtuele ruimte en scrolt dwars door de vloer om de oudere huizen te laten zien die het team onder de bovengelegen nederzetting, Egyptische stijl, heeft blootgelegd. Hij drukt op een toets en de viewer schiet omhoog, de lucht in. In vogelperspectief zien we de tamarisken en acaciabomen die hier destijds hebben gestaan, zoals microscoopanalyses van houtskool naast de stoffige oevers van de Nijl hebben uitgewezen. De interactieve graphics zijn te vinden op de website van het British Museum zodat mensen de archeologische site op hun gemak kunnen bekijken zonder een reis naar Soedan te hoeven maken. Digitale reconstructies van graftombes en piramides op andere plekken in Nubië zijn ook steeds vaker online te vinden, en veel archeologen die in Soedan werken schrijven blogs over hun ontdekkingen. Hun wetenschappelijke publicaties volgen later.
Ook is een verschuiving zichtbaar in de interpretatie van antiquiteiten, nu de projecten geleid worden door Soedanese archeologen die de vondsten door een Afrikaanse bril, en niet door de gebruikelijke Europese bril, bekijken. In de nabije toekomst zullen geschiedenisdocenten hun middelbareschoolleerlingen wellicht inspireren met verhalen over het oude Nubië en de Nubische schatten net zo bewieroken als de Egyptische, de Griekse en de Romeinse. Misschien zal de volgende generatie studenten Afrika bezuiden de Sahara niet zien als een negatieve ruimte zonder geschiedenis, maar als de bakermat van de mensheid, waar de eerste steden herrezen, met een rijke cultuur en onder centraal gezag.
Maar om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt. ‘Archeologie is altijd een race tegen de klok,’ zegt Francigny. Alleen is de teloorgang van de schatten van Nubië extra dramatisch omdat ze nieuwe hoofdstukken aan de geschiedenis kunnen toevoegen. ‘Alle vondsten zijn van onschatbare waarde omdat we hiervoor niets wisten.’
Undark is een Amerikaans onlinetijdschrift over het snijvlak van wetenschap en samenleving, ‘de plek waar wetenschap zich doet gelden in de politiek, in de economie, voelbaar en wezenlijk wordt in ons leven van alledag’. Het magazine wordt gefinancierd door de onafhankelijke Knight Foundation. Artikelen uit Undark worden met regelmaat overgenomen door tijdschriften als The Atlantic,Mother Jones,Scientific American en Newsweek.
Er doen steeds meer geruchten de ronde over een ophanden zijnde oorlog tussen de coalitie onder leiding van Iran en een onwaarschijnlijk Israëlisch-Saoedisch bondgenootschap, maar een scenario daarvoor is moeilijk voorstelbaar. Hoewel de twee graag met hun tegenstander zouden willen afrekenen, heeft geen van beide er voorlopig belang bij een militaire confrontatie aan te gaan. Een rondgang langs de partijen die graag een goede oorlog zouden willen… maar dan wel bij volmacht.
IRAN
Sinds zes jaar investeert de Iraanse Revolutionaire Garde (IRG) in Teheran zwaar in Syrië om het regime van Assad te steunen. Deze steun kent diverse vormen: het sturen van ‘militaire adviseurs’ van de Sepah-e Qods, een speciale afdeling van de IRG, het inzetten van enkele duizenden (Libanese) Hezbollahstrijders, het aanvliegen van nieuwe wapens naar de luchthaven van Damascus, het werven door sjiitische milities van duizenden burgers (voornamelijk Afghaanse vluchtelingen) en het verstrekken van kredieten ter hoogte van 1 miljard dollar om de solvabiliteit van de clan van Assad te garanderen. Toch is dat alles onvoldoende gebleken voor een definitieve overwinning van het Syrische regime, dat daardoor slechts in het zadel werd gehouden totdat in september 2015 de Russen tussenbeide kwamen. Nu het voortbestaan van Assad verzekerd is, heeft Iran van de situatie gebruikgemaakt door zeer belangrijke strategische mijnconcessies in Syrië te bedingen en het recht om er een luchtmachtbasis en een militaire haven in de Middellandse Zee te bouwen.
ISRAËL
Bedient zich afwisselend van diplomatieke druk en militaire dreigementen om Teheran ervan te weerhouden een permanent bastion in Syrië te vestigen. Dit Israëlische beleid lijkt in te spelen op een interne strijd binnen het Iraanse regime, waar sommige facties van mening zijn dat de miljardeninvesteringen in de Syrische infrastructuur een beletsel zijn voor het economisch herstel van Iran zelf. Voorlopig heeft Teheran er geen enkel belang bij om in Syrië of Libanon een oorlog te ontketenen tussen zijn plaatselijke bondgenoten en Israël. Iran zou de confrontatie met Israël liever op een ‘gemakkelijker’ terrein willen aangaan: de zuidgrens tussen Israël en de Gazastrook. Een delegatie van Hamas (dat nog steeds Gaza bestuurt) was onlangs op bezoek in Teheran, en een tweede bezoek is binnenkort voorzien.
De relatie tussen Hamas en Iran is bekoeld aan het begin van de Syrische oorlog, toen Iran het Syrische regime hielp honderdduizenden soennieten af te slachten, onder wie de Moslimbroeders, die bondgenoten waren van Hamas. Op het hoogtepunt van de burgeroorlog had Iran zijn steun aan de tegenstander van Hamas, de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ), zelfs opgevoerd. Maar nadien is de relatie verbeterd en zou Iran het oogluikend toelaten als Hamas en de PIJ hun krachten zouden bundelen om incidenten aan de Israëlische grens uit te lokken en de Israëlische aandacht af te leiden van het Syrische strijdtoneel.
DE GAZASTROOK
Ondanks de Iraanse bemoeienis kent de Gazastrook zijn eigen problemen, en hoewel Hamas dolblij is dat zijn relatie met Teheran is hersteld, liggen zijn belangen momenteel in Caïro, waar afgelopen oktober een verzoeningsakkoord is getekend met Al-Fatah en de Palestijnse Autoriteit. Egypte wil dat Hamas de orde in Gaza bewaart en dat de strook geen logistieke vrijplaats wordt voor IS-strijders in de Sinaï. Als er al twijfel bestond, met name in Israël, over de vraag of de onderlinge Palestijnse verzoening het zoveelste fiasco zou zijn, dan is die definitief weggenomen toen Israël op 30 oktober een tunnel van de PIJ verwoestte waarbij veertien PIJ– en Hamasstrijders omkwamen. In andere tijden zou zo’n operatie onmiddellijk tot Palestijnse represailles hebben geleid, maar die zijn ditmaal uitgebleven. Sterker nog, Hamas heeft de PIJ gedwongen de officieuze wapenstilstand te respecteren die in de zomer van 2014 met Israël overeen was gekomen.
HAMAS
De islamitische verzetsbeweging Hamas die al sinds juni 2007 aan de macht is in Gaza, heeft zich zeker niet bekeerd tot het zionisme. Maar de permanente blokkade door Israël van de Gazastrook en de verslechterde economische situatie hebben de nieuwe ‘premier’ van Hamas, Yahya Sinwar, tot de pijnlijke conclusie gebracht dat er zo snel mogelijk een akkoord moet worden gesloten met buurland Egypte en de Palestijnse Autoriteit. Zo niet, dan zal de situatie in de Gazastrook volledig uit de hand lopen. Sinwar is een politieke havik die lange jaren in Israëlische gevangenissen heeft doorgebracht, maar hij is ook afkomstig uit Gaza en kent de politieke spelletjes maar al te goed. En de Hamasdelegatie die naar Teheran is gestuurd legt in Gaza geen enkel gewicht in de schaal.
EGYPTE
Het is nog niet zo lang geleden dat Egypte als de meest vastberaden Arabische partner werd beschouwd in de regionale coalitie die tegen Iran in het leven was geroepen. Maar door zijn zwakke politieke en economische positie heeft het land zich gedwongen gezien pas op de plaats te maken en zich te concentreren op het elimineren van IS in de Sinaï, waar enkele honderden jihadisten dagelijks een veel zwaarder bewapende Egyptische strijdmacht uitdagen. Paradoxaal genoeg is Egypte waarschijnlijk het land dat het meest te vrezen heeft van de eliminering van de bastions van Islamitische Staat in Irak en Syrië. De ontsnapte IS-strijders zijn bezig zich in het naburige Libië te vestigen en de terroristische beweging is er waarschijnlijk op uit haar bastions in de Sinaï te versterken. Daarom heeft Egypte afstand gedaan van zijn historische missie als leider van het soennitisch-Arabische front en de fakkel overgedragen aan Saoedi-Arabië.
