Al decennialang verlaten Keralieten hun thuisland voor een baan in het Midden-Oosten. Het geld dat vanaf daar naar Kerala wordt gestuurd, tilde de Zuid-Indiase deelstaat uit de armoede. Maar door geopolitieke spanningen, zoals de oorlog met Iran, dreigen de vitale geldstromen dit jaar met een vijfde te krimpen.
In Kerala draait de belangrijkste olie-industrie om kokosnoten. Toch is de welvaart van de Zuid-Indiase deelstaat – bekend om zijn idyllische waterwegen, geurige keuken en ontspannen levensstijl – nauw verbonden met olie uit de Perzische Golf, die doorgaans via de Straat van Hormuz wordt vervoerd.
Sinds de olieboom in het Midden-Oosten een halve eeuw geleden begon, trekken inwoners van Kerala naar de Golfstaten om er te werken: eerst als schoonmakers en bouwvakkers, later als kantoormedewerkers, verpleegkundigen en verkopers. Inmiddels wonen naar schatting zo’n 1,7 miljoen Keralieten in de Golfregio, goed voor 5 procent van de bevolking van de deelstaat en bijna 11 procent van de beroepsbevolking.
Het oliegeld uit de Golf heeft Kerala ingrijpend veranderd. K.P. Kannan en K.S. Hari van het Centre for Development Studies, een Indiase denktank, berekenden dat geldzendingen uit de regio halverwege de jaren 2010 overeenkwamen met ongeveer een kwart van de economie van Kerala – meer dan de toegevoegde waarde van de industrie en de overheidsuitgaven samen.
Dat heeft de levensstandaard sterk verhoogd. De consumptie per inwoner ligt bijna driekwart hoger dan het Indiase gemiddelde. Volgens de Indiase maatstaf voor multidimensionale armoede leeft ongeveer een op de tien Indiërs in ernstige armoede; in Kerala komt dat nauwelijks nog voor.
Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker
Volgens sommige economen is rijk worden via industrialisering en export tegenwoordig moeilijker dan in de tijd dat dat gebeurde met Europa, Japan, Zuid-Korea en recent nog China industrialiseerden. Voor landen als India betekent groeien op de wereldmarkt vaak dat ze andere landen moeten verdringen. En als dat land China is, wordt dat bijzonder lastig.
Kan het exporteren van mensen in plaats van goederen, zoals Kerala doet, dan een alternatief model voor groei zijn?
Veel armere landen zijn afhankelijk van emigranten. Volgens de Wereldbank vormen geldzendingen uit het buitenland meer dan een vijfde van het nationale inkomen in Honduras, Libanon, Nepal en Tadzjikistan. In lage- en middeninkomenslanden samen zijn ze goed voor ongeveer een derde van alle kapitaalinstromen.
In Nepal zouden die geldzendingen de armoede tussen 2001 en 2011 met 40 procent hebben teruggedrongen. In Mexico droegen ze bij aan een daling van de kindersterfte. Het effect op economische groei is echter minder duidelijk. Een studie uit 2013 naar migratielanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika concludeerde dat een structurele stijging van 10 procent in geldzendingen per inwoner slechts leidde tot een groei van 0,13 procent van het bbp per hoofd van de bevolking. Recenter onderzoek uit 2022 kwam uit op een iets sterker, maar nog steeds bescheiden effect van 0,66 procent.
Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India
In een nieuwe studie ziet Charles Kenny van het Centre for Global Development in Washington vrijwel geen verband tussen de omvang van een diaspora en de groei van het bbp per inwoner. Emigratie kan immers zowel een gevolg zijn van zwakke economische groei, waardoor mensen vertrekken, als een oorzaak van economische vooruitgang.
Toch denkt Kenny dat emigratie onder bepaalde omstandigheden economische groei kan aanjagen. Alles hangt af van de neveneffecten van migratie. Die kunnen positief uitpakken als ze het kennisniveau in het land van herkomst verhogen én die kennis lokaal wordt benut. Maar ze kunnen ook exact die problemen in stand houden die mensen ertoe aanzetten te vertrekken.
Een recente studie in het Journal of Economic Perspectives van Gaurav Khanna onderzoekt migratiegolven vanuit Azië naar de Verenigde Staten. Volgens Khanna leidde dat in sommige gevallen eerder tot ‘brain circulation’ dan tot ‘brain drain’. Veel Indiërs behaalden bijvoorbeeld diploma’s in software-engineering in de hoop ooit in Silicon Valley te kunnen werken. Sommigen wonnen de migratieloterij en verhuisden naar San Francisco, maar veel anderen bleven in India.
Op afstand
Zo ontstond een nieuwe exportsector die niet langer volledig afhankelijk was van migratie, maar ook op afstand kon opereren vanuit steden als Bangalore. De Indiase IT-export is inmiddels goed voor meer dan 220 miljard dollar per jaar, aanzienlijk meer dan de 135 miljard dollar die India jaarlijks ontvangt aan geldzendingen uit het buitenland.
In Kerala lijken zulke neveneffecten beperkter. De deelstaat scoort beter dan de rest van India op geletterdheid en levensverwachting, dankzij relatief vooruitstrevend bestuur vóór de onafhankelijkheid en jarenlange investeringen van linkse regeringen in onderwijs en gezondheidszorg.
Maar potentiële investeerders worden afgeschrikt door diezelfde regeringen, vanwege hun anti-kapitalistische beleid en sterke vakbonden. Net als elders in India telt Kerala veel zorgmedewerkers die er niet in slaagden te emigreren, terwijl verpleegkundigen geregeld staken voor hogere lonen. Bedrijven hebben moeite salarissen te bieden die aansluiten bij de verwachtingen die zijn ontstaan door de hoge lonen in de Golfstaten.
Door de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar met 20 procent kunnen dalen
Daardoor vestigen bedrijven zich liever in ondernemingsvriendelijkere deelstaten zoals het naburige Tamil Nadu. Een groot deel van het geld uit de Golf gaat naar huizen en auto’s. Dat verhoogt de levensstandaard, maar niet per se de productiviteit. Investeringen in onderwijs, eveneens gefinancierd met geld uit de Golf, maken inwoners van Kerala weliswaar productiever, maar zolang lokale kansen schaars blijven, zullen veel hoogopgeleiden hun geluk in het buitenland blijven zoeken.
Het grootste nadeel van een economie die afhankelijk is van emigratie, is misschien wel dat haar succes grotendeels afhangt van factoren buiten de controle van het land zelf. Dat geldt tot op zekere hoogte voor elke economie. Maar producenten die in de ene markt tegen invoerheffingen aanlopen, kunnen vaak nog uitwijken naar een andere. Voor emigranten ligt dat moeilijker wanneer de economische of politieke omstandigheden in hun gastland veranderen.
Ook Kerala laat die kwetsbaarheid zien. Het aantal Keralieten in de Golf is de afgelopen jaren nauwelijks nog gegroeid, omdat landen in de regio bepaalde banen reserveren voor eigen burgers. Door de economische gevolgen van de oorlog met Iran zouden de geldzendingen dit jaar bovendien met 20 procent kunnen dalen.
Emigratie levert bijna altijd voordelen op voor migranten en hun families thuis. Maar economische groei baseren op migratie blijft riskant in een wereld die steeds meer wordt gekenmerkt door fragmentatie, protectionisme en conflict.
Netanyahu wil het plan van Trump ten uitvoer brengen
Een eerste plan dat maandag tijdens een vergadering werd gepresenteerd ‘omvat een uitgebreid steunpakket waarvan elke inwoner [van Gaza] (…) die vrijwillig naar een derde land wil emigreren, kan profiteren. Zo bevat het pakket speciale regelingen voor reizen over zee, door de lucht en over land’, verklaart het Israëlische ministerie van Defensie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Hoewel dit een complex initiatief is, waren de nieuwe stafchef van het Israëlische leger, Eyal Zamir, zijn inlichtingenchef Shlomi Binder en andere hoge legerfunctionarissen (…) vreemd genoeg niet aanwezig bij de vergadering,’ merkt The Jerusalem Post verbaasd op. Eerder op de dag verklaarde premier Benjamin Netanyahu dat hij ‘het naoorlogse plan van Donald Trump voor Gaza moest respecteren’.
Begin februari opperde de Amerikaanse president het idee dat de Verenigde Staten de controle over de Gazastrook zouden overnemen om het te herbouwen en om te toveren tot de ‘Côte d’Azur van het Midden-Oosten’. Hij herhaalde dat de inwoners van Gaza konden worden verplaatst naar Egypte en Jordanië. De twee landen hebben deze optie echter van de hand gewezen.
De deportatie van Indiërs was een van Trumps beloftes
Daler Singh (37) uit Punjab reisde zes maanden lang om de VS binnen te komen. Hij had er 45.000 dollar voor overgehad, maar drie weken na aankomst werd hij gedeporteerd. Hij is een van de honderdvier Indiërs – waaronder vijfentwintig vrouwen en kinderen van 4 tot 46 jaar – die afgelopen woensdag vanuit de VS naar India werden gedeporteerd. Dit was een van de campagnebeloftes van Trumps immigratiebeleid, schrijft The Independent.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Michael W. Banks, hoofd van de Amerikaanse grenspatrouille, plaatse op X een video waarin mannen met vastgeboeide benen een vliegtuig in worden geleid. ‘Deze missie onderstreept onze toewijding aan de handhaving van immigratiewetten en het garanderen van snelle uitzettingen.’ Singh vertelt: ‘Ze maakten onze boeien niet los, zelfs niet toen we aten.’
S. Jaishankar, minister van Buitenlandse Zaken, zei dat Indiase instanties harder gaan optreden tegen illegale emigratie. In de afgelopen zestien jaar zijn meer dan vijftienduizend Indiërs de VS uitgezet en naar India gedeporteerd, aldus de minister. Singh kon geen baan vinden in India, daarom moest zijn familie land en tractoren verkopen om de illegale reis te bekostigen. ‘Mijn dromen zijn ingestort,’ treurt Singh.
Opgegroeid in verschillende culturen met verschillende normen, raakte de Iraanse Dina Nayeri (1979) vaak in conflict met haar moeder. Nu haar dochter ouder wordt, begint ze hun relatie in een ander licht te zien.
We woonden in 2020, toen mijn dochter Elena vier was, korte tijd in Frankrijk. Op onze eerste dag, toen onze keuken nog vol stond met dozen, gingen we samen naar de McDonald’s. Ik vertelde haar dat die in Frankrijk ‘Le Macdo’ genoemd wordt. Ik zette haar op de toonbank en las haar de Franse menukaart voor, terwijl ze giechelend tegen me aan leunde. ‘Mama, de Fransen zijn zo grappig!’ Een paar weken later kwamen we een jongen van haar school tegen. ‘Coucou, Elena!’ zei hij. Ze zwaaide koeltjes naar hem en grijnsde toen naar mij. ‘Vind je dat niet grappig?’
Haar slinkse lach deed me denken aan de eerste keer dat ik zag hoe westerse families met elkaar omgingen. Ik was negen en we waren net gevlucht uit Iran, omdat mijn moeder zich tot het christendom had bekeerd – en dus een afvallige was. Mijn moeder, broer en ik hadden tot dan toe zonder verblijfsvergunning in onzekerheid in Dubai gewoond. Toen ons migrantenhostel onverwacht sloot, werden we opgenomen door een gezin van Australische missionarissen. We trokken ons op onze eerste avond in hun huis gedrieën terug in onze slaapkamer om het over hun gewoontes te hebben. We giechelden. We waren dankbaar dat we een comfortabele kamer en een bed hadden, maar de familie was in onze ogen zo vreemd.
Het was ook spannend om het gedrag van witte mensen onder de loep te nemen; die kans kregen we niet vaak. Mijn moeders ogen werden zo groot als schoteltjes toen het eten werd opgediend: we kregen plakken ham, koude groenten en wat restjes. Hun zoon Nathan, een jongen van mijn leeftijd, kreeg elke avond eerst even tijd voor zichzelf om daarna met veel omhaal door zijn beide ouders te worden toegestopt. We vonden het een bizar ritueel.
Ik had nog nooit tijd voor mezelf gekregen. Mijn moeder bemoeide zich altijd met mijn zaken. Ze had in het hostel in mijn bed geslapen. Dat de deur van Nathans slaapkamer dichtging, vond ik zo theatraal. Zo onnodig. Deden moeders in andere landen ook de deuren van hun kinderen dicht? Wachten ze ook geduldig af tot het heilige speelkwartier afgelopen was? Mijn moeder, mijn broer en ik verkeerden toen we net geëmigreerd waren in een permanente staat van verwondering en verbijstering. Alles wat die Engelsen deden vonden we vreemd. We klampten ons ’s avonds aan elkaar vast en giechelden erom tot ons lachen overging in huilen. Dan vielen we in elkaars armen in slaap. We wensten dat we hun humor op een dag zouden begrijpen, zodat we ontspannen bij ze aan tafel konden zitten.
