Tag: filosofie

  • Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Volgens het koloniale gedachtegoed bestonden er slecht één waarheid en realiteit, met als gevolg dat culturen werden verdrukt, onthecht en soms zelfs onderling in strijd kwamen. De Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole benadrukt het belang van een Afrikaanse filosofie, die een andere blik werpt op gewoontes, overtuigingen en een ‘geïmporteerd probleem’ als gender.

    Grote denkers in De Balie

    Op 29 mei hield in De Balie in Amsterdam Grâce Ndjako een lezing over de recent overleden Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole (1935-2018). Oluwole streed fel voor erkenning van de rijke filosofische tradities van het Afrikaans continent. Wat was haar positie binnen de Afrikaanse filosofie en wat maakt haar gedachtegoed zo relevant?

    Nadat ze als eerst Nigeraanse vrouw haar doctoraat haalde in westerse filosofie, verdiepte professor Sophie Oluwole zich in de Yoruba-overlevering, een orale traditie die deels wél op schrift gesteld is. In haar opus magnum zette ze twee grondleggers van de klassieke filosofie naast elkaar: Socrates en Orunmila. Daarin zet ze uiteen dat anders dat het oppositionele westerse denken (man-vrouw, goed-kwaad, ik-jij) de Afrikaanse filosofie uitgaat van complementair dualisme, waar verschil juist als een belangrijke aanvulling wordt gezien.

    In de programmaserie Grote Denkers staan vooruitstrevende en eigenzinnige vrouwelijke denkers uit de wereldgeschiedenis centraal.

    ‘Om tot ware wijsheid te komen, moeten we ons eerst aan ernstige overpeinzingen wijden om het zaad van de verwarring weg te nemen. Gegronde besluiten zijn het resultaat van diep nadenken over de ideeën en overtuigingen volgens welke wij leven. Een ieder die een onnadenkende persoon volgt zal dat uiteindelijk betreuren en zich de haren uit het hoofd trekken.’

    Dit zijn de woorden van Orunmila, Yoruba-denker uit ongeveer 500 voor Christus, over het belang van het cultiveren van wijsheid. Uit het citaat blijkt dat het niet alleen belangrijk is om te reflecteren, maar ook om te reflecteren op de wijze waarop we reflecteren, op de concepten die we gebruiken en de geloofsregels waarnaar we leven. Wie dit niet doet, zal er spijt van krijgen. Over het leven moet worden gereflecteerd, wijsheid moet worden gekoesterd, begeerd. Wijsheid biedt ons oplossingen voor de problemen van het menselijk bestaan. 

    ‘In de loop van de tijd worden mensen wijzer. Dit is niet het wezenlijke beginsel waardoor “Weet-nog-niet” zich liet leiden toen hij niet wist hoe hij een bepaalde kwestie moest aanpakken. Hij dacht na en sliep er een nachtje over. Bij het ochtendgloren zag hij het licht en wist wat hem te doen stond. Dus laten we dag op dag laten volgen; is dat niet genoeg, laten we dan maand op maand laten volgen; op de lange duur zullen we door voortdurend nadenken oplossingen vinden voor de meest verbijsterende problemen van het menselijk bestaan.’

    Deze preoccupatie met wijsheid, deze liefde voor wijsheid, noemen we ook wel filosofie.

    ‘Dat Afrikanen niet kunnen denken, zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn’

    Orunmila zei dit ongeveer vijf eeuwen voor Christus. Toch werd het bestaan van Afrikaanse filosofie lange tijd ontkend. Dat is een feit waar Sophie Oluwole helaas haar hele leven mee te maken heeft gehad. ‘Mijn leven lang is mij verteld dat Afrikanen niet kritisch zijn en niks analyseren. Dat Afrikanen niet kunnen denken. Dat zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn. Ik wilde het tegendeel bewijzen.’ Aldus Oluwole in een interview uit 2017 toen ze in Nederland was. Het idee dat je alleen bent als je denkt prevaleerde tijdens de verlichting bij denkers als Kant en later Hegel, en geldt in sommige academische kringen tot op de dag van vandaag. 

    Wat Oluwole ook bijzonder maakt is het feit dat zij de eerste vrouw was die in Nigeria promoveerde in de filosofie. Ze werd uiteindelijk hoofd van de afdeling filosofie van de universiteit van Lagos. Op meerdere fronten is zij dus een pionier geweest binnen dit vakgebied. 

    Superioriteitsdenken

    Afrikaanse filosofen hebben verschillende reacties geformuleerd op het idee dat filosofie in Afrika niet zou bestaan, en dat dit bovendien niet mogelijk zou zijn. Reacties lopen uiteen van denkers die zich identificeren met de Europese filosofie en stellen dat Afrikaanse filosofen de Europese denktraditie moeten volgen, de zelfbenoemde professionele filosofen, tot denkers die beweren dat Afrikaanse filosofie het product is van de culturele ervaringen van Afrikanen, en dat het wereldbeeld van Afrikanen om deze reden moeten worden gedocumenteerd. Zij worden etnofilosofen genoemd.  

    Oluwole vond geen van deze reacties adequaat. De zogenaamde ‘professionele’ filosofen zouden zelf geen onderzoek hebben uitgevoerd naar Afrikaanse orale tradities. Deze zouden door hen zelfs volledig worden verwaarloosd in de zoektocht naar principes die intellectueel overtuigender en sociaal gezien relevanter zouden zijn voor de hedendaagse Afrikaanse ervaring. Etnofilosofen zouden volgens Oluwole dan weer te essentialistisch zijn, en in sommige gevallen het racistische discours van de kolonisten hebben overgenomen. 

    Onderzoek naar het Afrikaans denken gaat niet om het zoeken naar paralellen van westerse metafysica in Afrikaanse talen. Het gaat ook niet om het vinden van de Afrikaanse metafysica of epistemologie; men definieert het Europese denken immers ook niet aan de hand van één soort metafysica of epistemologie. Onderzoek naar het Afrikaanse denken zou moeten gaan over de intellectuele idealen die in Afrikaanse talen ingebed zijn. De intellectuele idealen, de intellectuele cultuur, liggen immers ten grondslag aan iedere intellectuele onderneming, en dus ook filosofie. 

    Oluwole was tegen het klakkeloos overnemen van Europese paradigma’s en denksystemen. Het overnemen van Europese paradigma’s zou wijzen op een bepaalde mate van superioriteitsdenken. 

    ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten’

    ‘De bewering dat de westerse filosofie in een universeel voorbeeld voorziet van de menselijke intellectuele cultuur is op ernstige bezwaren gestuit. Zelf ben ik van mening dat de verbreiding ervan alleen maar tot intellectuele dweepzucht leidt.’ Ze gebruikte ook wel de term intellectueel nationalisme. De westerse filosofie zou een weerspiegeling zijn van de Europese intellectuele cultuur. De principes van de Europese intellectuele cultuur zouden zijn gebaseerd op het uitbouwen van een heel systeem en een zoektocht naar absolute kennis.

    Het probleem hiervan is dat dit algauw leidt tot het geloof in één enkele absolute waarheid die overal altijd geldig is, en voor iedereen geldig is, en dat er dus maar één realiteit bestaat. Oluwole zegt het als volgt: ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten die door elk van deze rationale pogingen kunnen worden omvat.’ Ze typeerde de westerse intellectuele cultuur daarom als een monotheïsme.

    Volgens Oluwole is het belangrijk dat we ons afvragen of principes uit het westerse denken wel zo neutraal zijn, en objectief genoeg om te kunnen zeggen dat ze universeel zijn en voor iedereen opgaan. We spreken tegenwoordig steeds vaker over dekolonisatie. Dat is niet alleen een politieke dekolonisatie, dus politiek onafhankelijk zijn; we spreken ook over dekolonisatie van instituten en dekolonisatie op het gebied van het denken, doordat we ons steeds meer bewust zijn van de reikwijdte van het koloniale gedachtegoed en de implicaties van de gedachte dat er maar één enkele waarheid en realiteit bestonden. Bij gekoloniseerden heeft deze gedachte gezorgd voor de vernietiging van bestaande structuren en vervreemding van de eigen cultuur. Ook zijn er verschillen en ongelijkheden geïntroduceerd of vergroot die daarvoor niet of nauwelijks bestonden. 

    Paradigma’s en patronen

    Het dekoloniseren van het denken heeft daarom niet alleen implicaties voor de filosofie, voor het bestaan van een Afrikaanse filosofie, maar ook voor de politiek en het denken over gender. Als we vanuit het Afrikaanse gedachtegoed denken over politiek, kunnen we met andere stelsels komen. Oluwole zegt hierover: ‘Een totale afhankelijkheid van de paradigma’s en patronen van democratie zoals die in veel Europese landen worden toegepast, is misschien niet de enige manier om vooruitgang te boeken.’ We kunnen ook vanuit het Afrikaanse denken kijken naar sekse en gender.

    Oluwole doet dit via onderzoek naar de orale traditie. Dat komt de Afrikaanse filosofie volgens haar ten goede, omdat filosofie voornamelijk draait om wat door filosofen wordt gezegd: ‘In tegenstelling tot de geschiedkunde en de sociale wetenschappen richt de filosofie zich niet in de eerste plaats op wat mensen doen maar op wat ze zeggen, dus op de verbale expressie van mensen. Daarom is een van de meest gebruikte zinnen in de filosofie:  “X heeft gezegd…” Maar zelden horen we: “Plato deed dit” of: “Russell deed dat”. Wij verwijzen altijd naar wat bepaalde mensen hebben gezegd. Vanwege het onmiskenbare feit dat we weinig of geen geschreven documenten bezitten waarin de feitelijke woorden van onze voorouders aan ons worden doorgegeven, zullen de woorden van onze wijzen worden gebruikt als gemeenschappelijk referentiekader, zeggen de Yoruba.’

    Ze baseert zich hierbij ook op een gezegde uit het Yoruba: ‘Owe I’esin òrò, bí òrò bá sonú, òwe I’ a fi n wà a. (‘Spreekwoorden zijn de analytische denkinstrumenten; als we het denken kwijtraken, gebruiken we spreekwoorden om het te zoeken.’)

    Teksten zoals die voorkomen in de taal van een volk – het woord tekst past ze toe in de brede zin van het woord en omvat dus ook orale overlevering – bieden veel inzicht in sociale principes en religieuze gebruiken.

    ‘Daarom is er behoefte aan een Afrikaanse renaissance die de Afrikaanse orale literatuur op een kritische manier onderzoekt om zo een betrouwbare Afrikaanse sfeer te ontdekken en te bevorderen die eerder is gebaseerd op “verhalen die beantwoorden aan de waarheid van hun taal en authenticiteit” dan aan een realiteit die is vervormd door de modaliteiten van niet-Afrikaanse talen of “resultaten van theoretische manipulaties”.’

    Oluwoles belangrijkste bijdrage aan de Afrikaanse filosofie is dan ook deze terugkeer geweest naar de eigen teksten, terugkeer naar de Afrikaanse orale traditie. Op deze manier heeft ze veel van de mythes die tijdens het kolonialisme zijn ontstaan verworpen; ‘Ga terug naar feitelijke “teksten” van de orale traditie in plaats van te vertrouwen op de “bedenksels” van sociale wetenschappers,’ aldus Oluwole. 

    Man/vrouw-verhoudingen

    Als gezegd heeft het onderzoeken van de taal en orale traditie tot belangrijke inzichten geleid op het gebied van sekse en gender in Afrika. Oluwole keek hierbij specifiek naar de Yoruba-taal. Kenmerkend bij de Yoruba is het complementair denken, en dit vindt ook zijn weerslag in het denken over man/vrouw-verhoudingen. 

    – ‘Er is geen godheid zoals een moeder. Alleen zij is het aanbidden waard.’

    Er zijn teksten die lijken te wijzen op de superioriteit van mannen:

    – ‘De man geeft leiding aan de vrouw.’

    En teksten die het tegendeel beweren:

    – ‘Een vrouw werd gevraagd een zwakkeling mee te brengen die ze kon laten doen wat ze wilde, en ze kwam terug met haar man.’

    – ‘Voor mannen is geen plaats in de hemel.’

    – ‘Het kind van een vrouw is haar echte man.

    Alleen omdat de kou ondraaglijk is

    Neem je een man om je warm te houden

    Een kind is de echte man van haar moeder’

    -‘Vraag: Hoeveel mensen in het dorp?

    Antwoord: Twee, mannelijk en vrouwelijk.’

    Oluwole: ‘De implicatie is uiteraard dat de samenleving beide geslachten moet erkennen en niet maar een van beide.’

    Vrouwen werden niet uitgesloten van het maatschappelijk leven. Vrouwen hadden politieke inspraak, en hadden soms leidinggevende functies:

    ‘Het sociale basisprincipe op grond waarvan Yoruba-vrouwen handelden, bijvoorbeeld, was dat als de samenleving besluiten moest nemen die ernstige gevolgen hadden voor hun leven, voor hun economische, politieke en religieuze bestaan, ze te allen tijde het recht hadden te worden geraadpleegd en rechtstreeks dan wel via democratische vertegenwoordiging te worden betrokken bij de besluitvorming’ (2014: 102). Op economisch vlak liepen vrouwen zelfs voorop; zij waren degenen die goederen verkochten op de markt, zowel die van haar man als haar eigen producten. Vrouwen konden kapitaal bezitten, erven en nalaten. 

    ‘Gender’ is in Yoruba een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in die taal

    Haar invloed is te zien in het onderzoek dat door hedendaagse Afrikaanse denkers en wetenschappers wordt verricht op het gebied van sekse en gender. De Nigeriaanse denker Oyèrónkẹẹ Oyěwùmí stelt door te kijken naar de Yoruba-taal dat ‘gender’ een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in het Yoruba. Ook zij wijst op het complementaire denken en het belang van een terugkeer naar de taal, de teksten, om koloniale mythes te verwerpen.

    ‘Omdat onvoldoende wordt ingezien dat het wereldbeeld van een volk bepaald wordt door taal, worden westerse categorieën als universeel beschouwd. In de meeste Yoruba-studies worden de inheemse categorieën niet onderzocht maar geassimileerd in het Engels. Dit heeft tot een ernstige verdraaiing en een volstrekt onbegrip van de Yoruba-realiteit geleid. Geslachtskenmerken zijn belangrijk geworden in Yoruba-studies, omdat het leven van de Yoruba in het Engels is vertaald om in het westerse lichaamsbeeldpatroon te passen.’

    Oluwole zei over taal: ‘Taal is een product van menselijke ervaring. Wanneer ze voor educatieve doeleinden wordt gebruikt, moet er een aantal regels en beginselen worden geleerd, niet alleen op grammaticaal gebied maar ook conceptueel.’ 

    Haar inzichten vinden we ook terug bij Afrikaanse schrijvers. De Keniaanse schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o stelt bijvoorbeeld dat cultuur en taal moeilijk van elkaar te scheiden zijn. ‘De keus van een taal en het gebruik dat van die taal wordt gemaakt is bepalend voor de manier waarop mensen zichzelf definiëren ten opzichte van hun natuurlijke en sociale omgeving, en zelfs ten opzichte van het hele universum.’ Hij schrijft over de vervreemding die hij ervoer doordat hij op school in een andere taal, een Europese taal, werd onderwezen dan hij thuis sprak; het Gikuyu. De geschreven taal die hij op school sprak, kwam niet meer overeen met zijn wereld. 

    Gesproken tekst

    Oluwole hechtte waarde aan de orale traditie omdat deze voor een nauwere relatie zorgde tussen de auteur en diens publiek. Meer dan het schrift weet de orale traditie te zorgen voor een emotionele band tussen orator en toehoorder, doordat de gesproken tekst meer leeft. 

    ‘Waar een geschreven tekst vaak openbare zaken in een duister persoonlijk idioom vervat, houden orale uitingen de communicatie meestal open zodat het publiek de ideeën en gedachten van de orale verteller op een directe manier tot zich kan nemen en kan delen. Worden de open ideeën opgeschreven, dan raken ze versteend en maakt de classificatie ze alleen maar geheimzinniger.’

    Ook Thiong’o benadrukt het belang van de orale traditie. Volgens hem moeten we af van het idee dat de pen de voornaamste overdrager van cultuur is: ‘Woorden omkleden ideeën die voortkomen uit die strijd. Woorden benoemen gedachten. De tong geeft de woorden stem. Woorden komen niet in geschreven vorm uit onze mond; ze komen eruit als een spreekstem. De pen imiteert de tong. De pen is de klerk van de tong. Hij maakt tekeningen van wat er wordt gezegd. De pen zegt wat al gezegd is.’

    Vandaar het belang van spoken word in zwarte gemeenschappen. Ook hiphop kunnen we zien in het licht van deze orale traditie. Al deze uitdrukkingsvormen worden in zwarte gemeenschappen met elkaar gedeeld, en moeten we blijven koesteren. Onze orale tradities zijn onderdeel van onze intellectuele cultuur. 

  • Filosoof moet machocultuur in start-ups aanpakken

    Filosoof moet machocultuur in start-ups aanpakken

    De CEO van Kitu Life Inc., een start-up die superkoffie produceert, constateerde een probleem in zijn bedrijf: er werkten alleen maar ‘white dudes’. Dus belde hij een oud-docent van zijn filosofieopleiding.

    Op het hoogtepunt van de #MeToo-beweging, kregen bedrijven als Uber en Facebook te maken met een boycott. Jim DeCicco, de CEO van Kitu Life Inc., was niet helemaal gerust op de cultuur die binnen zijn eigen bedrijf heerste.

    Zowel hij als zijn twee broers – met wie hij samen de in Manhattan gevestigde start-up had opgezet die Super Coffee produceert, een drankje waaraan proteïne is toegevoegd – zijn jong en sportief, het soort mannen dat ze zelf zouden omschrijven als ‘white dudes’, en ook precies het soort mannen dat ze destijds hebben aangenomen in hun bedrijf.

    ‘Soms was het hier net een kleedkamer na een sportwedstrijd,’ zegt DeCicco.

    De sfeer was supercompetitief en het kwam wel eens voor dat een van de teamleden het uiterlijk van een vrouw becommentarieerde, of dat er antisemitische opmerkingen werden gemaakt.

    DeCicco was vastbesloten dit een halt toe te roepen op een moment dat het bedrijf nog betrekkelijk klein was.

    Zijn oplossing? Hij huurde een filosoof in.

    ‘Je kunt niet domweg zeggen dat je belang hecht aan vertrouwen en integriteit. Wat betekent dat in godsnaam?’

    ‘Het leek me een interessante manier om ethische en morele principes en bepaalde normen en waarden te vervlechten in het bedrijf zonder dat er meteen zo’n bureaucratische sfeer zou ontstaan waarin je allerlei HR-protocollen moet volgen,’ aldus DiCicco.

    De filosoof in kwestie was Reid Blackman, een zogeheten consultant ethische risico’s uit Brooklyn. Blackman had twintig jaar in de academische wereld gewerkt. Hij had ethica gedoceerd aan Colgate University, waar DiCicco een major filosofie had gedaan. Toen DiCicco een bericht van zijn voormalig docent op LinkedIn zag staan, stuurde hij hem een berichtje en stelde voor een keer koffie te gaan drinken.

    Witte mannen

    Blackman had al snel door waar de schoen wrong – hij zag een foto van het Kitu-team op LinkedIn. Vrijwel uitsluitend witte mannen. ‘Ik zei meteen: “Dat is vragen om problemen!”’ herinnert hij zich.

    Het was volkomen begrijpelijk dat het zo was gelopen. De drie DeCicco-broers, allemaal in de twintig, zijn opgegroeid in Kingston, New York. Hun ouders werkten bij de plaatselijke YMCA en in de bouw. Jordan, de jongste, ontwikkelde Super Coffee op zijn studentenkamer toen hij aan Philadelphia University zat. Hij stopte met zijn studie om zijn tijd volledig aan het bedrijf te kunnen wijden. Al snel voegden zijn broers zich bij hem, geholpen door hun tantes, die $30.000 in hun bedrijf staken.