SAOEDI-ARABIË
De gebeurtenissen van de afgelopen tijd in Riyad hebben zelfs de best geïnformeerde waarnemers verrast: grootscheepse arrestatie van hooggeplaatste Saoediërs, met inbegrip van prinsen, op verdenking van corruptie; de benoeming op sleutelposities van vertrouwelingen van prins Mohamad bin Salman, alias MBS; een raadselachtig helikopterongeluk waarbij een prins om het leven kwam; het onder druk zetten van vrienden van de Saoediërs, zoals de Libanese premier Saad Hariri (die in Riyad onmiddellijk zijn aftreden bekendmaakte) en Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) et cetera. Deskundigen kunnen alleen maar gissen naar de werkelijke motieven van MBS, die vermoedelijk ambitieuzer zijn dan de wens om zijn greep op het Saoedische koninkrijk te consolideren.
Een van de theorieën over het aftreden van Hariri is dat hij bevel zou hebben gekregen naar Riyad te vluchten, zodat hij niet betrokken zou raken bij een ophanden zijnde, door Saoedi-Arabië gesteunde operatie van Israël tegen Libanon, oftewel een Israëlische aanval op Hezbollah. Het feit dat Hezbollah van een poging tot moord op Hariri is beschuldigd versterkt deze theorie alleen maar. De Saoediërs zouden ongetwijfeld dolblij zijn om hun Iraanse vijanden afgestraft te zien, en vanuit dat oogpunt zou Hezbollah een uitgelezen doel zijn. Maar het geval wil dat Riyad niet zelf een oorlog tegen Teheran kan beginnen. Tweeënhalf jaar geleden zijn de Saoediërs verwikkeld geraakt in een oorlog tegen de door Iran gesteunde Houthi’s in Jemen. Dat werd zo’n fiasco dat de laatsten er begin november in zijn geslaagd een raket af te vuren op de internationale luchthaven van Riyad. Het is dus moeilijk voorstelbaar dat de Saoediërs zich aan een offensief in het Golfgebied wagen tegen een veel sterker en krijgsvaardiger Iran. Vooral op het moment dat MBS zijn handen vol heeft aan binnenlandse politieke uitdagingen.
HEZBOLLAH
Na zes jaar strijd in Syrië onder de vlag van Iran kan Hezbollah zich beroepen op indrukwekkende overwinningen en een ruime mate van militaire ervaring, dankzij een geavanceerd wapenarsenaal en het bevel over indrukwekkende paramilitaire Syrische brigades. Maar de organisatie heeft minstens achthonderd manschappen in de strijd verloren terwijl enkele duizenden zwaargewond zijn geraakt, oftewel een kwart van haar troepen aan het begin van de oorlog in Syrië. Zeker, er zijn duizenden nieuwe rekruten getraind en naar het Syrische front gestuurd, maar dat is op weerstand gestuit binnen de sjiitische gemeenschap in Libanon, waar velen van mening zijn dat Hezbollah zijn rol van ‘Libanese verzetsbeweging’ te lang heeft verwaarloosd en van Libanon een gijzelaar van Iran heeft gemaakt.
Militair gezien is Hezbollah niet meer in staat een oorlog tegen Israël te beginnen. De organisatie levert nog altijd strijd op diverse Syrische fronten en zou haar brigades weer op sterkte moeten brengen alvorens zich aan een nieuwe oorlog te wagen. Er zijn inmiddels achttien maanden verstreken sinds de moord op haar militaire bevelhebber Mustafa Badr al-Din, een aanslag waarvoor de opdracht zou zijn gegeven door Hassan Nasrallah, de feitelijke leider van Hezbollah, op aandringen van Iran. Badr al-Din is nog steeds niet vervangen. Bovendien heeft Nasrallah het aanzien verspeeld dat hij in de Arabische wereld genoot sinds de tweede Libanese oorlog in 2006, waarin Israël en Hezbollah tegenover elkaar stonden. Momenteel wordt hij niet langer gezien als de moedige speerpunt van het anti-Israëlische verzet, maar als moordenaar van Syrische verzetsstrijders tegen het regime van Assad. Nasrallah zou in de verleiding kunnen komen een nieuwe oorlog tegen Israël te beginnen in de hoop zijn imago op te poetsen, maar hij lijkt te beseffen dat zijn manschappen daar niet klaar voor zijn en dat vooral de vernietigende Israëlische represailles tegen de burgerinfrastructuur van Libanon een averechts effect zouden kunnen hebben. Nasrallah zou in dat geval door de Libanezen verantwoordelijk worden gehouden voor hun nieuwe leed. Maar als Hezbollah zich in zo’n kwetsbare positie bevindt, zou Israël dan niet in de verleiding kunnen komen daarvan te profiteren?
ISRAËL
Eén ding is vrijwel zeker. Zelfs als Hariri en de Saoediërs denken dat een Israëlische aanval op Libanon ophanden is, zou die niet voor begin december kunnen plaatsvinden. Israël is momenteel het toneel van de meest ambitieuze internationale militaire manoeuvres uit zijn geschiedenis, waaraan de luchtmachten van zeven andere landen deelnemen. Dit militair-diplomatieke machtsvertoon is al meer dan een jaar geleden gepland en de Israëlische luchtmacht heeft voorlopig geen tijd om zich met iets anders bezig te houden. Israël kan dus op zijn vroegst eind november een oorlog ontketenen, en dan alleen als de spanningen op zijn andere fronten zijn afgenomen.
Voorlopig moet Israël er tot elke prijs voor zorgen dat de rust rond de Gazastrook bewaard blijft. Zijn nieuwe ondergrondse afweersysteem tegen aanslagen vanuit de tunnels van Hamas en de PIJ is nog in ontwikkeling en zal pas eind 2018 operationeel zijn. Bovendien wil Israël de diplomatieke inspanningen van Egypte om de Gazastrook te pacificeren niet in de wielen rijden. Op de Israëlisch-Libanese grens, daarentegen, is de zaak-Hezbollah veel complexer. Zeker, Israël valt regelmatig doelen op Syrisch grondgebied aan, meestal op Hezbollahkonvooien die geavanceerde wapens naar Libanon willen brengen. Syrië heeft herhaaldelijk geprobeerd terug te slaan door weinig effectieve raketten op de Israëlische vliegtuigen af te vuren, maar noch het regime van Assad noch Hezbollah is uit op een escalatie. In militaire kringen in Israël gaan stemmen op voor een grote preventieve operatie op Libanees grondgebied ter voorkoming van raketaanvallen door Hezbollah, maar deze stemmen zijn voorlopig nog in de minderheid.
Ondanks zijn anti-Iraanse retoriek hoedt Benjamin Netanyahu zich ervoor de vijandelijkheden uit te breiden tot de belangrijkste handlanger van Iran, Hezbollah, en geeft hij de voorkeur aan precisieaanslagen. De lessen van de oorlog van 2006, die enkele weken duurde, liggen nog vers in het geheugen bij de militair verantwoordelijken in Israël, en de echte Netanyahu is in de grond van de zaak minder oorlogszuchtig dan hij voorgeeft te zijn. Hij is nooit voorstander geweest van grootscheepse militaire operaties die de mobilisatie van het hele leger vereisen, met het risico dat de waakzaamheid op andere fronten verslapt. Natuurlijk zou Netanyahu meer dan opgetogen zijn als iemand anders Iran blindelings te lijf zou gaan (de Amerikanen, om maar eens iemand te noemen). Maar hoewel de regering-Trump geen gelegenheid voorbij laat gaan om haar anti-Iraanse retoriek te ventileren, lijkt Washington niet te watertanden bij het idee van een oorlog die van retoriek in praktijk zou kunnen omslaan.
Op 6 november verklaarde John Kerry, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van Barack Obama, bij het Royal Institute of International Affairs in Londen dat de Israëlische, Saoedische en Egyptische leiders Obama allemaal hadden gesmeekt Iran te bombarderen. Zijn conclusie was dat geen van deze leiders zich daar rechtstreeks aan durfde te wagen. Dat is een mooie samenvatting van de situatie.
Haaretz (Het Land, aanvankelijk Hadashot Haaretz, Nieuws uit Het Land) werd opgericht in Jeruzalem in 1918, nog voor het einde van de Eerste Wereldoorlog en vlak na de Balfour-verklaring van 1917, die het ontstaan van de staat Israël (in 1948) een forse stap dichterbij bracht. De krant verhuisde in 1923 naar Tel Aviv.
