De beroemde figuren op de Britse bankbiljetten worden binnenkort vervangen door diersoorten, zo heeft de Bank of England aangekondigd. In de Londense pers zorgt dit initiatief voor ophef.
Nee: ‘Dit is belachelijk!’
Volgens de Bank of England is de nieuwe serie bankbiljetten nodig om vervalsing tegen te gaan. Op de vraag wat er op de nieuwe bankbiljetten moest komen te staan brachten tienduizenden mensen een stem uit. Het dierenrijk, een van de keuzes, kreeg de steun van 66 procent van de ondervraagden, terwijl architectuur en grote monumenten 56 procent van de stemmen ontving en historische figuren slechts 38 procent van de stemmen haalden. ‘Wat wordt het dan? Een schattig katje, of misschien een puppy? We zullen in ieder geval afscheid moeten nemen van Winston Churchill, Jane Austen en Alan Turing – en daarmee ook van de mooie traditie om onze grootste Britse helden op deze manier te eren. Dit is belachelijk!’ hekelt financieel columnist Matthew Lynn in het conservatieve Britse tijdschrift The Spectator.
‘Het staat vast dat een roodborstje nooit dezelfde impact zal hebben’
Lynn vreest dat de bankbiljetten minder serieus zullen worden genomen. ‘Papiergeld heeft altijd iets illusoirs gehad. Om bankbiljetten geloofwaardiger te maken, doen centrale banken doorgaans een beroep op grote, serieuze historische figuren, die ervoor zorgen dat deze kleurrijke stukjes papier gewicht en gezag uitstralen.’ Koningin Elizabeth II verscheen voor het eerst op een biljet van 1 pond in 1960, en vervolgens was haar portret gedurende haar hele regeerperiode op het geld te zien. Toen de euro aan het begin van deze eeuw werd ingevoerd, koos de Europese Centrale Bank voor een reeks architectonische bouwwerken, als symbool voor de gedeelde Europese geschiedenis. ‘Het staat vast dat een roodborstje nooit dezelfde impact zal hebben,’ aldus Lynn.
Het besluit wijst er volgens hem op dat de Bank of England er alles aan doet om contant geld zo snel mogelijk af te schaffen, ten gunste van elektronische transacties, die goedkoper en gemakkelijker te controleren zijn. ‘Om dit proces te versnellen, plakken ze op traditionele bankbiljetten plaatjes die aan emojis doen denken. Bankbiljetten draaien in wezen om vertrouwen – en als dat eenmaal verloren is gegaan, zal het onmogelijk blijken om het terug te winnen. De Bank of England zou weleens spijt kunnen krijgen van deze verandering.’
Matthew Lynn is financieel columnist en auteur van Bust: Greece, The Euro and The Sovereign Debt Crisis en The Long Depression: The Slump of 2008 to 2031.
Ja: ‘We zijn dol op dieren’
‘Het Verenigd Koninkrijk is helemaal in de ban van dieren’, schrijft The Economist. Meer dan 70 procent van de Britten zegt dierenvriend te zijn; elk jaar gaat het grootste deel van hun donaties naar dierenbeschermingsorganisaties. In 2023 gaven ze bijna 6 miljard pond uit aan hun huisdieren, wat neerkomt op meer dan 10 procent van het defensiebudget.
De aankondiging van de Bank of England kwam voor het Britse tijdschrift dan ook niet als een verrassing. Bovendien roepen dieren, in tegenstelling tot de personen die momenteel op de biljetten staan afgebeeld, minder controverse op. ‘In tegenstelling tot Winston Churchill wordt een das niet bekritiseerd om zijn opvattingen over een vermeende rassenhiërarchie. Geen enkele eekhoorn kan in verband worden gebracht met slavernij, zoals voor [bepaalde leden van de familie van] Jane Austen wel geldt. Als je controverse wil vermijden, zijn dieren een veilige keuze.’
De bank zal deze zomer een enquête houden over welke dieren er op de biljetten moeten komen te staan, maar de redactie van The Economist heeft er plezier in alvast mee te denken. ‘Gedurende het Britse Rijk zou de majestueuze leeuw een vanzelfsprekende keuze zijn geweest, maar die tijd is voorbij. Voor wie somber is over de toestand van de Britse economie is de luiaard misschien een geschikte keuze’, aldus de auteur. ‘En een vos die uit een vuilnisbak eet of een meeuw die frietjes jat is het perfecte symbool voor de vermeende verslechtering van de openbare dienstverlening.’
‘Ondanks zijn stekelige pantser is hij zacht van binnen, net als de Britten’
Een meer op consensus gerichte keuze zou volgens het blad de duif zijn, die alomtegenwoordig is in Londen, en een oriëntatievermogen heeft dat past bij een land met zo’n rijke zeevaartgeschiedenis. Of de eenhoorn, al lange tijd symbool van Schotland, om de onafhankelijke geest van Groot-Brittannië (‘en zijn verlangen om technologische start-ups te verwelkomen’) te illustreren. ‘Toch blijkt geen van deze dieren helemaal geschikt,’ besluit het blad.
Eigenlijk is er volgens The Economist maar één goed antwoord: de egel. ‘Ondanks zijn stekelige pantser is hij zacht van binnen, net als de Britten.’ De populatie van dit typisch Britse dier daalde tussen 2000 en 2022 in landelijke gebieden met meer dan de helft, wat tot grote mobilisatie leidde: er zijn nu meer dan honderdduizend egelpoorten, waardoor ze zich makkelijker van de ene tuin naar de andere kunnen verplaatsen. ‘Zet de egel op een bankbiljet en er volgt gegarandeerd een stroom aan donaties om nog eens duizenden nieuwe egelpoorten te bouwen!’
The Economist is een liberaal Brits tijdschrift. Het wordt gedrukt in zes landen en 85 procent van de verkoop vindt plaats buiten het Verenigd Koninkrijk. Geen van de artikelen is ondertekend: een traditie die het weekblad ondersteunt met de gedachte dat ‘persoonlijkheid en collectieve stem belangrijker zijn dan de individuele identiteit van de journalist’.
In een wereld van betaalapps en digitale euro’s maakt baar geld een bescheiden comeback. ‘Sommigen vrezen dat te veel digitale betalingen Europa afhankelijk maken van Amerikaanse bedrijven.’
Loop tijdens een gure winter een Zweedse kerk binnen en je zult in een van de nissen een flauw licht aantreffen. Een bosje kaarsen, aangestoken door bezoekers ter nagedachtenis aan een dierbare, leidt even af van de drukte van het moderne leven. Vroeger werden zulke momenten van bezinning alleen verstoord door het geluid van muntjes die in een metalen bakje vielen als betaling voor elke kaars. Nu niet meer. In deze moderne tijd zijn de kaarsen er nog steeds, maar het muntenbakje is vaak vervangen door een QR-code. Wie een kaars wil aansteken zoekt niet langer in zijn portemonnee, maar stuurt de kerk een paar kronen via de populaire betaalapp Swish. Het geluid van muntjes tegen metaal is vervangen door het doffe gezoem van mobiele telefoons die melden dat een betaling is gelukt.
Europa, in elk geval het noordelijk deel ervan, is contant geld straal vergeten. In Noorwegen en Zweden behoren munten en bankbiljetten net zozeer tot het verleden als Vikingen en uit de handel genomen IKEA-spreien. Zweden betalen inmiddels 90 procent van al hun aankopen digitaal; nog maar de helft gebruikt überhaupt nog contant geld (schrijver dezes, die Zweden regelmatig bezoekt, heeft er al meer dan tien jaar geen bankbiljet meer gezien). Waar Japanners 22 procent van hun bnp in de vorm van papieren en metalen yens in hun portemonnee of onder hun matras (of futon) hebben zitten, is dat in Zweden minder dan 1 procent.
Andere delen van het continent lopen de achterstand in. Contant geld blijft vaker de norm in Zuid-Europa, waar mensen armer zijn en kleine bedrijven het soms niet zo nauw nemen met hun belastingaangifte als in Scandinavië. Duitsland en Oostenrijk, waar ooit repressie heerste, hechten om redenen van privacy nog altijd aan fysiek geld. Maar zelfs daar worden contanten steeds vaker afgedankt. Europa telt half zoveel geldautomaten per persoon als Amerika, en dat aantal is dalende. Banken in Denemarken hebben nog zo weinig contant geld dat overvallers ze voorbijlopen.
Banken in Denemarken hebben nog zo weinig contant geld dat overvallers ze voorbijlopen
Al dat elektronische betalingsverkeer leek het toppunt van moderniteit, ondanks protesten van straatmuzikanten, bedelaars en belastingontduikers. Politici pleiten al lange tijd voor meer digitale betalingen om zwart geld en witwassen te bestrijden. Griekenland verplichtte bedrijven, inclusief restaurants en taxi’s, om digitale betalingen te accepteren en kwitanties te verschaffen (hoewel de pinautomaat in de taverne soms net buiten gebruik is als er moet worden afgerekend). De EU heeft drempels vastgesteld voor het gebruik van contant geld en eist nationale wetgeving die het gebruik van bankbiljetten bij grote zakelijke betalingen verbiedt. In 2019 is de Europese Centrale Bank zelfs gestopt met het uitgeven van nieuwe vijfhonderdeurobiljetten, omdat de omloop gering was en de verdenking bestond dat ze voornamelijk voor malafide transacties werden gebruikt. In Europese ogen was contant geld verleden tijd en vormden digitale betalingen de stralende toekomst.
Dit bleef niet zonder protest, met name van de kant van populistisch rechts. In die kringen werden digitale betalingen lange tijd afgedaan als een douceurtje voor banken (die profiteren van elke kaarttransactie); contant geld, zo stellen zij, is een vorm van ‘vrijheid op papier’. Maar consumenten hebben met hun portemonnee gestemd. In de eurozone werd in 2016 79 procent van alle fysieke transacties contant afgerekend, tegen nog maar 52 procent in 2024 (voor een lager totaalbedrag, omdat bij grotere bedragen de voorkeur aan kaarten wordt gegeven). Koffiehuizen realiseerden zich dat het hun omzet ten goede kwam als klanten niet hun portemonnee trokken maar hun bankpas gebruikten. Vooral na de coronapandemie werd er in veel winkels nog maar zo zelden contant afgerekend dat het de moeite niet meer loonde. In steeds meer zaken verschenen bordjes met ‘alleen pinnen’: in 2024 weigerde 12 procent van alle bedrijven in Europa ronduit contant geld aan te nemen, tegen 4 procent nog maar drie jaar eerder. In sommige landen ligt het percentage nog hoger. Ruim een op de drie Nederlandse bioscopen accepteert geen biljetten en munten meer. Contant geld leek in een neerwaartse spiraal terecht te komen: steeds minder mensen namen euro’s op omdat steeds minder winkels die accepteerden, omdat steeds minder mensen ze gebruikten enzovoorts.
Toch vinden autoriteiten dat het inmiddels uit de hand is gelopen met het elektronisch betalingsverkeer. Al bepleiten ze geen terugkeer naar het verleden, ze willen er wel voor zorgen dat contant geld een alomtegenwoordig betaalmiddel blijft. In 2021 bepaalde het hoogste EU-hof dat papiergeld in beginsel geaccepteerd moet worden. Om alle verdere twijfel weg te nemen herhaalden de ministers van de 27 EU-lidstaten afgelopen december hun wens om bedrijven te verbieden contante betaling te weigeren. Er is een Europese wet in de maak die winkels en restaurants nog steeds toestaat de voorkeur te geven aan digitale betalingen, maar ze ook verplicht ouderwetse contanten te accepteren.
Vanwaar deze schijnbare terugval? Een van de zorgen is dat een aanzienlijke minderheid nog steeds een aversie heeft tegen digitaal betalen. Moderne apps en pinpassen zijn geweldig voor jonge, digitaal vaardige mensen en doenlijk voor minder digitaal vaardige mensen van middelbare leeftijd. Maar voor ouderen kan het goochelen met bankpassen en apps frustrerend zijn. Sommige arme mensen hebben zelfs moeite om überhaupt een bankrekening te openen.
Van recentere aard zijn de zorgen over de veerkracht van betalingssystemen. Hoe handig het ook is wanneer alles goed werkt, het via de ether rondpompen van geld vereist elektriciteit en een dataverbinding. Door een landelijke stroomuitval afgelopen voorjaar in Spanje konden mensen geen voedsel en andere levensbehoeften kopen. En wat te denken van bedreigingen door buitenlandse tegenstanders? Sommigen vrezen dat te veel digitale betalingen Europa afhankelijk maken van Amerikaanse bedrijven als Visa en MasterCard, die worden geleid door politiek onvoorspelbare figuren. (Als reactie hierop overweegt de ECB invoering van een ‘digitale euro’, al zal dat nog jaren duren.) In de Baltische en Scandinavische landen, waar men vooral bang is voor Russische sabotage, blijven digitale betalingssystemen inmiddels ook enige tijd werken bij een stroomuitval. Maar als het aankomt op veerkracht gaat er niets boven contant geld. Zweden krijgen al lange tijd het advies om voldoende contant geld in huis te hebben om het een week te kunnen uitzingen, iets wat de EU nu ook aanbeveelt. Na jarenlang contactloos te hebben betaald ontdekt Europa dat wat baar geld ook geen kwaad kan.
Trumps ‘big beautiful bill’ heeft de vermogendste 10 procent financieel bijgestaan, terwijl gezinnen met lagere inkomens er gemiddeld door achteruitgaan. Hierdoor wordt het verschil tussen arm en rijk alleen maar groter.
In Greenwich, Connecticut, kun je bij juwelierszaak Shreve, Crump & Low voor 210.000 dollar een ‘Grand Sport Tourbillon’-horloge van Laurent Ferrier kopen. Ze hebben het druk. ‘We boffen hier in Greenwich,’ zegt mede-eigenaar Bradford Walker. De luxe Zwitserse horloges, diamanten, saffieren en smaragden waarin de winkel gespecialiseerd is, lopen allemaal goed. ‘De vraag is het afgelopen half jaar zelfs gestegen.’
In de gemeente Bridgeport, een half uurtje rijden verderop, is ook sprake van toegenomen vraag – maar naar heel andere dingen. Hier is het dringen bij de voedselbanken en de gaarkeukens nu steeds meer gezinnen met lage inkomens gebukt gaan onder de stijgende kosten van levensonderhoud. ‘Ik leef nu van de hand in de tand,’ zegt de in Jamaica geboren Roselyn Macdonald, die eieren komt halen bij de voedselbank in The Hollow, een arme immigrantenwijk in Bridgeport. Ze is werkloos en heeft moeite om de eindjes aan elkaar te knopen.
Dit is echt een verhaal van twee werelden: twee stadjes op nog geen vijftig kilometer van elkaar die het tegenwoordig zo verschillend vergaat dat ze elk in een ander land lijken te liggen. Samen staan ze symbool voor de groeiende welvaartskloof in Amerika, waar de rijken steeds rijker worden terwijl de huishoudens met lagere inkomens kampen met een stagnerende of zelfs dalende levensstandaard. Door die groeiende ongelijkheid is het thema van de koopkracht met stip gestegen op de politieke agenda, en dat is een probleem voor de Republikeinse partij in de tussentijdse verkiezingen dit jaar en voor de slagkracht van Trump als president.
Er is bijna geen county in Amerika waar de inkomenskloof zo groot is als hier in Fairfield, waar de gemeenten Greenwich en Bridgeport liggen. In Greenwich, de thuisbasis van hedgefondsen als AQR, Viking Global Investors en Lone Pine Capital, bedroeg het gemiddelde bruto-inkomen per belastingbetaler in 2023 687.000 dollar. In Bridgeport amper meer dan een tiende daarvan: net 70.500 dollar. En dat verschil is de afgelopen jaren gegroeid. ‘De kloof neemt niet af, maar toe,’ zegt David Rabin, voorman van de lokale non-profitorganisatie Greenwich United Way.
De ’big beautiful bill‘
De belangrijkste wet die de Republikeinen er dit jaar doorheen hebben gekregen, de ‘big beautiful bill’ die Trump in juli tekende, heeft de situatie voor sommige huishoudens alleen maar verslechterd. Die wet verlaagt de belastingen voor de rijken, maar verlaagt ook het overheidsbudget voor Medicaid, het met belastinggeld betaalde programma van ziektekostenverzekeringen voor lage inkomens, en het zogenaamde SNAP-programma voor voedselbonnen. Volgens het Congressional Budget Office, een politiek neutrale overheidsinstantie, gaat de armste 10 procent van de huishoudens er door die wet zo’n 1600 dollar per jaar op achteruit, terwijl de welvarendste 10 procent 12.000 dollar rijker wordt.
