Tag: geschiedenis

  • Waarom volksmuziek minder groen is dan we denken

    Waarom volksmuziek minder groen is dan we denken

    Laat je niet misleiden door de klank van milieuprotest: deze liederen werden gezongen met de stem van de houthakker en niet de boom.

    “Woodman, oh woodman, you must spare that tree.” Houthakker, oh houthakker, spaar deze boom. Zo zong volkszanger Robin Grey in zijn album From the Ground Up (2017). “Raak geen enkele tak aan, want in mijn jeugd was dat mijn beschutting.”

    Het is een oud lied. De woorden werden in 1830 geschreven door de Amerikaanse dichter George Pope Morris, oorspronkelijk onder de titel “The Oak.” Zeven jaar later werd zijn tekst door de Engelse pianist Henry Russell op muziek gezet. Zijn lied, getiteld “Woodman, Spare That Tree,” werd een enorm succes. Tegenwoordig is het vooral een vroeg voorbeeld – of misschien zelfs voorbode – van het milieuprotestlied. Het past dan ook goed thuis in het oeuvre van Grey, een milieubewuste songwriter die zich aansluit tot een radicale protesttraditie. Naast “Woodman” bevat zijn album From the Ground Up teksten over fossiele brandstof (“Laat het in de grond,” zingt hij. “Ik wil niet dat onze wereld verdrinkt”) en omgang met de natuur (“ik zorg voor het land en het land zorgt voor mij”).

    Grey behoort tot een subgroep volksmuzikanten die soms het label “eco-folk” voordragen: een oprechte, voornamelijk akoestische genre van protest- en volksliederen die mede dankzij schrijver en academicus Robert Macfarlane steeds meer aandacht krijgt. Macfarlane schreef eerder over muzikanten als Karine Polwart, Julie Fowlis en Seckou Keita. Zijn eigen protestgedicht, “Heartwood” (“Zou je me uithakken / tot op het kernhout, houthakker? / Zou je me met een open hart achterlaten?”), is bovendien een duidelijke opvolger van “Woodman, Spare That Tree.”

    Protest

    Dit soort milieubewuste volksmuziek bouwt voort op decennia van invloedrijke protestliederen van naoorlogse songwriters en muzikanten zoals Malvina Reynolds (“What Have They Done to the Rain?”), Pete Seeger (God Bless the Grass) en Peter La Farge (“As Long as the Grass Shall Grow”). Tegenwoordig versterkt de zogeheten “enfolkification” van plattelandsprotesten – waar demonstraties over klimaatverandering en landbeheer dikwijls gepaard gaan met folkloristisch theater en ukelelemuziek – het populaire beeld van volksmuziek als “groene” muziek.

    Protestmuziek is van nature compromisloos en eenzijdig; geen enkel groot protestlied eindigt na het tussenstuk met een couplet dat begint met “Maar aan de andere kant…” Tegelijkertijd gaat succesvolle kunst – net als een geschiedenisles – om complexiteit en tegenstrijdigheden. Als we alleen het felgroene naoorlogse tintje zien in de relatie tussen volksmuziek en het milieu, zien we een belangrijk feit over het hoofd: dat de stem van volksmuziek net zo vaak de stem van de houthakker is geweest als die van de boom.

    cropped wordpress header 015 large colour scaled 1
    © Robin Grey

    Volksliederen zijn arbeidersliederen. De geschiedenis van de mens is per slot van rekening de geschiedenis van hakken, graven, schuren, onderwerpen, jagen, temmen, grijpen en plunderen. Het is het werk van talloze menselijke handen, en terwijl we dit werk deden, was volksmuziek onze soundtrack: in de bossen, in de heuvels, en op de open zee.

    Schrijvend in 2021, op het hoogtepunt van de TikTok Wellerman-hype, probeerde de literatuurwetenschapper David Farrier te wijzen op de “duistere kant van de zeemansliederen.” “Niemand wil een spelbreker zijn,” schreef Farrier in het magazine Prospect, “maar het is de moeite waard om te herinneren dat de stuwende ritmes van deze liederen…het tempo bepaalden van georganiseerd geweld.”

    In slechts een klein aantal historische volksliederen heeft de zanger werkelijk medelijden met de vos, walvis, of boom

    “Wellerman,” een walvisvaarderslied uit de Zuidzee dat de Schotse (parttime) volkszanger Nathan Evans in één klap wereldwijd beroemd maakte, is een zogenaamd ‘cutting-in’ lied, bedoeld om het ritmische en bloederige slachten van een gevangen walvis te begeleiden. Farrier merkte terecht op dat de walvisvangst een moorddadige en buitengewoon schadelijke handel was: het walvisstation van Otago, waar de gebroeders Weller in 1831 het maritieme bevoorradingsbedrijf “Wellerman” oprichtten, kon tot wel 100 walvissen per jaar verwerken. Als ‘inland’ station richtte het bedrijf zich vooral op zwangere vrouwtjes en kalveren. Dit is in zekere zin die “duistere kant” waar Farrier over spreekt, maar dan wel een die altijd duidelijk zichtbaar is geweest. Dit zijn bovenal menselijke liederen: liederen uit het Antropoceen, over menselijk werk, menselijke vreugde, menselijk lijden en menselijke liefde. In slechts een klein aantal historische volksliederen heeft de zanger werkelijk medelijden met de vos, walvis, of boom.

    Volksmuziek geeft een menselijke stem aan de eeuwen van milieuaantasting en herinnert luisteraars dat, ondanks dat de eisen van kapitaal, industrie en technologie onze planeet in een productielijn en een consumentistische lopende band doen veranderden, dit een menselijk proces is. De waarden en prioriteiten van historische volksliederen zijn zo niet onze waarden en prioriteiten, dan wel de basis van ons gezamenlijke verhaal.

    Het eerste muziekstuk dat ik ooit hoorde, was een jachtlied: “We’ll hunt him down, we’ll hunt him down, / We’ll run old Reynard to the ground.” Ik moet vier of vijf jaar oud zijn geweest. Mijn vader had het lied op een LP, misschien zelfs een cassettebandje opgenomen van de radio. Ik ken dat refrein als geen ander. Het behoort tot een lied genaamd “The Hunt,” geschreven en opgenomen rond 1980 door de Nieuw-Zeelandse folkzanger genaamd Paul Metsers. Het bijzondere aan “The Hunt” is dat het een protestsong is: zowel een jachtlied als een anti-jachtlied.

    In een paar a capella coupletten fileert Metsers behendig de klassenongelijkheid (“I am the lord of all around / and me you shall obey”) en de lafheid van de vossenjacht (“For sport it surely be / To hunt a single red fox down / With twenty men and three”). Niets wordt overdreven of opgeblazen. Bovendien zit er veel schoonheid in de tekst, misschien zelfs meer dan het lied nodig heeft. Mesters afkeer voor de vossenjacht is onmiskenbaar, maar tegelijkertijd voelt het alsof hij zich aan de jachtcultuur heeft aangepast. In plaats van satire of kritiek spreekt de songwriter simpelweg over de “zilverachtige lucht,” de hoorn van de jager, en blaffende honden: men kan zich met gemak een negentiende-eeuwse jager voorstellen die naar deze woorden luistert en denkt: “Ja, zo is het,” terwijl hij zijn rode jas aantrekt en jachtpaard zadelt.

    Vossenjacht

    Het Engelse jachtlied is zowel pastoraal als sentimenteel, en lof voor mooie, heldere ochtenden is kenmerkend voor het genre. “What a fine hunting day, it’s as balmy as May.” “The morn is a fine one, right healthy and clear.” “’Tis a beautiful, glittering, golden-ey’d morn.” Uiteindelijk verandert “The Hunt” in een klaagzang: “The air is still, and nature seems / To mourn another son.” Het lied opereert zowel in de protest- als de pastorale traditie, en dat maakt het zo fascinerend.

    Toch zijn vossenjachtliederen geen echte werkliederen, laat staan volksliederen in de traditionele zin. Hoe hard het fysieke werk ook mag zijn, een vossenjacht was tijdverdrijf voor mensen van adel. Liederen, geschreven in de 18e of 19e eeuw, zitten vol met provinciale toespeling, sportief geklets en rooskleurige mythes over de een of andere beroemde hond, paard of jager. Tegelijkertijd is zelfs het meest doorleefde volkslied niet zomaar uit de grond ontsproten. Het genre barst van vakmanschap, van bewustzijn van creatie. Vossenjachtliederen zijn liederen van het volk en van het land, en nemen plaats in een lange, wereldwijde traditie van jachtliederen.  

    De Canadese musicologe Lynn Whidden verzamelde meer dan 80 traditionele jachtliederen van de Cree, een inheems volk uit Noord-Amerika, in Manitoba en Noord-Quebec tussen 1970 en 2000. Deze liederen, ook wel niitooh-nikamon genoemd, “voorspelden succesvolle uitkomsten voor een extreem uitdagende en opwindende bezigheid,” zo schreef ze in haar boek Essential Song: Three Decades of Northern Cree Music (2007). “De levendige beelden in de liederen tonen de waardering van de jager voor de dieren en de hele natuur.” Ook deze liederen passen in het kader pastorale werkliederen: “De uitvoering van een lied stimuleert de intuïtie en de creatieve kracht die nodig was om een wild dier te vangen.”

    “De jachtliederen,” voegt ze toe, “zijn een persoonlijke uitdrukking van emotie, maar geen van de 86 die ik heb opgenomen, drukte verdriet of spijt uit.” De relatie tussen Cree en natuur is een verbond, een “spirituele overeenkomsten van wederkerigheid” tussen de menselijke en niet-menselijke wereld. Deze relatie bestaat naast – en is onafscheidelijk van – de onverbiddelijke dagelijkse praktijk van jagen, doden en consumeren van wilde dieren.

    Ze richten zich op de mens, in plaats van op de levende wereld waar deze mensen zo destructief doorheen bewegen

    Menig traditioneel jachtlied toont een fundamenteel gevoel van zelfgenoegzaamheid. Deze zelfgenoegzaamheid heeft niets te maken met de aard van het jagersleven – integendeel, ik denk dat jachtculturen alleen kunnen bestaan door een kille kijk te behouden op hoe wreed de evolutionaire processen op individuele dieren werken (“Zo onzorgvuldig met het enkele leven,” zoals Lord Tennyson ooit dichtte). Deze liederen uiten eerder een impliciete onbezorgdheid over de omvang van natuurlijke hulpbronnen. Het zijn beslist niet de liederen van een slinkend ecosysteem; het zijn liederen van een eeuwige oogst, van een planeet die zichzelf vernieuwt, die intrinsiek en voor altijd overvloedig lijkt. Het oogsten van de aardbol is een eindeloze arbeid. Wat altijd was, zal altijd zijn. Zonder twijfel hadden de 14e-eeuwse Polynesische kolonisten van Nieuw-Zeeland hun eigen vreugdevolle liederen over het jagen op de moa, tot de roep van de moa verstomde en alle moa’s uitstierven.

    Deze zelfgenoegzaamheid van overvloed maakt het mogelijk om zich te richten op de mens, op het harde leven en de kleine genoegens van de arbeiders, in plaats van op de levende wereld waar deze mensen zo destructief doorheen bewegen. Liederen van de walvisvloot besteden bijvoorbeeld vaak aandacht aan de onmenselijkheid van de industrie tegenover de walvisjagers. “They’ll use you, they will rob you, worse than any slave / Before you go a-whaling, boys, you’d best be in your graves” luidt een klaagzang uit 1856. Ze gaan ook vaak over de beloningen die worden opgeëist zodra de bemanning weer aan land is (“And we’ll make our courtships flourish, boys, when we arrive on shore / And when our money is all gone, we’ll plough the seas for more” is een vrij typisch voorbeeld uit 1832). Toch houden ze zelden rekening met hun eigen wreedheid, met het doden van walvissen: de “gevechten” die worden beschreven zijn vaak gewelddadig en bloederig, en de walvissen worden soms “dapper” genoemd, maar uiteindelijk bestaan deze wezens volgens muzikanten enkel om gedood te worden.

    insert SAAM 1995.88.3 1
    © Wikipedia

    Dit perspectief leefde voort tot ver in het naoorlogse protesttijdperk. De liederen van de Schots-Australische walvisvaarder en volkszanger Harry Robertson vertellen daarom over het ruige leven aan boord van walvisschepen, over kameraadschap en avontuur. Robertson is niet helemaal onverschillig tegenover de wreedheid van de handel, “of slaughter and of killing just to get that smelly oil,” maar hanteert wel een jagersfilosofie: “Where Nature’s largest creatures die and on factory decks they bleed, / Ordained by law of Nature, that man must meet his need.” Robertson was actief en populair gedurende de jaren zestig en zeventig, zelfs toen natuurbeschermingsgroepen zich begonnen te verenigen achter de slogan “Save the Whales” en Australië zich steeds meer tegen de walvisjacht keerde. Robertson’s liederen “The Humpback Whale” en “The Little Pot Stove” – “Where the winter blizzards blow, and the whaling fleet’s at rest…” – werden in 1980 opgenomen door de grote Britse folk-revival muzikant Nic Jones.

    Ecobewustzijn

    Een interessant kenmerk van walvisliederen is de manier waarop vroege tekenen van een soort ecobewustzijn, een ontluikend besef dat de hulpbronnen van de aarde misschien toch niet oneindig zijn, worden vertaald in uitdrukkingen van economische angst, sombere bedrijfsvooruitzichten en zorgen over waar de volgende salarisstrook vandaan zal komen. Men vermoedt dat, voordat de commerciële walvisvangst in de noordelijke oceanen op gang kwam, er tussen de 9.000 en 21.000 Noord-Atlantische noordkapers waren (zo genoemd voor hun gewoonte om dicht bij het oppervlak en de kust te zwemmen). Vele duizenden werden gevangen door Baskische en Nieuw-Engelse walvisschepen in de 16e en 17e eeuw; tegen het begin van de 20e eeuw hadden decennia van geïndustrialiseerde jacht en slachting de populatie bijna uitgeroeid.

    “Als ik de vleugels van een meeuw had, jongens,” zong de verteller in The Weary Whaling Grounds, een lied uit de 19e eeuw, “dan zou ik ze spreiden en naar huis vliegen. / Ik zou het ijzige land van Groenland verlaten, / want er zijn geen noordkapers meer.” Wat hij beschrijft, stond onder jagers bekend als “walvisziekte.” Geen aandoening die geassocieerd wordt met langdurige blootstelling aan slachtingen en slachtoffers, maar juist het tegenovergestelde: een doordringende melancholie veroorzaakt door slechte walvisvangsten. De naam roept een vergelijking op met “heimwee.” De klap in het lied is uiteindelijk financieel: “Maar we gaan naar de agent om de reis af te rekenen, / En we ontdekken dat we reden hebben om te berouwen. / Want we hebben vier jaar van ons leven gezwoegd / En ongeveer drie pond tien verdiend.”

    De uitroeiing van een diersoort wordt hier niet als een tragedie gezien, maar als een economische neergang, misschien een zakelijke misrekening, vergelijkbaar met een crash op Wall Street, maar in elk geval een nieuwe tegenslag voor de hardwerkende man. In de 20e eeuw uitte Robertson een soortgelijk sentiment: “Not a whale caught today, / Bloody Jonah’s had his way.” Vanuit dit perspectief is “Save the Whales” niet zozeer een pleidooi voor genade als wel een zakelijke overweging.

    Het vellen van een boom was geen tragedie of misdaad, maar een prestatie

    Voor de houtkap, een andere winstgevende handel in de Noord-Atlantische regio, bestond er geen “boomziekte” en waren er meer redenen voor een zekere mate van zelfgenoegzaamheid. De bosarbeiders van de uitgestrekte Canadese wouden zongen, net als walvisvaarders en zeelieden, over ontberingen, arbeid en kameraadschap, maar de bossen leken letterlijk eindeloos: we weten nu dat ze ongeveer 2,4 miljoen vierkante kilometer beslaan, een gebied ongeveer 18 keer zo groot als Engeland. In haar roman Barkskins (2016) dramatiseert Annie Proulx het leven van bosarbeiders begin 18e eeuw. “Welke hulpbron bestond er in deze nieuwe wereld, die onbegrensd was, die waarde had, die een fortuin kon opbouwen?” vraagt een toekomstige houtkoopman zich af. Proulx vervolgt: “Hij verwierp levende wezens zoals bevers, vis, zeehonden, wild of vogels, allemaal onderhevig aan plotselinge verdwijning en grillige markten…Er was één eeuwige grondstof die Europa ontbrak: het bos.”

    In de 18e en 19e eeuw was er een ongebreidelde uitbreiding van de houtkap in de noordoostelijke wouden van Canada. Er ontstond een cultuur van houthakkerskampen of “shanties” onder de mannen die dit zware seizoenswerk deden. Shanty-volksliederen speelden meerdere rollen in het leven van de houthakkers. Ze dienden onder andere verloren kameraden te herdenken (houtkap was gevaarlijk werk), om wrok te uiten (de satires van schrijver Larry Gorman waren berucht om hun onenigheid jegens zowel zijn collega’s als werkgevers) en natuurlijk om te vermaken.

    Niemand in de kampen zong echter klaagzangen voor de gevallen dennen, eiken of berken. Het vellen van een boom was geen tragedie of misdaad, maar een prestatie – “For spectators they will thunder, / They’ll gaze on you and wonder, / How noisy was the thunder, / The falling of the pine,” luidt een van de oudste Noord-Amerikaanse houthakkersliederen. Bovenal was het omhakken van bomen werk, een klus die gedaan moest worden.

    “Peter Emberley,” een ballade uit Nieuw-Brunswijk in Canada, werd rond 1880 geschreven als reactie op de dood van een jonge houthakker: “I hired for to work in the lumber woods, / Where they cut the tall spruce down, / It was loading two sleds from a yard / I received my deathly wound.” Een ander oud lied, “Harry Dunn,” ook wel bekend als “The Hanging Limb,” vertelt het verhaal van een man wiens dood in het bos – “a hanging limb fell down on him and sealed his fateful doom” – zijn ouders van verdriet doet sterven. “The Jam on Gerry’s Rocks,” misschien wel het beroemdste Noord-Amerikaanse houthakkerslied, herdenkt de dood van zes mannen en hun voorman, Monroe: “Meanwhile their mangled bodies a-floating down did go, / While dead and bleeding at the bank lay that of young Monroe.”

