Tag: fabriek

  • De fabriekssteden achter China’s EV-imperium

    De fabriekssteden achter China’s EV-imperium

    China’s offensief om de markt voor elektrische auto’s (EV) te domineren begint in fabriekssteden op het platteland, waar de lopende banden dag en nacht draaien en het leven wordt bepaald door een non-stopproductie.

    Na een jaar werkloosheid belandde de vierendetigjarige Han Jinzhong achter een lopende band in het noordwesten van China, met een elektrische schroevendraaier in zijn hand.

    Acht uur per dag pakt hij het gereedschap op, draait een schroef vast, scant een QR-code en activeert een camera om het werk te controleren. Steeds opnieuw, vijftienhonderd keer per dienst.

    Han is een van de meer dan veertigduizend werknemers in een uitgestrekt fabriekscomplex in Jixian, een stad onder het bestuurlijke toezicht van Xi’an, de provinciehoofdstad van Shaanxi, en nu de spil van de productiestrategie van autofabrikant Build Your Dreams (BYD). In 2024 werd de stad de eerste van BYD – en China – die meer dan een miljoen voertuigen produceerde.

    ‘We noemen dit soort werk “het aandraaien van de duimschroeven”,’ vertelt Han, die uit privacyoverwegingen om een pseudoniem heeft gevraagd. Deze loodzware shifts maken deel uit van de niet-aflatende motor die de Chinese EV-revolutie aandrijft, een revolutie die BYD hielp Tesla te overtreffen in kwartaalverkopen en de Chinese autoproductie in 2024 naar meer dan 10 miljoen voertuigen stuwde.

    2024 比亚迪 133
    © Wu Huiyuan

    De fabrieken van BYD in Xi’an, die zich over kilometers uitstrekken en meer dan 102.000 werknemers in dienst hebben, vormen het hart van deze ontwikkeling. Ver weg van de strakke showrooms in de metropolen of de innovatiehubs langs de oostkust van China, zijn lokale overheden in het hele land zichzelf snel aan het hervormen om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar elektrische voertuigen.

    In de begindagen van de hausse op het gebied van elektrische voertuigen liepen grote steden als Shanghai en Shenzhen voorop doordat ze hun industriële basis en financiële kracht gebruikten om autofabrikanten aan te trekken. Door de concurrentie is de focus nu meer landinwaarts komen te liggen.

    Zo heeft Hefei in de oostelijke provincie Anhui miljarden geïnvesteerd in het hoofdkwartier van NIO, een van China’s grootste spelers op het gebied van EV’s, waardoor de stad een trekpleister is geworden voor autofabrikanten en toeleveranciers.

    Yibin in de zuidwestelijke provincie Sichuan lokte batterijgigant CATL, ’s werelds grootste fabrikant van EV-batterijen, om zijn lokale economie te verstevigen. En Liuzhou, in de zuidelijke Guangxi Zhuang Autonome Regio, richtte zich op betaalbare mini-EV’s met door de staat gesteunde stimuleringsmaatregelen.

    Deze initiatieven veranderen voorheen stille landbouwregio’s in industriële hubs, en naarmate de fabrieken groeien, groeit ook hun greep op de arbeiders en de steden die eromheen zijn gebouwd.

    ‘Het werk is misschien vermoeiend, maar het is stabiel en biedt zelfs socialezekerheidsuitkeringen’

    Buiten de poorten van de BYD-fabriek in Xi’an gonst het in Jixian van de nieuwe bedrijfjes – winkeltjes met bubbelthee, noedelkraampjes en biljartzalen – die allemaal vechten om de aandacht van de arbeiders in blauwe uniformen die tijdens de ploegenwisselingen naar buiten stromen.

    Voor veel inwoners bieden de fabrieken kansen, maar ook een nieuw soort afhankelijkheid van het ritme van de lopende band. Sommigen noemen het vooruitgang; anderen betreuren het dat het op zichzelf staande ecosysteem van BYD – met zijn eigen kapperszaken, sportscholen en buurtwinkels – een groot deel van het dagelijkse leven binnen de fabriekspoorten houdt.

    ‘Het werk is misschien vermoeiend, maar het is stabiel en biedt zelfs socialezekerheidsuitkeringen,’ zegt Han.

    ’s Avonds wordt het stil in de straten van Jixian. De gloed van de fabriek straalt aan de horizon en de auto’s die er worden gemaakt zullen wereldwijd voor verandering zorgen. Voor de Chinese EV-industrie is Jixian een succesverhaal, een microkosmos waarin de ambities van het land weerspiegeld worden.

    Maar voor de inwoners van de stad, en nu ook voor de duizenden werknemers van BYD, is deze nieuwe welvaart gebonden aan productiedoelen en eindeloze ploegendiensten die hen er constant aan herinneren dat vooruitgang een prijskaartje heeft.

    Vacatures

    Han heeft de persoon die hem aan zijn baan hielp nooit ontmoet. Hij stuitte op een bericht van een BYD-medewerker op Xiaohongshu, het populaire lifestyleplatform, waarin hij advertenties plaatste voor vacatures in de fabriek in Jixian. 

    ‘Ik kon echt geen baan vinden. Mijn familie zette me onder druk en ik kon mijn lasten niet meer betalen. Deze persoon zei dat hij me kon doorverwijzen, dus ik stuurde hem mijn naam, telefoonnummer en ID-kaartgegevens,’ vertelt Han.

    Een paar weken later stond Han in de fabriek. Toen begreep hij het: het werven van nieuwe krachten hoorde bij het werk.

    Het wervingssysteem van BYD beloont werknemers met geldbonussen voor doorverwijzingen; 3000 yuan (400 dollar) voor de doorverwijzer en 2000 yuan voor de nieuwe medewerker, op voorwaarde dat ze ten minste drie maanden blijven. Het is een eenvoudig systeem dat van werknemers onofficiële recruiters maakt.

    Op Xiaohongshu stroomt de commentaarsectie over van enthousiaste reacties: ‘Kan ik meedoen?’; ‘Zijn nachtdiensten verplicht?’; ‘Hoeveel verdien ik per maand?’; ‘Is het zittend of staand werk?’

    2024 比亚迪 96
    © Wu Huiyuan

    ‘Iedereen kan meedoen,’ zegt Han. ‘De meeste van mijn collega’s hebben allerlei achtergronden: flexwerkers, obers, bouwvakkers. Zolang je een middelbare schoolopleiding of hoger hebt, is dat genoeg.’

    Gemiddeld verdienen de assemblagemedewerkers van BYD minstens 4000 yuan per maand, het dubbele van het besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking in de plaatselijke dorpen. Volgens Yang Yan, een arbeidsbemiddelaar in Xi’an, zijn er maar weinig bedrijven die BYD kunnen evenaren als het gaat om langdurige werkgelegenheid en stabiele socialezekerheidsuitkeringen.

    Meng Yao, 24 jaar, kwam in september bij de BYD-fabriek in Xi’an terecht, ook via een interne doorverwijzing. Net als Han kwam hij om ‘de duimschroeven aan te draaien’, aangetrokken door de belofte van een vast salaris en goede secundaire arbeidsvoorwaarden.

    Maar de baan betekent meer dan alleen een loonstrookje. Meng heeft een zeldzame oogaandoening waarvoor hij maandelijks dure medicijnen nodig heeft en zijn moeder lijdt aan een slopende aandoening in haar onderrug. De ziektekostenverzekering van BYD dekt een toekomstige operatie om zijn gezichtsvermogen te behouden. 

    ‘Jonge mensen willen niet meer boeren; ze hebben liever een baan’

    Die belofte van stabiliteit heeft een stroom werknemers naar Jixian getrokken. Minstens twintigduizend lokale werknemers werken voor BYD en veel anderen, zoals Han, zijn uit naburige provincies gekomen. In dorpen rond Xi’an keren jonge inwoners die zich ooit gedwongen zagen om voor werk naar verre steden te vertrekken terug naar huis om bij BYD aan de lopende band te staan.

    ‘De jonge mensen kwamen allemaal met BYD mee,’ zegt Ren, een plaatselijke kapper van in de veertig. Een deel van de fabriek staat nu op de voormalige kastanjeboerderij van haar familie. Enkele jaren geleden verkocht ze het land zonder veel aarzeling voor 40.000 yuan per mu (ongeveer een vijftiende van een hectare). ‘Jonge mensen willen niet meer boeren; ze hebben liever een baan,’ voegt ze eraan toe.

    Tegenwoordig runt Ren een kapperszaak in het centrum van de stad, een bedrijf dat wordt gevoed door de constante stroom BYD-werknemers die naar Jixian komen. Haar kleine zaak is slechts een van de 594 winkels die nu verspreid zijn over Jixian en de naburige stad Jiufeng; zes keer zoveel als in 2018, volgens binnenlandse media.

    Micro-economie

    Wang Miao en zijn vrouw runnen het enige koffiehuis in Jixian. Ze hadden ooit een bubbeltheewinkel, maar maakten een switch toen de concurrentie toenam. Ondanks enkele hobbels – een haperende koffiemachine of onervaren personeel – is het bedrijf erin geslaagd om te overleven. In november haalde een fabrieksarbeider tijdens een lunchpauze een keer een dozijn kopjes koffie, een teken van de aanhoudende vraag naar koffie.

    Al deze bescheiden bedrijven maken deel uit van een ontluikende micro-economie die wordt gevoed door de snelle uitbreiding van BYD. Boeren die nu verkopers zijn, staan bij zonsopgang langs de fabriekspoorten en serveren een ontbijt aan de massa’s werknemers die arriveren voor hun dienst. Kersverse ondernemers zetten hun spaargeld in voor ondernemingen die inspelen op de toestroom van arbeiders in blauwe uniformen.

    Een medewerker van een plaatselijke middelbare school vult zijn inkomen aan door na schooltijd kiwi’s van eigen bodem te verkopen aan BYD-werknemers – een knipoog naar de agrarische wortels van Jixian.

    2024 比亚迪 102
    © Wu Huiyuan

    Net voorbij de eeuwenoude stad Xi’an, beroemd om haar Terracotta-krijgers en haar geschiedenis als een van de vertrekpunten van de zijderoute, ligt Jixian, een stad die onder het bestuur van Xi’an valt en deel uitmaakt van het district Zhouzhi, dat algemeen bekendstaat als China’s ‘kiwihoofdstad’.

    Hoewel Jixian, waar de grond minder geschikt is voor grootschalige teelt, slechts een bescheiden bijdrage heeft geleverd aan dit erfgoed, gaat de naam, die ruwweg vertaald kan worden als ‘talenten verzamelen’, terug tot de Yuan-dynastie (1279-1368), toen er minstens tien iconische geleerden woonden.

    De transformatie begon slechts zes jaar geleden, in 2018, toen BYD de stad uitkoos als locatie voor zijn nieuwste productiecentrum. Wat begon als een eenfasige fabriek is sindsdien uitgegroeid tot ongeveer de grootte van krap driehonderd voetbalvelden.