Nationale cijfers bevestigen dat beeld. Uit de index voor het consumentenvertrouwen van de universiteit van Michigan blijkt dat mensen met een beleggingsportefeuille veel positiever denken over de economie dan mensen die geen aandelen bezitten: onder die laatsten is het vertrouwen gedaald tot het laagste punt sinds de universiteit dit in 1998 begon te peilen. En dat verschil is in Fairfield County goed zichtbaar. In Greenwich en andere rijke gemeenten zoals Darien en New Canaan ‘zijn de netto-inkomens en de vermogens van mensen gestegen naarmate de huizenprijzen en de beurskoersen omhoog schoten,’ aldus Mark Abraham van DataHaven, een non-profitorganisatie in Connecticut die openbare cijfers over maatschappelijke trends verzamelt. ‘Maar de grote meerderheid, mensen die aan het begin van hun werkende leven staan of nog geen eigen huis of aandelenportefeuille hebben, die hebben moeite om het hoofd boven water te houden,’ zegt Abraham.
Volgens Mendi Blue Paca, hoofd van de Fairfield County’s Communities Foundation, een stichting die goede doelen steunt, was er in deze regio zes jaar geleden amper nog sprake van dakloosheid, maar rijzen de cijfers sinds corona weer ‘de pan uit’. ‘De opvangcentra zitten tjokvol, de voedselbanken kunnen de vraag niet meer aan,’ zegt ze. ‘En het zijn niet alleen mensen onder de armoedegrens die daar eten komen halen, maar ook werkende armen die nu niet meer genoeg te eten hebben.’
‘De opvangcentra zitten tjokvol, de voedselbanken kunnen de vraag niet meer aan’
In Greenwich, met zijn villa’s aan het water, privéstranden en Lamborghini-dealers, spelen die problemen praktisch niet. De gemiddelde prijs van een woning, vorig jaar nog 3,1 miljoen dollar, was er in juli gestegen tot 3,5 miljoen. Het stadje profiteert van beurskoersen die dit jaar bijna recordhoogtes bereikten: de HFRI Fund-Weighted Composite Index, de barometer voor de mondiale hedgefondssector, steeg in november met 11 procent, bijna de hoogste stijging sinds 2016. ‘Er zijn hier veel mensen die veel geld verdienen,’ zegt Bruce McGuire, hoofd van de belangenvereniging Connecticut Hedge Fund Association. ‘De winkels en restaurants aan Greenwich Avenue boeren zo te zien allemaal heel goed.’
Niettemin groeien de problemen ook in Greenwich, waar 9 procent van de inwoners onder de federale armoedegrens zit. Gezinnen met lage en middeninkomens hebben volgens Rabin vaak grote moeite om de 151.000 dollar per jaar te verdienen die je er bij elkaar kwijt bent aan huur, voedsel en kinderopvang. ‘Bijna een derde van de inwoners is maar één loonstrookje van een financiële schipbreuk verwijderd,’ zegt hij. Hij wijst erop dat door de wet van Trump ongeveer een kwart van de 850 inwoners van Greenwich die voorheen voedselbonnen kregen, daar nu niet meer voor in aanmerking komt.
In Bridgeport hakt de wet er nog veel harder in. Een groot deel van de inwoners is daar afhankelijk van Medicaid en de voedselbonnen van SNAP, zegt Rhonda Neal, hoofd van hulporganisatie Bridgeport Rescue Mission: ‘Met bezuinigingen daarop tref je werkende armen, ouderen en kinderen.’ De groeiende behoefte aan hulp is goed zichtbaar in het Thomas Merton Family Center in Bridgeport, waar een lange rij alleenstaande mannen en echtparen staat te wachten op een bord pasta. ‘We zien hier elke dag weer nieuwe gezichten,’ zegt hoofdkok Kelemen. Vier jaar geleden lunchten er dagelijks zo’n 125 tot 150 mensen. ‘Dat zijn er nu 200 tot 250.’ Juan Cardona is een typische klant, een dakloze ex-gedetineerde die in een tent woont. ‘Het is zwaar in Bridgeport,’ zegt hij. ‘Maar het kan alleen maar beter worden.’
Klachten over ‘onbetaalbare boodschappenprijzen’ worden door Trump afgedaan als ‘boerenbedrog’. Maar hij hamert er ook op dat zijn regering zich inzet voor een daling van de prijzen. Op 17 december gaf hij in een toespraak in het Witte Huis zijn voorganger Joe Biden de schuld van de hoge kosten van levensonderhoud en stelde hij dat zijn regering momenteel bezig is de inflatie ‘de kop in te drukken’. In Bridgeport geloven ze er niks van. ‘Trump liegt dat het gedrukt staat,’ zegt Robert Walsh, een dakloze man die als coördinator van de voedselbank op het Thomas Merton Family Center werkt. ‘Hij zei dat hij als president vanaf de eerste dag de prijzen zou laten dalen. Maar ze zijn alleen maar enorm gestegen.’
De Amerikaanse dollar heeft decennialang de internationale financiële wereld gedomineerd, maar er verschijnen scheuren in het systeem. Is dit het begin van het einde van de dollardominantie?
De VS halen in de internationale financiële wereld al decennialang een ongekend voordeel uit de status van de dollar als belangrijkste mondiale reservemunt. Door handelsoverschotten met de VS bouwen andere landen grote dollarreserves op, waarvan ze het leeuwendeel grif beleggen in Amerikaans schatkistpapier. Dankzij deze constante recycling van mondiaal spaargeld kunnen de VS hun hardnekkige federale begrotingstekorten (in 2024 6,4 procent van het bbp) blijven financieren zonder dat internationale investeerders een wenkbrauw fronsen.
Lange tijd leek dat een onwankelbaar systeem. Maar nu begint het barsten te vertonen. De rentetarieven van Amerikaanse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar zijn tussen september vorig jaar en januari van dit jaar met 100 basispunten gestegen, terwijl de Federal Reserve de kortetermijnrente juist met evenveel punten verlaagde. De economen Rashad Ahmed en Alessandro Rebucci omschrijven deze ontwikkeling als de omgekeerde versie van Greenspans befaamde ‘renteraadsel’. De oorzaak is volgens hen de afnemende vraag naar dollarobligaties onder buitenlandse overheden als gevolg van de toenemende zorgen over het Amerikaanse beleid van sancties opleggen en tegoeden bevriezen.
China
Die trend is vooral opvallend in China, dat na Japan de grootste bezitter van Amerikaanse staatsleningen is. Naarmate China’s handelsoverschot slonk heeft het land ook zijn internationale beleggingsstrategie veranderd. In plaats van zo veel mogelijk staatsobligaties te vergaren spreidt het zijn risico’s nu ook over andere dollareffecten, zoals aandelen (30,6 procent van de totale buitenlandse activa in 2024) en schuldinstrumenten (25 procent). Het totaalbedrag aan Amerikaanse staatsleningen in handen van Chinese overheidsinstellingen ligt daardoor nu op het laagste niveau sinds 2009, zo’n 550 miljard dollar lager dan op het hoogtepunt in 2011. Daarbij is het totaalbedrag van Amerikaanse staatsleningen in het bezit van Chinese beleggers gedaald tot net 759 miljard dollar in 2024, waar dat in 2015 nog 1,27 biljoen dollar bedroeg. Ook de valutareserve van China is gedaald, van 3,8 biljoen dollar in 2014 naar 3,2 biljoen nu.
Europa is stilletjes in dit gat gesprongen. Het Britse bezit aan Amerikaans schatkistpapier bedroeg tien jaar geleden net 207 miljard dollar, maar is inmiddels ruim verdrievoudigd tot zo’n 740 miljard dollar begin dit jaar. In diezelfde periode is dat bedrag voor alle EU-landen gegroeid van 931 miljard naar meer dan 1,5 biljoen dollar. Het grootste deel van die groei zit waarschijnlijk bij particuliere beleggers op zoek naar hogere rendementen.
Voor landen buiten de kring van Amerikaanse bondgenoten wordt het bezit van Amerikaanse staatsleningen minder aantrekkelijk
Maar voor landen buiten de snel krimpende kring van Amerikaanse bondgenoten wordt het bezit van Amerikaanse staatsleningen minder aantrekkelijk. De markt voor schatkistpapier en de koers van de dollar zijn tot nu toe redelijk stabiel gebleven, maar verdere afname van het buitenlands bezit van Amerikaanse staatsleningen kan de rente van het schatkistpapier opdrijven, de dollar verzwakken en de stabiliteit van het internationale financiële systeem ondermijnen. Als internationale beleggers helemaal geen Amerikaanse staatsleningen meer willen, komt de positie van de dollar als de belangrijkste reservemunt van de wereld in gevaar (al zal de munt misschien wel voor internationale handelstransacties gebruikt blijven worden).
Toch lijkt dit scenario voorlopig niet heel waarschijnlijk. Het is nog steeds aantrekkelijk om een voorraad van de meest gewilde staatsobligaties ter wereld in bezit te hebben, en het wordt alleen maar aantrekkelijker naarmate landen door de verkoop van schatkistpapier de Amerikaanse rentetarieven opdrijven en zo helpen het Amerikaanse handelstekort te verlagen en de vooruitzichten voor de dollar op de lange termijn te verbeteren. Naarmate de dollar meer waard wordt en de obligatierentes stijgen, dalen de alternatieve kosten en wordt Amerikaans schatkistpapier aantrekkelijker voor beleggers.
Er is met andere woorden sprake van een zelfcorrigerende dynamiek bij het lozen van Amerikaans schatkistpapier, waardoor de omvang van deze uitverkoop beperkt blijft. Dat betekent dat buitenlandse investeerders niet massaal naar de uitgang stormen, maar hun posities eerder geleidelijk zullen aanpassen. Het buitenlands bezit van Amerikaans schatkistpapier zal dus misschien dalen, maar er is waarschijnlijk geen reden om te vrezen dat de vraag totaal zal instorten.
Afhankelijkheid
De kosten van een snelle wereldwijde breuk met de dollar zijn weliswaar extreem hoog, maar dat wil niet zeggen dat de dominante positie van de Amerikaanse munt onaantastbaar is. China ijvert voor internationaal gebruik van de renminbi, en zowel China als de landen in de eurozone zijn zich steeds meer bewust van hun buitensporige afhankelijkheid van het Amerikaanse financiële systeem en alle geopolitieke risico’s die dat met zich meebrengt. Toch zal men niet snel van de dollar afstappen, laat staan van de ene dag op de andere.
Maar de omstandigheden kunnen veranderen. Zolang de Amerikaanse dollar zijn dominante positie behoudt als munt bij uitstek die internationale handel en grensoverschrijdende geldstromen faciliteert en waarin landen hun reserves aanhouden, zullen de baten van het aanhouden van Amerikaanse obligaties waarschijnlijk een rem zetten op de grootschalige verkoop ervan. Maar de Amerikaanse instellingen moeten dan wel sterk en geloofwaardig genoeg blijven om het vertrouwen in het schatkistpapier overeind te houden. En in een tijd van sterk toenemende politieke en institutionele onzekerheid is dat bepaald geen uitgemaakte zaak.
In een wereld zonder contant geld zullen mensen zich anders tot geld verhouden en verandert zelfs de definitie ervan. Bovendien zullen centrale banken hun rol moeten herdefiniëren. Maar daarvoor moeten ze eerst verouderde denkbeelden loslaten.
Met geld heeft de economische wetenschap altijd een wat vreemde verhouding gehad die vaak voer voor discussie was. Door tal van economen, onder wie Nobelprijswinnaars als Merton Miller en Franco Modigliani, werd geld lange tijd als niet meer dan een ruilmiddel beschouwd. Maar economen die voortbouwen op het werk van John Maynard Keynes en Hyman Minsky hebben die nauwe kwantitatieve blik achter zich gelaten en meer oog gekregen voor de structurele rol van geld in de reële economie en het financiële systeem.
Dat inzicht wordt belangrijker naarmate de wereld steeds meer gedigitaliseerd raakt en er steeds minder met contant geld wordt betaald. Hierdoor groeit de noodzaak voor beleidsmakers om niet langer alleen toezicht te houden op de markt, maar de markt actief vorm te geven. In een wereld zonder contant geld zullen mensen zich anders tot geld verhouden, ontstaan er nieuwe mogelijkheden om ermee om te gaan en verandert zelfs de definitie ervan. Bovendien zullen centrale banken zich gedwongen zien hun rol te herdefiniëren en zich innovatiever op te stellen.
Nieuwe mogelijkheden
Er is al veel aandacht geweest voor centrale banken die experimenteerden met een digitale munt, maar een veel belangrijker ingreep in de economie is het opzetten en vormgeven van een nieuwe digitale infrastructuur voor interoperabele betalingssystemen. Gezien het structurele belang van kapitaal kan zo’n ingreep tot meer concurrentie en betere inclusiviteit en toegankelijkheid van bankdiensten leiden, en wellicht ook nieuwe instrumenten opleveren voor het bijsturen van de economie in tijden van crisis.
Er wordt steeds minder met contant geld betaald, het digitale betalingsverkeer groeit sneller dan ooit. Consumenten, overheden en bedrijven kiezen duidelijk voor de kosteneffectiviteit en het gebruiksgemak van cashloze technologie. Betalen met je telefoon, ooit vooral een gadget voor de technologisch onderlegde stedeling, is inmiddels zelfs in rudimentaire economieën gemeengoed. Interoperabele betalingssystemen ontwikkelen zich in rap tempo tot de economische kerninfrastructuur van het digitale tijdperk. Dat is een duidelijke trendbreuk met de door de overheid uitgegeven fysieke valuta die de afgelopen tweeduizend jaar centraal stonden.
Zoals elke technologische verandering is ook deze niet neutraal. Ze heeft haar eigen dynamiek en als beleidsmakers daar geen sturing aan geven, zou het uitsluiting van bepaalde partijen en andere structurele problemen in de gehele economie kunnen vergroten. Zo zijn digitale betalingssystemen in veel landen niet interoperabel, wat betekent dat de eigenaar van het systeem bepaalt wie er toegang toe heeft en onheuse tarieven kan opleggen. Mensen in de marge van de economie worden op die manier nog meer verdrongen uit de cashloze wereld of erger nog, uit de officiële economie. Een centrale bank kan op dit punt laten zien dat ze meer is dan alleen een toezichthouder en zich laten gelden door mee te beslissen over de gedeelde infrastructuur, of er zelf een op te zetten. Op die manier kunnen niet alleen de kosten van digitale transacties worden verlaagd, maar ook nieuwe mogelijkheden worden bedacht om het betalingsverkeer efficiënter en toegankelijker te maken voor deze mensen.
Die nieuwe rol druist natuurlijk in tegen de traditionele opvatting dat centrale banken vooral toezichthoudende instanties zijn
India heeft dit gedaan met UPI, een interoperabele infrastructuur voor digitaal betalingsverkeer, waarbij de centrale bank een grote vinger in de pap heeft gehad. En Brazilië heeft hetzelfde gedaan met Pix, een betalingsdienst waarmee particulieren en bedrijven op elk moment van de dag, meestal gratis of tegen zeer lage kosten, geld kunnen overmaken en ontvangen. Volgens de Braziliaanse centrale bank is het inmiddels de populairste betaalmethode van het land, populairder zelfs dan bankpasjes, creditcards en andere betaalmethoden waar geen contant geld aan te pas komt. Meer dan 66 procent van de bevolking maakt er inmiddels gebruik van.
Dat klinkt misschien als een typisch succesverhaal van de fintech-sector. Maar het is de centrale bank geweest die inzag dat particuliere spelers hun systemen niet vrijwillig zouden laten samenwerken met die van anderen, en daarom de ontwikkeling van Pix gestimuleerd heeft. Tot de invoering van Pix had elke financiële instelling zijn eigen transactiesysteem met zijn eigen tarieven. Nu wordt er niet meer geconcurreerd op tarieven, maar op de kwaliteit en de verscheidenheid van het dienstenaanbod. De infrastructuur van Pix levert consumenten dus een reële besparing op en draagt bij aan de toegankelijkheid en inclusie van het betalingsverkeer.
Algemeen nut
Het stimuleren van deze verandering door de Braziliaanse centrale bank past in een bredere trend om zich ten dienste te stellen van het algemeen nut. Als het dienen van het algemeen nut de grondslag wordt voor economische activiteiten, zal dat nog veel meer mogelijkheden opleveren voor samenwerking, coördinatie en gezamenlijke investeringen door overheden, de particuliere sector, het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties.
Die nieuwe rol druist natuurlijk in tegen de traditionele opvatting dat centrale banken vooral toezichthoudende instanties zijn die alleen over de financiële stabiliteit moeten waken en kwesties als gelijkheid, toegankelijkheid en inclusie moeten overlaten aan de particuliere sector. Lange tijd had de publieke sector alleen tot taak om de waardescheppers tegen risico’s te beschermen, niet om zelf risico’s te nemen of waarde te scheppen. In zijn hoedanigheid van kredietverstrekker wordt de publieke sector gezien als een laatste toevlucht, niet als voor de hand liggende optie.
