Het methaangas komt mogelijk uit breuklijnen in de zeebodem
Een team van Spaanse wetenschappers heeft enorme emissies van methaan gedetecteerd in de Antarctische zeebodem. Methaangas kan de planeet ongeveer dertig keer meer opwarmen dan koolstofdioxide. De onderzoekers hebben methaanpluimen in de oceaan waargenomen die tot wel 700 meter lang en 70 meter breed zijn. Deze tot nu toe onbekende emissies zouden een enorme aanjager kunnen zijn voor de klimaatopwarming, schrijft El País.
De wetenschappers zochten naar lekken aan de randen van het Antarctisch Schiereiland, een van de regio’s op aarde die het zwaarst getroffen zijn door de opwarming van de aarde. In slechts een halve eeuw is de temperatuur daar met meer dan drie graden gestegen. Ze schatten dat er zich in dit gebied ongeveer 24 gigaton koolstof in methaanhydraten bevindt. Dat is evenveel als de totale uitstoot van de mensheid in twee jaar.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Voor de eerste keer is nu ook op Antarctica vastgesteld dat bevroren, vast methaan in gas verandert. De voorlopige onderzoeksresultaten suggereren dat er methaangas uit de ondergrond langs breuklijnen omhoog borrelt, vaak via moddervulkanen van honderden meters hoog die zich onder de zeebodem bevinden.
De instabiliteit van sedimenten op de zeebodem kan enorme aardverschuivingen op de continentale helling veroorzaken, mogelijk zelfs met tsunami’s tot gevolg. Wanneer methaanhydraten in gas veranderen, nemen ze een 160 keer groter volume in. Als het gas niet snel verdwijnt, kunnen er enorme aardverschuivingen ontstaan
In de Antarctische Weddellzee verhindert een ijsbarrière dat gletsjers terugstromen in de oceaan. Maar hoelang houdt die het nog uit? Een team van wetenschappers onderzocht het met medewerking van de bewoners van Antarctica.
Hoe onderzoek je zeestromingen op plekken waar de oceaan meestal bedekt is met zulke dikke ijsschotsen dat het zelfs voor ijsbrekers moeilijk wordt? Horst Bornemann, een dierenarts aan het Alfred Wegener Instituut voor polair en zeeonderzoek (AWI) in Bremerhaven, heeft daarvoor een blaaspijp nodig met een verdovingspijl, een minisensor van slechts 600 gram met een satellietzender en een beetje tweecomponentenlijm. Én een geschikte zeehond.
In de ochtend hebben hij en zijn collega Mia Wege van de Universiteit van Pretoria aan de hand van satellietbeelden een gebied met ijsschotsen uitgekozen dat ze nu vanuit de lucht verkennen. ‘Robben op drie uur!’ zegt Bornemann, die vooraan naast de piloot het beste uitzicht heeft op de Weddellzee. De helikopter vliegt een flauwe bocht naar rechts en kantelt licht. Op de achterbank kijkt Wege door een verrekijker om de dieren die op het ijs dutten te determineren. ‘Twee krabbeneters,’ zegt ze met een wegwerpgebaar. De meest voorkomende robbensoort van Antarctica is te klein voor de zender en blijft meestal dicht bij het wateroppervlak. De piloot draait weg en vliegt naar de volgende ijsschol.
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen. Met hulp van dat dier willen de onderzoekers belangrijke oceanografische data verzamelen in een onderzeese kloof die het continentaal plat in de Weddellzee doorsnijdt. Achter op de kop van het dier moet een sensor geplaatst worden die tijdens de duik het zoutgehalte en de temperatuur meet en de waarden via een satelliet doorgeeft wanneer het dier bovenkomt om adem te halen. Maar vandaag is hun zoektocht niet succesvol. Na drie dozijn krabbeneters maar geen weddellrob moet de helikopter terugkeren naar het schip omdat de brandstof begint op te raken.
Kwetsbaar
Beide robbenexperts maken deel uit van een expeditie van het AWI, die in de late Antarctische zomer van 2021 met de ijsbreker Polarstern tot in de Weddellzee is doorgedrongen, de grootste zee aan de rand van de zuidelijke oceaan die Antarctica omgeeft. De centrale vraag bij deze expeditie is: hoe kwetsbaar is het zogeheten Filchner-Ronne-ijsplateau, een enorme drijvende ijsplaat in het zuiden van de Weddellzee, als gevolg van de klimaatverandering? De honderden meters dikke ijsplaat bedekt bijna 450.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Zweden, en wordt gevoed door gletsjers uit Oost- en West-Antarctica.
Tot op heden leek deze bevroren vesting onaantastbaar, dankzij zware koude watermassa’s die op het vlakke continentale plat in de Weddellzee circuleren. Die plaat is de onderzeese verlenging van de Antarctische landmassa. ‘De koude watermassa’s verhinderen dat warmer water uit de diepte van de open oceaan onder het Filchner-Ronne-ijsplateau stroomt,’ legt Hartmut Hellmer uit tijdens de vaart naar het onderzoeksgebied. Hij is fysisch oceanograaf bij het AWI en expeditieleider.