Psychische grenzen
Vandaag de dag moet ik vaak weer aan Nathans gesloten slaapkamerdeur denken. Mijn moeder, mijn broer en ik leefden zo’n twintig jaar lang diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal. We leerden om van elkaar te houden in tijden van crisis, maar we werden slecht in alleen zijn, gemoedsrust voelen en elkaars privacy waarborgen. Er was haast geen ruimte voor individualiteit. Waar we ook waren – of we nu vastzaten in een vluchtelingenkamp, een luchthaven of een smerig appartement in Oklahoma – het was alsof we samenleefden in een oude, vertrouwde kamer, die volhing met wandtapijten en rook naar de maaltijden van thuis.
We grapten en huilden en vochten in die warme bunker. We schreeuwden dingen naar elkaar die we nooit tegen iemand anders zouden zeggen. We brachten ons trauma op lelijke manieren tot uiting en wisten dat we vergeven zouden worden. Onze bloedband zorgde ervoor dat geen enkele uitbarsting te ver zou gaan. Terwijl daarbuiten oorlog, chaos en ontheemding op ons wachtten, vulden we onze kamer met gezellige familiedrama’s. Het rumoer om ons heen ging met de jaren liggen en het werd vanbinnen donkerder en onrustiger. We werden groter, de lucht werd ranzig en mijn broer en ik vertrokken, de een na de ander, op zoek naar een nieuwe horizon en een nieuw gezin.
We kwamen enkele maanden nadat mijn partner, mijn dochter en ik in Frankrijk waren aangekomen een andere jongen van Elena’s school tegen. ‘Coucou, Benjamin!’ Deze keer initieerde Elena het contact en ze sprak zijn naam zo nasaal uit dat ik moest lachen. ‘Bah-Jamah.’ Het was alsof haar neustussenschot opeens scheef was gaan staan. Ze staarde me boos aan. ‘Houd op, mama!’ fluisterde ze. Ik kromp ineen. Elena’s francofonie werd steeds overtuigender. Iets wat ik nooit zou bereiken, omdat ik het verschil tussen ‘en’ en ‘an’ niet kon horen. Binnen de kortste keren zou ik de enige zijn die vond dat de Fransen zo dom, zo grappig zijn. ‘Houd op!’ fluisterde Elena telkens als ik Frans probeerde te spreken met haar vrienden.
We leefden diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal
‘Lach jij maar, jongedame,’ zei ik tegen haar, ‘maar dit is wel mijn derde taal.’ Die woorden brachten me plotseling weer terug naar mijn eerste huis in het zuiden van de Verenigde Staten. Een klein appartement waar mijn moeder, mijn broer en ik begonnen aan een lange klus: Amerikaans worden. Ik maakte grapjes over het Engels van mijn moeder en ze zei dan: ‘Lach maar, Khanom (jongedame), maar vergeet niet dat ik een Perzisch doktersdiploma heb.’ Ik dacht altijd dat ik tien jaar lang met mijn moeder in die warme, denkbeeldige kamer verbleef. Maar misschien heb ik haar daar al een jaar of twee na onze aankomst in Oklahoma achtergelaten, toen ik snel en doelbewust assimileerde en mijn accent op honderd subtiele manieren aanpaste die mijn moeder niet kon waarnemen.
Ik weet inmiddels dat de lekker ruikende kamer, die denkbeeldige, veilige ruimte die ik deelde met mijn broer en moeder, nooit echt veilig was voor een meisje. Het is niet de bedoeling dat een Iraanse dochter ooit vertrekt. Van een zoon wordt verwacht dat hij uiteindelijk het huis uitgaat, maar een dochter moet daarbinnen wegrotten. Ze mag nooit breken met haar moeders waarden, nooit trots zijn op een prestatie waarvoor haar moeder zich zou schamen. Ik realiseerde me dit in 2013. Ik was drie maanden ervoor gescheiden, voelde me eindelijk vrij in mijn mooie studio in de Lower East Side in New York. Twee mannelijke familieleden stelden toen voor dat mijn moeder en ik zouden gaan samenwonen, omdat we nu allebei alleen waren. Het kwam niet eens in hen op dat we privacy nodig zouden hebben.
Engelse therapeut
Mijn moeder en ik zitten nu, tien jaar later en met een oceaan tussen ons in, in onze keukens – ik in mijn Europese huurappartement, zij op haar Amerikaanse boerderij – en we praten via onze schermen, vergezeld door een Engelse therapeut. Het idee van alleen zijn met mijn moeder is beangstigend geworden, dus ik heb een compromis voorgesteld. ‘Dit is niet normaal,’ protesteert mijn moeder tegen mijn nieuwe grenzen: dat ik niet meer wil praten over wat ik schrijf, dat ik niet op religieuze preken zit te wachten, dat ik geen nachtmerries en paranoia meer accepteer (zoals familieleden ervan verdenken samen te zweren en bij elk beetje jeuk meteen bang zijn dat ze een hersenvliesontsteking heeft).
Maar wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder. In Iran zorgen dochters ervoor dat er tussen hen en hun moeders een illusie van hechtheid blijft bestaan, ook al is dat voor henzelf een last. Moeders hebben kritiek. Dochters luisteren. Dat is liefde, denk ik dan maar.
Mijn moeder heeft zich in de loop der jaren duizenden keren uitgesloofd om overheerlijke maaltijden voor me te maken. Ze heeft mijn spijkerbroeken ingenomen, mijn wenkbrauwen geëpileerd en me aan het lachen gemaakt. Maar ze heeft ook mijn expertise niet serieus genomen, me opgedragen mijn diploma onder dat van mijn ex-man te hangen, mijn partners zwartgemaakt en rivaliserende moederfiguren ervan beschuldigd me te hersenspoelen. Voor haar weegt dat allemaal bij lange na niet op tegen de maaltijden en het epileren. Het komt nooit in haar op dat ik recht heb op mijn eigen normen en waarden, of dat ik het beledigend vind dat ze me niet in staat acht om mijn eigen mening te vormen. Ik ben in haar ogen gewoon een dom kind dat gemanipuleerd wordt door slimmere mensen: door sluwe mannen of heksachtige, rivaliserende moeders.
Ze kunnen er niets aan doen, die overbezorgde, getraumatiseerde moeders
Wanneer ontheemde kinderen volwassen worden, verlangen ze ernaar weer normaal te zijn. We willen niet de hele tijd alles zorgvuldig hoeven af te wegen, niet alles fout doen. We willen dikke zware deuren die onze mentale kamers scheiden van die van onze ouders – enige afstand en tastbare grenzen tussen het heden en het verleden. Soms wordt dat verleden belichaamd door een ontroostbare, buitenlandse moeder, die altijd maar aanklopt en ons blijft uitnodigen.
Telkens als ik een harde grens afdwing, betrekt mijn moeders gezicht. Ze blijft terugkeren naar ons denkbeeldige toevluchtsoord, waar we gedrieën opgekruld tegen elkaar aan zaten. Ze wil dat haar kinderen ook weer een keer naar die bunker komen, om er samen een kopje thee te drinken en te lachen. Als ik een grap maak, denkt ze dat de deur misschien op een kiertje gaat. Haar ogen lichten op. Ik wil haar die warmte blijven geven, maar ik trek me, omdat ik gevaar bespeur, achter mijn eigen deur terug. Dus blijft ze weer alleen en verward achter.
Mijn moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen. Maar ons grootste conflict gaat hierover: mijn moeder heeft zich toen ik een puber was voortdurend beziggehouden met het bedekken van mijn lichaam en het corrigeren van mijn manieren. Ze maakte dat ik me ervoor schaamde vrouw te worden. Mijn beklemmende, religieuze opvoeding heeft een enorme invloed gehad op wat voor ouder ik wil zijn: ik doe er alles aan om ervoor te zorgen dat Elena zich niet veroordeeld voelt.
‘Weirdos, geen perfectos’
Mijn dochter, die nu zeven is, zei laatst tijdens het tv-kijken: ‘Nu gaan ze lekker zoenen.’ Ik wilde de vier seconden doorspoelen waarin er redelijk braaf gezoend werd, maar hield me in. Omdat ik haar deze vrijheid geef, deelt ze al haar diepste geheimen met me. Mijn moeder kromp toen ik een kind was ineen als televisiepersonages begonnen te flirten. Ze veranderde zelfs van zender. Als er in een programma gezoend werd, bestempelde mijn moeder het als verdorven en verbood ze ons ernaar te kijken. Ze zei dingen als: ‘Als je naar onchristelijke dingen kijkt, vertrouw ik je niet meer met de tv.’ Eerlijk is eerlijk: zij zou als kind geslagen en uit huis gezet zijn als ze romantische tv-series zou hebben gekeken.
Eén keer, toen ik twaalf was, snauwde mijn moeder me af omdat ik een smakeloze grap had gemaakt. Mijn borstkas verkrampte, waardoor ik me in mijn maaltijd verslikte. Ze vertelde later, om mijn schaamte te verzachten, iets wat haar als jong meisje in het Teheran van voor de revolutie was overkomen. Terwijl ze haar huiswerk aan het doen was, mompelde ze achteloos drie interessante woorden die ze op de televisie had gehoord. ‘Maria, Maagdelijke Moeder.’ Dat mantra leent zich in het Farsi, met de vele zachte m-klanken, goed voor gezang. Haar vader liep langs, hoorde haar mompelen, besefte wat ze zei en gaf haar een harde klap in haar gezicht. Een jongen was dat in deze situatie niet overkomen, in geen van onze generaties, en dat maakt me boos. Maar het verhaal doet me ook grinniken: mijn moeder hield zich als kind al bezig met de moeder van alle martelaren.
‘Laten we weirdos zijn, mama,’ zegt Elena soms terwijl ze vrolijk danst, ‘geen perfectos!’ Ze roept in het openbaar dingen als: ‘Mama, waar eindigt mijn vagina?’ Als een vreemde ons dan afkeurend aankijkt, staar ik terug en antwoord ik luid: ‘Je vagina is via je baarmoederhals verbonden aan je baarmoeder.’ Soms laat ik op mijn telefoon een medische tekening zien. En dan, wanneer ik denk dat ik me daardoor op de een of andere manier afzet tegen mijn moeder, bedenk ik me plotseling dat zij in Iran gynaecoloog is geweest. Dat ze me ditzelfde diagram heeft laten zien. Ze heeft dan wel geprobeerd om me af te zonderen en me voor de wereld te verstoppen, zoals Iraanse moeders dat doen, maar ze is ook een rationele, wetenschappelijke volwassene geweest, een dokter in een witte jas die voor haar plezier ingewikkelde wiskundige puzzels oploste. Mijn moeder deed aan magisch denken en hing religieuze dogma’s aan, maar ze had ook sterke armen en grote hersenen, en ik aanbad haar.
Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit
‘Normaal’ betekent in Iran dat er ruimte wordt overgelaten voor die tweeledigheid. Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit. Ze zijn loyaal en ze voeren een soort van toneelstukjes op voor hun moeders. Ze blijven in hun denkbeeldige kamers zitten, blijven doen alsof het logisch is dat westerlingen zo dom en zo grappig zijn. Ik ben blijkbaar geen goede Aziatische dochter meer.
Mijn moeder en ik hadden een aantal maanden geleden – voordat we de Engelse therapeut hadden gevonden – een uitputtend gesprek van twee uur lang. Mijn moeder noemde me toen terloops een concubine, omdat ik niet getrouwd ben. Ons hele project, onze poging tot verzoening, viel meteen in duigen. Ik sms’te een vriendin van me, die ook immigrant en schrijver is, om mijn beklag erover te doen.
‘Ze kunnen er niets aan doen! Die overbezorgde, getraumatiseerde moeders… Het is dus echt waar, we hebben allemaal dezelfde moeder!’ Mijn vriendin vindt dat we mild moeten zijn. Dat we voor onze moeders moeten doen alsof we trouwe Aziatische dochters zijn, steeds in gedachten houdend dat we daarna weer terug kunnen naar onze eigen veilige, feministische huizen. ‘De manier waarop zij zijn opgevoed was zoveel erger,’ benadrukt ze. ‘Besef wat voor culturele bullshit zij van hun moeders hebben meegekregen. Daarvan geven ze zo weinig door aan ons… zoveel minder dan wat zij hebben gekregen.’ Het is waar, onze moeders hebben een opvoeding gehad die wij ons niet kunnen voorstellen. Pakken slaag en lange stiltes, body shaming, schaamte rondom seksualiteit, slopende werkzaamheden.