Door deze beperkte kijk op de rol van de staat in het creëren van welvaart hebben beleidsmakers te weinig oog voor het scala aan instrumenten waarover ze beschikken om duurzame economische groei te stimuleren. Het zal een cruciale taak van centrale banken blijven om de stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen, maar de actieve rol die de centrale banken van Brazilië en India hebben gespeeld bij de totstandkoming van een interoperabele betalingsinfrastructuur laat duidelijk zien dat ze meer voor het algemeen nut kunnen doen. Het verlangen naar een ambitieuzere opstelling bij het inrichten van markten lijkt om zich heen te grijpen. Zo is het faciliteren van innovatie door het leveren van financiële infrastructuurdiensten sinds kort officieel tot secundaire doelstelling van de Bank of England verklaard. Een goede ontwikkeling, want een rechtvaardige toekomst vraagt om deze inzet en ambitie van centrale banken.
Filantropen staan te boek als gulle mensen, maar ze halen enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan gaat naar goede doelen. Hoog tijd dat ze eerlijk worden belast, aldus de directeuren van Transition Resource Circle, een ngo die zich inzet voor een eerlijkere liefdadigheidssector.
We hebben weer een roerig jaar achter de rug, waarin allerlei gemeenschappen in de wereld getroffen zijn door oorlogen en natuurrampen. Rampspoed die het leed vergroot van mensen die toch al zuchten onder grote ongelijkheid, klimaatchaos, onteigening en marginalisatie. Zoals altijd bestond de mondiale reactie op deze crises onder meer uit ‘gulle giften’ van verschillende filantropen. Hun vertegenwoordigers schoven zelfs aan bij staatshoofden, CEO’s, beroemdheden, royalty en hoge ambtenaren op de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september, en daarna op de VN-klimaattop COP28 in november, om samen naar ‘oplossingen’ te zoeken. En velen van hen kwamen deze maand onder datzelfde mom opnieuw bijeen op het World Economic Forum in Davos.
Maar de uitkomst van deze bijeenkomsten lijkt elk jaar te zijn dat er niets verandert. Dat komt onder meer doordat de elites in hun kijk op problemen en oplossingen beperkt worden door hun eigen wereldbeeld – een wereldbeeld dat deze crises veroorzaakt en in stand houdt. Bovendien zijn zulke bijeenkomsten vruchteloos omdat dat hun doel is: ze zijn niet opgezet om tot systemische verandering te leiden, maar om de status quo te behouden. De hele filantropische sector is evenmin opgezet om de oorzaken van systemische problemen bij de wortel aan te pakken, maar dient in plaats daarvan om particuliere financiële belangen te beschermen. Het wordt tijd dat dit eens tot de wereld doordringt. Hoe sneller we dit beseffen, des te sneller we betere manieren kunnen vinden om filantropie werkelijk in te zetten voor het belangrijke en moeizame werk van echte maatschappelijke verandering.
‘Iets terugdoen’
We weten allemaal dat de rijken rijker worden en een gigantisch percentage van alle rijkdom op aarde in handen hebben. Volgens een recent rapport over de mondiale ongelijkheid van Oxfam is bijna twee derde van al het nieuwe vermogen sinds 2020 terechtgekomen bij de rijkste 1 procent van de mensheid, dus bijna tweemaal zoveel als bij de armste 99 procent. De rijken betalen bijna geen belasting (vaak nog geen 3 procent van hun inkomen) en door de rente op rente die ze over hun miljarden krijgen, blijft hun vermogen maar groeien. In de komende twintig jaar zal het grootste deel van dat vermogen overgaan op familieleden binnen de rijkste 1 procent. Alleen al in de VS zal naar schatting tussen de 36 en de 70 biljoen dollar aan vermogen van de ene op de andere generatie overgaan.
De roep om de rijken te belasten zwelt wereldwijd aan en zal nog luider worden als deze enorme overdracht plaatsvindt. Een van de belangrijkste methoden van de rijken om die druk af te wenden is liefdadigheid. Je geld besteden aan goede doelen wordt aangemoedigd als een manier om ‘iets terug te doen’. Wereldwijd wordt er naar schatting 2,3 biljoen dollar aan liefdadigheid besteed, ongeveer 2 procent van het mondiale bbp. Dat is meer dan het jaarlijkse bbp van landen als Canada en Brazilië.
Als filantropie per definitie iets goeds is en alleen maar zal groeien, waar maken we ons dan druk om? Laten we eens kijken hoe filantropie in de praktijk werkt.
Eén aspect van filantropie in de VS is bijvoorbeeld de 5-procentregel die daar sinds 1976 in de belastingwet is verankerd. Deze houdt in dat een liefdadige instelling jaarlijks maar 5 procent van de geschonken fondsen hoeft te besteden aan beurzen of projectgerelateerde investeringen om de status van non-profitorganisatie te behouden. In de praktijk is die 5 procent nu niet de bodem, maar het plafond voor de bestedingen van filantropische instellingen. De overige 95 procent van het geld wordt behandeld als een belastingvrij investeringsfonds, dat de meeste stichtingen voortdurend verder laten groeien.
Laten we dat concreter maken. Het gemiddelde rendement voor het kapitaal van liefdadige instellingen bedroeg in 2020 13,1 procent. Neem als voorbeeld een stichting met een fonds van 100 miljoen dollar: die stichting hoeft in een jaar maar 5 miljoen dollar aan goede doelen te besteden. Het vermogen groeit in dat jaar tot 113 miljoen dollar, en na aftrek van die 5 miljoen blijft er 108 miljoen over. Het jaar daarop groeit die grotere taart van 108 miljoen uit tot 122 miljoen, wat met aftrek van pakweg 5,4 miljoen aan liefdadige bestedingen resulteert in circa 117 miljoen. Zo is die 100 miljoen in twee jaar tijd dus al 117 miljoen geworden, en dat blijft maar groeien. Dat geld, in feite onbelast investeringskapitaal, belandt vervolgens bij de gebruikelijke aanjagers van het extractiekapitalisme: aandelen, obligaties, vastgoed, fossiele-brandstofbedrijven enzovoort. Wat weer resulteert in verdere vermogensaccumulatie.
Leeuwendeel
De 5-procentregel is ooit ontstaan in de VS, maar heeft zich over de wereld verspreid en wordt nog steeds aanbevolen als model voor filantropische instellingen: het eigen fonds zo veel mogelijk laten groeien en de bestedingen tot het minimum beperken. Zo groeit het vermogen en groeit de macht van de betreffende instellingen, terwijl het geld mondjesmaat doorsijpelt naar degenen die het harde werk doen. Je hoeft geen boekhouder of econoom te zijn om de gevolgen van dit model te begrijpen. Slechts een fractie van de onbelaste schenkingen wordt daadwerkelijk ingezet voor het oplossen van maatschappelijke en klimatologische problemen, het leeuwendeel wordt opnieuw geïnvesteerd in de levensvernietigende activiteiten van extractieve markten met een hoog doorlopend rendement op investeringen.
In de meeste landen zijn schenkingen aan liefdadige instellingen aftrekbaar van de belasting. Filantropie speelt daardoor een grote rol in strategieën voor het minimaliseren van de belastingafdracht en draagt verder bij aan de vermogensconcentratie. Volgens een recent onderzoeksrapport van tijdschrift The Nation krijgt Bill Gates misschien wel meer geld terug via belastingvoordelen dan hij met de activiteiten van de Gates Foundation aan schenkingen besteedt. Een ander voorbeeld is MacKenzie Scott, een van de grootste weldoeners in de VS. Haar is de afgelopen jaren lof toegezwaaid vanwege de omvang, aard en snelheid waarmee ze goede doelen heeft gefinancierd. Maar volgens de Billionaires Index van Bloomberg is ondanks al die schenkingen haar eigen vermogen in 2023 toch gegroeid.
Hoewel ze dus enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen halen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan echt aan goede doelen besteden, staan filantropen in onze samenleving toch te boek als goede, gulle en grootmoedige mensen. Het is tijd om op te houden met die heldenverering van filantropen en de oproep om de rijken te belasten om te zetten in daden. We moeten de schenkingen gaan belasten. Ga maar na wat je zou kunnen doen met een belasting op die enorme filantropische fondsen. Met de opbrengst daarvan kun je democratisch beheerde burgerfondsen opzetten die miljarden dollars kunnen herverdelen onder gemeenschappen die direct door de klimaatverandering worden getroffen, inheemse volkeren, klimaatvluchtelingen en zelfs de ecosystemen die het zwaarst onder de winning van grondstoffen hebben geleden.
Dit kan het begin zijn van ingrijpende structurele veranderingen in de filantropie. Wat hier vereist is, is niets minder dan een ander wereldbeeld, een andere aanpak die gebaseerd is op een economie die het leven op aarde centraal stelt en een oprecht verlangen de mondiale polycrisis aan te pakken. Het is tijd om van systemen die individuele en institutionele belangen beschermen over te stappen op systemen die de rijkdom herverdelen in collectieve investeringen in een toekomst die het leven waard is.
De inmiddels in de vergetelheid geraakte Duitse econoom Silvio Gesell stelde dat zowel de samenleving als de economie beter af zouden zijn als geld een vergankelijk goed was, beperkt houdbaar zoals groente. Om economische en sociale misstanden te corrigeren zou de aard van geld moeten veranderen, zei hij.
Een paar weken terug bedacht mijn negenjarige zoontje Theo een fiduciaire munt om de handel vanuit zijn fort in de woonkamer te vergemakkelijken. Als ware kapitalist in de dop had hij een souvenirshop geopend in zijn fort, waar hij een voorraadje boekenleggers te koop aanbood die hij in razend tempo had geproduceerd met vouwpapier en een grote hoeveelheid plakband. Er stonden teksten op als ‘Love’, ‘Ik ben de baas’ en ‘Geld, poen, pegels, cash’.
Theo’s zesjarige broertje Julian had wel belangstelling voor de boekenleggers, die Theo voor 1 dollar per stuk aan hem wilde verkopen. ‘Ho even,’ riep ik vanuit de andere kamer. ‘Je mag ze niet verkopen voor echt geld.’ (Staatsinmenging, ik weet het.) Theo legde zich hier schoorvoetend bij neer. Na wat gepeins stelde hij een nieuw systeem voor, waarbij zijn broertje eigen geld kon drukken, met een stift en papier.
De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica
Zodra Julian drie keer ‘Ik kan schrijven’ op een stukje papier had gezet, zou het veranderen in een wettig betaalmiddel. Eén schrijffoutje en het biljet zou ongeldig zijn. ‘Het moet wel een bepaalde waarde hebben,’ lichtte Theo toe. ‘Anders kun je gewoon miljoenen dollars drukken.’ Julian sputterde even wat, maar wisselde al snel zijn nieuwe vermogen in voor een boekenlegger. Theo stopte het geld in zijn portemonnee.
De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica, zoals Jacob Goldstein schrijft in zijn meeslepende boek: Money: The True Story of a Made-Up Thing (Geld: het ware verhaal van een verzinsel). Toen er nog geen geld was, vertrouwde men op ruilhandel – een onhandig systeem omdat het een ‘dubbele samenloop van behoeften’ vereist. Als ik graan heb en jij hebt vlees, dan moet jij op hetzelfde moment behoefte hebben aan mijn graan als ik aan jouw vlees. Bijzonder inefficiënt.
Ruilen
In veel culturen werden rituele manieren ontwikkeld om waardevolle voorwerpen te ruilen – als er een huwelijk werd gesloten, bijvoorbeeld, of wanneer er boete werd gedaan voor een moord, of wanneer er offers werden gebracht. Bij dergelijke overeenkomsten werd er van alles en nog wat geruild, variërend van kaurischelpen tot vee, van potvistanden tot varkens met lange slagtanden. Deze goederen vervulden twee wezenlijke functies van geld:
1.Ze dienden als rekeneenheid (ze boden een gestandaardiseerde methode om waarde te bepalen).
2.Ze dienden als waarde-depot (dingen die je op een bepaald moment kunt vergaren om later te gebruiken).
Door de inherente tekortkomingen van het ruilhandelsysteem konden deze goederen niet de derde functie van geld vervullen, te weten:
3.Dienen als ruilmiddel (een neutraal middel dat gemakkelijk kan worden ingewisseld voor goederen.)
Pas ergens rond 600 voor Christus kwam er geld dat alle drie deze functies vervulde, toen er in Lydia, een koninkrijk in het hedendaagse Turkije, iets in omloop werd gebracht dat geschiedkundigen de allereerste munten ooit noemen: klompjes versmolten goud en zilver met de opdruk van een leeuw. Het idee verspreidde zich naar Griekenland, waar men op openbare plekken, agora’s geheten, goederen begon te verhandelen voor munten.
Al snel zorgde geld voor alternatieven voor de traditionele arbeidssystemen. Mensen hoefden nu niet langer een jaar te werken op de akkers van een rijke landeigenaar in ruil voor eten, onderdak en kleding, er kon worden betaald voor een kortere periode van arbeid. Dat gaf mensen de vrijheid om te stoppen met een rotbaan, maar het bracht ook de onzekerheid met zich mee dat je werk moest zien te vinden op het moment dat je dat nodig had.
Bang
Aristoteles was dan ook niet overtuigd. Hij was bang dat de Grieken iets belangrijks zouden verliezen in hun jacht op munten. Van het ene op het andere moment werd de waarde van een mens niet langer alleen bepaald door diens werk en ideeën, maar ook door diens sluwheid. In 995 werd in Sichuan, in China, papiergeld geïntroduceerd toen een koopman uit Chengdu mensen schitterend versierde bonnetjes overhandigde in ruil voor hun ijzeren munten. Dankzij papiergeld waren mensen verlost van de fysieke last van hun rijkdom, wat het makkelijker maakte om over grotere afstanden handel te drijven.
Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was
Gaandeweg kreeg geld een meer symbolische waarde. Het vroege papiergeld fungeerde als schuldbekentenis en kon altijd worden ingewisseld voor munten van verschillende waarden. Maar eind dertiende eeuw bedacht Koeblai Khan, de Mongoolse keizer, papiergeld dat door niets werd gedekt. Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was. De mensen gingen hierin mee. In de tussenliggende eeuwen heeft geld ons gedwongen mee te gaan in nog veel fantasievollere concepten, zoals het idee van de aandelenmarkt, gecentraliseerd bankieren en onlangs nog de cryptovaluta.
Momenteel is er zo’n 2,34 biljoen aan fysiek Amerikaans geld in omloop, waarvan ongeveer de helft in het buitenland. Dat is slechts 10 procent van het bruto binnenlands product (de totale monetaire waarde van alle geproduceerde goederen en diensten). Het totaal van alle Amerikaanse bankdeposito’s bedraagt ongeveer 17 biljoen dollar. Ondertussen bedraagt de totale rijkdom van dit land, inclusief alle niet-monetaire activa, zo’n 149 biljoen, meer dan 63 keer het totaal aan beschikbare contanten.
De kloof tussen deze getallen doet denken aan de zwarte gaten in het heelal – we hebben er geen empirische verklaring voor, maar zonder deze fenomenen zou ons hele begrip van het heelal, of de economie, op losse schroeven komen te staan. Voor de meeste mensen in de westerse wereld is geld niets anders dan een reeks getallen in de computer van de bank.
Iets absurds
Geld is iets abstracts, iets absurds. Het is een geloofssysteem, een taal, een sociaal contract. Geld is vertrouwen. Maar de regels zijn niet in steen gebeiteld. ‘Met geld gaat het eigenlijk altijd hetzelfde’, schrijft Goldstein. ‘De vorm die geld op een bepaald moment heeft aangenomen wordt gezien als de natuurlijke gedaante van geld, en al het andere lijkt onverantwoorde waanzin.’ Meer dan een eeuw geleden stelde ondernemer en autodidactisch econoom Silvio Gesell, een vegetarische voorstander van de vrije liefde, een man met een wilde blik in zijn ogen, een radicale hervorming voor van het monetaire systeem zoals wij dat kennen.
Hij wilde geld maken dat in de loop der tijd zou vergaan. Ons huidige geld, zo stelde hij, is een ontoereikend ruilmiddel. De rijkdom van een man met zijn zakken vol geld is niet gelijkwaardig aan de rijkdom van een man met een zak vol goederen, zelfs niet als de markt heeft bepaald dat de goederen het geld waard zijn.
‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten is de basis van ons economisch bestel’
‘Alleen geld dat gedateerd is, zoals een krant, geld dat wegrot als aardappels, verroest als ijzer, vervluchtigt als ether, kan de toets doorstaan om te dienen als ruilmiddel voor aardappelen, kranten, ijzer en ether’, schreef Gesell in zijn belangrijkste werk, Die natürliche Wirtschaftsordnung durch Freiland und Freigeld (Het natuurlijke economisch bestel door vrij land en vrij geld) uit 1915. Gesell werd geboren in 1862, in wat nu België is, als zevende van negen kinderen.