De koudwaterbarrière beschermt het ijs van de plaat voor wegsmelten en verhindert tegelijkertijd het afglijden van de aangrenzende gletsjers in de oceaan. Metingen in de regio laten echter zien dat warmer water uit de diepzee af en toe door een scheur in de diepzeebodem, de Filchner-sleuf, op het continentale plat plenst. Het warme water heeft een hoger zoutgehalte dan het oppervlaktewater en is daardoor compacter. Via die sleuf vloeit het vlak bij de bodem naar de rand van de ijsplaat toe.
Tijdelijk fenomeen
‘Wij willen uitzoeken of het een tijdelijk fenomeen is of dat er zich een trend aftekent,’ zegt Hellmer. Computersimulaties wijzen erop dat de koudwaterbarrière als gevolg van klimaatverandering op de lange termijn wel eens zou kunnen instorten en een smeltproces onder het ijs op gang zou kunnen brengen dat niet meer te stoppen zou zijn. Daardoor zou het continentale ijs van de gletsjers sneller wegvloeien en de zeespiegel verder stijgen. Bovendien zouden hierdoor een van de motoren van de mondiale circulatie in de oceanen en de opname van koolstof in de diepzee – belangrijk voor de daling van CO2 in de atmosfeer – worden afgeremd.
IJsplaten steken als platte uitlopers van de Antarctische ijsmassa, die van het binnenland naar de kust schuift, op sommige plekken honderden kilometers de zee in. Steeds weer breken daar reusachtige platte ijsbergen van af. Driekwart van het continent van Antarctica is omgeven door ijsplaten; ze maken 12 procent uit van de door gletsjers bedekte vlakte van Antarctica. Hun massa bevindt zich grotendeels onder water. Contact met de zeebodem hebben ze alleen op plekken waar de bodem zich verheft.
In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren
IJsplaten remmen de gletsjers af en daarmee het ijsverlies van de Antarctische ijskap. Tegelijkertijd zijn ze de achilleshiel ervan: als ze smelten of breken, komt er meer continentaal ijs in de oceaan. In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren, vooral aan de westelijke kant. De jaarlijkse verliescijfers zijn in dezelfde periode verdrievoudigd.
Door het verdwijnen van de ijsplaten verliest Antarctica steeds meer massa en draagt op die manier meer bij aan de stijging van de zeespiegel. Prominente voorbeelden zijn het verval van de naast elkaar gelegen Larsen-ijsplaten A (1995) en B (2002) in het oosten van het Antarctische schiereiland, evenals de aanhoudende terugtrekking van twee gletsjers die in het Amundsenmeer in West-Antarctica uitmonden: Pine Island en Thwaites. Deze zijn verantwoordelijk voor 8 procent van de zeespiegelstijging. De gletsjers worden teruggedrongen door relatief warm diepzeewater uit de Antarctische circumpolaire stroom, dat steeds vaker op het continentale plat komt. Bovendien stroomt er ook steeds warmer water onder de ijsplaten, omdat de temperaturen in de circumpolaire stroom toenemen, zoals bijna overal in de oceaan.
Kantelpunt
Wetenschappers vrezen dat delen van de ijskap van West-Antarctica in de nabije toekomst een kantelpunt kunnen bereiken en op den duur volledig wegsmelten. Een actueel onderzoek naar de stabiliteit van de ijsplaten in het vakblad The Cryosphere ziet weliswaar nog geen tekenen dat het al zover is. Maar een onomkeerbare terugtrekking van de ijskap zou al bij actuele klimaatcondities mogelijk zijn, schrijven de onderzoekers. Want het ijs ligt in West-Antarctica grotendeels onder de zeespiegel.
Bovendien loopt de ondergrond van de kust waarop veel gletsjers rusten landinwaarts af. Dat maakt ze bijzonder kwetsbaar voor warmere watermassa’s. Als die onder de ijsplaten doordringen tot waar ze contact maken met de zeebodem, dan vreten ze zich geleidelijk steeds dieper onder de gletsjers, zodat steeds meer ijs blootgesteld wordt aan warmte.
IJsplateau
Het Filchner-Ronne-ijsplateau bedekt 449.000 vierkante kilometer in de zuidelijke Weddellzee, net niet helemaal de oppervlakte van Zweden. De drijvende ijsplaat heeft na de Ross-ijsplaat de grootste oppervlakte van alle ijsplaten van Antarctica en het grootste volume. Hij is gemiddeld 700 meter dik; waar hij grenst aan het vasteland zelfs meer dan 1500 meter.
Verdeeld over Duitsland zou het ijs optorenen tot 1 kilometer hoogte. In het noorden worden het oostelijke Filchner-deel en het westelijke Ronne-deel van elkaar gescheiden door het in het ijs ingesloten Berkner-eiland. De rand van de ijsplaat, die als een steile witte wand uit de zee oprijst, strekt zich uit over ongeveer 800 kilometer: van Oost-Antarctica tot het Antarctische schiereiland.
Vervolgens trekken de gletsjers zich terug van de kust en glijden tegelijk sneller naar de oceaan. Zoals de Pine Island- en de Thwaites-gletsjer. Alleen al deze twee gletsjers zouden de wereldzeeën in de komende eeuwen meer dan een meter kunnen laten stijgen. Een soortgelijk lot zou de gletsjers achter het Filchner-Ronne-ijsplateau kunnen bedreigen, ook daar loopt de ondergrond op veel plekken landinwaarts af. Tot nu toe behoedt de koudwaterbarrière op de Weddellzeeplaat het ijs voor smelten. Maar zal deze het in de toekomst houden? Meetinstrumenten die poolonderzoekers uit Duitsland, Frankrijk en Noorwegen op de zeebodem verankerd hebben, moeten deze vragen beantwoorden.