    Het kostte slechts veertien dagen om het benodigde land van de boeren over te nemen. In een overheidsrapport uit 2021 werd deze ‘recordsnelheid’ geprezen.

    Tegen 2021 was de fabriek zodanig gegroeid dat ze het stadje volledig in de schaduw stelde. De fabriek in Jixian heeft meer dan 40.000 werknemers, meer dan de officiële 37.000 inwoners van de stad. Vandaag de dag is BYD de meest waardevolle autofabrikant van China, met een marktwaarde van 839 miljard yuan (115 miljard dollar).

    Cruciaal

    Jixian is cruciaal geweest voor dit succes. In 2022 was Xi’an korte tijd China’s belangrijkste stad voor de productie van voertuigen die rijden op duurzame energie, waarbij het traditionele hubs als Shanghai en Shenzhen voorbijstreefde. Dat jaar verkocht BYD 1,86 miljoen van dit soort voertuigen, waarbij de vestiging in Xi’an 995.000 eenheden produceerde, meer dan de helft van de totale productie van het bedrijf.

    Toch begrijpen de inwoners niet precies waarom Jixian werd gekozen als het op een na belangrijkste productiecentrum van BYD. De meest gegeven verklaring is dat de grond hier goedkoper is, zij het van mindere kwaliteit vanwege de beperkte irrigatie, waardoor landbouw nauwelijks rendabel is.

    Voor BYD heeft Xi’an een symbolische waarde als de bakermat van de autofabricage van het bedrijf. In eerste instantie had BYD zich op lithiumbatterijen gericht, maar na de aankoop van een autofabriek in Xi’an in 2003 schakelde het bedrijf over op voertuigen. Naarmate de vraag toenam, breidde het bedrijf uit en de fabrieken in de stad werden het meest ambitieuze project tot nu toe.

    Het totale personeelsbestand passeerde net vóór de dertigste verjaardag van het bedrijf de 900.000

    Achter deze snelle opkomst gaat een uitgebreid netwerk van overheidssteun schuil – van subsidies tot versnelde grondaankopen – een grimmig voorbeeld van de macht die de staat bezit om plattelandseconomieën te hervormen.

    Tussen 2011 en 2018 sluisden overheidsinstanties 1,18 miljard yuan naar BYD’s afdeling in Xi’an, terwijl de centrale overheid tussen 2020 en 2022 nog eens 6,6 miljard yuan in de kas van het bedrijf stopte.

    BYD profiteerde ook van de enorme beroepsbevolking in China, een hulpbron die cruciaal is gebleken voor de groei sinds 2020, het jaar waarin de particuliere EV-markt echt van de grond kwam.

    Tussen augustus en oktober 2024 nam BYD bijna 200.000 werknemers aan, waardoor het totale personeelsbestand net vóór de dertigste verjaardag van het bedrijf de 900.000 passeerde.

    Maar het personeelsbestand laten groeien is nog niet alles. Het gemotiveerd houden van dit enorme personeelsbestand is essentieel voor de strategie van het bedrijf in een markt die wordt gekenmerkt door slopende ploegendiensten en een hoog personeelsverloop.

    2024 比亚迪 52
    © Wu Huiyuan

    BYD’s antwoord is het creëren van een heus ecosysteem; het leven van werknemers wordt opgenomen in de bedrijfssfeer door middel van voorzieningen, huisvesting en scholen op locatie, waardoor de grens tussen werk en gemeenschap vervaagt.

    ‘BYD voorziet in alles: je kunt werken bij BYD, trouwen met een BYD-collega, rijden in een BYD-auto, wonen in een BYD-gemeenschap en je kinderen naar een BYD-school sturen,’ staat te lezen in een boek dat werd uitgegeven ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van BYD op 18 november 2024. ‘Dit geeft werknemers het gevoel dat ze bij BYD niet alleen een baan krijgen, maar samen met een gemeenschap aan een gedeelde toekomst beginnen.’

    Het boek werd gratis uitgedeeld aan elke werknemer, inclusief lopendebandmedewerkers zoals Han en Meng, hoewel geen van beiden tijd – of energie – had om het zorgvuldig te lezen.

    Werkschema

    Voor Meng Yao voelt het leven in de fabriek als een eindeloze loop waarin hij noch de tijd noch de wil heeft om te genieten van de sportvelden, sportscholen of bubbeltheewinkels.

    ‘Je bent het grootste deel van de dag aan het werk; er is geen tijd voor iets anders,’ zegt de vierentwintigjarige arbeider. ‘In de twee maanden dat ik hier ben, heb ik nauwelijks buiten de deur gegeten, want tegen de tijd dat ik klaar ben, ben ik zo uitgeput dat ik alleen nog maar in bed wil neerploffen.’

    Dit werkschema is uit nood geboren. Met een basissalaris van slechts 2000 yuan per maand is Meng afhankelijk van overuren om rond te komen. Extra uren maken brengt zijn maandloon op ongeveer 6000 yuan, maar dan moet hij wel met slechts een dun stofmasker op tien uur lang naast de vonkende lasmachines staan, oorverdovend lawaai verdragen en het risico lopen op brandwonden door rondvliegende vonken.

    Overwerken kan echter veel spanningen met zich meebrengen. Volgens Han ontstaan er vaak ruzies tussen concurrerende collega’s die extra uren proberen te bemachtigen.

    ‘Bij BYD kan het bespreken van salarissen leiden tot sancties’

    ‘Iedereen wil graag zijn salaris met dat van anderen vergelijken,’ zegt Han. ‘Maar bij BYD kan het bespreken van salarissen leiden tot sancties. Dus in plaats daarvan wedijveren de arbeiders om wie de meeste overuren mag maken.’

    Ondanks het harde werken vindt Meng BYD ‘menselijk’, vooral vergeleken met zijn vorige baan bij Foxconn, een grote toeleverancier van Apple, waar hij werkte toen hij achttien was. Maar als we doorvragen, heeft hij moeite om uit te leg gen wat er zo menselijk is aan het bedrijf.

    ‘Misschien geldt dat inderdaad meer voor de ingenieurs in witte uniformen,’ geeft hij uiteindelijk toe en hij vertelt dat er bij BYD een grimmige hiërarchie bestaat, waarin werknemers worden gerangschikt en letters krijgen toegewezen van A tot I. Werknemers zoals Meng en Han zijn ingedeeld bij H of I, ver verwijderd van de extraatjes van werknemers uit een hogere categorie.

    ‘Maar goed, zo werkt deze wereld nu eenmaal. Voor mensen zoals wij maakt het niet uit of je weggaat of blijft, of je leeft of dood bent,’ zegt Meng.

    Het ritme van de fabriek

    Buiten de poorten van BYD zijn de bedrijven in Jixian al net zozeer gebonden aan het ritme van de fabriek. Hun voorspoed stijgt of daalt naarmate de stroom werknemers en het loon dat ze te besteden hebben, toe- of afnemen.

    ‘Winkels ontstaan snel, maar verdwijnen net zo vlug,’ zegt Ren, de plaatselijke kapper. Ze herinnert zich hoe het tien jaar geleden was, toen haar kapperszaak als enige in de stad ‘elke dag van zonsopgang tot zonsondergang vol zat met klanten’. In die tijd bruiste het centrum van de stad van de mensen die zich even konden onttrekken aan het strakke schema van het fabrieksleven. Op een rustige novembermiddag telt ze nu slechts twee klanten.

    2024 比亚迪 255
    © Wu Huiyuan

    ‘Vroeger kwamen de arbeiders naar de stad om dingen te kopen,’ zegt Ren. ‘Maar nu BYD zijn eigen winkels en faciliteiten in de fabriek heeft, doen ze dat niet meer.’

    Het ritme van de stad weerspiegelt het schema van de fabriek.

    Elke ochtend rijden er lichtgroene elektrische bussen door de stille straten om de werknemers van de dagploeg naar de fabriek te brengen. Terwijl die inklokken, druppelen de werknemers van de nachtploeg naar buiten en stoppen bij kraampjes langs de weg voordat ze zich terugtrekken in hun slaapzalen. Halverwege de ochtend zijn de straten weer verlaten.

    Deze gang van zaken herhaalt zich bij zonsondergang. Hoewel de dagploeg rond 17.30 uur eindigt, blijven de meeste arbeiders overwerken, waardoor de restaurants en slaapzalen maar even drukbezet zijn voordat de stilte terugkeert.

    Speelhallen en internetcafés komen tot leven in het weekend, wanneer het wemelt van de jonge werknemers die er even tussenuit willen

    Speelhallen, biljartzalen en internetcafés komen tot leven in het weekend, wanneer het wemelt van de jonge werknemers die er even tussenuit willen. Maar doordeweeks is het er akelig stil.

    Terug op de slaapzalen van de fabriek kijkt Han naar het komen en gaan van arbeiders om hem heen. Het lege bed naast het zijne is een stille herinnering aan het personeelsverloop; zijn collega is weg, naar een andere fabriek of helemaal vertrokken bij BYD. 

    ‘Ik vind het fijn om in een gemeenschap te leven,’ zegt Han. ‘Maar hier heb ik met niemand veel gemeen.’ Hoewel ze omringd zijn door duizenden collega’s voelen Han en Meng zich niet verbonden met de zee van blauwe uniformen op de fabrieksvloer, zeggen ze.

    Han ziet zichzelf slechts als een passant. Hij hoopt te kunnen ontsnappen aan de sleur van de lopende band en denkt aan een baan bij de overheid of een promotie tot teamleider, maar hij geeft toe dat hij een onzekere toekomst tegemoetgaat.

    Meng is nog niet zeker van zijn volgende stap. ‘Ik wil een contentcreator worden,’ zegt hij. Hij droomt van een toekomst op Douyin, China’s TikTok. Om hem heen praten collega’s over videogames en het huwelijk, onderwerpen die voor zijn gevoel ver van hem afstaan. ‘Ze zijn te veel gewend geraakt aan het leven in de fabriek en hun ambities zijn weggeëbd.’

    Toch houdt Meng de moed erin. ‘Op een dag zal ik een huis kopen, een auto hebben die ik mooi vind en een stabiel leven leiden,’ zegt hij. ‘Ik moet alleen de juiste kans krijgen.’  

  • Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.

    De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam. 

    Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren. 

    ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’

    De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.

    ‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’

    Trainingsprogramma

    Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.

    Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers. 

    Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten

    Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten. 

    ‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.

    Generatieprobleem

    Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.

    Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.

    In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.

    ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’

    Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent. 

    Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.

    In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.

    Liever boer

    India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.

    Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn. 

    Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen

    Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.

    In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.

    Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig. 

    Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31

    Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.

    Extra trainingen

    Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.

    Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’ 

    ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’

    Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.

    Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.

    Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.

    Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.

    Uniform

    In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.

    Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.

    Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’ 

    Lees ook:

  • ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    Als westerse landen minder afhankelijk van China willen worden, dan moeten ze de productie in eigen huis nieuw leven inblazen, schrijft de Zweedse veiligheidsexpert Elisabeth Braw. Maar waar gaan ze de arbeiders vandaan halen? Omscholing kan een oplossing bieden.