Hij ging voortijdig van school omdat zijn ouders die niet langer konden betalen, kreeg een baantje bij de post en vertrok op zijn twintigste naar Spanje om daar bij een bedrijf te gaan werken. Vier jaar later emigreerde hij naar Argentinië, waar hij een bedrijf begon dat medische apparatuur importeerde en waar hij een fabriek opzette waar kartonnen dozen werden gemaakt.
‘De koopman, de arbeider en de beurshandelaar hebben allemaal hetzelfde doel, namelijk het uitbuiten van de toestand van de markt, ofwel de mensen in het algemeen’, schreef Gesell. ‘Het enige verschil tussen woekerhandel en gewone handel is misschien dat de beroepswoekeraar specifieke personen uitbuit.’
Gesell meende dat de meest gewaardeerde impuls in onze hedendaagse economie de neiging is om bij elke transactie zo min mogelijk te geven en zo veel mogelijk te krijgen. Op die manier worden we in materieel, moreel en sociaal opzicht armer. ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten, het over en weer kaalplukken met de sluwheid van de verkoper, is de basis van ons economisch bestel’, concludeerde hij somber.
Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt
Om deze economische en sociale misstanden te corrigeren, zouden we de aard van geld moeten veranderen, zo opperde Gesell, zodat het een betere afspiegeling vormt van de goederen waartegen het wordt geruild. ‘Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt’, schreef hij. Met dat doel voor ogen ontwikkelde hij geld met een beperkte houdbaarheidsdatum, het zogeheten Freigeld, ofwel vrij geld. (Vrij omdat het bevrijd zou zijn van spaarders en rente.)
De theorie werkt als volgt: Een Freigeld-biljet van 100 euro heeft 52 vakjes op de achterkant, met een datum, waar de eigenaar elke week een zegeltje van 10 cent moet plakken om te zorgen dat het biljet honderd euro waard blijft. Als je het biljet een jaar bewaart, moet je tweeënvijftig zegels op de achterkant plakken – ter waarde van 5,20 euro – om te zorgen dat het zijn waarde behoudt. Op die manier gaat het biljet jaarlijks 5,2 procent in waarde achteruit, en dat bedrag komt ten laste van de eigenaar(s). (De waarde van de zegels, en hoe vaak ze moeten worden geplakt, kan indien nodig worden bijgesteld.) Dit systeem werkt tegengesteld aan ons huidige systeem, waarin geld dat wordt bewaard juist in waarde stijgt doordat er rente bovenop komt.
In Gesells systeem zou het individu betalen voor de zegels, terwijl de opbrengsten ten goede komen aan de gemeenschap, waardoor de overheid minder belasting zou hoeven innen om de mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om te werken. Het geld zou op een bank kunnen worden gezet, waarmee het zijn waarde zou behouden omdat de bank verantwoordelijk zou worden voor de zegels. Om niet de kosten voor de zegels te hoeven dragen, zou de bank gestimuleerd worden het geld uit te lenen, waarbij de kosten bij een ander worden neergelegd. In Gesells visie zouden banken zo vrijelijk uitlenen dat hun rentetarieven uiteindelijk bij nul zouden uitkomen en ze alleen een kleine risicopremie zouden vragen, plus administratiekosten.
Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen
Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen. Kapitaal zou voor iedereen toegankelijk zijn. Een valutakantoor zou de prijsstabiliteit garanderen door bij te houden hoeveel geld er in omloop is. Als de prijzen zouden stijgen, zou het valutakantoor geld vernietigen. Als de prijzen zouden dalen, zou het valutakantoor geld bijdrukken. In deze economie zou het geld circuleren met de snelheid van een balspel. Er zouden geen woekeraars meer zijn die ‘slapend’ rijk worden. In plaats daarvan zou iemands succes direct gekoppeld zijn aan de ideeën die hij of zij heeft, en aan de kwaliteit van zijn of haar werk. Gesell zag voor zich hoe dit zou leiden tot een darwiniaanse vorm van natuurlijke selectie binnen de economie: ‘Vrije concurrentie zou in het voordeel zijn van mensen die efficiënt zijn, en zij zouden zich dan ook in groteren getale voortplanten.’
Nieuwe orde
Deze nieuwe ‘natuurlijke economische orde’ zou gepaard gaan met een hervorming van het grondbezit – Freiland, ofwel vrij land – waardoor land niet langer privébezit zou zijn. Landeigenaren zouden worden gecompenseerd door de overheid, in de vorm van obligaties met en looptijd van twintig jaar. Daarna zouden ze rente betalen aan de overheid en dat geld zou, zo stelde Gesell zich voor, worden gebruikt voor overheidsuitgaven en jaarlijkse uitkeringen aan moeders, om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen, wat hun de vrijheid zou geven een relatie te beëindigen als ze dat wilden.
Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig
Gesells ideeën zouden de geest van het private, competitieve ondernemerschap behoeden voor wat hij beschouwde als de systeemfouten van het kapitalisme. Je zou Gesell een antimarxistische socialist kunnen noemen. Hij maakte zich sterk voor sociale rechtvaardigheid, maar hij was het ook eens met Adam Smith dat eigenbelang de natuurlijke basis is van iedere economie. Terwijl Marx pleitte voor de politieke suprematie van de armen door middel van organisatie, stelde Gesell dat we enkel economische obstakels hoeven weg te nemen om onze ware productiecapaciteit te realiseren.
Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig, zo benadrukte hij, in plaats van een revolutie met herverdeling als doel. ‘We zullen onze erfgenamen geen eeuwig wassende bron van inkomsten nalaten’, schreef hij, ‘maar is het niet voldoende om economische omstandigheden na te laten waarin de volledige opbrengst van hun arbeid is gegarandeerd?’
Hoewel velen Gesell afdeden als een anarchistische ketter, kregen zijn ideeën steun van belangrijke economen uit zijn tijd. In zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie van werkgelegenheid, rente en geld), wijdde John Maynard Keynes vijf pagina’s aan Gesell en noemde hem een ‘merkwaardige en ten onrechte genegeerde profeet’. Hij stelde dat het idee achter het zegeltjesbiljet solide was. ‘Naar mijn idee zal de toekomst meer baat hebben bij de geest van Gesell dan bij die van Marx’, schreef Keynes.
In 1900 ging Gesell met pensioen en trok zich terug op een boerderijtje in Zwitserland, waar hij pamfletten, boeken en een tijdschrift over monetaire hervorming schreef. In 1911 verhuisde hij naar Eden, een vegetarische commune net buiten Berlijn met een enkelvoudige belastingheffing, waar Gesell vraagtekens plaatste bij monogamie en pleitte voor de vrije liefde. Toen in 1919 in München de Beierse Sovjetrepubliek werd opgericht door pacifistische dichters en scenarioschrijvers, kreeg Gesell de positie aangeboden van minister van Financiën.
Gesell stelde plannen op voor landhervormingen, een basisinkomen en Freigeld. De republiek hield het maar een week vol voordat ze werd omvergeworpen door de Communistische Partij en vervolgens door het Duitse leger, dat Gesell gevangenzette op beschuldiging van verraad.
‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage’
Hij verdedigde zich vol vuur. ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage,’ hield hij de rechtbank voor. ‘Nee, ik val het aan met het enige wapen dat eigen is aan het proletariaat: arbeid. Door de massa’s op te roepen tot ongeremde, niet-aflatende arbeid, leg ik de afgod van de rente aan banden.’ Gesell werd vrijgesproken en ging weer schrijven.
In 1930 overleed hij aan een longontsteking, in Eden, op zevenenzestigjarige leeftijd. In datzelfde jaar probeerde de eigenaar van een slapende kolenmijn niet ver van de Beierse plaats Schwanenkirchen vergeefs een lening bij de bank te krijgen om de oude mijn weer op te starten. Gedwarsboomd door vertegenwoordigers van de traditionele financiële wereld zocht hij zijn heil bij de Wära Exchange Association, een groep die in het leven was geroepen om Gesells ideeën handen en voeten te geven. De groep stemde ermee in de mijneigenaar 50.000 Wära te geven, een in waarde dalende munteenheid, wat overeenkwam met 50.000 Reichsmark.
Vervolgens riep de mijneigenaar de werkloze mijnwerkers bij elkaar en vroeg of ze weer aan het werk wilden gaan, niet tegen een wettig betaalmiddel, maar voor deze nieuwe munteenheid. Onbekend geld was beter dan geen geld, vonden de mijnwerkers. De mijneigenaar kocht eten, kleren en huishoudelijke artikelen bij winkels die ook de Wära-valuta gebruikten. De mijnwerkers, die weer kolen delfden, gebruikten hun inkomen om die goederen te kopen van de mijneigenaar. Al snel wilden ook andere winkels de munteenheid hanteren om mee te liften op de plotselinge toestroom van geld. Omdat de munt elke maand 1 procent in waarde daalde, wilde iedereen zijn Wära’s snel uitgeven en dus circuleerden ze al snel in de hele economie.
Binnen afzienbare tijd werd de Reichsmark verdrongen door de Wära, tot verontrusting van de grotere banken en de overheid. Uiteindelijk maakte de Reichsbank een einde aan het experiment door de munteenheid te verbieden.
Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen
Twee jaar later werden Gesells ideeën opnieuw in de praktijk gebracht in de Oostenrijkse stad Wörgl. In 1932 wilde de burgemeester, een socialistische spoorwegingenieur, niets liever dan zijn inwoners weer aan het werk krijgen. Hij was een aanhanger van Gesells ideeën en bedacht een plan om de Oostenrijkse schilling te vervangen door Arbeidscertificaten, waarvan de waarde maandelijks met 1 procent zou afnemen. De burgemeester huurde stadsbewoners in om de wegen te verbeteren, straatverlichting aan te brengen en een betonnen brug te bouwen, en hij betaalde uit in Arbeidscertificaten. Die certificaten circuleerden al snel onder kooplieden, huurders en landeigenaren, en vonden hun weg naar spaarrekeningen.
Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen. In een jaar gingen de Arbeidscertificaten 463 keer van hand tot hand, waardoor ten minste 15 miljoen schilling aan goederen en diensten werd gecreëerd. Ter vergelijking: de gewone schilling ging maar 21 keer van hand tot hand.
Het experiment kwam bekend te staan als het Wonder van Wörgl. De Weense kranten namen er kennis van. De Franse regering toonde interesse. Tweehonderd burgemeesters uit Oostenrijk ontwikkelden soortgelijke programma’s voor hun eigen gemeenschap. Ook nu weer leidde het tot onrust bij de financiële autoriteiten, die betoogden dat deze lokale zegelbiljetten een ondermijning betekenden van de macht van de nationale bank om valuta in omloop te brengen. In de herfst van 1933 verbood het Oostenrijkse Hooggerechtshof de circulatie van de certificaten. Ook in Amerika en Canada vonden geselliaanse experimenten plaats, in de hand gewerkt door de depressie van de jaren 1930.
In Hawarden, in Iowa, werd een beperkte hoeveelheid zegelbiljetten in omloop gebracht om te betalen voor werk voor de gemeenschap. Datzelfde jaar werd er een vergelijkbaar programma uitgevoerd in Anaheim, in Californië. In 1933 wilde Oregon voor 80 miljoen aan zegelbiljetten drukken, maar daar stak het Amerikaanse ministerie van Financiën een stokje voor. De regering van premier William ‘Bible Bill’ Aberhart in Alberta, Canada, bracht in 1936 depreciërende ‘welvaartscertificaten’ uit (die al snel werden omgedoopt in velocity dollars, ofwel geld met een hoge omloopsnelheid).
Experimenten
In dat decennium waren er in de Verenigde Staten zevenendertig steden, acht county’s en enkele bedrijfschappen die bijna honderd verschillende soorten zegelbiljetten probeerden te introduceren. Deze experimenten waren allemaal lokaal, bescheiden van opzet en van korte duur. In 1933 probeerde de econoom Irving Fisher, die zichzelf ‘een nederige leerling van Silvio Gesell’ noemde, president Franklin Delano Roosevelt over te halen om een nationaal zegelbiljet in te voeren. Hij wist een senator uit Alabama zover te krijgen dat hij een wetsvoorstel indiende waarmee tot een miljard aan depreciërende valuta zou worden uitgegeven.
Het wetsvoorstel is nooit in stemming gebracht. Roosevelt, die voorbereidingen trof om van de gouden standaard af te stappen, was bang dat nog meer economische innovaties een destabiliserend effect zouden hebben. Gesells idee van geld dat minder waard wordt ‘druist in tegen alles wat we ooit hebben geleerd over de wenselijke eigenschappen van geld’, zegt David Andolfatto. Andolfatto is voormalig senior vicevoorzitter van de Federal Reserve Bank van St. Louis en hij staat aan het hoofd van de economiefaculteit van de Universiteit van Miami. ‘Waarom zou je in ’s hemelsnaam willen dat geld die eigenschap heeft?’
Maar tijdens de economische baisse die volgde op de coronaepidemie, zag Andolfatto dat geld dat minder waard wordt in tijden van crisis een bepaalde waarde zou kunnen hebben. De cheques die de Amerikaanse overheid verstrekte aan Amerikaanse huishoudens hadden niet meteen het gewenste effect – het stimuleren van de economie – omdat veel mensen het geld opspaarden in plaats van het uit te geven. Dat is de paradox van spaarzaamheid, legde Andolfatto uit. Wat goed is voor het individu is slecht voor de groep.
Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt
In een artikel dat Andolfatto in 2020 schreef voor de Fed, heeft hij het over hot money credits (ontvlambare tegoeden). Als de economie stagneert, schrijft hij, krijg je te maken met een ‘coördinatiefout’: bepaalde mensen stoppen met uitgeven en anderen stoppen met verdienen. Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt. Zou Gesells idee van geld dat zijn waarde verliest, de oplossing kunnen zijn?
Het probleem, zo zegt Andolfatto, is dat het verstrekken van pandemiecheques die beperkt houdbaar zijn, nadelig kan uitpakken voor mensen met een klein spaarpotje. Mensen met geld op de bank zouden die cheques net zo gebruiken als gewoon geld. Maar mensen zonder spaargeld zouden zich door de vervaldatum wellicht gedwongen zien het geld uit te geven, zonder dat het iets bijdraagt aan de stabiliteit van hun financiële situatie.
Halve theorie
Keynes was van mening dat Gesells depreciërende geld niet meer dan ‘een halve theorie’ was – er werd voorbijgegaan aan het feit dat mensen een voorkeur hebben voor liquide activa, waarvan geld slechts een voorbeeld is. ‘Geld als ruilmiddel moet ook een opslag van waarde zijn,’ aldus Willem Buiter, voormalig hoofdeconoom bij Citigroup. In een geselliaanse economie, vervolgt hij, zouden de welgestelden hun rijkdom domweg opslaan in een andere vorm – goudstaven, wellicht, of boten – om die vervolgens weer om te zetten in geld als ze zaken willen doen.
Buiter gelooft niet dat geselliaans geld echt iets kan uitrichten tegen sociale ongelijkheid, maar hij heeft wel gezien dat er momenten zijn waarop het gunstig heeft uitgepakt voor een centrale bank om de rente te laten dalen tot onder nul, zoals wanneer de inflatie en de marktrente laag zijn en nog verder zouden moeten dalen om volledige werkgelegenheid en gebruik van bronnen overeind te houden.
In een cashloze economie zouden positieve en negatieve rente makkelijk kunnen worden toegepast op digitaal geld, zoals Buiter en anderen hebben bepleit. Maar het is moeilijk voor te stellen hoe een overheid vandaag de dag een geselliaanse belasting op harde valuta zou kunnen doorvoeren in de praktijk. ‘Je zou in staat moeten zijn de straat op te gaan en geld in beslag te nemen waarop men heeft verzuimd zegeltjes te plakken,’ aldus Buiter. ‘Dat zou een nogal brute aanpak zijn.’
Vandaag de dag is geld voor de meesten van ons een vorm van geruststelling. We leven in een cultuur waarin het streven naar zekerheden vooropstaat. Je moet sparen, krijgen we te horen – voor als je ziek mocht worden, om te zorgen dat je kinderen kunnen studeren, voor je pensioen. Maar zijn er wel garanties, in de vorm van geld of anderszins, dat ons niets zal overkomen in het leven?
In haar nieuwe boek The Age of Insecurity, (Het tijdperk van onzekerheid) schrijft activist Astra Taylor: ‘Tegenwoordig hebben veel van de manieren waarop we onszelf en onze samenlevingen proberen veilig te stellen – geld, bezit, politie, het leger – een paradoxaal effect, waardoor uitgerekend de veiligheid die we nastreven wordt ondermijnd. Het fungeert als katalysator voor schade aan de economie, het klimaat en het leven van mensen, waaronder dat van onszelf.’
‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder’
De negatieve gevolgen van de ongeremde accumulatie van rijkdom zijn voor iedereen duidelijk. Schendingen van mensenrechten, corruptie en de verwoesting van de aarde worden allemaal gerechtvaardigd vanuit dit streven. Er zijn vele reïncarnaties van geld denkbaar die andere waarden dienen. Laten betalen voor CO2-emissies is een manier om de milieuschade te compenseren die wordt teweeggebracht door economische groei.
Een universeel basisinkomen en gratis voortgezet onderwijs zouden kunnen helpen om financieel en sociaal kapitaal op een gelijkwaardige basis te herverdelen. Gesell was van mening dat het kapitalisme het communisme had verslagen, maar hij zag wel de tekortkomingen van ons huidige economische stelsel. ‘Het is de keuze tussen vooruitgang of ondergang’, schreef hij. ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder.’ Is zijn idee van een expirerende munteenheid absurder dan de status quo die we hebben meegekregen?
Misschien bestaat zijn belangrijkste bijdrage eruit dat hij ons in herinnering brengt dat de regels van geld opnieuw kunnen worden uitgevonden, zoals altijd het geval is geweest. Geld is een bedenksel van onze collectieve verbeelding, voortspruitend uit onze zelfgenoegzaamheid, dat zeker, maar ook uit onze nieuwsgierigheid, onze waarden en onze hoogste ambities. Gesell pleitte ervoor om met een geëngageerde, onderzoekende en nieuwsgierige blik te kijken naar onze economische instituties, zodat we ze opnieuw kunnen vormgeven op een manier waar de samenlevingen die we willen vormen, bij gebaat zijn.
‘Het economisch bestel waarbij de mens floreert’, schreef hij, ‘is de meest natuurlijke economische orde.’ In die zin is ons bestel misschien nog altijd een werk in uitvoering.
De invloed van miljardairs en hun fortuin in de nationale en internationale politiek is niet te onderschatten. Wie de rijkste mensen in Europa zijn en hoe ze hun geld inzetten om de politiek te beïnvloeden, is de afgelopen maanden onderzocht door meer dan zeventig journalisten uit veertig landen.
Stel je voor: je zit op je superjacht en leest in Financial Times over een nieuw belastingvoorstel waardoor je belastingtarief met minder dan 1 procent zou stijgen. Jij, iemand uit de klasse der superrijken, vindt dat je dit niet kunt laten gebeuren. Welke opties heb je? Je kunt een grote nationale krant overnemen en het redactionele standpunt beïnvloeden. Je kunt ook een onderzoekscentrum opzetten en financieren en het als onafhankelijk instituut ‘wetenschappelijke’ studies laten uitvoeren die jouw standpunt bevestigen. Je zou ook een groep lobbyisten kunnen financieren om in te praten op parlementsleden die de regels maken in jouw land.
Al deze acties hebben in het verleden meer dan eens plaatsgevonden. De Franse mediamagnaat en miljardair Vincent Bolloré nam een gerenommeerd weekblad over en installeerde een extreemrechtse journalist als hoofdredacteur. Dit leidde in de zomer van 2023 tot wekenlange stakingen van het personeel van het blad. In Duitsland publiceerde een ‘klimaatinstituut’ rapporten waarin het effect van de mens op de klimaatcrisis wordt ontkend, vermoedelijk gefinancierd door olie- en gasbedrijven uit de Verenigde Staten. En de rijkste man van Europa, magnaat in luxegoederen Bernard Arnault, heeft naar verluidt advertenties van zijn bedrijven teruggetrokken uit kranten na kritische berichtgeving.
Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen
Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen en dat gebeurt vaak ook. Omdat ze beschikken over enorme sommen geld, zijn deze individuen van groot belang voor partijleiders en andere politieke spelers, die vaak donaties van hen ontvangen. Maar invloed hoeft niet vrijwillig of zelfs bewust te worden uitgeoefend. Wetgeving wordt bijvoorbeeld vaak zodanig ontworpen dat miljardairs ervoor kiezen in hun land te blijven. In de praktijk betekent dit dat wetgevers anticiperen op het humeur van miljardairs en hun tegemoetkomen voordat de miljardairs zelf er zelfs maar aan dachten om hun wensen kenbaar te maken.
Zowel politieke partijen als rijke individuen hebben er geen belang bij om deze indirecte manier van lobbyen inzichtelijk te maken voor het publiek. De beslissingen van de superrijken kunnen de economische, sociale en culturele situatie van een land volledig veranderen, ten goede of ten kwade. Maar we weten nauwelijks iets over hun politieke banden of ambities of over de invloed die ze hebben op de nationale en internationale politiek.
Amancio Ortega Gaona
De Spaanse industrieel Amancio Ortega Gaona (1936) is met een geschat fortuin van 85 miljard euro de rijkste man van Spanje en nummer vijftien op de lijst van rijkste personen op aarde. In 2015 was hij zelfs even ’s werelds rijkste. Afkomstig uit een bescheiden gezin in Léon raakte hij op jonge leeftijd gefascineerd door mode en textiel.
Hij begon zijn carrière als boodschappenjongen voor verschillende kledingwinkels in A Coruña, het centrum van de Spaanse textielindustrie. In 1972 begon hij Confecciones Goa, een bedrijf dat kamerjassen produceerde en verkocht. Van daaruit begon hij zich steeds meer te richten op snelle en betaalbare mode en in 1974 creëerde hij modemerk Zara. Hij ontwikkelde een innovatieve productie- en distributiestrategie die een revolutie teweegbracht in de modewereld. Het bedrijfsmodel van zijn bedrijf Inditex is gebaseerd op flexibele productie en distributie, snelle aanpassing aan de voorkeuren van de consument en de vestiging van winkels op strategische locaties overal ter wereld.
Transparantie
We weten zo weinig over hun rijkdom dat zelfs de academische wereld grotendeels vertrouwt op de ranglijsten met miljardairs van Forbes of Bloomberg (waar dit onderzoek ook op is gebaseerd). Sommige landen verbieden de publicatie van gegevens over rijkdom, zoals Luxemburg, waar ranglijsten van de rijken niet openbaar worden gemaakt. Het kleine land heeft een van de strengste antitransparantiewetten ter wereld. Hoewel er meer dan 47.000 miljonairs en naar schatting 17 miljardairs in het land wonen (in 2014 – de laatst beschikbare gegevens), weet zelfs de regering niet hoeveel de inwoners bezitten, omdat individuen hun bezittingen niet hoeven op te geven. Op dit moment bestaat er ook geen EU-wetgeving over transparantie van vermogen.
Dit gebrek aan transparantie leidt tot herhaalde gevallen van financiële fraude en belastingontduiking, zoals de Panama Papers, de Paradise Papers en de Pandora Papers aan het licht brachten. Zonder transparantie kunnen we ook niet discussiëren over de grote morele vraag hoeveel ongelijkheid we als samenleving kunnen accepteren. Hoeveel mag de top 1-procent bezitten?
Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw
Het zal niemand verbazen dat er ook aan de top van de economische ladder sprake is van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw. Bovendien hebben de meeste vrouwelijke miljardairs op onze lijst hun rijkdom verkregen door te erven van hun vader of grootvader. Verschillende soorten ongelijkheid werken op elkaar in, en ongelijkheid in rijkdom is daarop geen uitzondering.
Vermogensongelijkheid bestaat niet alleen binnen landen, maar binnen de Europese context ook tussen de niveaus van rijkdom. Eén persoon springt er in het bijzonder uit: Bernard Arnault, eigenaar van het Franse luxeconcern LVMH. Hij is veruit de rijkste persoon in Europa en bezit ruim 100 miljard euro meer dan de volgende miljardair in onze database. Ook opmerkelijk is dat drie van de vier Franse miljardairs in dit onderzoek rijk zijn geworden dankzij luxemerken zoals Louis Vuitton, l’Oréal of Gucci. Dat staat in schril contrast met de rest van het continent, waar miljardairs hun fortuin meestal verwierven in grotere industrieën, zoals bouwbedrijven of supermarkten.
Het regionale verschil in rijkdom tussen de Balkan en delen van Oost-Europa en de rest van het continent is enorm. De Kroatische ‘verzekeringskoning’ Dubravko Grgić is de rijkste persoon op de Balkan en bezit vijf keer minder dan de rijkste Nederlander en dertig keer minder dan Bernard Arnault. Bovendien zijn de meeste miljardairs in West-Europa rijk geworden door voort te bouwen op geërfd geld of op eigendommen van hun familie. In Centraal- en Oost-Europa en op de Balkan hebben de meeste miljardairs zich omhooggewerkt, vaak ook door gebruik te maken van dubieuze praktijken in de jaren negentig.
Susanne Klatten
Susanne Klatten (1962) is als rijkste vrouw van Duitsland met een vermogen van ruim 21 miljard euro een prominent bewoner van miljardairsland. Ze is nummer 72 op de lijst van rijkste personen op aarde en staat daarmee ver boven bijvoorbeeld Rupert Murdoch. Klatten groeide op in Bad Homburg als dochter van industrieel Herbert Quandt. De familie Quandt heeft een uiterst dubieus naziverleden, dat later op verzoek van de familie door een historicus uit de doeken is gedaan.
Susannes vader Herbert Quandt redde BMW in 1959 van een faillissement, waarmee hij een fortuin vergaarde dat later overging op zijn kinderen. Susanne en haar broer bezitten bijna de helft van de BMW-aandelen en kregen in maart van dit jaar ruim een miljard aan dividend uitgekeerd. Klatten is een van de grootste CDU-donateurs, is werkzaam in de Duitse start-upscene en actief betrokken bij tal van sociale en milieuorganisaties. En zoals zoveel ultrarijken is ze publiciteit liever kwijt dan rijk.
Politiek
Sommige miljardairs in onze database waren zelfs werkzaam in de politiek. Een paar opmerkelijke voorbeelden zijn de Britse premier, Rishi Sunak, die rijker is dan de Britse monarch; Bidzina Ivanisjvili, sinds jaar en dag de schaduwkoning van Georgië; Mészáros Lőrinc, de Hongaarse miljardair en trouwe vriend van Viktor Orbán; en Christoph Blocher, financier van de Zwitserse extreemrechtse Volkspartij (SVP). Bidzina Ivanisjvili verdiende voor zover bekend zijn geld door spotgoedkoop mijnbouw- en staalinfrastructuur te verwerven tijdens de periode van privatisering na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in de jaren negentig. Sinds 2000 zijn hij en zijn familie eigenaar van een van de grootste banken van Georgië.
Hij werd in 2012 premier met de partij die hij oprichtte, maar na slechts een jaar in functie trad hij af. Maar hij heeft nog steeds grote invloed in het Kaukasische land. Hij wordt bekritiseerd omdat hij het buitenlandbeleid in de richting van Rusland stuurde, waardoor Georgië volgens velen een autocratische staat is geworden. Mészáros Lőrinc, die een van Orbáns meest loyale oligarchen wordt genoemd, was een redelijk succesvol zakenman tot de Fidesz-partij van Viktor Orbán in 2010 aan de macht kwam. Daarna werd hij snel superrijk door overheidsprojecten binnen te halen dankzij zijn banden met de Hongaarse premier.
Hij probeerde burgemeester van zijn geboortestad te worden, wat alleen lukte na een hoogstpersoonlijke interventie van Orbán. In 2016 nam Lőrinc Mediaworks over, een van de grootste Hongaarse uitgevers. Op deze manier werkt hij samen met de regering in het verder beperken van de onafhankelijke pers en media in het land.
Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP)
Christoph Blocher is een Zwitserse miljardair die zijn geld verdiende als meerderheidsaandeelhouder van een groot Zwitsers chemiebedrijf. Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP), de grootste partij van het Alpenland. Als Zwitsers parlementariër speelde hij een belangrijke rol in het succesvolle referendum tegen het Zwitserse lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte in de jaren negentig. Later werd hij raadslid van de Zwitserse federale regering op Justitie, totdat hij in 2007 werd afgezet. Niettemin oefende hij tot lang daarna aanzienlijke invloed uit op het land door campagnes te financieren voor referenda tegen minaretten, boerka’s en alles wat buitenlands is. Zonder zijn rijkdom was de opkomst van de SVP niet mogelijk geweest.
Twee derde van de Europeanen wil dat regeringen iets doen aan de ongelijkheid van rijkdom en ziet het belasten van de superrijken als een belangrijke taak van hun regeringen. Weinig onderwerpen kennen zo’n ruime instemming: in Oostenrijk bijvoorbeeld wil 80 procent van de bevolking hogere vermogensbelasting voor de rijken.
De legendarische Amerikaanse investeerder Warren Buffett zei ooit in een interview dat hij volgens de wet minder belasting moest betalen dan zijn receptionist, ondanks het feit dat hij een van de rijkste personen ter wereld is. Hij had geen ongelijk, want de meeste miljardairs hebben geen traditioneel belastbaar inkomen. In plaats daarvan zit het grootste deel van hun geld in aandelen en andere financiële activa, die alleen belast worden als ze met winst worden verkocht. Omdat miljardairs doorgaans maar heel weinig aandelen verkopen – niet meer dan nodig om hun uitgaven te dekken – worden ze belast op deze zogenaamde vermogenswinsten in plaats van op een ‘normaal’ inkomen als werknemer.
Hij moest volgens de wet minder belasting betalen dan zijn receptionist, ondanks dat hij een van de rijkste personen ter wereld is
Er zijn maar heel weinig miljardairs die een aanzienlijk deel van hun vermogen aan filantropische activiteiten besteden. In de Verenigde Staten gaven 264 van de 400 grootste miljardairs minder dan 5 procent van hun vermogen weg, aldus cijfers van de Forbes Philanthropy Score. Hoewel een dergelijke ranglijst in Europa ontbreekt, bevestigt ons onderzoek dat de Europese cijfers overeenkomen met de Amerikaanse. Er zijn wel een paar miljardairs die waardevol werk financieren voor de verbetering van democratie en mensenrechten, zoals de Open Society Foundations van George Soros.
Veel maatschappelijke organisaties zijn echter afhankelijk van financiering door deze filantropen, wat hun voortbestaan kan bedreigen als de financiering wordt ingetrokken, zoals blijkt uit de recente aankondiging van Open Society Foundations om de financiering in Europa volledig stop te zetten. In sommige landen is het maatschappelijk middenveld afhankelijk van een paar individuen of instellingen, die volledig buiten de democratische controle of besluitvorming opereren.
Bernard Arnault
Bernard Arnault (1949), de Franse zakenmagnaat die als kind van een rijke industriële familie al in weelde werd geboren, werkte zich op tot de rijkste man van Europa. En dat niet alleen, na Elon Musk is hij met een slordige 163 miljard euro de een-na-rijkste man op aarde. Arnault is oprichter, voorzitter en CEO van Louis Vuitton Moët Hennessy (LVMH), ’s werelds grootste bedrijf in luxegoederen.
Hij studeerde aan de prestigieuze Franse ingenieursschool École polytechnique en nam op 27-jarige leeftijd het bouwbedrijf van zijn vader over, dat hij transformeerde tot vastgoedbedrijf. Maar de echte klapper kwam na de overname in 1984 van de zieltogende Boussac-groep, eigenaar van Christian Dior. Na die overname verkocht hij bijna alle activa van het bedrijf, ontsloeg 7000 werknemers en hield alleen Christian Dior en warenhuis Le Bon Marché over. Geholpen door de beurscrash van 1987 bemachtigde hij aandelen in de LVMH-groep, waarna hij er de grootste aandeelhouder van werd.
Belastingen
Filantropie is dus niet iets om op te rekenen. Er is eigenlijk maar één manier om met zulke extreme niveaus van concentratie van rijkdom om te gaan: belastingen, belastingen en nog eens belastingen.
De politieke invloed van de rijken is een van de redenen waarom de rijksten niet meer belasting betalen. Maar er is meer aan de hand: het ontbreekt aan competentie bij beleidsmakers als het gaat om financiële kwesties, vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum. Voor een recente studie werden progressieve Duitse politici ondervraagd, en daaruit bleek dat als het op belastingkwesties aankomt niet alleen lobbyisten, maar ook een gebrek aan kennis de invoering van vermogensbelasting in de weg staan.
Politiek geïnteresseerde jongeren hebben de neiging om zich aan te sluiten bij linkse partijen omdat ze vooral geïnteresseerd zijn in werk en sociale zaken, en minder in financiële kwesties. Ondertussen bestaan er bij conservatieve parlementsleden wachtlijsten om lid te kunnen worden van financiële commissies. Door de enorme complexiteit – die soms kunstmatig wordt vergroot – is het lastig om de status quo te veranderen.
Om de ongelijkheid in rijkdom goed aan te pakken, moet het belastingbeleid een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat. Anders blijven politici onwetend en worden ze makkelijk overschaduwd door degenen die er alles aan doen om geen belasting te hoeven betalen.