    Het drietal huurde een appartement in Lower Manhattan. Ze werkten dag en nacht en namen hun vrienden in dienst. ‘Ons hoofd verkoop was de aanvoerder van Jordans basketbalteam,’ zegt DiCicco. ‘Onze regionale salesmanager was Jakes kamergenoot.’ Wat kon een filosoof voor hen betekenen?

    ‘Filosofie helpt je zin van onzin te onderscheiden,’ zegt Blackman, die zelf ook een zakelijke achtergrond heeft: vijftien jaar lang heeft hij zijn eigen groothandel in vuurwerk bestierd.

    Ethische uitgangspunten zijn niet subjectief, zegt hij, en normen en waarden moeten worden gedragen door je handelen. ‘Je kunt niet domweg zeggen dat je belang hecht aan vertrouwen en integriteit,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat in godsnaam?’ Blackman was twee dagen per week op de werkvloer aanwezig en stelde als eerste een ethisch handvest van twee pagina’s op. Hij begon bij de drie broers en betrok gaandeweg het hele Kitu-team bij zijn project.

    Sommige onderwerpen sneuvelden zodra de medewerkers dieper ingingen op de bijbehorende normen en waarden. Zo wilden de broers graag in het handvest opgenomen hebben dat ze zich bekommerden om de arbeiders die de koffiebonen plukken, maar uiteindelijk moesten ze erkennen dat het niet binnen hun macht lag echt iets voor die mensen te doen. Dus dat punt werd geschrapt.

    Wat overbleef: Een toezegging om in een grotere en meer diverse vijver te vissen bij het aannemen van personeel. In het handvest staan concrete actiepunten, zoals: ‘Adverteren op plekken waar niet-witte mannen zijn.’

    Familie

    Het bedrijf zegt sindsdien te zijn gegroeid van een tiental medewerkers, onder wie 2 vrouwen en 2 minderheden, naar 66 medewerkers, waarvan 22 vrouwen en 11 minderheden. Het managementteam bestaat voor twee derde uit vrouwen en het gemiddelde jaarsalaris van de vrouwelijke medewerkers is $75.000 dollar, tegen $64.000 voor de mannen.

    Op het front van het welzijn biedt Kitu inmiddels een onbeperkt aantal vakantiedagen en men zorgt dat het aantal telefoontjes en mails na werkuren beperkt blijft.

    Om een cultuur van samenwerking te stimuleren krijgen ook de vertegenwoordigers een salaris in plaats van commissie. Vergaderingen zijn erop gericht strategieën te delen en ‘hulp’ te herkennen.

    Volgens Blackman, die $500 tot $600 per uur rekent, leidt een goede bedrijfsethiek tot goede resultaten

    Martin Chung, de regionale sales manager, die eerder bij twee andere drankjesstart-ups heeft gewerkt, zegt dat er een duidelijke cultuuromslag heeft plaatsgevonden sinds hij in 2017 bij Kitu is komen werken, en dat hij meer saamhorigheid voelt dan ooit. ‘We beschouwen elkaar als familie,’ zegt hij.

    Maar bij het creëren van een ethische cultuur komt meer kijken dan beleid uitstippelen. Blackman geeft ook workshops waarin Kitu-medewerkers op grond van logica onderwerpen analyseren, zoals de vraag wat nou precies een kwetsende opmerking is, of wanneer iemand zich bot gedraagt.

    Blackman, die $500 tot $600 per uur rekent en die voor allerlei bedrijven werkt, van softwarebedrijven tot een start-up in biochip-implantaten, zegt dat een goede bedrijfsethiek leidt tot goede resultaten. In het geval van Kitu lijkt dat inderdaad het geval.

    Volgens Alliance Sales & Marketing is Kitu zonder meer de snelst groeiende partij binnen het ready-to-drink koffiesegment in Amerika. In het afgelopen kwartaal is de verkoop aan supermarkten meer dan verviervoudigd ten opzichte van het jaar ervoor. Super Coffee is verkrijgbaar in 12.500 winkels verspreid over heel Amerika, waaronder Target en CVS, en de totale omzet over 2019 lijkt in de buurt te gaan komen van de $28 mln, aldus Kitu.

    En ja, het team bestaat nog altijd voor een groot deel uit mannen, en voorgenomen veranderingen zoals anonieme screening van sollicitatiebrieven moeten nog worden geïmplementeerd. Maar Jim DeCicco is blij met de vooruitgang die is geboekt. Iedereen kan een nieuwe koffiedrank op de markt brengen, zegt hij, maar door de bedrijfscultuur zal Kitu in staat zijn het succes ook vast te houden.

    ‘Bij ons werken zeventig gemotiveerde mensen,’ zegt hij, ‘en die hebben een bredere visie dan alleen koffie verkopen.’

  • Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    De enige uitweg uit de crisis is de maatschappij te ontdoen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Dat zegt Michael Sandel, de ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’.

    Michael Sandel was achttien jaar toen hij zijn eerste belangrijke les kreeg in de kunst van het politiek bedrijven. 

    De toekomstige filosoof was in 1971 voorzitter van de leerlingenvereniging van zijn highschool in de wijk Pacific Palisades in Los Angeles, op het moment dat Ronald Reagan, de toenmalige gouverneur van de staat California, in diezelfde stad woonde. Sandel, die over gebrek aan zelfvertrouwen nooit te klagen heeft gehad, daagde Reagan uit voor een debat ten overstaan van 2400 linkse tieners. Het was op het hoogtepunt van de oorlog in Vietnam, die had gezorgd voor de radicalisering van een hele generatie, en iedere studentencampus was vijandelijk gebied voor een conservatieve geest. Enigszins tot Sandels verbazing nam Reagan de handschoen op en kwam hij, geheel in stijl, in een zwarte limousine aan bij de universiteit. Het gesprek dat volgde voldeed allerminst aan de verwachtingen van de jeugdige gesprekspartner van de gouverneur.

    ‘Ik had een lange lijst voorbereid met in mijn ogen erg lastige vragen,’ vertelt de inmiddels 67-jarige Sandel via een videoverbinding vanuit zijn werkkamer in Boston. ‘Over Vietnam, over het stemrecht voor achttienjarigen – waar Reagan tegen was, over de Verenigde Naties, over sociale zekerheid. Ik dacht dat ik hem met zo’n publiek makkelijk de baas zou zijn. Hij reageerde vriendelijk, aimabel en respectvol. Na een uur realiseerde ik me dat ik niet de winnaar van dit debat was, maar de verliezer. Reagan pakte ons in, zonder ons te overtuigen met zijn argumenten. Negen jaar later wist hij op diezelfde manier in het Witte Huis te komen.’

    Sandel liet zich niet afschrikken door deze vroege nederlaag, maar ontwikkelde zich tot een van de beroemdste intellectuelen en debaters in de Engelstalige wereld, met een leerstoel aan de Harvard-universiteit. Hij is wel omschreven als een ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’ die vanaf zijn basis op Harvard online een miljoenenpubliek bereikt. Luisteraars van zijn serie The Public Philosopher op BBC Radio 4 zullen vertrouwd zijn met zijn socratische manier van vragen stellen, waarbij hij de aannames van zijn publiek op een spitsvondige manier op de proef stelt. Miljoenen mensen die zijn lezingen over gerechtigheid gratis volgen via YouTube, zullen vertrouwd zijn met het hoge, ernstige voorhoofd en de vriendelijke, zachte manier van spreken.

    Politiek is Sandel ontegenzeglijk links georiënteerd. In 2012 zette hij Ed Milibands vernieuwingsplannen voor de Britse Labourpartij intellectuele luister bij, door op het partijcongres van dat jaar een lezing te houden over de morele grenzen van de markt. 

    Die toespraak, en zijn in datzelfde jaar verschenen boek What Money Can’t Buy, inspireerden Miliband tot zijn kritiek op het ‘roofdierkapitalisme’, waarmee de Labourleider na de financiële crisis een belangrijke bijdrage leverde aan het Britse politieke debat.

    What Money Can’t Buy bezegelde Sandels status als wellicht de meest geduchte criticus van het vrijemarktdenken in de Engelstalige wereld. Maar in een tijd waarin de politiek steeds gepolariseerder en giftiger wordt, moet hij steeds vaker terugdenken aan die vroege ontmoeting met Reagan. ‘Die heeft me veel geleerd over het belang van aandachtig luisteren,’ zegt hij,  ‘dat evenveel gewicht in de schaal legt als de kracht van argumenten. Voor mij was het een les in wederzijds respect en inclusiviteit in het publieke debat.’

    ANP 20630768
    Twee studenten klappen tijdens een gastcollege van de beroemde Amerikaanse filosoof Michael Sandel. – © Bert Spiertz / Hollandse Hoogte

    De vraag hoe je deze burgerdeugden nieuw leven kunt inblazen, vormt 
    de kern van Sandels nieuwe boek The Tyranny of Merit, dat afgelopen september verscheen. Hoe kan het – getuige de recente presidentsverkiezingen – diep verdeelde Amerika terugkeren naar een minder rancuneus, genereuzer openbaar leven? Het beginpunt blijkt ongemakkelijk genoeg een afrekening te zijn met de zelfgenoegzaamheid waarin een hele progressieve generatie zich heeft gewenteld.

    The Tyranny of Merit is Sandels reactie op de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Voor mensen als Barack Obama, Hillary Clinton, Tony Blair 
    en Gordon Brown zal het uitdagende lectuur zijn. Door het bepleiten van een ‘tijdperk van verdienste’ als oplossing voor de uitdagingen van globalisering, ongelijkheid en de-industrialisatie, zo betoogt Sandel, hebben de Democratische Partij en haar Europese tegenhangers de westerse arbeidersklasse en haar waarden links laten liggen, met rampzalige gevolgen voor het algemeen belang.

    Opklimmen

    Sandels toon is gematigd als altijd, zijn formuleringen vertonen de kenmerkende souplesse en elegantie. Maar er is enige frustratie voelbaar wanneer hij de opkomst beschrijft van een stroming die hij beschouwt als ondermijnend links individualisme: ‘De oplossing voor de problemen van globalisering en ongelijkheid, zo werd ons aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorgehouden, was dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden, zo hoog moeten kunnen opklimmen als hun inspanningen en talenten toelaten. Dat noem ik in het boek de “retoriek van het opklimmen”. Dat werd een geloofsartikel, een schijnbaar oncontroversiële stijlfiguur. We zullen een eerlijk speelveld creëren, werd door centrum-links gezegd, zodat iedereen gelijke kansen heeft. En als we dat doen, zullen degenen die dankzij hun inspanningen, talent en harde werken opklimmen, hun plaats ten volle hebben verdiend.’

    De aanbevolen manier om ‘op te klimmen’ was het volgen van een hogere opleiding. Oftewel, om de mantra van Blair te citeren: ‘Education, education, education.’ Sandel citeert een toespraak van Obama uit 2013 waarin de president studenten voorhield: ‘Wij leven in een eenentwintigste-eeuwse wereldeconomie. En in een wereldeconomie kunnen banen overal naartoe gaan. Bedrijven zoeken naar de best opgeleide mensen, waar die ook wonen. Als je geen goede opleiding hebt gevolgd, zal het moeilijk worden om een baan te vinden waarvan je kunt rondkomen.’ Aan degenen die bereid waren de vereiste inspanning te leveren werd beloofd: ‘Dit land zal altijd een plek zijn waar je kunt slagen als je je best doet.’

    Tegen deze benadering heeft Sandel twee fundamentele bezwaren. Het eerste, en meest voor de hand liggende, is dat het legendarische ‘eerlijke speelveld’ een hersenschim blijft. Hoewel zijn eigen Harvard-studenten er 
    volgens hem inmiddels in toenemende mate van overtuigd zijn dat hun succes het resultaat is van hun eigen inspanningen, is tweederde van hen afkomstig uit de hoogste inkomensklassen. Datzelfde is het geval op andere gerenommeerde Amerikaanse universiteiten. De relatie tussen sociale klasse en SAT-scores, op grond waarvan de vervolgopleiding van middelbare scholieren wordt bepaald, is onbetwist. In meer algemene zin, merkt Sandel op, stagneert de sociale mobiliteit in |de VS al decennialang. ‘Kinderen van arme ouders blijven als volwassenen meestal arm.’

    Succesethiek

    Maar het belangrijkste thema van The Tyranny of Merit is de links-liberale consensus die dertig jaar lang heeft geheerst en die nu door Sandel genadeloos op de korrel wordt genomen. Zelfs een perfecte meritocratie, zegt hij, zou een slechte zaak zijn. ‘Het boek probeert aan te tonen dat daar een donkere, demoraliserende kant aan zit,’ legt hij uit. ‘De implicatie is dat degene die niet opklimt dat alleen maar aan zichzelf te wijten heeft.’ 

    De centrum-linkse elite heeft de oude klassenloyaliteit laten varen en een nieuwe rol op zich genomen als moraliserende levenscoach, die zich erop toelegt individuen uit de arbeidersklasse een wereld te helpen vormen waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. ‘Over globalisering,’ zegt Sandel, ‘zeiden deze lieden dat de keuze er niet langer een was tussen links en rechts, maar tussen “open” en “gesloten”. Open betekende een vrije stroom van kapitaal, goederen en mensen over grenzen heen.’ Deze stand van zaken werd niet alleen gezien als onomkeerbaar, maar ook gepresenteerd als heilzaam. ‘Wie er op enigerlei manier bezwaar tegen maakte, was bekrompen, bevooroordeeld en antikosmopolitisch.’

    De cultuur was doordesemd van een meedogenloze succesethiek: ‘Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers. Hun inspanningen waren minder effectief geweest. Ze hadden bijvoorbeeld geen universitaire graad behaald.’ Naarmate centrum-links en de vertegenwoordigers ervan een steeds betere economische positie kregen, nam de focus op opwaartse mobiliteit toe. ‘Ze raakten voor hun achterban – en in de VS ook voor hun financiering – steeds meer aangewezen op de hogere beroepsgroepen. In 2008 werd Obama de eerste Democratische presidentskandidaat die meer campagnegeld binnenhaalde dan zijn Republikeinse opponent. Dat was een keerpunt, maar het werd destijds niet opgemerkt of benadrukt.’

    In de Verenigde Staten stagneert de sociale mobiliteit al decennialang

    Arbeiders werd in feite voorgehouden dat als ze zich niet ‘verbeterden’, ze de last van hun mislukking zelf maar moesten dragen. Velen voelden zich verraden en stemden anders. ‘Het populistische verzet van de afgelopen jaren is een opstand tegen de tirannie van de verdienste, zoals die werd ervaren door degenen die zich vernederd voelen door de meritocratie en door deze algehele politieke ontwikkeling.’

    Het is een vernietigende analyse. Sympathiseert hij dan met het trumpisme? ‘Ik koester geen enkele sympathie voor Donald Trump, dat vind ik een verwerpelijke figuur. Maar in mijn boek betuig ik begrip voor degenen die op hem hebben gestemd. Het enige authentieke aan Trump, ondanks zijn ontelbare leugens, is zijn intense gevoel van onzekerheid en zijn diepe wrok tegen de elite, die volgens hem zijn leven lang op hem heeft neer-gekeken. Dat is een zeer belangrijke verklaring voor zijn politieke aantrekkingskracht.

    ‘Oordeel ik hard over de Democraten? Ja, omdat hun onkritische omhelzing van marktaannames en meritocratie de weg heeft vrijgemaakt voor Trump. Ook al heeft Trump nu de verkiezingen verloren en zal hij de Oval Office moeten verlaten, de Democratische Partij zal alleen in haar missie slagen als ze meer oog heeft voor legitieme grieven en ressentimenten, waaraan de progressieve politiek in het globaliseringstijdperk het nodige heeft bijgedragen.’

    Tot zover de diagnose. De enige uitweg uit de crisis, meent Sandel, is het 
    ontmantelen van de meritocratische aannames die een maatschappij van winnaars en verliezers van een moreel keurmerk hebben voorzien. De coronapandemie, en in het bijzonder de nieuwe waardering voor zogenaamd ongeschoold, slecht betaald werk, biedt een beginpunt voor vernieuwing. ‘Dit is het moment om een debat te beginnen over de waardigheid van werk; over de beloning van werk in zowel financiële zin als in termen van waardering. Nu pas realiseren we ons hoe enorm afhankelijk we niet alleen zijn van artsen en verpleegkundigen, maar ook van bezorgers, supermarktmedewerkers, vrachtwagenchauffeurs en mensen in de thuiszorg en de kinderopvang, van wie velen zijn aangewezen op een nulurencontract. Dat noemen we vitale arbeidskrachten, maar het zijn meestal niet de best betaalde of meest gerespecteerde arbeidskrachten.’

    Er moet een radicale herevaluatie komen van de manieren waarop 
    bijdragen aan het algemeen welzijn worden beoordeeld en beloond. Het geld dat wordt verdiend in de Londense City of op Wall Street, staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de bijdrage van financiële speculatie aan de reële economie. Belasting op financiële transacties moet fondsen vrijmaken die op een eerlijker manier kunnen worden verdeeld. Maar voor Sandel is het woord ‘eer’ even belangrijk als de betalingskwestie. Er moet een herverdeling komen van zowel waardering als geld, en van beide moet er meer gaan naar de miljoenen mensen die werk doen waarvoor geen universitaire graad is vereist.

    ‘We moeten opnieuw nadenken over de rol van universiteiten als poortwachters van kansen,’ zegt hij, ‘een rol die we langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. 

    Diplomaterreur is het laatste aanvaardbare vooroordeel geworden. Het zou een ernstige vergissing zijn om de investering in beroepsopleidingen en leertrajecten over te laten aan rechts. Meer investeringen zijn niet alleen belangrijk om mensen zonder een hogere opleiding te helpen de kost te verdienen; de publieke erkenning die eruit voortvloeit kan meer waardering kweken voor de bijdrage aan het algemeen welzijn door mensen die niet naar de universiteit zijn geweest.’

    Nieuw respect en een andere status voor niet-gediplomeerden, zegt hij, zouden eindelijk eens gepaard moeten gaan met enige nederigheid van de kant van de winnaars van de zogenaamde meritocratische wedloop. 

    Aan degenen die, zoals veel van zijn Harvard-studenten, geloven dat ze hun eigen succes simpelweg verdienen, geeft Sandel de wijsheid van Prediker mee: ‘Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hard-loper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom (…) Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.’

    Nederigheid

    ‘Nederigheid is een burgerdeugd die op dit moment van wezenlijk belang is,’ zegt Sandel, ‘omdat het een nood-zakelijk tegengif is tegen de meritocratische overmoed die ons uiteen heeft gedreven.’

    The Tyranny of Merit is het nieuwste salvo in Sandels levenslange intellectuele strijd tegen een sluipend individualisme dat sinds het tijdperk van Reagan en Thatcher overheersend is geworden in westerse democratieën. ‘Jezelf als selfmade en zelfvoorzienend beschouwen. Dat beeld van het zelf oefent grote aantrekkingskracht uit, omdat het je op het eerste gezicht macht geeft: ik red het zelf wel, ik kom er wel, als ik mijn best maar doe. Het is een bepaalde kijk op vrijheid, maar wel een die gebreken vertoont. Het leidt tot een competitieve marktmeritocratie die scheidslijnen versterkt en solidariteit ondermijnt.’

    Sandel hanteert een vocabulaire dat liberale ideeën over autonomie aan de kaak stelt op een manier die decennialang uit de mode is geweest. Woorden als ‘ondergeschiktheid’, ‘schuldplichtigheid’, ‘mysterie’, ‘nederigheid’ en ‘geluk’ komen herhaaldelijk voor in zijn boek. De impliciete stelling is dat kwetsbaarheid en wederzijdse erkenning de basis kunnen worden voor hernieuwde affiniteit en gemeenschapszin. Het is een maatschappijbeeld dat het absolute tegendeel vormt van wat het thatcherisme is gaan heten, met zijn nadruk op zelfredzaamheid als voornaamste deugd.

    Naast het ‘klappen voor de zorg’ zijn er volgens hem meer optimistische tekenen dat er eindelijk een ethische verschuiving plaatsvindt. ‘De Black Lives Matter-beweging heeft de progressieve politiek morele energie gegeven. Het is een multiraciale beweging van verschillende generaties geworden, die ruimte biedt voor een publieke afrekening met onrechtvaardigheid. Het toont aan dat je ongelijkheid niet alleen maar tegengaat door het opheffen van meritocratische grenzen.’

    Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers

    Aan het eind van het boek vertelt Sandel het verhaal van Henry Aaron, 
    de zwarte honkballer die opgroeide in het gesegregeerde zuiden van de VS en in 1974 het homerunrecord van Babe Ruth brak. Aarons biograaf schreef dat het slaan tegen een honkbal ‘de eerste meritocratische handeling in Henry’s leven was’. Dat is niet de lering die we moeten trekken, zegt Sandel. ‘De moraal van Henry Aarons verhaal is niet dat we van de meritocratie moeten houden, maar dat we een systeem van raciale onrechtvaardigheid moeten verachten waaraan je alleen kunt ontsnappen door homeruns te slaan.’

    Eerlijke concurrentie vormt geen rechtvaardige maatschappijvisie. Dat moeten Joe Biden en zijn Europese tegenhangers goed begrijpen. Als bron van inspiratie, zegt hij, zouden ze te rade kunnen gaan bij een van zijn intellectuele helden, de Engelse christen-socialist R.H. Tawney [1880-1962]. ‘Tawney betoogde dat gelijkheid van kansen hooguit een deelideaal was. Zijn alternatief was niet een onderdrukkende gelijkheid van resultaten. Het was een brede, democratische ‘gelijkheid van omstandigheden’ die burgers van alle rangen en standen in staat stelt met opgeheven hoofd door het leven te gaan en zichzelf te beschouwen als deelnemer aan een gezamenlijke onderneming. Uit die traditie komt mijn boek voort.’ 

    Dit artikel werd geselecteerd door journalist, programmamaker en presentator Chris Kijne.

  • Het digitale hiernamaals

    Het digitale hiernamaals

    Er komt een dag dat we in staat zijn om ons hele bewustzijn in een computer te scannen en een digitale replica van onszelf te creëren die eeuwig kan blijven leven. Maar wat betekent dat voor onze sterfelijke biologische zelf die achterblijft?

    Stel je een toekomst voor waarin een machine je brein kan scannen om daarvan de essentiële kenmerken over te zetten naar een computer. Mind uploading wordt dat genoemd: dan krijgt je bewustzijn een digitaal leven na de dood. Als neurowetenschapper ben ik ervan overtuigd dat het ooit zover gaat komen. Het is niet in strijd met de natuurwetten. Maar het vereist technologie die nog niet is uitgevonden, dus niemand weet wanneer het mogelijk wordt.

    De werking van ons brein berust op een elegant principe: één simpel werkzaam onderdeel, de zenuwcel, wordt talloze malen vermenigvuldigd, resulterend in de complexiteit van onze hersenen. Die bevatten zo’n 86 miljard van deze zenuwcellen of neuronen, die via honderd biljoen synapsen met elkaar in verbinding staan. De informatie die in complexe en onvoorspelbare patronen door dat enorme stelsel van verbonden netwerken stroomt en verwerkt wordt, vormt wat wij ons brein of onze geest noemen.

    Om iemands brein te kunnen uploaden, moeten eerst twee technische problemen worden opgelost. Ten eerste moeten we een kunstmatig brein met gesimuleerde neuronen bouwen. Ten tweede moeten we in staat zijn om iemands fysieke biologische brein en alle verbindingen tussen de neuronen nauwkeurig in kaart te brengen, willen we dat patroon ook in het kunstmatige brein kunnen nabootsen. En we weten niet of deze twee stappen genoeg zijn om iemands volledige bewustzijn echt naar een computer over te hevelen, of dat je daarvoor ook nog andere ongrijpbare aspecten van onze biologische opmaak mee moet kopiëren. Maar het is een goed startpunt.

    Connectoom

    Het eerste technische probleem is praktisch opgelost. We kunnen al kunstmatige, gesimuleerde neuronen maken en via synapsen met elkaar verbinden. Zo kunnen we netwerken van duizenden of zelfs miljoenen neuronen simuleren. Onze huidige wonderen van artificiële intelligentie, zoals Siri of zelfrijdende auto’s, draaien op grote kunstmatige neurale netwerken. Het nabootsen van een mensenbrein met zijn 86 miljard neuronen is nu nog wat te hoog gegrepen, maar dat duurt vast niet lang meer. De computertechnologie wordt steeds beter.

    De tweede technische horde is een stuk moeilijker te nemen. Met behulp van een elektronenmicroscoop heeft een team onderzoekers aan het Albert Einstein College of Medicine onlangs een beschrijving voltooid van het volledige ‘connectoom’ – de kaart van alle neurale verbindingen – van een rondworm. Dat is een piepklein beestje met pakweg driehonderd neuronen, en daar hebben ze bijna tien jaar over gedaan. Het is een mijlpaal. Maar om een mensenbrein te kunnen uploaden, wil je mensen scannen als ze nog leven en moet je honderd miljoen keer zoveel data verwerken. Daarvoor ontbreekt ons nu nog de technologie. Volgens de meest optimistische ramingen ontwikkelen we die binnen enkele decennia, maar het zou mij niet verbazen als het nog eeuwen duurt.

    Maar hoe lang het ook duurt, het lijkt er toch op dat het ooit zover kan komen, en dan loont het ook de moeite om eens na te denken over wat het voor ons zou betekenen. Wat zijn de ethische en filosofische implicaties van het uploaden van ons brein?

    De hele idee van het individu moet op de schop, moet misschien wel helemaal worden afgeschaft

    Stel dat ik besluit om mijn brein te laten scannen en uploaden. Niemand weet natuurlijk nog precies hoe dat zal zijn, maar het zou als volgt kunnen gaan: een bewustzijn komt bij kennis. Het beschikt over mijn persoonlijkheid, mijn herinneringen, mijn kennis en emoties. Het denkt dat het mij is. Het kan blijven leren en nieuwe kennis opdoen, want aanpassingsvermogen is de essentie van een kunstmatig neuraal netwerk. Op grond van die nieuwe ervaringen blijven de synaptische verbindingen veranderen.

    Mijn sim (mijn gesimuleerde ik) kijkt om zich heen en merkt dat hij zich in een gesimuleerde, videogame-achtige omgeving bevindt. Met goede rendering-software kan die omgeving sterk lijken op de echte wereld en is het lichaam van mijn sim net een echt lichaam. Misschien krijgt mijn sim wel een woning in een gesimuleerde versie van Manhattan, waar hij deel uitmaakt van een hele bevolking van andere geüploade mensen in digitale lichamen. Mijn sim kan er rondwandelen in een digitaal gegenereerde stad waar het altijd mooi weer is. Geur-, smaak- en tastzin zullen weinig voorstellen, want dat soort informatie vergt een krankzinnige bandbreedte. Maar al met al kan mijn sim toch denken: ‘Die upload is zijn geld dubbel en dwars waard geweest. Ik ben hier in het digitale hiernamaals, en dat is een fijne en veilige plek om te wonen. Laat die cloud maar eeuwig duren!’

    Maar hoe zou het zijn voor mijn biologische ik? Zodra de scan achter de rug is, lijkt het ineens weggegooid geld. Ik ben nog steeds even sterfelijk. Oké, ergens in de cloud bestaat nu een kopie van mij. Ik kan die kloon zelfs opbellen en met hem ruziën over wie van ons de echte ik is. Maar per saldo komt mijn biologische ik er bekaaid vanaf.

    Hoe moet je de verhouding tussen mijn sim-ik en mijn bio-ik in filosofisch opzicht zien? Stel je mijn levensloop voor als een meetkundige figuur, als de letter Y. Mijn leven begint onderaan en mijn brein wordt gevormd door wat ik onderweg naar boven meemaak als ik ouder word. Op een dag laat ik mijn brein uploaden: het punt waarop de Y zich vertakt. Nu zijn er twee levenslopen, van twee ikken die zich allebei mijn echte ik wanen. Stel dat de linkertak mijn sim is en de rechtertak mijn biologische ik. Vanaf dan volgen ze ieder hun eigen levenspad en doen verschillende ervaringen op. De rechtertak zal uiteindelijk overlijden. De linker kan oneindig lang doorleven, en ook de herinneringen en ervaringen van de poot van de Y leven daarin voort.

    Heb ik dan echt de digitale onsterfelijkheid bereikt? De kern van het probleem is dat woordje ‘echt’. Geen van ons beiden is de ‘echte’ ik. We vormen samen één groter, vertakt geheel. Dat hoeft zich zelfs niet tot één vertakking te beperken. Je kunt je een boom voorstellen met veel meer vertakkingen, die nog steeds allemaal samen mijn ‘ik’ vormen. De hele idee van het individu moet op de schop, moet misschien wel helemaal worden afgeschaft.


    Het is natuurlijk moeilijk om zo’n toekomstbeeld meteen enthousiast te omarmen, want we hebben hier geen ervaring mee. We zijn het wel gewend om ’s avonds in slaap te vallen, een soort kleine dood te ondergaan en ’s ochtends te herrijzen als iemand die voor 99,9 procent – maar niet helemaal – dezelfde is als de vorige dag. Maar we gaan niet piekeren of ons ik van gisteren nu overleden is en we vandaag met een heel nieuwe persoon zitten opgescheept. We zijn zo gewend aan dat hele proces dat we er niet meer bij stilstaan. Maar als we eenmaal ons brein kunnen uploaden, zullen we moeten wennen aan een heel nieuwe manier van denken over de continuïteit van het leven.

    In sciencefiction wordt het filosofische probleem van die opgesplitste levensloop meestal handig omzeild. Neem Tron (1982), een van de eerste populaire films over dit thema: zodra iemand daarin wordt geüpload naar de digitale wereld, verdwijnt zijn fysieke verschijningsvorm uit beeld, om als bij toverslag pas weer op te duiken zodra hij de digitale wereld verlaat. Zo hoef je niet na te denken over hun gelijktijdige bestaan. En in The Matrix (1999) heeft iedereen maar één bewustzijn, dat zich steeds alleen in ofwel de fysieke wereld, ofwel de virtuele wereld van de Matrix kan bevinden. Slimme verhaaltechnische trucs om het idee behapbaar te maken voor een hedendaags publiek. Maar als we ons brein ooit echt kunnen uploaden, zullen we de individuele persoonlijkheid meer moeten beschouwen als een databestand dat we kunnen kopiëren en waarvan verschillende versies kunnen bestaan.

    Technologisch gezien is er geen reden waarom mijn sim-ik geen verbinding kan leggen met de echte wereld: hij kan bellen of skypen, het nieuws volgen, in aandelen handelen of videovergaderingen bijwonen. Mijn sim woont dan misschien in een sim-Manhattan met andere sims, maar als hij mijn persoonlijkheid en mijn herinneringen bezit, zal hij net als ikzelf van mijn familie houden en daarmee contact willen hebben. Mijn sim zal mijn politieke overtuigingen hebben en zijn stem willen uitbrengen; hij zal dezelfde interesses hebben en het werk willen doen dat hij kent en waar hij van houdt. Hij zal in de wereld willen staan.

    En wie houdt hem tegen? Hij leeft dan misschien in de cloud, zonder fysiek lichaam, maar hij zou net zoveel greep hebben op de echte wereld als ieder ander. We leven nu al in een wereld waarin bijna alles wat we doen via internet loopt. Contact met vrienden en familie onderhouden we met appjes en Twitter, Facebook en Skype. Het nieuws volgen we op sociale media en nieuwssites. In sommige beroepen vinden bijna alle werkzaamheden elektronisch plaats. Neem mijn werk aan de universiteit: college geven, artikelen schrijven en jonge onderzoekers begeleiden, ik zou het allemaal kunnen doen via internet, zonder fysiek aanwezig te zijn.

    En dat geldt voor veel meer functies: bibliothecaris, directeur, romanschrijver, beeldend kunstenaar, architect, parlementariër, president. Een digitaal hiernamaals zou volgens mij dus niet zozeer een (al dan niet utopische) plek zijn die naast de wereld bestaat. Het zou een integraal nieuw onderdeel van onze eigen wereld worden, bevolkt door een groeiend aantal burgers die in professioneel, economisch en maatschappelijk opzicht net zo’n grote rol spelen op sociale media als ieder ander.

    ‘Biologische mensen zouden het larvestadium van de mensheid vertegenwoordigen, strevend naar een plekje onder de happy few die mogen toetreden tot de onsterfelijke digitale elite die de wereld regeert.’ – © Getty
    ‘Biologische mensen zouden het larvestadium van de mensheid vertegenwoordigen, strevend naar een plekje onder de happy few die mogen toetreden tot de onsterfelijke digitale elite die de wereld regeert.’ – © Getty

    Bij wie zou zich in die potentiële toekomst de meeste macht ophopen? Het is niet ondenkbaar dat dat bij de mensen in de gesimuleerde wereld is. Zij beschikken over alle politieke en economische contacten die ze in de loop van een heel leven hebben opgebouwd. En eenmaal geüpload hebben ze eeuwen de tijd om hun middelen en invloed steeds verder uit te breiden. Bij hen vergeleken zouden fysieke mensen volstrekte nieuwkomers zijn. Biologische mensen zouden het larvestadium van de mensheid vertegenwoordigen, strevend naar een plekje onder de happy few die mogen toetreden tot de onsterfelijke digitale elite die de wereld regeert.

    Een tweede mogelijkheid is dat de macht vooral in handen komt van hen die bepalen wie er tot deze virtuele wereld toegang krijgt. Ga maar na hoe dat bij religies gaat: een geestelijk leider belooft je de hemel voor goed gedrag en eeuwige verdoemenis voor wangedrag. Op grond van die motivatie zijn al veel oorlogen gevoerd. Zelfmoordterroristen schijnt een beloning in het hiernamaals te zijn voorgespiegeld. Terwijl de religieuze volksmenners hun volgelingen in feite iets beloven waarvoor geen objectief bewijs bestaat. Ze zwaaien met een denkbeeldige wortel en stok.

    Stel je eens voor wat dus de overtuigingskracht zal zijn van een hiernamaals dat objectief aantoonbaar is. Als je kunt skypen met de mensen die zich in de digitale hemel bevinden, en zelfs (als het met de technologie de verkeerde kant op gaat) met hen die zich in een digitale hel bevinden. Reclamemakers weten allang dat niets zo overtuigend is als een persoonlijke aanbeveling. Stel dat we de aanbevelingen konden lezen van mensen die zich al in het hiernamaals bevinden. En stel je dan eens een politicus voor die mensen deze objectief aantoonbare hemel in het vooruitzicht stelt als ze hem volgen, en de hel als ze zich tegen hem keren. De macht waarover de poortwachters van dit digitale hiernamaals dan beschikken, daar kunnen we ons nog geen voorstelling van maken.

    Maar een toekomst waarin we ons brein kunnen uploaden, hoeft niet gitzwart te zijn. Een ander mogelijk resultaat is de accumulatie van wijsheid. Kennis accumuleren kunnen we nu al. De uitvinding van het schrift verschafte ons vijfduizend jaar geleden het essentiële hulpmiddel om kennis over te dragen op volgende generaties en maakte zo de ontwikkeling van onze moderne wereld mogelijk. Maar het denkproces van een wijze, verstandige geest kan nooit langer dan een mensenleven duren. Als we ons brein kunnen uploaden, zou dat een prachtige nieuwe manier zijn om ook dat denken zelf voor het nageslacht te bewaren. Dat zou onze beschaving net zo ingrijpend kunnen veranderen als het schrift ooit heeft gedaan.

    En het uploaden van ons brein kan nog een ander groot voordeel bieden. Aan ruimtereizen doen wij eigenlijk nog niet, en het is ook moeilijk voorstelbaar dat we het ooit gaan doen. Ons lichaam is kwetsbaar, niet bestand tegen de kosmische straling waarvan de ruimte vergeven is, en onze levensduur is te kort om een bestemming te bereiken die de moeite waard is. Met de snelste raket die we nu hebben, zouden we nog steeds 50.000 jaar onderweg zijn naar Alpha Centauri, de dichtstbijzijnde ster.

    Maar als we ons brein uploaden, vallen al die bezwaren weg. Hele kolonies van geüploade breinen, die elkaar in een virtuele omgeving gezelschap houden, kunnen dan naar de sterren worden gestuurd, op een verkenningstocht die onbegrensd is in ruimte en tijd. De enige manier waarop wij een ras van ruimtereizigers kunnen worden is misschien niet door een ruimteschip te bouwen die het menselijk lichaam kan huisvesten, maar door een platform te bouwen dat de menselijke geest kan vervoeren. Het uploaden van ons brein kan weleens de beste kans bieden op een verre toekomst waarin we bevrijd zijn van onze sterfelijkheid en van het fysieke lot van deze aardbol.

    Auteur: Michael S.A. Graziano
    Vertaler: Frank Lekens

    Opneingsbeeld: © Getty

    The Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 2.000.000

    De bijbel voor zakenmensen. Lezerspubliek bestaat voor 60 procent uit topmanagement, met een gemiddeld inkomen van 191.000 dollar en een leeftijd van 55 jaar.

  • Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.

    2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.

    De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.

    Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit

    Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.

    Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.

    In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.

    Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.

    © Josh Barwick
    © Josh Barwick

    De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.

    De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.

    Gezondheid

    Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.

    Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.

    Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.

    Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.


    De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

    Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.

    Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.

    Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.

    Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar

    Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.

    Klimaatverandering

    De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.

    Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.

    De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.

    Auteur: Bruce Mau
    Vertaler: Frank Lekens

    The Walrus
    Canada | verschijnt 10 x per jaar | oplage 60.000

    The Walrus publiceert longreads over Canadese en internationale actualiteiten evenals fictie en poëzie van Canadese auteurs.

  • ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.

    Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’

    En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, 
stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 
39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.

    Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.

    Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door 
de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa 
alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.

    U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en 
de plek iets nader bepalen?

    ‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].

    Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’

    De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
    ‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.

    Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der 
Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’

    Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?

    ‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’

    Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
    ‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’

    *Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen 
met de hele samenleving waarin hij leefde? *
    ‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. 
Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid 
in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’

    Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
    ‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van 
cultuur.”

    Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. 
De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’

    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz
    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz

    Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?

    ‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.

    Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.

    Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.

    Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’

    Wie waren uw leerlingen?

    ‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’

    Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
    ‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. 
Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’

    Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel 
van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en 
een kameel van anderhalf jaar.’

    Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
    ‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’

    Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee 
[In Exodus 15].

    ‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.

    In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. 
De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’

    En wat was uw conclusie?
    ‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’

    Kunt u een voorbeeld geven?
    ‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.

    Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van 
de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’

    Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.

    ‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’

    Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
    ‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’

    En wat hebt u ontdekt?
    ‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’

    Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
    ‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.

    Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.

    Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’

    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’

    Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?

    ‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’

    Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.

    Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’

    Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.

    Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’

    Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’

    ‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’

    Auteur: Smadar Reisfeld

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Kopie

    Kopie

    Van alle artikelen uit de wereldpers die wij in deze editie de moeite waard vonden om te laten vertalen, te duiden en opnieuw af te drukken, raakt dat van Byung-Chul Han het meest de kern van 360. Hij beschrijft hoe anders Aziaten denken over de uniciteit van het origineel, dat volgens hen niet per se interessanter is dan een kopie.

    Alleen wie er nadrukkelijk van uitgaat (lees, de westerling) dat een origineel onherhaalbaar, onschendbaar en uniek is, spreekt van een vervalsing. Terwijl Chinezen een vervalsing nog wel eens verkiezen boven wat wij ‘echt’ noemen en bijvoorbeeld kopieën naar buitenlandse musea sturen in de vaste overtuiging dat die net zo waardevol zijn als het origineel. Of waardevoller.

    Die zienswijze doet niet onder voor wat op andere continenten geldt, waar een replica van een kunstwerk nul en generlei waarde heeft. Een valse Rolex is vaak niet te onderscheiden van een exemplaar van het in 1905 geregistreerde oorspronkelijke merk – maar wel een stuk goedkoper.