    Nu jonge experts zo warm lopen voor deglobalisering en voor haar jongere zusje de-risking [risicomijding door banken], trekken zelfs politiek leiders die vrijhandel voorstaan de conclusie dat westerse landen hun productieafhankelijkheid van China moeten verminderen. Hoe? Door productie in eigen huis nieuw leven in te blazen, of deze te verplaatsen naar bevriende landen. Maar wie gaat er werken in al die fabrieken die er dan in het Westen zullen verrijzen?

    Als het de westerse landen ernst is met friendshoring [handel drijven met en/of produceren in ‘bevriende’ of ‘vertrouwde’ landen om politieke risico’s te vermijden], zullen we weer veel meer met onze handen moeten gaan werken – zij het geholpen door robots. En ja, daar moeten ook academici aan te pas komen. 

    Vorige week presenteerde Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, haar voorstel voor een nieuwe economische veiligheidsstrategie ten behoeve van de Europese Unie. Het zou gaan om ‘een oefening in nieuw economisch denken’. Nationale leiders moeten zich nu buigen over de strategie die als uitgangspunt heeft dat ‘een economische macht als de EU meer aandacht dient te schenken aan de veiligheidsrisico’s in haar handels- en investeringsbeleid. Uitvoering van de strategie betekent dat de EU zich op het internationale toneel meer zal gedragen als de Verenigde Staten en Japan.’

    Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert?

    Dit betekent minder afhankelijkheid van China en meer productiebanen en raderen in de eigen toeleveringsketen. Klinkt goed. Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert, zoals de Amerikanen dat doen met hun anti-inflatiewet (Inflation Reduction Act)?

    Er zal een veel grotere behoefte ontstaan aan productiemedewerkers, én aan arbeiders van het soort dat onze economie nu al draaiende houdt, zoals machinisten, vrachtwagenchauffeurs – en zelfs mijnwerkers, als de EU ook de afhankelijkheid van door China bewerkte zeldzame mineralen wil verminderen.

    Het is alleen maar goed om dergelijke banen te creëren, banen die de binnenlandse productie stimuleren, maar… zo gemakkelijk gaat dat niet. Dat blijkt wel uit ontwikkelingen in de VS, dat Europa al een stap voor was op het gebied van globalisering, en nu een hele grote stap voor is wat betreft deglobalisering. Er zijn simpelweg niet genoeg arbeiders voor de banen die het Westen hoopt te creëren omwille van de nationale veiligheid en welvaartsgroei.

    Strategische rivalen

    In de Amerikaanse mijnbouwsector bijvoorbeeld is er ‘schaarste aan ingenieurs die arbeidslocaties opzetten, mijnwerkers die ruwe metalen winnen en vrachtwagenchauffeurs die ze verplaatsen voor verwerking – een extra kopzorg voor producenten die sowieso al moeite hebben om materialen te leveren voor elektrische auto’s, zonnepanelen en windparken,’ aldus The Wall Street Journal.

    Om te begrijpen wat de toekomst voor ons in petto heeft, is het nuttig de situatie in Duitsland te bekijken: dat land heeft al 100.000 onvervulde vacatures in de transportsector, en een tekort van nog eens 100.000 werknemers in productie- en installatiediensten – en dan hebben we het nog niet eens over vacatures in de gezondheidszorg, de horeca en het onderwijs.

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden

    Ondertussen is Tesla – dat onlangs een nieuwe fabriek in Brandenburg heeft gebouwd – bezig met de werving van 12.000 arbeiders om daar elektrische auto’s te bouwen. Aangezien er geen 12.000 arbeiders voor de auto-industrie beschikbaar zijn, leidt het bedrijf van Elon Musk nu leerlingen op en werft het mensen die ervaring hebben op andere terreinen en schoolt die om. Vorige week heeft bondskanselier Olaf Scholz een deal gesloten waarbij Intel een halfgeleiderfabriek in Maagdenburg zal opzetten. Waar het fabriekspersoneel vandaan moet komen is vooralsnog volkomen onduidelijk. 

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden. Andere landen zouden goederen produceren en zijzelf gingen zich richten op de diensteneconomie. Dat pakte erg goed uit, totdat duidelijk werd dat dergelijke landen strategische rivalen konden worden. En zo kwam het dat het Westen nu weer handarbeiders nodig heeft – zowel in fabrieken als voor het vervoeren van goederen over lange toeleveringsketens.

    Hard werken

    Ondertussen hebben westerse landen hun bevolking opgeleid voor een hoogwaardige diensteneconomie. In 1993 telde Duitsland bijvoorbeeld 1.775.661 universiteitsstudenten; dat aantal was in 2021 met liefst 66 procent gestegen. Westerse landen zitten nu dus opgescheept met te veel academisch geschoolde burgers die niet staan te trappelen om met hun handen te werken, en met te weinig mensen die bijvoorbeeld een vrachtwagen kunnen besturen of vuilnis willen ophalen – taken die zelfs in de hoogtijdagen van de globalisering noodzakelijk waren.

    Nu deze landen het fabriekswerk weer in ere willen herstellen, worden ze niet alleen geconfronteerd met een algeheel tekort aan handarbeiders, maar ook met een dreigend tekort aan werknemers in de groeiende productiesector. De Europese ontkoppeling van Russische energie is om deze reden in zwaar weer terechtgekomen: 900 Noorse booreilandwerkers – van wie er al te weinig zijn – hebben gedreigd in staking te gaan.

    Mensen die op school steeds te horen hebben gekregen dat de weg naar een comfortabel middenklassebestaan en sociale status via de universiteit leidt, zullen zich waarschijnlijk niet laten omscholen voor handarbeid. Want zoals de academisch geschoolden die het hebben geprobeerd kunnen beamen: dat is hard werken. Toen enkele leden van de Baader-Meinhof-groep [een terroristische organisatie in de Bondsrepubliek Duitsland] zich in de fabriek voegden bij de West-Duitse arbeiders – namens wie de groep beweerde haar gewapende revolutie te voeren – gaven ze er al na een paar dagen de brui aan.

    Maar er is veel gebeurd sinds zo’n vijfendertig jaar geleden de moderne globalisering in het Westen aanving. De banen die in deze landen eind jaren tachtig begonnen te verdwijnen behelsden grotendeels fysiek werk. De banen waaraan nu behoefte is, zijn in hoge mate technisch en vereisen veel expertise. Breng maar eens een bezoek aan een Duitse autofabriek, dan wordt dat meteen duidelijk.

    Scholen en universiteiten doen er goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector

    Het is helemaal niet zo gek te stellen dat veel toekomstige productiebanen meer vaardigheden met zich meebrengen dan een hoop kantoorbanen waarvoor je een universitair diploma nodig hebt. Het is geen verrassing dat Tesla samenwerkt met lokale universiteiten om arbeiders op te leiden voor de fabriek in Brandenburg, of dat de staat Arizona – die halfgeleiderbedrijven wil aantrekken om de productie uit China over te nemen – niet alleen de krachten heeft gebundeld met bedrijven, maar ook met Arizona State University, waar een uitgebreid programma is ontwikkeld om mensen op te leiden voor de goedbetaalde banen die er nu aankomen.

    Arbeiders hadden altijd al meer vaardigheden dan universitair geschoolden hun toedichtten, en naarmate de productie technologisch gezien steeds verfijnder wordt, zullen die vaardigheden alleen maar toenemen. Zonder arbeiders die de machines kunnen bedienen om de geavanceerde goederen te produceren die nu te riskant zijn om in China te laten maken, kunnen we bij voorbaat afscheid nemen van het idee van friendshoring. We zouden er dan ook goed aan doen onze opvattingen over handmatig werk bij te stellen.

    Scholen en universiteiten doen er dus goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector. En degenen die zo verstandig zijn de waarde en vaardigheden van productiewerk in te zien, zouden moeten overwegen zichzelf op dat gebied verdienstelijk te maken. Simpel gesteld: de fabrieksarbeider is terug van weggeweest – krachtiger dan ooit. Wat zou Karl Marx hebben gedacht van deze wending in het globaliseringsverhaal?

  • Alastair Philip Wipers fascinatie met functionele perfectie

    Alastair Philip Wipers fascinatie met functionele perfectie

    De Britse fotograaf Alastair Philip Wiper bootst in zijn werk de ‘onbedoelde schoonheid’ na die hij vindt in fabrieken, laboratoria en industriële ruimten. Van de oneindige uitgestrektheid van fabrieksvloeren tot de grote complexiteit van specifieke machines.

    Zijn werk is een voortzetting van de fascinatie die Alastair Philip Wiper heeft met symmetrie en functionele perfectie die hij overal ter wereld zoekt en vindt. Hij laat gebruikelijke gebruiksvoorwerpen zien die in menig dagelijks leven een grote rol spelen, maar in zijn compositie een nieuwe betekenis krijgen in geometrie en patronen. Wil hij soms zeggen dat het menselijk vernuft zijn weerga niet kent?

    ‘We leven in een maatschappij die buitengewoon afhankelijk is van wetenschap en technologie, maar waarin bijna niemand iets weet over wetenschap en technologie’

    In zijn boek Unintended Beauty citeert Wiper de overleden Amerikaanse astronoom Carl Sagan: ‘We leven in een maatschappij die buitengewoon afhankelijk is van wetenschap en technologie, maar waarin bijna niemand iets weet over wetenschap en technologie.’

    In zijn beelden domineren juist de oneindige uitgestrektheid van een fabrieksvloer en de grote complexiteit van specifieke machines of een ingewikkeld netwerk van pijpen en buizen, schijnbaar complex maar met een duidelijke logica. En bovendien indrukwekkend om te zien, ook zonder logica.

    Febrik c Alastair P Wiper 8260 Edit 1
    Breifabriek van Febrik in Tilburg. – © Alastair Philip Wiper
    c Alastair Philip Wiper 488 Adidas Red c Alastair Philip Wiper 1 1
    Fabriekshal in een schoenenfabriek van Adidas. Hier werken meer dan 10.000 mensen, die per dag 75.000 paar schoenen maken.
    – © Alastair Philip Wiper
    DSC 1047
    Vonkbrug in het High Voltage Laboratory van de Technische Universiteit van Denemarken. – © Alastair Philip Wiper

    Science c Alastair Philip Wiper DSC 3736 1
    Multiplex model op schaal van de ATLAS-detector bij het Zwitserse CERN voor opleidingsdoeleinden. – © Alastair Philip Wiper

    Science c Alastair Philip Wiper DSC 8525 1
    De Radio Anechoic Chamber bij de Technische Universiteit Denemarken. – © Alastair Philip Wiper
    Febrik c Alastair P Wiper 8497 Edit 1
    Breifabriek van Febrik in Tilburg. – © Alastair Philip Wiper

    c Alastair Philip Wiper DSC2667 1
    Wooltex-textielfabriek van Kvadrat in het VK. – © Alastair Philip Wiper

    Huidige & Komende tentoonstellingen

    • Duotentoonstelling: Forms of Industry in het Royal Institute of British Architects (RIBA), Londen, VK, 26 februari 2020 – 16 juli 2021

    • Groepsexpositie: Vinyles Mania bij het Musée de l’imprimerie et de la communication graphique, Lyon, Frankrijk, 20 september 2020 – 20 juli 2021

    • Solotentoonstelling: Pleasure Points in het fotofestival van Kopenhagen, Denemarken, 3 – 10 juni 2021

    • Groepsexpositie: Material Tales in het Design Museum, Londen, VK, zomer 2021-22

    • Solotentoonstelling: Unintended Beauty bij Kvadrat, Kopenhagen, Denemarken, oktober 2021

  • Dit bedrijf dumpt jaarlijks vijf miljoen ton fosfor in de Middellandse Zee. De gedupeerden willen er werken

    Dit bedrijf dumpt jaarlijks vijf miljoen ton fosfor in de Middellandse Zee. De gedupeerden willen er werken

    De Tunesische regio Gabès, ooit een idyllisch gebied aan de Middellandse Zee, is gaandeweg geruïneerd sinds er in de jaren zeventig chemische industrie werd gevestigd. Het milieu op het land en in de zee is zwaar verontreinigd en bewoners kampen met gezondheidsklachten die uiteenlopen van ademhalingsproblemen tot kanker. Diezelfde bewoners eisen werk in de chemische fabrieken.