    Gedenktekens

    Deze liederen fungeren als gedenktekens: rauwe, eerlijke en onvergetelijke daden in een werkcultuur waar de natuur vijandig was en mensen vervangbaar waren. Ze zijn vaak kunsteloos en sentimenteel. Bovendien zijn het verklaringen van erkenning en getuigenis. Menselijke pijn en menselijk verdriet lijken minuscuul in de grote schaduw van de eeuwige bossen, maar deze liederen staan erop dat ze niet niets zijn: geen voetnoten of bijkomende schade, maar juist gebeurtenissen die hun eigen lied verdienen.

    Dit zijn geen salonsballades over verre avonturen en glorie, maar liederen over houthakkers, door houthakkers, voor houthakkers. Deze mannen wisten toen ze deze liederen zongen dat wat er met Harry Dunn gebeurde, of wat er bij Gerry’s Rocks gebeurde, hen net zo goed kon overkomen. “Welke houthakker heeft zijn vrienden niet zien omkomen?” schreef de grote Canadese folklorist en liedverzamelaar Edith Fowke in 1961. “Ieder heeft een zeer persoonlijk belang in de details van elk ongeluk. Op de lange winternachten, wanneer ze in hun hutten zitten, vragen ze naar liederen die vertelden hoe een ongelukkige houthakker zijn lot ontmoette.”

    800px A lumberjack standing at the base of a huge tree showing a cut in the tree ca.1900 CHS 3368
    © Wikipedia True colors

    “Heb je kernhout, houthakker?” smeekt Macfarlane, sprekend namens de bomen, in zijn gedicht “Heartwood.” Het klopt dat de houthakker niet huilt om de boom, noch de walvisvaarder om de walvis. Toch zou het een vergissing zijn om te concluderen dat houthakkers en walvisvaarders gevoelloos waren. De liederen van arbeiders, zelfs wanneer hun klungelig, wreed en schadelijk lijkt, belichamen hun eigen complexe menselijke waarden met betrekking tot familie, liefde, werk, angst, vriendschap, thuis, vreugde, rechtvaardigheid, pijn, moed, beloning.

    Misschien is het ethos van het landelijk-industriële in Noord-Amerika sterker dan in Europa. Misschien maakt de schaal van industriële operaties op het platteland van de VS – mogelijk gemaakt door de enorme omvang van het landschap – het gemakkelijker om een bos te zien als een werkplek of een product, in plaats van als een levend ecosysteem. Maar zelfs op plaatsen waar de balans tussen leven en arbeid subtieler is, kunnen we in volksliederen een gevoel van de voorrang van werk vinden. Het land, de “natuur,” mag de ultieme bron van ons levensonderhoud en onderdak zijn, maar deze bron is nutteloos voor ons zonder de tussenkomst van arbeid, zonder het werk van de boer, jager, boswachter, of rietsnijder. De “natuur” kan een vriend of een vijand zijn; het werk bepaalt welke van de twee het is.

    De verteller in “The Powte’s Complaint” is een ‘powte’, vermoedelijk een vis die nu bekendstaat als ongedierte

    “The Powte’s Complaint” is een ballade uit het begin van de 17e eeuw, verzameld in 1662 door antiquair William Dugdale. Het is een krachtig en strijdlustig protestlied dat tekeergaat tegen het droogleggen van het Fenland, een ecologisch uniek moerasgebied in het laaggelegen oosten van Engeland, door rijke landeigenaren. De verteller is een ‘powte’, vermoedelijk een vis die nu bekendstaat als ongedierte. Het zogenaamd niet-menselijke perspectief heeft sommige critici ertoe gebracht “The Powte’s Complaint” te classificeren als een ecologisch lied en misschien zelfs proto-eco-folk.

    Ook ik classificeer “The Powte’s Complaint” als protest- en milieulied. Maar voor wie spreekt de dappere powte? “Steltlopermakers en leerlooiers zullen klagen over deze ramp,” zegt de vis. “Want ze zullen elk modderig meer omvormen tot weiland voor kalveren in Essex.” De powte is geen natuurbeschermer. Hij spreekt voor het moeras, maar niet voor het moeras als een niet-menselijk ecosysteem; hij spreekt voor de economie van het moeras, voor het moeras als een bron, als bewerkt land. “Welke vissoort de auteur ook heeft voorgesteld als de persona, de primaire zorg van het lied is de impact van de drooglegging op de menselijke economie,” schrijven Todd A. Borlik en Clare Egan in een analyse uit 2018. “De vis klaagt dat het vernietigen van wetlands de waterafhankelijke beroepen van bootbouwers, steltlopermakers, vissers en leerlooiers zal verlammen; de leerlooiers waren bijzonder beruchte vervuilers. Het zou dus voorbarig zijn om stevige milieumotieven toe te schrijven aan de auteur van het lied.”

    Antropocentrisme landt anders wanneer, zoals Borlik en Egan verder opmerken, “het onderscheid tussen economie en wat we nu ecologie noemen [niet] geheel discreet is,” wanneer het platteland en het werkende leven duidelijk van elkaar afhankelijk zijn, en er nog geen duidelijke “wij” en “zij” tegenstelling is ontstaan tussen het landelijke en het industriële, wanneer het werk het land is, en het land het werk.

    Hoe dan ook zijn er altijd moeilijke paradoxen aanwezig in vragen over onze verbinding met, of nabijheid tot de natuur, en deze komen onvermijdelijk naar voren wanneer we luisteren naar de volksliederen van het platteland. Er is een diepe en belangrijke verbinding tussen de levende wereld en de jager, walvisvaarder of houthakker wiens levensonderhoud letterlijk afhankelijk is van die levende wereld, van haar veerkracht en voortbestaan, zelfs terwijl hij hakt en jaagt. Het is misschien geen eco-folk – en het zal de wereld niet redden! – maar ook deze zijn, desalniettemin, de levende liederen van onze draaiende aarde.

    Het volk tegen het systeem

    Volksmuziek is altijd de muziek geweest van onderdrukte mannen en vrouwen, dienstplichtigen, voetsoldaten. Of liever gezegd, deze mensen hebben altijd liederen gezongen, en de liederen die zij zingen hebben altijd onze volksmuziek gevormd. De rijke en waardevolle protesttraditie in de volksmuziek, de traditie van “het volk” tegen het systeem, de octopus, de machine, loopt parallel aan een erfenis van stemmen van binnen het systeem: de liederen van de arbeiders wiens strijd, om te werken, te verdienen, gezinnen te voeden, harde levens op te bouwen op barmhartige plekken, een krachtig verhaal vormen. Dit, niet minder dan de verhalen van uitsterving en ecocide, is een verhaal van verliezen, ontberingen en het wankele voortbestaan van hoop.

    We kunnen de systemische oorzaken van milieudaling en ecologische ineenstorting identificeren (ongereguleerd kapitalisme, extractief kolonialisme) zonder te vergeten dat deze oorzaken in de praktijk, aan het werkelijke front, werden uitgevoerd door mensen – mensen die, over het algemeen, zelden in de positie waren om verder te kijken dan de omringende dennenbossen of de bolwerken van hun schip, verder dan de volgende loonuitbetaling, het einde van de reis, de terugkeer van vaders, broers, zonen van de jacht of de zee of de noordelijke bossen. Dit is de geleefde ervaring die wordt bewaard (gezouten, ingelegd in vaten) in onze volksliederen.

  • Yuval Noah Harari: ‘We kunnen van de Oekraïeners leren dat verandering mogelijk is’

    Yuval Noah Harari: ‘We kunnen van de Oekraïeners leren dat verandering mogelijk is’

    Volgens historicus en schrijver Yuval Noah Harari wordt in Oekraïne bepaald welke richting de geschiedenis van de mensheid uit zal gaan. De grootste politieke prestatie van de mensheid was het terugdringen van oorlog. Die ontwikkeling staat nu op het spel.

    Aan de crisis in Oekraïne ligt een fundamentele vraag ten grondslag over de aard van de geschiedenis en de aard van de mensheid: is verandering mogelijk? Kunnen mensen hun gedrag veranderen, of blijft de geschiedenis zich eindeloos herhalen en zijn mensen ten eeuwigen dage gedoemd tragedies uit het verleden telkens opnieuw op te voeren zonder dat er iets verandert behalve het decor?

    Eén stroming ontkent ten stelligste dat verandering mogelijk is. Ze betoogt dat de wereld een jungle is, dat de sterke aast op de zwakke en dat militaire kracht de enige manier is om te voorkomen dat het ene land het andere opslokt. Zo is het altijd geweest, en zo zal het altijd blijven. Mensen die niet in de wet van de jungle geloven houden zichzelf niet alleen voor de gek, ze zetten ook hun bestaan op het spel. Ze zullen niet lang overleven.

    Een andere stroming betoogt dat de zogenaamde wet van de jungle helemaal geen natuurwet is. Ze is door mensenhanden gemaakt, en mensen kunnen haar veranderen. Archeologische annalen wijzen uit dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt geloofd, het eerste duidelijke bewijs voor georganiseerde oorlogvoering pas van dertienduizend jaar geleden stamt. Ook daarna zijn er veel periodes geweest waarin ieder archeologisch bewijs voor een oorlog ontbreekt. Anders dan de zwaartekracht is oorlog geen fundamentele natuurkracht. De intensiteit en het bestaan ervan zijn afhankelijk van onderliggende technologische, economische en culturele factoren. Als deze factoren veranderen, verandert de oorlog mee.

    Het bewijs van zo’n verandering zien we overal om ons heen. De afgelopen generaties hebben kernwapens de oorlog tussen supermachten in een krankzinnige vorm van collectieve zelfmoord doen ontaarden die de machtigste landen op aarde ertoe dwingt conflicten op een minder gewelddadige manier op te lossen. Hoewel oorlogen tussen grote mogendheden, zoals de Tweede Punische Oorlog of de Tweede Wereldoorlog, een vooraanstaande plaats innemen in de geschiedenisboeken, is er de afgelopen zeven decennia geen rechtstreekse oorlog tussen supermachten geweest.

    Kenniseconomie

    In diezelfde periode is de wereldeconomie veranderd van een materiële economie in een kenniseconomie. Waar materiële bezittingen als goudmijnen, graanvelden en oliebronnen ooit de belangrijkste bronnen van rijkdom waren, is tegenwoordig kennis de belangrijkste bron. En waar je olievelden met geweld kunt veroveren, zal dat met kennis niet lukken. Gevolg is dat de gewapende strijd aan winstgevendheid heeft ingeboet.

    Ten slotte heeft er wereldwijd een culturele aardverschuiving plaatsgevonden. Veel elites in de geschiedenis, zoals Hunnenhoofdmannen, Vikingjarls en Romeinse patriciërs, hadden een positieve kijk op oorlog. Heersers van Sargon de Grote tot Benito Mussolini probeerden zichzelf onsterfelijk te maken door middel van veroveringen (en kunstenaars als Homerus en Shakespeare gingen daar maar al te graag in mee). Andere elites, zoals de christelijke kerk, zagen oorlog als een noodzakelijk kwaad.

    Maar de afgelopen generaties werd de wereld voor het eerst in de geschiedenis gedomineerd door elites die oorlog niet als een noodzakelijk kwaad beschouwden. Zelfs types als George W. Bush en Donald Trump, laat staan de Merkels en Arderns van deze wereld, zijn heel andere politici dan Attila de Hun of Alarik de Goot. Zij dromen als ze aan de macht komen gewoonlijk eerder over binnenlandse hervormingen dan over oorlog in het buitenland. In kringen van kunstenaars en denkers staan de meest toonaangevende vertegenwoordigers – van Pablo Picasso tot Stanley Kubrick – eerder bekend om het uitbeelden van de zinloze gruwelen van de oorlog dan om het verheerlijken van de architecten daarvan.

    Gevolg van al deze veranderingen is dat de meeste regeringen aanvalsoorlogen niet langer als een acceptabele manier beschouwen om hun belangen te behartigen en dat de meeste landen niet langer fantaseren over het veroveren en annexeren van hun buren. Het is gewoon niet waar dat alleen militaire macht kan voorkomen dat Brazilië Uruguay verovert of dat Spanje Marokko binnenvalt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Parameters van de vrede

    Dat oorlog op zijn retour is blijkt uit talloze statistieken. Sinds 1945 gebeurt het relatief zelden dat internationale grenzen opnieuw worden getrokken door een buitenlandse invasie, en geen enkel internationaal erkend land is volledig van de kaart geveegd door een buitenlandse verovering. Aan andere soorten conflicten, zoals burgeroorlogen en opstanden, is geen gebrek geweest. Maar zelfs wanneer je alle soorten conflicten in beschouwing neemt, zijn er in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw minder slachtoffers gevallen door menselijk geweld dan door zelfmoord, auto-ongelukken en obesitas-gerelateerde aandoeningen. Buskruit is minder dodelijk geworden dan suiker.

    Geleerden kibbelen over de exacte cijfers, maar het is belangrijk om verder te kijken dan rekenmodellen. De afname van oorlog is zowel een psychologisch als een statistisch verschijnsel. Het belangrijkste kenmerk ervan is een grote verandering in de betekenis van het woord ‘vrede’. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis betekende vrede alleen maar ‘de tijdelijke afwezigheid van oorlog’. Toen mensen in 1913 zeiden dat er vrede was tussen Frankrijk en Duitsland, bedoelden ze dat er op dat moment geen rechtstreekse confrontatie was tussen het Franse en het Duitse leger, maar iedereen wist dat een oorlog elk moment zou kunnen uitbreken.

    De afgelopen decennia is de betekenis van het woord ‘vrede’ veranderd in ‘de onwaarschijnlijkheid van oorlog’. Voor veel landen is het bijna ondenkbaar geworden dat ze zouden worden binnengevallen en veroverd door buurlanden. Ik woon in het Midden-Oosten, dus ik weet heel goed dat er uitzonderingen zijn op deze regel. Maar het erkennen van de regel is minstens even belangrijk als het kunnen benoemen van de uitzonderingen.

    De ‘nieuwe vrede’ is geen statistische meevaller of hippieverzinsel. Ze komt het duidelijkst tot uiting in kille begrotingscijfers. De afgelopen decennia voelden veel regeringen op de wereld zich veilig genoeg om maar zo’n 6,5 procent van hun begroting aan defensie te besteden, terwijl er veel meer naar onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijk werk ging.

    Wij zijn geneigd dat als vanzelfsprekend te beschouwen, maar het is een verbazingwekkende noviteit in de geschiedenis van de mensheid. Duizenden jaren lang was het leger veruit de grootste post op de begroting van iedere vorst, khan, sultan en keizer. Aan onderwijs of medische zorg voor de massa werd nauwelijks een cent uitgegeven.

    Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam doordat mensen betere keuzes maakten

    Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam niet door een goddelijk wonder of een verandering in de natuurwetten. Het kwam doordat mensen betere keuzes maakten. Je kunt het met recht een van de grootste politieke en morele prestaties van de moderne beschaving noemen. Maar dat het een gevolg is van een menselijke keuze betekent helaas ook dat het omkeerbaar is.

    Technologie, economie en cultuur blijven veranderen. De opkomst van cyberwapens, AI-gestuurde economieën en nieuwe militaristische culturen zou een nieuw oorlogstijdperk kunnen inluiden, erger dan alles wat we tot dusver hebben meegemaakt. Om in vrede te leven moet bijna iedereen de juiste keuzes maken. Een slechte keuze door maar één partij kan daarentegen tot oorlog leiden.

    Daarom zou de Russische inval in Oekraïne iedereen op aarde zorgen moeten baren. Als het opnieuw doodnormaal wordt dat machtige landen hun zwakkere buren opslokken, dan zou dat van invloed zijn op het denken en doen van alle mensen op de wereld. Het eerste en duidelijkste gevolg van een terugkeer naar de wet van de jungle zou een sterke toename van de defensiebegrotingen zijn ten koste van alle andere begrotingen. Het geld dat naar leraren, verpleegkundigen en sociaal werkers zou moeten gaan zou in plaats daarvan aan tanks, raketten en cyberwapens worden besteed.

    Ook zou een terugkeer naar de jungle de wereldwijde samenwerking ondermijnen bij het tegengaan van bijvoorbeeld catastrofale klimaatverandering of het reguleren van ontwrichtende technologieën zoals kunstmatige intelligentie en genetische manipulatie. Het is niet eenvoudig om met landen samen te werken die van plan zijn je te elimineren. En naarmate klimaatverandering en de AI-wapenwedloop versnellen, zal de dreiging van een gewapend conflict alleen maar toenemen en zou een vicieuze cirkel die fataal kan zijn voor onze soort zich kunnen sluiten.

    De richting van de geschiedenis

    Wie gelooft dat historische verandering onmogelijk is, en dat de mensheid de jungle nooit heeft verlaten en dat ook nooit zal doen, rest alleen nog maar de rol van roofdier of prooi. Als ze voor die keus zouden komen te staan, zouden de meeste leiders liever de geschiedenis ingaan als alfaroofdieren en hun naam willen toevoegen aan de lugubere lijst van veroveraars die die arme leerlingen uit hun hoofd moeten leren voor hun geschiedenisexamens.

    Maar zou een verandering misschien mogelijk zijn? Zou de wet van de jungle een keus kunnen zijn in plaats van iets onontkoombaars? Zo ja, dan zou elke leider die ervoor koos een buurland te veroveren een speciale plek in de geschiedenis van de mensheid krijgen waarbij die van Timoer Lenk verbleekt. Hij zou de geschiedenis ingaan als iemand die onze grootste prestatie teniet heeft gedaan. Net toen we dachten dat we uit de jungle waren, sleurde hij ons er weer in.