    Voor het eerst in de architectuurgeschiedenis gebeurde het dat de kopie eerder klaar was dan het origineel

    In het geval van de Iraaks-Britse architecte Zaha Hadid maakten de copycats in China het nog bonter. Voor het eerst in de architectuurgeschiedenis gebeurde het dat de kopie van haar Wangjing SOHO-complex eerder klaar was dan het origineel, waarvan de bouw in Beijng toen pas begonnen was. Een Chinese bouwonderneming had de twee reusachtige asymmetrische torens van Hadid in recordtempo gekloond en zette een kopie neer in Chongqing. Filosofisch opwindend, zei de in 2016 overleden Hadid destijds tegen het Duitse weekblad Der Spiegel. Een rechtszaak zou ze hebben verloren omdat het niet om een exacte kopie ging en de tegenpartij zich daar succesvol achter zou hebben kunnen verschuilen in de knip- en plakcultuur die het web en de globalisering ook met zich mee hebben gebracht. Zij hield er ‘een ongemakkelijk gevoel’ aan over.

    In China zit niemand ermee. Daar bestaat geen minachting voor wat in het Westen zou worden afgedaan als fantasieloze namaak. Integendeel, een kundige vervalsing kan juist een bewijs van vakmanschap zijn. Kopiëren betekent in het Oosten minimaal hetzelfde niveau behalen, of hoger. Die verbetering mag dan technologisch superieur zijn en de discussie interessant, maar laten we wel wezen, zonder origineel ook geen kopie.

    U heeft het bewijs in handen.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Diane Airbus door Eleanor Macnair. – © Eleanor Macnair

  • De kopie is het origineel

    De kopie is het origineel

    In China en Japan mogen tempels worden herbouwd en oeroude strijders opnieuw worden gegoten. Er is niets ‘heiligs’ aan het origineel.

    In 1956 was er in het Parijse Musée Cernuschi, gespecialiseerd in Aziatische kunst, een tentoonstelling van Chinese meesterwerken. Algauw bleek dat alle schilderijen vervalsingen waren. Wat in dit geval gevoelig lag, was dat de vervalser niemand anders was dan de beroemdste Chinese schilder van de twintigste eeuw, Chang Dai-chien, wiens eigen werk tegelijkertijd in Parijs werd tentoongesteld in het Musée d’Art Moderne. Hij werd als de Pablo Picasso van China beschouwd. En zijn ontmoeting met Picasso datzelfde jaar werd gevierd als een top van de meesters van de westerse en oosterse kunst. Toen eenmaal bekend werd dat de oude meesterwerken vervalsingen van zijn hand waren, beschouwde de westerse wereld hem als een ordinaire oplichter. Maar in de ogen van Chang zelf waren het helemaal geen vervalsingen. In elk geval waren de meeste van deze oude schilderijen geen kopieën, maar replica’s van verloren gegane schilderijen die alleen uit beschrijvingen bekend waren.

    In China waren verzamelaars vaak zelf schilder. Ook Chang was een hartstochtelijk verzamelaar, die meer dan vierduizend schilderijen bezat. Zijn collectie was geen dood archief maar een verzameling oude meesters waarbinnen levendig werd gecommuniceerd en getransformeerd. Hij was zelf een metamorfosekunstenaar. Hij mat zich moeiteloos de rol aan van oude meesters en creëerde een soort origineel. In Challenging the Past: The Paintings of Chang Dai-chien (1991) schreven Shen Fu en Jan Stuart: ‘Het genie van Chang garandeert waarschijnlijk dat zijn vervalsingen nog lang onontdekt zullen blijven. Door “oude” schilderijen te creëren aan de hand van beschrijvingen in catalogi van verloren gegane meesterwerken kon Chang vervalsingen schilderen die verzamelaars dolgraag wilden “ontdekken”. In sommige werken transformeerde hij beelden op een volstrekt onverwachte manier; hij kon een schilderij uit de Ming-dynastie op een werk uit de Song-dynastie laten lijken.’

    Zijn schilderijen zijn originelen voor zover ze het ‘echte spoor’ van de oude meesters vervolgen en hun oeuvre uitbreiden en veranderen in retrospectief. Alleen wie er nadrukkelijk van uitgaat dat het origineel onherhaalbaar, onschendbaar en uniek is doet ze af als vervalsingen. Deze speciale praktijk van de doorgaande creatie (Fortschöpfung) is alleen denkbaar in een cultuur die niet in het teken staat van revolutionaire breuken en onderbrekingen, maar van continuïteit en kalme transformatie, niet van zijn en wezen, maar van proces en verandering.

    Productiemethodes

    Toen in 2007 bekend werd dat uit China ingevlogen terracottabeeldjes van strijders geen tweeduizend jaar oude kunstvoorwerpen waren maar kopieën, besloot het Museum für Völkerkunde in Hamburg de betreffende tentoonstelling geheel te sluiten. De museumdirecteur, die kennelijk optrad als voorvechter van waarheid en waarachtigheid, zei destijds: ‘We zijn tot de conclusie gekomen dat er geen andere optie is dan de tentoonstelling volledig te sluiten om de goede naam van het museum te redden.’ Het museum bood zelfs aan de entreekaartjes van alle bezoekers van de tentoonstelling te vergoeden.

    Van begin af aan ging de productie van replica’s van terracottabeeldjes van strijders gelijk op met de opgravingen. Op de opgravingsplek zelf werd een replicawerkplaats ingericht. Maar daar werden geen ‘vervalsingen’ geproduceerd. Je kunt beter zeggen dat de Chinezen de productie als het ware probeerden te herstarten – een productie die van meet af aan al reproductie was in plaats van creatie. De originelen waren inderdaad via massaproductie tot stand gekomen met gebruikmaking van modules of componenten, een proces dat moeiteloos had kunnen worden voortgezet als de productiemethodes beschikbaar waren geweest.

    De Chinezen kennen twee verschillende kopieconcepten. Fangzhipin (仿製品) zijn imitaties die duidelijk afwijken van het origineel. Het zijn kleinere modellen of kopieën die bijvoorbeeld in een museumwinkel kunnen worden aangeschaft. Het tweede kopieconcept is fuzhipin (複製品). Dit zijn exacte reproducties van het origineel, die voor Chinezen dezelfde waarde hebben als het origineel. Ze hebben absoluut geen negatieve connotaties. De verschillende opvattingen over wat een kopie is hebben dikwijls tot misverstanden en onenigheid geleid tussen China en westerse musea. De Chinezen sturen vaak kopieën naar het buitenland in plaats van originelen, in de vaste overtuiging dat die in wezen niet verschillen van de originelen. De afwijzende houding van de westerse musea komt dan op de Chinezen over als een belediging.

    De schrijn van Ise.
    De schrijn van Ise.

    Ondanks de globalisering lijkt het Verre Oosten nog altijd de bron van heel wat verbazing en verwarring. Ook de ideeën over identiteit in het Verre Oosten zijn voor westerlingen verwarrend. De grote schrijn van Ise, het belangrijkste shintoheiligdom op het eiland Honshu, is in de ogen van de miljoenen Japanners die er elk jaar op bedevaart gaan dertienhonderd jaar oud. Maar in werkelijkheid wordt het tempelcomplex om de twintig jaar van de grond af aan herbouwd.

    Deze religieuze praktijk is westerse kunsthistorici zo vreemd dat UNESCO deze shintotempel na verhitte debatten afvoerde van de Werelderfgoedlijst. In de ogen van UNESCO-experts is de schrijn hooguit twintig jaar oud. Wat is in dit geval het origineel en wat de kopie?

    Dit is een volledige omdraaiing van de relatie tussen origineel en kopie. Of het verschil tussen origineel en kopie verdwijnt in zijn geheel. In de plaats van een verschil tussen origineel en kopie komt een verschil tussen oud en nieuw. We zouden zelfs kunnen zeggen dat de kopie origineler is dan het origineel, of dat de kopie verwanter is aan het origineel dan het origineel zelf, want hoe ouder het gebouw wordt, des te verder is het verwijderd van zijn originele staat. Een reproductie zou het als het ware tot zijn ‘originele staat’ herstellen, vooral omdat het niet aan een specifieke kunstenaar is gelieerd.

    In het Oosten heeft men een volledig andere bewaartechniek ontwikkeld die weleens effectiever zou kunnen zijn dan conservatie of restauratie

    Niet alleen het gebouw zelf maar ook alle tempelschatten van Ise worden volledig vervangen. Er zijn altijd twee identieke verzamelingen schatten in de tempel aanwezig. De vraag naar origineel en kopie komt in het geheel niet op. Dit zijn twee kopieën die tegelijkertijd twee originelen zijn. Vroeger werd de oude verzameling vernietigd als er een nieuwe werd vervaardigd. Brandbare onderdelen werden verbrand en metalen onderdelen begraven. Maar sinds de laatste herbouw worden de schatten niet langer vernietigd maar tentoongesteld in een museum. Ze danken hun redding aan hun toegenomen tentoonstellingswaarde. Hun vernietiging hoort echter bij hun cultuswaarde, die het duidelijk steeds meer aflegt tegen hun waarde als tentoonstellingsobjecten in musea.

    Als in het Westen monumenten worden gerestaureerd worden oude sporen juist nadrukkelijk belicht. Oorspronkelijke elementen worden behandeld als relikwieën. In het Verre Oosten is men niet bekend met deze oorspronkelijkheidscultus. Men heeft er een volledig andere bewaartechniek ontwikkeld die weleens effectiever zou kunnen zijn dan conservatie of restauratie. Deze vindt plaats via continue reproductie. De techniek maakt volledig korte metten met het verschil tussen origineel en replica. We zouden ook kunnen zeggen dat originelen zichzelf conserveren via kopieën. De natuur is hier het voorbeeld. Ook het organisme vernieuwt zichzelf via continue celvervanging. Na verloop van tijd is het organisme een replica van zichzelf. De oude cellen worden simpelweg vervangen door nieuw celmateriaal. In dit geval doet de vraag van een origineel zich niet voor. Het oude sterft af en wordt vervangen door het nieuwe. Identiteit en vernieuwing sluiten elkaar niet uit. In een cultuur waar continue reproductie een techniek is voor conservatie en behoud, zijn replica’s allesbehalve alleen maar kopieën.

    De Munsterkathedraal van Freiburg in het zuiden van Duitsland staat bijna het hele jaar door in de steigers. Het zandsteen waarvan hij is gemaakt is heel zacht, poreus materiaal dat niet bestand is tegen natuurlijke erosie door regen en wind. Na een tijdje begint het te verkruimelen. Het gevolg is dat de kathedraal voortdurend op beschadigingen wordt onderzocht en geërodeerde stenen worden vervangen. En in de werkplaats van de kathedraal worden voortdurend kopieën van de beschadigde zandstenen beelden vervaardigd. Natuurlijk wordt geprobeerd de stenen uit de middeleeuwen zo lang mogelijk te conserveren. Maar op een gegeven moment worden ook die vervangen door nieuwe stenen.

    In wezen is dit dezelfde procedure als bij de Japanse schrijn, behalve dat de productie van een replica in dit geval heel langzaam verloopt en over een lange tijdsperiode. Maar uiteindelijk is het resultaat precies hetzelfde. Na een bepaalde tijd is er gewoonweg sprake van een reproductie. Mensen hebben het idee dat ze naar het origineel kijken, maar als de laatste oude steen van de Munster van Freiburg door een nieuwe is vervangen, wat is er dan nog origineel aan de kathedraal?

    Het origineel is iets denkbeeldigs. Het is in principe mogelijk een exacte kopie, een fuzhipin van de Munster van Freiburg te maken in een van de vele themaparken in China. Is dat dan een kopie of een origineel? Wat maakt het alleen maar een kopie? Wat karakteriseert de Munster van Freiburg als een origineel? Materieel gesproken verschilt zijn fuzhipin misschien op geen enkele manier van het origineel, dat zelf op een dag misschien ook geen oorspronkelijke onderdelen meer zal bevatten. Alleen door zijn plek en zijn cultuswaarde zou de Munster van Freiburg verschillen van zijn fuzhipin in een Chinees themapark. Maar als je hem geheel van zijn cultuswaarde ontdoet ten gunste van zijn tentoonstellingswaarde, zou ook ieder verschil met zijn dubbelganger misschien verdwijnen.

    De Munster van Freiburg-kathedraal.
    De Munster van Freiburg-kathedraal.

    Ook op kunstgebied heeft het idee van een onbetwistbaar origineel zich in de loop van de geschiedenis in de westerse wereld ontwikkeld. In de zeventiende eeuw werden opgegraven kunstwerken uit de klassieke oudheid heel anders behandeld dan nu. Ze werden niet gerestaureerd op een manier die trouw was aan het origineel. In plaats daarvan werden er tal van ingrepen gepleegd waardoor het uiterlijk van de kunstwerken veranderde. Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) voegde bijvoorbeeld zomaar een gevest toe aan Ares Ludovisi, het oude beeld van de god Mars, dat zelf al een Romeinse kopie was van een Grieks origineel. Tijdens het leven van Bernini werd het Colosseum zelf als marmergroeve gebruikt. De muren werden simpelweg ontmanteld en voor nieuwe gebouwen gebruikt.

    De conservatie van historische monumenten in de moderne zin van het woord begon met de musealisering van het verleden, waarbij cultuswaarde steeds meer plaatsmaakte voor tentoonstellingswaarde. Interessant genoeg ging dit hand in hand met de opkomst van het toerisme. De zogeheten Grand Tour die begon in de renaissance en zijn hoogtepunt bereikte in de achttiende eeuw, was een voorloper van het moderne toerisme. In de ogen van toeristen nam de tentoonstellingswaarde van gebouwen en kunstwerken uit de klassieke oudheid, die hun als attracties werden voorgeschoteld, alleen maar toe. In dezelfde eeuw dat het toerisme begon werden de eerste maatregelen genomen om oude bouwwerken te conserveren. De industrialisering wakkerde de behoefte aan conservatie en musealisering van het verleden verder aan. Bovendien ontdekten kunstgeschiedenis en archeologie, twee ontluikende takken van wetenschap, de ‘epistemologische waarde’ van oude gebouwen en kunstwerken en wezen ze iedere interventie af waardoor die zouden kunnen veranderen.

    De cultuur in het Verre Oosten is niet gewend dingen in hun tijd te plaatsen, iets wat waarschijnlijk verklaart waarom Aziaten veel minder bezwaar hebben tegen klonen dan Europeanen. De Zuid-Koreaanse kloonexpert Hwang Woo-suk, die in 2004 wereldwijd de aandacht trok met zijn kloonexperimenten, is een boeddhist. Hij verwierf veel steun en volgelingen onder boeddhisten, terwijl christenen opriepen tot een verbod op het klonen van mensen. Hoewel de onjuistheid van zijn bevindingen inmiddels is aangetoond, legitimeerde Hwang zijn kloonexperimenten met zijn religieuze overtuiging: ‘Ik ben een boeddhist en ik heb geen filosofisch probleem met klonen. Zoals u weet, vormt recycling van het leven door middel van reïncarnatie de basis van het boeddhisme. Ik denk dat therapeutisch klonen in sommige opzichten een herstart van de levenscyclus betekent.’

    Door de dood heen

    Ook in het geval van de schrijn van Ise is de conserveringstechniek gelegen in het telkens opnieuw laten beginnen van de levenscyclus en het leven niet ‘tegen de dood in’ te laten voortbestaan maar ‘door de dood heen’ en ‘tot voorbij de dood’. De dood zelf is ingebouwd in het conserveringssysteem. Op deze manier maakt het ‘zijn’ plaats voor het cyclische proces dat dood en verval impliceert. In de oneindige levenscyclus is niets meer uniek, origineel, uitzonderlijk of definitief. Alleen herhalingen en reproducties bestaan. In het boeddhistische idee van de oneindige levenscyclus is sprake van decreatie in plaats van creatie: geen creatie maar herhaling; geen revolutie maar terugkeer; de Chinese productietechnologie wordt niet door archetypes bepaald maar door modules.

    Zoals we weten, worden zelfs de terracottalegers vervaardigd met behulp van modules of voorraadcomponenten. Productie aan de hand van modules strookt niet met het idee van het origineel, omdat het van meet af aan om voorraadcomponenten gaat. Bij modulaire productie staat niet de oorspronkelijkheid of uniciteit voorop, maar de reproduceerbaarheid. Het gaat er niet om een uniek, oorspronkelijk voorwerp te creëren, maar een massaproduct dat desondanks ruimte laat voor variatie en modulering.
    Modulaire productie moduleert hetzelfde en creëert daarbij verschillen. Er wordt gemoduleerd en gevarieerd, wat een grote mate van variatie mogelijk maakt. Maar de uniciteit wordt opgeofferd aan reproductieve efficiëntie. Het is bijvoorbeeld niet toevallig dat de drukkunst in China is uitgevonden. Ook de Chinese schilderkunst gebruikt modulaire technologie. De mosterdzaadtuin, het grote Chinese handboek voor de schilderkunst, bevat een oneindige reeks componenten waarmee een schilderij kan worden samengesteld of zelfs in elkaar gezet.

    Het is geen kwestie van het zo realistisch mogelijk weergeven van de natuur maar van zo natuurlijk mogelijk te werk gaan

    In het licht van deze modulaire productievorm dient zich opnieuw de creativiteitsvraag aan. Het combineren en variëren van elementen wordt belangrijker. In dit opzicht werkt de Chinese culturele technologie net als de natuur. In zijn boek Ten Thousand Things (2000) schrijft de Duitse kunsthistoricus Lothar Ledderose: ‘Chinese kunstenaars verliezen nooit uit het oog dat het in grote aantallen produceren van werken ook een vorm van creativiteit is. Ze vertrouwen erop dat er, net als in de natuur, altijd enkele van de tienduizend dingen zullen zijn waaruit verandering voorkomt.’

    De Chinese kunst heeft een functionele relatie met de natuur, geen mimetische. Het is geen kwestie van het zo realistisch mogelijk weergeven van de natuur maar van zo natuurlijk mogelijk te werk gaan. In de natuur brengen opeenvolgende variaties ook iets nieuws voort, duidelijk zonder dat daar een of andere vorm van ‘genie’ aan te pas komt. Zoals Ledderose schrijft: ‘Schilders als Zhen Xie streven ernaar de natuur in twee opzichten te evenaren. Ze produceren grote, bijna onbegrensde hoeveelheden werk en worden daartoe in staat gesteld door modulaire systemen van compositie, motieven en penseelstreken. Maar ze voorzien elk afzonderlijk werk ook van een eigen uniciteit en een onnavolgbare vorm, zoals ook de natuur oneindig veel vormen kan bedenken. Een leven in dienst van het ontwikkelen van zijn esthetische vaardigheden stelt de kunstenaar in staat de kracht van de natuur te benaderen.’

    Auteur: Byung-Chul Han
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Openingsbeeld: Repilica’s van terracottastrijders als deze zijn volgens Chinezen hetzelfde waard. © Ian Hitchcock / Getty Images

    Dit is een fragment uit Shanzhai: Deconstruction in Chinese van Byung-Chul Han, in 2017 in de Engelse vertaling van Philippa Hurd verschenen bij MIT Press. De in Seoel geboren Byung-Chul Han is hoogleraar filosofie en culturele studies aan de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn.

  • Het probleem met mindfulness

    Het probleem met mindfulness

    De enorme populariteit van mindfulness baart wetenschappers zorgen. ‘Sommige populaire meditatiepraktijken doen meer kwaad dan goed.’

    Mindfulness is erg populair. Is dat reden 
tot zorg? Carl Erik Fisher denkt van wel. Fisher is professor klinische psychiatrie aan de Columbia-universiteit en psychotherapeut. In zijn therapiesessies maakt hij gebruik van meditatietechnieken en hij mediteert zelf ook. Toch vreest hij dat bepaalde populaire meditatiepraktijken, die verlossing zoeken in een heldere geest, de voordelen van meditatie meer kwaad dan goed doen. Recent onderzoek laat zien dat beoefenaars van mindfulmeditatie er schade van kunnen ondervinden.

    ‘De mindfulnesshype prent mensen in dat ze altijd strak gefocust moeten zijn op wat ze ervaren en hun geest moeten vrijwaren van invloeden en gedachten,’ aldus Fisher. ‘Maar dat is een volstrekt verkeerd beeld van waar het om gaat. Er is geen enkele traditie van mindfulness die zegt dat je je gedachten moet stopzetten. In een normale, niet-religieuze, klinische setting gaat het er alleen maar om dat je aandacht krijgt voor het hier en nu… Misschien moeten we eerst goed duidelijk maken wat mindfulness eigenlijk is, voordat we er overal op scholen en bedrijven posters over ophangen.’