Mijn moeder heeft koude nachten in de gevangenis moeten doorbrengen. Ze heeft haar twee kinderen mee uit huis gesleurd en een nieuw leven opgebouwd. De moeder van mijn moeder, die vorig jaar in Londen overleed, was een kindbruid in Teheran. Ze was dertien toen ze trouwde met een volwassen man – hij was gelukkig niet zestig, maar negentien, maar dat was een schrale troost voor een meisje dat geen enkele seksuele voorlichting had gehad toen ze het zelf moest ondergaan. Mijn grootmoeder wilde sindsdien niets meer weten van de Iraanse cultuur. Tot aan haar dood trok ze voor zichzelf harde, westerse grenzen. Ze wantrouwde Iraniërs in Londen.
Wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder
Ik vraag mijn vriendin, die zachtaardiger is dan ik, wat die Aziatische moeders toch van ons willen, waarom ze ons niet met rust kunnen laten. Ze antwoordt: ‘Ze willen dochters die hen, wanneer ze oud zijn, kunnen begrijpen en beschermen en vertalen.’ Want de wereld verandert. De regels van onze moeders leken misschien wat burgerlijk in de jaren negentig – typisch iets waar een cabaretier grappen over zou maken. Maar inmiddels zijn ze voor jongere generaties ondoorgrondelijk geworden.
Toch ben ik daar niet zo zeker van. Ik denk dat onze gebroken moeders, hoewel ze hun dochters onder de duim houden, voor hun kleinkinderen kunnen veranderen in de gezellige grootmoeders die je in films ziet. In grootmoeders die vreselijk misplaatste dingen zeggen, maar niet bedreigend zijn, zoals een dronken oom op een familiefeest. Mijn moeder en dochter giechelen samen over lippenstift en tekeningen van vogels. Wanneer Elena net zo danst als Lizzo, geniet mijn moeder met volle teugen. Het komt niet in haar op om Elena erop aan te spreken. We zijn alleen brutaal tegen de generaties direct boven en onder ons. Er is met een generatie die verder van ons verwijderd is genoeg afstand voor verwantschap, voor gelach, zelfs voor begrip.
‘De slechte situatie’
Ik geloofde mijn grootmoeder toen ze mijn grootvader een verkrachter noemde. Misschien kwam dat doordat ik zelf geen nauwe band met mijn grootvader had gehad. Ik woonde in de zomer waarin ik eenentwintig werd bij mijn oma in haar appartement in Londen. Als ik menstruatiepijn had – wat ze omschreef als ‘de slechte situatie’ – gaf ze me Kahlua en pistachenoten. Haar familie heeft altijd geweigerd de verkrachting te erkennen. Maar cijfers liegen niet. Mijn tante en moeder waren elf en negen jaar oud toen hun moeder vijfentwintig werd.
Mijn moeder en tante wisten dat ik, direct na mijn grootmoeders dood, haar verkrachting openlijk de wereld in zou slingeren. Dus braken ze vlak nadat ze overleden was bij haar thuis in. Ze verwijderden al haar digitale bestanden en verbrandden al haar papieren, met uitzondering van een paar van haar gedichten en zeven pagina’s onschuldige, maar geweldig rare, christelijke sciencefiction die ze had geschreven. Schreef ze die verhalen om terug te keren naar de kindertijd die haar ontnomen was? Mijn oma’s laatste woorden aan mij waren: ‘Ik ben mijn autobiografie aan het schrijven. Wil je me helpen?’ Zij had de eerste regel al geschreven: ‘Ik heb een heel korte jeugd gehad.’ Die eerste regel is alles wat er van haar over is.
Mijn moeder en ik trapten tot vorig jaar, toen mijn grootmoeder stierf en haar appartement geplunderd werd en haar nalatenschap vernietigd, nog wel eens lol samen. We assimileerden in de loop der jaren, wat ertoe leidde dat onze grappen vaker over de vreemde gewoontes van Iraniërs gingen dan over die van Amerikanen. Tijdens de pandemie was ik een kort verhaal aan het schrijven. Mijn moeder vertelde me verhalen uit haar jeugd. ‘We epileerden onze wenkbrauwen en zeiden tegen mensen dat ons haar was uitgevallen door een te traag werkende schildklier,’ vertelde ze, terwijl ze in haar vuistje lachte. ‘Alleen bij je wenkbrauwen?’ vroeg ik, giechelend. ‘Dus door een te traag werkende schildklier vielen zeker alleen de extra haren rondom jullie wenkbrauwen uit? Verder nergens?’ ‘Onze beenharen verdwenen daardoor ook,’ zei ze, en ik barstte in lachen uit. Een schildklierprobleem dat alleen ongewenst lichaamshaar aantast… Iraanser dan dat wordt het niet. ‘De grootmoeders geloofden het!’ Of ze lieten het maar voor wat het was. Of ze deden eraan mee.
Heel even, terwijl we theedronken en grappen maakten over de vrouwen van het Iraanse platteland, waande ik me weer in de veilige bunker die we met ons meedroegen toen we net gemigreerd waren. Die heilige ruimte van waaruit we andere mensen uitlachten om hun ijdelheid, om hun persoonlijke grenzen, om hun borden met vleeswaren.
Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan?
‘Ik denk dat er hier sprake is van intergenerationeel trauma,’ zei de therapeut tijdens onze tweede sessie. Er was dus meer aan de hand dan alleen een culturele kloof. Het is waar dat de vrouwen in onze familie gemigreerd zijn, mishandeld door mannen en een diepe, smeulende pijn voelen. Iedereen in mijn familie doet een beetje ongemakkelijk over seks. Nu denk ik dat dat niet alleen door de cultuur of de theocratie komt, maar ook door de verkrachtingen die mijn grootmoeder in haar kindertijd herhaaldelijk moest doorstaan en die door de gemeenschap werd goedgekeurd. Die misdaad is de reden dat wij allemaal ter wereld zijn gekomen.
Elena gilde het uit toen ik een keer rond bedtijd zei dat de deuren ’s nachts op slot moeten. ‘Vertel me geen enge dingen! Vertel me die pas als ik twintig ben!’ Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan? Of ben ik begonnen iets aan haar door te geven dat diepgeworteld en onvermijdelijk is?
Mijn moeder houdt echter vol dat onze problemen volledig te wijten zijn aan cultuurverschillen en botsende opvattingen over wat normaal is. ‘In mijn cultuur,’ zegt ze, ‘respecteer je je moeder. Je stelt niet zoveel muren op tussen jezelf en je moeder.’ Soms zegt ze precies wat ik denk: ‘We hadden toch een hechte band?’ Dan krijg ik een steen in mijn maag, omdat ik weet dat ik op een dag de privéruimte die ik met Elena deel zal kwijtraken. ‘Leg me eens uit,’ gaat mijn moeder verder, ‘op welke leeftijd moeders ophouden moeder te zijn.’ Ik heb geen idee, maar ik weet dat het onvermijdelijk is, dat mijn hart zal breken als ik ertegen vecht. Ik kan soms urenlang aan Elena’s nek ruiken. Ik gaf mijn moeder op de begrafenis van mijn oma met tegenzin een knuffel, en ze snoof hongerig aan mijn nek. Ik voelde me geschonden en verbijsterd, maar ik had ook met haar te doen. Ik rukte me snel los. Hoe meer ze me nodig had, hoe groter de kwelling. Ik begon na te denken over mezelf, over hoe ik over twintig jaar zou zijn. Zou ik me ook te stevig vastklampen aan mijn dochter?
‘Zien jullie twee wat jullie me nu aandoen?’ onderbreekt de Engelse therapeut ons, met de handen in het haar. Mijn moeder en ik hebben al een tijdje tegen elkaar zitten schreeuwen. We vallen stil. We hebben onszelf voor schut gezet ten overstaan van een witte vrouw. We hebben de gewoonte om terug te keren naar die chaotische dagen waarin elke uitbarsting vergeeflijk was. Nu hebben we het gezelschap van een Engelse vrouw nodig om ons netjes te gedragen. Hoewel we midden in een ruzie zitten, voel ik de drang om mijn moeder te vertalen tegenover de Europeaanse vrouw, want dat is mijn werk. Ik doe het al sinds ik klein ben, maar het is ook letterlijk mijn werk – ik schrijf over Iraniërs voor westerse lezers. Mijn moeder haat het dat ik openhartig schrijf over mijn onzekerheden of mislukkingen: ik onthul volgens haar te veel en doe af aan ons geromantiseerde vluchtelingenverhaal.
Interpretaties
De schrijver Matthew Salesses benadrukt in zijn werk vaak dat verhalen in verschillende culturen anders geïnterpreteerd worden. Hij schrijft dat een zin afhankelijk van de lezer anders begrepen wordt. ‘Ze wist honderd procent zeker dat ze hem haatte,’ kan bijvoorbeeld verschillende betekenissen hebben. Een westerse lezer zal ervan uitgaan dat de vrouw in kwestie tegen het einde van het verhaal van de man zal houden, of dat ze dat al doet. Diezelfde zin kan voor mijn grootmoeder betekenen dat de vrouw binnenkort gedwongen wordt met de man te trouwen. Dit is precies het soort zin waar mijn moeder en ik ruzie over maken. Als ik schrijf dat een fictieve Iraanse moeder een tekortkoming heeft, die later in het verhaal zou kunnen zorgen voor begrip of verbondenheid, zoekt mijn moeder er een belediging in. ‘Je vindt me gewoon een domme immigrant,’ zegt ze dan. Ik leg uit dat het saai is om alleen maar weerbaarheid en kracht te tonen, dat je op een andere plek moet beginnen dan waar je wilt eindigen. Imperfecte verhalen zijn interessanter, belonen meer dan mythische heldenverhalen. Falende personages zijn geliefder. Ze wuift het allemaal weg. Het is Amerikaanse onzin.
Mijn moeder vindt het angstaanjagend om in het bijzijn van westerlingen ontmaskerd te worden. Eerlijk schrijven, met mijn eigen stem, is voor mij genezend, vergelijkbaar met bidden. Mijn moeder slaat onze goede dagen op in haar geheugen. Ze maakt in haar hoofd onze kleren schoner en onze gezichten mooier; we lachen elkaar toe alsof we op een Hallmark-kaart staan. Ik sla diezelfde herinneringen op, maar dan wel met barsten en al. Wat ik het bewaren waard vind, verwerk ik in mijn schrijven. ‘Je hebt mijn dierbare herinnering verpest,’ zegt mijn moeder dan, als ze mijn werk leest. Maar waarom zouden we alleen maar misleidend geruststellende migrantenverhalen mogen vertellen? Waarom zouden we alleen maar stiekem blijven giechelen om borden vol met ham? Ik wil lezers uitnodigen om de wereld door mijn ogen te zien – het is niet mijn doel om er voor hen presentabel van af te komen.
Ik wil dat lezers inzicht krijgen in alle specifieke, schitterende manieren waarop we ons als eikels gedragen – ik vind dat dat gevierd moet worden. Laat ik eens beroep doen op het hiërarchisch denken dat in de Iraanse cultuur zo belangrijk is. Ik word door het Europese en Amerikaanse publiek betaald om over mijn gebreken te praten – geeft dat me niet juist een hogere status? Maakt dat me geen koningin, in plaats van een miserabel iemand?
Schijnvertoning
Ik heb vrienden die thuis de goede Aziatische dochter spelen. Ze veranderen in een afgevlakte versie van zichzelf, die onderdanig en lief is. Mijn moeder toonde haar respect voor haar eigen moeder, serveerde haar thee, zei ‘U’ tegen haar. Door het schrijven ben ik maar al te bewust geworden van deze schijnvertoningen. Ik heb altijd mezelf willen zijn, en als iemand van me eist dat ik een toneelstukje opvoer, ben ik gelijk weg. Ben ik mijn moeder – die veel onrecht heeft geleden – een geruststellend optreden verschuldigd, als dat ritueel voor mij schadelijk is?
We bespreken de dag dat mijn moeder me een ‘concubine’ noemde. Ze vraagt me rekening te houden met haar cultuur – te beseffen dat ze er niets aan kan doen. Ik moet denken aan hoe ik mezelf verdedig als ik mijn leerlingen niet met de juiste voornaamwoorden aanspreek. Ik wil elke keer dat ik stuntel zeggen: ‘Heb geduld met me. Ik ben het met je eens, maar zit nog vast in de gewoontes van een andere generatie. Ik doe mijn best.’ Ik wijs ze er soms op dat we in mijn moedertaal, het Farsi, überhaupt geen gendergebonden voornaamwoorden hebben. En dat ik alleen maar klungel, omdat ik veramerikaniseerd ben. Als ik mijn oorspronkelijke, Iraanse zelf was, zouden voornaamwoorden voor mij niet eens bestaan.