    Abdellah Nouri is al ruim twee jaar niet meer op zee geweest. Bij de visser uit de stad Ghannouch in de Tunesische kustregio Gabès, werd in 2018 kanker vastgesteld en zijn ziekte en de behandeling ervan hebben hem aan huis gebonden. Nouri vist al op de Middellandse Zee sinds zijn zeventiende. Hij gelooft dat zijn gezondheidsproblemen worden veroorzaakt door vervuiling afkomstig van het nabijgelegen industriecomplex.

    ‘De industrie heeft mij, mijn gezondheid en mijn levensonderhoud vernietigd’, citeert de Tunesische journaliste Layli Foroudi Nouri in haar verslag over de desastreuze invloed van de chemische industrie op de regio Gabès aan de Tunesische Middellandse Zeekust. 

    ‘Zittend op de grond in zijn woonkamer wijst hij [Nouri] in de richting van een grote fabriek van het staatsbedrijf Groupe Chimique Tunisien (GCT), die ruw fosfaatgesteente verwerkt. Imposante schoorstenen blazen enorme wolken de lucht in en jaarlijks loost de fabriek miljoenen tonnen giftig zwart slib in de zee.’ 

    Fosfaatindustrie

    Ooit was het Tunesische Gabès, een gebied van ruim 7000 vierkante kilometer met 400.000 inwoners aan de Middellandse Zee, beroemd om zijn overvloedige zeeleven, granaatappelbomen, hennaplanten en dadelpalmen. Een ideaal gebied om te ontwikkelen voor toerisme, maar mogelijke plannen daartoe gingen definitief in rook op toen de regering in de jaren zeventig besloot dat Gabès het belangrijkste centrum van de Tunesische fosfaatindustrie moest worden. Fosfaat is essentieel voor de productie van meststoffen en conserveringsmiddelen.

    Een elektronisch display zou de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide en ammoniak in de lucht moeten aangeven, maar het ding is al jaren kapot

    Industriële vervuiling door GCT heeft de kustgemeenschappen van Gabès verwoest. Bewoners kampen in hoge mate met luchtwegaandoeningen en kanker en de oogsten van lokale akkerbouwers zijn karig geworden. In Gabès, de hoofdstad van de provincie, zou een elektronisch display de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide en ammoniak in de lucht moeten aangeven, maar het ding is al jaren kapot.

    Het bord is van GCT, met drie fabrieken de grootste vervuiler. Daarnaast zijn er in het gebied nog zo’n twintig zeer vervuilende particuliere fabrieken in bedrijf. Ze produceren onder meer aluminiumfluoride dat wordt gebruikt in metaalgieterijen, en fosfaatzout dat nodig is voor de productie van wasmiddelen en keramiek.

    GCT verwerkt jaarlijks 3,5 miljoen ton ruw fosfaat uit fosfaatgesteente, dat zo’n 160 kilometer verderop wordt gedolven, in de heuvels van de Gafsa. Het fosfaat wordt vervolgens met containerschepen geëxporteerd naar tientallen landen over de hele wereld. De chemische industrie biedt werk aan bijna 5000 mensen, waarvan 2800 werkzaam bij GCT.

    Hoewel het bedrijf dus voor broodnodige banen in het gebied zorgt, zijn de effecten van vervuiling desastreus. Het stuk strand tussen de stad Chott Salem en de industriële zone, die op minder dan anderhalve kilometer ligt, is bedekt met een dikke, zwarte laag fosforgips, een afvalproduct dat ontstaat tijdens de productie van fosforzuur. Uit een rapport van de Europese Unie uit 2018 blijkt dat GCT elk jaar ongeveer vijf miljoen ton daarvan in de Middellandse Zee dumpt.

    Fosforgips is licht radioactief en bevat zowel uranium als radium. Volgens een overheidsstudie uit 2012 is de visvangst aan de kust tussen 1997 en 2006 met meer dan dertig procent gedaald als gevolg van het chemische afval. In het rapport wordt vastgesteld dat het mariene ecosysteem ‘ernstig is beschadigd en dat een situatie is ontstaan die nu volledig onomkeerbaar is’.

    Ontmanteling

    Nouri zegt dat de lokale vissers een dramatische inkomensdaling hebben gezien. ‘Sinds de jaren negentig is hier niets meer. Vroeger nam je op één dag bijna zeventig kilo inktvis mee naar huis’. Volgens hem is de gemiddelde dagvangst nu gedaald tot drie kilo. Hij verhuurt zijn kleine boot inmiddels aan een visser uit een andere stad en betaalt zijn behandelingen tegen kanker met donaties van zijn buren. Hij mist zijn oude leven. ‘Mijn hart ligt op zee. Ik ben er kapot van.’

    Volgens natuurbeschermingsgroep BirdLife TunisiaAir heeft luchtverontreiniging gezorgd voor een afname van de vogelpopulatie. Onder de lokale bevolking circuleren geruchten over dalende vruchtbaarheidscijfers en frequente miskramen.

    ‘Een paar onderzoeken tonen aan dat er wat kleine problemen zijn, maar geen grote’

    Ondertussen houdt Moez Haddad, de secretaris-generaal van GCT, tijdens een telefoongesprek vol dat er geen bewezen schadelijke gevolgen zijn van het dumpen  van fosforgips in zee. ‘Een paar onderzoeken tonen aan dat er wat kleine problemen zijn, maar geen grote,’ beweert hij. Hij erkent wel dat GCT van plan is om in overeenstemming met internationale normen het dumpen ‘uit voorzorg’ te beëindigen. Gevraagd naar de hoge percentages kanker en ademhalingsproblemen bij inwoners in de regio Gabès, zegt hij dat ‘er geen officiële onderzoeken zijn die een oorzakelijk verband aantonen tussen gezondheidsproblemen en de effecten van Groupe Chimique Tunisien op het milieu.’

    In 2017 beloofde de Tunesische regering om de bestaande GCT-fabrieken te ontmantelen en te verhuizen naar een nieuwe locatie, ver weg van de woonwijken. Ook het dumpen van fosforgips in zee zou stoppen. Daarna werd het stil.

    Na de recente dood van vijf arbeiders bij een brand in een asfaltfabriek in de industriezone doen lokale milieuactivisten inmiddels opnieuw oproepen voor meer regelgeving en verhuizing van de fabrieken. ‘We zijn bang dat er van Gabès op een dag niets anders meer overblijft dan as’, zegt Haifa Bedoui, een activist van de lokale campagnegroep Stop Verontreiniging, tegen honderden mensen die zich hebben verzameld bij het kantoor van Mongi Thameur, de gouverneur van Gabès. Tijdens een bezoek na de brand erkende president Kais Saied de milieucrisis in de regio en beloofde hij een centrum voor kankerbehandeling voor de bewoners. De Tunesische regering zegt een onderzoek te zullen starten om de oorzaak van de brand vast te stellen.

    Langdurige gezondheidsproblemen

    De inwoners van Chott Salem en Ghannouch kunnen de vervuiling van de chemische fabrieken in hun huizen zien en ruiken. Traditionele huizen in de regio zijn gebouwd rond een open binnenplaats. Die gemeenschappelijke ruimte is bedoeld voor mensen om samen te komen en voor kinderen om te spelen. Nu zeggen ouders tegen hun zoons en dochters dat ze in hun slaapkamers moeten blijven.

    In 2017 werden negen leerlingen van een basisschool in Bouchema, een stad op iets meer dan anderhalve kilometer afstand van de fabrieken, naar het ziekenhuis gebracht met verstikkingsverschijnselen nadat gassen waren vrijgekomen bij de verwerking van zwavelzuur en ammoniumnitraat. De plaatselijke gouverneur wuifde zorgen van de bewoners weg als louter ‘paniek’.

    Dit terwijl lokale gezondheidswerkers patiënten behandelen die langdurige gezondheidsproblemen hebben die het gevolg lijken te zijn van de verontreiniging. Dr. Hamida Kwass, werkzaam op de afdeling Luchtwegaandoeningen van het regionale ziekenhuis Mohammed Ben Sassi in Gabès, zegt dat astma vooral voorkomt bij kinderen uit de stad Ghannouch. ‘De fabrieken staan bijna in hun huizen’, zegt ze.

    Kwass wil een studie uitvoeren naar luchtverontreiniging en de effecten daarvan op inwoners. ‘Er zijn vervuilende deeltjes uit de chemische industrie waarvan bekend is dat ze verband houden met een toename van luchtwegaandoeningen. Ze veroorzaken ziekte of zijn een verergerende factor.’

    Awatef Mansour, dertig, woont in Ghannouch en gaat elke maand ongeveer zes keer naar het regionale ziekenhuis. Haar drie kinderen van drie, zes en zeven jaar hebben allemaal astma. ‘Als de wind van richting verandert en uit de richting van het industrieterrein komt, hebben mijn kinderen ademhalingsproblemen.’ Ze merkte dat de gezondheidsproblemen van haar kinderen vorig jaar weg waren, toen ze met haar familie kort tijd in Zarzis woonde, een stad aan de kust op 130 kilometer afstand van de fabrieken. ‘Volgens de arts komen de allergieën door activiteiten op het bedrijventerrein.’

    Gebrekkige informatie

    Volgens Samir Aloulou, hoofd van de kankerafdeling van het Mohamed Ben Sassi-ziekenhuis, is de verspreiding van nasofaryngeale kanker schrikbarend hoog in Chott Salem en Ghannouch. Deze specifieke vorm van kanker, waar ook Nouri aan lijdt, tast het deel van de keel aan dat de achterkant van de neus met de mond verbindt. Aloulou is van mening dat het moeilijk is om een ‘honderprocentrelatie’ te leggen tussen de prevalentie van deze vorm van kanker en de chemische industrie. ‘Er is zeker verband tussen vervuiling en kanker, maar kanker heeft meerdere oorzaken. Behalve vervuiling spelen ook roken, voedsel en zwaarlijvigheid een rol’, zegt hij.