Het belastingbeleid moet een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat
In principe zijn er twee manieren om de superrijken effectief te belasten: vermogenswinstbelasting en vermogensbelasting. Zoals hierboven uiteengezet, worden zeer rijke mensen meestal proportioneel minder belast dan mensen met een normaal inkomen, omdat vermogenswinsten uit de verkoop van aandelen belast worden. In enkele landen met de meeste miljonairs en miljardairs per hoofd van de bevolking, zoals Luxemburg, Zwitserland en België, wordt geen vermogenswinstbelasting geheven. In Europese landen die wel belasting heffen op vermogenswinst uit de verkoop van beursgenoteerde aandelen, bedraagt deze belasting gemiddeld 19,4 procent. Ter vergelijking: volgens de Europese Commissie bedroeg de inkomstenbelasting in Europa van 1996 tot 2021 gemiddeld iets meer dan 40 procent.
Het inkomen van miljardairs is echter maar een fractie van wat ze bezitten, omdat het meeste geld in activa zit, zoals aandelen en obligaties, onroerend goed, luxeartikelen en contant geld. Al deze rijkdom wordt systematisch te weinig belast. Van de twaalf Europese landen die in 1990 vermogensbelasting hieven, doen alleen Noorwegen, Spanje en Zwitserland dat tegenwoordig nog. Vermogensbelasting werd in veel landen afgeschaft, omdat de progressie ervan al vroeg merkbaar werd en diegenen trof die ‘slechts’ een paar miljoen op hun bankrekening hadden. Vervolgens vertrokken veel rijke mensen naar landen waar deze belasting niet bestaat, waardoor de totale belastinginkomsten in de vertreklanden daalden – dit gebeurde bijvoorbeeld nadat Noorwegen onlangs zijn vermogensbelasting licht verhoogde.
De sociaaldemocratische regering verhoogde de vermogensbelasting van 0,85 procent naar 1,1 procent, en dat leidde tot een grote kapitaalvlucht door veel van de miljardairs in het land. Ze namen zo veel geld mee dat de vermogensbelasting in Noorwegen naar verwachting ruim 500 miljoen euro minder zal opleveren dan nu het geval is. Om te voorkomen dat miljardairs naar andere Europese landen verhuizen, moet de belasting in meerdere landen hetzelfde zijn. Dit is vergelijkbaar met het nieuwe wereldwijde minimumtarief voor vennootschapsbelasting van 15 procent voor multinationals, die werd ingevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
Beweging
Er is op Europees niveau beweging in dit debat. In juni van dit jaar startte een groep economen, activisten, politici en multimiljonairs een Europees burgerinitiatief dat eist dat de Europese Commissie een permanente en progressieve jaarlijkse vermogensbelasting invoert. Om het deze keer te laten lukken, stelt een team van economen rond stereconoom Thomas Piketty een hoge drempel voor die ervoor zorgt dat alleen een kleine groep superrijken wordt getroffen. Bovendien zou geërfde rijkdom zwaarder belast moeten worden dan inkomen of selfmade rijkdom, omdat je je ouders nu eenmaal niet kunt kiezen. Europese burgerinitiatieven zijn zelden succesvol en de wetgevende bevoegdheid van de EU op het gebied van belastingen is beperkt. Toch zou dit bij uitstek een goed initiatief zijn waar linkse groepen zich achter zouden kunnen scharen in aanloop naar de Europese verkiezingen van 2024.
Als samenleving hebben we weinig inzicht in de rol die de meeste superrijken spelen in de politiek. We moeten de mate van concentratie van rijkdom begrijpen – vooral de impact ervan op democratische processen en besluitvorming – om te kunnen bepalen wat eraan gedaan zou kunnen en moeten worden.
In Noorwegen en Finland worden de belastingaangiften van alle burgers zonder uitzondering elk jaar gepubliceerd, zodat iedereen ze kan inzien. Media kunnen via een website lijsten samenstellen van de grootverdieners in het land. Kan dat misschien dienen ter inspiratie?
Vanwege de oorlog in Oekraïne verhogen meerdere regeringen hun defensie-uitgaven. Maar waar moet al dat geld vandaan komen? ‘Er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’
Volgend jaar april zullen de Denen voor het eerst in drie eeuwen moeten werken op de Grote Gebedsdag, aangezien de regering deze vrije dag heeft afgeschaft, deels om de extra defensie-uitgaven te bekostigen. Het besluit van afgelopen maart stuitte op grote weerstand onder de bevolking: volgens een peiling was 70 procent van de Denen tegen. Economen daarentegen hebben Kopenhagen geprezen omdat het met een oplossing komt voor zijn hogere defensiekosten, in tegenstelling tot veel andere regeringen. ‘Niemand wil meer belasting betalen. Maar tegelijkertijd wil iedereen een betere defensie en goede gezondheidszorg,’ zegt John Llewellyn, voormalig hoofd economische voorspellingen van de OESO. ‘Op een gegeven moment wordt de kwestie de politieke arena in geduwd omdat niemand weet waar het geld vandaan moet komen.’
Japan, bezorgd over een steeds assertiever China en het risico van oorlog in de Indo-Pacific-regio, heeft nog niet gespecificeerd hoe het tegen 2027 zijn defensiebegroting met twee derde verhoogd denkt te kunnen hebben. Het VK wil, onder invloed van de Russische inval in Oekraïne, zijn militaire uitgaven uiteindelijk laten oplopen tot 2,5 procent van het bnp, maar alleen als ‘de fiscale en economische omstandigheden dat toelaten’. Duitsland, geschrokken van de Russische agressie, wil zijn defensie-uitgaven eveneens verhogen, maar niet ten koste van een officiële vrije dag. Frankrijk heeft nog niet toegelicht waar het geld vandaan moet komen voor de geplande verhoging van zijn militaire begroting met 40 procent de komende vijf jaar. Hetzelfde geldt voor Polen, dat zijn uitgaven bijna wil verdubbelen tot 4 procent van het bnp.
Zenuw
De vraag hoe oorlogen gefinancierd moeten worden is even oud als het fenomeen oorlog zelf. De Romeinse staatsman Cicero noemde ‘geld de zenuw van de oorlog’. In 1694 werd de Bank of England opgericht om William III te helpen zijn oorlog met Frankrijk te financieren. Vandaag de dag lijken zelfs in een steeds chaotischer wereld de uitgaven beperkter als gevolg van de stijgende rentepercentages en de hoge staatsschulden.
Europa zit midden in het grootste gewapende conflict sinds 1945. De geopolitieke spanningen tussen China en Taiwan lopen op. Iran zal wellicht weldra in staat zijn een kernwapen te produceren. Bovendien kunnen ook wereldwijde problemen als klimaatverandering en migratie overheden ertoe dwingen veel geld uit te geven.
Het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI) heeft berekend dat de defensie-uitgaven vorig jaar wereldwijd zijn gestegen tot een recordbedrag van 2,24 triljoen dollar. Die trend zal zich dit jaar voortzetten, ook al zijn overheden meer geld kwijt aan leningen vanwege de stijgende rente.
Economen als Lawrence Summers, voormalig minister van Financiën van de VS, en Olivier Blanchard, voormalig hoofdeconoom bij het IMF, hebben erop gewezen dat hogere defensie-uitgaven de rentepercentages zelfs nog verder kunnen opjagen.
‘Eén scenario is dat landen die in 2022 al meer aan defensie hebben uitgegeven dat zullen blijven doen, terwijl landen die dat voor 2023 hebben aangekondigd daar nu werkelijk mee beginnen,’ zegt Diego Lopes Da Silva, hoofdonderzoeker bij de afdeling militaire uitgaven en wapenproductie van SIPRI.
In de vijf landen met de hoogste defensie-uitgaven ter wereld gaat het om duizelingwekkende bedragen. In de VS hebben politici een incidentele verhoging van het schuldenplafond mogelijk gemaakt om de defensie-uitgaven in 2024 met 3 procent te kunnen verhogen tot 886 miljard dollar. De defensiebegroting van China, die SIPRI op 292 miljard dollar schat, zal dit jaar voor het negenentwintigste achtereenvolgende jaar worden verhoogd. Rusland, dat vorig jaar naar schatting 86 miljard dollar aan defensie uitgaf, heeft inmiddels verklaard dat er geen ‘financieringsbeperkingen’ zullen gelden voor zijn oorlog tegen Oekraïne, ook al blijft het precieze bedrag geheim. India wil zijn defensiebegroting het komende jaar met 13 procent verhogen tot 73 miljard dollar, terwijl Saoedi-Arabië, uit vrees voor een nucleair Iran, nu 7,5 procent van zijn bnp aan defensie besteedt, na Oekraïne het hoogste percentage.
Oorlogen gaan dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages
Binnen de NAVO hebben maar 7 van de 31 lidstaten vorig jaar de beoogde norm van 2 procent van het bnp gehaald. Zouden ze dat allemaal doen, dan zouden de totale defensie-uitgaven met meer dan 150 miljard dollar per jaar stijgen, volgens onderzoek van Financial Times.
Hoewel oorlog tot de ‘duurste en minst productieve menselijke activiteiten’ behoort, zegt James Grant, financieel historicus en hoofdredacteur van Grant’s Interest Rate Observer in New York, ‘kan de boel ook in vredestijd flink uit de hand (…) lopen. Als dat gebeurt, nemen de uitgaven en het bijdrukken van geld vaak hand over hand toe.’
Over het algemeen worden ‘korte, hete oorlogen’ die een plotselinge verhoging van uitgaven vereisen gefinancierd met extra leningen, terwijl ‘korte, koude oorlogen’, die langdurige defensie-uitgaven vereisen, via belastingen worden betaald.
De napoleontische oorlogen en de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden grotendeels gefinancierd met geleend geld. Maar tijdens de lange decennia van de Koude Oorlog financierde het Westen zijn defensie-uitgaven met belastingverhogingen. In de kwarteeuw die voorafging aan de val van de Berlijnse muur stegen de belastinginkomsten van de OESO-landen gemiddeld van 25 procent van het bnp naar meer dan 32 procent, terwijl de staatsschuld over het algemeen daalde.
Inflatie
‘Voor korte oorlogen kunnen regeringen de kosten dekken met leningen,’ zegt James Macdonald, auteur van A Free Nation Deep in Debt, dat over de geschiedenis van openbare financiën en oorlogen handelt. ‘Maar als het gaat om een langdurige oorlog, moet je andere methodes gebruiken naarmate die langer duurt, zoals belastingheffing.’
Oorlogen gaan ook dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stegen de Amerikaanse groothandelsprijzen gemiddeld met 8,2 procent, terwijl de rente op langjarige leningen werd beperkt tot 2,5 procent, een gat dat Washington hielp de waarde van Amerikaanse staatsobligaties door inflatie te laten wegsmelten.
‘Alle oorlogen worden over het algemeen geassocieerd met enige inflatie. Politici houden er niet van belastingen te verhogen [om oorlogen te financieren], en inflatie is verborgen belasting,’ zegt Richard Sylla, coauteur van A History of Interest Rates.
Economen verwachten dat aanhoudend hoge defensie-uitgaven, die in de OESO-landen na de val van de Berlijnse muur met een derde waren gedaald, een mengeling van hogere belastingen en bezuinigingen elders vereisen. ‘Om de politiek kun je niet heen,’ zegt Llewellyn. ‘Samenlevingen worden met een aantal ingewikkelde problemen geconfronteerd en er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’
Het is de op een na hoogste loterijprijs ooit gewonnen
In de Verenigde Staten heeft een anonieme speler woensdag het winnend lot van de Powerball-loterij, ter waarde van 1,7 miljard dollar, gekocht. Dat schrijft NPR. Het enige dat bekend is, is dat het lot werd verkocht in een supermarkt uit het dorpje Frazier Park in Californië.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De winnaar komt waarschijnlijk uit hetzelfde dorp, zo schrijven Amerikaanse media. ‘Er zijn mensen die elke dag binnenkomen om hun loten te halen, we kennen ze bij naam,’ zei de medewerker van de winkel. ‘Ze komen elke dag trouw hun loten halen en veel van hen zeiden: “Als ik win, koop ik een nieuwe truck voor je.” Dus waar is mijn truck?’
De winnaar kan het totale bedrag van 1,76 miljard dollar in dertig betalingen verdeeld over 29 jaar uitbetaald krijgen, of hij kan in één keer 774 miljoen dollar uitbetaald krijgen. Veel loterijwinnaars kiezen voor dat laatste. De kans dat iemand het winnende lot kocht – wat neerkomt op vijf juiste getallen + het rode Powerball-logo – was 1 op 292.201.338.
Een groeiende groep van rijke erfgenamen geeft uit schuldgevoel hun familiekapitaal weg aan goede doelen. Vaak omdat het is verdiend met slavernij of olie, of afkomstig van ouders die niet naar hen omkeken. ‘Dat geld is niet van mij, maar van de planeet.’
Het levensverhaal van Morgan Curtis is de Amerikaanse Droom in omgekeerde volgorde. Haar over-over-overgrootvader was bankier in New York aan het begin van de negentiende eeuw. Hij investeerde in spoorwegen, zijn broer investeerde in Centraal-Amerikaanse mijnen. Het familievermogen groeide in de loop der generaties, en Curtis’ vader deed er nog een schepje bovenop met zijn inkomen als managementconsultant voor ‘grote’ bedrijven. Natuurlijk had Curtis een gouden jeugd: opgeleid aan privéscholen in West-Londen, jaarlijks op skivakantie in Zwitserland, haar eigen pony. Maar vandaag woont ze, dertig jaar oud, op een boerderij in Californië met veertig anderen. Ze leeft van 25.000 dollar, zo’n 24.000 euro, per jaar.
Dat komt niet doordat Curtis haar geld op een onverstandige manier investeerde, of het familiekapitaal erdoorheen heeft gejaagd in Las Vegas. Ze heeft ervoor gekozen om afstand te doen van 100 procent van haar erfenis en 50 procent van het inkomen dat ze als coach verdient, door het te ‘herverdelen‘ over sociale volksbewegingen, zwarte bevrijdingsorganisaties, inheemse landprojecten en klimaatactivisten. Ze maakt zelfs een openbaar toegankelijke, kleur-gecodeerde spreadsheet van haar jaarlijkse donaties.
De bankiervoorouder van Curtis begon namelijk niet met niets – en ze beseft maar al te goed dat wat de Amerikaanse Droom is voor de een, een Amerikaanse nachtmerrie is voor de ander. De vader van haar bankierende voorvader bezat een katoenfabriek in New York die volgens haar ‘niet los kan worden gezien van plantagearbeid’, terwijl de grootvader van haar grootmoeder een 4450 hectare grote suikerplantage in Cuba bezat. ‘Mijn voorouders hebben schadelijke en immorele keuzes gemaakt door deel te nemen aan slavernij en kolonisatie’, zegt ze, ‘en daarom zie ik dit geld als niet van mij, maar als behorend tot die gemeenschappen waarvan het land en de arbeid zijn gestolen.’
‘De grote vermogensoverdracht’
We staan aan het begin van een fenomeen dat de bijnaam ‘De grote vermogensoverdracht’ heeft gekregen. Volgens financiële dienstverlener Sanlam zullen millennials in de komende tien jaar 327 miljard pond, ruim 380 miljard euro, van hun ouders erven. Het probleem is dat niet iedereen dit geld wil hebben. Een kleine, maar schijnbaar groeiende groep jongeren voelt zich schuldig en schaamt zich voor deze erfenissen. Als reactie gaan sommigen in therapie, sommigen zoeken het in drugs en weer anderen zetten zich in voor sociale verandering. Vorig jaar maakte een man de fout om het op Twitter te zoeken.
‘Een paar dagen geleden nam ik een halve dosis LSD’, begon hij een draadje op het sociale kanaal. Het bericht kreeg veel meer reactis dan likes of retweets, wat meestal een teken is dat er iets controversieels is gezegd. In zesendertig tweets onthulde de man dat hij het zijn moeder ‘kwalijk nam’ dat ze hem 100.000 dollar had geschonken. Dit was hoe het hoorde te gaan: ‘Je verricht arbeid, krijgt een eerlijk loon voor je arbeid en zo verdien je het recht om te bestaan en deel uit te maken van de samenleving.’ Dat dat nooit op hem van toepassing was geweest, besefte hij door de LSD en maakte dat hij zich ‘schuldig’ voelde.
Er volgden duizenden min of meer unanieme antwoorden: ten eerste kreeg de man te horen dat hij beter om zich heen moest kijken en moest beseffen tegen wie hij het had en ten tweede volgde er een stroom van variaties op de reactie ‘Als je je geld haat, geef het dan aan mij‘. Hoe dan ook bood de Twitter-draad een zeldzaam inzicht in de geest van een rijke met schuldgevoel.