Aanvankelijk werd de krant gesubsidieerd door het Britse militaire bestuur in Palestina, maar in 1919 werd hij overgenomen door een groep linkse zionisten. In 1935 werd Haaretz gekocht door de uit Berlijn afkomstige uitgever Salman Schocken. Diens zoon Gershom was hoofdredacteur tussen 1939 en 1990, zijn kleinzoon Amos is de huidige uitgever. Haaretz heeft qua oplage een bereik van slechts 4 procent van het Israëlische publiek, maar zijn invloed op de politiek en de Israëlische intelligentsia is aanzienlijk. De krant verschijnt in zowel een Hebreeuwse als een Engelstalige editie.
Volgens critici zijn islamistische bewegingen per definitie ondemocratisch. Maar, schrijft The Economist, de politieke islam is geen homogene beweging, en wordt in ieder land óók gevormd door de lokale context.
‘Dood, stervend of achter de tralies.’ Zo omschreef een lid van de Moslimbroederschap in Egypte de situatie van zijn kameraden in wat eens ’s werelds meest vooraanstaande islamistische beweging was. Na de Arabische Lente van 2011 won de Broederschap de eerste vrije verkiezingen in Egypte; begin 2012 was de Broederschap de baas in het land. Maar het leger, geleid door Abdul Fattah al-Sisi en gesteund door massademonstraties, ontzette hen al snel uit de macht. Vier jaar geleden drukte Sisi, de huidige president, de beweging op het Rabaa al-Adawiya-plein de kop in. Vandaag zijn degenen die niet dood zijn en niet achter de tralies zitten gevlucht, of ze houden zich schuil.
Toch boezemt de Broederschap, een internationale beweging die in de regio al vele andere islamistische partijen heeft voortgebracht, Arabische autocraten nog steeds angst in. Kijk alleen al naar de impasse inzake Qatar. Egypte, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein hebben de diplomatieke betrekkingen verbroken met het kleine olierijke sjeikdom en een economische blokkade afgekondigd, en eisen dat het land zijn steun aan de Broederschap intrekt, Al Jazeera, een Broederschap-vriendelijke zender, sluit, en Turkse troepen het land uitzet, omdat Turkije wordt geleid door een op de Broederschap geïnspireerde partij, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP). Ze betogen dat de Broederschap een terroristische organisatie is die de gevestigde orde omver wil gooien.
Het lijdt geen twijfel dat de Broederschap heeft aangezet tot geweld en dat leden ervan aanslagen hebben uitgevoerd, maar of de beweging wezenlijk gewelddadig is valt moeilijker vast te stellen. Hassan al-Banna, die de beweging in 1928 in Ismaïlia in het noordoosten van Egypte heeft gesticht, wilde geleidelijke hervormingen. Said Qutb, een leidend figuur in de Broederschap in de jaren vijftig en zestig, pleitte voor het opnemen van de wapens tegen goddeloze heersers. Het moderne islamisme – waarvan ruwweg de definitie luidt: het streven naar een staat die wordt bestuurd vanuit islamitische principes – heeft zich vanuit deze discussie in allerlei richtingen ontwikkeld.
De huidige beweging omvat uiteenlopende groeperingen zoals Ennahda, een vreedzame Tunesische politieke partij, en Islamitische Staat (IS), een gewelddadige jihadistische groepering, die de Broederschap een afvallige organisatie noemt. De huidige Egyptische Broederschap is gesplitst in een groep die de confrontatietactiek omarmt, onder wie enkelen die geweld goedkeuren, en zij die liever een benadering van verzoening voorstaan.
Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten
De Saoedi’s en de andere landen die Qatar onder druk zetten beweren dat het hele islamisme een stap te ver is. (Hoewel sommige landen uit tactische overwegingen gemene zaak hebben gemaakt met islamisten in de Palestijnse Staat, Jemen en Syrië.) Andere landen – zoals de westerse landen die geen gehoor hebben gegeven aan oproepen om de Broederschap als een terroristische organisatie te brandmerken – vinden dat er onderscheid moet worden gemaakt. Dat is niet zo makkelijk. Als ogenschijnlijk gematigde en democratische islamisten eenmaal gekozen zijn, ontpoppen ze zich vaak als het tegendeel van die kwalificaties en blijkt die democratische gezindheid van zeer tijdelijke aard te zijn geweest. Maar sommige islamisten bedrijven een gematigde en effectieve politiek, en staan zelfs aan het hoofd van een regering.
Islamisten zijn echt niet de enigen die proberen de maatschappij te doordrenken met religie. In India hangt de heersende BJP een specifiek hindoeïstisch nationalisme aan. In Israël streeft een aantal partijen ernaar om van het land meer een echt joodse staat te maken. In Europa zijn er veel christendemocratische partijen die beide onderdelen van die term serieus nemen.
Maar in één opzicht is de islam uniek. Terwijl Mozes een leider zonder land was en Jezus een dissident die door een land ter dood was veroordeeld, was de profeet Mohammed een politiek leider die een staat stichtte, en de heilige schrift van de islam is daar een weerspiegeling van. ‘In de Koran staan in de tekst duidelijke, directe geboden, variërend van de toepassing van hoedoedstraffen (voor vergrijpen zoals diefstal) tot specifieke regels met betrekking tot het erven’, schrijft Shadi Hamid van het Brookings Instituut, een denktank op het gebied van ‘het islamitisch exceptionalisme’. Vandaar dat de Broederschap met trots beweert dat de Koran hun grondwet is.
Maar ook al zegt de Koran specifieke dingen over het erven en andere zaken, het heilige boek blijft vager over hoe je het landsbestuur moet organiseren. In de ene soera wordt Mohammed opgedragen leden van de gemeenschap te raadplegen en in een andere krijgt hij de absolute macht over hen toebedeeld. Onmiddellijk na de dood van de profeet begonnen al de geschillen. Zijn trouwste volgelingen konden niet beslissen of de rol van kalief – de veronderstelde opvolger van Mohammed als leider – nu een gekozen of een erfelijke functie was, een geschil dat uiteindelijk leidde tot het schisma tussen respectievelijk de soennieten en de sjiieten.
Het kalifaat zelf wordt niet voorgeschreven door de Koran. Maar ‘in het traditionele islamitische denken wordt het beschouwd als een intrinsiek onderdeel van de islam, dat onbedoeld het geloof eeuwenlang heeft gepolitiseerd’, schrijft Mustafa Akyol, auteur van Islam without Extremes. Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten.
De ondergang van het Ottomaanse Rijk en de afschaffing van het kalifaat door de republiek Turkije hebben uiteindelijk geleid tot de huidige islamistische beweging. Moslims die waren vernederd door het kolonialisme en het falen van het socialisme en het nationalisme, waarbij binnenlandse autocraten hadden geprobeerd de islam ten eigen voordele te annexeren, verlangden naar een alternatief dat thuishoorde in een wereld van natiestaten en verkiezingen. De Broederschap verschafte hun er een.
Islamisme lite
De democratie stond niet vermeld in Mohammeds richtlijnen, dus Banna keurde die staatsvorm af, net als politieke partijen en zelfs de moderne Arabische staat. Maar hij zag de ontwikkeling naar de islamitische staat als een proces in fasen, en iedere fase vereiste een andere tactiek. Dus islamisten verhulden hun religieuze doel in het begin en namen zelfs deel aan verkiezingen, als dat op de lange termijn hun positie verstevigde. Sommigen van zijn volgelingen accepteerden uiteindelijk de democratie als onderdeel van alle fasen van het proces, maar critici vonden dat de meeste islamisten in wezen antidemocratisch waren en dat nog steeds zijn.
Dat is één manier om naar de AKP en zijn imponerende leider, Recep Tayyip Erdogan, te kijken. Toen Erdogan in 2001 de AKP oprichtte, bleek hij de vertegenwoordiger te zijn van een nieuw soort islamisme, dat door sommigen ‘islamisme-lite’ werd genoemd, en dat zich richtte op vrijheid en de vrije markt. Toen de AKP in 2002 voor het eerst de verkiezingen had gewonnen, voerde de partij democratische hervormingen door, perkte de macht van het leger in en zorgde ervoor dat de mensenrechten beter werden gerespecteerd. Het werd gezien als een hoopvol voorbeeld voor andere islamistische partijen.
Maar geleidelijk trok Erdogan steeds meer macht naar zich toe. De staatsmedia kwamen volledig in zijn handen en critici zette hij uit de regering, het leger en de rechterlijke macht. Liberalere leden van de AKP, zoals Abdullah Gül, een voormalige president, werden aan de kant gezet. Een mislukte coup in juli 2016 leidde tot een algehele zuivering. Tienduizenden vijanden, echte of vermeende, werden gearresteerd, onder wie ook journalisten. Maatschappelijke organisaties werden opgeheven, ambtenaren werden ontslagen, de toegang tot het internet werd deels geblokkeerd. In april kreeg de president na een referendum over de grondwet (waarbij volgens critici was gefraudeerd) nog meer macht.