De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest
Tijdens de expeditie met de Polarstern willen ze de instrumenten bergen om de batterijen te verwisselen en de data veilig te stellen. Maar ze moeten zich haasten: in de zuidoostelijke Weddellzee wordt tegen het einde van de zomer al nieuw zee-ijs gevormd. Binnenkort zullen de instrumenten en de schat aan gegevens door het ijs ingesloten worden.
‘De schotsen zijn hier dik, die moeten we eerst verpulveren zodat de drijflichamen aan de oppervlakte komen,’ zegt kapitein Stefan Schwarz op de brug. Waar de verankering drie jaar geleden werd aangebracht, drijft dicht pannenkoekenijs – zo noemen ze pas gevormd zee-ijs dat uit min of meer ronde schotsen bestaat. De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest.
Nadat de Polarstern meerdere rondjes heeft gevaren, stuurt een hydrofoon een akoestisch signaal naar de verankering en maakt de kabel met de instrumenten en de drijflichamen los van het ankergewicht. De onderzoekers wachten in spanning af. Maar aan de oppervlakte is niets te zien, de verankering lijkt vast te blijven zitten onder het ijs. Schwarz neemt het roer over en schuift met het schip de brokstukken opzij. De manoeuvre slaagt, even later duiken vier rode ballen van kunststof naast het schip op.
Meer dan een dozijn verankeringen staan er intussen op de zeebodem van de Weddellzeeplaat en op de helling van het continent. Op verschillende dieptes registreren ze het hele jaar door het zoutgehalte en de temperatuur, en ook stroomsnelheid en stroomrichting. De eerste werden door het AWI in 2013 geïnstalleerd in de Filchner-sleuf. De onderzoekers waren opgeschrikt door een studie die expeditieleider Hartmut Hellmer in 2012 met collega’s in het vakblad Nature had gepubliceerd: ‘We hebben toen het eerste computermodel voor heel Antarctica ontwikkeld waarin ook ijsplaten waren meegenomen,’ zegt hij. ‘In onze modelstudie schoot in een pessimistisch klimaatscenario in het jaar 2070 de smeltsnelheid onder het Filchner-Ronne-ijsplateau plotseling omhoog.’
De resultaten van die studie waren een wake-upcall, zegt Hellmer. In de computersimulaties stroomde in de tweede helft van de 21e eeuw warmer water uit de diepte door de Filchner-sleuf onder de ijsplaat. Toen in 2016 de eerste data van de verankerde instrumenten werden uitgelezen, pasten de meetwaarden bij de voorspellingen van het model: in de zomer en herfst stroomde er soms warmer water op de Weddellzeeplaat. Maar het drong slechts door op het noordelijk deel van het continentale plat, dat vrij is van plaatijs. In 2017 stroomde het warme water zelfs het hele jaar door daarheen, zoals de volgende registraties van de verankeringen lieten zien.
Weddellgyre
Het warmere water uit de diepte van de Weddellzee komt uit de Antarctische circumpolaire stroom, die Antarctica omgeeft. Die voedt de Weddellgyre, en de zuidelijke arm daarvan vormt een kuststroming langs de continentale helling. Boven de warmwaterlaag in het diepe Weddellbekken bevindt zich een dikke laag van honderden meters koud, zoutarm water die ook het continentale plat bedekt. Daarom komt het zwaardere water uit de diepte maar moeilijk over de vlakke rand van de plaat heen. Maar de Filchner-sleuf, die tot ver onder de ijsplaat loopt, biedt het water uit de diepte een toegang. De stroming vergemakkelijkt bovendien de opwarming van de oceaan, ze verschuift de grens tussen het warme en het koude water naar boven.
Dat de warmte tot op heden het Filchner-Ronne-ijsplateau in het zuiden nog niet bereikt heeft, heeft te maken met de vorming van het zee-ijs en de circulatie op het continentale plat. Samen scheppen ze een tot nu toe ondoordringbare barrière van zeer koude, zoutrijke en daardoor bijzonder zware watermassa’s vlak bij de bodem. Daar zoekt de expeditie naar. Regelmatig laten de onderzoekers op de Polarstern een meetsonde zakken in de diepte van de plaat. Op het beeldscherm kunnen ze volgen hoe de temperatuur in de onderste waterlagen afneemt en het zoutgehalte naar de bodem toe toeneemt. Soms worden ze bij hun werk vergezeld door keizerpinguins, die rond het schip jagen en uit de zee opschieten om op hun buik te landen op de ijsschotsen.
Robben
Horst Bornemann en Mia Wege rekenen bij hun onderzoek op de medewerking van de bewoners van Antarctica. Terwijl vanaf het schip instrumenten in het water zakken, vliegen zij met de helikopter naar het zee-ijs om Weddellrobben uit te rusten met zendertjes. Die moeten veranderingen van de watermassa’s helpen begrijpen. Zojuist zijn de onderzoekers na een excursie op het ijs uitgeput weer geland op de Polarstern.