    Jaarlijks komen er alleen in de Verenigde Staten 1 miljoen nieuwe mediteerders bij. Willoughby Britton, directeur van het Clinical and Affective Neuroscience Laboratory van de Brown-universiteit, schreef vorig jaar in een paper: ‘Met meer dan 
twintig mindfulness-telefoonapps draagt mindfulness flink bij aan de miljardenindustrie rondom meditatie. In totaal bedient deze industrie ruim 
18 miljoen meditatiebeoefenaars.’

    Meditatie-ervaringen

    Eén zorg betreft de overdreven aandacht van de mindfulnessbeweging voor positieve, gezonde dingen als het reduceren van stress of angsten. Daardoor wordt meditatie een middel om mentale hygiëne 
te bereiken.

    Docent positieve psychologie Tim Lomas van de University of East London en zijn collega’s ondervroegen in 2014 mannelijke beoefenaars van meditatie. Van de dertig ondervraagden had een kwart last gekregen van sterke stemmingswisselingen – sommigen hadden moeite hun gedachten en gevoelens onder controle te houden; bij sommigen verergerden depressie en angsten en weer anderen werden psychotisch. Eén jonge man, een beginner, probeerde een methode uit waarmee gevorderden hun ‘ik’ 
proberen af te breken. ‘Ik stortte in elkaar, lag op de grond te snikken,’ vertelt hij. ‘Ik ervoer heel duidelijk dat alles tijdelijk was, maar dan zonder alles daaromheen, zonder het positieve van die ervaring. Ik had een allesoverheersend gevoel van wanhoop…’ Een andere man was iets minder negatief: ‘Je houdt soms niet van jezelf, je denkt: wat een lul ben ik ook.’ De conclusie van Lomas en zijn collega’s: ‘Deze studie laat duidelijk zien dat het welzijn van beoefenaars van meditatie in het geding is, zowel in een klinische omgeving als daarbuiten.’

    De ambitie van Britton en haar collega’s met hun onderzoek uit 2017 was om het hele scala aan meditatie-ervaringen nauwkeurig op te tekenen. Zij wilden daarmee recht doen aan de verschillende ‘variëteiten van contemplatieve beleving’. Deze laatste zin is wellicht een bewuste verwijzing naar William James’ beroemde boek over de religieuze ervaring. 
In hun onderzoek gingen zij uit van zeven ervaringsdomeinen, die elk weer uit minimaal vijf soorten verandering bestonden die de beoefenaars konden hebben ervaren. Hun proefpersonen – 43 procent vrouwen en 57 procent mannen, met een gemiddelde leeftijd van 48 jaar – hadden bij het mediteren veelal vreemde en zware dingen beleefd. ‘Om ook aandacht te geven aan het soort ervaringen waar in de wetenschappelijke literatuur relatief weinig over wordt gesproken’, schreven de auteurs, ‘vroegen wij expliciet ook naar ervaringen die de beoefenaars onverwacht, moeilijk, beangstigend of functioneel beperkend hadden gevonden.’

    ‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten’

    Op het cognitieve vlak, met in totaal tien categorieën, werd ‘verandering van wereldbeeld’ (48 procent) het vaakst genoemd, direct gevolgd door een ‘verwrongen, irrationele of paranormale kijk op dingen’ (47 procent). Het meest genoemde type ervaring op het vlak van de waarneming was, met 42 procent, ‘hallucinaties, visioenen of illusies’. De ervaring die het meest werd genoemd lag op het affectieve vlak: ‘angst, bevreesdheid, paniek of paranoia’, genoemd door 82 procent van de ondervraagden. De andere vlakken van beleving waarnaar gevraagd werd waren: ‘somatisch’ (te maken hebbend met lichamelijke ervaringen) ‘conatief’ (met motivatie en doelgericht gedrag), ‘zelfgevoel’ en ‘sociaal’. De helft van de door Britton en haar collega’s geïnterviewde meditatiebeoefenaars ervoeren ‘veranderingen in de grens tussen (hen)zelf en anderen of tussen (hen)zelf en de wereld’ en een even groot deel gaf aan zich ‘sociaal beperkt’ te voelen.

    Iemand die weet wat erbij komt kijken om een arhat, of ‘geperfectioneerd persoon’ te worden, zoals het in het theravada-boeddhisme heet, zal hier niet van opkijken. Om een arhat te worden, moet je het Nobele Achtvoudige Pad volgen – ‘de juiste kijk’, ‘het juiste gedrag’, ‘de juiste inzet’, enzovoorts. Het gaat er niet om of je een goed mens bent – want dat wordt sowieso verondersteld, schrijft Peter Harvey in 
An introduction to Buddhist Ethics. ‘Beschik je over deugd als een onmisbare basis voor verdere verbetering, dan kun je met meditatie gaan experimenteren. Doe je het goed, dan wordt je geest vanzelf rustiger, sterker… helderder.’ Dan kom je op een spoor terecht waarbij het proces zichzelf gaat voeden. Een heldere, rustige geest helpt je om je deugden te trainen, de ervaring lange tijd goed te doen verdiept je wijsheid en daarvan profiteren dan je meditatieve gaven weer.

    Het onderdeel van dit Achtvoudige Pad waar Fisher het meeste moeite mee had, ‘zelfs op een meditatiekussentje’, was de ‘juiste inzet’. ‘Span ik me in en probeer ik heel hard om werkelijk geen seconde te missen? Of ontspan ik me en laat mijn geest overal naartoe dwalen waarheen hij maar wil?’ vertelt Fisher. Hij oordeelt niet meer zo hard over zichzelf als vroeger. ‘Je moet de balans tussen die twee houdingen weten te vinden. Er bestaat een heel spectrum aan reacties en tijdens een meditatiesessie bestrijk 
je dat hele spectrum,’ vertelt hij.

    Fisher vond het meditatiecentrum in Zuid-Korea waar hij direct na zijn college met een beurs naartoe ging ‘een ongelooflijk verrijkende ervaring’. ‘Het overtuigde me ervan dat mindfulness prima samen kan gaan met wetenschappelijke psychiatrie en neurowetenschap.’ Toch kostte het mediteren hem vaak moeite. ‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten.’ Grappig genoeg hielp het hem om in 
de buurt van ambitieuze New Yorkers te zijn. ‘Hun probleem is dat ze over het algemeen erg streng 
voor zichzelf zijn. De meeste mensen uit die stad 
zijn superstreng voor zichzelf!’ vertelt Fisher. ‘Niet dat mijn ervaringen per se ook opgaan voor anderen, maar ik merk dat ik veel gemeen heb met mijn patiënten en dat we voor dezelfde opgaven staan.’

    Auteur: Brian Gallagher
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Nautilus
    Verenigde Staten | nautil.us

    Begonnen als online weekblad, maar 
verschijnt sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen 
de wetenschap en ons dagelijks leven. 
Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.

  • Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.

    IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?

    Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.

    In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.

    Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.

    Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?

    Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.

    Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
    Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.

    Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld

    Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?

    Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.

    Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.

    Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.

    We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.

    Het schilderij Picasso's Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH
    Het schilderij Picasso’s Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH

    In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?

    Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.

    Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.

    Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.

    In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.

    Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?

    Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.

    Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.

    Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.

    Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.

    Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?

    Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.

    Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.

    Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?

    In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden

    De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.

    Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.

    Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.

    Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.

    Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.

    Auteur: Kotryna Tamkuta
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Wolfgang Thöner, curator van de tentoonstelling Carl Fieger. Vom Bauhaus zur Bauakademie, in een opblaasbare replica van een huis van Carl Fieger. – © Klaus-Dietmar Gabbert / HH

    IQ
    Litouwen | maandblad | oplage 10.000

    IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.

    hallberg peter

    Ulf Hallberg

    Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.

  • ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    Mag je massamoordenaars monsters noemen? Ja, vindt hoogleraar filosofie Stephen T. Asma. ‘Monster is een woord dat we gebruiken voor mensen van wie we gedrag, motieven, denkpatronen vrijwel niet of totaal niet kunnen begrijpen.’ 

    Keuze uit het archief

    Ook al is het in liberale samenlevingen not done om mensen te demoniseren, stelt filosoof Stephen T. Asma in dit artikel uit 2017, toch zijn er nog steeds monsters onder ons. Zoals massamoordenaar Stephen Paddock, die in 2017 zestig mensen doodschoot tijdens een countryconcert in Las Vegas. Hoe gaan we om met dit soort mensen van wie de daden buiten ons voorstellingsvermogen liggen?

    Wat is een monster eigenlijk?

    ‘Het woord komt van het Latijnse werkwoord monstrare, waarschuwen. Met name in de antieke Griekse en Romeinse cultuur werd het woord bijvoorbeeld gebruikt voor een baby die was geboren als Siamese tweeling, of die een arm of been miste, of er juist een extra had. Zo’n kind werd beschouwd als een monster. De Grieken noemden hen teratos. Ze dachten dat het een gruwelijke straf was voor immoreel gedrag – een idee dat ook de middeleeuwse christenen graag toepasten om allerlei voorspellingen te doen. Het was een teken dat er onheil dreigde voor de staat of voor de keizer van dat moment of voor een bepaalde veldslag. Een monster is een mengeling van natuurlijke rampspoed en bovennatuurlijke betekenis.’

    Zijn monsters een uiting van weerzin?

    ‘Ja, er komt ook altijd een emotioneel en affectief aspect bij kijken. Een interessante filosoof, Noël Carroll, laat zien dat monsters, vooral moderne monsters uit het horrorgenre, altijd slijm uitscheiden of extra aanhangsels en tentakels hebben. Ze hebben iets wat ingaat tegen ons gevoel voor lichaamsbarrières of lichaamsbegrenzingen. Dat veroorzaakt vaak het gevoel van walging. Daarom zijn monsters vaak politiek zo nuttig. Een beschaving die ten oorlog trekt, zal altijd de tegenstanders demoniseren of “monsteriseren”. Die worden dan neergezet als onbeschaafd en walgelijk, bijvoorbeeld als het gaat om hun seksuele hygiëne. Ze worden een mikpunt van afkeer.’

    Dus in sociologische termen zijn zij de ‘outgroup’?

    ‘Juist: jij bent anders dan wij. Vreemdelingenhaat loopt als een rode draad door de geschiedenis van monsters. Als jij anders bent dan wij, dan reageren we met walging of zijn we bang en op onze hoede. Dat zie je in de antieke wereld, in de middeleeuwen en ook nu nog in het heden, aan de manier waarop wij onze vijanden neerzetten.’

    Heeft religie een rol gespeeld in het vormen van monsters?

    ‘Religie bouwt nooit alleen maar een pantheon van goden. Die goden zijn altijd een antwoord op een dreiging die wordt gepresenteerd via een of ander monsterverhaal. Als je naar de oudste verhalen kijkt, of dat nu in de hindoeïstische, de Chinese of de Mesopotamische literatuur is, zoals de Gilgamesj, altijd kom je er wel een monsterheld of heldmonster tegen. Dit moet wel te maken hebben met een evolutionaire strategie voor het vormen van fictieve familiegroepen. Hoe zorg je dat grote aantallen mensen die geen bloedverwanten zijn toch samenwerkende groepen worden? Daarvoor heb je dit soort verhalen nodig.’

    Frankenstein.
    Frankenstein

    Hebben monsters een evolutionaire functie?

    ‘Anderen wegzetten als monsters kan een uiterst nuttige aanpassing geweest zijn voor de eigen overleving als groep. De natuur was geen warm, gezellig holletje. Zulke horrorverhalen hadden nut omdat mensen erdoor gingen oppassen voor echte vijanden – zowel voor dieren als voor menselijke vijanden. Het folkloristische weerwolfverhaal was wijdverbreid in Europa. Dat is logisch, want de wolven in Noord-Europa waren een bedreiging voor Europeanen. In de Amerika’s bestaat een weerbeerfolklore, omdat oorspronkelijke Amerikanen zich zorgen maakten over echte beren en bang waren opgegeten of aangevallen te worden door beren. Als je naar de monsters van die werelden kijkt, zie je dat ze eenzelfde transformatiefunctie hebben. Het dier dat je kunt worden, of waarvoor je bang moet zijn, is het plaatselijke roofdier.’

    U schrijft dat er nog een andere kant aan het verhaal zit. Welke is dat?

    Dat gaat om een interessant gegeven dat niet veel aandacht krijgt. Daarbij gaat het niet om xenofobie, maar om xeno-nieuwsgierigheid. Een klassiek voorbeeld is dat van Sint-Augustinus. Hij weet dat monsters geacht worden in Afrika en het Oosten te leven. Daartoe behoren ook cyclopen en cynocehali, wezens met een hondenkop, en de blemmyes, wezens zonder hoofd maar met hun gezicht op hun borst. Iedereen denkt dat deze monsters incarnaties van het kwaad zijn, de kinderen van Kaïn: doorboor hun hart en ze zijn er geweest. Maar Augustinus benadrukt de “wonderlijke” kant van deze schepsels. Hij zegt: “Deze wezens zijn griezelig, maar als we met ze kunnen praten en als dan blijkt dat ze een bepaald vermogen tot redelijk denken bezitten, kunnen ze misschien gered worden, dan kunnen ze misschien deel uitmaken van de Verlossing.”’

    ‘Volgens het moderne, liberale standpunt heeft het monster een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen’

    Hoe is deze traditie door de jaren heen overgeleverd?

    ‘Het is typisch iets voor het westerse liberale denken om de kring van tolerantie uit te willen breiden naar degenen die anders zijn dan jij. Vanuit het moderne liberale standpunt is het heel verkeerd om een afkeer te hebben van vreemdelingen. Je hoort anderen niet te monsteriseren of demoniseren, je hoort geen walging van hen te voelen. Zo kun je ook Frankenstein interpreteren. Als ze op middelbare scholen Frankenstein behandelen, gebruiken ze dat verhaal om te laten zien dat je agressie en geweld oproept door geen verschillen in je groep toe te laten. Dat is een liberale interpretatie van het monster. Het monster is niet het kwaad. Het monster heeft een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen.’

    Wanneer werd ‘monster’ een term voor een mens?

    ‘Dat is echt een interessant onderwerp. Er zijn een paar lijnen die we kunnen volgen. Een loopt naar de oude Grieken, die het verschijnsel van een monsterlijk verlangen kenden. Je kon een verlangen in je hebben dat zo overweldigend was dat het je van jezelf vervreemdde. Dat Medea haar kinderen vermoordt, dat de ene persoon de andere doodt of dat liefde je krankzinnig maakt, komt doordat Eros je monsterlijke dingen laat doen. Het was een bezetenheid van binnenuit, een psychologisch vermogen dat je niet goed had gekanaliseerd. Ik denk dat die lijn doorloopt tot Freud en het idee van een “id” dat ons ware zelf is. In ons allemaal zit iets wat zorgvuldig moet worden beheerst. Anders pleegt het psychopathologische daden. Dat zie je nu met de schutter van Las Vegas. We willen weten waarom hij het deed. Is er iets in onszelf dat ons ook iets dergelijks kan laten doen als we het niet in de hand houden?’

    Zou u Stephen Paddock, de schutter van Las Vegas, een monster noemen?

    ‘Jazeker. Daar komt de term “monster” nog steeds goed van pas. Hij verwijst naar een categorie monster dat we niet kunnen begrijpen. Zodat we zeggen “Dit gaat er bij mij echt niet in. Hier snap ik helemaal niks van.”’

    Waarom komt de term ‘monster’ dan goed van pas?

    ‘Veel mensen denken: Ach, het woord monster is niet meer van deze tijd, je moet het niet meer gebruiken; je moet mensen en hun drijfveren begrijpen. Ik ben van mening dat de term monster nog steeds goed bruikbaar is wanneer je met iemand als Stephen Paddock te maken krijgt. Een van de kenmerken van een monster is dat het niet iemand is met wie je rationeel kunt onderhandelen. Met een vijand kun je nog raakvlakken vinden, zijn er dingen die je kunt volgen. Je vijand haat je misschien. Misschien heeft het conflict een economische achtergrond. Monster is een woord dat we alleen gebruiken voor mensen met wie niet onderhandeld kan worden. Het is vrijwel, zo niet geheel onmogelijk om hun gedrag, hun motieven, hun denkpatroon te begrijpen. Ons gebruikelijke inlevingsvermogen werkt bij deze mensen niet. “Monster” roept negatieve associaties op, en daar valt over te discussiëren. Maar in dit geval is het volkomen terecht om het woord te gebruiken.’

    Moeten we ons eenvoudigweg neerleggen bij het feit dat mensen monsterlijk kunnen zijn?

    ‘Dat is een lastige vraag. Ik heb eens een rechter geïnterviewd die zich dertig jaar lang had beziggehouden met de beestachtigste misdadigers waarover wij alleen maar in de krant lezen. Hetzelfde geldt voor mijn broer, die als detective voor een advocatenkantoor werkt. Allebei zeggen ze hetzelfde: soms ondervraag je iemand die gevangenzit omdat hij zijn kinderen heeft vermoord of iets anders gruwelijks heeft gedaan, maar zodra je met zo iemand in gesprek raakt, wordt het heel moeilijk om hem als monster te blijven zien. Mijn broer vertelde me een keer over zijn gesprek met een man die algemeen gezien wordt als een monster. Na een paar uur komt het gesprek op muziek. Het blijkt dat ze dezelfde muzikale smaak hebben. Misschien roken ze samen een sigaret. Plotseling heb je met zo iemand een natuurlijke menselijke relatie. Dat verandert wel iets aan je neiging om deze persoon alleen maar als een monster te zien.

    ‘In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: ‘Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad’’

    De rechter maakte een onderscheid. Hij zei: “Ik vind hun daden monsterlijk, maar ik zie de persoon niet als een monster.” Volgens mij maakt de wet daar nog een extra onderscheid bij. In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: “Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad.” Het Amerikaanse recht kent nog een categorie mens, die wordt aangeduid met die prachtig negentiende-eeuws klinkende term: iemand die een “kwaadaardig hart” heeft. Dat is echt een juridische term, want hij maakt deel uit van de juridische definitie van malice – boze opzet – en staat in de Californische strafwet. Het betekent dat het een karakterkwestie is. Deze persoon heeft de bedoeling een ander pijn te doen, en geniet daar mogelijk van. Ik vind het interessant dat de wet erkent dat er mensen zijn die gewoon door en door slecht zijn en ingeperkt moeten worden. Het is niet zo dat ze een moment van monsterlijkheid hadden of een monsterlijke daad pleegden. Dit zíjn monsters.’

    Maar kun je een persoon scheiden van zijn of haar daden? Het is toch een en hetzelfde brein dat erachter zit.

    ‘Ja, dit zijn typeringen die voortkomen uit de folklore, neem ik aan. Maar folklore is vaak overheersend in de wet. Aan de andere kant, als je er alleen vanuit de neurowetenschap naar kijkt, kan ik me voorstellen dat je al snel naar determinisme neigt. Wat zouden we tegenkomen wanneer we in de hersens van iemand als Stephen Paddock keken? Vinden we dan een tumor? Er is nog geen ander motief opgedoken, dus neig ik in die richting. Misschien was het iets dergelijks. De zaak is nog niet afgerond. We hebben meer informatie nodig. Maar je hebt gelijk: kan een beestachtige daad worden gescheiden van de persoon, is de persoon niet de som van zijn daden? Aan de andere kant hebben we wel enig onderscheid nodig tussen iemand die iets doet terwijl hij tijdelijk de controle over zichzelf kwijt is, en iemand die bewust een gruweldaad bedenkt en tot in de details uitwerkt. Daarom is een term als “karakter” nog steeds bruikbaar in de menswetenschappen. In termen van de neurowetenschap, tja, er zal heus geen afzonderlijk mensje in de hersens zitten, maar er is misschien wel een verhaal te vertellen over het falen van het systeem dat de impulsen moet beheersen.’

    Is elk mens in staat tot monsterlijkheid?