Turkije is het tweede bewijsstuk voor hen die een zaak voorbereiden tegen schijnbaar gematigde islamisten. Egypte is het eerste bewijsstuk. Mohamed Morsi, de man van de Broederschap die president werd, bleek vanaf het begin tweedracht te zaaien. Aan het eind van het eerste jaar had hij verordonneerd dat hij niet gebonden was aan de rechtstaat. Hij drukte er een grondwet door die bij seculiere politici op veel weerstand stuitte en nam heel veel islamisten op in zijn regering. Tegen de tijd dat het leger een coup pleegde, stond het volk aan de kant van de militairen.
Sommige mensen betogen dat deze resultaten – het succes van de onverdraagzaamheid in Turkije, het falen van de onverdraagzaamheid in Egypte – voorspelbaar waren, onvermijdelijk zelfs. Maar het loont om naar de context te kijken. Voordat de AKP in Turkije ten tonele verscheen, waren al eerder vier islamistische partijen opgeheven ten gevolge van een coup of een gerechtelijk bevel. Toen de AKP aan de macht kwam, bleef die dreiging bestaan. Secularisten in het leger – onderdeel van de deep state, de staat binnen de staat – probeerden in 2007 de verkiezing van de presidentskandidaat van de partij te dwarsbomen. De hoofdaanklager van Turkije beschuldigde de AKP ervan antiseculier te zijn en het scheelde niet veel of hij had de partij verboden. Er volgden een heleboel andere politiek gemotiveerde aanvallen – en toen kwam de couppoging.
In Egypte zag de Broederschap zich geconfronteerd met een vergelijkbare deep state van militairen, rechters en bureaucraten. De politie weigerde op straat te patrouilleren, wat leidde tot een misdaadgolf. Werknemers van benzine- en elektriciteitsmaatschappijen zorgden ervoor dat de stroom uitviel en dat er een tekort aan brandstof was. Rechters die waren aangesteld door Morsi’s voorganger verklaarden de uitslag van een verkiezing ongeldig.
Die uitdagingen zijn geen excuus voor het autoritaire gedrag van Morsi en Erdogan. Maar misschien vormen ze wel een betere verklaring voor dat gedrag dan het veronderstelde onverdraagzame karakter van hun ideologie. ‘Islamistische partijen hebben de neiging zich aan te passen aan hun politieke omgeving’, legt Marc Lynch van The George Washington University uit. De angst dat secularisten zouden proberen hun regering te ondermijnen overtuigde islamisten ervan dat ze zo veel mogelijk macht naar zich toe moesten zien te trekken; het gebrek aan diepgewortelde democratische tradities maakte het er niet beter op. Volgens Akyol ligt het probleem van de AKP niet bij het feit dat de partij te islamistisch is, maar te Turks.
De toename van op de sharia gebaseerde verordeningen is grotendeels het resultaat van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen
Elders nemen islamistische partijen nog steeds deel aan verkiezingen. De afdelingen van de Broederschap in Jordanië en Koeweit hebben het vorig jaar bij de parlementsverkiezingen na jaren van repressie relatief goed gedaan. Een spin-off van de Broederschap, de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD), heeft de laatste twee parlementsverkiezingen in Marokko gewonnen en leidt de huidige regering. Buiten de regio van de Broederschap zijn islamistische partijen actief in Indonesië, Maleisië en Pakistan. Het idee dat al die partijen Banna’s langetermijnplanning uitvoeren kan niet echt weerlegd worden, maar het is in elk geval ook mogelijk dat het in een omgeving die autoritair leiderschap niet stimuleert, geen noodzakelijke ontwikkeling is. Op bijna alle plekken waar islamisten politiek actief zijn, is er een grens aan hoeveel macht ze kunnen vergaren. De monarch is uiteindelijk de baas in Marokko, Jordanië en Koeweit.
Aan de andere kant hoeven islamisten niet per se nationale verkiezingen te winnen om een onverdraagzame impact te hebben. In Indonesië, een seculiere democratie, is bij de nationale parlementsverkiezingen op geen enkele zuiver religieuze partij meer dan acht procent van de stemmen uitgebracht, ook al is de meerderheid van het land islamitisch. Maar lokaal gekozen islamisten hebben meer dan vierhonderd op het islamitische recht gebaseerde verordeningen uitgevaardigd sinds de regio’s van het land in 1999 meer autonomie hadden gekregen. In de provincie Atjeh is alcohol verboden, bestaan er kledingvoorschriften voor de vrouw en worden overspel en homoseksualiteit bestraft met zweepslagen.
Het misschien wel meest verontrustende blijk van de macht van de islamistische minderheid deed zich voor in april, toen een populaire christelijke ambtsdrager, Basuki Tjahaja Purnama, beter bekend als Ahok, de strijd om het gouverneurschap in Jakarta verloor.
Islamistische aanhangers van zijn opponent, Anies Baswedan, hielden islamitische kiezers voor dat het haram (verboden door de islam) was om op een christen te stemmen. Toen Ahok die bewering met een citaat uit de Koran probeerde te weerleggen, hadden islamisten een filmpje gemaakt waarin het net leek alsof hij het heilige boek beledigde. Hij werd aangeklaagd wegens blasfemie, verloor de verkiezingen en zit nu in de gevangenis.
De situatie in Indonesië laat zien dat democratische processen de macht van een onverdraagzame minderheid kunnen vergroten. Een onderzoek uitgevoerd door het Centre for the Study of Islam and Society, een denktank in Jakarta, toonde aan dat de toename van op de sharia gebaseerde verordeningen grotendeels het resultaat was van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen.
Steun aan islamistische wetten, ongeacht welke partij die opstelt, is wijdverspreid in islamitische landen. In Egypte laten opiniepeilingen zien dat een meerderheid achter wetten staat die gebaseerd zijn op de sharia, achter straffen uit de Koran en de bevoegdheid van geestelijken om wetten op te stellen. Maar dat is niet echt een kenmerk van de regeringspolitiek van de AKP in Turkije. De partij heeft meer moskeeën gebouwd en religieuze scholen geopend, de verkoop van alcohol aan banden gelegd en het verbod op de hidjab opgeheven. Maar de AKP heeft alcohol niet verboden en geen kledingvoorschriften ingevoerd. Eigenlijk lijkt de partij vaker de islam te gebruiken ten dienste van de politiek dan andersom.
Het is voor liberalen een verontrustende gedachte dat islamisten ook vanuit een minderheid bepalingen kunnen doordrukken. Maar dat is uiteindelijk een gevaar dat alle democratieën bedreigt en dat in een sterke democratie bestreden kan worden. Vandaar de overtuiging van sommige analytici dat verkiezingen en niet het liberalisme het belangrijkst zijn: een onvrije democratie is de voorloper van een vrije democratie. In voorheen autoritaire landen moet democratie de tijd krijgen om te wortelen en sterker te worden. De secularisten die in 2013 hebben geprobeerd de Broederschap uit de macht te ontzetten hebben dergelijke argumenten vaak gehoord. Alles wat Morsi deed, zo luidde het pleidooi, zou in de toekomst door seculierdere regeringen ongedaan gemaakt kunnen worden.
Tunesië
Als je dat serieus neemt, vertrouw je erop dat islamisten verkiezingen zullen houden als ze aan de macht zijn. Het schoolvoorbeeld hiervan is Tunesië. Veel leden van de Ennahda dromen van het stichten van een islamitische staat in het land, met sharia en al. Maar in het algemeen heeft de beweging, die is gesticht en nog steeds wordt geleid door Rashid Al-Ghannushi, zich gematigd opgesteld en een zeldzame bereidheid tot het sluiten van compromissen aan de dag gelegd.
Ennahda had geleden onder tientallen jaren dictatuur van Zine El Abidine Ben Ali, die de beweging had verboden. Toen Ben Ali in 2011 ten val was gebracht, kreeg een partij die door de beweging was opgericht bij de eerste vrije verkiezingen van Tunesië een meerderheid in het parlement. Maar in de regering hadden ze minder succes, de partij wist de bevolking van zich te vervreemden en velen stonden sceptisch tegenover de islamisten. Het deed er ook geen goed aan dat in 2013 ultraconservatieve moslims twee linkse politici vermoordden.