‘Vandaag hebben we twee Weddellrobben van zenders voorzien, een wijfje van meer dan 400 kilo en 3 meter lang en een kleiner mannetje,’ zegt Bornemann. De dieren lagen op een grote zee-ijsvlakte bij een ijsplaat in het oosten. Het was daar nogal onplezierig geweest, zegt hij, omdat er ijzige valwinden vanaf de randen van de ijsplaat over het ijs veegden.
Zeespiegelstijging
58 meter zou de zeespiegel stijgen als al het ijs op het continent Antarctica smelt. De gemiddeld 2,1 kilometer dikke ijskap van Antarctica bevat 90 procent van al het gletsjerijs op aarde. Omstreeks 14 procent daarvan in West-Antarctica, de rest in Oost-Antarctica.
Sinds het begin van de jaren negentig heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton gletsjerijs verloren – een ijsklomp van ruim 14 kilometer lengte – en de zeespiegel ongeveer een centimeter verhoogd. Prognoses voor de bijdrage van Antarctica aan de zeespiegelstijging tot het einde van de 21e eeuw variëren, afhankelijk van het scenario, van een paar centimeter tot bijna een halve meter.
Hij schiet de robben op het ijs van korte afstand een pijltje door het spek, om ze te verdoven. Zodra de verdoving werkt, ontvetten de onderzoekers de haren achter op de kop van de rob en plakken de sensor vast; bij de volgende verharing zal die eraf vallen. Tijdens de procedure houden ze de ademhaling en de lichaamstemperatuur van het dier in de gaten. Als het bijkomt is het nog een poosje suf, maar algauw waagt het zich in zee. Vandaag heeft de wijfjesrob al kort na terugkeer van de wetenschappers de eerste data over zoutgehalte en temperatuur geleverd.
Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen
Data uit de met ijs bedekte gebieden van Antarctica zijn schaars. Maar in de laatste jaren is een steeds gedetailleerder beeld ontstaan van de processen op de Weddellzeeplaat. Zo hebben wetenschappers bijvoorbeeld met heet water door honderden meters dik ijs geboord en sensoren geïnstalleerd onder het Filchner-Ronne-ijsplateau. Bovendien hebben expedities met de Polarstern de regio verkend, voor het laatst in 2018.
Daar was ook Markus Janout bij, fysisch oceanograaf van het AWI, die ook nu aan boord is. ‘In 2018 hadden we enorm veel geluk en konden we langs de hele ijsplaat varen,’ zegt hij. Gewoonlijk belemmert dik pakijs de toegang, maar een sterke zuidenwind had de schotsen weggeschoven. ‘We hadden een koude wind tot wel 50 graden onder nul. Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen.’
Metingen
Metingen tonen aan dat er tegenwoordig een stabiele circulatie van zeer koude watermassa’s bestaat op de Weddellzeeplaat – in tegenstelling tot de situatie op andere ijsplaatgebieden van Antarctica, die al van een koude naar een warme toestand gekanteld zijn. De circulatie begint met de vorming van zee-ijs. Daarbij ontstaat heel zout water, omdat het zout niet meebevriest maar als pekel door minieme kanaaltjes in het ijs de zee in sijpelt. Door een hoger soortelijk gewicht zinkt dat extra zoute water dan naar de zeebodem.
‘Dit koude, zware water stroomt op het zuidwestelijke continentale plat onder het Filchner-Ronne-ijsplateau, koelt daar verder af en wordt dan plaatijswater,’ legt Janout uit. Het plaatijswater is met minus 2,5 graden het koudste water in de oceaan. Een paar jaar later vloeit het via de Filchner-sleuf naar de rand van het plateau, waar het in de diepzee stroomt.
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt. Eind februari, in de Antarctische zomer, bedroeg die nog maar net 1,8 miljoen vierkante kilometer, ruim een miljoen minder dan het langjarig gemiddelde.
Dat komt neer op een verlies van bijna drie keer de oppervlakte van Duitsland. Vooral aan de kust van West-Antarctica was de teruggang van het ijs dramatisch. Maar anders dan op de Noordpool, waar het zee-ijs in de zomer al tientallen jaren afneemt, bestaat er in Antarctica nog geen duidelijke trend. En de ijsbedekking in de winter is vooralsnog even groot, ook al heeft die zich dit jaar minder goed hersteld dan anders. Volgens actuele studies zou op de lange termijn ook het Antarctische zee-ijs kunnen verdwijnen, ook in de Weddellzee.
Warmer water
Een vermindering van het zee-ijs in de Weddellzee zou ernstige gevolgen kunnen hebben. Enerzijds zou er minder zwaar water ontstaan, water dat de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronneijsplateau in stand houdt. Warmer water uit de diepte zou dan makkelijker op het continentale plat kunnen komen en een zichzelf versterkend proces op gang brengen, waarbij steeds meer water uit de diepzee onder het plaatijs stroomt en het doet smelten.
Anderzijds zou de circulatie in de diepzee vertraagd kunnen worden. Want de zware, koude watermassa’s op de Weddellzeeplaat zijn een belangrijke bron voor het water van de Antarctische bodem, dat zich in alle grote oceanen verbreidt. Minder zee-ijs en tegelijk meer zoet smeltwater zouden tot gevolg hebben dat het soortelijk gewicht van het plaatwater afneemt. De aanvoer van bodemwater zou stilvallen – en daarmee een belangrijke aandrijver van de mondiale circulatie in de oceanen.