    Ik weet niet wat er in Oekraïne zal gebeuren. Maar als historicus geloof ik dat verandering mogelijk is. Dat beschouw ik niet als naïviteit, maar als realisme. De enige constante in de menselijke geschiedenis is verandering. En dat kunnen we misschien leren van de Oekraïners. Vele generaties lang kende Oekraïne weinig anders dan tirannie en geweld. Ze kregen twee eeuwen tsaristische autocratie te verduren (die uiteindelijk bezweek tijdens de grote ommekeer van de Eerste Wereldoorlog). Een korte poging tot onafhankelijkheid werd in de kiem gesmoord door het Rode Leger dat de Russische heerschappij weer invoerde. Daarna werden de Oekraïners geteisterd door de gruwelijke door mensen veroorzaakte Holomodor (letterlijk vertaald de hongerpest), de stalinistische terreur, de nazibezetting en decennia ondraaglijke communistische dictatuur. Toen de Sovjet-Unie instortte, leek de geschiedenis te garanderen dat de Oekraïners opnieuw de weg van wrede tirannie zouden inslaan – ze waren immers niet anders gewend?

    Maar ze maakten een andere keus. Ondanks de geschiedenis, ondanks de schrijnende armoede en ondanks schijnbaar onoverkomelijke obstakels stichtten de Oekraïners een democratie. Anders dan in Rusland en Belarus werden in Oekraïne functionarissen herhaaldelijk vervangen door oppositiekandidaten. Toen ze in 2004 en 2014 opnieuw door autocratie werden bedreigd, kwamen de Oekraïners tot tweemaal toe in opstand om hun vrijheid te verdedigen. Hun democratie is iets nieuws. Net als de ‘nieuwe vrede’. Beide zijn kwetsbaar, en wellicht is ze geen lang leven beschoren. Toch zijn beide mogelijk, en kunnen ze diepgeworteld raken. Alles wat oud is, is ooit nieuw geweest. Het ligt er alleen maar aan waar mensen voor kiezen.

    Lees ook:

  • Feministisch ontwaken onomkeerbaar in China

    Feministisch ontwaken onomkeerbaar in China

    Voor het eerst in 25 jaar zit er geen vrouw in het Chinese politbureau. Maar jonge vrouwen komen in opstand. De arrestatie in 2015 van vijf feministisch activisten betekende een keerpunt in de relatie tussen politiek en gender.

    De zaak rond Jingyao Liu betekende een keerpunt. Die vond weliswaar plaats in de Verenigde Staten, maar bracht een schok teweeg in China. De studente beschuldigde Richard Liu, een van de tweehonderd rijkste mensen ter wereld, in 2018 van verkrachting. Jingyao studeerde aan de Universiteit van Minnesota en werd uitgenodigd voor een diner waarbij de eigenaar van technologiebedrijf JD.com aanwezig was. Ze beweert dat ze onder druk werd gezet om te drinken en dat de miljardair haar daarna verkrachtte. Het proces zou de hele wereld overgaan, maar de twee partijen kwamen in oktober tot een schikking. 

    Het is het meest spraakmakende #MeTooInChina-voorval sinds de zaak van Zhou Xiaoxuan – die een Chinese tv-presentator beschuldigde bij wie zij stage liep – in 2021 werd geseponeerd. Maar het ontwaken van het Chinese feminisme – of althans de eerste tekenen daarvan – deed zich al eerder voor. 

    Haar arrestatie was een van de zeldzame momenten waarop het communistische China hard optrad tegen feministisch activisme

    In de avond van 6 maart 2015 was het kil in Beijing. Li Maizi wist nog niet dat ze die nacht klappertandend zou doorbrengen in een kerker. Toen ze bij haar voordeur geklop en geschreeuw hoorde, begreep ze wat er stond te gebeuren, maar ze dacht er niet aan om nog een extra jas aan te trekken. Waarom nu, terwijl ze alleen maar had deel-genomen aan een campagne tegen intimidatie, voorafgaand aan Internationale Vrouwendag? Waarom niet drie jaar eerder, toen ze met twee vriendinnen verkleed als bloedende bruiden door een voetgangersgebied in de stad had gelopen? Het leek erop dat ze nu eindelijk de ophef veroorzaakten die ze hadden gezocht. Li glimlachte tevreden, pakte haar ukelele en begon met haar partner te zingen totdat de politie een slotenmaker had gevonden en de woning binnendrong. Aanvankelijk was Li niet al te bezorgd; ze dacht dat haar opsluiting maar 24 uur zou duren.

    Li Maizi behoorde tot de Vijf Feministen, zoals de groep bekend zou worden. Haar arrestatie was een van de zeldzame momenten waarop het communistische China hard optrad tegen feministisch activisme. Het markeert dan ook een keerpunt in de relatie tussen politiek en gender in de geschiedenis van de CCP.

    Suzhi, kwaliteitsburgers

    In maart 1913 werd onder Yuan Shikai de Chinese feministische beweging voor vrouwenkiesrecht de kop ingedrukt. Het kiesrecht voor vrouwen kwam er pas in 1947 met de grondwet van de Volksrepubliek China, aan de vooravond van de opkomst van Mao Zedong. (De wet zou overigens pas in 1953 van kracht worden.) ‘Vrouwen houden de helft van de hemel omhoog,’ aldus Mao, die, hoewel hij de militante rol van vrouwen tijdens de Culturele Revolutie gelijkstelde aan die van mannen, de eisen van het feminisme als burgerlijk wegzette. Pas in 1980 introduceerde Deng Xiaoping tijdens zijn opendeurpolitiek het concept van de rechtsstaat (yifazhiguo) met een reeks basiswetten inzake gendergelijkheid. In 1995 vond in Beijing de Vierde Wereldvrouwenconferentie plaats en werden de rechten van vrouwen wettelijk vastgelegd als suzhi, kwaliteitsburgers.

    Schermafbeelding 2022 11 24 om 21.02.55

    Binnen de CCP bestaat de Federatie van Chinese Vrouwen, waarvan de steun-pilaren ooit werden gevormd door stedelijke feministen van de 4 Mei-generatie – een intellectuele revolutionaire beweging uit 1919 die confucianistische waarden wilde vervangen door progressieve waarden, zoals gelijkheid tussen mannen en vrouwen –, guerrillavrouwen op het platteland, intellectuelen en andere vrouwen die waren gevlucht voor een dreigend gearrangeerd huwelijk of een gewelddadige echtgenoot of schoonvader. De Federatie was in 1950 nog een voorvechter van het recht op echtscheiding, maar gleed af naar een omstreden instrument van de regering. Om bijvoorbeeld de geslachtsverhoudingen in de bevolking in evenwicht te brengen – in de leeftijdsgroep onder de dertig waren er 20 miljoen mannen meer dan vrouwen – organiseerde de groep twee omstreden campagnes.

    De eerste, in 2003, was gericht op het Chinese platteland en heette Guan Ai Nü’er (‘Zorg voor meisjes’). Vrouwen werden neergezet als ‘liefhebbend en zachtaardig’, waarbij de confucianistische waarden Sancong Side – de ‘Drie Gehoorzaamheden’ dochter, echtgenote en moeder – werden benadrukt. In 2007 voerde de Federatie campagne om ongehuwde zevenentwintigjarige vrouwen aan te sporen te trouwen. Dat deed ze door deze jonge vrouwen weg te zetten als sheng nü, ofwel ‘de overblijfsels’. 

    In datzelfde jaar was Li Maizi bezig met haar tweede jaar aan de universiteit, en ze wist dat er na haar plan om de lesbische gemeenschap te ondersteunen nog vele zouden volgen.

    Wei Tingting

    Toen Wei Tingting datzelfde geklop op haar voordeur hoorde, had ze een filmscript in gedachten; bovendien was ze van plan om op 8 maart de metro vol te plakken met anti-intimidatiestickers. Door het succes van haar bewerking van De Vagina Monologen, die ze in 2012 in Wuhan had geproduceerd – het toneelstuk was in China geïntroduceerd door Ai Xiaoming, die voor haar activisme werd bekroond met de Simone de Beauvoir-prijs – wist ze dat ze zich voor de zaak moest blijven inzetten. 

    Wei was verbaasd dat ze destijds niet al was gearresteerd, vooral omdat genderdeskundige Rong Weiyi had gezegd dat haar stuk een nieuwe richting betekende voor het Chinese feminisme, wat bij de regering de alarmbellen zou kunnen doen rinkelen. Of dat ze die keer in Shanghai geen boete kreeg, toen ze stickers plakte tegen een overheidscampagne die grensoverschrijdend gedrag beoogde te ‘voorkomen’ door vrouwen te vertellen dat ze meer ‘zelfrespect’ moesten hebben bij hun kledingkeuze.

    Vroeg of laat zou ze worden opgepakt, dat wist Wei zeker. Xi Jinping, die in 2012 aan de macht was gekomen – in de periode dat feministische activisten aan de universiteiten floreerden – had de als podiumkunst vermomde protesten al bestempeld als ‘lasterlijk’. Op dergelijke acties stond vijf jaar gevangenisstraf (en tien jaar als de acties meer dan een stad op z’n kop zetten). Net als haar collega’s was Wei klaar om het nieuwe Chinese feminisme een impuls te geven. Zelfs toen de overheid ingreep door hun feministische stemmen te onderdrukken op Weibo, het sociale netwerk dat hun levensader was, kon dat hen niet tegenhouden.

    Het taboe op seks komt voort uit de confucianistische traditie die discussie over het onderwerp verbiedt

    Wei wilde uiteindelijk in haar werk de seksuele vrijheid van vrouwen bepleiten, zoals in het matriarchale systeem van de Mosuo in Yunnan, het zuidwesten van China. De Mosuo hangen het Tibetaanse boeddhisme aan en alleenstaande moeders beoefenen er de vrije liefde. Maar ze moest bij de basis beginnen, en tot dan toe was seksuele voorlichting nog net zo beperkt als die van haarzelf was geweest: op school werden voortplanting en menstruatie besproken tijdens lessen die alleen voor meisjes bestemd waren.

    Het taboe op seks komt voort uit de confucianistische traditie die gesprekken over het onderwerp verbiedt: de seksuele daad wordt beschouwd als uitsluitend een echtelijke aangelegenheid – met een ondergeschikte rol voor de vrouw –, die moet uitmonden in een bevalling. Het taoïsme daarentegen, dat bepaalde aspecten deelt met het Tibetaanse boeddhisme, stelt een reeks technieken voor om de seksuele energie te verhogen. Het benadrukt de rol van de vrouwen om in de baarmoeder – waar de energie in uitmondt – het idee van leegte te belichamen, en pleit zo voor ‘terugkeer naar de universele moeder’, legt filosoof Carla Rosso uit. 

    Wei Tingting, die zich ook Waiting noemt, moest een aantal jaar wachten op onderwijsveranderingen in haar land. 

    Die volgden in 2019. Omdat slechts 10 procent van de twintigduizend ondervraagde universiteitsstudenten aangaf seksuele voorlichting te hebben gehad (de rest vond die in bibliotheken of via porno, die in China illegaal is), lanceerde de regering het initiatief ‘Gezond China’. Dat bevatte een aantal door de Unesco onderschreven punten, zoals het verbod op discriminatie op grond van geslacht, intimidatie en ongewenste zwangerschap en het recht op veilige abortus en preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen. In 2020 werd het initiatief opgenomen als onderdeel van het schoolcurriculum.

    Wang Man

    Op die koude avond in maart werd er nog een arrestatie verricht. Elders in Beijing woonde Wang Man, de oudste van de groep. Zij werd bekend door een actie waarbij ze samen met Li Maizi mannentoiletten bezette om meer vrouwentoiletten te eisen op de universiteit. 

    Er bestaan onafhankelijke centra voor vrouwenstudies in China. Het eerste werd in 1987 opgericht aan de Universiteit van Zhengzhou – tot woede van de regering; die had namelijk al in 1949 haar Vrouwenuniversiteit opgericht, die was aangesloten bij de Federatie van Chinese Vrouwen. Dertig jaar geleden vormden vrouwen 20 procent van het totale aantal studenten; nu is dat 60 procent, en dus hebben zij meer ruimte nodig op de campus. Wang nam het op zich om dat artistiek uit te dragen.

    Het bezetten van de herentoiletten was een revolutionaire vorm van protest. Eerdere feministen namen de houding aan die het taoïsme wuwei noemt: ‘niet-doen’ of ‘passief zijn’, traditionele en zogenaamd ‘vrouwelijke’ eigenschappen die worden belichaamd in yin. Dat contrasteert met het activisme van de hedendaagse feministen die yang belichamen: het strijdbare, wat een zogenaamd ‘mannelijke’ eigenschap is. Maar in plaats van harmonie in de vereniging van yin en yang brachten deze studentes ongewild Xin Yidai voort: een ‘nieuwe generatie’.

    Wu Rongrong

    Ver weg van de Chinese hoofdstad, op 1300 kilometer afstand, verrichtte de politie nog een arrestatie: in de stad Hangzhou, beroemd om zijn Westelijke Meer, die dichters inspireerde en door Marco Polo werd geprezen als ‘de mooiste stad ter wereld’. Politieagenten stonden te schreeuwen buiten het huis van Wu Rongrong. De feministe had haar baan bij Alibaba opgezegd om vrijwilligerswerk te gaan doen bij een organisatie voor jonge vrouwen. Ze verwierf bekendheid met haar performance waarmee ze opkwam voor een vrouw die uit zelfverdediging een ambtenaar had gedood die haar had aangerand. Wu richtte ook het Weizhiming Vrouwencentrum op, dat opkomt voor de rechten van jonge vrouwen. Ze was de enige in de groep die getrouwd was en een kind had. 

    Wu en haar metgezellen behoorden tot de eenkindgeneratie. De eenkindpolitiek, opgelegd door de Communistische Partij, was van kracht tussen 1979 en 2015 en leidde tot een onevenwichtige verdeling van mannen en vrouwen. Amnesty International had scherpe kritiek op deze en andere wetten voor gezinsplanning, omdat die een schending betekenden van seksuele en reproductieve rechten. In die periode vonden naar schatting 30 miljoen abortussen en kindermoorden op meisjes plaats en werden 200 miljoen geboortes voorkomen. Daarbij zijn niet eens de baby’s meegeteld die in de steek werden gelaten of ter adoptie werden afgestaan. De prijs voor het overtreden van de wet was torenhoog, zowel economisch als moreel: gezinnen die uit elkaar vielen, spiraaltjes die zonder voorafgaande toestemming na de eerste geboorte werden geplaatst, en soms zelfs sterilisaties.

    Steeds meer vrouwen kiezen ervoor om alleenstaand te zijn of geen moeder te worden, en komen daar ook publiekelijk voor uit

    De eenkindpolitiek werd in 2015 afgeschaft – hetzelfde jaar ook waarin de arrestaties plaatsvonden. De bedoeling was om een tweede kind per koppel mogelijk te maken en zo het geboortecijfer te verhogen. Maar dat werkte niet, en toen China in 2021 het laagste geboortepercentage noteerde, stond de regering drie kinderen per gezin toe. Dat het op die twee momenten niet tot een demografische boom kwam, komt voornamelijk doordat de kosten die met de opvoeding gepaard gingen het lastig maakten om te concurreren op de arbeidsmarkt, maar ook door de opkomst van het feminisme. Steeds meer vrouwen kiezen ervoor om alleenstaand te zijn of geen moeder te worden, en komen daar ook publiekelijk voor uit. Dit jaar bood de CCP een financiële stimulans en bescherming voor moeders, op voorwaarde dat ze getrouwd zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat een ongehuwde vrouw juridisch machteloos is als zij wordt ontslagen omdat ze zwanger is. 

    Wu Rongrong vreesde dat ze door haar gevangenschap lang gescheiden zou zijn van haar jonge kind. Het is iets wat in de Chinese taal ligt besloten: het Chinese karakter 好 (hao) betekent ‘goed’ of ‘best’, en verenigt twee karakters in zich, namelijk een vrouw (女, nü), en haar kind (子, zi).

    Zheng Churan

    In Zuid-China was het die nacht van 6 maart 2015 veel warmer. In de stad Guangzhou bevond zich de laatste uit de groep jonge vrouwen die bekend zou worden als de Vijf Feministen: Zheng Churan. Zij woonde nog bij haar ouders toen ze haar kwamen halen. Tijdens de verhoren namen ze haar bril af en lieten haar in het donker achter. Ze bedreigden haar met repercussies voor haar ouders. Zheng leed aan stress, slapeloosheid en haaruitval. Toen het allemaal voorbij was, trok ze zich terug uit het activisme. Ook voelde ze zich extra bezwaard: ze vond dat ze schuld had aan de zevenendertig dagen opsluiting van haar metgezellen, omdat zij het was geweest die het plan had bedacht. 

    Maar zij was het ook die zorgde voor de hergroepering van een nieuwe generatie Chinese feministen.

    De nieuwe generatie feministen noemde zichzelf nüquan zhuyizhe. Dit neologisme betekent letterlijk ‘vrouwen voor recht/vrouwenmacht’. Het karakter quan (权) betekent zowel ‘recht’ als ‘macht’; het dook vanaf 1900 op in Chinese vertalingen van buitenlandse – en vooral Japanse – feministische teksten. De term die daarvóór werd gebruikt was nüxing zhuyi, ‘leer van de vrouwelijk sekse’ – xing (性) betekent ‘natuurlijkheid’ of ‘seksualiteit’. Om verwarring te voorkomen gaf de Federatie van Chinese Vrouwen de voorkeur aan het gebruik van funü quanli – ‘vrouwenrechten’. Funü is in het confucianisme het begrip voor ‘vrouw’.

    In de nacht dat de Vijf Feministen werden gearresteerd, gooide de politie ook andere vrouwen in de cel die bij soortgelijke initiatieven betrokken waren geweest. Maar die werden na 24 uur weer vrijgelaten, in tegenstelling tot het vijftal, dat ruim een maand vastzat. Elke ochtend herhaalde Li Maizi de mantra ‘volharding, moed, uithoudingsvermogen’ om het hoofd te kunnen bieden aan de ondervragingen door ambtenaren, die haar vernederden en haar – en de anderen – ervan beschuldigden spion te zijn. Op 13 april werden de Vijf Feministen vrijgelaten en zagen ze iets wat ze zich nooit hadden kunnen voorstellen.