Mijn studenten zijn een mysterie voor me, net als ik dat voor mijn moeder ben. We stuntelen allebei in de dialecten die we hebben aangeleerd. Mijn moeder vraagt om het voordeel van de twijfel. Misschien moet ik het haar geven, omdat ik het ook verlang van mijn studenten, en omdat ik het op een dag van Elena zal moeten krijgen. We zijn allemaal op een bepaalde manier ontheemd, verdwaald in de tijd, de buitenlandse moeders van de volgende generatie.
Kinderen leren dat je intens van iemand kan houden zonder diegene te mogen
Ik denk terug aan vroeger en probeer vergevingsgezind te zijn. Ik herinner me hoe mijn moeder mijn wonden heeft verzorgd. Ze masseerde mijn spieren als ik thuiskwam van taekwondotraining. Ze belde me bijna elke avond tijdens mijn scheiding. Die telefoontjes waren voor mij een troost, omdat er toen een veilige afstand tussen ons was. Ze was in Thailand, als dappere Amerikaanse vrijwilligster van het Vredeskorps. Maar toen ze terugkeerde naar de VS verscheen ze ongevraagd aan mijn deur met zakjes thee en basmati en afgeprijsde pijnstillers, als de opdringerige Iraanse moeder die weer over mijn grenzen heen ging.
Soms, wanneer ik net enorme behoefte heb aan tijd met mijn dochter, duwt Elena me weg. Heb ik mijn moeder hetzelfde aangedaan? Ik ben vastgeroest in mijn perspectief, waardoor ik alleen nog maar kan zien wie mijn moeder in mijn tienerjaren was: een vrouw met steenkolenengels en een hooghartige houding, die erbij wilde horen, maar daar niet in slaagde. Misschien is het al genoeg om haar maar voor even te begrijpen. Om te weten dat ze (een beetje) gelijk heeft – want alles draait om taal en cultuur. Voor mij is ‘concubine’ een scheldwoord. Voor haar betekent het woord niets meer dan alle duizenden andere woorden die ze in haar leven heeft gezegd.
Nee zeggen
Mijn moeders cultuur schrijft voor dat jonge vrouwen dienstbaar zijn en zichzelf opofferen. Ik vroeg Elena een paar dagen geleden of ik een van haar frietjes mocht. Ze dacht erover na en zei toen: ‘Ik zou je graag een frietje geven, mama, maar het spijt me, ik denk dat ik ze allemaal zelf wil opeten.’ Ik lachte en probeerde te beslissen of dit het moment was om haar te leren delen, of om dankbaar te zijn dat mijn dochter weet hoe ze ‘nee’ moet zeggen.
Diep vanbinnen was ik opgelucht. Mijn god, dacht ik, het is me gelukt. Dit is mijn reactie op een generatie van opdringerige immigrantenmoeders die geloven in het dogma van een dochter die zichzelf totaal wegcijfert. Dat dogma hebben ze allemaal van hun moeders geleerd, en die op hun beurt weer van hun moeders. Mijn zachtaardige vriendin, die ook schrijft en Aziatisch is, stuurde een citaat naar me van de boeddhistische monnik Thích Nhất Hạnh. Onze talenten en onze fouten, zo schrijft Nhất Hạnh, hebben we allemaal geërfd. Ze zijn niet van ons. Mijn vriendin wil dat ik accepteer dat we niet veel van onze moeders verschillen. Ze wil dat ik door blijf vechten, beter leer vechten.
Veel kinderen leren als ze volwassen worden dat je intens van iemand kunt houden zonder diegene ook maar in de verste verte te mogen. We bereiden ons voor op het pijnlijke moment dat ook ons eigen kind dat onderscheid leert – en we hopen dat ze niet alleen van ons zullen houden, maar ons ook blijven mogen. Toch blijft de beangstigende mogelijkheid bestaan dat ze er niet eens bij zullen stilstaan en dat ze direct zullen besluiten dat alleen van ons houden meer dan genoeg is. Dus doen we hun slaapkamerdeur dicht en wachten we af. We proberen niet te luisteren naar hun speelrituelen en naar de grenzen die ze introduceren en die we op een dag zullen moeten respecteren.
Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam
Ik weet nu al dat ik Elena’s waarden op een dag niet meer zal kunnen doorgronden. Maar zal ik van haar verlangen dat ze tegen me liegt, zodat ik oud kan worden in een fantasiekamer? Ik rolde toen ik jonger was met mijn ogen als ik kinderen beleefdheid of zorgzaamheid zag veinzen om iets lekkers te krijgen. ‘Weet die moeder niet dat ze gemanipuleerd wordt?’ dacht ik dan. Nu, wanneer Elena een toneelstukje opvoert, is alleen al het feit dat ze de woorden uitspreekt voor mij genoeg. Haar optreden is een geschenk. Ik stel me voor hoe mijn dochter op haar dertigste liefde en toewijding uitdraagt en een lange zucht onderdrukt terwijl ik aan haar nek snuffel. En dan denk ik: ‘Weet je wat? Daar neem ik genoegen mee.’
Soms doe ik voor Elena ook alsof – de politieke geschillen van haar My Little Pony-eenhoorntjes interesseren me bijvoorbeeld eigenlijk vrij weinig. Dan moet ik denken aan alle keren dat mijn moeder zich voor mij probeerde te houden aan westerse grenzen. (Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam. Later was het te veel gevraagd om eerst op te bellen voordat ze me thuis kwam opzoeken. Maar af en toe vroeg ze me plechtig: ‘Is dit een goed moment?’) Ik veroordeelde haar, omdat ze zo stuntelig met die Amerikaanse grenzen omging. Ze hield het altijd vol tot het moment waarop iets stressvols haar deed wankelen en al haar Iraanse verwachtingen toch weer naar de oppervlakte kwamen.
‘Ze hebben zoveel meegemaakt,’ herhaalt mijn vriendin.
‘Wees aardig,’ bedoelt ze. ‘Denk aan de grappige dokter die wiskundige puzzels oploste en in een ander universum je vriendin had kunnen zijn. Stel je voor hoe ze zich als verward kind een weg moest banen door het duistere mijnenveld dat een huishouden in Teheran in het midden van de vorige eeuw moet zijn geweest. Een kind dat geslagen wordt als ze een mysterieus, nieuw woord gebruikt.’ Ik haal diep adem en stem in met een vervolgsessie met de Engelse therapeut die ons leert om ons te gedragen. Ik kijk er eventjes naar uit om mijn moeders gezicht te zien. Ik mis onze lekker ruikende bunker. Ik zet Zoom aan, we zeggen hallo. Dan doen we onze monden open en beginnen we in onze vreemde talen door elkaar heen te praten.
Tunesië is het belangrijkste vertrekpunt van vluchtelingen
Ten minste twintig mensen worden vermist nadat een boot die de Middellandse Zee wilde oversteken voor de kust van Tunesië is gezonken. Zeventien andere opvarenden werden door de kustwacht gered. Twee van hen zouden in kritieke toestand verkeren nadat de boot voor de kust van de Oost-Tunesische stad Sfax was gezonken. De afgelopen weken zijn tientallen mensen vermist geraakt of omgekomen bij verschillende verdrinkingsongevallen voor de Tunesische kust. Steeds meer vluchtelingen proberen vanuit het Noord-Afrikaanse land Europa per boot te bereiken, aldus Al Jazeera.
Meloni riep het IMF en andere landen op om Tunesië snel financieel bij te staan
Tunesië heeft Libië vervangen als belangrijkste vertrekpunt voor mensen die armoede en conflicten in Afrika en het Midden-Oosten ontvluchten in de hoop op een beter leven in Europa. De nationale garde van Tunesië zei vrijdag dat in de eerste drie maanden van het jaar meer dan veertienduizend vluchtelingen, voornamelijk afkomstig uit Afrika ten zuiden van de Sahara, zijn onderschept of gered terwijl ze probeerden Europa binnen te komen, vijf keer meer dan in dezelfde periode vorig jaar.
Europa kan een enorme golf vluchtelingen uit Noord-Afrika verwachten als de financiële stabiliteit in Tunesië niet wordt gewaarborgd, zei de Italiaanse premier Giorgia Meloni vrijdag. Meloni riep het Internationaal Monetair Fonds en andere landen op Tunesië snel te helpen om te voorkomen dat het land ineenstort.
De Tunesische minister van Buitenlandse Zaken, Nabil Ammar, zei vorige week dat het land financiering en materieel nodig heeft om zijn grenzen beter te beschermen. Tunesië heeft de afgelopen jaren apparatuur van Italië gekregen, maar volgens Ammar is die verouderd en ontoereikend.
Nu in China weer een strengere lockdown geldt, stijgt de interesse voor emigratie, zo meldt The New York Times. Volgens een tracker zijn de online zoekopdrachten naar ‘emigratie’ vorige maand met 440 procent gestegen. Immigratieconsulenten zeggen dat het aantal aanvragen om China te verlaten, is gestegen sinds de lockdown in Shanghai. ‘Zeker het dubbele aantal’, aldus Edward Lehman, een migratieadvocaat uit Shanghai.
‘Alles draait om zero covid’
De Chinese immigratiedienst zei enkele dagen geleden dat die ‘niet-essentiële uitreisactiviteiten door Chinese burgers strikt wil beperken’. Deze maatregel zou te maken hebben met de coronapandemie en bedoeld zijn om te verhinderen dat infecties het land in komen. Sommige socialemediagebruikers denken echter dat de Chinese overheid een braindrain wil voorkomen.
China loopt steeds meer uit de pas met de rest van de wereld wat betreft coronamaatregelen, vinden sommige burgers die weg willen. ‘Het kan de overheid niet schelen wat we moeten doorstaan’, zegt Cherry Burton (29), een Chinees staatsburger, tegen The New York Times. ‘Alles draait om zero covid.’ Vanwege de lockdown in Shanghai hebben zij en haar man hun appartement sinds 1 april niet meer verlaten. Zodra de lockdown wordt opgeheven, wil het echtpaar het land uit.
Voor $1,1 miljard, circa €910 miljoen, koopt Uber de Amerikaanse alcoholbezorgdienst Drizly. Daarmee breidt Uber de tak voedsel- en andere bezorgdiensten verder uit, schrijft The Verge.
Drizly bemiddelt online voor lokale slijterijen. Het bedrijf schakelt bezorgers in om voor lokale verkopers bezorging af te handelen, vergelijkbaar met Uber Eats. Drizly is nu in ruim 1400 Amerikaanse steden actief.
Suzuki stopt in Myanmar
De Japanse autofabrikant Suzuki heeft de productie in zijn twee autofabrieken in Myanmar stopgezet om de veiligheid van zijn werknemers te kunnen waarborgen na de militaire staatsgreep in het land, een dag eerder. Andere grote Japanse bedrijven in Myanmar, zoals auto-onderdelenfabrikant Denso en Aeon, de grootste retailer in Azië, beraden zich nog.
In de Suzuki-fabrieken in Yangon werken 400 mensen. Het bedrijf levert 60 procent van de auto’s in Myanmar. In 2019 werden er 13.200 verkocht, volgens Japan Times.
Afgelopen maandag nam het leger van Myanmar de macht over van de democratisch gekozen regering van Aung San Suu Kyi. Nadat de partij van Suu Kyi in 2015 met grote overmacht de verkiezingen won en de eerste burgerregering in een halve eeuw aantrad, vestigden steeds meer Japanse bedrijven zich in het land, een groei die ook doorging ten tijde van de vervolging van de Rohingya-moslimminderheid.
Aangetrokken door een potentiële markt van meer dan 50 miljoen mensen telt Myanmar momenteel zo’n 400 Japanse bedrijven.
Twitteraars in India geblokkeerd
In India zijn afgelopen maandag honderden Twitteraccounts, waaronder die van nieuwswebsites, activisten en acteurs, voor meer dan twaalf uur bevroren op verzoek van de regering. Die beschuldigt de gebruikers ervan inhoud te publiceren die aanzet tot geweld.
Het verzoek van de regering aan Twitter kwam na wekenlange protesten van Indiase boeren tegen een nieuwe landbouwwet, aldus The Guardian. De protesten werden vorige week gewelddadig afgebroken toen de oproerpolitie werd ingezet. Een demonstrant werd gedood en honderden mensen raakten gewond, waaronder politieagenten.
Opschorting
Volgens een Indiase regeringswoordvoerder heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken om opschorting gevraagd van ‘bijna 250 Twitter-accounts’. ‘Het bevel werd uitgevaardigd tegen accounts die de hashtag #modiplanningfarmersgenocide [‘Modi plant genocide op boeren’] gebruikten sinds 30 januari’, aldus de overheidsbron.