De vorming van Antarctisch bodemwater speelt nog een andere rol: voor het klimaat. Rondom Antarctica lost vanwege de kou bijzonder veel CO2 uit de atmosfeer op in het oppervlaktewater, waarin het ten slotte naar de bodem zinkt. Bovendien komt koolstof in vruchtbare plaatgebieden met neerdwarrelende planktonresten in diepere waterlagen terecht. Op lange termijn zou de koolstofopname in de Weddellzee sterk afnemen, omdat er minder zwaar plaatwater in de diepzee stroomt.
Eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter
Na zes weken op zee nadert de expeditie haar einde. De onderzoekers hebben alle verankeringen geborgen en de instrumenten, na deze te hebben nagekeken, weer uitgezet. Ook de van zenders voorziene robben verzamelen vlijtig gegevens; eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter. Een eerste verwerking van de data uit de verankerde instrumenten laat geen buitengewone toestroom van warmer diepzeewater op het continentale plat zien. Begin 2025 zullen de onderzoekers terugkeren om te zien of de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronne-ijsplateau standhoudt.
Voor de thuisreis aanvangt, is de expeditie nog getuige van een natuurspektakel: van de naburige Brunt-ijsplaat in het noordoosten van de Weddellzeeplaat is een tafelijsberg van 56 bij 33 kilometer afgebroken, die langzaam wegdrijft van de rand van de ijsplaat. De onderzoekers varen met de Polarstern de ontstane opening in. Ze willen de eenmalige gelegenheid benutten om dit eerder ontoegankelijke deel van de oceaan te verkennen.
Waar ik me de koffietent Carthage Must Be Destroyed in het New Yorkse Bushwick vooral van herinner, is dat ik onderweg ernaartoe een demonstratiebord zag liggen van Black Lives Matter, op zijn kop ergens tegen een muurtje achtergelaten in een verlaten straat. Ik herinner me de neiging er een foto van te maken, wat ik niet deed omdat de treurige aanblik ervan iets zou symboliseren waarvan ik niet wilde dat het dat symboliseerde. Korte tijd later werd de beweging groter dan ooit.
Minder herinner ik me het roze interieur van de koffietent, al geloof ik wel dat ik er gecharmeerd van was. Een foto maken deed ik ook daarvan niet, laat staan iets op social media posten.
Anders dan Kyle Chayka, die over conceptzaakjes en de tirannie van het algoritme schrijft, zou ik in een vreemde stad nooit zoeken op ‘hipster koffietent’, hoewel ik de aantrekkingskracht begrijp; het aangename interieur, de smaakvolle muziek, de juiste mate van anonimiteit, de vaak hoge kwaliteit koffie. Wat me eraan tegenstaat, is de exclusiviteit: je betaalt 4,50 voor een capuccino. Dat zorgt voor een ongelijkheid die ook valt onder het ‘buitensporige consumeren’ waar hoogleraar filosofie Kohei Saito zich tegen verzet. Volgens hem is ontgroeien, ons losmaken van het kapitalisme, vooralsnog een utopie, maar wel mogelijk, al is het alleen omdat mensen ongelukkig worden van banen zonder zekerheid, met lage lonen en veel concurrentie.
Hij richt zich met concrete voorstellen op ‘een trager economisch stelsel waarin het welzijn van mens en planeet centraal staat’.
Sommige geïnterviewden zijn zelfs bereid een baan te nemen die minder betaalt
Het gebrek daaraan is een van de redenen die Marokkanen in Europa noemen als reden om massaal de andere kant op te trekken dan de eerste generatie in de jaren zestig: terug naar het land van herkomst. Sommige geïnterviewden zijn zelfs bereid een baan te nemen die minder betaalt, als de kwaliteit van leven er maar op vooruitgaat. Want ‘er gaat niets boven de warme sfeer van het land’.
Los van de islamofobie, die hierbij ook een rol speelt, zou je dit als een succesvol migratieverhaal kunnen zien; deze mensen hebben genoeg opgebouwd om een dergelijke keuze te kunnen maken, en blijkbaar altijd een sterke band gehouden met hun geboorteland of dat van hun ouders. Ze zijn Europa ‘ontgroeid’. Minder succesvol is het migratieverhaal van ‘Vladislav’. Tot drie keer toe probeert hij voor een bedrag van 1000 euro passagiers van Boergas naar Sofia te smokkelen; hij vond een advertentie op Telegram. Omdat het om hem heen ‘barst van de mensen’ die op een dergelijk bod ingaan, vertelt hij zijn verhaal aan de Bulgaarse krant Kapital. Zo kan hij anderen dit ongeluk tenminste besparen.
Diep onder het zeeoppervlak tussen Noorwegen en Groenland zwemt een monster dat vijfhonderd jaar geleden werd geboren. Een schrijver en een wetenschapper hebben beiden zo hun eigen redenen om de mysterieuze Groenlandse haai aan de haak te willen slaan.
Keuze uit het archief
Afgelopen week overleed een Duitse vrouw op de Canarische Eilanden aan de gevolgen van een haaienaanval. Het was de eerste dodelijke haaienaanval die ooit op de Canarische Eilanden is vastgesteld.
Het voorval bewijst maar weer eens dat haaien en mensen beter niet bij elkaar in de buurt kunnen komen. Toch zijn er mensen die het gevaar bewust opzoeken, zoals bioloog Julius Nielsen en schrijver Morten Strøksnes. Dit artikel uit 2018 van het Deense dagblad Politiken beschrijft hun zoektocht naar de Groenlandse haai, het langstlevende gewervelde dier ter wereld.