    Internationaal was de hashtag #FreeTheFive viraal gegaan op sociale media. Journaliste en feministe Leta Hong Fincher besloot de verhalen van deze meiden die ‘blij waren Big Brother te verraden’ te bundelen in haar boek Betraying Big Brother: the Feminist Awakening in China. Feministisch activiste Xiao Meili, die eerder met de groep had samengewerkt, gaf in 2018 de aanzet tot de campagne #MeTooInChina. Met meer dan 3 miljoen views op Weibo was het zeven dagen lang de meest-bezochte pagina, voordat deze werd verwijderd. Dat gebeurde ook met het account van Nüquan Zhi Sheng (‘Feministische Stemmen’), de meest invloedrijke organisatie. In 2020 werden tien feministische fora op het sociale netwerk Douban gesloten en werd het verboden de van oorsprong Zuid-Koreaanse feministische beweging 6B4T bij naam te noemen. Die beweging bepleit dat vrouwen niet zouden moeten trouwen of kinderen moeten krijgen.

    Er is nu een nieuwe feministische generatie die nog steeds wordt vervolgd. De pandemie en het restrictieve beleid van Xi Jinping zijn weinig meer dan een excuus om de greep op vrouwen te versterken. Maar het ontwaken van het feminisme in China is niet meer te stoppen. dd054df5 6fcd 4549 9390 41dd03b379a5

    ANP 344937141 1
    Drie van de Chinese Vijf Feministen en hun advocaat keerden terug naar het detentiecentrum waar twee vrouwen vastzaten, vermoedelijk omdat zij op Internationale Vrouwendag wilden protesteren tegen seksuele intimidatie in het openbaar vervoer. Ze eisen dat de borgtocht wordt opgeheven en de zaak wordt geseponeerd. – © ANP
  • Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïti, het armste land van het westelijk halfrond, wordt behalve door natuurrampen geterroriseerd door extreem bendegeweld. Het zogenaamde Montana-akkoord zou daar verandering in kunnen brengen.

    Rivaliserende criminele groepen hielden de hoofdstad Port-au-Prince al in een ijzeren greep voordat vorig jaar president Jovenel Moïse werd vermoord. Het machts-vacuüm dat hij achterliet werd direct overgenomen door de bendes van onder andere Jimmy Chérizier, die bekendstaat onder de schuilnaam Barbecue. Ze blokkeerden de belangrijkste haven en de aanvoer van brandstof en voedsel. 

    Door dergelijke bendes, waarvan de meeste banden hebben met politieke en zakelijke leiders, ligt de Haïtiaanse economie nu zo goed als stil. Cholera, waaraan ooit zo’n tienduizend Haïtianen stierven, begint opnieuw om zich heen te grijpen.

    Officieel staat Ariel Henry aan het hoofd van de Haïtiaanse regering. Henry, die buitengewoon onpopulair is, is aan de macht gekomen met steun van de Verenigde Staten en andere grote regionale mogendheden. Toen een coalitie van Haïtiaanse maatschappelijke organisaties voorstelde om een meer representatieve interim-regering te vormen en de democratie weer op te bouwen, hebben Henry en zijn buitenlandse bondgenoten daar een stokje voor gestoken. Inmiddels vinden er in de grote steden al weken straatprotesten plaats, waarin zijn aftreden wordt geëist. Het is op veel plekken zo onveilig geworden dat Henry vrijdag pleitte voor een internationale veiligheidsmissie die de politie moet helpen de controle over de straten terug te krijgen.

    Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Hoewel de situatie complex lijkt, draait de chaos in feite om dezelfde vraag die al 230 jaar lang de aanleiding is van bijna elke crisis op het eiland: wie krijgt in Haïti de macht? En: komt er een moment waarop de Haïtianen dat vraagstuk zelf kunnen oplossen, of blijven buitenstaanders cruciale beslissingen nemen over de toekomst van het land?

    Die tweede vraag houdt mij al bezig sinds ik als jonge verslaggever bij The New York Times voor het eerst naar Haïti ging. Dat was in 2004, aan de vooravond van de tweehonderdste verjaardag van de Haïtiaanse onafhankelijkheid – het enige moderne voorbeeld van een succesvolle opstand die geleid werd door tot slaaf gemaakten. Naar aanleiding van mijn ervaringen in Haïti heb ik me als correspondent in Afrika en Azië altijd beziggehouden met zelfbeschikking en autonoom bestuur van de voorheen gekoloniseerde volkeren van het Zuiden. Vragen over zelfbeschikking zijn tevens de reden dat ik nu naar Haïti ben teruggekeerd. Het land is al lang onafhankelijk, maar kent het echte vrijheid? Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Jean-Bertrand Aristide

    Toentertijd, in 2004, was Jean-Bertrand Aristide aan de macht: een charismatische voormalige katholieke priester en de eerste democratisch verkozen president. Hij kreeg te maken met een grote golf van protesten, waarvan sommige niet alleen steun kregen van zijn oude vijanden uit de kleine, rijke elite, maar ook van vroegere trouwe bondgenoten, die hem nu als een beginnend autocraat zagen. De laatste parlementsverkiezingen waren nooit gehouden, dus Aristide regeerde in wezen per decreet. Om politieke druk uit te oefenen blokkeerden de Verenigde Staten en Europese partners elk honderden miljoenen dollars aan beloofde hulp. Volgens mensenrechtenactivisten spoorde Aristide straatbendes ertoe aan zijn regering te beschermen en tegenstanders van zijn regering te intimideren en zelfs te doden.

    Als verslaggever van een baanbrekende ontwikkeling raakte ik al snel verdwaald in alle voortschrijdende veranderingen. Ik bracht mijn dagen op straat door, waar ik gewone mensen interviewde. De meesten van hen bleven trouw aan Aristide, omdat het hem gelukt was zich vanuit de sloppenwijken omhoog te werken. Hun woede was tastbaar en zorgde vaak voor gewelddadige conflicten op straat.

    ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk’

    Net als veel andere buitenlandcorrespondenten in Haïti destijds bracht ik mijn avonden door in het gezelschap van jonge Haïtianen die op mij leken: twintigers die in Noord-Amerika een universitaire opleiding hadden genoten, vloeiend Engels en Frans spraken en kosmopolitisch ingesteld waren. Hun rijke ouders hadden bedrijven die door Aristides beleid van herverdeling in het nauw kwamen, en ze steunden politici die hem wilden afzetten. Onder het genot van eindeloze flessen Prestige-bier en kip djon djon werd mijn kijk op de situatie onvermijdelijk gevormd door hun blik. In elk geval zorgde die voor een subtiele afzwakking van een grimmige realiteit, namelijk dat aan de wil van de meerderheid van het Haïtiaanse volk werd voorbijgegaan.

    Eind februari 2004 zorgde een gewapende opstand ervoor dat Aristide zijn macht verloor, waarna hij als balling werd weggevoerd in een Amerikaans vliegtuig. Kort daarop arriveerden Amerikaanse mariniers en verklaarde George W. Bush: ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk.’

    Wie wilde af van Aristide? Tijdens alle straatprotesten tegen zijn regering was me duidelijk geworden dat oppositie tegen hem niet beperkt bleef tot een kleine rijke elite. Maar gezien zijn enorme populariteit onder de armen is het onwaarschijnlijk dat de meerderheid van de Haïtianen hem weg wilde hebben.

    Machtige vijanden

    Aristide had een aantal machtige vijanden gemaakt. Hij had geëist dat Frankrijk Haïti 21 miljard dollar zou betalen, als compensatie voor de enorme schuld die het zijn voormalige kolonie had nagelaten. Frankrijk was een van de eerste landen die zijn afzetting eisten. Aristides bondgenoten zouden zijn vertrek later een ontvoering noemen en de toenmalige Franse ambassadeur verklaarde onlangs in een interview met The New York Times dat de Verenigde Staten en Frankrijk in feite ‘een staatsgreep’ hadden gepleegd. Amerikaanse ambtenaren hebben zich daarentegen lang tegen die karakteriseringen verzet. Later zou onderzoek van The New York Times aantonen dat een machtige, conservatieve, Amerikaanse organisatie deels verantwoordelijk was voor de vorming van de oppositie tegen Aristide. Dat riep nieuwe vragen op over de verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten.

    Aristide had zich ingezet voor een eerlijke herverdeling, om zo democratie en gelijkheid te verzekeren. Maar alle positieve elementen van wat hij vertegenwoordigde, waren verdwenen. Het enige wat resteerde, was de negatieve kant van zijn nalatenschap: de bendes die hem hadden geholpen zijn presidentschap veilig te stellen. Van dat trauma is Haïti nooit echt hersteld, waardoor het een gebroken natie is geworden die leeft in de schaduw van het machtigste land ter wereld. Voor de rest van de wereld is het nu niets meer dan een boeman, een hoofdpijndossier, een speelbal.

    Wat is de wereld vandaag de dag aan Haïti verschuldigd? Allereerst – en dit is het belangrijkst: laat het met rust. De Haïtianen moet tijd, ruimte en steun worden gegund om een andere toekomst voor hun land te realiseren.

    Wat kan er gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?

    Dan Foote, die vroeger als speciaal gezant van de VS in Haïti zat, levert sindsdien bijzonder felle kritiek op het Amerikaanse beleid. Foote: ‘Het Amerikaanse buitenlandse beleid gelooft onbewust nog steeds dat Haïti bestaat uit een stel domme zwarte mensen die hun land niet zelf kunnen organiseren. En dat wij ze moeten vertellen wat ze moeten doen, omdat het er anders echt slecht aan toe zal gaan. Maar elke keer dat internationale krachten hebben ingegrepen, hebben ze Haïti overhoopgegooid. Het is tijd om de Haïtianen een kans te geven. Wat is het ergste wat er kan gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?’

    Haïti is door machtiger mogendheden gebruikt en misbruikt sinds Columbus in 1492 de noordkust van het eiland bereikte. De Verenigde Staten hebben Haïti afwisselend genegeerd en onderdrukt. Eerst weigerden ze het land te erkennen, om het vervolgens in 1915 binnen te vallen en het negentien jaar lang als een soort kolonie te gebruiken. De VS achtten het in de Koude Oorlog van essentieel belang om hun grote invloed op de Haïtiaanse politiek en economie te behouden. Dat deden ze, soms met moeite, van 1957 tot 1986, toen achtereenvolgend Duvalier sr. en Duvalier jr. aan de macht waren.

    De afgelopen twaalf jaar is de Haïtiaanse politiek steeds meer verdeeld geraakt, onder andere door een verpletterende aardbeving en een reeks stormen en orkanen. De politiek wordt al een tijd lang gedomineerd door centrumrechtse leiders die Amerikaanse steun genieten en die naar alle waarschijnlijkheid corrupt zijn en banden onderhouden met criminele netwerken. 

    Buitenlandse inmenging

    Door het isolement van Haïti en door buitenlandse inmenging is de politieke cultuur giftig geworden. Niemand vertrouwt elkaar meer en er heerst paranoia. Bij gebrek aan een moderne, industriële economie zijn er in het land sterk uiteenlopende sociale lagen ontstaan. Er is een handelsklasse die haar geld voornamelijk verdient door goederen te importeren en te verkopen aan alle anderen – straatarme mensen die rondkomen van een hongerloon of van geld dat ze krijgen overgemaakt vanuit de bloeiende diaspora die zich uitstrekt tot onder andere de Verenigde Staten, Canada en Frankrijk.

    De gebeurtenissen van de afgelopen tijd hebben het vertrouwen van de Haïtianen in hun verkiezingen aangetast. Bij de eerste echt democratische verkiezingen van 1990 bracht meer dan de helft van de kiesgerechtigden een stem uit. Bij de laatste verkiezing was de opkomst minder dan 20 procent.

    Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen

    Zo ongeveer elke buitenstaander en de huidige regering zelf hebben de neiging om zo snel mogelijk verkiezingen te organiseren. Op die manier kan de ongrondwettelijke regering worden vervangen door een regering die de wensen van het Haïtiaanse volk vertegenwoordigt. Maar in een land met zo’n gebrek aan veiligheid is het nauwelijks mogelijk om geloofwaardige verkiezingen te houden. En hoewel verkiezingen een vereiste zijn voor werkelijke autonomie, zijn ze, zelfs als ze eerlijk en vrij zijn, niet voldoende. Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen.

    Onder verschillende Haïtianen leeft desalniettemin een klein maar hardnekkig sprankje hoop: zij geloven dat het eindelijk tijd is om een politiek faillissement af te kondigen. Alle oude politieke schulden zouden volgens hen vereffend moeten worden, zodat Haïti met een frisse start de toekomst tegemoet kan. Een groot deel van de Haïtiaanse samenleving, waaronder concurrerende politieke partijen, vakbonden, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, hebben samen een gedetailleerd plan opgesteld waarmee Haïti een politieke overgang kan realiseren.

    Dit zogenaamde Montana-akkoord eist dat er een interim-president wordt aangesteld. Voorstanders van het akkoord hebben begin dit jaar een kandidaat gekozen: Fritz Jean, een voormalig gouverneur van de Haïtiaanse centrale bank. Volgens Jean heeft het land tijd nodig om de maatschappelijke infrastructuur opnieuw op te bouwen en naar verkiezingen toe te werken. Hij belooft dat hij zich te zijner tijd niet kandidaat zal stellen voor het presidentschap.

    Speelbal

    Het Haïtiaanse volk is gedurende het merendeel van zijn bestaansgeschiedenis een speelbal geweest van machtige invloeden van zowel buitenaf als binnenuit; van koloniale en neokoloniale machten, economische elites, wereldwijde criminele netwerken en politici die hun eigen zakken wilden vullen.

    Dit alles doet me denken aan de term granmoun uit het Haïtiaanse Kreyòl. Letterlijk vertaald betekent het ‘grote persoon’, maar het heeft een diepere, onderliggende betekenis. Als je een granmoun bent, beschik je over je eigen lot, heb je de controle over je leven en je toekomst. Als je een granmoun bent, ben je soeverein. Magali Comeau Denis, leider van de groep die het Montana-akkoord wil verwezenlijken, stelt het begrip centraal in haar toekomstvisie voor Haïti. ‘Dit is de eerste keer in de Haïtiaanse geschiedenis dat we echt samen over onze toekomst praten. Economische, sociale, politieke en gemeenschapsgroepen zitten met elkaar aan tafel, hebben een eigen inbreng, stellen veranderingen voor en maken bezwaren,’ zegt ze. En ze sluit af met de hoopvolle woorden: ‘Dit is het. Dit is onze kans.’

    Als de rest van de wereld het land met rust laat, zou dat zomaar eens de eerste stap naar Haïtiaanse zelfbeschikking kunnen zijn, naar de onafhankelijke zwarte republiek die de revolutie ooit beloofde. 

  • Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Oded Galor deed onderzoek naar de economische geschiedenis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden. Volgens de Israëlisch-Amerikaanse econoom hebben samenlevingen die diversiteit accepteren meer succes.

    Al lange tijd houden vooraanstaande denkers zich keer op keer bezig met twee fundamentele vragen. De eerste luidt: welke oorzaken leidden tot de industriële revolutie waarmee de mensheid zich wist te bevrijden uit een onvermijdelijk lijkende armoedeval? En de tweede: waarom profiteren niet alle landen in gelijke mate van de vruchten van materiële welvaart, die onder andere tot uiting komen in een hogere levensverwachting, een betere gezondheid en al met al een aangenamer leven? Juist in een tijd waarin veel economen zich steeds vaker lijken te wijden aan steeds specifiekere onderzoeken, verdient de poging deze belangrijke vragen van de mensheid te willen oplossen grote waardering.

    Oded Galor houdt zich er al decennialang mee bezig. Met zijn ‘uniforme groeitheorie’ draagt de uit Israël afkomstige, en sinds vele jaren aan de Amerikaanse Brown University docerende econoom de overtuiging uit dat een betrouwbare en volledige kennis van de mondiale economische ontwikkelingsfactoren slechts mogelijk is wanneer we de primaire drijvende krachten achter het gehele ontwikkelingsproces in beschouwing nemen, en niet alleen die van bepaalde perioden. De uniforme groeitheorie omvat ‘de reis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden, door het hele verloop van de geschiedenis heen’.

    Nadat Galor gedurende vele jaren in deels zeer ambitieus opgezette wetenschappelijke artikelen zijn thesen heeft ontwikkeld, zoekt hij nu met een toegankelijk geschreven werk (De reis van de mensheid) een breder publiek.

    Voorwaarde voor economische bloei

    Je zou tegen Galors pretentie in kunnen brengen dat het niet ontbreekt aan plausibele verklaringen voor de ontwikkeling van welvaart en ongelijkheid. Een bekende stelling, gepopulariseerd door de Nobelprijswinnaar Douglas North, ziet in het bestaan van instituties die eigendomsrechten garanderen, een juridisch kader scheppen voor een profijtelijk samenleven en de concentratie van economische macht verhinderen een allesbeheersende voorwaarde voor een positieve economische ontwikkeling.

    Enkele jaren geleden hebben Daron Acemoglu en James Robinson in hun bestseller Waarom naties mislukken het begin van de industriële revolutie in Engeland verklaard uit gunstige institutionele veranderingen na de Glorious revolution van het jaar 1688. Men kan in het zoeken naar sporen van institutionele veranderingen nog verder teruggaan. Economiehistoricus Werner Plumpe uit Frankfurt onderkent in zijn boek over het kapitalisme (Das kalte Herz) in de vroegmiddeleeuwse herendienstwetgeving van de Karolingers een ontwikkeling die samen met andere invloeden, veel later in het noordwesten van Europa de voorwaarden schiep voor een economische opbloei.