Onder de geblokkeerde accounts bevinden zich die van de onderzoekssite Caravan India, politiek commentator Sanjukta Basu, activist Hansraj Meena, acteur Sushant Singh en Shashi Shekhar Vempati, de CEO van staatsomroep Prasar Bharti.
Australische gamesector wil steun
Door gebrek aan steun van de federale overheid loopt Australië ver achter bij de ontwikkelingen op het gebied van computergames. Buitenlandse investeerders blijven weg omdat Australië slechts goed is voor een extreem klein deel van een wereldmarkt, die nu zo’n €158 miljard bedraagt. Dit zegt Ron Curry, CEO van de Interactive Games & Entertainment Association in Australië, in Sydney Morning Herald.
‘Elke andere ontwikkelde natie in de wereld heeft stimuleringspakketten van de overheid voor game-ontwikkelaars. Behalve Australië’, aldus Curry.
‘Onze regering houdt van film, van tv, van theater. Maar niet van computergames’
In 2016 pleitte een Senaatscommissie voor belastingvoordelen en directe steun voor de game-industrie, vergelijkbaar met steun die aan andere media wordt gegeven. Belangenorganisaties deden soortgelijke aanbevelingen, maar er is volgens Curry niets van terechtgekomen.
‘Onze regering houdt van film, van tv, van theater. Maar niet van computergames.’ En dat terwijl de lokale industrie binnen tien jaar miljarden dollars waard zou kunnen zijn, als Australië hetzelfde niveau van ondersteuning zou kennen als andere ontwikkelde landen.
Duizenden verlaten Hongkong
Volgens de Amerikaanse nieuwszender ABC News hebben duizenden Hongkongers inmiddels besloten om naar Groot-Brittannië te verhuizen, sinds Beijing afgelopen zomer een strikte nationale veiligheidswet oplegde. Hun aantal zal naar verwachting toenemen tot honderdduizenden.
Sommigen vertrekken uit angst gestraft te worden voor steun aan de prodemocratische protesten die de voormalige Britse kolonie in 2019 overspoelden. Anderen menen dat China’s inbreuk op hun levenswijze en burgerlijke vrijheden ondraaglijk is geworden, en willen in het buitenland op zoek naar een betere toekomst voor hun kinderen. De meesten zeggen dat ze niet van plan zijn ooit terug te gaan.
Het proces zal naar verwachting versnellen nu 5 miljoen Hongkongers in aanmerking komen voor een visum voor Groot-Brittannië, waardoor ze daar kunnen wonen, werken en studeren en uiteindelijk aanspraak kunnen maken op Brits staatsburgerschap. Sinds zondag kunnen aanvragen officieel worden ingediend bij British National Overseas.
Banenverlies in Spanje
De derde coronagolf eist zijn tol op de Spaanse arbeidsmarkt, bericht El País. In januari gingen 218.953 banen verloren en raakten 76.216 mensen hun werk kwijt, zo blijkt uit cijfers die deze week werden gepubliceerd door de ministeries van Werkgelegenheid en Sociale Zaken.
De cijfers suggereren dat de Spaanse economie nog lang zal blijven lijden onder de gevolgen van de pandemie. Bij Spaanse sociale diensten staan nu 3,9 miljoen mensen geregistreerd als werkloos. Daarnaast zijn nog eens 738.969 werkenden met verlof gestuurd. In Andalusië steeg het aantal werklozen in januari het sterkst, met 18.249 geregistreerden, gevolgd door Catalonië (10.470) en Valencia (10.094).
Uruguay gunstige uitzondering
Transparency International heeft de corruptie-index voor 2020 gepubliceerd en die is niet bijster positief over Latijns-Amerika. Uruguay is de grote uitzondering en volgt Canada als beste van Noord- en Zuid-Amerikaanse landen, schrijft MercoPress. Uruguay staat op plaats 21 van de lijst met 180 landen, met een score van 71 van de 100. De eerstvolgende Latijns-Amerikaanse landen zijn Argentinië op plaats 78 en Brazilië (94).
De kop van de ranglijst laat weinig veranderingen zien vergeleken met de vorige index. Nieuw-Zeeland is koploper, gevolgd door Denemarken, Finland, Zwitserland, Singapore, Zweden, Noorwegen, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Canada, het VK en Australië.
Na de verkiezing van Donald Trump kondigden veel Amerikanen aan naar Canada te willen verhuizen. Op het ontvolkte eiland Cape Breton waren ze van harte welkom. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan gedacht.
De eerste tekenen van wat Rob Calabrese is gaan zien als een op drift geraakt Amerika, dienden zich vorig jaar aan, vlak nadat Donald Trump de eerste primary had gewonnen en Calabrese een website van 28 dollar opzette, die hij in een halfuur had ontworpen. ‘Hallo Amerikanen!’ begon hij, en wat volgde was een verkooppraatje voor een eiland waar moslims in alle vrijheid konden ‘ronddwalen’, en waar de enige muren ‘de daken stutten’ van de ‘zeer betaalbare’ huizen.
‘Zegt het voort!’ schreef Calabrese, bij een foto van een verlaten strand aan de Atlantische Oceaan. ‘Verhuis naar Cape Breton als Donald Trump wint!’
Het was bedoeld als grap, maar zeven uur nadat Calabrese de site had gelinkt aan de Facebookpagina van het radiostation waar hij als dj werkt, kwam er een e-mail binnen uit Amerika. ‘Ik weet niet zeker hoe serieus dit is, maar ik zeg ja.’ En even later: ‘Ik moet er niet aan denken om te vertrekken, maar dit land stevent op de afgrond af.’ Binnen vierentwintig uur had hij tachtig berichten ontvangen. Binnen een week waren dat er tweeduizend, en in veel van die berichten keerden dezelfde woorden terug: ‘gespannen’ en ‘bang’ en ‘help’.
De mails stroomden binnen en al snel nam de toeristeninformatie op het eiland vier tijdelijke medewerkers in de arm om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie, afkomstig uit vrijwel alle Amerikaanse staten en honderden verschillende steden. Calabrese kreeg de indruk dat Amerika vooral werd bevolkt door mensen die er weg wilden. ‘Moet je dit lezen,’ zegt hij, terwijl hij door een spreadsheet scrolt met alle aanvragen. Hij stopt bij nummer 2121. ‘Ik ben een ex-marinier en ik ben twee keer uitgezonden naar Irak. En ik wil hier weg.’
Jimmy en Cathleen
Er zijn mails van een moleculair bioloog, een professor aan de universiteit van Oregon, een granietwerker, iemand die voor het Center for Disease Control and Prevention werkt, een vrouw die als woonplaats had ingevuld: ‘Alabama, helaas’. Er zijn inkomensverklaringen, er worden financiële gegevens verstrekt, en gegevens over seksuele voorkeur en toekomstverwachtingen voor de kinderen. Soms is er een cv bijgesloten. ‘Ik kan het niet aanzien, wat er met mijn fantastische land gebeurt,’ begint een van de mails.
‘Ik wil niets liever dan met mijn dochters vertrekken naar het veilige en verstandige Canada’, staat te lezen in mail nummer 3248.
Ergens rond mail nummer 4230 wordt Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten, en net voor zijn inauguratie komt mail nummer 4635 binnen. ‘Wil graag emigreren van Colorado naar Cape Breton,’ begint de mail. ‘Ik ben gediplomeerd juridisch assistent en mijn vrouw is advocaat.’
Calabrese leest de mail, probeert zich een beeld te vormen van degene die hem heeft geschreven, en wacht dan op de mails die zullen volgen.
Deze mail is geschreven door Jimmy Gantenbein en Cathleen McEwen, op hun bank in de woonkamer van hun huis in Loveland, een plaats zo’n vijfenzeventig kilometer ten noorden van Denver. Een maand later staan de meubels uit de woonkamer opgeslagen in de garage. Ze hebben contact opgenomen met een makelaar. Ze hopen binnenkort hun huis te koop te zetten.
‘Geef me even een spijker, wil je?’ zegt Cathleen (61), die bezig is de slaapkamer op te knappen.
‘Hier, Cat,’ zegt Jimmy van 54.
Ze hebben dit huis gekocht toen ze net getrouwd waren – Jimmy’s tweede huwelijk, Cathleens derde huwelijk – en zeventien jaar later kennen ze het huis bijna net zo goed als ze elkaar kennen. Vanuit hun slaapkamer hebben ze uitzicht op de Rocky Mountains. Het late middaglicht verwarmt het kleedje waar hun oude poedel altijd zo graag mocht liggen. Twee keer rechts afslaan en een keer naar links en ze zijn bij de supermarkt. Hun huis ligt aan een doodlopende straat, met nog twee andere huizen, en Cathleen heeft een paar jaar in de gemeenteraad gezeten. Ze hebben Democraten en Republikeinen onder hun vrienden. Toen Cathleens zoon, een reservist, in 2005 terugkeerde uit Irak, kwamen er honderdvijftig mensen naar de feestelijke barbecue.
Toen deed Donald Trump zijn intrede in hun bestaan. Hij was op tv. Hij was in hun stad, hield een bijeenkomst op vijftien kilometer van hun huis, waar drommen mensen op afkwamen. Hij was zelfs in hun buurt: in verschillende tuinen doken bordjes op met zijn naam. Tijdens de voorverkiezingen was het net alsof hij ook hun eigen tuin was binnengedrongen, toen een buurman kwam vertellen dat hij achter Trump stond. Wij stemmen op Bernie, hadden Jimmy en Cathleen gezegd, en hoewel het gesprek kort en vriendelijk was, hebben ze de buurman daarna niet meer gesproken.
‘We voelen ons hier buitenstaanders,’ zegt Cathleen. Ze hebben het gevoel dat Amerika het spoor bijster is, iedereen is zo ‘boos’ en ‘bekrompen’ en ‘reactionair’ dat er weinig anders op zit dan een drastische stap. ‘Ik herken het land waar ik ben geboren niet meer,’ zegt Cathleen. ‘Ik ben geboren in een bekrompen, anti-intellectueel land. Ik heb er éénenzestig jaar en één verkiezing voor nodig gehad om dat in te zien.’
Dus nu hebben zij ook een mapje ‘Emigreren’ op hun computer, vol informatie over Panama en Belize en Costa Rica en Canada. Ze hebben de website van Cape Breton gebookmarkt en webalerts ingesteld voor onroerendgoedaanbiedingen op het eiland. Ze hebben met een immigratiejurist in Canada gepraat.
Er moeten zoveel knopen worden doorgehakt. Moeten ze hun spullen verkopen? Moeten ze afstand doen van hun staatsburgerschap? Zullen ze de band met hun kinderen en kleinkinderen weer kunnen herstellen? En als ze naar Cape Breton gaan, zullen ze dan spijt krijgen? Ze weten dat het er koud is. Ze weten dat de huizen goedkoop zijn. Maar ze zijn er nog nooit geweest.
‘Het is een risico om te blijven en het is een risico om te gaan,’ zegt Cathleen.
‘We weten het gewoon niet,’ zegt ze.
‘Het is een dilemma,’ zegt hij.
Niet lang daarna belt hun makelaar. De huizen gaan snel van de hand in Loveland. Nog acht weken en er staat een bordje ‘Te koop’ in hun tuin.
Cape Breton dan misschien maar, en misschien ook maar het huis waar Valarie Sampson, een makelaar die door een handvol Amerikanen in de arm is genomen, nu voor staat. Aan zee. Een gerenoveerde boerderij. Zo’n zeshonderd vierkante meter land. 220 duizend Canadese dollars. Staat al meer dan drie jaar te koop.
‘Het is een schitterend huis voor wie overal aan wil ontsnappen,’ zegt Sampson, die in haar SUV stapt en over het eiland rijdt waar niemand meer naartoe komt, waar de mensen juist wegtrekken. Het eiland heeft ooit goed verdiend aan de kolen, maar die inkomstenbron is opgedroogd en er is nog niets anders voor in de plaats gekomen. Jaarlijks overlijden er zo’n duizend mensen, of ze trekken naar grote steden als Toronto of Halifax. Alle budgetten worden teruggeschroefd. Alleen al het afgelopen jaar zijn er tien scholen gesloten. De werkeloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Het bevolkingsaantal is teruggelopen tot 130 duizend, en op Cape Breton zie je dan ook honderden verlaten huizen, klaar voor de sloop, en nog honderden andere die te koop staan.
Sampson weet dat de zomers er hier heel anders uitzien. Dan komen de toeristen. De kreeft- en pizzarestaurants gaan weer open. Op het meer krioelt het van de zeilbootjes. ‘De ligging is onovertroffen,’ zegt ze. ‘Welke kant je ook op gaat, een uur rijden en je bent op het strand.’