De Deense bioloog Julius Nielsen heeft al verscheidene Groenlandse haaien gevangen. Hij doet onderzoek naar dit oerbeest, het langstlevende gewervelde dier ter wereld. In mei 2017 ging hij met een internationale groep onderzoekers naar Groenland, om antwoord te vinden op de vraag hoe de Groenlandse haai zich voortplant.
28 april 2017
In de eerste 24 uur van de expeditie leren we het voorjaar in Zuidwest-Groenland van zijn slechtste kant kennen. We varen door windstoten van orkaankracht. Acht meter hoge golven slaan van alle kanten tegen het schip. De lunch gaat niet door, want de kok werd door de kajuit geslingerd, zodat al het eten op de vloer terechtkwam en alle borden van het schip met een enorme knal kapot vielen.
Morgen eten we soep, dus is de kapitein eerst naar de dichtstbijzijnde stad gevaren om nieuwe soepkommen te gaan kopen. Nu moeten we de lange lijnen checken. Vanaf het land is het lastig te voelen of er iets aan de lijnen zit. Dus we staan allemaal in de boot naar het water te kijken en proberen te schatten of het touw zo gespannen is dat er een haai aan de lijn zou kunnen zitten. Maar de uitrusting is zo zwaar en de stroom zo sterk, dat het enorm moeilijk is om te beoordelen wat er aan de lijnen trekt.
Het moeilijkst aan het vangen van Groenlandse haaien is om het roofdier naar de oppervlakte te krijgen. De haai stribbelt tegen, hij moet uitgeput worden en in dat proces kan de lange lijn als één grote knoedel eindigen. Opeens komt er 4 à 5 meter onder het schip een reusachtige schaduw tevoorschijn – een enorme haai. Hij meet 430 centimeter van zijn kop tot de punt van zijn staart en weegt wel zo’n 800 kilo. Met dat gewicht en die lengte is de haai vermoedelijk ouder dan honderd jaar. We barsten uit in spontaan gejuich.
Als we al onze lange lijnen hebben gecheckt, hebben we wel zeven haaien. Een supervangst. Hoeveel eet hij?
Slapende zeehonden
De Groenlandse haai is het op een na grootste vleesetende dier ter wereld, maar de meest basale vragen over hem zijn nog niet beantwoord. Hoe vangt hij zijn voedsel?In 1924 beschreef de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen hoe hij in de maag van zo’n reuzenroofdier een hele zeehond vond – een mannetje van 1,3 meter – een grote kop van een heilbot en meerdere stukken walvisspek. Wij hebben het geluk twee volkomen intacte zeehonden in de maag van een van de haaien te vinden. De kop en de poten van de zeehond kunnen goed dienstdoen als aas aan de lange lijnen, en zeehonden zijn altijd moeilijk te pakken te krijgen. Zo eindigt het onverteerde diner van de haai meteen aan de haak, als lokaas voor zijn hongerige soortgenoten.
De Groenlandse haai heeft complexe zintuigen. Vermoedelijk ziet hij niet zo goed, maar besluipt hij zijn prooi door af te gaan op diens geur en met behulp van zijn zijlijnzintuig, waarmee hij vermoedelijk drukveranderingen in het water kan onderscheiden. Ook heeft de haai een zintuig dat in zijn kop zit, vooral rond zijn bek. Daarmee voelt hij elektrische impulsen, bijvoorbeeld van een hartslag van een vis op de bodem.
De Groenlandse haai is in verhouding tot zijn grootte de langzaamste vis ter wereld – hij beweegt zich voort met een vaartje van 2,6 kilometer per uur. Daarom is het enigszins een mysterie hoe dit schijnbaar slome roofdier levende zeehonden kan vangen.
Volgens een theorie zoeken de haaien slapende zeehonden. Om veilig te zijn voor ijsberen, slapen zeehonden in de Noordelijke IJszee in het water, en een zeehond die echt diep slaapt, wordt bijna nergens wakker van.
Een ander groot mysterie rond de Groenlandse haai is zijn leeftijd. Ik heb er ooit een onderzocht die volgens onze berekeningen minstens 272 jaar oud was, en mogelijkerwijs zelfs 512 jaar. Hoe dan ook was het het oudste gewervelde dier dat ooit is gevangen.
Het hart van de haai is interessant voor onderzoekers, omdat het misschien licht kan werpen op de vraag hoe de Groenlandse haai zijn hoge leeftijd haalt. Het pompt langzaam – ongeveer één slag per 12 seconden. Onze haai heeft een verhoogde hartslag, omdat hij zojuist voor zijn leven heeft gevochten.
Mijn collega Holly Shields van de Universiteit van Manchester doet onderzoek naar de vraag wat het hart van de Groenlandse haai honderden jaren lang gezond en sterk houdt. Als het lukt om uit te vinden hoe de haai hart- en vaatziekten vermijdt, kan dat misschien de weg openen voor een nieuw medicijn dat de verzwakking van het menselijk hart door ouderdom kan voorkomen.