    Een tweede interpretatie richt zich op de geografische omstandigheden van het economisch handelen. In zijn boek Arm en rijk verklaart de evolutiebioloog Jared Diamond de vroege bloei van de Mesopotamische cultuur met gunstige klimatologische omstandigheden voor de akkerbouw. De opkomst van Europa is volgens hem te danken aan een gefragmenteerde geografie, die de vorming van duurzame grote rijken verhinderde.

    De landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling

    Galor wijst de op instituties en geografie gebaseerde verklaringen zeker niet af. Hij beschouwt ze als nuttig om afzonderlijke ontwikkelingen te verhelderen, maar volgens hem bezitten ze geen omvattende verklarende kracht. Zo verklaren, vanuit Galors gezichtspunt, de institutionele veranderingen wel waarom de industriële revolutie juist in Engeland uitbrak, maar niet waarom die industriële revolutie zich überhaupt voordeed.

    Galors verklaring is gebaseerd op een allesbeheersende rol van de technische vooruitgang en de bereidheid van de mensen om daarop in te haken, vooral door scholing. Toen ongeveer 60.000 jaar geleden mensen Oost-Afrika begonnen te verlaten en zich over de wereld verspreidden, bleef hun aantal lange tijd gering. Twaalfduizend jaar geleden bevolkten naar schatting slechts 2,5 miljoen mensen de aarde. Deskundigen duiden deze periode die tot de industriële revolutie duurde aan als de ‘malthusiaanse plafond’, ter herinnering aan de Britse econoom Thomas Malthus. De meeste mensen worstelden om te overleven; planning van het leven op langere termijn was helemaal niet mogelijk. Elke verbetering van de economische situatie verhoogde het aantal kinderen dat hun eerste levensjaren overleefde. Volgens Malthus’ beroemde formule groeide de bevolking in een meetkundige reeks (1,2,4,8….), maar het aanbod van voedingsmiddelen slechts met een rekenkundige reeks (1,2,3,4…). Een toename van de bevolking moest daarom wel tot een zware crisis leiden omdat er niet genoeg te eten was voor het snel groeiende aantal hongerige monden. Lange tijd maakte de mensheid niet echt vorderingen: de landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling. De meeste mensen leefden gevaarlijk dicht bij het minimale bestaansniveau.

    Storm onder de oppervlakte

    Toch zou het fout zijn om de tijd tot aan het uitbreken van de industriële revolutie te beschouwen als een volledige stilstand in economisch opzicht, net zo min als men zich de industriële revolutie moet voorstellen als een plotselinge explosie van economische dynamiek. Galor spreekt van een ‘storm onder de oppervlakte’. Voor de industriële revolutie verliep de technische vooruitgang slechts langzaam, maar ze was er wel. Ze toonde zich niet in een toename van materiële rijkdom voor veel mensen – de meesten bleven straatarm – maar de vooruitgang was zichtbaar in het vermogen een groeiende bevolking te voeden. Aan het begin van onze jaartelling leefden er naar schatting ongeveer 200 miljoen mensen op aarde, rond het jaar 1600 zouden het er toch al 600 miljoen kunnen zijn geweest.

    Toen begon zich langzaam een dynamiek te ontwikkelen, want het aanbod en de vraag naar technologie hangen af van de bevolkingsgrootte. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer hoofden iets nieuws kunnen bedenken. Met de groei van de bevolking nemen ook de mogelijkheden toe van een arbeidsdeling die de productiviteit verhoogt. Tegelijkertijd ontstaat door een groeiende bevolking ook de economische prikkel om innovatieve producten te ontwikkelen omdat het aantal potentiële kopers toeneemt. Een op gang komende technische vooruitgang zorgt voor steeds meer prikkels om verdere innovaties te ontwikkelen.

    Zo kwam het tot de industriële revolutie, die er veel begrijpelijker uitziet als ze niet als een plotselinge eruptie wordt opgevat, maar als een langdurig proces. Er is in deze fase op geen enkel tijdstip sprake geweest van een ‘schok’, schrijft Galor. ‘Weliswaar voltrok zich de overgang, in verhouding tot de hele geschiedenis van de mens, heel snel, maar de toename van de productiviteit in deze periode voltrok zich in kleine stapjes. In het begin van de industriële revolutie groeide de bevolking vanwege de toenemende technologische veranderingen wel sprongsgewijs, maar het gemiddelde inkomen groeide slechts in zeer bescheiden mate, precies zoals de malthusiaanse theorie voorspelde.’

    De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing

    Het slechten van de malthusiaanse plafond lukte pas ongeveer een eeuw later, toen de bevolkingsaanwas in de opkomende industrielanden terugliep, en daardoor het inkomen per capita konden stijgen. Volgens de opvatting van Galor was het de omgang met de technologie die deze verandering tot stand bracht. Want de mensen begonnen te begrijpen dat een succesvolle omgang met de technische vooruitgang een duidelijk betere scholing vereiste. In plaats van hun materiële hulpbronnen te verbruiken in kinderrijke gezinnen gaven veel mensen de voorkeur aan kleinere gezinnen die het mogelijk maakten de middelen te investeren in de opleiding van de kinderen. Samen met de materiële vooruitgang verbeterden de levensomstandigheden en de levensverwachting. Steeds meer mensen beschikten over spaargeld; pas nu werd een vooruitziende planning van het leven mogelijk. De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing. Technische vooruitgang staat niet alleen bevolkingsgroei toe, ze heeft ook invloed op de samenstelling van de bevolking.

    Maar industrialisering kan ook een valkuil zijn. Galor haalt als voorbeeld Noord-Frankrijk aan, dat bij het begin van de industrialisering, toen het bijvoorbeeld veel textielindustrie bezat, tot de rijkste delen van het land behoorde. Die fabrieken vroegen veel eenvoudige arbeid, maar dwongen niet tot een steeds betere scholing om gelijke tred te kunnen houden met de steeds modernere technologieën. Tegenwoordig zijn die regio’s rijk waar de toepassing van technische vooruitgang het betalen van hogere arbeidslonen toestaat. 

    Galor is duidelijk geen aanhanger van historisch determinisme: niets is voorbestemd. Geen samenleving heeft altijd materiële rijkdom gekend; omgekeerd is ook geen samenleving gedoemd om voor altijd tegen de mathusiaanse plafond te blijven aanlopen.

    Diversiteit

    Waarom zijn sommige landen dan al lange tijd rijk terwijl andere zich nooit wisten te bevrijden uit de ijzeren greep van de armoede? Voor Galor luidt het antwoord: het komt in een samenleving aan op een optimale mate van diversiteit, verbonden met het vermogen om vaak duizenden jaren oude tradities te overwinnen. Hij geeft een interessant voorbeeld. Voordat mensen enkele duizenden jaren geleden de ploeg uitvonden, deelden mannen en vrouwen het werk op het land. Omdat het voor gebruik van de ploeg lichaamskracht nodig was, waardoor mannen voor deze bezigheid in het voordeel waren, bevorderde de uitvinding van de ploeg in de visie van Galor een arbeidsdeling waarbij de man zich meer concentreerde op het werk op het veld, en de vrouw op het werk in het huis. Vanwege de verschillende bodemgesteldheden speelde de ploeg in de Europese geschiedenis in het zuiden een belangrijkere rol vroeger dan in het noorden. De observatie dat de beroepsmatige emancipatie van de vrouw in moderne samenlevingen in het noorden van Europa vandaag sterker ontwikkeld is dan in het zuiden verklaart Galor dan ook met de verschillen in het gebruik van de ploeg in de landbouw van vele jaren geleden.

    Diversiteit heeft in de visie van de econoom aanzienlijke voordelen, maar die hebben hun prijs. Diversiteit in samenlevingen, in combinatie met opleiding(sniveau) verhoogt de kans op technische vooruitgang. De Verenigde Staten, waar studenten uit vele landen ook aan de beste universiteiten kunnen studeren, zijn een schoolvoorbeeld voor deze stelling. Maar diversiteit kan eveneens gepaard gaan met aanzienlijke kosten in de vorm van sociale spanningen, zoals ook juist in de Verenigde Staten is waar te nemen. De samenlevingen in andere landen laten diversiteit slechts met tegenzin toe; vaak zijn ze economisch dan ook niet succesvol.

    ‘Waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen omvattende hervormingen vaak in het honderd’

    Een succesvol recept voor het oplossen van deze problemen ligt volgens Galor niet algemene beleidsaanbevelingen, zoals ze in het verleden niet zelden door internationale organisaties werden uitgesproken. ‘Privatisering van de industrie, liberalisering van de handel en het vastleggen van eigendomsrechten kunnen groeibevorderende maatregelen zijn voor landen waarin al sociale en culturele voorwaarden voor economische groei bestaan, maar daar waar deze voorwaarden ontbreken, waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen zulke omvattende hervormingen vaak in het honderd’, schrijft de econoom.

    ‘Geen hervorming, al is die nog zo efficiënt, zal een verarmd land in een handomdraai veranderen in een vooruitstrevende economie, want het grootste deel van de kloof tussen ontwikkelingslanden en industrielanden komt voort uit al millennia bestaande processen. Institutionele, culturele, geografische en sociale kenmerken uit een ver verleden hebben de beschavingen voortgestuwd op hun verschillende historische wegen en hebben de verschillen in welvaart tussen de naties verdiept.’ Een goede politieke strategie om de armoede te overwinnen is niet eenvoudig, maar ze is naar het inzicht van Galor wel mogelijk. De boodschap van zijn boek is optimistisch.

    Oded Galor, De reis van de mensheid. Waar welvaart en ongelijkheid vandaan komen, in vertaling van Pon Ruiter en Linda Broeder, is in maart 2022 verschenen bij De Bezige Bij.

  • ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn

    Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.

    Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?

    In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.

    Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.

    Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.

    WIE IS DUALA-M’BEDY?

    Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.

    Met als consequentie?

    Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.

    Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens

    Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?

    De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.

    WAT IS XENOLOGIE?

    Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.

    Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.

    Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.

    Hoe bedoelt u dat?

    De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.

    U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.

    Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?

    Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.

    Kunt u die integere benadering concreet maken?

    Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’

    Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?

    Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.

    Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?

    De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.

    De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?

    De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.

    KONING RUDOLF

    Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.

    Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.

    Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.

    Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?

    Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.

    Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?

    Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.

    colonial troops german govt station ebolowa kamerun ie cameroon w africa
    Duitse koloniale troepen in Ebolowa, Kameroen, 1916 
    © Library of Congress.

    Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?

    Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?

    Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.

    Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.

    Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren. 

  • ‘De oorlog in Oekraïne herinnert ons eraan wat de gevolgen van een illiberale dictatuur zijn’

    ‘De oorlog in Oekraïne herinnert ons eraan wat de gevolgen van een illiberale dictatuur zijn’

    De problemen waarvoor de hedendaagse liberale samenlevingen staan zijn niet begonnen met Poetin en zullen ook niet met hem eindigen, schrijft The End of History-auteur Francis Fukuyama. De liberale verworvenheden van de westerse wereld worden zowel door extreme krachten op rechts als op links bedreigd.

    De gruwelijke Russische invasie van Oekraïne op 24 februari wordt gezien als een kantelpunt in de wereldgeschiedenis. Velen zien hierin het definitieve einde van het tijdperk na de Koude Oorlog, het terugdraaien van het ‘verenigde en vrije Europa’ waarvan we dachten dat het na 1991 was ontstaan, of zelfs het einde van het ‘einde van de geschiedenis’.

    Ivan Krastev, een scherpe duider van de gebeurtenissen ten oosten van de Elbe, schreef recent in The New York Times dat ‘we nu allemaal leven in de wereld van Vladimir Poetin’, een wereld waarin de rechtsstaat en democratische rechten worden vertrapt door pure kracht.

    Het staat buiten kijf dat de Russische aanval ook ver buiten de grenzen van Oekraïne consequenties heeft. Poetin heeft duidelijk gemaakt dat hij zo veel mogelijk van de voormalige Sovjet-Unie in ere wil herstellen, Oekraïne bij Rusland wil inlijven en een invloedssfeer wil scheppen die alle Oost-Europese staten omvat die vanaf de jaren negentig lid zijn geworden van de NAVO.

    Hoewel we nog niet kunnen zeggen hoe deze oorlog zal verlopen, is het al wel duidelijk dat Poetin niet in staat is al zijn doelen te bereiken. Hij ging uit van een snelle en makkelijke overwinning, en verwachtte dat de Oekraïners hem zouden binnenhalen als bevrijder. In plaats daarvan stak hij zijn hand in een wespennest, en tonen Oekraïners van alle rangen en standen een ongekende mate van onverzettelijkheid en nationale eenheid. Zelfs als Poetin Kyiv weet in te nemen en president Volodymyr Zelensky afzet, zal hij op lange termijn nooit in staat zijn een woedende natie van meer dan veertig miljoen mensen met zijn leger te onderdrukken. En hij zal te maken krijgen met een democratische wereld en een NAVO die verenigd zijn en paraat staan als nooit tevoren, en nu al sancties hebben ingevoerd die de Russische economie hard raken.

    De huidige crisis heeft laten zien dat we de bestaande liberale wereldorde niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen

    Tegelijkertijd heeft de huidige crisis laten zien dat we de bestaande liberale wereldorde niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen. We moeten er voortdurend voor strijden. Als we niet op onze hoede zijn kan hij elk moment weer verdwijnen. De problemen waarvoor de hedendaagse liberale samenlevingen staan zijn niet begonnen met Poetin en zullen ook niet met hem eindigen. Zelfs als hij in Oekraïne wordt gedwarsboomd, zullen we voor ernstige uitdagingen komen te staan. Het liberalisme ligt nu al geruime tijd onder vuur, zowel van rechts als van links. Het Freedom House merkt in het rapport Freedom in the World over 2022 op dat er voor het zestiende jaar op rij sprake is van een wereldwijde afname van vrijheid. Vrijheid is niet alleen afgenomen door de opkomst van autoritaire mogendheden als Rusland en China, maar ook door populistische, illiberalistische en nationalistische tendensen in landen die al lange tijd democratisch zijn, zoals de VS en India.

    Liberalisme

    Liberalisme is een leer uit de zeventiende eeuw die poogt geweld in te perken door minder te verwachten van de politiek. Het liberalisme erkent dat we het over de belangrijkste zaken niet eens zullen worden – bijvoorbeeld welke religie je moet aanhangen –, en dat we ook medeburgers met een andere visie dan de onze moeten tolereren.

    Dit doet het liberalisme door de gelijke rechten en de waardigheid van individuen te respecteren, via de rechtsstaat en een constitutionele regering die de macht van moderne staten controleert en in evenwicht houdt. Tot die rechten behoren het recht op eigendom en vrije handel, zodat het klassieke liberalisme vaak in verband wordt gebracht met grote economische groei en welvaart in de moderne wereld.

    Veel van die fundamenten liggen nu onder vuur. Populistische conservatieven verzetten zich heftig tegen de open en diverse cultuur die bloeit in liberale samenlevingen. Ze verlangen terug naar een tijd waarin iedereen dezelfde religie aanhing en dezelfde etniciteit had. Het liberale India van Gandhi en Nehru wordt op dit moment door Narendra Modi, de premier van India, omgevormd tot een intolerante hindoestaat. In de VS wordt in sommige Republikeinse kringen wit nationalisme ondertussen openlijk gevierd. Populisten verzetten zich fel tegen wettelijke en grondwettelijke restricties: Donald Trump weigerde de uitslag van de verkiezingen in 2020 te erkennen en een gewelddadige meute probeerde die uitslag ongedaan te maken door het Capitool te bestormen. Het grootste deel van de Republikeinen verwierp deze machtsgreep niet, maar schaarde zich achter Trumps grote leugen.

    De liberale waarden tolerantie en vrijheid van meningsuiting zijn ook door links op de proef gesteld. Veel progressieven menen dat liberale politiek, met al haar gedebatteer en het zoeken naar consensus, te traag is en jammerlijk heeft gefaald in de bestrijding van de economische en etnische ongelijkheid die zijn ontstaan ten gevolge van de globalisering. Veel progressieven hebben zich bereid getoond de vrijheid van meningsuiting en een behoorlijke rechtsgang in te perken in naam van sociale rechtvaardigheid.

    Antiliberaal rechts en links delen een wantrouwen in de wetenschap en deskundig onderzoek. Op links      bestaat er sinds het twintigste-eeuwse structuralisme via het postmodernisme tot aan de hedendaagse kritische theorie een redeneertrant die de autoriteit van de wetenschap in twijfel trekt. De Franse denker Michel Foucault betoogde dat schimmige elites wetenschappelijke taal gebruikten om hun onderdrukking van gemarginaliseerde groepen als homoseksuelen, geesteszieken of gevangenen te verhullen. Dat wantrouwen in de objectiviteit van de wetenschap is nu overgewaaid naar extreemrechts, waar het conservatieve zich steeds meer uit in scepticisme over vaccins, de gezondheidszorg en deskundig onderzoek in het algemeen.

    Intussen heeft ook de technologie bijgedragen aan het ondermijnen van de wetenschap. Aanvankelijk werd het internet bejubeld omdat het mensen in staat stelde hiërarchische gatekeepers, uitgevers en      traditionele media te omzeilen. Maar deze nieuwe wereld bleek een enorme keerzijde te hebben toen      minder goedbedoelende partijen, van Rusland tot QAnon-complotdenkers, de nieuwe vrijheid misbruikten voor het verspreiden van desinformatie en haattaal. Deze trends werden op hun beurt weer in de hand gewerkt door het eigenbelang van de grote internetplatforms, die geen baat hadden bij betrouwbare informatie maar bij het ‘viral gaan’ van berichten of video’s.

    Neoliberalisme

    Hoe zijn we in deze situatie verzeild geraakt? In de halve eeuw die volgde op de Tweede Wereldoorlog bestond er een brede en groeiende consensus over zowel het liberalisme als de liberale wereldorde. De economie groeide razendsnel en de armoede nam af naarmate meer landen profiteerden van een wereldwijde, open economie. Daartoe behoorde ook China, dat weer kon meekomen in de moderne wereld doordat het bereid was in zowel binnen- als buitenland te spelen volgens de regels van het liberalisme.