Maar vier of vijf maanden per jaar is dit een plek met korte dagen, ijzige temperaturen en gladde stoepen, waar aan ijshockey wordt gedaan en waar de mensen elkaar opzoeken in kroegjes en donutshops. Als Sampson terugrijdt naar haar kantoor lijkt er helemaal niets te gebeuren in Sydney, de grootste stad van het eiland. Er is alleen een vergadering van vrijwilligersorganisaties, over wat er gedaan kan worden om het eiland te redden.
‘Als er geen mensen komen, zijn we ten dode opgeschreven,’ zegt Rankin MacSween, hoofd van een buurtcomité.
‘We hebben al niet zo’n grote bevolking, en hij blijft maar slinken, in hoog tempo,’ zegt een jurist. ‘Je hoeft geen wiskundig genie te zijn om uit te begrijpen dat de tijd dringt.’
Er wordt een vijf pagina dik rapport doorgenomen, waarin staat dat het eiland jaarlijks tweeduizend mensen moet zien te trekken om levensvatbaar te blijven. Al tientallen jaren slaagt men er niet in aan de wederopbouw te werken.
Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen
Maar nu heeft het eiland iets nieuws – Calabreses website. Cape Breton is bekender dan ooit. ‘We krijgen duizenden mails,’ zegt iemand op de bijeenkomst. Maar dat is nog wel iets anders dan duizenden mensen die zich ook echt op het eiland vestigen. Canada heeft strenge migratiewetten. Je kunt er niet gewoon gaan wonen omdat je dat wilt. Aanvragen worden beoordeeld op criteria als leeftijd en vakkennis en de bijdrage die je kunt leveren aan de economie. Wie een mail stuurt naar Cape Breton krijgt te horen dat hij een aanvraag moet indienen bij de Canadese immigratiedienst. Hij of zij krijgt een link om een procedure in gang die zetten die zomaar een jaar kan gaan duren.
Dus misschien dat er ooit Amerikanen zullen komen, maar nu is het nog niet zover. Naarmate Calabrese meer reacties kreeg, heeft hij de tekst op de site aangepast, zodat het allemaal iets minder politiek is – en niet langer vooral gericht op Amerikanen.
‘Om eerlijk te zijn,’ heeft Calabrese geschreven, ‘is iedereen welkom, ongeacht zijn of haar ideologie. Kom hierheen!’
‘We moeten hier goed over nadenken,’ zegt de jurist terwijl de bijeenkomst op z’n einde loopt. ‘Wat voor soort mensen willen zich hier vestigen?’
Een antwoord op die vraag kan even verderop worden gevonden, in een huis dat helemaal kaal is gehaald en dat een jaar leeg heeft gestaan, totdat er een gezin met zeven kinderen is komen wonen, afkomstig uit Syrië. De kinderen zijn net uit school. De televisie staat aan. De kinderen zitten bij elkaar gekropen op de bank. ‘Wat ben je aan het tekenen?’ vraagt de vader, Ahmad Hamadi, van vijfendertig, aan Mohamad, zijn tienjarige zoon. ‘Een Pokemon,’ zegt Mohamad.
Dit zijn de mensen die naar Cape Breton zijn gekomen: Syrische vluchtelingen die hun land niet alleen hebben achtergelaten, maar het zelfs hebben moeten ontvluchten. Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen, en Ahmad en zijn gezin behoren tot de laatste groep die is gearriveerd. Nadat ze uit Syrië waren gevlucht en een paar jaar in Libanon hadden gezeten, waren ze hier terecht gekomen dankzij de steun van een kerkelijke groepering op een eiland waar ze nog nooit van hadden gehoord. Ze zijn achtenveertig uur onderweg geweest: van Beiroet naar Caïro en dan door naar Toronto en vervolgens naar Cape Breton. Ze landden om halftwee ’s nachts. Ze werden in een busje gezet en toen de zon opkwam stond Ahman ineens in een huis vol meubels en eten en speelgoed. Het was allemaal van hem, terwijl niets hem vertrouwd voorkwam.
Vergeleken met waar hij vandaan kwam was het buiten stil. Er was stroom. De kinderen gingen naar school. Ahmad hing een Canadees vlaggetje op de voordeur en elke dag dat hij de deur uit ging, was een nieuwe kans om te wennen aan een nieuw thuis.
Hij solliciteerde op vacatures bij Value Village en een bouwmaterialenonderneming, waar een tolk hem terzijde stond bij de sollicitatiegesprekken, maar vergeefs. Hij informeerde naar werk bij een Libanees restaurant, maar de eigenaar wilde geen onervaren iemand in dienst nemen. Zo gingen er maanden voorbij. Hij haalde zijn rijbewijs. Hij ging gewichtheffen in de sportschool, tegen de stress. Hij overwoog zich aan te melden voor de late dienst bij McDonald’s, maar een van de mensen van het kerkcomité dat hem sponsorde, zei dat hij moest zorgen dat zijn Engels beter werd, zodat hij makkelijker aan werk zou kunnen komen.
Voor de oorlog had Ahmad een winkeltje gehad, in een plaats niet ver van Damascus. Hij woonde in dezelfde straat als zijn ouders en zijn drie broers en zussen. ’s Avonds laat ging hij met zijn vrienden ergens shoarma of kip eten. Hij is vier jaar geleden gevlucht en zijn familie is uitgewaaierd over drie continenten. Van zijn vijf beste vrienden zijn er vier om het leven gekomen, denkt hij.
‘De ene dag had ik een auto, een huis, een leven,’ zegt Ahmad. ‘De volgende dag was ik het allemaal kwijt.’
Het lot is Ahmad gunstiger gezind geweest dan vrijwel iedereen die hij kent, maar door de noodlottige ontwikkelingen in het land waarvan hij van houdt, is hij hier beland, kijkt hij nu uit over een tuin met dikke lagen sneeuw en een Canadese zon die al vroeg aan de einder verdwijnt.
Huis in de verkoop
‘Cat, zag je dat!’
Cathleen en Jimmy rijden tegen de schemering terug van een autoruitreparatiebedrijf wanneer een grote, witte uil vlak langs hun voorruit scheert. Niet lang daarna zitten ze thuis en praten over de uil die vroeger in hun voortuin huisde, over de eland die achter het huis rondscharrelde, en over deze tijd van het jaar, waar ze altijd zo dol op zijn geweest.
Elk voorjaar zetten ze de ramen wijd open in hun doodlopende straat, horen de vogels in de sparren, zien de krokussen en de hyacinten uit de verse muls rond het huis schieten. De zon gaat steeds later onder. Ze kunnen weer barbecueën. Ze zullen de buren weer vaker zien. En soms maken ze een uitstapje in hun SUV: in oostelijke richting, over de vlakten richting de Ozarks, of misschien naar het westen, door de bergen tot voorbij de Continental Divide, op zoek naar meren om te vissen, stalletjes om wat vers fruit te kopen en een motelletje om de nacht door te brengen.
‘We hadden geen plan,’ zegt Cathleen. ‘We gingen gewoon op de bonnefooi.’
‘Weet je nog, de Black Canyons?’ zegt Jimmy.
‘Weet je die kliffen nog?’ zegt Cathleen.
Er wordt op de deur geklopt.
De huizeninspectie. Over twee weken zal hun huis in de verkoop gaan, en zodra het is verkocht, vertrekken ze. Eerst naar hun kinderen, en daarna zien ze wel weer.
Misschien dat een tocht door Amerika hen in herinnering kan brengen wat ze zijn vergeten.
De inspecteur schudt hen de hand en loopt naar binnen.
‘En,’ zegt hij, ‘waar gaan jullie heen?’
Ondertussen komen in Cape Breton nog altijd mails binnen, elke dag wel een paar. ‘Ik kan hier niet langer blijven, ik kan niet meer slapen met zo’n slecht mens als onze leider’, schrijft iemand.
‘De geschiedenis herhaalt zich en ik zie weer een Derde Rijk opdoemen’, schrijft iemand anders.
‘Ik vind het hartverscheurend hoe ons land kapot wordt gemaakt… door één man, een miljardair die buiten de werkelijkheid staat’, schrijft weer iemand anders.
‘Help me alstublieft’, staat in een andere mail te lezen.
Calabrese leest alle mails, woord voor woord, en terwijl hij wacht op de komst van de Amerikanen, en op de komst van mail nummer 4780, realiseert hij zich hoe gelukkig hij zich mag prijzen dat hij woont op de plek waar hij wil zijn.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
De Mexicaanse commentator Villanueva is blij met de muur die Donald Trump wil bouwen. Nu moet de Mexicaanse regering eindelijk de corruptie aanpakken.
De Amerikaanse president Donald Trump heeft een executive order uitgevaardigd om een begin te maken met de bouw van de omstreden muur tussen Mexico en de VS. In Mexico werd een protestcampagne tegen die maatregel gelanceerd. De politieke klasse riep daarbij op tot ‘eenheid’, maar dat was alleen om de eigen schandalige privileges te waarborgen.
De kloof tussen de regering van Enrique Peña Nieto en het volk is zo diep dat er geen sprake kan zijn van deze ‘eenheid’, die alleen ten goede komt aan degenen die alles hebben en hun positie willen behouden. Het is net zoiets als een verkrachter en zijn slachtoffer hand in hand laten optrekken om een ‘eenheid’ te vormen.
De Mexicaanse regering probeert ‘morele paniek’ te creëren om Trump als de oorzaak aan te wijzen van alle malheur die het land overkomt. Via een reeks psychologische manipulaties wordt de Amerikaanse regeringsleider gedemoniseerd om de aandacht van de Mexicaanse maatschappij af te leiden.
Na uitvoerige studie van multilaterale en bilaterale verdragen ben ik tot de conclusie gekomen dat er geen internationaal juridische grond is om de Amerikanen te beletten hun soevereiniteit uit te oefenen door middel van die beruchte muur. Trump kan met de wet in de hand zijn verkiezingsbelofte waarmaken.
Niemand die bij zijn verstand is kan volhouden dat het gekuip en de straffeloosheid in kringen van de Mexicaanse overheid de schuld is van Trump
Een groot deel van de Mexicanen is, samen met de regering en de verzamelde politieke partijen, tégen die muur. Het probleem is dat de executive order van Trump geen inbreuk maakt op de soevereiniteit van Mexico. Natuurlijk zou het absurd zijn dat wij als land ook maar één cent zouden uitgeven aan dat project. Dit om de doodeenvoudige reden dat het totaal geen deel uitmaakt van ons beleid en iedereen het er – terecht – over eens is dat die muur onverenigbaar is met de belangen van de Mexicaanse regering. Die heeft er met haar diepgewortelde corruptie voor gezorgd dat een groot deel van onze landgenoten over de grens op zoek gaat naar de kansen die ze door de Mexicaanse autoriteiten worden onthouden.
Al jarenlang voeren de Verenigde Staten in veel opzichten een paternalistische politiek ten opzichte Mexico. De hulp die ze gaven, zowel in geld als in natura, had slechts in uitzonderlijke gevallen enig effect. En dat is omdat die hulp – die nauwelijks door Washington gemonitord werd – niet ten goede kwam aan het algemeen belang.
Trumps beslissing is weloverwogen en hij staat in zijn recht. Een internationaal tribunaal zou volgens mij nooit bereid zijn de soevereiniteit van de Verenigde Staten te beperken omdat de uitoefening daarvan nadelig is voor een buurland. Wat Peña Nieto en de verzamelde politieke partijen niet zeggen is dat die muur het directe gevolg is van aanhoudende corruptie, van een onrechtvaardige verdeling van de nationale rijkdom, van de diepe kloof die gaapt tussen de machthebbers en de financieel zwakkeren.
De corruptie tiert welig in Mexico, en daar komt nu een reactie op: de muur. Niemand die bij zijn verstand is kan volhouden dat het gekuip en de straffeloosheid in kringen van de Mexicaanse overheid de schuld is van Trump.
De Amerikaanse president valt juridisch niets te verwijten en hij doet wat zijn achterban wil. Als hij die muur bouwt, of wil bouwen, dan komt dat door de buitensporige migratie die Mexico met zijn antidemocratische politiek in gang heeft gezet. Niemand gelooft dat als niet Mexico, maar bijvoorbeeld Japan of Zweden, het buurland van de Verenigde Staten was, die muur ooit maar ter sprake zou zijn gekomen. Logisch, want in die landen is vrijwel geen corruptie, en de corruptie die er is, wordt streng bestraft. Ik zou zelfs willen beweren dat de inwoners van die landen in dat geval, net als nu, geen visum nodig zouden hebben om de VS binnen te komen.