    ‘Ik denk dat elk mens in staat is tot het plegen van monsterlijke daden, maar echte monsters zijn vrij zeldzaam. Onze darwiniaanse erfenis heeft ons allemaal evolutionair gevormde vormen van agressie meegegeven, maar onze roofdierneigingen worden getemperd door verzorging en culturele opvoeding. Bij psychopathische persoonlijkheden spelen een gebrek aan goed ouderschap en culturele opvoeding vaak een rol, in combinatie met hersenafwijkingen. Toch kunnen ook bepaalde ideologieën zoals het jihadisme of het imperialisme een normaal gesproken empathisch persoon in een monster veranderen. Slechte ideeën kunnen onze prosociale gevoelens een andere richting geven en een kwaadaardig hart scheppen.’

    Wie of wat maakt een leider monsterlijk?

    ‘De tirannieke man heeft aantrekkingskracht voor mensen die zich bedreigd voelen of voor een staat die zich bedreigt voelt. Dat zie je telkens weer. Sociologen en antropologen noemen dit het verschijnsel van de “sterke man”: een groep voelt zich bedreigd, hun basisbehoeften worden niet vervuld, en er komt een charismatische, tirannieke figuur op. Zo ging het met Hitler. Zo ging het met Stalin. Ik heb in Cambodja gewoond en weet veel over het verhaal van de Rode Khmer en Pol Pot. Maar zelfs Plato zei het al in zijn Republica. Het interessante is dat het moeilijk is kritiek op zo iemand te leveren of er tegenwicht aan te bieden, omdat de tiran of de monsterlijke leider alleen maar agressief hoeft te zijn. Dat is zijn enige taak. Jij kunt wel zeggen dat hij irrationeel is of onlogisch, of moeilijk om mee samen te werken, maar dat maakt niets uit. Dat zijn gewoon de “deugden” van een monsterlijke leider. Neem het gedoe tussen Donald Trump en “Little Rocket Man”, zoals hij Kim Jong-un tegenwoordig noemt. De aantrekkingskracht van Trump op zijn aanhangers is denk ik dat Trump nu gestoord lijkt en dat andere grote mannen, grote bazen, misschien wel een andere gestoorde man zullen erkennen en respecteren. Dit zou een afschrikkend effect kunnen hebben. Het zou deels ook kunnen verklaren waarom een monsterlijke man aan de macht blijft.’

    Wat bedoelt u als u schrijft dat monsters een morele functie hebben?

    ‘Monsters kunnen deel uitmaken van de morele verbeelding als manier om te laten zien wat we niet willen zijn. Een duidelijk voorbeeld is dat van de jihadi die een journalist onthoofdt. Maar er zijn ook subtiele vormen, zoals Ebenezer Scrooge. Onze literatuur en cultuur scheppen iconen van immoraliteit en die dragen bij aan de vorming van ons gedrag en ons denken. Veel mensen genieten van horror in bijvoorbeeld The Walking Dead, omdat het een soort generale repetitie is. Ik verwacht geen zombieapocalyps, maar ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als het netwerk uitviel en wij geen elektriciteit hadden en er opeens voedselgebrek zou zijn. Wat zou er gebeuren als de moderne samenleving knarsend tot stilstand kwam? Veel monsterscenario’s zouden een vervangende training kunnen zijn voor wat er tussen mensen zou kunnen gebeuren.’

    Wat is uw monster? ‘Ik ben bang voor diep, donker water. Het is een bijna verlammende angst voor zeemonsters, wat een volkomen irrationele en belachelijke angst is. Daardoor ben ik me gaan afvragen hoe het nou eigenlijk zit.’

    En, hoe zit het?

    ‘Als je filosofie studeert, ben je behept met het vooroordeel van dit vakgebied tegen irrationaliteit. Zijn de knopen eenmaal ontward, dan moet rationaliteit het grote licht van de psyche zijn. Dat licht schijnt naar binnen en verklaart bovennatuurlijkheid en irrationele angsten. Je hoeft alleen maar je geest goed te trainen en dan kun je de kelder van je psyche uitruimen bij het heldere licht van de rede. Ik begon te beseffen dat dat niet klopt. De rede is niet het grote besturingssysteem. De psyche is gebaseerd op een veel groter en ouder besturingssysteem, namelijk het emotionele besturingssysteem. Uit veel onderzoek blijkt dat rationele of cognitieve gedragstherapie mensen nauwelijks helpt om over echte, verlammende fobieën heen te komen. Het lijkt er echt op dat het iets anders of diepers is.’

    Waar komt die verlammende angst dan vandaan?

    ‘Dat zullen we de komende twintig jaar nog niet precies weten, maar ik denk wel dat het werk van affectieve neurowetenschappers als Jaak Panksepp, die helaas overleden is, Antonio Damasio, Kent Berridge en Richard Davidson uiteindelijk het antwoord zal opleveren. Zij geloven dat we een aangeboren emotionele bedrading hebben die flexibel genoeg is om verschillende gebeurtenissen en ervaringen te verwerken. Ik denk dat die zienswijze juist is, al komt er nu kritiek op van mensen als [neurowetenschapper, psycholoog en auteur van het boek How Emotions Are Made] Lisa Feldman Barrett. Maar ik ben het echt niet eens met haar theorie van geconstrueerde emoties. Ik denk dat ze veel te veel bezig is met de conceptuele ruimte van de geest.’

    In haar visie zijn emoties geen kant-en-klare circuits in het brein die worden getriggerd door ervaringen. Het zijn constructies, manieren van het brein om de wereld te begrijpen.

    ‘Ja, en ik denk dat wat zij beschrijft wel klopt voor een bepaald domein van het geestelijk leven, namelijk voor een puur menselijk domein daarvan. Maar als het om de geest gaat ben ik te veel darwiniaan om te denken dat dit voor meeste emoties opgaat. De meer subtiele soorten emoties, zoals het gevoel van vrees of verveling, passen misschien goed in Barretts visie. Maar ik denk dat we homologisch gezien basale affectieve systemen gemeen hebben met andere zoogdieren. Zij ontkent dat, en daarin ben ik het dus niet met haar eens. Ze intellectualiseert emoties zo sterk – door ze als concepten te zien – dat ze dierlijke emoties of emoties van baby’s niet kan verklaren. Uiteindelijk moet het verhaal van angst, fobie en horror geworteld zijn in de oudere emotionele systemen.’

    Hoe hebben monsters u ertoe gebracht om over verbeeldingskracht te schrijven?

    ‘Ik had veel nagedacht over beelden. Lang voordat we beschikten over geschreven talen en verhalen, hadden we in ons brein al beelden als gevolg van de waarneming. We moeten ooit een communicatievorm hebben gehad met beelden en lichamelijke gebaren, voordat we taal hadden. Daardoor ging ik me afvragen hoe oud de verbeeldingskracht eigenlijk is. Is die meegekomen met de taal of konden we allang met beelden communiceren voordat we taal hadden? Volgens mij zijn er veel manieren om kennis te hebben en met anderen te communiceren, die niet linguïstisch zijn maar te maken hebben met lichaamstaal, in de vorm van dansen, of via tekenen of beeldend werk, zoals de grotschilderingen in Lascaux of Chauvet. Al vóór het propositioneel denken bestond er een hele taal van verbeeldingskracht en geestelijk leven.’

    Leeft dat oude verbeeldende leven nog steeds in ons?

    ‘Volgens mij wel, ja. Het wordt overschaduwd doordat het propositioneel denken overheerst. We zijn nu in ons brein sterk uitvoerend georganiseerd. Dat is wat je doet als je een kind opvoedt. Je legt een neocorticaal besturingssysteem over de wirwar aan meer associatieve motorische waarnemingsprocessen heen. We leren allemaal onze geest te disciplineren, zoals we leren ons gedrag te disciplineren. Maar we kunnen die neocorticale controleur het zwijgen opleggen via creatieve activiteiten, zoals kunst, en uitstapjes maken naar deze vroegere vorm van denken.’

    Wat zou u zijn als u geen hoogleraar filosofie was?

    ‘Ik twijfel tussen muziek en visuele kunst, maar hoe dan ook zou ik kunstenaar zijn. Ik bén nog steeds kunstenaar. Ik word er alleen niet meer voor betaald.’

  • Wandelen naar de 
wijsheid

    Wandelen naar de 
wijsheid

    Wandelen is een hype onder hoogopgeleide Duitse jongeren. Niet zo gek, schrijft journalist Dirk Schümer. Filosofen weten al eeuwenlang dat lopen dé manier is om je hoofd vrij te maken.

    De meest filosofische van alle vragen luidt: hoe gaat het? Het meest onpeilbare van alle antwoorden is: gaat wel. Nergens beter dan in onze taal laten zin en succes van het bestaan zich terugbrengen tot een trektocht. Dat is meer dan een taalkundig toeval. Wanneer we het bestaan een ‘lange tocht in het onbekende’ noemen, is dat zeker geen platte surrogaatreligie, waarbij alle tegenslag en vreugd overgoten wordt met een mystiek sausje.

    Het tegendeel is waar: wandelen is de laatste jaren echt een trendy bezigheid geworden voor intellectuelen en jonge mensen. Voorbij is de tijd dat lopen over bospaden een plezierige vrijetijdsbesteding betekende voor de bejaarden van de bergvereniging. Wandelen – dat klonk naar bezwete blokhemden, benauwde avondjes in een trekkershut, romantiek bij het kampvuur, en groepsuitstapjes met bijbehorende semimilitaire opsmuk. Het rook naar een Duitsland dat liefst zo snel mogelijk moest verdwijnen: wandeldagen, wandelspeldjes, wandelliederen, wandelgidsen.

    De therapeutische werking van het lopen is door de medische wetenschap intussen te uit en te na aangetoond. Wandelen helpt tegen zo’n beetje elke welvaartsziekte, van hoge bloeddruk en burn-out tot artrose en depressie. Maar wandelen helpt vooral ook het hoofd vrij te maken: het opent nieuwe wegen en perspectieven voor vastgeroeste denkmodellen.

    Vandaag leven hele landstreken, van de Lüneburger Heide tot aan het Beierse Woud, van de nieuwe wandelhype. In plaats van gezette heren in kniebroek 
en klederdrachtjasje lopen hippe stadsgirls kleurig functioneel gekleed de gecertificeerde top-trails die Bonn verbinden met Wiesbaden (Rheinsteig), 
Hamburg met Celle (Heidschnuckenweg) of Trier met Boppard (Saar-Hunsrück-Steig). De producenten van wandelkleding, stokken, navigatiesystemen groeien harder dan de auto-industrie.
    Maar wat heeft dat allemaal met filosofie te maken? Hebben we bij het stappen soms een handboek westerse filosofie nodig? Nee natuurlijk: iedereen kan zonder boek en leermeester wandelen, dat simpele is er juist zo mooi en democratisch aan. Maar de omgekeerde vraag is wel interessant: kunnen we eigenlijk wel op hoog niveau denken zonder dat we ons voortbewegen?

    Heideggeriaanse dwaalwegen

    Dit is geen nieuw inzicht, denk maar aan de Duitse romantici en de heideggeriaanse dwaalwegen in het Zwarte Woud. Maar de wandelboom van de filosofen is Duitsland allang ontgroeid. Het is een wereldwijde beweging geworden. Niet zozeer een Duits exportproduct, als wel een denkrichting met een groot respect voor de pioniers van het lopend denken zoals Goethe, Nietzsche en Heidegger. Op de kronkelpaden van de wandelfilosofie vindt het al te intellectuele denken weer opnieuw zijn wortels: aan de voeten.

    Neem de Italiaanse filosoof Duccio Demetrio die in zijn vaderland behalve de stichting van een Accademia del silenzio ook verschillende boeken over wandelen op zijn naam heeft staan. En dat terwijl Italië doorging, en -gaat, voor het land van Ferrari, of toch in elk geval Fiat-rijders, die de 500 meter voor een pakje sigaretten het liefst met ronkende motor afleggen.

    Worden wandelaars in Italië dan beschouwd als rare snuiters die in een snikhete woestenij verdwaald zijn geraakt tussen espressobar en ijssalon? Absoluut niet. En dat niet alleen omdat de afgelopen jaren de oeroude pelgrimsweg tussen Lucca en Rome door de Apennijnen, de Via Francigena, logistiek werd ontsloten, bewegwijzerd en naar het lucratieve voorbeeld van de route naar Santiago de Compostella nieuw leven werd ingeblazen. Demetrio levert de 
Italiaanse wandeltheorie er meteen bij: hij gaat terug naar de oudste filosofenschool in Athene, waar Aristoteles zijn leerlingen peripatetisch – dus op en neer wandelend – onderrichtte.

    De Duitse filosoof en wandelaar Martin Heidegger in zijn tuin, rond 1964. – © Getty Images
    De Duitse filosoof en wandelaar Martin Heidegger in zijn tuin, rond 1964. – © Getty Images

    Dat causale verband tussen je bewegen en inzicht krijgt volgens Demetrio zijn vervolg in de kruisgangen van de westerse abdijen en in de pelgrimstochten naar Jeruzalem, Rome en Compostella. En was de eerste man van wie geschreven staat dat hij uit honger naar kennis een berg beklom, niet ook een Italiaan? Vrijwel geen enkel wandelboek kan voorbij aan Francesco Petrarca die al in het jaar 1356 de steile Mont Ventoux in de Provence beklom, omdat hij als denker overzicht wilde krijgen.

    Demetrio spreekt in dit verband van een ‘mediterrane meditatie’ – wandelen als een mediterrane bestaansvorm van een in gelatenheid loslaten: alleen wie voortgaat, verlaat zijn standpunt, laat zich inhalen en krijgt steeds weer nieuwe in- en uitzichten. Leven vanuit deze Europese traditie betekent je niet afzonderen in geboden en axioma’s, maar voortdurend onderweg zijn.

    Voor Demetrio is Goethe, die in Rome zijn volmaakte landschap zag, de wandelaar die bij uitstek als schakel kan dienen tussen de Middellandse Zee en de donkere wouden van de romantiek. Na Goethe waren het de tragische Duitse intellectuelen die in de bossen een tegenwicht ontdekten voor de vervuilende industrie en de rationele Verlichting.

    Voor de Franse wandelfilosoof Jean-Louis Hue vormt natuurdenker Jean-Jacques Rousseau het ideaaltype. In zijn essay ‘L’ apprentissage de la marche’ (Leren lopen) schetst landloper Hue zijn voorbeeld Rousseau als de man die in gepeins verzonken van nature beweegt.

    Hue laat ook zien dat de esthetische praktijk van het wandelen niet in Europa werd uitgevonden, maar in het Verre Oosten: door Chinese monniken die zoekend naar verheffing rondstapten tussen drakenbergen. Of in het klassieke Japan, waar men al eeuwen geleden tien wandellandschappen onderscheidde en die al naar gelang de stand van de zon, het jaargetijde en het weer, bij de echte kenners aanbeval. Wat stellen in vergelijking hiermee onze eigen moderne routeplanners, wandelspeldjes en vaste bagagetarieven dan eigenlijk voor?

    Echte wandelaars lopen het risico de weg kwijt te raken, dwaalwegen te volgen, zich nat te laten 
regenen en het soms met blaren onder de voeten het allemaal niet meer te weten

    Hue kwam op het geniale idee om de wandelfilosofie zogezegd ‘fenomenologisch’ te schragen door de wandelstokken van zijn idool Rousseau te bestuderen. Met een ervan mocht hij zelfs een paar stappen zetten. Ook Thomas Hobbes, die in het handvat van zijn stok een inktpotje en een ganzenveer bewaarde om zijn ideeën te kunnen noteren, kon trouwens niet zonder attributen. En dat gold ook voor Friedrich Nietzsche, die nooit zonder gele paraplu door de bergen van het Engadin liep: dat gaf houvast op steil terrein, beschermde de denker bij regen tegen een verkoudheid en gaf zijn ogen bescherming tegen de zon.

    Zo zie je maar dat de wereldwijde wandelfilosofie niet over uitgesleten paden gaat. De Californische kunstcritica en feministe Rebecca Solnit heeft het genre zelfs verankerd in een landstreek waar banneling Günther Anders in 1940 nog gearresteerd werd omdat hij het waagde te gaan wandelen in Los Angeles.

    In Solnits voetsporen is de politieke trektocht momenteel uitermate populair bij pacifistische natuurfreaks. Alleen de oorspronkelijke titel van haar prachtige handboek vormt natuurlijk al een hommage aan het model van het Duitse middelgebergte: Wanderlust. Dit romantische begin past naadloos in de praktijk van demonstraties, van kritische bewaking van plekken en van fysiek verzet die door de feministe Solnit uit een referentieloze verplaatsing zijn ontwikkeld. We hoeven alleen maar terug naar de wijsheid van de peuter die leert lopen door voortdurend te vallen.

    Dat politieke ‘gaan’ zien we ook terug in de antikoloniale protestmarsen van Gandhi en de weerspannige stedelijke Stalker-groep rond de Italiaanse stadfilosoof Francesco Careri. Zij meten de kwaliteit van de ruimte aan verlaten industrieruïnes, bouwgaten en groenstroken naast asfalt, rails en beton.

    Careri’s leer van het junglewandelen door de stad past bij rappers die freestyle langs brugleuningen en door tunnels turnen of bij wildgolfers die in parken en metro’s spelen. Maar sport, dat weet Foucault-expert Frédéric Gros ook slaapwandelend zeker, dat nooit.

    Onthaasting

    Deze persoonlijke, niet te meten en te commercialiseren onthaasting heeft de Franse filosoof ook meesterlijk beschreven in zijn in het Nederlands vertaalde boek Wandelen – een filosofische gids. Op zijn poëtische zwerftochten beziet Gros het genre van alle kanten. Met hem creëert het meanderende denken en passant een antiwereld tegen de razende stilstand van de digitale beweging. Waar de nerds hun kunstmatige wereld betreden met een elektronische handschoen om zich door de software te worstelen, blijven ze toch steken in het siliconen foedraal van het postmoderne.

    Echte wandelaars lopen het risico de weg kwijt te raken, dwaalwegen te volgen, zich nat te laten 
regenen en het soms met blaren onder de voeten het allemaal niet meer te weten. Die relativering door de realiteit doet het denken alleen maar goed, terwijl de profeten van het beeldscherm net zo vast aan hun stoel blijven plakken als de rationalisten van 
het zinnelijk-concrete.

    Zijn hele leven heeft hij gewandeld, schrijft Jean-Louis Hue, om het nu, nu hij oud wordt en zijn voeten zwaar zijn, eindelijk te kunnen. Dat sluit aan op de opmerking van Lao Zi dat ook de verste reis altijd met een kleine stap begint. En is deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid niet de kwintessens van wijsheid? Als 
je na lange wegen eindelijk hebt leren lopen, is het inderdaad zo ver: tijd om te gaan.

    Auteur: Dirk Schümer

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • In Abchazië gaat filosofisch alles goed

    In Abchazië gaat filosofisch alles goed

    Een Russische journaliste reist met haar zoontje door Abchazië, en valt van de ene verbazing in de andere. In Europese ogen is het ministaatje in de Kaukasus primitief en straatarm, maar dat lijkt de onverzettelijke bewoners niet te deren. ‘Laten we drinken op de vrijheid.’

    ‘Geen vuilis weggooien’, staat er in het Russisch op een betonnen muur die langs 
het strand van Goedaoeta loopt. ‘Kijk, we volgen de Russische wetten bijna naar de letter,’ zegt de Abchazische kunstenaar Nodar Tsvizjba, die een stukje met me meereist. ‘Maar weet je wat onze 
redding is? Onze spelfouten.’

    Tussen het station van Vesjoloje, de grenspost met Rusland, en Soechoemi, het eindstation, rijdt de trein met een slakkengang. In Abchazië kun je maar beter geen haast hebben. De wegen zijn er slecht en er lopen koeien op. Vanuit de trein zie ik statige ruïnes van oude stations voorbijglijden. Gagra, Goedaoeta, Psyrtscha, Novy Afon, als even zovele overblijfselen van een ingestort rijk. Bloemblaadjes van de oleander liggen verspreid tussen de Dorische zuilen, klimop kronkelt in golven over de fijnzinnige reliëfs van art-decolantaarnpalen. De trein baant zich traag een weg door deze welig tierende begroeiing.