    Met de jaren veranderde de interpretatie van het klassieke liberalisme echter en ontstonden er tendensen die uiteindelijk zelfondermijnend bleken. Op rechts veranderde het economisch liberalisme van de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog gedurende de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw in wat soms wel ‘neoliberalisme’ wordt genoemd. Liberalen zien het belang van vrije markten, maar onder invloed van economen als Milton Friedman en de Chicago School werd de markt aanbeden en de staat steeds meer gedemoniseerd als vijand van economische groei en individuele vrijheid. Hoogontwikkelde democratieën begonnen vanuit deze neoliberale ideeën de welvaartsstaat en overheidscontrole terug te snoeien, en gaven ontwikkelingslanden onder de noemer van de Washington-consensus het advies om vooral hetzelfde te doen. Door bezuinigingen in het sociale domein en op overheidsuitgaven verdwenen de buffers die individuen beschermden tegen de grillen van de markt, wat de afgelopen twee generaties heeft geleid tot een grote toename van ongelijkheid.

    Liberalisme wordt het meest gewaardeerd als mensen ervaren hoe het is om te leven in een illiberale wereld

    Hoewel een deel van deze bezuinigingen gerechtvaardigd was, werden ze tot in het extreme doorgevoerd. Zo leidden ze bijvoorbeeld tot deregulatie van de Amerikaanse financiële markten in de jaren tachtig en negentig, met als gevolg dat deze destabiliseerden. Uiteindelijk had dit de kredietcrisis van 2008 tot gevolg. De enorme hang naar efficiëntie leidde tot het outsourcen van banen, wat ten koste ging van de arbeidersklasse in rijke landen. En zo werd de basis gevormd voor de opkomst van het populisme in de jaren tien van onze eeuw.

    Rechts koesterde economische vrijheid en dreef dat ideaal door tot onhoudbare extremen. Links richtte zich daarentegen op individuele keuze en autonomie, zelfs als dat ten koste ging van sociale normen en de gemeenschap. In deze visie was geen ruimte voor traditionele culturen en religieuze instituties. Tegelijkertijd begonnen critici te betogen dat het liberalisme zelf een ideologie was die het eigenbelang van zijn aanhangers verhulde, of dat nu mannen, Europeanen, witte mensen of heteroseksuelen waren.

    Zowel op rechts als op links werden fundamentele liberale ideeën tot in het extreme doorgevoerd, waardoor de waarde van het liberalisme zelf werd uitgehold. Het verlangen naar economische vrijheid verwerd tot een antistaatsideologie en het verlangen naar persoonlijke autonomie uitte zich in een ‘woke’ progressief wereldbeeld waarin diversiteit hoger werd aangeslagen dan een gedeelde cultuur. Deze verschuivingen begonnen vervolgens hun eigen tegenreactie voort te brengen, waarbij links de groeiende ongelijkheid aan het kapitalisme toeschreef, en rechts het liberalisme beschouwde als een aanval op traditionele waarden.

    Iliberalisme

    Liberalisme wordt het meest gewaardeerd als mensen ervaren hoe het is om te leven in een illiberale wereld. De leer kwam in Europa op na honderdvijftig jaar van onophoudelijke godsdienstoorlogen die volgden op de protestantse Reformatie. En het liberalisme werd herboren in de nasleep van de verwoestende nationalistische oorlogen in het Europa van begin twintigste eeuw. In de vorm van de Europese Unie werd er een liberale orde geïnstitutionaliseerd en door de VS werd er een nog bredere, wereldwijde orde met vrije handel en investeringen tot stand gebracht. Deze kreeg een flinke boosterinjectie tussen 1989 en 1991, toen het communisme ineenstortte en de mensen die eronder hadden geleefd ineens de mogelijkheid kregen hun eigen toekomst vorm te geven.

    Inmiddels zijn we een generatie verwijderd van de val van de Muur, en worden de voordelen van het leven in een liberale wereld door velen als vanzelfsprekend beschouwd. De herinneringen aan verwoestende oorlogen en totalitaire dictaturen zijn vervaagd, vooral bij jongeren in Europa en Noord-Amerika. In deze nieuwe wereld werd de EU, die er wonderwel in is geslaagd oorlogen in Europa te voorkomen, door velen op rechts als tiranniek gezien, terwijl conservatieven volhielden dat overheidsbesluiten als de plicht om mondkapjes te dragen en de oproep tot vaccineren tegen corona vergelijkbaar waren met de manier waarop de joden werden behandeld door Hitler. Zoiets is alleen mogelijk in een veilige en zelfgenoegzame samenleving die nooit een echte dictatuur heeft ervaren.

    Bovendien kan het liberalisme voor veel mensen oninspirerend zijn. Een leer die bewust de politieke verwachtingen tempert en oproept tot tolerantie voor uiteenlopende opvattingen, slaagt er vaak niet in degenen tevreden te stellen die een sterke gemeenschap verlangen, gebaseerd op religieuze opvattingen, een gedeelde etniciteit of stevige culturele tradities.

    In die leegte zijn illiberale autoritaire regimes gesprongen. Die van Rusland, China, Syrië, Venezuela, Iran en Nicaragua hebben weinig met elkaar gemeen, behalve dat ze de liberale democratie verachten en hun eigen autoritaire macht willen behouden. Ze hebben een netwerk van wederzijdse steun opgezet, waardoor bijvoorbeeld het verachtelijke regime van Nicolás Maduro in Caracas kan voortduren, zelfs al is ten gevolge daarvan meer dan een vijfde van de Venezolaanse bevolking in ballingschap gegaan.

    Midden in dit netwerk bevindt zich het Rusland van Poetin, dat wapens, adviseurs, inlichtingen en militaire steun levert aan praktisch elk regime, hoe slecht ook voor de eigen bevolking, dat zich verzet tegen de VS of de EU. Dit netwerk reikt tot in het hart van de liberale democratieën zelf. Rechtse populisten spreken hun bewondering uit voor Poetin, te beginnen met de voormalige Amerikaanse president Trump die Poetin een ‘genie’ en ‘zeer bekwaam’ noemde na diens invasie van Oekraïne. Populisten als de Franse Marine Le Pen en Éric Zemmour, de Italiaanse Matteo Salvini, de Braziliaanse Jair Bolsonaro, de leiders van het Duitse AfD en de Hongaarse Viktor Orbán hebben allemaal blijk gegeven van sympathie voor Poetin, een ‘sterke’ leider die vastberaden optreedt om traditionele waarden te verdedigen, zonder zich te bekommeren om onbenulligheden als wetten en grondwetten. De liberale wereld heeft de afgelopen twee generaties gezorgd voor een omvangrijke toename in gendergelijkheid en tolerantie jegens homoseksuelen, wat sommigen op rechts ertoe heeft bewogen om mannelijke kracht en agressie als deugden op zich te aanbidden. 

    De onuitgelokte Russische agressie heeft ons er op de meest indringende wijze aan herinnerd wat de gevolgen van een illiberale dictatuur zijn

    Om die reden gaat de huidige oorlog in Oekraïne ons allemaal aan. De onuitgelokte Russische agressie en de beschieting van de vreedzame Oekraïense steden Kyiv en Charkov hebben ons er op de meest indringende wijze aan herinnerd wat de gevolgen van een illiberale dictatuur zijn. Het Rusland van Poetin wordt niet gezien als een staat met legitieme klachten over de uitbreiding van de NAVO, maar als een rancuneus, wraakzuchtig land dat van plan is de hele Europese orde van na 1991 terug te draaien. Of beter gezegd, het is een land met één leider die geobsedeerd is door wat hij beschouwt als een historisch onrecht dat hij probeert recht te zetten, ongeacht de schade voor zijn eigen volk.

    De heldenmoed van de Oekraïners die zich inzetten om hun land te verdedigen en wanhopig vechten tegen een veel grotere vijand, heeft mensen over de hele wereld geïnspireerd. President Zelensky wordt gezien als een voorbeeldig leider, die zich moedig toont ondanks dat hij letterlijk onder vuur ligt, en een bron van eenheid voor een voorheen verscheurde natie. De eenzame positie van Oekraïne heeft op zijn beurt een opmerkelijke golf van internationale steun opgewekt. Over heel de wereld zijn steden getooid met blauw-gouden Oekraïense vlaggen en is materiële steun toegezegd. 

    De NAVO is – geheel tegen het plan van Poetin in – sterker dan ooit, ook Finland en Zweden overwegen nu toe te treden. De meest opmerkelijke verandering heeft zich voorgedaan in Duitsland, dat voorheen juist de grootste bondgenoot van Rusland was. Met zijn aankondiging dat Duitsland het      defensiebudget gaat verdubbelen en bereid is wapens te leveren aan Oekraïne, heeft bondskanselier Olaf Scholz tientallen jaren van Duits buitenlandbeleid teruggedraaid en zijn land vol overgave in de strijd tegen Poetins imperialisme geworpen. 

    Hoewel het niet voor de hand ligt dat Poetin zijn uiteindelijke doelstelling van een Groot Rusland zal behalen, hebben we nog een lange en ontmoedigende weg voor de boeg. Poetin heeft nog niet alle militaire macht waarover Rusland beschikt ingezet. De verdedigers van Oekraïne zijn uitgeput en raken door hun voedsel- en munitievoorraden heen. Er zal een wedloop ontstaan tussen Rusland, dat zijn eigen troepen bevoorraadt, en de NAVO, die het Oekraïense verzet probeert te steunen. Terwijl Rusland de strijd verhevigt, lijden Oekraïense steden onder willekeurige beschietingen waardoor ze tragisch genoeg gaan lijken op plaatsen als Grozny in Tsjetsjenië, dat in de jaren negentig soortgelijke Russische bombardementen onderging. Daarnaast bestaat het gevaar dat naarmate de roep om een no-flyzone toeneemt, de gevechten escaleren en er rechtstreekse botsingen tussen de NAVO en Rusland plaatsvinden. Maar het zijn de Oekraïners die de gevolgen van Poetins agressie zullen dragen, en zij zijn het die namens ons allen zullen vechten.

    De beproevingen voor het liberalisme zullen zelfs niet ten einde komen als Poetin verliest. China staat al in de coulissen te wachten, net als Iran, Venezuela, Cuba en de populisten in westerse landen. Maar de wereld zal dan wel hebben ingezien wat de waarde van een liberale wereldorde is, en dat die alleen kan    blijven bestaan als we ervoor strijden en elkaar steunen. Meer dan enig ander volk hebben de Oekraïners laten zien wat echte moed betekent en dat de geest van 1989 voor hen nog steeds in leven is. Voor de rest van ons was die geest ingeslapen, maar wordt hij nu weer gewekt.

  • Venezolaanse exodus gaat onverminderd voort | Europa dumpt plastic in Turkije

    Venezolaanse exodus gaat onverminderd voort | Europa dumpt plastic in Turkije

    Venezolaanse exodus

    De uittocht van Venezolanen die het regime van president Nicolás Maduro ontvluchten gaat onverminderd voort. Naar verwachting zal de hoeveelheid vluchtelingen uit Venezuela dit jaar het aantal Syriërs overstijgen dat is gevlucht vanwege de burgeroorlog, bericht El Mundo. Uit cijfers van vorige maand blijkt dat tot nu toe al 5,6 miljoen Venezolanen hun land zijn ontvlucht. Dat is een stijging van ruim 1100 procent vergeleken met 2010 en het aantal vertegenwoordigt ongeveer 17,1 procent van de totale bevolking die in Venezuela is geboren. Ongeveer 1,7 miljoen van de Venezolaanse migranten bevindt zich in Colombia.

    De exodus wordt niet afgeremd door de coronapandemie; noch door de druk die het regime uitoefent om de uittocht te stoppen; noch door smeergelden die betaald moeten worden aan guerrilleros om de gesloten grenzen clandestien te kunnen oversteken. Honderden en honderden mensen steken elke dag de grenzen over om een nieuw leven te zoeken in Colombia, Ecuador, Peru, Chili, Argentinië en zelfs de Verenigde Staten.

    ‘In Venezuela is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven’

    ‘We hebben een maand en zeven dagen gelopen’, vertelde de 66-jarige Hortensia López aan een journalist van de Spaanse krant, die een reportage maakte over de situatie aan de grens tussen Venezuela en Colombia. ‘Ik ga met mijn kleinkinderen naar Cali. Ik heb ze meegenomen uit Venezuela omdat de situatie daar kritiek is: er is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven. We moesten wel vertrekken. De mensen hier in Colombia zijn barmhartig en verlenen veel hulp aan Venezolanen.’

    Een andere vrouw, die net met haar vier kleinkinderen van elf, acht, zeven en drie jaar de grens met Colombia is overgestoken, heeft geen geld en zegt van San Juan de los Morros naar Cali te zullen gaan lopen. De twee steden liggen ruim 1700 kilometer uit elkaar.


    De Golden Gate Bridge maakt te veel lawaai

    Canadese aerodynamicadeskundigen zijn hard bezig met een missie die van het grootste belang is voor de oren van inwoners van San Francisco, zo schrijft The San Francisco Chronicle. Hun doel is om de Golden Gate Bridge het zwijgen op te leggen.

    Tot grote ergernis van omwonenden begon de brug een jaar geleden lawaai te maken na aanpassing van de veiligheidsreling aan de westkant van de brug. Om de brug een slanker profiel te geven en veiliger te maken bij harde wind, werden de originele spijlen vervangen door twaalfduizend smallere exemplaren. Die blijken nu luid gebrom te produceren bij stevige wind. Het geluid is soms tot op zo’n vijf kilometer afstand te horen.

    Mogelijk is er tegen de zomer een oplossing. ‘Het is een lastige zaak’, aldus een woordvoerder. ‘We willen er absoluut zeker van zijn dat we het goed doen. De veiligheid van de brug mag niet in het geding komend, maar we moeten ook luisteren naar de inwoners.’


    Europa dumpt plastic in Turkije

    Volgens een rapport dat Greenpeace in mei publiceerde, dumpt Europa op grote schaal plastic afval in Turkije. Alleen al de export van plastic afval van Groot-Brittannië naar Turkije groeide tussen 2016 en 2020 met factor 18, van 12.000 ton naar 210.000 ton. Dat betekent dat Turkije de eindbestemming was voor bijna 40 procent van het plastic afval uit Groot-Brittannië, schrijft BBC. Volgens het rapport dumpten lidstaten van de Europese Unie vorig jaar twintig keer meer plastic afval in Turkije dan in 2016. Deskundigen en internationale milieugroeperingen waarschuwen dat plastic en ander afval zich opstapelt in Turkije en dat het illegaal wordt verbrand of geloosd zonder acht te slaan op het milieu.

    Er komen dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan

    Volgens Nihan Temiz Atas, hoofd biodiversiteitsprojecten van Greenpeace Turkije, komen er dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan. ‘Het overweldigt ons. Aan de hand van gegevens zijn we Europa’s grootste stortplaats.’

    Het Britse ministerie van Milieu, Voedsel en Plattelandszaken zegt in een reactie: ‘Het is duidelijk dat het VK meer van zijn afval zelf moet verwerken. We zijn vastbesloten om de export van plastic afval naar niet-OESO-landen te verbieden en de illegale uitvoer van afval naar landen als Turkije, strenger te controleren.’

    Vorig jaar stuurde Maleisië 150 zeecontainers met illegaal geïmporteerd plastic afval terug naar de landen van herkomst. Milieuminister Yeo Bee Yin zei toen dat die stap bedoeld was om ervoor te zorgen dat haar land niet ‘de vuilnisbelt van de wereld’ zou worden.


    Wes Anderson draait in Spanje

    The French Dispatch van Wes Anderson gaat in juli in première op het filmfestival van Cannes, maar de 52-jarige Amerikaanse filmregisseur is alweer druk bezig met de voorbereidingen voor zijn volgende film. Volgens de Spaanse krant El País draait hij zijn nieuwe project in juli, augustus en september in het Spaanse Chinchón ten zuidoosten van Madrid. Volgens de krant doen de sets die er worden opgebouwd denken aan een western-achtige woestijn, ook al wordt de film volgens bronnen geen western.

    De burgemeester van Chinchón is blij, vertelde hij tegen El País: ‘Het is heel belangrijk voor ons. Er zijn al talloze shoots hier opgenomen, maar dat een grote Amerikaanse productie hier enkele maanden komt filmen, betekent levendigheid, prestige en publiciteit.’ In het stadje werden in het verleden films gedraaid onder regisseurs als Nicholas Ray, Orson Welles, Carlos Saura en Pedro Almodovár. Anderson, die in Frankrijk woont, draaide al zijn films de afgelopen tien jaar in Europa.


    Groene oase in New York

    Mediamagnaat Barry Diller en zijn vrouw, modeontwerpster Diane von Furstenberg, bedachten in 2013 een plan ter vervanging van Pier 54 in New York, die door orkaan Sandy was verwoest. Ze wilden ‘iets bouwen (…) dat meteen op het eerste gezicht oogverblindend was en iedereen die het bezoekt gelukkig maakt’, schrijft architectuurblog Dezeen. Acht jaar later was daar Little Island.

    Dit park op palen van ongeveer één vierkante kilometer ligt aan Hudson River Park aan de westkant van Manhattan, nabij de wijk Chelsea, en steunt op 132 paddestoelvormige kolommen van beton die op verschillende hoogtes zijn geplaatst voor een golvend effect. De groene oase is te bereiken via de loopbruggen North Bridge en South Bridge, beide gelegen aan de Hudson River Greenway. Er zijn verschillende openbare locaties, waaronder een amfitheater, een kleiner theater en een spokenwordpodium. Sinds mei is Little Island open voor publiek.


    Beurzen van Mary Beard

    Mary Beard, de Britse Hoogleraar Geschiedenis aan Cambridge en populaire presentator van BBC-series over de oudheid, gaat na veertig jaar met pensioen. Om dat te vieren stelt ze twee studiebeurzen in van elk 45.000 euro, die kansarme studenten de mogelijkheid geven Klassieke Oudheid te studeren aan Cambridge.