Het verzet tegen de Ennahda-regering mondde uit in heftige demonstraties die het fragiele democratische proces dreigden te verstoren. Maar in plaats van zich in te graven, zoals de Broederschap deed in Egypte, koos Ennahda ervoor om wat terrein prijs te geven (vooral na de coup in Egypte). Bij onderhandelingen over een nieuwe grondwet nam de partij liberale adviezen over, zoals de vrijheid van godsdienst. Ennahda droeg in januari 2014 de macht over aan een regering van technocraten. Ennahda verloor de volgende verkiezingen van Nidaa Tounes, een secularistische partij die speciaal was opgericht om de islamisten te verslaan. Ghannushi sloot meteen een verbond (en vriendschap) met Beji Caid Essebsi, de oprichter van de nieuwe partij. Sindsdien is Nidaa Tounes verdeeld, maar Ennahda heeft haar voordeel als grootste partij in het parlement niet uitgebuit. ‘In deze overgangssituatie hebben we behoefte aan een brede consensus,’ aldus Ghannushi.
Moslimdemocraten
Volgens Ghannushi is Ennahda geen islamistische partij, maar een partij van ‘moslimdemocraten’, vergelijkbaar met Europese christendemocratische partijen. De beweging heeft de politieke partij gesplitst van de religieuze tak, die nu enkel verantwoordelijk is voor dawah (bekeren en prediken). De politici mogen geen toespraken houden in een moskee; geestelijken mogen de partij niet leiden.
‘Ennahda put nog steeds haar inspiratie uit de islam,’ zegt Ghannushi, ‘maar de aanwezigheid van religie in de maatschappij is niet iets waar de staat over beslist of wat de staat regelt.’ Het moet een verschijnsel zijn dat van onderaf komt, en met een gekozen parlement vormt de plaats van religie in het parlement een afspiegeling van de mate waarin deze in de maatschappij een rol speelt. Secularisten en liberalen hebben lange tijd gehoopt dat het merendeel van de islamisten dat pad zouden volgen. In wezen hopen ze dat islamisten, die lang een protestbeweging waren, minder islamistisch worden als ze worden geconfronteerd met de werkelijkheid van de macht. Dat werpt andere vragen op. ‘Als islamistische partijen hun islamisme moeten opgeven zodra ze zijn gekozen (…) dan staat dat haaks op het wezen van de democratie: de idee dat regeringen ontvankelijk zijn voor, of zich ten minste aanpassen aan de wensen van het volk’, schrijft Hamid.
Conservatievere leden van Ennahda zijn niet gelukkig met de weg die de beweging heeft ingeslagen. Anderen twijfelen aan de oprechtheid van Ennahda, omdat ze menen dat angst voor repressie en opstand het belangrijkste motief voor hun matiging is – met andere woorden, dat hun handelen zuiver tactisch is. ‘We krijgen van alle kanten ervan langs,’ aldus Ghannushi.
Net als de ondergang van het islamisme in Egypte wordt de positievere ontwikkeling van het islamisme in Tunesië grotendeels bepaald door de context. Anders dan Egypte en Turkije heeft Tunesië geen sterk en gepolitiseerd leger. En waar de staatsrepressie in het Egypte van voor de revolutie de Broederschap lijkt te hebben verhard, zorgde die in Tunesië ervoor dat leden van Ennahda, die een cel deelden met andere oppositieleiders, een liberaler wereldbeeld ontwikkelden. De unieke uitdagingen waar het islamisme in ieder land mee werd geconfronteerd bepaalden ontegenzeggelijk de ontwikkeling ervan.
Vertaler: Paul Bruijn
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.
Islam El Shehaby, de Egyptische judoka die op de Olympische Spelen weigerde zijn Israëlische tegenstander de hand te schudden, kreeg ook in eigen land veel kritiek. Maar volgens schrijver Nael El Toukhy is zijn gedrag onderdeel van een groter probleem.
Er werd in Egypte heel wat gedebatteerd over de nederlaag van de Egyptische judoka Islam El Shehaby tegen zijn Israëlische tegenstander Or Sasson, en de weigering van de verliezer om zijn opponent daarna de hand te schudden. Zowel Shehaby’s critici als zijn verdedigers voelden zich beschaamd. Niemand zag hem als een held die geprezen moest worden. Velen vielen hem aan en weinigen sympathiseerden met hem. Op zijn best riep Shehaby medelijden op.
Ook ik had medelijden met Shehaby. Ik was het niet eens met de buitensporige aanvallen op hem, omdat ik hem als een slachtoffer van de maatschappij beschouw. Zijn gedrag geeft alleen maar aan dat er een probleem is, dat overdacht en opgelost moet worden. Er dringt zich een simpele en logische vraag op: wat doe ik als ik Israëli’s in het buitenland tegenkom? Negeer ik ze? Moet ik ze een klap geven? Moet ik me normaal gedragen? Wat zou ik doen als ik in het buitenland een Israëlische buurman had die me goedemorgen wenste?
Welnu, de meeste Egyptenaren die elders wonen, zouden goedemorgen terugzeggen tegen een Israëli, zoals tegen alle anderen, omdat mensen nu eenmaal zo met elkaar omgaan.
Wie het licht durft aan te doen zegt: “Zo ziet het spook eruit”, wordt ervan beschuldigd de vijand menselijk te maken
De nationalistische krachten in Egypte, die bestaan uit invloedrijke personen uit de film- en tv-wereld, plus minder invloedrijke nasseristen en linkse figuren, weten dit ook wel. Maar ze willen niet luisteren naar de vraag: ‘Wat zou jij in mijn plaats doen?’ omdat die vraag de nationalistische positie op losse schroeven zet.
Als de vraag wel wordt gesteld, gebruiken de nationalisten soms Egyptische martelaren als emotioneel chantagemiddel, als substituut voor een discussie gebaseerd op logica en collectief denken. Dit lijkt een beetje op het inzetten van Holocaustslachtoffers om mensen die wijzen naar zionistische misdaden het zwijgen op te leggen. Het debat stokt en vragen blijven onbeantwoord.
Als het om Israël gaat, neemt het gros van de bevolking een totaal ander standpunt in dan de nationalisten. De meerderheid van de Egyptenaren heeft niets tegen een normalisatie van de betrekkingen met Israël. De elite heeft daar geen antwoord op, behalve dat ze mensen bang maken voor Israëli’s.
De Egyptische elite maakt het volk bang voor de Israëli’s omdat ze er zelf bang voor zijn, en dat komt omdat ze er niets van afweten. Wij vechten tegen een vijand van wie we niets weten, een spook in een kamer. Wie het licht durft aan te doen zegt: ‘Zo ziet het spook eruit’, wordt ervan beschuldigd de vijand menselijk te maken.
Wat wordt er eigenlijk bedoeld met ‘normalisatie’? Volgens de ‘Campaign to Boycot supporters of Israel in Lebanon’ verwijst normalisatie naar deelneming aan elke activiteit die Arabieren en Israëli’s samenbrengt. Dit is van toepassing op alle vormen van wetenschappelijke, professionele, artistieke, feministische of jongerenactiviteit.
Israël is een onmisbare bondgenoot geworden in de oorlog tegen IS in de Sinaï. De vrede wordt steeds warmer, en ondertussen blijven Egyptenaren bang voor Israëli’s om onzinnige redenen.
Het normalisatiedebat wordt pas geopend als iemand normaliseert. Het document waaraan hierboven wordt gerefereerd, is alleen geschreven omdat de in Libanon geboren Franse romancier Amin Maalouf een interview gaf aan een Israëlisch tv-station.
Als iemand normaliseert – door Israël te bezoeken, zijn of haar werk te vertalen in het Hebreeuws of in de Israëlische media te verschijnen – staan intellectuelen tegen hem of haar op, en daarna staan andere intellectuelen weer op tegen die eersten. Beide partijen zijn niet echt geïnteresseerd in normalisatie, zoals bewezen wordt door het feit dat hun debat alleen oplaait als zich een incident heeft voorgedaan. Als ze tijd over hebben, besteden ze die niet aan het nadenken over de aard en de grenzen van normalisatie. De kwestie van normalisatie wordt altijd uitgesteld tot een gebeurtenis ons dwingt haar aan de orde te stellen, en als die zich voordoet, is er geen plaats voor een kalm gesprek, alleen voor hysterie, want we zitten midden in een crisis.
Dit is het moment waarop het nationalistische discours zich als mislukt moet verklaren
Het opvallende is: in de twee of drie jaar na de revolutie van 25 januari 2011 hoorde ik geen enkele beschuldiging van normalisatie. We hadden net een revolutie doorgemaakt, waren trots op onszelf en trots op het feit dat we Egyptenaren waren. We meenden dat we in opstand konden komen tegen de wereld. In dat jaar namen nationalistische gevoelens in Egypte en andere Arabische landen toe. Dat zal moeilijk te begrijpen zijn voor de vijanden van de Arabische lente, de kinderen van Bashar al-Assad en Gamal Abdel Nasser.