    ‘Er is een flagrant gebrek aan geloofwaardige informatie en data van de Tunesische autoriteiten’, aldus Mounir Majdoub, een econoom die meewerkte aan het EU-rapport uit 2018 over de luchtkwaliteit in de regio Gabès. Het rapport meldt dat verhoogde niveaus van deeltjes die gemakkelijk in de longen terecht kunnen komen verband houden met kanker en hart- en luchtweginfecties. ‘De conclusies van het rapport onthullen niet zozeer de daadwerkelijke gezondheidssituatie als gevolg van vervuiling, maar laten vooral zien dat er behoefte is aan gedegen studies’, zegt hij.

    ‘Soms houdt mijn knie er gewoon mee op. Als een auto zonder benzine’

    Andere ziekten zijn gemakkelijker in verband te brengen met de chemische industrie. Rachid Ben Othman werkte vroeger als monteur voor Flourine Chemical Industries (ICF), een privébedrijf dat aluminiumfluoride produceert. Hij kan zijn elleboog maar gedeeltelijk krommen, verder buigen lukt hem niet. Hij lijdt aan fluorose, veroorzaakt door overmatige blootstelling aan fluor. ‘Het begon in mijn polsen en daarna in mijn ellebogen. Het is verkalking van de gewrichtsbanden. Soms houdt mijn knie er gewoon mee op. Als een auto zonder benzine’.

    Othman werd zich in 2000 voor het eerst bewust van het probleem. Zijn gewrichten waren zo stijf dat hij ze niet volledig kon strekken of buigen. Het werd moeilijker om te werken en uiteindelijk ook te moeilijk om nog handschoenen aan te trekken. Maar pas in 2011 werd fluorose daadwerkelijk gediagnosticeerd.

    Hij zegt dat hij een van de weinige ICF-werknemers is die met succes een compensatie wist te eisen voor zijn handicap. Hij ontvangt nu 115 euro per maand en van zijn medische rekeningen wordt veertig procent voor hem betaald. Othman vermoedt dat sommige van zijn collega’s ook fluorose hebben. ‘Ze vertellen me over pijn in hun schouders, pijn hier en daar, verkalking. Ik ken de symptomen.’

    Taboe-onderwerp

    Behalve de inactiviteit van de overheid, laten ook organisaties die zouden moeten opkomen voor de veiligheid en het welzijn van werknemers het afweten. Leidinggevenden van de lokale afdeling van de Tunesische Algemene Vakbond (UGTT) zeggen het niet als hun taak te zien om zich uit te spreken over kwesties als volksgezondheid en vervuiling.

    Tijdens een gesprek over de omstandigheden in de regio met twee leiders van de regionale vakbond in Gabès en een manager van een van de GCT-fabrieken, lacht de laatste zachtjes en zegt: ‘Dat is een taboe-onderwerp.’ Een van de vakbondsleiders laat weten dat hij niet over vervuiling wil praten omdat de fabrieken hebben gezorgd voor de ontwikkeling van de regio en werkgelegenheid bieden aan duizenden mensen.

    Werkloosheid

    Hoewel Tunesië lange tijd een van ’s werelds grootste fosfaatexporteurs is geweest, is de industrie de afgelopen jaren gekrompen als gevolg van politieke instabiliteit en door frequente protesten van werkloze jongeren die banen eisen in de fosfaatmijnen.

    Volgens Habib Wahachi, adjunct-secretaris-generaal van de Gabès-afdeling van de UGTT, bedroeg de jaarproductie van Groupe Chimique Tunisien sinds de revolutie van 2010 gemiddeld minder dan een derde van wat het daarvoor was. Tunesië moest afgelopen oktober zelfs voor het eerst fosfaten importeren uit buurland Algerije.

    GCT heeft sinds 2017 geen nieuwe medewerkers meer aangenomen in de regio. De werkloosheid in Tunesië bedraagt momenteel 17,4 procent. Maar in Gabès is in totaal 24 procent werkloos en van de jongeren zit de helft zonder werk.

    Honderden jongeren uit Gabès blokkeerden van eind november tot december vorig jaar de industriezone in Ghannouch en het GCT-administratiegebouw in het stadscentrum van Gabès. Ze hekelden de vervuiling maar eisten tegelijkertijd banen in de fabrieken.

    ‘Geef me een baan zodat ik kan overleven. Wij zijn degenen die rechtstreeks door de verontreiniging worden getroffen’, stelde Youssef Hajej, een werkloze universitair afgestudeerde uit Ghannouch. Hij betoogde dat de GCT de lokale bevolking werk verschuldigd is ter compensatie van alle verwoestingen die het bedrijf heeft aangericht in de regio en de vernietiging van traditionele industrieën. ‘Ze vernietigen alles en het is dan ook normaal dat mensen hier vragen om daar in ieder geval een klein beetje van mee te kunnen profiteren.’

  • 200.000 vacatures in Hongarije

    200.000 vacatures in Hongarije

    Het land dat al een half miljoen inwoners zag vertrekken, staat te springen om arbeidskrachten. De Hongaarse pers ziet het somber in.

    Zes van de tien bouwondernemingen, bijna vier op de tien fabrieken – om welke sector het ook gaat, de Hongaarse economie kampt met een tekort aan werknemers. Het ligt voornamelijk aan de naar Europese normen lage salarissen, die ertoe hebben geleid dat bijna een half miljoen Hongaren hun land hebben verlaten om in het Westen een beter belegde boterham te verdienen. Of hij nu ober is in Wenen, informaticus in Berlijn of kok in Engeland, een Hongaar verdient er minstens twee tot drie keer zo veel als in eigen land. Het gevolg: meer dan 200.000 vacatures in Hongaarse bedrijven, volgens het statistisch bureau. Afgezien van de aantrekkelijkere salarissen, verlaten de meer gekwalificeerde werknemers Hongarije ook omdat ze op zoek zijn naar erkenning en onafhankelijkheid, die hun amper worden geboden in een economie die gegijzeld wordt door de machthebbers en hun vertrouwelingen.

    Mislukking

    Volgens Tamás Torba van de krant Magyar Nemzet symboliseert deze situatie de mislukking van het Hongaarse model: ‘Dit probleem valt niet op te lossen met een simpele salarisverhoging. Er is tenminste een verhoging van 50 procent nodig om de kloof met het Westen maar enigszins te dichten. Hongarije had ooit een gekwalificeerde beroepsbevolking die fiscaal werd gekoesterd. Die neemt nu massaal de benen. De regering gelooft zelf niet in haar propaganda van een economisch succesverhaal. Laat niemand zich illusies maken: de situatie is extreem ernstig.’

    Zo ernstig dat zelfs de directeur van bouwgigant BTP Market ZRT, die krachtig door de staat wordt gesteund, in de komende drie tot vijf jaar Chinese, Indiase, Pakistaanse, Vietnamese en Indonesische werknemers wil laten overkomen om te voorzien in het tekort. ‘Als je naar Hongarije komt, kun je het werk komen doen waar Hongaren niet om zitten te springen,’ merkt Dávid Dercsényi van weekblad HVG World Economy Weekly ironisch op. Het is een verwijzing naar de overheidscampagne van 2015 tegen de vluchtelingen, die gesommeerd werden ‘niet het werk van Hongaren in te pikken’. ‘Maar dreigen de migranten nou echt onze banen in te pikken? Waarschijnlijk wel, want de vluchtelingen zijn bereid werk te verrichten waar de Hongaren hun neus voor ophalen,’ aldus de journalist van HVG.

    Een fabrieksmedewerkster aan de lopende band. – © Akos Stiller / Getty
    Een fabrieksmedewerkster aan de lopende band. – © Akos Stiller / Getty

    Zouden de door premier Orbán afgewezen migranten inderdaad nuttig kunnen zijn? Ongetwijfeld, aldus de site 24.hu, die onder andere een textielondernemer citeert en een grote horecaketen die moslims aanneemt. ‘Veel ngo’s en arbeidsmarktdeskundigen zijn het erover eens dat deze situatie gunstig zou kunnen zijn voor de migranten die zich in Hongarije komen vestigen. Het tekort aan werknemers is zo nijpend dat de bedrijven vluchtelingen rekruteren die de vacatures de facto al bezetten,’ aldus de reportage.

    Hongarije, een belangrijke leverancier van gedetacheerde werknemers, wordt geconfronteerd met een massale exodus van plaatselijke werknemers. En dit ondanks de van origine Duitse trekpaarden van de Hongaarse economie (Audi in Györ, Mercedes in Kecskemét, Opel in Szentgotthárd, Bosch in Hatvan), de 10 miljoen forinten (33.000 euro) huisvestingssubsidie voor gezinnen die drie kinderen willen of het programma Gyere Haza (‘Kom naar huis’), met vacatures en praktische tips voor potentiële terugkeerkandidaten. En deze tendens lijkt zich alleen maar door te zetten, vooral als het gemiddelde salaris rond de 500 euro blijft hangen.

    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Openingsbeeld: Een arbeider in een pompenfabriek in Tatabanya, Hongarije. – © Akos Stiller / Getty

    Courrier International
    Frankrijk | weekblad | oplage 205.000

    De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.

  • Binnenkort komt leer uit de fabriek

    Binnenkort komt leer uit de fabriek

    Al sinds de oertijd maakt de mens schoeisel en kleding van dierenhuiden. Maar over een paar jaar wellicht niet meer. Het Amerikaanse bedrijf Modern Meadow zegt leer te kunnen kweken zonder daarvoor dieren te hoeven doden.

    Leerbereiding is een oud ambacht. Het oudste leerproduct dat tot nu toe is gevonden, is een 5500 jaar oude schoen in een grot in Armenië, maar schilderingen in Egyptische graftombes laten zien dat 7000 jaar geleden al allerlei dingen van leer werden gemaakt, van sandalen tot emmers en militaire uitrusting. Redelijkerwijs kunnen we aannemen dat het gebruik van dierenhuiden voor onderdak en kleding honderdduizenden jaren teruggaat.

    De leerbereiding is ook een smerige aangelegenheid. In het achttiende-eeuwse Londen werden rottende huiden gedrenkt in urine en kalk om resten vlees en haar los te weken. Daarna werden de huiden met uitwerpselen van honden bewerkt om ze zachter en duurzamer te maken. Dat alles veroorzaakte zo’n stank dat de bedrijven de stad uit moesten en gedwongen werden om zich aan de andere kant van de rivier in Bermondsey te vestigen. In landen zoals India en Japan vervuilde de leerproductie zowel mensen als leefgebieden en was ze (en is ze vaak nog steeds) voorbehouden aan sociale outcasts als de dalits en de burakumin [de laagste kasten in respectievelijk India en Japan].

    De moderne productiemethoden produceren minder stank dan die van de achttiende eeuw. Hondenpoep, kalk en urine zijn vervangen door chroom en andere chemicaliën. Maar sommige van die substituten zijn behoorlijk bijtende goedjes. De hele leerindustrie is gebaseerd op het gebruik van dierenhuiden en ligt nu onder vuur omdat de relatie tussen mens en dier de laatste jaren gevoelig ligt. Daartegenover staat een commercieel argument: leer, dat wordt gewaardeerd vanwege zijn duurzaamheid en soepelheid, is een bedrijfstak waarin jaarlijks 100 miljard dollar omgaat.