    ‘Het is een manier om te laten zien dat we het bieden van gelijke kansen serieus nemen’, aldus Dame Mary tegen The Guardian. ‘Ik ben me zeer bewust van wat ik heb geleerd van de Klassieken. Niemand in mijn familie had een universitair diploma.’ Volgens Beard bieden de Klassieken een manier om ‘anders over de wereld te denken’, met inzichten over filosofie, cultuur, geslacht en ras.

    De beurzen heeft ze vernoemd naar Joyce Reynolds (102), haar voormalige docent in Cambridge: een ‘fantastische strijder voor de rechten van vrouwen in wat toen een mannenwereld was’.

  • Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.

    Keuze uit het archief

    Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.

    Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.

    Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.

    Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.

    Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een ​​effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.

    Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.

    Het leven naar online verplaatst

    Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.

    In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.

    Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden

    Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.

    Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?

    forest simon ZzOtl6FSpLs unsplash 1 1
    © Unsplash

    Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst. 

    Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.

    In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen. 

    Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.

    Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele

    Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.

    In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.

    Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld. 

    Het internet houdt stand

    Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.

    We staan ​​hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit. 

    manuel peris unsplash 1 1
    © Unsplash

    Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.

    Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail? 

    Wat telt?

    Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.

    Bij de beslissing om een ​​lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’

    Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.

    Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.

    Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet

    Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.

    Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden. 

    Screen Shot 2021 03 19 at 1.06.41 PM

    In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.

    Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven. 

    Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.

    Verantwoordelijkheid

    De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.

    Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.

    De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden

    Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.

    In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan ​​dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.

    Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn. 

    Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.

    Vaccinatienationalisme

    Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.

    Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.

    ‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’

    Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.

    Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.

    In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.

    Antivirus voor de wereld

    Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.

    Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.

    Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.

    Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.

    Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici. 

    Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen

    Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.

    Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.

    Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.

    In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.

  • Eerste geprinte huis in de verkoop | China steelt zand van Taiwan

    Eerste geprinte huis in de verkoop | China steelt zand van Taiwan

    Beurswaarde start-up Rivian mogelijk 50 miljard dollar

    Rivian, een startup voor elektrische voertuigen (EV) en een van de belangrijkste potentiële concurrenten van Tesla, overweegt een beursgang die het bedrijf een waarde van ongeveer 50 miljard dollar zal geven, bericht Markets Insider.

    Rivian heeft met 8 miljard dollar sinds 2019 meer geld opgehaald dan concurrenten, en heeft al overeenkomsten met Amazon en Ford voor de levering van onder meer bestelwagens.


    Frankrijk verplicht repareerindex voor elektronische apparaten

    Elektronisch afval vormt een zware belasting voor het milieu. Een manier om die belasting te beperken, is door apparaten zo lang mogelijk te gebruiken voordat ze worden vervangen. Maar de levensduur van een apparaat is moeilijk in te schatten als je niets weet over reparatiemogelijkheden. Als eerste land ter wereld verplicht Frankrijk fabrikanten van elektronische apparaten daarom te vermelden hoe ‘repareerbaar’ hun producten zijn, meldt Grist, een nieuwsplatform dat zich richt op duurzaamheid.

    Daartoe moeten producten worden voorzien van een ‘herstelbaarheidsindex’. Die is gebaseerd op allerlei criteria, zoals hoe gemakkelijk het product uit elkaar is te halen, hoe beschikbaar reserveonderdelen zijn en of technische documenten voorhanden zijn. Met de herstelbaarheidsindex wil Frankrijk het opzettelijk creëren van snel verouderende producten tegengaan en de overgang naar een circulaire economie bespoedigen.

    De index, die in eerste instantie van toepassing is op smartphones, laptops, tv’s, wasmachines en grasmaaiers, kent een maximale score van 10. Hoe hoger het cijfer des te beter het apparaat is te repareren. Het ontbreken van een indexcijfer zal vanaf volgend jaar worden beboet.


    Eerste geprinte huis in de VS in de verkoop

    In de VS staat voor het eerst een 3D-geprint huis te koop. Het staat in Riverhead in de staat New York en heeft een vraagprijs van 299.999 dollar, ruim 247.000 euro. Het huis heeft een oppervlakte van 130 vierkante meter, telt drie slaapkamers, twee badkamers en heeft een vrijstaande garage voor 2,5 auto, aldus CNN.

    ‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’

    ‘Zonder twijfel is dit de toekomst’, aldus de woordvoerder van SQ4D Inc., het bedrijf dat het huis heeft gefabriceerd. SQ4D werkt met een zogenoemd Autonoom Robot Constructie Systeem, dat in zes tot acht uur op een bouwplaats kan worden geïnstalleerd. Dat systeem print vervolgens laag voor laag de betonnen fundering en de betonnen binnen- en buitenmuren van het huis.

    Volgens SQ4D liggen de bouwkosten 50 procent lager dan die van vergelijkbare, conventionele huizen in Riverhead en gaat de bouw tien keer sneller. ‘We hebben dit huis op een van de moeilijkste plekken neergezet, dus we kunnen het nu overal doen’, aldus SQ4D.


    Donateur schenkt 11 miljoen pond voor historisch onderzoek

    Een anonieme filantroop heeft meer dan 11 miljoen pond, ruim 12 miljoen euro, geschonken aan het University College London (UCL) voor onderwijs en onderzoek naar het erfgoed, de geschiedenis en de talen van het oude Mesopotamië. Het geld gaat naar het zogenoemde Nahrein-netwerk van UCL, dat ernaar streeft een einde te maken aan de systematische verwaarlozing van onderzoek naar de geschiedenis van Irak en omgeving. Met de donatie kan Nahrein de komende tien jaar vooruit, schrijft de krant The National uit Dubai.

    GettyImages 980260042 1 1
    Een traditioneel moerasdorp in Zuid-Irak, circa 1978. – © Nik Wheeler / Corbis / Getty Images

    Voorzitter Michael Spence van UCL noemt de donatie ‘een baanbrekend moment in de dekolonisatie van kennis over Irak en andere regio’s in het Zuiden’. Het oude Mesopotamië kreeg namelijk pas in de 19e eeuw echt academische belangstelling, maar de meeste studies hebben een westers perspectief. ‘Door deze buitengewoon genereuze schenking krijgen Irakezen hun oude erfgoed terug als lokale geschiedenis, met alle sociale, culturele, economische en educatieve voordelen van dien’, aldus Eleanor Robson, hoofd geschiedenis van de UCL.


    China steelt zand van Taiwan

    Voor de kust van Taiwan ligt permanent een armada van Chinese schepen. In plaats van militaire vaartuigen betreft het zandzuigers, bagger- en transportschepen. Volgens de Taiwanese kustwacht vallen ze zonder toestemming de Taiwanese territoriale wateren binnen. Het conflict speelt zich af rond de Matsu-archipel, enkele kilometers uit de Chinese kust. De eilandengroep is Taiwanees sinds 1949, toen Taiwan zich onafhankelijk verklaarde. Beijing beschouwt Taiwan echter nog steeds als provincie van China.

    Vorig jaar heeft de kustwacht bijna 4000 keer schepen terug naar de Chinese wateren moeten begeleiden, ruim vijf keer zo vaak als in 2019, bericht Der Spiegel. Er zijn dagen dat 9 boten van de Taiwanese kustwacht 100 tot 200 Chinese baggerschepen tegenover zich zien. Volgens de Taiwanese autoriteiten halen de baggerschepen zand weg van de Taiwanese zeebodem dat wordt gebruikt voor bouwprojecten op het vasteland van China. Het gaat om enorme hoeveelheden; sommige schepen kunnen tot 3000 ton vervoeren. Pure diefstal, vindt Taiwan.


    Notturno op shortlist Oscars

    De documentaire Notturno (Nocturne) van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi heeft de shortlist voor de Oscars gehaald, schrijft het Italiaanse persbureau ANSA. De documentaire, die Rosi in de loop van drie jaar draaide in Syrië, Irak, Koerdistan en Libanon, toont de dagelijkse worsteling van gewone mensen in oorlogsgebieden in het Midden-Oosten, terwijl ze hopen op een vreedzamer leven.

    Rosi zei ‘diep geschokt’ te zijn door wat hij aantrof tijdens het draaien van de film. Hij hoopt dat Notturno, die vorig najaar in première ging, ‘de ogen zal openen voor de gevolgen van oorlog bij mensen die zijn afgestompt door wat ze krijgen voorgeschoteld op tv’.


    Egyptenaren boos over reuzenrad

    Egyptenaren zijn woedend over plannen voor een nieuwe toeristische attractie in het centrum van hoofdstad Caïro, bericht Al Jazeera. Vorige maand lanceerde de gouverneur van Caïro plannen voor een 120 meter hoog reuzenrad langs de Nijl in Zamalek, een chique wijk op het eiland Gezira in het hart van Caïro, dat er in 2022 moet staan.

    Ondanks de ronkende beloften van de regering, wekt het project woede bij inwoners, parlementariërs en voormalige ministers. Zo noemt een voormalig minister van Toerisme het voornemen ‘catastrofaal’. Een voormalige minister van Buitenlandse Zaken schreef op Facebook dat een ‘historisch groengebied’ als Zamalek ‘beschermd en behouden moet worden’.

  • De verborgen lust van de vrouw. Of hoe de clitoris langzaam uit de geschiedenisboeken verdween

    De verborgen lust van de vrouw. Of hoe de clitoris langzaam uit de geschiedenisboeken verdween

    Veel biologie- en anatomieboeken tonen in detail de anatomie van de penis, de bijbehorende zenuwen, bloedvaten en fasces. Maar afbeeldingen van het vrouwelijk lustorgaan, de clitoris, zijn onvolledig, foutief – en vaak ontbreken ze helemaal. Waarom speelt het vrouwelijk geslachtsorgaan in de wetenschap zo’n ondergeschikte rol?

    In een snijzaal in het zuiden van Australië waar anatomen sinds eeuwen menselijke lichamen onderzoeken, werkt aan het eind van de jaren negentig een jonge arts. Ze heeft juist haar opleiding tot uroloog aan de universiteit van Melbourne voltooid – als eerste vrouw in een door mannen gedomineerd specialisme.

    Ter voorbereiding op haar examen boog ze zich dagenlang over de boeken, ook om de anatomie van de urinewegen en de geslachtsorganen te leren. Daarbij viel haar iets op wat alle mannen vóór haar blijkbaar was ontgaan: de boeken tonen op vele pagina’s in detail de anatomie van de penis, de bijbehorende zenuwen, bloedvaten en fasces. Maar de afbeeldingen van het vrouwelijk lustorgaan, de clitoris, zijn onvolledig, foutief – en vaak ontbreken ze helemaal.

    Uitgerust met een camera, een scalpel en een pincet wil de jonge vrouw dat nu recht zetten. Ze ontleedt tien vrouwenlijken en fotografeert de structuren van het vrouwelijk geslachtscomplex, vagina en vulva, zenuwen, bloedvaten – en de clitoris. Later schuift ze gezonde vrouwen in een MRI-scan om deze organen ook bij levende mensen te onderzoeken.

    Het kleine knopje dat vaak als de clitoris wordt afgebeeld, is alleen maar de zichtbare clitoriseikel met voorhuid en kapje

    Haar resultaten publiceert ze in het Journal of Urology: het kleine knopje dat vaak als de clitoris wordt afgebeeld, is alleen maar de zichtbare clitoriseikel met voorhuid en kapje. Het geheel strekt zich uit in het bekken, in het meestal ongeveer tien centimeter lange clitorislichaam en twee gewelfde zwellichamen links en rechts, elk steunend op een aan urinebuis en vagina grenzend voorhofzwellichaam.

    In vakkringen wordt ze voor dit werk overladen met prijzen, krantenartikelen bejubelen de jonge vrouw: ‘Haar werk dwingt tot herschrijving van de anatomieboeken en een omslag in het denken in de medische beroepen’, schrijft bijvoorbeeld de BBC.

    Nu, bijna vijfentwintig jaar later, is Helen O’Connell professor Urologie aan de universiteit van Melbourne. Ze zegt: ‘Het is interessant om te zien of er vooruitgang geboekt wordt.’ Want nog altijd gebruiken studentes en studenten anatomie- en chirurgieboeken waarin gedetailleerde afbeeldingen van de clitoris en haar zenuwen ontbreken. Wat de vrouwelijke anatomie betreft, lijkt er sprake van stilstand.

    Hoe is dat te verklaren? Als het om de vrouwelijke geslachtsorganen gaat, begint de verwarring vaak al bij de begrippen: de vagina is alleen de verbinding van de schede-ingang naar de baarmoedermond en niet de uitwendige geslachtsorganen, zoals vaak abusievelijk wordt aangenomen. Het anatomisch correcte begrip daarvoor is vulva – daartoe behoren schaamlippen, venusheuvel en dat kleine deel van de clitoris dat van buiten te zien is.  Het negeren, of het alleen maar afbeelden van het zichtbare deel van het lustorgaan van de vrouw, is in vakboeken tegen beter weten in een traditie.

    Want wat Helen O’Connell in haar studie vond, bevestigt kennis die twee eeuwen oud is: al in het jaar 1844 onderzocht de Duitse anatoom Georg Ludwig Kobelt de vrouwelijke ‘wellustorganen’, zoals hij ze noemde. Zijn gedetailleerde tekeningen van de clitoris en haar bloed- en zenuwvoorziening gelden tot op heden als een meesterlijke prestatie. Sindsdien is de kennis over de structuren van de clitoris eigenlijk aanwezig. Toen al hadden Kobelts inzichten een revolutie kunnen veroorzaken in de anatomische blik op het vrouwelijk lustorgaan, maar hem overkwam toen hetzelfde als later Helen O’Connell: zijn kennis kwam de snijzaal nauwelijks uit.

    De clitoris paste niet in het victoriaanse tijdperk, waarin vrouwen de rol van huisvrouw en moeder kregen toebedeeld

    Integendeel: in een in het jaar 1901 geactualiseerde editie van de belangrijkste anatomie-atlas, Gray’s Anatomy, verdwijnt zelfs een afbeelding die de clitoris nog in dwarsdoorsnede als een klein puntje voorstelt. Dat documenteerden de sociologen Adele Clarke en Lisa Jean Moore in een uitgebreid onderzoek. De clitoris paste niet in het victoriaanse tijdperk, waarin vrouwen de rol van huisvrouw en moeder kregen toebedeeld. Centraal staan voortplanting en reproductie, de baarmoeder geldt als het belangrijkste seksuele orgaan van de vrouw. De vermeend onbeduidende lust van de vrouw – en daarmee ook de clitoris – zien de medici in die tijd als overbodig, of zelfs als ziekelijk en gevaarlijk. 

    Freud

    Beslissend voor deze zienswijze is de bijdrage van de psychoanalyticus Sigmund Freud: hij onderscheidt in de door hem ontwikkelde theorie van de seksualiteit clitorale en vaginale seksualiteit en postuleert dat alleen de laatste volwassen en gezond is. Voor een succesvolle seksuele ontwikkeling, dus de rijping van kind tot vrouw, was daarom een verschuiving van de erogene zone nodig, weg van de clitoris naar de vagina.

    Zijn hoogtepunt vindt dit denken in de door de Engelse gynaecoloog Isaac Brown ontwikkelde verwijdering van de clitoris, de clitoridectomie. Die geldt als therapie voor als pervers beschouwde zelfbevrediging, voor nymfomanie, voor elke vorm van zogenaamde vrouwelijke ‘hysterie’. 

    Deze therapie speelt in Europa en de VS tegenwoordig geen rol meer. Maar nog altijd geldt de vagina als de vrouwelijke tegenhanger van de penis; de clitoris daarentegen blijft als een oninteressant onderzoeksobject vrijwel geheel verbannen uit voorlichtings- en anatomieboeken. Terwijl wetenschappers en activisten al decennia lang werken aan de rehabilitatie van dit orgaan. Maar de grote anatomie-atlassen die wereldwijd nog steeds door miljoenen studenten gebruikt worden, bereiken tot op heden nog steeds niet het niveau van Georg Ludwig Kobelts tekeningen.

    ‘De geschiedenis van de clitoris is een parabel van de cultuur’ – met die zin eindigt Helen O’Connell het verslag van haar onderzoek. Voor haar is het duidelijk: veel nieuwe edities van de boeken nemen steeds opnieuw de inhoud over van de eerdere uitgaven – zonder kritische toetsing.

    Gouden puntjes

    Dit merkt ook de Zwitserse bioloog Daniel Haag-Wackernagel op wanneer hij met het onderzoek naar het vrouwelijk lustorgaan begint. Voor een voordracht over de lustorganen bij chimpansees doorzocht hij de anatomieboeken op afbeeldingen van de lustorganen van de dieren en ter vergelijking ook die van mensen.

    Mannelijke geslachtsorganen van chimpansees en mensen vindt hij zonder problemen. Maar de speurtocht naar afbeeldingen van de vrouwelijke lustorganen verloopt moeizaam. Pas in de bibliotheek van het anatomisch instituut in Bazel stuit hij op correcte, gedetailleerde afbeeldingen – op het werk van Kobelt uit 1844.

    Sindsdien heeft Daniel Haag-Wackernagel afbeeldingen en modellen van de clitoris verzameld; in zijn boekenkast staan ze tussen dikke anatomieboeken. Intussen heeft hij – in zijn vrije tijd als emeritus professor – op basis daarvan een 3D-model ontwikkeld dat de voor de vrouwelijke lust verantwoordelijke structuren laat zien.

    Onderzoekssubsidies zou hij voor dit werk waarschijnlijk niet gekregen hebben, is zijn overtuiging. De interesse voor dit thema is te gering. Want zelfs een zo nuchtere, descriptief lijkende wetenschap als de anatomie is gevormd door ‘culturele en sociale omstandigheden en machtsstructuren’, zoals Adele Clarke en Lisa Jean Moore in hun onderzoeksverslag schrijven. Beide sociologen zijn het eens met Haag-Wackernagel en O’Connell: het moet als een maatschappelijk fenomeen begrepen worden dat de vrouwelijke geslachtsorganen in de anatomie met zoveel minachting behandeld worden. 