Omdat het nationalistische debat saai is en gevoeligheid ontbeert, durven dagelijks hoe langer hoe meer Egyptenaren te verklaren dat ze het Arabisch-Israëlische conflict niet begrijpen, en vragen ze zich af waarom Israël toch zo slecht is. Dit is het moment waarop het nationalistische discours zich als mislukt moet verklaren, of op zijn minst moet erkennen dat er diepe scheuren zitten in de muren die zijn opgetrokken tegen mensen die Israël niet als vijand beschouwen en die niet alleen Palestijnen zien op hun kaart van het Midden-Oosten.
Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.
Saoedi-Arabië stak al honderd miljard dollar in het financieren van islamitische instellingen – ook in Nederland. Helpen die mee aan de verspreiding van het islamisme?
JA
De Saoedische koningen hebben met de wahabieten – aanhangers van een puriteinse, intolerante interpretatie van de islam – een faustiaans pact gesloten dat heeft geleid tot de grootste religieuze campagne in de geschiedenis. Naar schatting heeft Saoedi-Arabië honderd miljard dollar besteed aan de financiering van islamitische culturele instellingen overal ter wereld en aan het aanknopen van nauwe banden met niet-wahabitische moslimleiders en geheime diensten in diverse islamitische landen. Zo kreeg het wahabisme in de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn plaats in de wereldwijde moslimgemeenschap en ontstonden er allerlei islamistische bewegingen en organisaties. De beïnvloedingscampagne – niet los te zien van de strijd om de macht met Iran – heeft resultaat gehad, vooral in landen als Maleisië, Indonesië, Bangladesh en Pakistan, waar het religieus sektarisme en de opstelling tegenover minderheden en tegenover Iran steeds harder wordt.
De Saoedi’s hebben het wahabisme gebruikt om het Arabisch nationalisme en de Iraanse revolutie tegen te werken. Maar bij de door hen gefinancierde instellingen stonden anderen aan het roer, vaak met eigen agenda’s, zoals de Moslimbroeders, nog militantere islamisten of zelfs jihadisten. Met hun campagne kwam de geest uit de fles.
In westerse politieke en inlichtingenkringen heerst de onuitgesproken mening dat de crisis in Syrië deels is veroorzaakt doordat de internationale gemeenschap Saoedi-Arabië zijn gang heeft laten gaan
Toen bleek dat de meeste aanslagplegers van 11 september uit Saoedi-Arabië kwamen, werden er kritische blikken op het land gericht. Maar de Saoedi’s hadden niet verwacht dat de kritiek zich zou richten op het wahabisme en het salafisme zelf. Twee grote Nederlandse politieke partijen hebben hun regering onlangs gevraagd of er een verbod mogelijk is op wahabitische of salafistische organisaties en opleidingen die vanuit Saoedi-Arabië of Koeweit worden gefinancierd.
De Duitse onderkanselier Sigmar Gabriel beschuldigde Saoedi-Arabië er vorig jaar van moskeeën en gevaarlijke extremistische groeperingen te financieren en zei dat het daarmee moest stoppen. ‘We moeten de Saoedi’s duidelijk maken dat de tijd van wegkijken voorbij is. Saoedi-Arabië financiert overal ter wereld wahabitische moskeeën. Heel wat islamisten uit zulke gemeenschappen komen naar Duitsland,’ zei hij.
Een teken van de veranderende houding tegenover het Saoedische religieuze sektarisme is dat in westerse politieke en inlichtingenkringen de onuitgesproken mening heerst dat de crisis in Syrië deels is veroorzaakt doordat de internationale gemeenschap Saoedi-Arabië zijn gang heeft laten gaan bij de verspreiding van het wahabisme.
Kortom, de complexe relatie tussen de Saoedi’s en het wahabisme leidt tot politieke dilemma’s en compliceert de relaties met de VS en de opstelling tegenover Syrië, IS en Jemen.
James M. Dorsey (rechts op de foto) is senior fellow aan de S. Rajaratnam School of International Studies in Singapore. Ook is hij columnist en auteur van het blog The Turbulent World of Middle East Soccer.
De meest gelezen Engelstalige krant in Zuidoost-Azië. In die regio geniet het dagblad een invloedrijke status. Schurkt tegen de Singaporese overheid aan maar staat garant voor goede analyses.
NEE
Al decennialang loopt er een polemiek over de wereldwijde steun van Saoedi-Arabië aan de salafisten. Dankzij de opkomst van IS is dit debat nu weer uiterst actueel. Maar meestal lopen daarbij nogal wat zaken door elkaar. Je kunt Saoedi-Arabië niet gelijkstellen met het salafisme, ook al is dat in het land sterk aanwezig. Net zomin als je het salafisme gelijk kunt stellen aan het jihadisme. Er is inderdaad een tak die de wapens tegen de leiders wil opnemen. Maar er is ook een tak die de politieke autoriteit absoluut niet ter discussie wil stellen.
Ook wordt vaak gezegd dat het salafisme voor Saoedi-Arabië een soft power is en richting geeft aan zijn politieke allianties. Maar Saoedi-Arabië gaf en geeft nog steeds steun aan neutrale prominenten en instellingen. Zoals aan Abdullah Saleh in Jemen, aan Rafik Hariri in Libanon tot 2005 en aan de politieke partij die nu wordt geleid door diens zoon Saad Hariri, aan Iyad Allawi in Irak, en aan het leger [van Al-Sisi] in Egypte.
Wat er over de hele moslimwereld is geëxporteerd, is niet salafistisch of wahabitisch, maar een mix van het militante islamisme van de Moslimbroederschap en het salafisme
Het salafisme is voor Saoedi-Arabië nooit een politieke soft power geweest zoals het sjiisme is voor Iran. Want dat laatste eist trouw aan de Iraanse leider Ali Khamenei.
Overigens is de Saoedische islam heel breed; er zijn soennitische hanbalisten, hanafieten, malekieten, sjafeieten en ook sjiieten. Maar belangrijker is: het jihadisme is niet zozeer een product van het salafisme als wel van het samengaan van het salafisme en de in Egypte ontstane Moslimbroederschap. Wat er over de hele moslimwereld is geëxporteerd, is niet salafistisch of wahabitisch, maar een mix van het militante islamisme van de Moslimbroederschap en het salafisme. En juist die heeft steun gekregen van religieuze leiders en vooraanstaande zakenlieden in diverse Golfstaten, maar ook van theoretici in vele andere moslimlanden.
De verschillen met het traditionele salafisme in Saoedi-Arabië zijn vooral politiek van aard. Het traditionele salafisme wantrouwt de overheid, maar keert zich er niet tegen. Het kan kritiek hebben op de leiders, maar zal nooit de wapens tegen hen opnemen en predikt juist gehoorzaamheid aan de politieke autoriteit. Kortom, het is apolitiek.
Daartegenover staat het activistische islamisme dat juist zeer politiek is. Het predikt ‘het rijk Gods’, een concept dat ver van Saoedi-Arabië is uitgedacht door Maududi in Pakistan en Said Qutb in Egypte.
En moet ik nog zeggen dat wereldwijd het activistische islamisme dat daaruit is voortgekomen, zich sinds de Golfoorlog tegen Saoedi-Arabië heeft gekeerd?
Auteur: Badr Al-Rached
Vertaler: Tess Visser
Badr Al-Rached (links op de foto) is de Saoedische correspondent van Al-Arabi Al-Jadid. Hij publiceerde onder meer in Al Monitor en Al-Hayat. Ook was hij redacteur bij Al-Ekhbariya TV en Qawafil magazine.
Opgericht in Londen, gefinancierd door Qatar. De nieuwssite wordt geleid door Azmi Bishara, een Palestijnse academicus, en vertrouweling van de Emir Sheikh Tamim bin Hamad al-Thani.
Eeuwenlang verbaasden Europeanen zich over de tolerantie van de moslimwereld voor homoseksualiteit. Hoe kan het dat de situatie tegenwoordig omgekeerd is?
Van 1826 tot 1831 woonde de Egyptische intellectueel Rifa’a al-Tahtawi in Parijs. Weer terug in Egypte schreef hij een boek over de Franse en Europese zeden en gewoonten. Het ging onder andere over het patriottisme van de Fransen, over hoe ze aten en zich vermaakten. En hij besteedde vooral veel aandacht aan iets wat in zijn ogen heel vreemd was: Europeanen hielden alleen van vrouwen.