Als deze maatregel schadelijk is voor het Mexicaanse politieke establishment, dan moeten ze maar eens de hand in eigen boezem steken, want ze hebben zelf de geldverslindende, malafide instituties gecreëerd die het idee van gelijke kansen tot een fata morgana maken. Deze maatregel heeft tenminste nog het voordeel dat er crises ontstaan die ons een kans geven de lange weg in te slaan naar een rationeel en evenwichtig systeem.
Als die weg al lang geleden was ingeslagen, dan zou migratie nooit zo’n groot probleem zijn geworden, zoals het ook geen probleem is tussen bijvoorbeeld Frankrijk en Oostenrijk. Voor het eerst doet Donald Trump, zonder het zelf te beseffen, Mexico een groot plezier, want dankzij hem komt de Mexicaanse regering nu onder druk te staan. En die druk zal elke dag toenemen als er niet grondig wordt ingegrepen in de verdeling van de rijkdom, als er geen ernst wordt gemaakt met de rechtsstaat (die alleen maar op papier bestaat), als er geen hervormingen worden doorgevoerd die controle op de macht, vrij van demagogie, mogelijk maken.
Misschien zou het goed zijn als de Amerikaanse staten die grenzen aan Mexico, en die zeker het effect van de muur zullen voelen, op een informele manier economisch en sociaal met ons land gaan samenwerken.
Het ziet er dus naar uit dat er een einde komt aan de paternalistische relatie tussen Mexico en de VS. Ons land moet nu zijn eigen koers varen, zonder te kunnen rekenen op de financiële hulp die de regering van de Verenigde Staten jarenlang gratis en voor niks aan de Mexicaanse regering verstrekte en waarvan het Mexicaanse volk nooit een cent te zien kreeg.
Auteur: Ernesto Villanueva
Vertaler: Jos den Bekker
Belangrijk tijdschrift met gedegen onderzoeksjournalistiek. Deskundig op het gebied van de drugshandel. Wordt vooral gelezen door academici en ambtenaren.
De Syrische schrijver en journalist Odai Al Zoubi vluchtte in 2015 via Istanboel naar Denemarken. In dit verslag vertelt hij hoe het hem vergaat in Scandinavië.
‘Het Noorden is een beproeving, een oord van verveling.’ – Salim Barakat, Syrisch-Koerdische dichter (tegenwoordig gevestigd in Zweden)
Ik ben begin 2015 in Istanboel aangekomen en er aan het eind van dat jaar weer weggegaan. Ik had niet bewust gekozen om me daar te vestigen en ook niet om er weg te gaan. Het was de wil van het lot, waarop wij geen enkele greep hebben.
We staan bij het consulaat van Denemarken in Istanboel: Irakezen, Syriërs, Arabieren en Koerden. Er zijn hier geen Turken, die vragen hun visum aan via internet. De Irakezen vertellen me over hun vrees voor Syrië, hun liefde voor Homs en Damascus. In dit rustige gesprek is de soenniet die zich verzet tegen de sjiitische milities makkelijk te onderscheiden van de sjiiet die boos is op Islamitische Staat. De slecht Arabisch sprekende Syrische Koerden in het consulaat wachten op toestemming voor gezinshereniging.
Een oude vrouw met een hoofddoek bidt tot God en roept daarmee nog meer verwensingen op. Een meisje van acht klampt zich aan haar vast, terwijl een nog jonger jongetje achter zijn moeder aan gaat die voor het loket van een Deense employé staat te wachten. De oma zegt tegen mij dat ze uit Ayn Tarma [een voorstad van Damascus] komt en vertelt me haar verhaal: ‘Mijn oudste dochter verzoekt om gezinshereniging zodat ze naar haar man in Denemarken kan gaan.’ Als haar dochter weggaat, zal de oma hier helemaal alleen wegkwijnen; gaat ze niet, dan zullen ze hier samen met de twee kinderen wegkwijnen. ‘Mijn enige zoon is zestien jaar en hij wil ook vertrekken. Ik wil het beste voor hem, maar wat moet ik doen als hij weggaat? Uit bedelen gaan? Zou jij dat voor je moeder willen?’ Ze richt zich niet echt tot mij, en verwacht ook geen antwoord. Ze smeekt God om haar terug te brengen naar het dorp waar ze vandaan komt: ‘In Ayn Tarma heb je alles wat je wilt, niemand heeft daar honger en de mensen houden van elkaar.’
De dochter probeert haar zoontje over te halen om weer bij zijn oma te gaan staan. ‘Anders geven de Denen ons de papieren niet, wees stil, houd je mond nu. De Denen zijn niet zo lawaaiig als wij… Dit is al de vijfde keer dat we hier zijn, we wachten al twee jaar op die papieren, hopelijk lukt het deze keer.’ De Deense medewerker wenkt de moeder naar het loket en geeft haar de papieren. ‘Mabroek!’ [‘Gefeliciteerd!’] De vrouw barst in tranen uit. Haar twee kinderen volgen haar voorbeeld. Iedereen om hen heen feliciteert de vrouw, ook de Koerden in hun gebrekkige Arabisch en de Irakezen die geroerd zijn door dit tomeloze verdriet.
Het kleine meisje fluistert: ‘Mama, ik wil niet naar Denemarken, ze zeggen dat het daar heel erg koud is.’ De moeder drukt haar huilend tegen zich aan: ‘De hele wereld is ijskoud.’
Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: “In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?”
Ik probeer uit te zoeken wat ik mee wil nemen in mijn derde ballingschap en ik vind: een aantekenboekje over mijn lezingen van tien jaar geleden, een oude, stoffige koffer die niet open is geweest sinds ik in Istanboel ben aangekomen, souvenirs uit Londen en Norwich, rekeningen voor mijn Engelse mobiele telefoon waar ik niets meer aan heb, tijdelijke arbeidscontracten bij een verre universiteit, officiële papieren en loonstrookjes, belastingoverzichten, verlopen visumaanvragen, tweehonderd Syrische ponden in biljetten en dirhams van de Emiraten, kaartjes van vrienden in Engeland, een verlopen paspoort dat ik niet durf weg te gooien uit angst dat een buitenlandse instantie me er om veiligheidsredenen naar zal vragen, een kruisje dat ik uit een Armeense kerk heb gestolen tijdens een verrassingsbezoek, verschillende dvd’s met films (Buñuel, Sofia Coppola), te krappe truien die ik van het ene continent naar het andere meesleep in de hoop dat ze ooit nog om mijn buik zullen passen die sinds mijn dertigste steeds dikker wordt, de laatste dichtbundel van Mahmoud Darwish [Palestijnse dichter, 1942-2008], en een van Al-Mutanabbi [Arabische dichter uit de tiende eeuw, bekend om zijn omzwervingen], een bloemlezing van gedichten van Borges, mijn master- en doctoraaldiploma, een paar basketbalschoenen die nog vrijwel nieuw zijn, al heb ik ze meer dan vijf jaar geleden gekocht, en het gevoel van een ballingschap die permanent wordt.
Ik heb geen enkele foto bij me, zelfs niet op mijn computer of op mijn telefoon. Ik houd er niet van om rond te zeulen met herinneringen aan een verleden dat geen band heeft met het heden. Wie heeft behoefde aan foto’s als de herinneringen in het geheugen gegrift staan?
Op het vliegveld van Kopenhagen loop ik ineens tussen mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen. Een beetje schutterig loop ik door, de kleine dichter met het gitzwarte haar en de gedrongen gestalte. Een aankondiging waarschuwt dat mensen met een Syrische of Somalische nationaliteit geen toeristenvisum kunnen krijgen, wat ook de reden is voor hun aanvraag. Alleen gezinshereniging is mogelijk, onder financiële en administratieve voorwaarden die even draconisch zijn als vernederend. Racisme is in Denemarken niet langer verborgen, het is nu even zichtbaar als dat van de Syriërs tegenover de Somaliërs. Mijn landgenoten vragen zich verbijsterd af: ‘Echt? Somaliërs en wij? Dat is idioot. Wij zijn beschaafd, goed opgeleid, wij zijn ambachtslieden en ondernemers… niet zoals die zwarte Afrikanen.’ Zelfs onze jarenlange oorlog heeft ons niet van onze fouten genezen.
Staand voor de medewerker van de immigratiedienst bereid ik me voor op het zoveelste verhoor over mijn relatie met Islamitische Staat en andere vreemde vragen over mijn verleden en mijn toekomst, zoals op elke luchthaven waar ik mijn verdoemde Syrische paspoort liet zien. ‘Welkom in Denemarken, uw tweede vaderland. Ik wens u een prettig verblijf.’
Ik geloof mijn oren niet: ‘Moet ik soms ergens anders heen waar ze me willen ondervragen?’ ‘Nee hoor. We moeten ons alleen wel verontschuldigen voor het slechte weer. Ik hoop dat u daartegen kunt.’
Ik ben niet gewend aan dit klimaat. Hier in dit koude Noorden kampen de mensen voortdurend met depressies, een diepe narigheid die tot in de haarvaten van hun vermoeide geest trekt. In de winter lopen ze door de straten als witte spoken bedekt met menselijk vlees dat huivert van eenzaamheid. Ze hebben haast om thuis of op hun werk te komen en laten de straten leeg achter, als mooie ruïnes, schoon en geordend. Op de weinige warme dagen vertonen ze zich in de zon, als primitieve wezens die bij de eerste zonnestralen naar buiten komen. Hun zwijgzame stemming wordt jovialer en zuidelijker. Dan glimlachen en lachen ze zoals wij, de kinderen van het warme zuiden. Ze trekken hun kleren uit en gaan in de openbare parken liggen.
Volgens de officiële documenten van de Deense overheid ben ik nu ‘immigrant’. Twee weken na mijn aankomst heb ik een afspraak met de medewerkster die mij de komende jaren onder haar hoede heeft en mijn ‘integratie’ in de Deense samenleving zal begeleiden. Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: ‘In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?’
Zittend achter haar computer houdt de medewerkster officiële papieren in drie talen in haar handen: Arabisch, Engels en Deens. Ik ga tegenover haar zitten, gewapend met maar één document dat geen waarde heeft maar voor mij belangrijk is: mijn verdoemde paspoort. De bijeenkomst begint met het officieel voorlezen van mijn rechten en plichten. De administratieve papierwinkel heeft me altijd afgeschrikt. Het doet me denken aan de vernederingen in Syrië, elke keer als wij ons wilden inschrijven bij de universiteit, bij de vakbond of zelfs voor het registreren van een auto. Ik buig mijn hoofd en neem de domme houding van de vluchteling aan.
De woordenstroom stokt: ‘Luistert u wel?’
‘Natuurlijk,’ antwoord ik.
Even blijft het stil. ‘Heeft u psychische problemen?’
Een stemmetje in mij weerstaat de lust om te antwoorden: ‘Tja lieverd, zoals alle Syriërs. Ik heb geen vrienden meer. Die zijn via de ballingschap verspreid geraakt, ik heb ze al in geen vijf jaar meer gezien.’ Ik stel mijn ondervraagster gerust: ‘Nee, nee, geen psychische problemen.’
Zij pakt haar papieren weer op. ‘Hebt u een lichamelijke of geestelijke handicap waarvan wij moeten afweten?’ Het stemmetje binnenin mij fluistert: ‘Ja, ik durf het huis niet uit. Ik kan er niet tegen als iemand me vragen stelt over Syrië. Europeanen stellen ons vragen over Syrië alsof het over een Hollywood- of Bollywoodfilm gaat. Die blik, waarmee ze dan “O” zeggen en het gebaar waarmee ze vervolgens hun hand op onze schouder leggen, als uit medeleven.’
Hardop: ‘Nee, alles is normaal.’
‘Kunt u terug naar Syrië?’
‘Dat weet ik niet. Als Turkije de grens openstelt, zou ik naar de noordelijke gebieden kunnen, die worden beheerst door de oppositie. Ik denk niet dat ik naar de gebieden kan gaan waar het regime de baas is. Maar er is geen formele aanklacht tegen mij.’
Weer stilte. Voor me op het bureau liggen foldertjes, bedoeld voor vrouwen, in het Turks, Pasjtoe, Farsi, Arabisch en Urdu: ‘Als uw echtgenoot, uw broer of een ander familielid u slaat of verbaal mishandelt, kunt u contact met ons opnemen en dan kunnen wij u beschermen.’ Ik pak er een en laat het in mijn zak glijden.