    ‘Geen grotere luilakken dan de Abchazen,’ tiert de conducteur terwijl hij vol afgrijzen naar dit prachtige tafereel kijkt. ‘In de tijd van de Sovjets waren de spoorlijnen netjes, de stations versierd met witte bloembakken. En nu? Ze doen er niets aan!’ Ik voer aan dat het oorlog is geweest. ‘Maar dat is al twintig jaar geleden!’ ‘En daarna kwam de economische blokkade…’

    De conducteur wuift alles weg. ‘Het zijn wel de Russische Spoorwegen die dit allemaal financieren! Kijk nou hoe de spoorbaan erbij ligt! Waar is het geld gebleven, vraag ik u!’ Net als elke zichzelf respecterende Rus ziet hij zich als een barmhartige Samaritaan die een horde arme sloebers helpt. Maar zo zit het niet. Het klopt dat de Russische Spoorwegen Abchazië in 2009 een krediet hebben verstrekt. Met dat geld zijn bruggen en spoorlijnen hersteld. Nu moet Abchazië die lening terugbetalen. Maar met de minieme begroting die het land heeft, gaat dat wel even duren. Abchazië betaalt altijd de hoogste prijs. Zowel voor de spoorwegen als voor de eigen onafhankelijkheid, ja eigenlijk voor het hele voortbestaan van het land.

    Het verlaten Psyrtscha-treinstation in de buurt van Nieuw Athos. Vroeger kon je hier de trein nemen naar Moskou. De spoorweg bestaat nog steeds. – © Ioanna Sakellaraki / HH
    Het verlaten Psyrtscha-treinstation in de buurt van Nieuw Athos. Vroeger kon je hier de trein nemen naar Moskou. De spoorweg bestaat nog steeds. – © Ioanna Sakellaraki / HH

    ‘Hé adelaartje, hier komen!’ Ljosja Agrba, bij wie we in Novy Afon logeren, weet mijn zoontje Fjodor op straat bij zijn broek te grijpen. Verlegen stribbelt hij tegen, maar Ljosja houdt hem stevig vast. ‘Luister eerst even. Je zag best dat er oudere mensen in de kamer zitten. Je hebt ze niet eens gedag gezegd en je wilde ons ook voorbijrennen zonder iets te zeggen. Dat doe je hier niet…’ Fjodor kijkt hem ondeugend aan, maar lijkt wel sorry te willen zeggen. Twee dagen later volgt hij Ljosja vol bewondering, helpt mee in huis en luistert verzaligd naar zijn preken over hoe je je in Abchazië hoort te gedragen.

    De alamys is de traditionele ethische code in Abchazië. Die bepaalt hoe je je moet gedragen tegenover ouderen, bezoek, vijanden, dieren en planten. In Abchazië vreest iedereen twee dingen: dat het land opnieuw onder Georgisch protectoraat komt, en dat de alamys verloren gaat. In beide gevallen zou dat het einde van het land betekenen. ‘Weet u, ik heb nooit aan politiek gedaan,’ zegt Nodar Tsvizjba. ‘Wat heb je daaraan? We moeten zorgen dat onze taal en onze tradities blijven bestaan. We zijn maar een minuscuul eilandje met een heel oude cultuur. We hebben het Abchazisch weten te bewaren zoals dat in de elfde en twaalfde eeuw gesproken werd. Wij hebben bijvoorbeeld geen woord voor “dood”. We zeggen “mijn ziel is geboren”. En voor “ik hou van jou” zeggen we “ik zie je in het echt”. Nu ik hier belangrijk sta te doen, zouden ze van mij in het Abchazisch zeggen dat ik je mijn paard laat zien. 
Het “ik” is bij ons taboe.’

    Door de alamys is de Abchazische samenleving voor Europeanen moeilijk te doorgronden. Hier wordt bijvoorbeeld de traditie van de eremoord nog volop in stand gehouden. ‘Een jongen bedenkt zich wel twee keer voordat hij een jong meisje onteert,’ legt Ljosja Agrba uit, ‘want hij weet dat ze zal worden gewroken. Binnen een half uur of over tweehonderd jaar, maar gestraft zal hij worden. We gaan dan nooit naar de politie. Er is de familie. En die vergeeft niemand.’ In een land waar elk gezin wapens bezit, is deze 
traditie van bloedwraak heel effectief. Afgezien van wat kleine delicten tegen toeristen is er geen sprake van criminaliteit.

    Elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin

    Een ander krachtig afschrikmiddel: de befaamde Abchazische gastvrijheid. Zelfs als een vijand zijn toevlucht zoekt bij een naaste van zijn tegenstander, dan wordt hij een gast en krijgt hij bescherming. Die vervloekte gastvrijheid brengt de Abchazen tegenover toeristen in een netelige situatie. In feite zouden Fjodor en ik de voornaamste inkomstenbron van onze gastheer moeten zijn. Maar elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin.

    Het kernbegrip van de alamys is het geweten. Een Abchaas ‘sterft levend’ door iets te doen wat tegen zijn geweten indruist. En dat brengt de Abchazen vaak in een lastig parket. Als ik naar een vernield gebouw wijs, waarvan je er hier veel hebt, en ik aan mijn gesprekspartner vraag waarom het er zo bij staat, slaat hij zijn ogen neer en zegt dat het door de oorlog komt. Terwijl deze plek helemaal niet door de oorlog is getroffen – de ramen en deuren van dit gebouw zijn tijdens de blokkade gestolen. Deze Abchaas wil niet liegen, maar hij schaamt zich. Pchasjtsjarop wordt dit soort schaamte genoemd die 
je niet voor jezelf voelt, maar voor je hele volk en je land. Dat maakt de Abchazen tot een volk waarmee het moeilijk vechten is.

    Ik vraag aan Nodar om me over de Kaukasusoorlog te vertellen [die duurde van 1817 tot 1864 en leidde tot de annexatie van Ciskaukasië door het Russische keizerrijk]. ‘Dat zal Ljosja Agrba me niet in dank afnemen,’ zegt hij. ‘Het is verkeerd om daar met 
Russen over te praten.’ Ik blijf zwijgen en doe alsof het me niet echt interesseert. Dan barst Nodar los: ‘Omdat Sjamil [de imam van Dagestan die het verzet van de Tsjetsjenen en de Dagestanen tegen het leger van de tsaar leidde] gecapituleerd heeft. Wij waren de enigen die zich tot het einde toe hebben verzet. De Abchazen en de Oebychen. De Engelsen hadden de Oebychen met artillerie bewapend. Een Russische generaal vroeg aan een Oebychse vorst: “Wat moet je nog met al die artillerie? Je volk is uitgeroeid.” Waarop de prins antwoordde: “Ik snijd zwangere vrouwen de buik open, dan kunnen hun baby’s op jullie schieten.” Wat een haat!’

    Strand bij Nieuw Athos, een populaire kustplaats aan de Zwarte Zee. – © Sasha Mordovets / Getty Images
    Strand bij Nieuw Athos, een populaire kustplaats aan de Zwarte Zee. – © Sasha Mordovets / Getty Images

    Toen de laatste Abchazische en Oebychse strijders naar de kust waren teruggedreven, kregen ze het aanbod om zich over te geven of naar Turkije te vluchten. Alle Oebychen en bijna een half miljoen Abchazen [vooral de moslims onder hen – veel Abchazen die oorspronkelijk orthodox waren, hadden zich tijdens de Ottomaanse invasie in de vijftiende eeuw tot de islam bekeerd] kozen er toen voor naar Turkije te gaan. Deze demografische ramp heet hier machadzjirstvo en blijft in Abchazië een pijnlijke episode. Tegenwoordig zijn er nog maar honderdduizend echte Abchazen in Abchazië zelf, maar er wonen er een miljoen in Turkije.

    De langzame, vaak geïnstitutionaliseerde verdrijving uit hun eigen land die in de negentiende eeuw begon, is in de twintigste eeuw doorgegaan. In 1931 verloor Abchazië de status van republiek en werd onderdeel van Georgië. Daarna moesten er in de jaren veertig onder het bewind van Stalin duizenden Georgiërs gedwongen verhuizen naar Abchazië. Abchazisch spreken werd verboden, er was veel discriminatie bij het aannemen van personeel, Abchazische scholen werden gesloten… Volgens de bevolkingspolitiek van Stalin moesten minderheidsvolken zich vermengen met grotere volken, die op hun beurt weer moesten opgaan in de nieuwgevormde gemeenschap van het Sovjetvolk. Na Stalins dood was er niemand die een ander beleid wilde. Met als gevolg dat bij dit nog latente etnische conflict de spanningen steeds verder opliepen.

    Maar meteen na de val van de Sovjet-Unie kwam het tot uitbarsting. Georgië en Abchazië riepen [in 1991] tegelijkertijd hun onafhankelijkheid uit en kozen elk hun eerste president: Edoeard Sjevardnadze en 
Vladislav Ardzinba. Georgië tekende meteen protest aan tegen de onafhankelijkheidsclaim van Abchazië. Vervolgens zijn beide landen begonnen aan gecompliceerde en eindeloze onderhandelingen. Op 14 augustus 1992 maakte de Opperste Sovjet van Abchazië zich onder voorzitterschap van Ardzinba op om een ontwerp voor een federale grondwet met Georgië te ondertekenen. Maar diezelfde ochtend vielen Georgische troepen Abchazië binnen en trokken op naar Soechoemi.

    In deze oorlog tussen Georgië en Abchazië [die tot eind 1993 heeft geduurd] stond Rusland officieel aan Georgische zijde. En Abchazië, dat soldaten noch wapens bezat, kreeg geen enkele steun uit Moskou. Integendeel. Nadat het als door een wonder de Georgiërs had teruggedreven, heeft het acht jaar lang te maken gehad met een economische blokkade van Rusland. Pas in 2000 is die blokkade weer opgeheven. In augustus 2008 heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië erkend. De Abchazen zijn daar enorm dankbaar voor. Maar ook al zeggen ze ‘voor 
de Russen’ te zijn, de machadzjirstvo, de oorlog en de blokkade vergeten ze niet. Voor Abchazië vloeit de keuze voor Rusland voort uit de geschiedenis. Een lastige keuze is het wel. ‘Ik heb een hele militaire uitrusting thuis. Ljosja ook. We zijn hier allemaal goed bewapend. Mijn kinderen konden al op hun zesde schieten,’ zegt Nodar kalm. Hij lacht. Abchazië staat duidelijk klaar om zijn onafhankelijkheid tegenover wie dan ook te verdedigen. Georgië, 
Rusland, de Verenigde Staten, voor die jongens 
daar is het allemaal één pot nat.

    Vrijheid: een groot goed

    De moderne geschiedenis van Abchazië start met de oorlog tegen Georgië. Maar alles begon al veel eerder, met de voorouders van de Hettieten die drieduizend jaar voor Christus uit Klein-Azië kwamen. Abchazië is een van de zeldzame streken op de wereld waar 
de oorspronkelijke bevolkingsgroepen zich hebben weten te handhaven.

    Abazijnen, Oebychen, Adygeërs, Kabarden en Tsjerkessen: ze zijn allemaal verwant aan de Abchazen. Wanneer die laatsten je beginnen te vertellen over de geschiedenis van hun land, dan wordt het een ware mythologie, of het nu over de moderne tijd of de oudheid gaat. Hun vermogen om uit elke gebeurtenis een tijdloze, universele les te trekken, is iets wat Europeanen irriteert omdat ze er een vorm van propaganda in zien. Toch gaat het hier niet alleen om een verschil in perceptie, maar ook om een andere verhouding tot de tijd. Gebeurtenissen herhalen zich en elk nieuw hoofdstuk in de geschiedenis heeft voor Abchazen hetzelfde gewicht als gebeurtenissen van duizenden jaren her, als je ze tenminste als universeel relaas opvat. Europeanen zien dat als vorm van primitief bewustzijn, terwijl het voor de Abchazen een vorm van wijsheid is die zorgt voor continuïteit van de geschiedenis.

    Bij Ljosja Agrba drinken we elke avond zoete wijn in de grote serre van zijn huis. Buiten rommelt de donder en valt er regen. ‘Weet je,’ begint Ljosja ernstig, ‘wij zijn altijd vrij geweest. Hier is nooit sprake van lijfeigenschap geweest, bij ons kon elke boer tegen zijn landheer zeggen wat hij dacht. En de landheren vertrouwden hun kinderen toe aan de dorpelingen, zodat ze opgroeiden met de tradities van hun land.’

    Door de hele geschiedenis van Abchazië heen is er vreemd genoeg maar zelden sprake van ambitie. Geen oorlogen – hooguit defensieve – geen pogingen om zich te onderwerpen aan de hoogste bieder of om een uiterst bescheiden economie te versterken. Het gevolg is klip en klaar: in Europese ogen is Abchazië straatarm. Er is hier niets wat oligarchen zou kunnen aantrekken of de interesse van de georganiseerde misdaad kan opwekken. De negen jaar durende economische blokkade heeft de lokale industrie de genadeslag gegeven. De landbouw is het net zo vergaan. Zelfs nu is er voor de thee, tabak en de mandarijnenoogst nog geen goed georganiseerd exportsysteem. ‘Zie je die bergtoppen?’ vraagt Ljosja verbitterd terwijl hij naar een bergketen wijst. ‘Ik heb er vier hectare land. Het paradijs. Ik heb er honderd ananasguaves geplant. En kaki’s, mandarijnen, avocado’s. En dat allemaal voor niets. Alles staat daar weg te rotten. Ik heb hier niemand aan wie ik dat fruit kan verkopen. En hoe krijg ik het naar Rusland? Ik ga het er echt niet zelf naartoe brengen.’

    Deze slijterij ‘verkoopt niet aan Obama’. – © Sasha Mordovets / Getty Images
    Deze slijterij ‘verkoopt niet aan Obama’. – © Sasha Mordovets / Getty Images

    Behalve de Abchazen zelf heeft niemand interesse voor de rijkdommen van dit land: een fantastische flora met meer dan 3500 soorten – waarvan de helft inheems –, een bijzondere fauna, bossen en rivieren vol wild en vissen, en ten slotte ongelooflijk goede grond waarop alles wil groeien, van wortels tot avocadobomen. Maar in deze tijd weegt de rijkdom van de natuur niet meer op tegen de armoede van de overheid. En gek genoeg lijkt niemand zich daar hier druk over te maken.

    ‘Praktisch gezien lijken we misschien in een wat lastige situatie te zitten,’ geeft regeringswoordvoerder Beslan Goerdzjoea toe, terwijl hij een fles Lychny [wijn] ontkurkt. ‘Maar filosofisch gezien gaat alles goed.’ We zitten in een café aan zee in Soechoemi. Achter ons tekenen zich de spookachtige silhouetten van de haven af met zijn kranen, die gelukkig recentelijk zijn vernieuwd. Oude Abchazen met de hoekige gezichten van bergbewoners wandelen trots over de promenade. ‘Je moet de situatie niet met een Europese blik bekijken,’ vervolgt Goerdzjoea. ‘Neem nu centrale verwarming. Die hebben we niet, dat klopt. Maar de winters zijn hier erg zacht en alle gebouwen hebben elektrische verwarming. Door onze eigen energiebronnen is elektriciteit hier spotgoedkoop.’ Met zijn bergrivieren is Abchazië een paradijs voor energietechnologen. Tegenwoordig kan de waterkrachtcentrale aan de Ingoeri het hele land van licht voorzien en ook nog energie aan Georgië leveren. 
Bij gebrek aan vraag liggen vier andere centrales stil. Deze economie die zo zwak lijkt, is dankzij de eigen energievoorziening en de landbouwproductie in staat om te overleven, zelfs tijdens de diepste laagconjunctuur.

    Het volk heeft het laatste woord

    ‘Maar er ook een democratisch paradijs van maken, dat kunnen jullie niet. Door de corruptie.’ ‘Dat klopt. Maar wij zien de democratie niet als een paradijs. Voor ons betekent democratie dat het volk het laatste woord heeft. In die zin zijn wij democratischer dan Rusland. Als onze president zich morgen laat omkopen door Poetin en een referendum zou organiseren over aansluiting van Abchazië bij Rusland, dan werd hij binnen twee uur afgezet. De politie zou niet eens hoeven in te grijpen.’

    Net als in de hele post-sovjetwereld moet hier politiek behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Mocht Rusland besluiten de schaar te zetten in de kaart van Abchazië, dan wordt het oorlog. In dat geval heeft Abchazië de beste kansen. Vooral omdat het beleid van het ministaatje – balancerend tussen respect voor de gemeenschappelijke belangen en een modernisering die niet gericht is op economische slavernij maar op ontwikkeling – laat zien welke kant het op moet.

    Tijdens de oorlog leidde Nodar aan het oostfront een patrouille verkenners. Toen de Georgische troepen de grens overkwamen, was dat net in het toeristisch hoogseizoen. De kinderen op de stranden wezen lachend naar de vliegtuigen. Die vliegtuigen waren op weg om de hoofdstad te bombarderen. Binnen amper drie dagen bereikten de Georgiërs Soechoemi en bezetten de stad. Ook Gagra werd ingenomen. Het kleine Abchazië maakte zich onmiddellijk op voor de strijd. De jachtgeweren werden van zolder gehaald. De oorlog heeft aan Abchazische kant vijfduizend doden geëist. Op een totale bevolking van 250 duizend mensen is dat ontzettend veel. En ontzettend is ook het woord dat alle Abchazen gebruiken als dit conflict ter sprake komt.

    Nodar steekt een sigaret op en schenkt iedereen nog een rondje van die heerlijke zoete wijn in. ‘Oorlogen beginnen in de grote steden en bij de banken,’ zegt hij terwijl hij zijn glas heft. ‘Daar tellen ze de miljoenen. Hier komen we in opstand, we strijden en we vallen. Daarginds is het niet meer dan een spel, hier is het de werkelijkheid. Je vroeg me naar de zin van die oorlog. Die zit in wat we hebben meegemaakt.’ Hij heft zijn glas. ‘Laten we drinken op de vrijheid!’

    Auteur: Olga Andreeva

    Openingsbeeld: Een voormalige sovjetfabriek in Tkvartsjeli, vlak bij de Zwarte Zee. – © Ioanna Sakellaraki / HH

    Roesski Reporter
    Rusland| weekblad | oplage 168.000

    Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie.

    schermafbeelding 2017 07 13 om 10 17 06 am
  • ‘We zijn niet tevredener dan in het Stenen Tijdperk’

    ‘We zijn niet tevredener dan in het Stenen Tijdperk’

    De Israëlische auteur Yuval Noah Harari kreeg na het immense succes van zijn boek Sapiens de status van een wijsgeer ‘die van alle markten thuis is’. Voor The Observer beantwoordde hij morele vragen van lezers en enkele bekende persoonlijkheden.

    In zijn ontbijtprogramma op de BBC-radio las presentator Chris Evans de eerste bladzijden voor van Sapiens, het boek van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Als je bedenkt dat een radiopubliek op dat tijdstip in de ochtend meestal niet bepaald zit te wachten op intellectuele uitdagingen, was dat een ongebruikelijke actie. Maar, zei Evans; ‘Dit is de meest verbijsterende eerste bladzijde van een boek ooit.’

    Dj’s willen nogal eens schromelijk overdrijven, maar daar was deze keer geen sprake van. De ondertitel van het boek verwijst naar het beroemde werk van Stephen Hawking en luidt: A brief History of Human Kind (Een kleine geschiedenis van de mensheid). In helder, aanstekelijk proza geeft Harari op die eerste bladzijde een sterk ingedikte geschiedenis van het heelal, gevolgd door een samenvatting van wat hij eigenlijk wil zeggen in dit boek: hoe de cognitieve revolutie, de agrarische revolutie en de wetenschappelijke revolutie de mens en zijn medeorganismen hebben beïnvloed.

    Dit is zo’n boek waarvan je onontkoombaar het gevoel krijgt dat je slimmer bent geworden als je 
het uit hebt. In de kern wil het boek duidelijk maken hoe het kwam dat homo sapiens de meest succesvolle menselijke soort werd, die zelfs rivalen als de neanderthalers wist te verdringen: dat kwam door ons vermogen om te geloven in verzonnen verhalen en die met elkaar te delen. Religies, naties, geld, 
zegt Harari, zijn allemaal door mensen verzonnen verhalen, en die hebben grootschalige samenwerking en organisatie mogelijk gemaakt.