Hij verbaasde zich erover dat Europeanen zich niet tot jonge jongens aangetrokken voelden en dat, in tegenstelling tot de dichters in zijn eigen land, ze beslist geen gedichten aan hun schoonheid wilden wijden, ‘en dat gaat zelfs zo ver dat de Franse taal het mannen niet toelaat om te schrijven “Ik ben verliefd geworden op een jongen”, want dat is een absoluut vergrijp tegen de goede zeden. Ze roeren het onderwerp nooit aan in hun werk. En ieder gesprek hierover is taboe.’
‘Sodomitische neigingen’
In deze tijd lijken de observaties van Rifa’a al-Tahtawi misschien vreemd. Maar destijds verfoeiden Europese geleerden de moslimwereld vanwege de daarin heersende tolerantie tegenover homoseksualiteit. Zoiets was in de christelijke wereld ondenkbaar. Britse reizigers verklaarden dat de ‘sodomitische neigingen’ uit de Griekse Oudheid schering en inslag waren in Egypte en de Oriënt.
Inderdaad was het in het Ottomaanse Rijk van de achttiende eeuw niet moeilijk om boeken over seksualiteit te vinden die vol stonden met prenten van seksuele relaties tussen mannen. Het systeem van patronage, waarop het Ottomaanse politieke systeem berustte, was grotendeels gebaseerd op homo-erotische relaties.
Maar sinds enkele decennia geldt juist de moslimwereld als bij uitstek homofoob. En dat beeld klopt: LHBT’s [lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders] moeten in moslimlanden vrezen voor hun leven. En de situatie wordt er alleen maar slechter op in ‘seculiere’ landen als Egypte en natuurlijk ook in gebieden die in handen van IS zijn, waar mannen die als homo bekendstaan een wrede dood te wachten staat.
Het bloedbad in Orlando is een angstaanjagend teken dat de homohaat binnen fundamentalistische moslimgroeperingen momenteel escaleert. Door deze tragedie zal het gevoel van onveiligheid toenemen binnen de LHBT-gemeenschap, die vrijwel overal in de wereld al blootstaat aan fysieke bedreigingen. Maar dit bloedbad zal ook de islamofobie binnen de LHBT-gemeenschap aanjagen, en dat is in Europa al te merken.
Rifa’a al Tahtawi.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het klopt dat homoseksualiteit volgens de Koran strikt verboden is, maar dat geldt net zo goed voor de Wajikra [Leviticus] of de Brief van Paulus aan de Romeinen. En ondanks het Koranverbod zijn liefdes en seksuele relaties tussen mannen in islamitische culturen lange tijd heel gangbaar geweest.
In de veertiende eeuw noteerde de Egyptische geschiedschrijver al-Maqrizi dat ‘onder de Mamelukse leiders de liefde tussen mannen zo gewoon was dat de courtisanes zich uit frustratie als mannen verkleedden’. Toch verdient de terminologie wel precisering. De premoderne Arabische samenlevingen waren niet tolerant tegenover ‘homoseksuelen’. Het begrip ‘homoseksualiteit’ is pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in Europa opgedoken en bestond helemaal niet in de Arabisch-islamitische culturen. Affectie voor jongens werd getolereerd, maar mannen moesten wel met vrouwen trouwen en het bed met ze delen.
Waarom wordt homoseksualiteit dan nu in de moslimwereld als iets zeer schandaligs gezien? Sommige intellectuelen wijten dit aan westers imperialisme. Een van de aanhangers van deze hypothese is Joseph Massad (universiteit van Columbia). Volgens hem is het de ‘Gay Internationale’, zoals hij die noemt, die de westerse homoseksuele identiteit opdringt aan de oosterlingen die tot nu toe erotische afspraakjes met mannen in de privésfeer nooit als onderdeel van hun identiteit zagen.
Kortom, nationalistisch-islamitische bewegingen beschouwen homoseksualiteit als een westerse invloed en bestrijden ze om die reden. Als de Egyptische politie meer invallen doet op LHBT-feesten in Cairo, dan zijn die volgens Massad niet gericht tegen de seksuele praktijken daar, maar tegen de westerse homo-identiteit die geen ingang mag vinden.
De groeiende zichtbaarheid van de LHBT-gemeenschap roept ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie op die steeds gewelddadiger wordt
Veel Arabische homoseksuelen zien helemaal niets in deze redenering. In hun ogen idealiseren mensen als Massad de seksuele normen in de Arabische wereld van voor de ‘invasie’ van de westerse homoseksualiteit. Een voorbeeld hiervan komt van een Marokkaan die door professor Samir Ben-Layashi (universiteit van Tel Aviv) wordt geciteerd in een artikel dat in 2008 in Haaretz verscheen: ‘Het klopt dat het voor een Europese homo van in de zeventig niet moeilijk is om een relatie met een jongen uit Marrakesh te beginnen, maar zo’n jongen wordt niet per se als een gay gezien.’
Maar is dit alles relevant om de slachting in Orlando te duiden? Omar Mateen [de schutter in de homoclub in Orlando] was geboren en getogen in de Verenigde Staten. Verder kunnen we er niet omheen dat de groeiende zichtbaarheid in de publieke ruimte van de LHBT-gemeenschap ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie oproept die steeds gewelddadiger wordt, met name in Rusland, in sub-Saharaans Afrika, in Azië en in Oost-Europa. In de christelijke landen in sub-Saharaans Afrika wordt homoseksualiteit gehekeld als ‘anti-Afrikaans’ gedrag, opgelegd door de rijke noordelijke landen. Het lichaam van de homoseksuele mens, m/v, is een westers slagveld geworden.
Auteur: Ofri Ilani
Vertaler: Tess Visser
Auteur: Ofri Ilani
Beeld bovenaan: Homo-erotische foto uit de omgeving van Taormina, Sicilië, gemaakt in 1895 door Wilhelm von Gloeden.
Volgens de onafhankelijke nieuwswebsite Mada Masr verdient Sisi nog een kans. Het is beter om langzaam meer vrijheden te bevechten, dan in een burgeroorlog à la Syrië te belanden.
De nieuwe mobilisatie waarvan we getuige zijn laat zich samenvatten met de slogan ‘vrijheid, vrijheid’. Zeker, de aanleiding was de affaire rond de eilanden Tiran en Sanafir. Maar toen de betogers zeiden dat er nationaal grondgebied verdedigd diende te worden, ging het eerder om het verdedigen van de straat, waar men weer wilde kunnen lopen zonder gearresteerd te worden, of het voetbalstadion, waar men vrije toegang toe wilde hebben, of het stukje grond, dat men tegen speculanten wilden beschermen die samenspannen met een corrupte bureaucratie. Kortom, het ging minder om het verdedigen van de soevereiniteit van deze twee eilanden waarvan, om eerlijk te zijn, maar weinigen tot voor kort hadden gehoord, dan om de levensvrijheid op ons grondgebied.
Een Syrisch scenario
Ook al tonen degenen die het regime steunen tekenen van ontevredenheid, toch moeten die niet als revolutionair worden beschouwd. Want hun gehechtheid aan stabiliteit, hun angst voor de ineenstorting van de staat en hun vraagtekens bij het bestaan van een geloofwaardig alternatief zijn reëel en kunnen niet zomaar van tafel worden geveegd. De gemeenschappelijke sociologische belangen waarop het huidige regime stoelt zijn te belangrijk om niet serieus te worden genomen. Wanneer aanhangers van het regime vragen: ‘Wat is het alternatief dat jullie voorstellen?’, en wanneer ons gezegd wordt: ‘We willen geen Syrisch of Iraaks scenario’, dan moeten we die opmerkingen ter harte nemen. Anders dreigt het democratische kamp geïsoleerd te raken van de rest van de samenleving.
Sommigen begonnen al te dromen van een nieuwe revolutie. Ze zeiden dat het huidige regime verdeeld was en op het punt stond om te vallen. Maar er is niets ergers dan gokken op de interne verdeeldheid binnen het regime. Want daardoor worden de militanten tot eenvoudige instrumenten getransformeerd in handen van deze of gene machtsclan. Het werkelijke doel is momenteel om gewoon meer vrijheid te scheppen. En om gevangenen vrij te laten. De werkelijke strijd bestaat erin het regime ervan te overtuigen dat repressie een te zware wissel trekt.
Alle autoritaire regimes die Egypte heeft gekend, hoe repressief ze ook waren, hadden altijd een minimaal politiek doel voor ogen. Het huidige regime niet.