    Het ‘kweken’ van leer bij Modern Meadow.
    Het ‘kweken’ van leer bij Modern Meadow.

    Die contrasterende feiten hebben ervoor gezorgd dat de technologie zich op de leerproductie heeft gestort. Gelooide dierenhuiden krijgen concurrentie. De uitdaging komt echter niet, zoals je zou verwachten, van een substituut gemaakt van een synthetische polymeer, maar eerder van iets wat in bijna alle opzichten hetzelfde is als natuurlijk leer. Het verschil is dat het niet van de rug van een dier komt, maar per meter in fabrieken wordt gekweekt.

    De meest geavanceerde plek waar de nog experimentele kunst van het kweken van leer wordt beoefend, is het Amerikaanse bedrijf Modern Meadow. In augustus verhuisde het van Brooklyn, New York, waar zestig man personeel in alle rust het nieuwe materiaal hebben ontwikkeld, naar een laboratorium in Nutley, New Jersey, waar een experimentele productie wordt opgestart. Modern Meadow, dat meer dan 50 miljoen dollar heeft opgehaald bij investeerders en samenwerkt met een aantal tot nu toe nog niet met name genoemde bedrijven in de kleding-, schoenen-, meubel- en auto-industrie, hoopt het nieuwe materiaal binnen twee jaar op de markt te brengen.

    Gekweekt leer zou allerlei voordelen hebben ten opzichte van dierenhuiden. Ten eerste kan het worden gemaakt in handige lappen met rechte hoeken, in plaats van de onregelmatige vormen die een dierenhuid nu eenmaal heeft. Een ander voordeel is de constante kwaliteit, aangezien natuurlijke huiden vaak littekens, vlekken en andere mankementen vertonen. En gekweekt leer verschilt ook niet van dier tot dier, zoals bij natuurlijk leer. Al deze aspecten zorgen voor minder vervuiling en een betere kwaliteit. Ook zal het de mensen goeddoen die vinden dat dieren niet zouden moeten sterven voor de productie van mooie schoenen en zachte stoelbekleding.

    Bij het produceren van het leer begint Modern Meadow met een soort gist dat genetisch gemodificeerd is, om zo een eiwit te maken dat identiek is aan rundercollageen. Collageen is het belangrijkste basiseiwit in het lichaam van een dier. Het maakt in het bijzonder de huid sterker en elastischer. Het bestaat uit lange ketens aminozuren, de bouwstenen van alle eiwitten, samengevlochten tot driedubbele helices die op hun beurt weer worden samengevlochten tot vezels.

    Het doel van het bedrijf is om gewoon een nieuwe stof te produceren, met een eigen merknaam

    In dierenhuiden wordt de synthese van de eerste ketens aminozuren en de daaropvolgende vervlechting tot vezels gedaan door speciale cellen, de zogenaamde fibroblasten. Een van de belangrijkste trucs die de biotechnici van Modern Meadow onder de knie hebben gekregen, is – hoewel ze weinig details willen prijsgeven – dat ze kunnen stimuleren dat de ketens die door het gist worden uitgespuugd, zichzelf zonder tussenkomst van fibroblasten kunnen vervlechten tot vezels. En als je eenmaal vezels hebt, is het niet zo moeilijk om ervoor te zorgen dat die lagen gaan vormen waardoor er eigenlijk lappen ruw leer ontstaan. Die kunnen dan op de gebruikelijke manier worden gelooid, geverfd en afgewerkt.

    Volgens Dave Williamson, de hoofdtechnicus van het bedrijf, is dit proces zo ontworpen dat het gemakkelijk kan worden opgeschaald en in bestaande fabrieken kan worden uitgevoerd. Williamson werkte eerder voor DuPont, een groot chemisch concern, dus hij heeft veel ervaring met dergelijke apparatuur. Volgens hem zou het ook mogelijk zijn om in grote centrale fabrieken collageen te maken, en dat dan te transporteren naar lokale fabrieken en looierijen om het daar om te zetten in huid. Qua kosten zal het nieuwe materiaal concurrerend zijn met natuurlijk leer.

    Nog een voordeel van het productieproces van Modern Meadow is dat men verschillende delen van een lap verschillende eigenschappen kan geven. Zo kan men bepalen hoe het product eruitziet en aanvoelt. Eén gedeelte kan bijvoorbeeld stijf gemaakt worden en een ander gedeelte juist zacht. Daarmee kun je de nieuwerwetse ‘huiden’ aanpassen aan de wensen van de klant, die bijvoorbeeld een bepaalde schoen wil maken. Het proces zou ook verfijnd kunnen worden – hoewel het bedrijf zegt geen plannen in die richting te hebben – om speciaal leer te kweken, zoals van struisvogels of krokodillen.

    Modeshow

    Modern Meadow is er volgens Williamson niet op uit om imitatieleer te maken. Het doel van het bedrijf is om gewoon een nieuwe stof te produceren, met een eigen merknaam. Daarmee neemt hij de wind uit de zeilen van iedereen die paradoxaal genoeg de onvolkomenheden van een natuurlijk product verkiest boven de perfectie van het synthetische equivalent, zoals bij synthetische diamanten gebeurt.

    De gekozen naam zal op 1 oktober tijdens een modeshow in het Museum of Modern Art in New York worden onthuld – samen met een T-shirt, het eerste kledingstuk dat van het materiaal is gemaakt. De biotechnologie zal met haar producten pronken op de catwalk, en leer – welke naam het ook krijgt – zal de eerste voorzichtige stappen zetten om het abattoir achter zich te laten.

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

    Openingsbeeld: Traditionele leerlooierij in het Marokkaanse Fez. – © Getty Images

  • De dichter is gestorven voor uw telefoon

    De dichter is gestorven voor uw telefoon

    Overdag staan ze aan de lopende band, maar in de spaarzame vrije uren wordt er heel wat afgedicht door de Chinese arbeidsmigrant. De poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, biedt tegenwicht aan de harde realiteit van het moderne bestaan.

    Er zullen maar weinig plekken op aarde zijn waar het een slimme carrièrestap is om dichter te worden, maar het geldt zéker voor de armste mensen met de minste kansen, die voet aan de grond proberen te krijgen in de mallemolen van China’s speciale economische zones.

    De afgelopen jaren zijn er talloze documentaires gemaakt over de ontberingen van Chinese arbeidsmigranten, maar Iron Moon uit 2015 vestigt de aandacht op een wel heel specifieke groep: de dichtende arbeidsmigrant. De documentaire volgt enkele jonge schrijvers die kampen met economische en culturele vooroordelen in hun poging veertienurige diensten aan de lopende band in poëzie te gieten. We zien de jonge, gevoelige Wu Niaoniao (wiens naam merel betekent), die in Guangzhou, op de reusachtige banenmarkt van Zuid-China, in de felle neonverlichting van het ene naar het andere kraampje slentert en informeert naar een positie binnen de redactie van een fabriekskrant. Met een afgewogen mengeling van fatalisme en hoop, die de poëzie van de Chinese migrantenarbeiders typeert, leest hij een gedicht voor en wacht met een schaapachtige glimlach de reacties af.

    ‘Ik weet dat jonge mensen hun droom willen waarmaken, maar…’ zegt een cynische recruiter, die zijn zin niet afmaakt. Een ander kijkt over zijn brilletje heen en zegt: ‘Maar wat dóé je? Met een opleiding kun je heel veel geld verdienen. Zonder opleiding kom je niet aan het werk, hè.’ Een andere recruiter vraagt zich onomwonden af of Wu weleens heeft geprobeerd iets vrolijkers te schrijven.

    Hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden

    De uitzichtloze toestand van de migranten van het platteland is niet nieuw binnen de Chinese fictie. De New Culture Movement uit de jaren tien en twintig van de vorige eeuw, voortgekomen uit de vraag hoe China te moderniseren en die mensen vooruit te helpen die in het oude, feodale stelsel in de verdrukking waren geraakt, maakte de weg vrij voor Lu Xun, misschien wel de grootste Chinese schrijver van de twintigste eeuw, die met zijn vernieuwende gebruik van spreektaal in De waarachtige historie van Ah Q het leven van een boer in de stad in kaart bracht. Hij werd gevolgd door Lao She’s plattelands-wees in Bejing in Rickshaw Boy en Zhang Lepings langlopende animatieserie over de ‘dolende ziel’ San Moa in de jaren dertig en veertig. Maar toch, dat waren allemaal verhalen over migranten, opgetekend van een zekere afstand. En hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind die daarop volgden de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden.

    Platteland

    Dat alles veranderde in de jaren tachtig. Sinds de hervormingen in China, die gepaard gingen met meer openheid en een landbouwkundige decollectivisering, een industriële privatisering en een overgang naar een zelf vormgegeven markteconomie, zijn naar schatting 274 miljoen Chinese arbeiders weggetrokken van het platteland om te gaan werken in de mijnen, of ergens aan een lopende band. De positie van de arbeider, die tijdens de communistische revolutie zo’n belangrijke positie had ingenomen, verslechterde in razend tempo, en het sociale vangnet verdween. Dit wordt prachtig verbeeld in een gedicht van de voormalig bouwvakker Xie Xiangnan, waarin een jonge migrant het luisterrijke beeld van ‘Lenin op het podium’ uit zijn schooltijd vergelijkt met de aanblik van de hordes berooide migranten op het station van Guangzhou, die hun hele hebben en houwen meedragen in een plastic zakje, ‘als explosieven’.

    Maar toch was er in die vroege postsocialistische jaren niet altijd sprake van een dergelijke ontgoocheling. De poëzie van de arbeidsmigranten (niet te verwarren met de propagandistische arbeiderspoëzie van de Grote Sprong Voorwaarts) was een van de vele genres die opkwamen in het braakliggende culturele landschap na Mao’s dood in 1976. Maar in tegenstelling tot de meer bekende en meer elitaire genres met (veelal bedrieglijke) namen als ‘littekenliteratuur’ en ‘mistige poëzie’, is dit een genre dat, tot voor kort, goeddeels over het hoofd is gezien. Als je kijkt naar de vroegste uitingen, is dat misschien ook wel enigszins begrijpelijk.