‘Wat we zien bij sommige zeer, zeer rijke families is behoorlijke verwaarlozing’
‘Wat we zien bij sommige zeer, zeer rijke families is behoorlijke verwaarlozing,’ zegt Robert Batt, oprichter van het Recovery Centre, een kliniek in Londen voor geestelijke gezondheidszorg gericht op rijke cliënten. ‘En dan niet verwaarlozing in de zin van een kind dat geen eten krijgt.’ Batt vertelt over een tiener die zichzelf begon te verwonden na een moeilijke dag op school. ‘Ze gaat terug naar het grote huis in Belgravia en er is niemand thuis. Er is waarschijnlijk wel ergens een huishoudster, maar geen gezinslid… Het is misschien vreemd om dat verwaarlozing te noemen, maar ik denk dat het emotioneel toch echt als zodanig geldt.’ Sinds de jaren negentig stelde Suniya S. Luthar, expert in kinderontwikkeling, herhaaldelijk vast dat drank- en drugsgebruik, angst en depressie in verhoogde mate aanwezig zijn bij kinderen aan beide uiteinden van het sociaaleconomische spectrum.
Batt zelf werd op vijfjarige leeftijd, toen zijn vader stierf, lord van achttien dorpen in Norfolk. Op vijftienjarige leeftijd was hij een ‘lastpost’ die ‘eigenlijk niets met mijn leven deed behalve geld uitgeven en chaos veroorzaken’. Hij raakte verslaafd aan cocaïne, alcohol en winkelen. ‘Al die verantwoordelijkheid, die rijkdom en die geschiedenis, het leidde tot verval, wanhoop en ellende,’ zegt hij. Hij vindt het verontrustend wanneer gezinnen zich richten op ‘bescherming van de rijkdom en niet van het kind’.
Is het dan verwonderlijk dat sommige kinderen een afkeer van geld krijgen? ‘Ik heb net een sessie gehad met de kleindochter van een van de rijkste mensen ter wereld,’ zegt Batt, ‘en ze is gewoon niet geïnteresseerd in het geld. Ze zei: “Het hoort niet bij me, het heeft nooit bij me gehoord.” Ik hou daarvan, ik vind het geweldig – maar het is vrij zeldzaam.’
Rijken met schuldgevoel
Toch groeit het aantal rijken met schuldgevoel, althans, meer spreken zich uit. MacKenzie Scott, de ex-vrouw van ’s werelds op een na rijkste man, Jeff Bezos, heeft de afgelopen twee jaar 12 miljard dollar aan non-profitorganisaties geschonken. ‘Zoals velen heb ik de eerste helft van 2020 met een mengeling van hartzeer en afschuw gadegeslagen,’ schreef Scott in een blogpost in juli van dat jaar. Ze voegde eraan toe dat ze hoopte dat ‘mensen die door de recente gebeurtenissen in de problemen zijn gekomen, nieuwe verbanden zullen leggen tussen privileges die ze hebben genoten en de voordelen die ze altijd als vanzelfsprekend beschouwden’. Abigail Disney, wier familie geen introductie behoeft, verkondigde dat ze ervoor heeft gekozen om geen miljardair te zijn. En als het aan haar lag zou er een wereldwijd verbod op privéjets komen.
Resource Generation is een gemeenschap van de rijkste achttien- tot vijfendertig-jarigen in Amerika die zich ‘inzetten voor een rechtvaardige verdeling van rijkdom, land en macht’. Opgericht in de jaren negentig, heeft de organisatie recent een snelle groei doorgemaakt, resulterend in 65 procent meer leden in 2021 dan in 2019. Vorig jaar hebben meer dan 800 leden toegezegd om 100 miljoen dollar te geven aan bewegingen voor sociale rechtvaardigheid. De Britse tegenhanger van de organisatie, Resource Justice, werd in 2018 opgericht. Een van de oprichters ervan, de eenendertigjarige Leonie Taylor uit Londen, is dochter van een man die zijn miljoenen met olie verdiende.
‘Er is sprake van een oprecht schuldgevoel dat voortkomt uit het daadwerkelijk profiteren van een daadwerkelijk onrechtvaardig systeem,’ aldus Taylor. ‘Ik beschouw dat geld niet als mijn geld, maar als van de planeet.’ Resource Justice verzorgt het zes maanden durende programma Praxis. Daarin leren rijken over ongelijkheid en kunnen ze hun persoonlijke verhalen delen. ‘Het helpt mensen om in actie te komen in plaats van zich te verbergen en zich schuldig en beschaamd te voelen,’ zegt Taylor.
‘O ja, die zijn zeer winstgevend. Je grootvader heeft er zelfs in geïnvesteerd’
Natuurlijk staat niet iedereen te trappelen om zich in te schrijven. Taylor kreeg tegenwerking van mensen met een ‘meer rechtse blik’. Curtis, de millennial die 100 procent van haar erfenis doneert, verdient de kost met het coachen van mensen met geërfd vermogen, door hen te helpen research naar hun voorouders te doen en plannen over herverdeling te maken. Ze heeft twee broers; een van hen ziet ook af van zijn erfenis.
Curtis werd zich voor het eerst bewust van haar privilege toen ze acht jaar oud was, en haar familie een tweede huis kocht op het Isle of Wight. ‘Ik kreeg het gevoel dat we anders waren,’ zegt Curtis. In haar tienerjaren nam een goede vriendin een baantje om haar moeder te kunnen helpen met de huur. ‘Voor mij was dat “O, wow”. Ik hoefde er nooit aan te denken dat ik ons gezin zou moeten onderhouden.’
Rond dezelfde tijd werd Curtis klimaatbewust. Ze las in een tijdschrift over de Canadese teerzanden –olievelden groter dan Engeland –, was geschokt en sprak haar vader erover aan. Hij zei: ‘O ja, die zijn zeer winstgevend. Je grootvader heeft er zelfs in geïnvesteerd.’
Schaamte
Later, toen ze milieutechniek studeerde aan Dartmouth College, begon Curtis een campagne om de universiteit te bewegen aandelen in Chevron en Exxon af te stoten. Toen kreeg ze de schok van haar leven. Ze verkocht haar auto en haar vader zei dat ze het geld mocht houden als ze het in aandelen zou beleggen. In de hoop bedrijven in zonnepanelen te kunnen helpen, wilde ze een beleggingsrekening openen, om er vervolgens achter te komen dat ze er al een had. Er stond 350.000 dollar op haar naam, geïnvesteerd in ‘precies die bedrijven waartegen ik campagne voerde’.
‘Ik voelde schuld, schaamte, woede… en een vurig verlangen om dat te veranderen,’ zegt Curtis. Haar geld vermeerderde zich tot 600.000 dollar voordat ze in 2020 volledige zeggenschap kreeg en sindsdien heeft ze twee derde ervan herverdeeld. Ze schreef een gedicht getiteld ‘On Shame’. Daarin staat onder meer: ‘Misschien heb jij, net als ik, een voorouder / waar je je te erg voor schaamt om er zelfs maar over te spreken.’ En later: ‘Waar we ons het meest voor schamen / is niet voor wat zij deden / maar wat wij nog moeten doen.’
Voor Curtis en Taylor was het gevoel van schuld een nuttige emotie die hen bewoog tot actie. Maar zo werkt het niet altijd. Stephen is een millennial die 750.000 dollar erfde van een grootvader die in de farmaceutische industrie en onroerend goed werkte. Sinds zijn grootvader tien jaar geleden overleed is dat kapitaal aangegroeid tot 2 miljoen dollar.
‘Zwijgen over klasse is een van de redenen waarom er zoveel ongelijkheid is’
‘Mijn grootste schuldgevoel komt eruit voort dat ik andere mensen zie worstelen en dat ze fulltime moet werken,’ aldus Stephen – niet zijn echte naam. Vanwege de erfenis kostte het hem moeite werk te blijven doen waar hij voldoening uit kreeg, totdat hij in het buitenland werk vond als leraar Engels.
Toch zegt Stephen dat schuldgevoel hem ‘niet noodzakelijkerwijs aanzet tot actie, zoals een hoop geld doneren. In plaats daarvan motiveert het hem om wat meer uren te werken, omdat andere mensen dat ook doen. Hij zegt dat gesprekken met een therapeut zijn gevoel van eigenwaarde hebben vergroot, wat op zijn beurt zijn perspectief heeft veranderd. ‘Het heeft geholpen om de schuldgevoelens te verminderen,’ zegt hij. ‘Ze heeft me echt geholpen om in te zien dat ik kan leven zoals ik wil en niet per se hoef toe te geven aan de sociale druk dit geld te gebruiken voor het welzijn van iedereen. Ik kan het nu echt gebruiken om de dingen te bereiken die ik wil bereiken.’ Stephen zou in de toekomst graag liefdadigheidswerk willen doen en zegt daarover: ‘Voordat je anderen kunt helpen moet je eerst leren jezelf te helpen.’
Scepsis
Rachel Sherman is sociologe en auteur van Uneasy Street: The Anxieties of Affluence. Ze werkt momenteel aan een boek over rijke mensen die het systeem proberen te veranderen dat hen bevoordeelt. Sherman: ’De scepsis bestaat dat het hier alleen maar om woke gedrag zou gaan; dat de bewering te balen van je geld een andere vorm van statusgedrag is. Maar, voegt ze eraan toe: ‘Zwijgen over klasse is een van de redenen waarom er zoveel ongelijkheid is.’ Sherman is ervan overtuigd dat ‘deze gevoelens politiek cruciaal zijn’ en dat verandering mogelijk is als de rijken er openlijk over praten.
Curtis woont nu in een commune die zichzelf omschrijft als een ‘intergenerationeel, interraciaal, interreligieus’ collectief dat boerderijen runt en activistische workshops leidt. ‘Ik hou van mijn leven. Het is rijk aan betekenis en heeft een doel,’ zegt ze. ‘Ik koop niet veel en ik ga niet op luxe vakanties, maar ik heb niet het gevoel dat ik meer wil of meer nodig heb.’ Ik opper dat dit komt omdat ze het allemaal al heeft gehad.
‘Absoluut,’ zegt ze, ‘ik denk dat ikzelf en anderen die uit rijke gezinnen komen zien dat je wanneer je naar een vijfsterrenhotel kunt gaan nog niet automatisch een gelukkige gezinsvakantie hebt. Onze voldoening in het leven, en ons gevoel van geluk, komt meer voort uit onze relaties en de kwaliteit ervan, dan uit de kwaliteit van de spullen die ons omgeven.’
De waarde van de Japanse yen is dinsdag gekelderd tot het laagste punt in vierentwintig jaar, meldt Nikkei Asian Review. Vierentwintig jaar geleden, tijdens de financiële crisis van 1998, was de dollar voor het laatst 36,39 yen waard. De Japanse centrale bank moet niettemin ‘de huidige koers [van haar monetair beleid] aanhouden’, kondigde premier Fumio Kishida aan. Een beleid dat minder streng is dan dat van de Federal Reserve, de centrale bank van de Verenigde Staten, en dat door de oppositie wordt aangewezen als ‘een factor die heeft bijgedragen aan de spectaculaire val van de yen’, aldus Nikkei Asian Review.
De Japanse regeringsleider geeft toe dat de daling zorgwekkend is, maar maakt zich zorgen over de gevolgen van een stijging van de rente voor de gehele economie. In plaats daarvan overweegt hij ‘gerichte maatregelen’, zoals het verlagen van de energie- of voedselprijzen.
Tot voor kort was digitale kunst een niche waar weinig geld in omging. Maar de opkomst van NFT’s, oftewel digitale eigendomscertificaten, heeft tot speculatie en astronomische bedragen geleid. ‘De kunsthandel is radicaal veranderd door techspeculanten.’
Hebt u weleens gehoord van ene Mike Winkelmann, alias Beeple? Tot een jaar geleden was hij een relatief onbekende grafisch ontwerper en animatiekunstenaar uit de Verenigde Staten. In maart 2021 veranderde hij ineens in de op twee na populairste levende kunstenaar ter wereld – na de Britten David Hockney en Damien Hirst – toen het veilinghuis Christie’s zijn werk Everydays: The First 5000 Days verkocht voor 69,5 miljoen dollar (62,3 miljoen euro). Het gaat niet om een doek of beeldhouwwerk. Je kunt het niet aanraken. Het is een mozaïek bestaande uit vijfduizend plaatjes en video’s die Beeple dag na dag in zijn social media plaatst en dat hij heeft gecodificeerd als een uniek digitaal bestand.
Welkom in het universum van de NFT’s, dat voor een omwenteling in de kunsthandel heeft gezorgd. 2021 kan in de bewuste drie letters worden samengevat. Zelfs het Collins-woordenboek koos NFT (non fungible token) als woord van het jaar: ‘Een digitaal certificaat dat dient om het eigendom van een afbeelding te registreren als kunstwerk of verzamelobject.’ Op zich is een NFT niets materieels: het is alleen een gesloten link, een via blockchaintechnologie versleuteld bestand, waardoor je bent verzekerd van een bepaald eigendom, of het nu gaat om een tweet, een meme, een liedje of een artikel… In één jaar tijd heeft dit technologische gereedschap de kunstwereld met astronomische verkoopcijfers op z’n kop gezet.
Uit Everydays: The First 5000 Days
Nieuw veilingrecord
Zeven maanden na de aftrap bij Christie’s was Beeple goed voor een nieuw veilingrecord: 28,9 dollar voor Human One, een eenzame astronaut die almaar, dag en nacht, bij zon en bij regen (de omgeving verandert al naargelang de tijd en de plaats waar het werk wordt geïnstalleerd) door postapocalyptische landschappen struint. Het werk kan dienen als een vingerwijzing voor de weg die NFT-kunst zal gaan: ook die zal echt worden. Beeple presenteerde zijn videosculptuur in twee formats, het ene zuiver digitaal, het andere als fysiek object: een soort cabine waarin de astronaut rondloopt op een paar langzaam draaiende LED-schermen. Hij had maar twee veilingen nodig om 2021 af te sluiten met 100 miljoen dollar.
‘Fantastisch, nu kunnen dus ook kunstenaars veranderen in kleine kapitalistische idioten’
‘Fantastisch, nu kunnen dus ook kunstenaars veranderen in kleine kapitalistische idioten.’ Aldus Brian Eno, die meer dan veertig jaar de grenzen van de muziek en de kunst heeft opgerekt door te experimenteren met digitale omgevingen en het componeren van uiterst avant-gardistische stukken. Nog radicaler laat David Hockney zich erover uit: ‘Internationale dieven en oplichters,’ liet hij zich met z’n 83 jaar ontvallen in een podcast. Hockney, de koning van de meest verfijnde popart, een van de eerste klassieke schilders die met zijn iPad overging op digitaal tekenen, kwalificeerde de NFT-kunstwerken als ‘belachelijk kinderachtig’. Damien Hirst daarentegen, die het best heeft weten te profiteren van marketingals artistieke handeling, sloot zich snel bij de NFT-golf aan en lanceerde zijn eigen collectie van 10.000 pixels of kleurenpuntjes (gebaseerd op een van zijn werken uit 2016).
Vijandige en sceptische tongen waarschuwen voor een speculatieve zeepbel terwijl enthousiaste technologen gewagen van een digitale revolutie zonder weerga. Filosofen als Gilles Lipovetsky en Zygmunt Bauman predikten een vloeibare moderniteit; inmiddels zijn we beland in het tijdperk van de niet-dingen, zoals de modieuze denker Byung-Chul Han het zegt. En de NFT’s manifesteren zich als de apotheose van de vloeibaarheid en de niet-dingen.
Duizelingwekkende cijfers
Hoewel het moeilijk is om aan officiële cijfers te komen en de bedragen variëren al naar gelang het adviesbureau, bedroeg de wereldwijde NFT-omzet het afgelopen jaar rond de 20 miljoen euro, aldus het in blockchain gespecialiseerde bedrijf DappRadar. In het meest recente onderzoek van het verzekeringsbedrijf Hiscox wordt geschat dat de onlinekunstmarkt vergeleken met 2019 zo’n 280 procent is gestegen dankzij de NFT-omzet, die meer dan 3 miljard euro bedroeg.
De VIP-apenkoorts
Neymar Jr. heeft zijn profielfoto op Twitter verruild voor die van een aap.
De populaire presentator Jimmy Fallon en de rapper Eminem hebben hem ook: hun kostte hij respectievelijk 220.000 en 462.000 dollar; omdat Neymar later kwam moest hij 1,1 miljoen dollar neertellen voor twee apen. Steeds meer acteurs, zangers en basketbalvedettes hebben hun eigen verveelde aap: ze zijn een statussymbool en maken dat je ‘cool’ overkomt, maar ze geven daarnaast toegang tot de meest exclusieve, virtuele én echte, privéfeesten. De serie ‘Bored Ape Yacht Club’, uit de Yuga Labs-studio, begon als een beperkte editie van 10.000 apen, in feite een soort luxe plaatjes (een ervan bracht 3,4 miljoen op bij Sotheby’s). Adidas kleed ze aan, voor een miljoenenakkoord.