Het oog van de haai is interessant voor onderzoekers voor wat betreft het bepalen van de leeftijd van het beest. Als je de vele lagen van de ooglens afpelt – als een ui – kom je uiteindelijk in het centrum van de lens, en dat bestaat uit hetzelfde materiaal als toen de haai werd geboren. In dit binnenste materiaal van de ooglens meten we het koolstof 14-niveau. Vergelijk je dat met referentiemateriaal van dieren waarvan de leeftijd bekend is op verschillende plekken in de noordelijke Atlantische Oceaan, dan wordt het mogelijk het waarschijnlijke geboortejaar van de haai te berekenen.
Sociale haaien
De methode die wij gebruiken, is oorspronkelijk ontwikkeld om archeologische vondsten te dateren. We weten dat vrouwtjeshaaien geslachtsrijp worden als ze ten minste 134 jaar oud zijn. Er is echter maar één keer in de geschiedenis een haai gevangen met een jong in de baarmoeder, dus we weten niet zo veel over de biologie van de voortplanting van de haai.
Een van de haaien die we vingen, is helaas doodgebeten door zijn soortgenoten terwijl hij aan de lange lijn hing. Het blijkt een geslachtsrijp mannetje te zijn en dat is een groots moment, want het is voor het eerst dat geslachtsrijpe mannetjes en vrouwtjes op dezelfde plek zijn gevangen.
De mannelijke Groenlandse haai heeft twee geslachtsorganen, claspers, en als je in de buurt van een daarvan drukt, spuit daar een melkachtige vloeistof uit: het sperma van de Groenlandse haai. Dat is voor zover ik weet nog niet eerder geobserveerd en het is waanzinnig interessant. Het duidt er namelijk op dat de haaien misschien bezig zijn te paren, juist nu wij er zijn.
Een van de doeleinden van onze expeditie is te begrijpen hoe haaien zich voortplanten. Daarom plaatsen we gps-zenders op alle vrouwtjeshaaien die we vangen. De zenders vertellen ons over de positie van de haai, drie, zes en twaalf maanden nadat we ze hebben losgelaten. Gedurende deze week brengen we zendertjes aan bij zes dieren. Als we de haaien vervolgens willen loslaten, zijn ze een ogenblik als versteend. Dan beginnen ze te duiken. Over een paar maanden, als de zenders zijn losgeraakt en naar de oppervlakte gestegen, zullen we meer weten over de verplaatsingen van de mysterieuze Groenlandse reuzenhaai, en dat kan ons misschien dichter bij hun voortplantingsgebied brengen.
Als we data van de zender op de haai beginnen te ontvangen, is het duidelijk dat onze expeditie een succes is. Daarbij zijn vooral twee groepen data interessant. Gebleken is dat een van de vrouwtjeshaaien in drie maanden beduidend verder heeft weten te zwemmen dan haar soortgenoten. Zij zette koers naar een plek waarvan we van tevoren al vermoedden dat het een voortplantingsgebied was. Nu hebben we data die ons vermoeden bevestigen, en dat is geweldig.
Onze data wijzen er bovendien op dat Groenlandse haaien socialer zijn dan vroegere onderzoeken hebben aangetoond. Over het algemeen wordt gedacht dat haaien alleen leven, maar vissers vertellen vaak dat ze tegelijkertijd meerdere haaien in hun netten krijgen. Zelf vangen wij ook meerdere haaien tegelijk. Daarom is het interessant om te zien dat twee van de haaien die we op onze tocht vangen, ook na drie maanden nog bij elkaar zwemmen – zo’n 700 km verderop, aan de oostkust van Groenland. Dat duidt erop dat de haaien zich in grote groepen van het ene gebied naar het andere kunnen bewegen.
In zijn boek Haaienkoorts vraagt Morten Strøksnes zich af waarom hij zo graag een Groenlandse haai wil vangen. Is het om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen? Om zijn angst onder ogen te zien? Is het zijn jagersinstinct, de droom om de grootst mogelijke buit van de zee te vangen? En stel dat het niet volgens plan verloopt? Al die vragen doen er niet toe op het moment dat je een haai aan de haak hebt.
Een zaterdag in juli
Laat op een zaterdagavond in juli, 3,5 miljard jaar na het moment waarop in zee het eerste primitieve leven is ontstaan, zit ik bij een feestelijk etentje in het centrum van Oslo, als ik word gebeld door Hugo Aasjord. ‘Heb je het weerbericht voor de volgende week gezien?’ vraagt hij. We wachten allebei al lang op een bepaald type weer. Wat we nodig hebben, is zo weinig mogelijk wind op de zee tussen Bodø en de Lofoten. Eigenlijk heb ik een heleboel andere dingen te doen, maar ik antwoord zonder aarzelen: ‘Ja, laten we een Groenlandse haai gaan vangen.’
De Groenlandse haai is een dier uit de oertijd, een reuzenhaai die rondzwemt over de bodem van de diepe Noorse fjorden en voorkomt tot aan de Noordpool. Deense zeebiologen hebben onlangs ontdekt dat de Groenlandse haai misschien wel vijfhonderd jaar oud kan worden; daarmee is hij verreweg het langstlevende dier dat er bestaat.
Hugo’s vader had als jongen van acht al deelgenomen aan de walvisjacht. Hij vertelde altijd hoe ze een keer een opdringerige Groenlandse haai harpoeneerden en die ophesen aan zijn staartvin. Ook al was het beest halfdood en hing hij met zijn kop omlaag en met een harpoen dwars door zijn rug, toch slokte hij een groot stuk walvisvlees op dat op het dek lag.