    Na tientallen jaren van diepgewortelde trouw aan de partij weerspiegelde de vroege arbeidsmigrantenliteratuur voornamelijk een aanhoudende betrokkenheid bij de staatspolitiek. Begin jaren tachtig betekende dat massaproductie, volgens een bepaalde formule geschreven zelfhulpachtige verhalen over succes dat is verkregen met hard werken, geheel overeenkomstig het beleid van de overheid om de mensen naar de stad te lokken. Anzi’s Posthouse of Youth: The True Life of Migrant Women in the Special Economic Zone is misschien wel het meest indrukwekkende voorbeeld. (Anzi groeide uit tot een vrouwelijke modelarbeider, door wier succes als ondernemer de stedelijke droom realiteit werd.) Deze autobiografieën en verhalen van sociale mobiliteit in Shenzhen werden door kranten en overheidstelevisiekanalen bejubeld en heel handig gepresenteerd als bewijs dat de arbeiders van het platteland, die de zwaarste last droegen van de economische omwenteling in het land, er ook bij gebaat waren. Maar zoals het vaker gaat met literatuur die volgt op een door de staat geleide literaire zuiveringsactie, is het merendeel eerder van antropologische dan van literaire waarde. Zoals Xie weeklaagt in zijn gedicht ‘Production, the Middle of Production, is Soaked by Production: ‘a floating country can’t pillow a broken dream’ (een dobberend land kan geen verloren droom dragen).

    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung
    Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung

    De beroemdste arbeidsmigrantendichter van dit moment is de vierentwintigjarige Xu Lizhi, die in 2014 zelfmoord heeft gepleegd. Hij werkte in Foxconn City, de elektronische megafabriek in Shenzhen waar niet alleen onze Apple-producten worden gemaakt, maar waar in 2010 ook een record aantal zelfmoorden werd gepleegd, wat een nieuw licht wierp op de lugubere mythe van maatschappelijke kansen en sociale mobiliteit aan de lopende band: ‘Sterven is de enige manier om te bewijzen dat we hebben geleefd,’ schreef een blogger binnen de fabriek. (Foxconn heeft vervolgens netten opgehangen, niet om de wanhoop tegen te gaan, maar om het aantal sterfgevallen terug te dringen). Maar toen Xu vier jaar later van de zestiende verdieping van een gebouw sprong, nadat hij een groot deel van zijn werk online had gezet, was het niet zijn dood die de krant haalde, maar zijn talent als dichter.

    In Time verscheen een artikel over het korte leven dat hij naast zijn werk had geleid, met als titel: ‘De dichter die is gestorven voor uw telefoon.’ In een Chinese talkshow verbaasde de presentator zich in al zijn naïviteit over de diepe gedachten van deze ongeschoolde arbeider. Xu gaf zijn ervaringen vorm in poëzie, en liet scherp zien hoe wij de mensen die de kleren maken die we dragen, of de telefoons die we gebruiken, haast hebben ontmenselijkt, zoals valt te lezen in de laatste regels van zijn gedicht ‘Terracotta Army on the Assembly Line’:

    (…) deze arbeiders die geen verschil zien tussen dag en nacht
    dragen
    elektrostatische kleren
    elektrostatische hoeden
    elektrostatische schoenen
    elektrostatische handschoenen
    elektrostatische armbanden
    staan allemaal klaar
    wachten zwijgend hun orders af
    wanneer de bel gaat
    worden ze teruggestuurd naar de Qin

    In 1956 waarschuwde Erich Fromm: ‘Het gevaar van het verleden was dat mensen slaven werden. Het gevaar van de toekomst zou weleens kunnen zijn dat mensen robots worden.’ De migrantenarbeiders in Xu’s poëtische universum staan voor de voetsoldaten van de oude Qin-dynastie én, als ze aan het werk zijn, voor de robots van de toekomst. Ze zijn uitgegroeid tot een ontmenselijkte, huiveringwekkend gesynchroniseerde belichaming van Fritz Langs ooit zo futuristische Metropolis.

    Iron Moon

    Deze maand zal de eerste vertaalde bundel van migrantenarbeiderspoëzie uitkomen, tegelijk met de documentaire, beide onder auspiciën van dichter en criticus Qin Xiaoyu. De bundel, knap vertaald door Eleanor Goodman, telt éénendertig werken van dichters (geselecteerd uit de meer dan honderd gedichten in de Chinese uitgave). Stuk voor stuk onweerlegbaar bewijs dat de mythe van de sociale mobiliteit onderuit is gehaald; men is zich bewust van het feit dat men wordt uitgebuit, is zich bewust van de economische drijfveren die de menselijke waarden onderuithalen. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de ervaringen van machteloosheid de fictie iets vernieuwends verleend, een intimiderende kracht en oprechtheid. De titel van de bundel luidt ook Iron Moon, een visuele metafoor ontleend aan een van de bekendste gedichten van Xu Lizhi:

    Ik slikte een ijzeren maan
    die een schroef werd genoemd

    Ik slikte afvalwater van de fabriek en 
werkloosheidsformulieren
    gebogen over machines is onze jeugd vroeg gestorven

    Ik slikte arbeid, ik slikte armoede
    slikte voetgangersbruggen, slikte dit sleetse bestaan

    Ik kan niet meer slikken
    alles wat ik heb geslikt roert zich in mijn keel

    Ik verspreid over mijn land
    een gedicht van schaamte

    Gezien de prominente plaats die de maan inneemt binnen de Chinese poëzie – een beeld van eenzaamheid, romantiek, vriendschap –, betekent de verbinding met ijzer, aldus Goodman, ‘een frontale botsing van de traditionele Chinese cultuur met een explosief kapitalisme, van menselijkheid met mechanisatie, romantiek met een prozaïsche wereld – het wordt een amalgaam van extremen. En deze dichters gaan hier allemaal zeer bewust mee om.’ Ze gebruiken de poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, om tegenwicht te bieden aan de realiteit van het moderne bestaan, die mensen ontmenselijkt.

    Zheng Xiaoqiong, een van de beste dichters in deze verzameling, heeft haar eigen kenmerkende ‘esthetiek van ijzer’ ontwikkeld: een plooibare en haast grenzeloze metafoor om een leven te vangen dat meedogenloos hard en koud is. Na jaren in een metaalbewerkingsfabriek te hebben gewerkt en een machine te hebben bediend die gaten maakt, blijkt al uit de eerste zinnen van ‘Language’ hoe ze de fysieke en intellectuele symbiose van mens en metaal naadloos samenvoegt:

    Ik spreek een scherp-gerande, geoliede taal
    van gietijzer – de taal van stille arbeiders
    een taal van vastgedraaide schroeven het krimpen en 
herinneren van metalen platen
    een taal als eeltplekken sterk huilend ongelukkig
    pijnlijk gretige taal terugslag van de bulderende machines beroepsziekten
    taal van verloren vingers de oertaal van het leven op die duistere plek van werkeloosheid
    tussen de klamme stalen spijlen deze treurige talen
    ……. ik spreek ze fluisterzacht

    Het is een thema dat in de hele bundel terugkeert, zoals ook in ‘Demolitions Mark’, van Chen Nianxi, waarin hij schrijft: ‘Ik durf nauwelijks naar mijn leven te kijken / het is zwaar en metalig zwart / gekromd als een pikhouweel.’


    Zoals er ook duidelijk sprake is van een tweedeling tussen de rijke, complexe beeldspraak in sommige gedichten en een uitgebeend gebruik van spreektaal in andere gedichten, is er ook een opvallend verschil in kwaliteit. Maar daarnaast zijn er fascinerende verbindende elementen: een nostalgie naar een leven dat niet is geleefd, de ontoereikendheid van taal (‘het is ondraaglijk om onze tranen en onze pijn te verwoorden in onze brieven… De onbeschreven plekken van vele jaren’, schrijft Xie), een verdriet om verloren lichaamsdelen en een afgeknotte jeugd: ‘Mijn beste jaren zijn opgeslokt door een machine’, voegt Xie eraan toe. ‘Ik zag die vijf jeugdige jaren weer tevoorschijn komen uit de / kont van het apparaat – in de vorm van elliptisch plastic speelgoed.’

    Zoals het besef van tijd in Engeland volkomen is veranderd door de Industriële Revolutie, doordat arbeid niet langer was verbonden met de seizoenen, spreken deze dichters van verstoorde menstruatiecycli, het in elkaar overvloeien van dag en nacht en een gevoel van ontheemding, waarbij zowel stad als platteland onbewoonbaar zijn geworden (sommigen verwijzen naar zichzelf als een weerloze prooi, verminkt en niet in staat de reis terug naar huis te ondernemen). Ze zijn natuurlijk niet de enigen die zich druk maken om het spirituele vacuüm van de nietsontziende kapitalistische Chinese economie of de verwoestende gevolgen voor het milieu, maar wat hun eco-poëzie zo indringend maakt is dat ze niet schrijven vanaf een zekere afstand, maar vanaf de werkvloer zelf.

    Ze maken hels lange dagen, hebben geen enkele zekerheid, drinken water uit rivieren terwijl ze zien dat er afvalstoffen en chemicaliën in worden gedumpt, ademen lucht in die is verontreinigd met giftige gassen. Ze lopen het risico te worden verwond door nietsontziende machines, die als een soort vampiers niet alleen hun jeugd verslinden, maar ook hun ledematen (in 2005 was er naar schatting sprake van zo’n veertigduizend afgehakte vingers in de economische zones van Zuid-China). En toch weten ze nog tijd te vinden naast hun veertienuursdiensten, en ruimte in hun overvolle slaapzalen, om te schrijven over hun leven en om hun gedichten te publiceren met behulp van een eenvoudige mobiele telefoon (van de vele fora waarvan ze gebruikmaken is de grootste de Worker’s Poetry Alliance). Dit unieke raakvlak van de Chinese industrialisatie en de toegankelijkheid van het internet creëert ongekende mogelijkheden voor de literatuur van de arbeidersklasse.

    De gedichten zorgen ervoor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China

    Natuurlijk is niemand jaloers op hun situatie. Zoals Goodman laat zien, hebben ze niet alleen te kampen met discriminatie omdat ze geen opleiding hebben genoten, ze worden ook geconfronteerd met een ‘diepgeworteld vooroordeel dat mensen zonder officiële scholing geen poëzie kunnen schrijven. Poëzie heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het officiële onderwijsprogramma; het was onderdeel van de examens voor wie ambtenaar wilde worden. Wanneer je met Chinezen praat is men zich er altijd van bewust of iemand al dan niet culturele bagage heeft – in de ogen van de brede bevolking hebben deze arbeiders geen “culturele bagage”.’

    Dit beeld speelt, al dan niet bewust, in alle lagen van de bevolking, zelfs voor de vader van Xu Lizhi, die nog altijd rouwt om zijn zoon die drie jaar terug is overleden. Hij heeft er weinig vertrouwen in dat poëzie de levens kan veranderen van de laagste klassen – in geestelijk noch economisch opzicht. ‘Als dit [zijn dood] niet was gebeurd,’ zegt hij in de documentaire, met tranen in zijn ogen, ‘zouden we nooit hebben geweten dat hij gedichten schreef. Maar ik geloof niet dat poëzie een toekomst heeft. Het kan niet tippen aan wetenschap en technologie. Poëzie was belangrijk ten tijde van de dynastieën, toen het deel uitmaakte van het examen voor de ambtenarij… je kon pas ambtenaar worden als je mooie gedichten kon schrijven. Maar de maatschappij is ingrijpend veranderd. Niet dat ik niet achter hem sta, maar als je tegenwoordig geen geld of macht hebt, is het leven zwaar.’