    Naar zijn beste vermogen

    Harari (41) is opgegroeid in een seculier Joods gezin in Haifa. Hij studeerde geschiedenis aan de universiteit van Jeruzalem en is gepromoveerd in Oxford. Hij is veganist, mediteert dagelijks twee uur en gaat vaak lang op retraite. Dat helpt hem, zegt hij zelf, 
om zich te concentreren op de dingen die er echt toe doen. Hij woont met zijn echtgenoot op een mosjav, een landbouwcoöperatie even buiten Jeruzalem. 
Zijn homoseksualiteit heeft hem geholpen om 
vraagtekens te plaatsen bij vaststaande meningen, zegt hij. ‘Je moet niets zomaar voor waar aannemen, ook al gelooft iedereen het.’

    Harari is een geboren verteller en heeft altijd wel een veelzeggende anekdote of gedenkwaardige gelijkenis paraat. Daardoor is het verleidelijk om hem niet zozeer te zien als een historicus, maar eerder als een wijsgeer die van alle markten thuis is. The Observer vroeg enkele bekende persoonlijkheden en lezers om vragen aan Harari te stellen, en een selectie daarvan vind je op deze pagina’s. Veel vragen waren moreel 
of ethisch van aard, en gingen eerder over wat er gedaan zou moeten worden dan over wat er gebeurd is. Maar kennelijk is Harari gewend aan die rol en vindt hij het prima om die vragen naar zijn beste vermogen te beantwoorden. Als historicus van het verre verleden en van de nabije toekomst heeft hij een eigen, geheel nieuwe discipline uitgevonden. 
Dat is een unieke prestatie van deze man met zijn indrukwekkend veelzijdige geest.

    Yuval Noah Harari, wiens nieuwe boek Homo Deus ook alweer de schappen uit vliegt.
    Yuval Noah Harari, wiens nieuwe boek Homo Deus ook alweer de schappen uit vliegt.

    Helen Czerski, arts:

    De globalisering gaat razendsnel. Zal er in de toekomst één wereldwijde cultuur zijn of zullen we sommige, opzettelijk kunstmatige tribale groepen handhaven?

    ‘Ik weet niet zeker of het opzettelijk zal zijn, maar 
ik denk wel dat we waarschijnlijk maar één stelsel zullen hebben en in die zin dus maar één beschaving. In zeker opzicht is dat nu al zo. Over de hele wereld 
is het politieke stelsel van de staat ruwweg hetzelfde. Over de hele wereld is het kapitalisme het overheersende economische model en over de hele wereld is de wetenschappelijke methode of wereldvisie de basis van waaruit mensen de natuur, ziekte, biologie, natuurkunde, enzovoort verklaren. Er zijn geen 
fundamentele beschavingsverschillen meer.’

    Lucy Prebble, toneelschrijver:

    Wat is de grootste misvatting van de mens over zichzelf?

    ‘Misschien is dat het idee dat we door meer macht 
te krijgen over de wereld, over het milieu, onszelf gelukkiger kunnen maken en tevredener met ons leven zullen zijn. Gezien over duizenden jaren 
hebben we inmiddels enorme macht over de wereld, en toch zijn mensen zo te zien tegenwoordig niet aantoonbaar tevredener dan in het Stenen Tijdperk.’

    Online gepost door TheWashingtonPlace:

    Kan het gebeuren dat de ecologische achteruitgang de 
technologische vooruitgang zal stoppen?

    ‘Ik denk juist het tegenovergestelde – dat de druk om technologische vooruitgang te boeken groter wordt, niet kleiner naarmate de ecologische crisis toeneemt. Ik denk dat de ecologische crisis in de eenentwintigste eeuw eenzelfde rol zal vervullen als de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw, wanneer het gaat 
om het versnellen van de technologische vooruitgang.

    Zolang alles goed gaat, zullen mensen heel terughoudend zijn om bij mensen te experimenteren 
met genetische manipulatie of om kunstmatige intelligentie de macht geven over wapensystemen. Maar als er een ernstige crisis optreedt, bijvoorbeeld veroorzaakt door ecologische achteruitgang, dan 
zullen mensen zich toch laten verleiden om allerlei risicovolle, veelbelovende technologieën uit te proberen, in de hoop het probleem op te lossen. Dan krijg 
je zoiets als het Manhattanproject [ontwikkeling van de atoomboom] in de Tweede Wereldoorlog.’

    Andrew Solomon, schrijver:

    Welke rol speelt moraliteit in een toekomstige wereld van kunstmatige intelligentie, kunstmatig leven en onsterfelijkheid? Zal een verlangen om het goede en juiste te doen nog steeds een groot deel van onze soort motiveren?

    ‘Ik denk dat moraliteit belangrijker is dan ooit. 
Naarmate we meer macht krijgen, wordt de vraag wat we daarmee doen steeds wezenlijker en het is 
nu bijna zover dat we echt goddelijke macht tot scheppen en vernietigen bezitten. De toekomst van het hele ecologische systeem en de toekomst van alles wat leeft ligt nu werkelijk in onze handen. Wat je daarmee doet is een ethische vraag, en ook een wetenschappelijke. Dus om een voorbeeld te geven: wat gebeurt er als verscheidene voetgangers voor een zelfrijdende auto springen en die moet beslissen of hij een stuk of vijf voetgangers zal doodrijden of zal uitwijken, zodat zijn eigenaar omkomt? De technici die zelfrijdende auto’s maken moeten een antwoord vinden op deze vraag. Dus ik zie geen reden om te denken dat AI of biotechniek de moraliteit minder relevant zullen maken dan die vroeger was.’

    Matt Haig, schrijver:

    Wij zijn het enige dier dat is geobsedeerd door vooruitgang. Moeten we proberen de toekomst niet langer te zien als een toekomst van onvermijdelijke technologische vooruitgang, maar een ander soort futurisme scheppen?

    ‘Je kunt de technologische vooruitgang niet zomaar stopzetten. Stel dat een land het onderzoek naar kunstmatige intelligentie stopt, dan zullen andere landen daar toch mee doorgaan. De echte vraag is: wat doen we met die technologie? Je kunt een en dezelfde technologie voor heel verschillende maatschappelijke en politieke doelen gebruiken. Als we naar de twintigste eeuw kijken, zien we dat we met dezelfde technologie van elektriciteit en treinen een communistische dictatuur of een liberale democratie konden creëren. Hetzelfde geldt voor kunstmatige intelligentie en biotechniek. Dus ik denk dat mensen zich niet zouden moeten richten op de vraag hoe je de technologische vooruitgang kunt stopzetten, want dat is onmogelijk. De vraag zou moeten zijn wat voor soort gebruik je moet maken van de nieuwe technologie. En we hebben nog steeds heel wat macht om die keuzes te beïnvloeden.’

    Sarah Shubinsky, lezeres:

    Zullen mensen altijd manieren vinden om elkaar te haten 
of neig je meer naar het idee dat de samenleving veel 
minder gewelddadig is dan vroeger en dat die trend zich zal voortzetten?

    ‘We leven nu in de meest vreedzame tijd uit de geschiedenis. Er is natuurlijk nog steeds geweld – ik woon in het Midden-Oosten, dus ik weet dat maar al te goed. Maar in vergelijking met vroeger tijden is er minder geweld dan ooit. Tegenwoordig sterven meer mensen aan te veel eten dan door menselijk geweld, en dat is werkelijk een fantastisch succes. Hoe het in de toekomst zal zijn kunnen we niet weten, maar er zijn ontwikkelingen die erop wijzen dat deze trend blijvend is. Om te beginnen is er de dreiging van een kernoorlog, die misschien wel de belangrijkste reden vormt voor het afnemen van oorlogen sinds 1945, en die dreiging bestaat nog steeds. En ten tweede is er de verandering in de aard van de economie: die is overgegaan van een op materie gebaseerde economie naar een op kennis gebaseerde economie.

    Nu is het belangrijkste economische bezit kennis, en het is heel moeilijk om kennis te veroveren door middel van geweld

    In het verleden waren de belangrijkste goederen van de economie materieel – dingen als graanvelden en goudmijnen en slaven. Dus oorlog had zin, want je kon jezelf verrijken door oorlog te voeren tegen je buren. Nu is het belangrijkste economische bezit kennis, en het is heel moeilijk om kennis te veroveren door middel van geweld. De meeste grote conflicten in de wereld van vandaag spelen zich nog steeds af in gebieden als het Midden-Oosten, waar de belangrijkste bron van welvaart materieel is – olie en gas.’

    Esther Rantzen, programmamaker:

    Je hebt gezegd dat onze voorkeur om abstracte concepten zoals godsdienst, nationaliteit, et cetera te creëren, de kwaliteit is die sapiens onderscheidde van andere mensensoorten. Die concepten vormen ook de inspiratie voor oorlogen die 
onze ondergang kunnen betekenen. Is dat dan een kracht of een zwakte?

    ‘Als je het over macht hebt: het is duidelijk dat dit vermogen homo sapiens tot het machtigste dier ter wereld heeft gemaakt en ons nu de controle over de hele planeet heeft gegeven. Ethisch gezien, of dat goed of slecht was, dat is een veel gecompliceerdere vraag. Onze macht hangt af van collectieve hersenspinsels en het probleem is dat we niet goed onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid. Mensen vinden het heel moeilijk om te zien wat echt is en wat alleen een fictief verhaal in hun eigen hoofd, en dat veroorzaakt veel rampen, oorlogen en problemen. De beste test om te onderzoeken of iets werkelijk of fictief is, is de test van het lijden. Een natie kan niet lijden, kan geen pijn of angst voelen, heeft geen bewustzijn. Zelfs als de natie een oorlog verliest, dan zijn het de soldaten en de burgers die lijden, maar de natie zelf zal niet lijden. Zo kan ook een naamloze vennootschap niet lijden, net zo min als de euro: als deze entiteiten hun waarde verliezen, lijden ze niet. Al die dingen zijn fictie.

    Als we dat onderscheid in gedachten houden, kan dat de manier waarop we met elkaar en met de andere 
dieren omgaan, verbeteren. Het is niet zo’n goed idee om het lijden van andere wezens te veroorzaken, alleen maar om verzonnen verhalen te dienen.’

    Andrew Anthony: Maar die verzinsels inspireren ons vaak 
tot grote daden. Zouden we even gemotiveerd raken door de naakte werkelijkheid?

    ‘We hebben inderdaad bepaalde verzonnen verhalen nodig voor grootschalige samenlevingen. Dat is waar. Maar we moeten die verhalen wel zo gebruiken dat zij óns dienen, in plaats van dat ze ons tot slaaf maken. Je kunt het vergelijken met een voetbalwedstrijd. De spelregels zijn fictief, door mensen bedacht, nergens in de natuur zijn die spelregels vastgesteld. Zolang je niet vergeet dat dit gewoon regels zijn die door mensen zijn bedacht om jouw doel te dienen, kun je het spel spelen. Zet je de regels geheel en al overboord, omdat ze verzonnen zijn, dan kun je geen voetbalwedstrijd spelen.

    Mijn aanbeveling is dus zeker niet dat mensen maar moeten ophouden met deze fictieve grootheden. Er kan geen grootschalige economie bestaan zonder geld. Maar je kunt geld op dezelfde manier gebruiken als voetbalspelregels en je blijven realiseren dat dit alleen maar door ons bedacht is. En zo is het ook met de natie. Er is in principe niets mis mee om loyale gevoelens tegenover de groep te koesteren. Maar vergeet je dat dit begrip door mensen is gecreëerd, dan kan het gebeuren dat je miljoenen mensen 
offert voor het belang van de natie, dus voor dat door mensen bedachte verhaal.’

    AA: Je betoogt dat het humanisme een product van het 
kapitalisme is. Is het niet los te zien van elkaar?

    ‘De twee zijn nauw met elkaar verbonden, maar ik geloof wel dat ze los van elkaar kunnen bestaan. Ze kunnen in de eenentwintigste eeuw zeker elk een eigen kant op gaan. Een van de grote gevaren waarmee we te maken hebben is juist dat kapitalisme gescheiden raakt van het humanisme, met name 
het liberale humanisme. Regeringen over de hele wereld hebben de afgelopen decennia hun politiek 
en economie geliberaliseerd, niet omdat ze overtuigd waren van de ethische argumenten van het humanisme, maar omdat ze dachten dat het humanisme goed zou zijn voor de kapitalistische economie.

    Nu bestaat het gevaar dat in de eenentwintigste eeuw het kapitalisme en het humanisme gescheiden worden, zodat er zeer goed werkende en geavanceerde economieën kunnen bestaan waarvoor het niet nodig is om het politieke systeem te liberaliseren of om te investeren in het onderwijs en het welzijn van de massa’s.’

    Philippa Perry, schrijver en psychotherapeut:

    Was de overgang van jager-verzamelaar naar agrariër een fout? En zo ja, hoe kunnen we er dan nu het beste van maken?

    ‘Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Vanuit het perspectief van de middenklassen in de rijke 
samenlevingen van vandaag, was het zeker een heel goed idee. Vanuit het perspectief van iemand in Bangladesh die twaalf uur per dag in een sweatshop werkt, was het een heel slecht idee.

    Het is onmogelijk om de klok terug te draaien en acht miljard mensen weer te laten leven als jagers-verzamelaars. Dus de vraag is eigenlijk hoe we het beste kunnen maken van de situatie waarin we nu zitten, en hoe we kunnen voorkomen dat we de 
fouten van de agrarische revolutie opnieuw maken. Het gevaar bestaat dat in de nieuwe revolutie, die van kunstmatige intelligentie en biotechnologie, wederom alle macht en voordelen gemonopoliseerd worden door een kleine elite, zodat de meeste 
mensen uiteindelijk slechter af zijn dan voorheen.’

    Jacy Reese, Lezer:

    Je hebt gezegd dat het houden van dieren misschien wel de ergste misdaad in de geschiedenis is. Wat zou de maatschappij volgens jou kunnen doen om daar een eind aan te maken?

    ‘Onze beste kans ligt bij de zogenoemde cellulaire agricultuur, of schoon vlees, waarbij vlees wordt gekweekt uit cellen en niet uit dieren. Wil je een biefstuk, dan kweek je er gewoon een uit cellen – 
zo hoef je geen koe groot te brengen en die vervolgens te slachten voor de biefstuk. Dit klinkt misschien als sciencefiction, maar het is al een realiteit. Drie jaar geleden is de eerste hamburger gemaakt van cellen. Weliswaar kostte die tegen de 300.000 euro, maar zo gaat het altijd met nieuwe technologie. Nu, in 2017, is de prijs, voor zover ik weet, nog geen tien euro per hamburger. En met het juiste onderzoek en genoeg investeringen verwachten de ontwikkelaars dat ze er binnen tien jaar een kunnen maken die goedkoper is dan een hamburger van slachtvlees. Het duurt nog wel even voor je hem bij de supermarkt of bij McDonald’s zult vinden, maar 
ik denk dat het de enige mogelijke oplossing is. Als we vlees kunnen produceren uit cellen, heeft dat ook heel veel ecologische voordelen, want de enorme vervuiling die wordt veroorzaakt door intensieve veeteelt zal dan sterk worden verminderd.’

    Bettany Hughes, historicus:

    Betekent de term ‘de moderne geest’ iets voor jou en zo ja, wanneer is die moderne geest ontstaan en hoe ziet hij eruit?

    ‘We weten heel weinig over de geest. We begrijpen niet goed wat het is, wat de functies ervan zijn en hoe hij is ontstaan. Als miljoenen neuronen in de hersens elektrische ladingen opwekken in een bepaald patroon, hoe creëert dit dan een geestelijke ervaring, de subjectieve ervaring van liefde of woede of plezier? We hebben geen flauw idee. En omdat 
we maar zo weinig over de geest weten, kunnen 
we ook niet zeggen hoe en waarom hij is ontstaan. We nemen aan dat de mensen aan het eind van de steentijd die de grottekeningen in Lascaux en Altamira maakten, fundamenteel dezelfde geest hadden als wij nu. En we nemen ook aan dat neanderthalers een ander soort geest hadden, ook al waren hun 
hersens groter dan de onze. Maar het fijne ervan weten we op dit moment nog bij lange na niet.’

    Online gepost door guneydas:

    Is het anti-intellectualisme in het Westen in opkomst? 
En zo ja, is er een verband tussen de opkomst van het 
anti-intellectualisme en de neergang van het liberalisme?

    ‘Ik ben er niet zo zeker van dat het in opkomst is. 
Het is er natuurlijk, maar het is er altijd geweest en ik vraag me af of de situatie nu erger is dan in de jaren vijftig of dertig van de vorige eeuw, of in de negentiende eeuw of in de Middeleeuwen. Dus ja, het is zeker een zorg. En ik zou zeggen dat het niet zozeer anti-intellectualisme is als wel antiwetenschap. Want zelfs de meest fundamentalistische religieuze fanaten zijn intellectuelen. Zij hechten 
te veel belang aan het menselijk intellect. Een van 
de problemen met religieus fanatisme is dat het 
veel te veel belang hecht aan de scheppingen van 
het menselijk intellect en veel te weinig aan het empirische bewijs vanuit de wereld buiten ons.’

    AA: Denk je dat de radicale islam niets meer is dan een van 
de laatste oprispingen van het premoderne tijdperk?

    ‘In de eenentwintigste eeuw wordt de mensheid geconfronteerd met een aantal heel moeilijke problemen, of dat nu de opwarming van de aarde is, de ongelijkheid in de wereld of de opkomst van technologieën als biotechniek en kunstmatige intelligentie, die alles zullen veranderen. Op die uitdagingen 
hebben we antwoorden nodig en ik heb tot nu toe vanuit de islam niets relevants gehoord op dat gebied. Dus daarom denk ik niet dat de radicale islam de samenleving van de eenentwintigste eeuw zal vormgeven. Hij blijft misschien wel bestaan en kan nog steeds een hoop narigheid en geweld veroorzaken, maar ik zie niet dat hij het pad dat de mensheid volgt gaat scheppen of vormgeven.’

    Paul Barker, lezer:

    Wat raad je het individu aan dat een goed leven wil leiden 
en wil bijdragen aan het welzijn van degenen die nog niet geboren zijn en van degenen die er al zijn?

    ‘Leer jezelf beter kennen, en realiseer je vooral wat je echt wilt in het leven. De technologie heeft namelijk de neiging om mensen hun doelen in het leven te dicteren, en dan dient de technologie niet langer 
om onze doelen te realiseren, maar worden wij de slaaf van wat de technologie wil bereiken. Het is heel moeilijk om te weten wat je echt wilt in het leven. 
Ik zeg niet dat dit gemakkelijk te doen is.’

    AA: Als we de dood tot in het oneindige kunnen voorkomen, 
is het dan nog mogelijk om betekenis te geven, zonder 
‘de donkere achterkant die een spiegel nodig heeft als we iets willen zien’, zoals Saul Bellow het noemde?

    ‘Ja, dat denk ik wel. Je krijgt te maken met andere problemen, als je de ouderdom overwint, maar gebrek aan betekenis zal denk ik geen groot probleem zijn. De nieuwe ideologieën van de afgelopen drie eeuwen trokken zich al niets meer aan van de dood, of tenminste, ze zagen de dood niet als iets wat betekenis gaf. De meeste vroegere culturen, vooral traditionele godsdiensten, hadden de dood nodig om de betekenis van het leven te verklaren. Zoals in het christendom – zonder de dood heeft het leven geen betekenis. De hele betekenis van het leven komt voort uit wat er met je gebeurt als je doodgaat. Is er geen dood, geen hemel, geen hel, dat heeft het christendom geen betekenis. Maar de afgelopen drie eeuwen hebben 
we de opkomst gezien van veel moderne ideologieën zoals het socialisme, het liberalisme, het feminisme, het communisme, die de dood helemaal niet nodig hebben om het leven betekenis te geven.’

    Auteur: Andrew Anthony
    Vertaler: Annemie de Vries

    The Observer
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000

    Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.