Als Hugo over de Groenlandse haai praat, krijgt hij een bepaalde gloed in zijn ogen en een bepaalde klank in zijn stem. De meeste soorten vissen en andere dieren in de zee heeft hij wel gezien, maar juist de reuzenhaai is hij nooit tegengekomen.
Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt
En ik evenmin. Het kost Hugo dan ook geen moeite om me over te halen: ik hap instinctief toe, om het zo maar te zeggen. Ook ik ben opgegroeid bij de zee en ik vis al sinds ik een klein jochie was. Nog steeds krijg ik, altijd als ik beet heb, het gevoel dat bijna alles uit de diepte omhoog kan komen. Is er eigenlijk wel iemand die beseft dat er in het diepe water van de Vestfjord Groenlandse haaien rondzwemmen, haaien die tussen de 7 en 8 meter lang kunnen worden en 1200 kilo kunnen wegen? Afgezien van Hugo, natuurlijk.
De boot schiet weg. Aan deze kant van het eiland is het volkomen stil, de enige rimpelingen op het water maken we zelf. We hebben geen idee wat zich onder het bijna witte oppervlak afspeelt. Op 150 à 200 meter diepte is bijna al het licht door het water geabsorbeerd. Daar is alleen nog een grijzig licht te onderscheiden, als van een oude tv die langzaam uitdooft. Op zo’n 500 meter diepte is het inktzwart. Er is geen fotosynthese meer, geen enkel plantenleven mogelijk. Die duistere, koude diepte is de wereld van de Groenlandse haai, daar glijdt hij rond, stil en geluidloos als een machine van vlees, met gif in zijn spek, in zijn bloed, in zijn lever, en met levenloze, halfblinde ogen waar parasieten uit hangen, lange larven die de oogappel doorboren. De enige levende wezens waarmee hij contact heeft, zijn de dieren die hij eet.
Brakend maak ik een gat in de vuilniszakken die gevuld zijn met resten van Schotse Hooglanders: darmen, lever, kraakbeen, botten, vet, rafels vlees en maden. Dan gooi ik vier van de vijf zakken over de reling. Onder in de zakken zitten zware stenen, en alles zakt dan ook direct naar de bodem. In de vijfde zak zitten wat stevige botten met vlees eraan, die we als aas gaan gebruiken.
Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt. Nu maar hopen dat de Groenlandse haai niet over de reling springt terwijl ik net een heupbeen vol rood, rottend vlees aan de stevige, glanzende haak doe. Wat gebeurt er meer dan 300 meter onder ons? Begint het beest ons stinkende afval al te ruiken? De olieachtige stoffen van verrotting moeten ver verspreid raken in het water.
Er zijn nog wat details die we nog niet hebben besproken. Wat doen we als we daadwerkelijk zo’n Groenlandse haai naar boven halen? Het is een soort angstig plezier om daarover na te denken.
Bewegende boei
‘Wacht eens! Beweegt die boei?’ vraagt Hugo.
Die lijkt inderdaad in een onnatuurlijk ritme op en neer te gaan, als een gigantische dobber. Een paar honderd meter van waar wij zitten, midden in een school makreel, is er duidelijk iets aan de hand. Hugo start de motor en binnen een minuut zijn we bij de lijn. Hugo begint hem in te halen. Dat wil zeggen: hij trekt aan de lijn en er is geen twijfel aan dat zich daaraan iets groots heeft vastgebeten. Na een tijdje neem ik het over. Dan gaat het nog langzamer. Heb je weleens geprobeerd een Groenlandse haai, die misschien wel 7 meter lang is en 700 kilo weegt, en die vastzit aan 350 meter touw met aan het eind een 6 meter lange ketting, op te halen van de bodem van de zee? De lijn bijt in je vingers en elke decimeter is loodzwaar, je verliest bijna het geloof dat het ooit nog ophoudt. Dat er kwallen vastzitten aan het touw en we geen handschoenen hebben, maakt de taak er niet aangenamer op. Mijn armen zijn gevoelloos, maar als er nog maar zo’n 50 meter te gaan is, wordt alles opeens veel gemakkelijker. Iedereen die weleens heeft gevist, kent dat gevoel van diepe teleurstelling. In een split second worden grote verwachtingen tenietgedaan. Hoe het touw ook in je handen snijdt, de afwezigheid van gewicht doet nog meer pijn.
Nu zijn de ketting en de haak snel onder de boot en ik hijs verder, totdat de haak voor ons in de lucht bungelt. Aan die haak zat, toen we hem neerlieten, een bot vol rood vlees. Nu is dat bot volmaakt schoongeknaagd. Er kriebelen massa’s oranje diertjes op. Ze doen denken aan luizen of kleine insecten: dat moeten de diertjes zijn die in de buikplooien van de Groenlandse haai leven.
In het bot en het vet zien we duidelijk de zaagvormige sporen van de beet. Ik had de haak door een peesopening gestoken en daardoor is het bot blijven zitten. Ik had verwacht dat de haai in elk geval het hele bot zou verbrijzelen als hij beet. Daarom hing de haai niet vaster aan de haak. Daarom raakte hij los. Daarom zitten we hier stommetje te spelen.
Daar beneden zwemt ons monster, wachtend tot het weer wordt gevoerd.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.