    De meer ‘intellectuele’ schrijvers van de Chinese avant-garde, zoals Mo Yan, Su Tong, Yu Hua en Can Xue maken gebruik van een kafkaësk surrealisme of magisch realisme om netelige kwesties aan te snijden. Maar als je Iron Moon leest, wordt duidelijk hoe intiem en persoonlijk het werk van deze jongen migrantenschrijvers kan zijn. Hun microverhalen over mechanisatie, waarin ze zichzelf identificeren met een schroef, een spijker, een weggegooide steen, een stofatoom, klinken tezamen als een krachtig koor. Ze vormen een diepere en betekenisvollere schakel tussen het grootse verhaal van de economische voorspoed en de ongehoorde verhalen van de miljoenen die hun gezondheid, jeugd en geestelijk welzijn offeren voor ons genot.

    Een van de meest vergevingsgezinde en optimistische arbeidsmigrantendichters is Wu Xia, met haar hartverscheurend ontwapenende zachtmoedigheid jegens diegenen die profiteren van haar arbeid:

    ik wil de bandjes platdrukken
    zodat ze niet in je schouders snijden
    en dan strijken vanaf de taille omhoog
    zo’n ranke taille
    waar iemand een slanke hand kan leggen
    en op de lommerrijke laan
    een ingetogen liefde tonen
    ik strijk de jurk glad
    maak alle plooien even breed
    zodat jij aan het meer of in het gras kunt zitten
    wachtend op een briesje
    als een bloem

    Alleen al het schrijven van deze gedichten is een manier om het eigen bestaan te bevestigen, een manier voor mensen die zelf geen stem hebben om de vervreemding tegen te gaan die ze voelen van elkaar, van hun werk, van de producten die ze maken, en een manier om iets van hun eigen waardigheid te herwinnen. De gedichten zorgen er ook voor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China, maar dat we gaan nadenken over de rol die wij, zonder daar ook maar even bij stil te staan, spelen in de erbarmelijke situatie van deze arbeiders. Hun welbespraakte toewijding aan de poëzie biedt ons een andere manier om te begrijpen wat de prijs is van het werk in deze sweatshops, en dan niet in kille, gevoelloze termen van economische waarde.

    Auteur: Megan Walsh

    The Literary Hub
    Verenigde Staten | lithub.com

    The Literary Hub is een Amerikaanse website over (Engelstalige) boeken, opgezet in 2015 vanuit de uitgeverswereld met als achterliggende gedachte dat kranten en niet-gespecialiseerde tijdschriften steeds minder aandacht besteden aan literatuur. De site is een initiatief van de onafankelijke (ander woord voor kleine) uitgever Morgan Entrekin van Grove Atlantic in New York en de non-profitwebsite Electric Literature. LitHub werkt samen met ‘partners’: anno 2017 hebben vrijwel alle grote Engelstalige uitgeverijen, van Knopf tot Penguin Press, naast de kleinere branchegenoten die status verworven. The Literary Hub wordt dus op de been gehouden door de uitgeverswereld zelf. Of zoals Andy Hunter, de oprichter van Electric Literature zegt; ‘Lit Hub ondersteunt het hele ecosysteem dat literatuur nodig heeft om te bloeien, van auteurs tot uitgevers klein en groot, tot boekwinkels en lezers. Onze culturele conversatie voeren we in deze tijd online, en de literaire cultuur behoort daar een belangrijke rol in te spelen.’

  • 3. Foxconn wil Trumps spelletje best meespelen

    3. Foxconn wil Trumps spelletje best meespelen

    De Taiwanese elektronicareus Foxconn is van plan om samen met Apple een fabriek voor lcd-schermen te bouwen in de VS. Op voorwaarde dat ze subsidie krijgen.

    Terry Gou, bestuursvoorzitter van Hon Hai Precision Industry, een Taiwanese elektronicareus die beter bekend is als Foxconn, lijkt bereid mee te gaan in het ‘made in America’ dat Donald Trump zo lief is. Op 22 januari verklaarde Gou dat hij 7 miljard dollar wil investeren in de bouw van een fabriek voor lcd-schermen in de Verenigde Staten en dat hij die investering samen zal doen met Apple, een van de grootste klanten van zijn bedrijf. Deze verklaring heeft voor nogal wat opschudding gezorgd, niet alleen in Taiwan, maar ook in de VS: de baas van een van de grootste industriële groepen van Azië wil naar de pijpen dansen van Trump.

    Trumps houding tegenover buitenlandse investeerders is dualistisch. Iedereen die geld in de VS steekt en er banen creëert is een bondgenoot, iedereen die dat weigert, om welke reden dan ook, is een vijand. Al wordt hij nog zo bekritiseerd vanwege het protectionisme dat inherent is aan zijn credo ‘America first’, hij laat zich niet uit het veld slaan: buitenlandse ondernemingen kunnen het zich tenslotte niet permitteren doof te blijven voor de machtigste man van de grootste economie ter wereld. Het wekt dan ook geen verbazing dat zo veel bedrijven investeringsplannen in de VS hebben aangekondigd.

    1 procent

    Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat Gou zich bij de schare bazen voegt die de Amerikaanse president naar de mond willen praten. Maar in werkelijkheid droomt hij er al jaren van om fabrieken in de VS te bouwen. Dat is in een stroomversnelling geraakt toen Masayoshi Son, president-directeur van het mobieletelefoniebedrijf SoftBank Group en een vriend van Gou, afgelopen december een ontmoeting had met Trump. Tijdens dit gesprek bracht Son het idee van Gou naar voren voor een gezamenlijke investering in de VS.

    Foxconn zou er belang bij hebben om meer in China te investeren, een land waaraan de groep zijn snelle opmars dankt, of om de productie vanuit China te verplaatsen naar landen waar de arbeidskracht goedkoper is. Maar de Verenigde Staten? Het is zelfs niet zeker of Gou zich heeft gerealiseerd hoeveel kosten zo’n initiatief met zich meebrengt. Hij sluit misschien niet uit dat de VS opnieuw de werkplaats van de wereld worden – een idee dat al enige tijd opgang doet.

    Volgens een rapport dat op 11 januari werd gepubliceerd door de Boston Consulting Group, is het verschil in productiekosten tussen de VS en China niet meer dan 1 procent. Ook al gebruikt dit rapport cijfers die afkomstig zijn uit de Yangtze-delta, een regio waar de salarissen zijn toegenomen en waar ook Shanghai en het zuiden van de provincie Jiangsu onder vallen, het kleinere verschil tussen de twee landen is niet alleen te verklaren vanuit het inkomenspeil. Een andere reden voor deze ontwikkeling is de spectaculaire verandering die de Amerikaanse industriële sector ondergaat.

    Werknemers van Foxconn. – © HH
    Werknemers van Foxconn. – © HH

    De voortschrijdende informatietechnologie heeft de productiviteit verbeterd, terwijl de schaliegasrevolutie de energieprijs heeft doen dalen. ‘Ook al reken je de indirecte kosten van transport, opslag en andere factoren mee, het is tegenwoordig goedkoper om artikelen in de VS zelf te produceren als ze daar worden geconsumeerd’, aldus het rapport.

    Gou is ongetwijfeld op de hoogte van deze nieuwe tendensen in een industrie die volop in ontwikkeling is, en hij is waarschijnlijk niet zo naïef om zijn wereldbeeld te laten beïnvloeden door kleine, zich regelmatig voltrekkende veranderingen. ‘Wat wij in de Verenigde Staten verwachten te vinden, is goedkope grond en goedkope elektriciteit,’ heeft hij gezegd. ‘Ik hoop dat de Verenigde Staten ons die zullen leveren.’

    In de VS moeten staten waarop industriëlen hun oog laten vallen voor nieuwe investeringen, vaak tegen elkaar opbieden. Carrier, een belangrijke Amerikaanse producent van airconditioners, zag af van de sluiting van een fabriek in Indiana nadat Trump het bedrijf tijdens de presidentscampagne had bekritiseerd omdat het een deel van de productiecapaciteit naar Mexico wilde verplaatsen. In ruil heeft Indiana Carrier 7 miljoen dollar belastingvoordeel geboden. Je zou denken dat het bedrijf een goede keus heeft gemaakt door te zwichten voor Trump.

    Trump is een vastgoedmagnaat, hij is gewend om hotels en casino’s te runnen. In weerwil van het wijdverbreide idee dat zijn bedrijven altijd winst maken, is de casinopoot van Trump maar liefst vier keer failliet gegaan. Daarmee heeft hij dus voorlopig misgegokt.

    ‘Die plannen bestaan, maar het is geen belofte, het is een wens,’ verduidelijkte Gou volgens Reuters, toen hem naar de investering in de VS werd gevraagd. Het pokerspel is nog maar net begonnen.

    Auteur: Masanori Murui
    Vertaler: Peter Bergsma

    Nikkei Asian Review
    Tokio | weekblad | oplage onbekend

    Nikkei voert zijn berichtgeving over Azië op door wekelijks een publicatie aan deze regio te wijden. Dankzij zijn reportages, analyses en onderzoeksjournalistiek, met name op economisch gebied, is het blad een waardevolle bron voor het volgen van de actualiteit.

    CONTEXT – Antiglobalisme: eerst links, nu rechts

    ‘Het protectionisme viert hoogtij in de grootste landen van de westerse wereld, in dezelfde landen waar de neoliberale ideologie werd geboren’, schrijft de Spaanse website Ctxt (die als links wordt beschouwd) in een lang artikel over de ‘antimondialisering, van de ondercommandant Marcos [in de jaren negentig leider van het Zapatistisch Nationaal Bevrijdingsleger in de Mexicaanse staat Chiapas] tot Donald Trump’. Journaliste Cristina Vallejo vraagt zich af hoe het is gekomen van het verzet tegen de ultraliberale mondialisering aan het eind van de jaren negentig, een beweging die duidelijk links en internationaal was, tot de huidige rechtse ‘demondialisering’ die door Trump wordt voorgestaan, een beweging waartoe ook de Brexit moet worden gerekend, evenals de dreiging van een terugvallen op ‘eigen volk eerst’ in Frankrijk en Italië.

    Het kantelpunt zou de bankencrisis van 2008 zijn geweest en de langdurige recessie die daarvan het gevolg was

    ‘De onvrede die door de mondialisering wordt gewekt, komt tot uiting in landen waarvan men dacht dat deze de grote winnaars waren van de vrijheid op de wereldmarkt,’ merkt Vallejo op. ‘Welaan, ook in die landen zijn er verliezers.’

    Het kantelpunt zou de bankencrisis van 2008 zijn geweest en de langdurige recessie die daarvan het gevolg was.

    Vallejo herinnert er ook aan dat Latijns-Amerika voordien al landen met antimondialistische regeringen kende, vooral linkse, aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Volgens de politicologen die zij raadpleegde ging het daarbij om een weerzin tegen de ‘gelukkige mondialisering’ die werd aangeprezen door de multinationals. In het geval van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zou het eerder gaan om het heroveren van hun hegemonie door in eigen voordeel te gaan ‘heronderhandelen’ over de voorwaarden van mondialisering, aldus de Spaanse website.