De demonstraties op maandag 25 april zijn verhinderd. De ordetroepen zijn erin geslaagd de optochten in de straten van Cairo uiteen te jagen, en in mindere mate ook in de provincie. De politie-interventie was krachtig, maar er zijn geen doden gevallen. Kortom, al met al konden de politiemensen hun missie als volbracht beschouwen, maar misschien hebben ze zich het volgende afgevraagd: ‘Goed, en wat gaan we nu doen, effendi?’ [‘Effendi’ is een Egyptische eretitel, half eerbiedig, half spottend.]
De veiligheidsdiensten hebben altijd een belangrijke rol gespeeld onder alle ondemocratische regimes die elkaar in Egypte zijn opgevolgd. Maar ze zijn nooit de enige machtsbasis geweest. De leiders hebben altijd gezorgd voor een politiek plan dat de meerderheid van de bevolking kon verleiden.
Ironie
Op die manier verwierf Gamal Abdel Nasser (president van 1952 tot 1970) steun bij de bevolking, hoe repressief zijn regime ook was. Hetzelfde gold voor zijn opvolger Anwar Al-Sadat (1970-1981). Vervolgens zorgde ook Hosni Moebarak (1981-2011) ervoor banden te onderhouden met de belangrijke en minder belangrijke families van het land. Hij beheerste bovendien de kunst de oppositie een zekere ruimte te laten.
De breuk voltrok zich tijdens de parlementsverkiezingen van november 2010, toen het regime plotseling besloot iedere vorm van onafhankelijke politieke meningsuiting te verbieden. Dat luidde het eind in van het regime, en het begin van de revolutie die Moebarak enkele maanden later zijn presidentschap zou kosten.
Het hebben van een politiek plan stelt de machthebber in staat zich minder op de ordetroepen te verlaten. Maar als de machthebber het politieke terrein verlaat, wordt de leegte opgevuld met grootscheepse repressie.
Op dit moment is er geen enkele figuur binnen het regime die met de jeugd kan praten
Op dit moment is er geen enkele figuur binnen het regime die met de jeugd kan praten. De enigen die nog uit naam van het huidige bewind spreken zijn demagogische journalisten die complottheorieën voeden. En de ironie van de geschiedenis wil dat terwijl de regeringsgezinde media de zogenaamde complotten van sommige andere landen aan de kaak stellen, het bewind zelf er prat op gaat steun van diezelfde landen te genieten.
Toen Nasser in de jaren 1950 zei dat de Verenigde Staten een complot tegen Egypte smeedden, ging hij tot het uiterste en verbrak alle bilaterale betrekkingen. Toen hij zei dat Europa een complot tegen ons smeedde, was hij bereid een oorlog te beginnen tegen Frankrijk en Groot-Brittannië tijdens de Suezcrisis in 1956. Maar het huidige bewind, dat niet in staat is te bewijzen dat het onschuldig is aan de dood van de Italiaanse student Giulio Regeni, weet niets beters te verzinnen dan deze zaak als een westers koloniaal complot af te schilderen!
Het zou een enorme vergissing zijn te geloven dat het volstaat om de openbare veiligheid van het land te bewaren. Want veiligheid is niet genoeg voor de presidentiële slogan ‘Leve Egypte!’.
Het eerste nummer van de ‘Hedendaagse Egyptenaar’ kwam in 2004 uit en koos de kant van de oppositie tegen het regime-Moebarak. De populaire krant is eigendom van een aantal zakenlieden. Sinds 2009 is er een Engelstalige website van dezelfde redactie: Egypt Independent.
Protesten in Cairo tegen president Sisi werden snel de kop ingedrukt. Maar uit de steun voor de demonstranten, de nerveuze reactie van het regime én de kritiek in de pers, blijkt dat er weer iets broeit in het land.
Begint het Egyptische regime van de kook te raken? Dat vragen de jongeren zich af na de golf van arrestaties, om niet te zeggen razzia’s, die enkele dagen voor 25 april plaats- vond in alle cafés in het centrum van Cairo waar jongeren tussen de achttien en dertig regelmatig komen.
De oproepen om te demonstreren op 25 april, de verjaardag van het vertrek van de laatste Israëlische soldaat uit de Sinaï, waren steeds talrijker geworden. Men wilde het regime ter verantwoording roepen voor het ‘verkwanselen’ van de eilanden Tiran en Sanafir in de Rode Zee, die waren teruggegeven aan Saoedi-Arabië. Deze datum was dus gekozen om het patriottisme van president Abdul Fatah al-Sisi, die daar in de drie jaar dat hij aan de macht is veelvuldig misbruik van heeft gemaakt, te overtreffen.
Volgens anonieme bronnen die werden geciteerd door de onafhankelijke krant Al-Shourouk had de president bevel gegeven alle betogingen te voorkomen. De officiële pers ontkende dit onmiddellijk. Maar zelfs een onafhankelijke krant zou zulke informatie nooit hebben durven publiceren zonder groen licht van een hoge instantie binnen het regime.
Volgens sommigen duidt dat op een ‘strijd om invloed tussen verschillende afdelingen van de veiligheidsdienst’, met name tussen de inlichtingendienst en het ministerie van Binnenlandse Zaken. Met andere woorden, een strijd achter gesloten deuren waarvan het grote publiek alleen de naschokken voelt.
Je hoefde maar een dikke bos haar, een Che Guevara-baard en een schoudertas met een laptop te hebben om in de ogen van de ordetroepen voor een gevaarlijke revolutionair door te gaan
Op vrijdag 22 april leefde de veiligheidsobsessie zich dus uit op het centrum van Cairo, en vervolgens op andere steden, met de arrestatie van iedereen die van revolutionaire sympathieën werd verdacht. Je hoefde alleen maar een dikke bos haar, een Che Guevara-baard en een schoudertas met een laptop te hebben om in de ogen van de ordetroepen voor een gevaarlijke revolutionair door te gaan.
De getuigenissen van degenen die naderhand zijn vrijgelaten komen op meerdere punten overeen: de politieagenten bekeken hun gezichten nauwkeurig om ‘revolutionaire neigingen’ te bespeuren en onderzochten hun mobiele telefoons op sporen van politiek activisme. Het confisqueren van mobiele telefoons om de virtuele publieke ruimte te reguleren, de laatste ruimte die rest om meningen uit te wisselen, staat symbool voor een autoritaire manier van handelen die sinds de jaren zestig gelijk is gebleven. Het Egyptische regime blijft geloven dat straatprotesten het werk zijn van een of andere ‘geheime cel’ (of een kwaadaardige vijfde colonne) en dat je slechts die hoeft te ontmaskeren om iedereen het zwijgen op te leggen. Daarom neemt de Egyptische staat wraak door tal van militanten in de gevangenis te zetten. Militanten die alleen maar het topje van de ijsberg zijn, want eigenlijk zou de staat volgens die redenering miljoenen Egyptenaren moeten arresteren.
Maar er gebeurt wel degelijk iets in Egypte. Iets redelijkers en minder onnozels dan in 2011, tijdens de ‘Egyptische Lente’. Iets wat minder van een groots revolutionair elan getuigt dan van de wil om de politieke obstakels te slechten. En hoewel de officiële pers volhardt, net als aan de vooravond van de revolutie in 2011, in het publiceren van officiële communiqués, blijven de sociale netwerken de repressie trotseren en de namen publiceren van gearresteerde personen, waar de officiële pers slechts spreekt van ‘de arrestatie van enkele verdachten’.
Begin 2013 opgericht om de gedachte van de Arabische Lente te verdedigen tegenover religieuze en militaire tirannie.
CONTEXT: Herrie binnen het regime
Deze crisis duidt op heftige conflicten binnen het regime. Dat wordt al duidelijk als je alleen maar kijkt naar de manier twaarop de media er verslag van doen. We weten dat alle media verbonden zijn aan een veiligheidsdienst binnen de staat. Dus als bekende journalisten van de gevestigde televisiekanalen iemand uitnodigen die de regering vrijwel van hoogverraad beschuldigt, betekent dat dat verschillende clans binnen het regime het elkaar moeilijk proberen te maken. Elke clan vecht om de gunsten van het publiek. Ook is duidelijk dat het land op een kruispunt is aangeland. Daar zal iets nieuws uit voortkomen. Sommige gezichten zullen van het toneel verdwijnen en andere zullen er terugkeren door alleen maar vanuit de coulissen aan de touwtjes te trekken en te wachten tot ze de vruchten van hun inspanningen kunnen plukken. Er broeit iets, dat is wel zeker. Wat niet zeker is, is hoe het kamp van de revolutie en de democraten daarvan zal profiteren.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.