Is er sprake van speculatie? ‘Zeker.’ Gaat het om een revolutie? ‘Ook.’ ‘De NFT-speculatieboomis nauw verbonden met de pandemie. Historisch vallen tijden van crisis samen met wilde speculatieve transacties,’ stelt Daniel Canogar (Madrid, 1964), een van de pioniers op het gebied van digitale kunst in Spanje. Canogar is allesbehalve een fan van NFT’s en hij stopte zijn kritiek in een digitaal kunstwerk, Shred, dat via een algoritme in real time de NFT-werken die online te koop waren uit elkaar haalde. Hij stelde het kunstwerk afgelopen jaar op de kunstbeurs ARCO tentoon en het ‘baarde veel opzien bij pers en kritiek, maar deed qua verkoop niets’. Tot zijn galerie in New York hem overhaalde het te verkopen als NFT (het bestand wordt versleuteld via blockchaintechnologie).Toen was het wel degelijk in recordtijd uitverkocht. Een NFT-werk dat NFT’s bekritiseert? Cryptoverzamelaars lusten er wel pap van.
‘NFT is en blijft technologie en is goed noch slecht. In feite profileert NFT zich als de toekomst van de niet-tactiele media, als de manier om een digitaal werk te waarborgen. Maar toch… inhoudelijk stelt het heel weinig voor en heeft het meer te maken met grafisch ontwerp en emoji’s, instant-esthetiek en videospelletjes… Misschien is dat de tijdgeest. Maar ik mis makers die het gereedschap bewuster gebruiken, ik zou graag complexere werken zien,’ constateert Canogar, die al zeker vijftien jaar werkt aan een even doordacht als poëtisch oeuvre door de mogelijkheden van de technologie te verkennen en dieper door te dringen in de dematerialisatie van de kunst en de moderne tijd.
Voor de Madrileense kunstenaar ‘heeft het fenomeen NFT niets te maken met de wereld van de kunst maar met cryptomunten’. ‘Het doet me een pervers genoegen als ik zie hoe radicaal de kunsthandel op z’n kop is gezet door de techspeculanten. Zo’n schok kán goede dingen teweegbrengen: minder elitisme, meer verantwoordelijkheid van de kunstenaars voor hun eigen werk,’ geeft Canogar toe.
Een eigen verveelde aap als profielfoto is inmiddels statussymbool.
Paradigmawissel
Om de paradigmawissel in het profiel van de verzamelaar te begrijpen is het miljoenenbod op The First 5000 Days verhelderend. De voornaamste bieder was de Chinese multimiljonair Justin Sun (31 jaar), CEO bij Bit Torrent en oprichter van het cryptomuntenplatform Tron. Maar een zekere MetaKovan ging op het laatste moment over zijn bod heen en bemachtigde de toen al historische Beeple. Achter het pseudoniem MetaKovan zit de impresario Vignesh Sundaresan (32 jaar), de ontwerper van de geldautomaten voor bitcoins. Voor hij miljonair werd in Singapore was Sundaresan een immigrant die India verliet zonder een cent op zak. ‘Cryptomunten vormen een nivellerende kracht tussen het Westen en de rest, het hele Zuiden komt in opstand,’ verklaarde hij bij die gelegenheid.
‘Mijn leven is er drastisch door veranderd. Eerst kon ik niet van mijn werk rondkomen en nu ben ik miljonair’
Enfin, binnen een paar weken nam Justin Sun revanche door een Picasso (een echte, uit 1932) voor 20 miljoen te kopen en er een tokenvan te maken, dus een NFT-versie voor zijn virtuele kunstcollectie, die hij op de metaverse toegankelijk wil maken. ‘Mijn leven is er drastisch door veranderd. Eerst kon ik niet van mijn werk rondkomen en nu ben ik miljonair,’ laat ook de kunstenaar Javier Arrés (Motril, 1982) vanaf Fuerteventura weten. Moest Arrés voorheen zijn kunstenaarschap combineren met een baan in een animatiestudio om het eind van de maand te halen, het afgelopen jaar beliep de omzet van zijn werk een miljoen euro.
Arrés was een traditionele tekenaar, zo een die de kunstacademie heeft afgerond. Zijn illustraties en muurschilderingen hadden een heel hoog detaillistisch gehalte, bijvoorbeeld het werk dat hij met inkt en viltstift maakte voor de Biënnale in Londen waarmee hij in 2019 in zijn discipline de eerste prijs won. Tot hij het potlood verwisselde voor een tablet(‘Het is hetzelfde, behalve dat het potlood digitaal is’) en zijn Visual Toys (Visueel speelgoed) ging maken: bewegende constructies, microkosmossen waarin van alles gebeurt.
‘Het is een soort puzzel met digitale stukken. Vroeger wist ik niet hoe ik dit aan de man moest brengen. Maar NFT is het ideale format voor dit soort digitale, niet-statische werk. Ik begrijp dat er veel verwarring over NFT bestaat, je ziet een hoop flauwekul, maar er zijn digitale werken met een heel ambachtelijke inslag,’ wil hij benadrukken.
Met het oog op de NFT-boomoverweegt ook Arrés om een pauze in te lassen. ‘Al die speculatie is niet goed, de markt raakt oververzadigd. In 2019 kostte de creatie van een werk [in NFT veranderen en met blockchain versleutelen] maar 10 dollar. Normaal zou dat bedrag rond de 80 dollar schommelen, maar het is inmiddels gestegen naar 250 of 300 dollar, gewoon waanzin. Er is te veel vraag: er wordt als een gek ingebracht.’
Voordelen
Wat zijn de voordelen voor de kunstenaar? ‘De toegang tot de markt is democratischer en transparanter geworden. Er is geen tussenpersoon die profiteert, geen galerie die 50 procent voor jouw werk opstrijkt. Bovendien krijg je als dat werk binnen bepaalde tijd opnieuw wordt verkocht een deel van de opbrengst, bij wijze van auteursrecht. Dat is nooit eerder vertoond,’ aldus Arrés.
In 2020 was de cryptokunst nog een undergroundbeweging die zich afspeelde op platforms voor cryptomunten en op metaversen als Decentraland of Cryptovoxels (virtuele universums die lijken op een videospel, met hun eigen wijken, galeries en musea). Nu wordt ervoor geadverteerd in de straten van New York, betaal je met Visa (het is niet nodig virtuele munten als ethers of bitcoins te hebben) en geldt Paris Hilton als influencer.Niemand heeft de NFT’s in de Verenigde Staten zo populair gemaakt als zij. Als muze, verzamelaar en mecenas lanceerde ze haar eigen collectie, Planet Paris, in samenwerking met de kunstenaar Blake Kathryn (haar virtuele Barbie-portret, Iconic Crypto Queen, werd voor 1,1 miljoen verkocht).
Historische misstand
Kunnen NFT’s een historische misstand rechtzetten? Dat vraagt de cineaste en activiste Carmen Peláez zich af in haar manifest over de Amalia’s, de schilderijen van haar oudtante Amalia Peláez, die ze in NFT-versie online heeft gezet.
Amalia Peláez (1896-1968) was een van Cuba’s belangrijkste schilders. Zo exposeerde ze in het MOMA in New York en introduceerde de avant-garde op haar geboorte-eiland. In haar stijl combineert ze het modernisme van Parijs met de meer uitgelaten aard van Cuba.
Alle schilderijen die ze bij haar dood naliet, werden uiteindelijk door het regime van Fidel Castro geconfisqueerd en maken nu deel uit van de collectie van het Museum van Schone Kunsten in Havana.
De achternicht, die in Miami woont en directeur van de Stichting Peláez is, heeft haar toevlucht tot NFT’s genomen om het werk van de kunstenares ‘aan de wereld terug te geven’. De opbrengsten komen ten goede aan de productie van een overzichtscatalogus en aan diverse organisaties die zich inzetten voor de mensenrechten op Cuba. ‘Amalia heeft nooit deel uitgemaakt van de revolutie. Ze zal altijd horen bij Cuba én bij de Cubanen, waar ze zich ook bevinden,’ aldus Peláez.
De NFT’s hebben zich al enigszins toegang verworven tot de wereld van de galeries en musea. Het eerste museum in Europa dat een zaal reserveerde die permanent was gewijd aan cryptokunst was het Museum of Modern and Contemporary Art (MOCO), dat afgelopen oktober in Barcelona aftrapte met de nieuwste kunst, van Kaws tot Banksy. Het MOCO is net als z’n naamgenoot in Amsterdam een particulier museum waarachter de Nederlandse verzamelaars Lionel en Kim Logchies zitten, directeuren van de Lionel Gallery.
Potentieel
‘2022 wordt het jaar waarin we zullen zien hoe de NFT’s de traditionelere musea en instituten veroveren. Cryptokunst is een revolutie op zich. Die zal veel dingen decentraliseren en veranderen, door alle makers kansen te geven,’ voorspelt Kim Logchies. Het MOCO, dat is gevestigd in het zestiende-eeuwse Palacio Cervelló, in de historische wijk El Born, is uitgegroeid tot het meest op instagram geposte museum van Barcelona, vooral vanwege de overweldigende digitale kunstinstallaties. In de NFT-zaal zijn zeven werken te zien van kunstenaars als Beeple, Daniel Arsham, de Argentijn Andrés Reisinger (die de aandacht op zich heeft gevestigd met zijn hybride mix van digitaal en fysiek werk) en… Blake Kathryn, die namens Paris Hilton in Bedroom Bliss, een roze fantasieslaapkamer creëert die ‘de kijker een etherisch vredesmoment bezorgt’. ‘Het potentieel is ongelooflijk. NFT’s en de digitale kunst in het algemeen kunnen onze creativiteit nog meer prikkelen dan traditionele kunst. Maar ze zullen altijd naast elkaar blijven bestaan,’ wil Logchies nog kwijt.
De NFT’s zijn gewoon een typisch eenentwintigste-eeuws gereedschap met hun schaduwkanten en voors en tegens
In november waren de NFT’s al een van de voornaamste attracties in de Miami Art Week en ze zullen ook een plaats krijgen op de volgende editie van de ARCO (Madrid, van 23 tot 27 februari), een van de meest invloedrijke kunstmanifestaties. ‘NFT-technologie speelt vandaag de dag en in de toekomst ongetwijfeld een rol en de vraag is hoe die zich in de kunstwereld zal ontwikkelen. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat NFT gebruikmaakt van blockchaintechnologie om de uniciteit van de werken te waarborgen; het gaat op zich om digitale werken die al jarenlang in de kunstwereld meedraaien,’ aldus Maribel López, directeur van ARCO.
Dat het NFT is, wil niet zeggen dat het kunst is. Dat Warner 100.000 avatars uit The Matrix online zet voordat de film in première gaat (zelfs Keanu Reeves kon zijn verbazing niet verbergen) betekent niet dat die virtuele kosmossenkleine kunstwerken zijn, eerder lucratieve merchandising: met 5 dollar per avatar is de actie goed voor zo’n 5 miljoen. Zelfs Melanie Trump kwam aanzetten met een NFT van haar ogen. Zangers en voetballers als Shakira en Piqué bleven niet achter. De NFT’s zijn gewoon een typisch eenentwintigste-eeuws gereedschap met hun schaduwkanten en voors en tegens.
De helft van het mondiale aanbod van geslepen diamanten en 85 procent van de ruwe diamanten belandt bij Antwerpse experts. Waarom eigenlijk?
Met 1700 diamantbedrijven en 4500 diamantwerkers is de diamantwijk van Antwerpen een stadsdeel waar bovengemiddeld veel geld circuleert. De ‘Square Mile’ heet dit op het oog onaanzienlijke samenraapsel van donkere, uit de Middeleeuwen stammende steegjes op krap één vierkante kilometer in de buurt van het station.
In 1886 arriveerden er de eerste ladingen diamanten. Op de tafels in de achterkamer van café Flora werden ze geanalyseerd. Door de ontdekking van Zuid-Afrikaanse mijnen in die jaren vertienvoudigde de hoeveelheid edelstenen waarvoor de Vlaamse stad als doorvoerzone diende. De pioniers van de Belgische diamantindustrie richtten in 1893 officieel de Diamond Club op, het eerste wereldwijde centrum voor diamanten, waar vandaag de dag nog steeds grote geslepen stenen worden verhandeld.
Destijds droegen veel experts een zwarte vilten hoed, een kenmerkend kledingstuk van Joods-orthodoxe gemeenschappen. De eerste Joden kwamen in de vijftiende eeuw in Antwerpen aan, nadat ze eerst uit Spanje en vervolgens uit Portugal waren verdreven.
Mazzel en broge
In 1904 zag de eerste echte diamantbeurs het levenslicht: de Beurs voor Diamanthandel, die nog steeds is gevestigd in hetzelfde neoclassicistische gebouw, het enige pand van enige allure in de wijk. Transacties worden er beklonken zonder schriftelijke overeenkomst, met een handdruk en het traditionele Jiddische gezegde ‘mazzel en broge’, waarmee al sinds de negentiende eeuw een koop wordt gesloten. Tegenwoordig telt Antwerpen in totaal vier diamantbeurzen. Naast de historische beurs zijn dat de Diamantclub van Antwerpen, de Vrije Diamanthandel en de Antwerpsche Diamantkring.
De Eerste Wereldoorlog was een klap voor de stad, die het grootste deel van haar handel in edelstenen verloor aan concurrent Amsterdam. Nederland profiteerde van zijn neutraliteit in het conflict. Na de oorlog probeerde de Belgische overheid Antwerpen er weer bovenop te krijgen door belastingvoordelen, soepeler regelgeving en lagere lonen in te voeren dan de Nederlandse hoofdstad kende. Zo ontstond er een ecosysteem van meer dan tienduizend arbeiders, verdeeld over ongeveer honderdzestig slijperijen.
Niet alleen de Eerste maar ook de Tweede Wereldoorlog ontwrichtte de Antwerpse handel. Vanaf 1942 werd 65 procent van de Antwerpse Joden gedeporteerd, onder wie ook diamanthandelaren, en nazi-Duitsland vorderde de diamantvoorraden.
In de jaren zestig veerde de bedrijfstak op: er kwamen drie diamantscholen bij, de vier diamantbeurzen waren altijd vol en er werkten ongeveer dertigduizend slijpers. Aan diamanten gerelateerde bedrijvigheid vond plaats in de daarvoor bestemde wijk, maar ook in de Kempen, aan de rand van de stad.
Maar in de jaren zeventig kreeg Antwerpen er een geduchte concurrent bij. In Bombay polijstten duizenden lapidaristen – ambachtslieden die edelstenen snijden en graveren – de residuen van de Antwerpse slijpers, die ze tegen lage prijzen opkochten. Aanvankelijk was deze toestroom van stenen gunstig voor Antwerpen. Van 1977 tot 1979 steeg de prijs voor een onberispelijke diamant van 1 karaat van 8500 naar 63.000 dollar. Maar deze speculatieve zeepbel spatte uiteindelijk uit elkaar.
Tegenwoordig zijn zes van tien meest vooraanstaande diamantairs in Antwerpen van Indiase afkomst
Sinds die tijd kent Antwerpen een prominente Indiase gemeenschap van diamantairs. Tegenwoordig zijn zes van tien meest vooraanstaande diamantairs in Antwerpen van Indiase afkomst. Daarnaast zijn er ook Armeniërs en Libanezen actief.
De helft van het mondiale aanbod van geslepen diamanten en 85 procent van de ruwe diamanten belandt op de tafels van Antwerpse experts. Elke dag wordt er 500.000 karaat onderzocht, oftewel meer dan 26 miljard dollar aan diamanten op jaarbasis. Krankzinnige bedragen, die uiteraard hebzucht aanwakkeren. In de nacht van 15 op 16 februari 2003 werd het Antwerp World Diamond Center getroffen door de ‘roof van de eeuw’. De daders haalden 123 van de 160 kluizen leeg, zonder dat de alarmsystemen aansloegen. De buit, die ook goud en juwelen bevatte, werd geschat op 180 miljoen euro.
Op de jaarlijkse persconferentie van de Zwitserse Bankiersvereniging zei voorzitter Marcel Rohner afgelopen dinsdag dat Zwitserse banken tussen de 150 miljard en 200 miljard Zwitserse frank (160-214 miljard euro) aan activa van Russische klanten beheren, meldt Swissinfo.
Rohner weigerde echter het bedrag te noemen dat geblokkeerd is als gevolg van de economische sancties die Zwitserland tegen Rusland heeft ingesteld. Russische klanten die op de zwarte lijst staan, kunnen geen geld opnemen van hun Zwitserse rekeningen en ook geen bedrag hoger dan 100.000 Zwitserse frank storten. Het besluit van de Zwitserse regering om sancties in te voeren lokte een debat uit over de neutrale status van Zwitserland, schrijft de nieuwssite.
In totaal beheerden Zwitserse banken in 2020 een vermogen van 7879 miljard Zwitserse frank, oftewel 7628,95 miljard euro.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.