De vrouw glimlacht. ‘Laten we het over uw integratie hebben.’ Inwendig overweeg ik te antwoorden: ‘Ik zal u eens heel simpel uitleggen hoe het zit: de Syriër kan nergens integreren zolang zijn land in brand staat. Dat is logisch, mevrouw. Onze families, onze vrienden, onze straten, onze herinneringen, onze toekomst, onze muziek, onze godsdienst, ons land, onze grenzen, onze bedrijven, onze tradities, onze dialecten, onze literatuur, onze overtuigingen, de stem van onze voorouders, hun foto’s en hun graven, alles op de wereld dat belangrijk voor ons is, verdwijnt alsof het nooit heeft bestaan. Zelfs te midden van de mensen voelen wij ons alleen. Laat ons in deze oorlogsjaren met rust. We willen niet integreren en zelfs al zouden we het willen, we kunnen het niet.’ Ik antwoord uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk, dat is belangrijk.’
‘Hebt u problemen met aanpassen aan de Deense samenleving?’
‘Ik geloof het niet.’
‘Weet u dat zeker? Er bestaan verscheidene programma’s om de integratie makkelijker te maken en ik zou graag willen dat u daar eens naar kijkt.’
Ze geeft me wat folders, die ik een beetje vermoeid doorblader. Vrijwilligers die je de stad willen laten zien, andere vrijwilligers die je Deens kunnen leren. Er worden bijeenkomsten georganiseerd over Denemarken, over de cultuur van het land, de keuken. Er zijn gesprekken voor psychologische ondersteuning…
Deense waarden
‘Goed, laten we het dan nu over de komende vijf jaar hebben.’
Ik, in mezelf: ‘Mijn lieve dame, laten we het van dag tot dag bekijken. Ik zit voor twee jaar goed met mijn visum, daarna zien we wel weer verder.’ Zij vraagt me of ik het contract dat de overheid me heeft voorgelegd wel heb gelezen. Dat ben ik kwijtgeraakt, maar ik antwoord bevestigend en zeg dat ik al het heb getekend.
Zij weer: ‘Zolang u hier bent, mag u uw vrouw, uw kinderen of iemand anders niet slaan.’
Ik, in mezelf: ‘En mag ik dat buiten Denemarken dan wel?’
Zij: ‘Dat hoort bij onze waarden in Denemarken.’
Ik, weer inwendig: ‘Ik zou wel eens willen weten wat de Deense waarden onderscheidt van de Zweedse of de Europese. Zijn dat niet dezelfde als die van de Arabieren en de islamieten die in Syrië wonen? Waarden kun je niet vastleggen in een contract dat je afsluit met een denkbeeldig wezen dat “de staat” heet.’
Zij: ‘U verplicht zich om respect te hebben voor minderheden en alle verschillen…’
Ik, in mezelf: ‘Hoe zit het dan met de Deens volkspartij [de Dansk Folkeparti], een extreemrechtse club die bij de parlementsverkiezingen van 2015 de tweede partij van het land is geworden? Die wil uit het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens stappen en de doodstraf weer invoeren. De groep heeft het openlijk over het inperken en onderdrukken van moslims. Deelt u die waarden?’ Dan hardop: ‘Natuurlijk zal ik de Deense waarden respecteren.’
Hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés
De Koerdisch-Syrische dichter Salim Barakat woont ver van alles vandaan in Zweden, waar hij zich in 1999 heeft gevestigd. Ik heb overwogen om contact met hem op te nemen en er daarna weer van afgezien. Ik denk aan zijn vreemde lot. Een Arabischtalige Koerd in een ver land. Hij schrijft nog steeds. Wie zijn lezers zijn hangt af van het onderwerp waar hij het over heeft. Sommigen bewonderen zijn totale en volmaakte beheersing van het strikt letterlijke Arabisch, terwijl anderen vinden dat zijn taal absurd is en leeg, een doel op zichzelf geworden. Toch drukt de man er een heel herkenbaar stempel op zowel voor het oog als voor het oor.
De relatie met de taal is een zwakke plek van alle Arabieren die racistische mythen over de superioriteit van hun taal herhalen. Die mythe is terug te voeren op de religieuze oorsprong van het Arabisch en de tijd van de grote veroveringen. De taal van de Koran is gewapenderhand en via bekeringen opgedrongen aan volken en staten. Op dezelfde manier bestaan in het Westen racistische legendes over de superioriteit van de westerse talen ten opzichte van die van het Oosten. Het koloniale verleden blijft leven in de denkbeelden van het volk en van de academische wereld, die van het Oosten een gebied maken dat onderontwikkeld en anders is, en waarvan de taal nooit de vrije gedachte zal kunnen uitdrukken. Toch zijn volgens de moderne linguïstiek alle talen gelijk in hun vermogen om ideeën en gevoelens te formuleren, de voortgang van de moderne wetenschap te begrijpen en een gemeenschappelijke mystiek van alle volken uit te drukken. Geen taal is beter, preciezer, mooier, poëtischer, vrijer, opener of geslotener dan een andere.
Ik hou van het Arabisch, niet omdat het een superieure taal is, maar omdat het mijn taal is. Net als Salim Barakat wil ik in geen andere taal schrijven. Maar hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés. In ieder geval is het onmogelijk om in een land werk te vinden zonder de taal van dat land machtig te zijn. Het Deens is dus mijn toekomst. Een taal die onmogelijk is om uit te spreken, want hij mist de gutturale klanken waar mijn keel naar staat. Ik denk aan het lot van de ballingen die hun taal naar elders hebben gebracht: Nabokov, Cortázar, Ibsen, Marx of Bakoenin. Wat hebben zij met hun oorspronkelijke taal gedaan na tientallen jaren ballingschap?
Ik fiets door de straten van de hoofdstad, met een waterdicht pak over mijn gewone kleren, net als de Europeanen. Kopenhagen heeft nooit oorlog of bezetting gekend, behalve die van de Duitse Führer. De stad heeft zich aan Hitler overgegeven om verwoesting te voorkomen, net als Parijs. Het centrum is rustig en veilig. Dit is de stad met het grootste percentage vrouwen in het politieke en economische leven, de beste sociale programma’s en het kleinste verschil tussen rijk en arm ter wereld. Hoe kun je níét van dit koude noordelijke landje houden?
Ik ga in de bibliotheek zitten om _Woorden van dag en avond _van Naguib Mahfouz te lezen [Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur; dit boek is niet vertaald]. Het is onmogelijk om niet de bezorgde blikken te zien van mensen die mij, met mijn dikke zwarte baard, iets in het Arabisch zien lezen. Vanuit de verte word ik in de gaten gehouden door gewapende mannen. De bibliotheek kijkt uit op de enige synagoge in Kopenhagen. Twee jaar geleden heeft een Deen van Palestijnse afkomst, die geboren was in Kopenhagen en betrokken bij drugshandel, joden aangevallen bij de ingang van de synagoge, roepend dat hij dat deed uit naam van Palestina en de islam. Er vielen doden en gewonden. Sindsdien wordt de synagoge bewaakt.
Dit land is lange tijd homogeen geweest. Joden kwamen er pas laat naartoe. Vervolgens heeft de overheid na de Tweede Wereldoorlog Turken en Pakistanen binnengehaald om het zware werk te doen. De Palestijnen zijn gekomen tijdens de oorlogen in Libanon [1975-1990]. Zij werden in de jaren negentig gevolgd door Somaliërs en Eritreërs, tegelijk met Oost-Europeanen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. In diezelfde periode zijn ook de Koerden gekomen, op de vlucht voor de woede van het Turkse leger; vervolgens kwamen de Irakezen, Arabieren en Koerden die verjaagd waren door de oorlog tussen Irak en Iran en daarna door de Amerikaanse interventie. Nu zijn het de Syriërs.
Ik kijk naar de joden met hun keppeltje. Glimlachende oude mannen die langzaam bewegen, kuis geklede vrouwen, die sterk contrasteren met de alomtegenwoordige naaktheid in dit land, verlegen jongeren die achter hun familieleden aanlopen. Niemand in deze stad lijkt zo sterk op ons als deze praktiserende joden.
Ik ga naar buiten en loop door de straten. Geen gewapende wachters bij het parlementsgebouw. Een vredesactiviste staat hier elke dag te demonstreren tegen de regering. Ze roept leuzen tegen Amerika en voor Assad. Ik vraag haar wat ze van de chemische wapens vindt die de Syrische president volgens een rapport van de VN in het opstandige noorden van het land heeft ingezet. Ze antwoordt dat dat allemaal leugens zijn van voorstanders van Amerika en Israël. Ik loop door, verdwaald in een stad die ik nog slecht ken.
Tranen
In een smal straatje speelt een Egyptenaar met zijn zoon, die danst op een wijsje van Amr Diab [bekende zanger in Egypte]. Dan zet het kind het op een lopen en roept iets in het Deens, tot grote wanhoop van zijn vader: hij wil geen Arabische liedjes horen. Ik probeer vergeefs mijn tranen in te houden. Ik huil zonder reden. Mijn vrienden en geliefden zeggen dat ze voortdurend huilen. Degenen die naar Damascus gaan, huilen bij elk bezoek, zowel bij aankomst als bij vertrek. Degenen die er niet heen gaan, krijgen om het minste of geringste tranen in hun ogen, behalve om zichzelf. Wat moet je doen in een land waar Amr Diab ons aan het huilen brengt?
Overal rijden fietsers, er hangt een gigantische poster van de Deense volkspartij met een foto van blonde en blanke Denen. Eenvormiger dan de inwoners van de hoofdstad, vertegenwoordigen zij de campagnes met een duidelijke boodschap: wij zijn de Deense familie. Onder een laagje beschaving borrelen de ergste vormen van fascisme en fanatisme. De leden van deze beweging willen dat de grenzen gesloten worden, dat vluchtelingen worden uitgezet en dat ook de islamitische immigranten het land uit worden gestuurd, net als zigeuners, of dat nu Roemenen, Polen of Bulgaren zijn. Ze beweren dat Denemarken al die armen niet kan helpen: waarom zou het land een last moeten dragen die zijn krachten te boven gaat? Iets in dit affiche blokkeert elke poging tot communicatie tussen ons en die Deense familie. De volkspartij blijft maar hameren op de superioriteit van een beschaving die twee eeuwen geleden de wereld heeft veroverd, en zo het lot van volken, landen en individuen heeft verstoord, die daarvan nog altijd niet zijn hersteld. Afrikanen, Indiërs en Inuit werden onderworpen, tot de Denen stuitten op andere Europeanen, de Engelsen.
Nu verschijnen er partijen die nog extremistischer en gekker zijn dan de volkspartij. Een ongekende angst maakt zich meester van het land. De inwoners herkauwen even stom als nerveus het sprookje van een gelukkig land. Wij zijn superieur en gelukkig. Wij werken acht uur per dag en we houden van ons land. De rest van de wereld begrijpt niet dat wij gelukkig zijn, dat we hart hebben voor het milieu, dat wij goed zijn en open, dat we niets anders willen dat in dit land leven – alleen! Mensen staren zich blind op die zoektocht naar geluk en volmaaktheid. Niets is zo dodelijk voor het geluk als er dag en nacht naar zoeken, zonder de tijd te nemen om ervan te genieten of te denken aan het lot van je ongelukkige broeders, ver van dit ijzige en paradijselijke Noorden.
Ik kom bij de kerk waar ik vlakbij woon. Aan de muur hangt een reusachtig affiche in regenboogkleuren, symbool van de homoseksuelen. Op een houten bankje daaronder speelt een oude Pakistaan met zijn kleinkinderen. Ergens vandaan klinkt klassieke muziek, Mozart misschien. Tientallen kinderen staan in de rij om met hun leerkrachten de straat over te steken. Het onschuldige lawaai van gelach, geschreeuw, gehuil. Straks zal mijn zoon zich bij die scholieren voegen, zonder vragen te hoeven beantwoorden zoals ik.
De oude Pakistani tilt zijn kleindochter op en neemt haar op een holletje mee. De schaterlach van het kleine meisje weeft een onzichtbare draad tussen de kou van het Noorden en de warmte van het Zuiden. De blijheid van een kind omspant de hele wereld.
Deze Syrische journalist, schrijver en dichter werd in 1981 geboren in Damascus. Hij is medewerker van een groot aantal publicaties en websites van de Syrische oppositie. Met zijn literaire stijl heeft hij in de Arabische wereld al veel prijzen gewonnen. Hij is ook de auteur van een boek dat in 2016 is verschenen: As-Sam (De stilte, niet in het Nederlands vertaald). Al Zoubi, die in Engeland een doctoraal in de filosofie heeft gehaald aan de Universiteit van East Anglia, woont momenteel in Kopenhagen.
Al-Jumhuriya (De Republiek) is een website voor onderzoek en discussie die in maart 2012 in Istanboel is opgericht door een groep intellectuele Syrische ballingen, onder wie Yassin al-Haj Saleh, Nayla Mansour en Yassin Swehat. De site publiceert artikelen, enquêtes en wetenschappelijk onderzoek naar de politieke, sociale en culturele transformaties in Syrië en de rest van de Arabische wereld.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.