    Als je aan Helen O’Connell vraagt of medici en leken genoeg weten over de vrouwelijke geslachtsorganen, lacht de uroloog. ‘Er is nog enorm veel te onderzoeken,’ zegt ze.  Daniel Haag-Wackernagel haalt bij wijze van antwoord nog een model uit de boekenkast achter hem. Daarop zijn kleine gouden puntjes getekend – nauwelijks onderzochte kleine sensoren die in de huid van de clitoriseikel en –voorhuid, en ook in de kleine schaamlippen zitten. Bij vibratie of aanraking geven ze lustsignalen door aan de hersenen.

    De lijst van structuren in de genitale zone van de vrouw waarover opvallend weinig bekend is, laat zich waarschijnlijk moeiteloos uitbreiden – vaak in verband met een maatschappelijk debat, zoals bijvoorbeeld over het beroemde G-plekje.

    ‘Alle als typisch vrouwelijk of typisch mannelijk begrepen structuren komen steeds ook bij het andere geslacht voor’

    Helen O’Connell onderzocht het vaginale weefsel in 2017 op het bestaan van zo’n plek en vond geen aanwijzingen voor het bestaan ervan. Een ander voorbeeld is de strijd over de vraag of het door Freud gepostuleerde vaginaal orgasme uiteindelijk toch slechts een mythe is – en de clitoris het enige lustorgaan dat een orgasme kan oproepen.

    Vaak gaat het in het wetenschappelijk debat daarover om anatomische structuren bij de vrouw die analoog zijn aan die van de man: ‘Wij staan als geslachten niet zover van elkaar af,’ zegt Daniel Haag-Wackernagel. ‘Alle als typisch vrouwelijk of typisch mannelijk begrepen structuren komen steeds ook bij het andere geslacht voor.’

    Bij mannen bijvoorbeeld bevindt zich een tegenhanger van de vagina in de prostaat. Die op zijn beurt ook bij vrouwen te vinden is – een opeenhoping van klierweefsel om de urinebuis die in het anatomie-onderwijs vaak niet eens vermeld wordt, hoewel die verantwoordelijk is voor de vrouwelijke ejaculatie. Bij sommige vrouwen scheiden deze klieren bij het orgasme een melkachtige vloeistof af. Die secretie bevat – net als de mannelijke pendant – specifieke prostaatantigenen.

    Dat, zegt Haag-Wackernagel, wisten onderzoekers eigenlijk al sinds de oudheid. Toch zijn de details van de vrouwelijke ejaculatie tot op heden nauwelijks onderzocht.

    Als het chirurgen ontbreekt aan precieze kennis van het verloop van de zenuwen in de vrouwelijke genitaliën, werken ze mogelijk in het ongewisse

    Met moderne methoden zou het goed mogelijk zijn deze hiaten in het onderzoek op te vullen. ‘Met MRI en ultrasone apparatuur kunnen we inmiddels de anatomie bestuderen bij levende proefpersonen,’ zegt Helen O’Connell. Maar de blinde vlek blijft. En dat heeft gevolgen. ‘Anatomie is een basiswetenschap voor veel andere medische disciplines,’ zegt ze.

    Disciplines waarin deze basiskennis dan ontbreekt. Zoals chirurgie. Veel zenuwen in het vrouwelijk onderlijf kunnen bij operaties beschadigd raken – bijvoorbeeld bij ingrepen aan de urinebuis, de bekkenbodem of de baarmoeder. ‘In het bekken ligt alles heel dicht bij elkaar,’ zegt Ricarda Bauer, uroloog aan de universiteitskliniek in München. Maar als het chirurgen ontbreekt aan precieze kennis van het verloop van de zenuwen in de vrouwelijke genitaliën, werken ze mogelijk in het ongewisse. Zenuwen die bij operaties beschadigd of doorgesneden zijn, kunnen er dan in het ergste geval toe leiden dat een vrouw geen opwinding meer voelt of geen orgasme meer kan krijgen.

    Inderdaad werden seksuele stoornissen na operaties bij vrouwen lange tijd als bijkomende schade voor lief genomen, zegt Ricarda Bauer. ‘En anders dan bij de man, bij wie na een ingreep standaard naar erectiestoornissen wordt geïnformeerd, vragen veel collega’s na een operatie bij vrouwen nog altijd niet naar het seksueel functioneren.’ 

    Anticensuur

    Maar de chirurgen zijn niet de enigen met gebrekkige kennis. Er zijn opvallend veel gynaecologen, psychologen en seksuele therapeuten die de workshop over de anatomie van de vrouwelijke lustorganen van Daniel Haag-Wackernagel bezoeken. Velen van hen behandelen stoornissen in de opwinding en de lustbeleving van vrouwen zonder genoeg geleerd te hebben over de daarvoor verantwoordelijke organen. En het grote aantal vrouwen dat zulke klachten heeft – vermoedelijk de helft van de vrouwen – doet vermoeden dat er niet altijd een psychologische, maar soms ook een tot op heden onbekende lichamelijke oorzaak achter kan zitten.

    En afgezien van operatie- en spreekkamers ontbreekt het in het bijzonder ook jonge mensen aan kennis over hun eigen lichaam en dat van hun seksuele partners. Want details over de geslachtsorganen van de vrouw die ontbreken in de vakliteratuur, duiken ook in de biologie- en voorlichtingsboeken niet meer op. Het ontbreekt leraren aan geschikt lesmateriaal, zegt Haag-Wackernagel. In de les seksuele voorlichting gaat het dan over de penis, de vagina en de baarmoeder, maar niet over de clitoris, en daarmee ook niet over de vrouwelijke lust. Dat blijft een taboethema – en het onderzoek laat dat liever onaangetast. ‘Er moet een grote verandering komen,’ zegt Helen O’Connell.  

    Anticensuur

    Een soort anticensuur in de literatuur, zoals Daniel Haag-Wackernagel die verlangt, zou een begin kunnen zijn: geen leerboeken meer zonder een verantwoorde afbeelding van de clitoris. In elk geval neemt de kwaliteit van de afbeeldingen in de grote anatomiewerken na al die jaren weer toe, volgens de Zwitserse bioloog. En ook in kunst en cultuur komt het orgaan steeds vaker voor. Op het internet zijn bakvormpjes en bedeltjes in de vorm van de vagina te vinden. ‘Na 2000 jaar dominantie van het fallussymbool,’ zegt Haag-Wackernagel, ‘is het hoog tijd om de clitoris bekender te maken.’   

    De clitoris in de modere anatomie

    b386e01a7c96b03a58d3f9399f27b8101ee95180

    1. eierstokken (ovaria)
    2. eileider (tuba uterina)
    3. baarmoeder (uterus)
    4. endeldarm (rectum)
    5. blaas (vesica urinaria)
    6. schede (vagina)
    7. urineleider (ureter)
    8 schaambeen (symphysis pubica)
    9. schedevoorhof (vestibulum vaginae)
    10. Buitenste schaamlippen (labiamajora pudendi)

    Een dwarsdoorsnede van het bekken van de vrouw uit een hedendaagse anatomie-atlas. Van links naar rechts zijn te zien: de ruggengraat met de wervels, de aangesneden darmlussen met de overgang naar het rectum, de vagina met de verbinding naar de dikwandige baarmoeder en de erboven liggende eileider en de blaas als een groot hol orgaan. Ook nu nog tonen veel leerboeken de clitoris slechts vaag en onvolledig.  In dit voorbeeld is ze afgebeeld als een kleine, liggende L.

    3-D model:  prof. dr. Daniel Haag-Wackernagel en Amos Haag

    2ccb062728c2899348d88b3b181e861ef34a3cad 1

    1. clitoriseikel (glans clitoridis)
    2. RSP infra-corporeal (Residual Spongy Part)
    3. voorhof zwellichaam (bulbus vestibuli)
    4. clitorale zwellichamen (crus clitoridis)
    5. opgaand clitorislichaam (corpus clitoridis pars ascendens)
    6. neergaand clitorislichaam (corpus clitoridis pas descendens)
    7. clitorale hoek (angulus clitoridis)
    8. kobelts adercomplex (pars intermedia)
    9. urinebuis (urethra)
    10. schede (vagina)
    11. schedevoorhof (vestibulum vaginae)
    12. binnenste schaamlippen (nymphe)  (labium minus pudendi)
    13. clitorisvoorhuid (preputium clitoridis)
    14. clitorishoed
    15. clitoristoompje (frenulum clitoridis)
    16. suspensorisch ligament (ligamentum suspensorium clitoridis)

    Het zogenaamde bulbo-clitoraal orgaan 1 t/m 8 is opgebouwd uit verschillende, nauw met elkaar verbonden structuren. Onder het orgaan liggen de urinebuis (9) en de schede (10). De clitoriale zwellichamen (4) alsook het opgaande en neergaande deel van het clitorislichaam (5 en 6) bestaan uit zwellichamen zoals die ook in de penis voorkomen. Die worden bij seksuele opwinding door het opstuwen van bloed eveneens hard: net als bij de man, komt het tot een erectie.

    De sponsachtige lichamen, waartoe de clitoriseikel (1), het RSP (2) en het voorhof zwellichaam (3) behoren, vullen zich gedurende de opwinding ook met bloed, maar blijven zacht omdat daar een vast bindweefselomhulsel ontbreekt. De voorhof zwellichamen zetten bij seksuele opwinding uit en omklemmen de vagina. De enige van buiten zichtbare structuur van het bulbo-clitoraal orgaan is het voorste deel van de clitoriseikel, doorgaans vaak als ‘clitoris’ of ‘kittelaar’ aangeduid. Dat zit als een kapje op het eind van het neergaand clitorislichaam (6).

    Met zijn ongeveer 8000 zenuwuiteinden is het de centrale structuur voor de vrouwelijke opwinding. Bij het orgasme persen de spieren van de clitorale zwellichamen (4) en het voorhof zwellichaam (3) ritmisch bloed via het zogeheten Kobelts adercomplex (8) in het clitorislichaam (5-7) en de clitoriseikel (1). 

    Een soortgelijk effect veroorzaakt het stoten met de penis bij het geslachtsverkeer: ze drukken het voorhof zwellichaam (3) en de clitorale zwellichamen (4) samen en stimuleren via de verhoogde druk de talrijke aanwezige ‘lustreceptoren’. Dit neemt de vrouw waar als seksuele opwinding.

    Hoe het vrouwelijk lustorgaan uit het standaardwerk verdwijnt

    Schermafbeelding 2021 02 12 om 12.03.25

    Vroeg meesterwerk

    ‘De mannelijke en vrouwelijke lustorganen van de mens en enkele zoogdieren in anatomisch en fysiologisch opzicht’: zo luidt de uitvoerige titel van het onderzoek dat de anatomieprofessor Georg Ludwig Kobelt al in 1844 publiceerde.

    De hier afgebeelde tekeningen van Kobelt laten de zwellichamen van de clitoris zien in zij-aanzicht, ingebed in het bek (boven), en frontaal (onder), alsook een op het eerste gezicht aan de penis herinnerende, tot dan toe unieke, zeer gedetailleerde vergroting met bloedvaten en zenuwen.

    De clitoris in Gray’s Anatomy

    In de uitgave van de in 1858 voor het eerst verschenen anatomie-atlas, genoemd naar de uitgever, de anatoom Henry Gray, geïllustreerd door Henry Vandyke Carter, komt de afbeelding van de clitoris in de dwarsdoorsnede van het vrouwelijk bekken in hoge mate overeen met wat Georg Ludwig Kobelt vier decennia daarvoor had ontdekt: de van buiten zichtbare clitoriseikel en de verborgen liggende clitorislichamen zijn ingetekend, het clitoris zwellichaam is tenminste aangeduid.

    514a5bb069fdcd97c1551d0eab1fe904193fabc5 1

    1901:  Een klein knopje

    Vagina en uterus blijven, het lustorgaan krimpt: aan het begin van de twintigste eeuw is in het standaardwerk van de anatomie van de oorspronkelijke afbeelding van de clitoris in dwarsdoorsnede nog slechts een kleine welving aan de voorkant overgebleven. Die komt ongeveer overeen met het deel van het orgaan dat van buiten zichtbaar is. De anatomisch correcte grootte en vorm van de clitoris zijn niet meer te zien.

    c208c7ff544442ebb6719416a37a8aa41a1b9bb2 1

    1913:  Geen spoor meer

    Zelfs het kleine, als clitoris aangeduide bultje uit de vorige uitgave is verdwenen. In deze uitgave van de anatomie-atlas ontbreekt in de betreffende afbeelding elke verwijzing naar het vrouwelijk lustorgaan. Ter vergelijking: in deze uitgave van Gray’s Anatomy treffen medische studenten en artsen nog steeds wel uitvoerige afbeeldingen van de penis aan.

  • Aanbevolen door de redactie. Het beste van de Franstalige cinema & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Het beste van de Franstalige cinema & Meer

    My French Film Festival presenteert een nieuwe generatie cineasten uit de Francofone wereld. Verder: het nieuws van de dag in historisch perspectief & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    Hondenlevens en andere Franse films

    Clebs 1 1
    Still uit Clebs.

    Ontdek het beste van een nieuwe generatie Franstalige cineasten van over de hele wereld op het My French Film Festival, dat plaatsvindt van 15 januari tot 15 februari. De korte films zijn gratis te zien, zoals de prachtige korte animaties Empty places en Blue Fear.

    Art director Majel van der Meulen: ‘Mijn absolute tip is Clebs met in de hoofdrol 750 zwerfhonden. De hond als muze, veelvuldig door mij getekend, waardoor ik ooit de geuzennaam “Madonna van de honden” kreeg toegedicht. Het woord geus komt van het Franse gueux voor bedelaar, dat komt dan weer dicht bij zwerfhonden.’ 

    Clebs (plat Frans voor hond) is een korte film van Halima Ouardiri, de film won al verschillende prijzen, waaronder de Best Canadian Short Film Award in 2019. Deze tweede korte film van Oardiri gaat over een opvangcentrum voor zwerfhonden in Marokko waar de tijd lijkt stil te staan voor de 750 dieren die wachten op adoptie. Hun leven volgt een precieze, monotone routine.


    Hoe consumeren we coronanieuws?

    Het aanbod van aan covid-19 gerelateerd ‘nieuws’ is overal ter wereld overweldigend. Behalve in sommige landen waar het verboden is cijfers te publiceren. Zoals in Tanzania:

    In deze infographics van Visual Capitalist is de mediaconsumptie van de verschillende generaties overzichtelijk in beeld gebracht. Dat iedereen meer online consumeert is geen verrassing, maar wie wat hoe gebruikt weten we nu dankzij het mooie grafische werk van Visual Capitalist. Een aanrader van editor at large Katrien Gottlieb.


    Nieuws in historisch perspectief

    Laphams Quarterly is een Amerikaans kwartaalblad dat fraaie, doorwrochte artikelen publiceert vanuit de overtuiging dat kennis van de geschiedenis noodzakelijk is om goed geïnformeerd en onderwezen te kunnen worden over wetenschap, literatuur, politiek en economie. Elk nummer behandelt een actueel onderwerp over bijvoorbeeld oorlog, religie, geld, geneeskunde, natuur of misdaad en trekt parallellen met verhalen uit het verleden. 

    Een bijzonder leuke rubriek in dit licht is Déja-Vu, tipt redacteur IJsbrand van Veelen. ‘Een historisch perspectief bij het nieuws van de dag’ is de ondertitel, en in deze rubriek wordt deze aanpak lichtvoetig losgelaten op kleinere gebeurtenissen.

    Zoals ‘Whale Tales’, waarin het bericht over de ontspoorde metro op de verhoogde sporen in Spijkenisse, die vorig jaar november terechtkwam op het beeld van een walvis en zo de bestuurder redde, wordt gekoppeld aan een bericht uit 1891 over zeelieden die het lichaam van een vermiste collega in de buik van een walvis zouden hebben aangetroffen.


    Dante-jaar in Italië

    In Italië is 2021 het jaar van Dante Alighieri. Hij werd geboren in Florence in 1265 en stierf in 1321 in Ravenna. Zijn epische werk La Divina Commedia (De goddelijke komedie) is opgesplitst in drie delen en volgt een pelgrimsreis door de hel, het vagevuur en de hemel, waarbij de dichter Vergilius de auteur tot gids is – behalve in de hemel, waar deze laatste niet naar binnen mag.

    Dante wordt ook wel de vader van de Italiaanse taal genoemd. De gedichten uit de Komedie inspireerden vele grote schilders en tekenaar tot afbeeldingen van de beschreven taferelen. Onder andere Gustave Dorés gravures van dieven die door slangen worden belaagd of voor straf eeuwig met hun hoofd naar beneden in een brandend gat in de aarde moeten doorbrengen zijn beroemd.

    Ter ere van het zevenhonderdste sterfjaar organiseert nu Gallerie degli Uffizi in Florence een virtuele tentoonstelling met de nog onbekende tekeningen van de 16e-eeuwse renaissancekunstenaar Federico Zuccari, tipt hoofdredacteur Laura Weeda.

    Illustration par Federico Zuccari de la Divine Comédie de Dante II 1 1
    Een illustratie van Zuccari van de hel uit Dante’s La Divina Commedia. – © Helvio Ricina / Wikimedia Commons

    De schetsen werden door Zuccari gemaakt tijdens een verblijf in Spanje tussen 1586 en 1588. Na de dood van Zuccari in 1609 waren de tekeningen lange tijd in het bezit van particuliere families voor wie de kunstenaar had gewerkt, totdat ze in handen kwamen van het Uffizi. 

    Tot nu toe werden Zuccari’s tekeningen slechts door een paar geleerden gezien, en twee keer gedeeltelijk aan het publiek getoond, zegt Eike Schmidt, directeur van het museum. Op de onlinetentoonstelling worden ze volledig gepubliceerd én voorzien van een didactisch-wetenschappelijk commentaar.


    Gedicht van de week

    Elke maandag kiest Carol Rumens van The Guardian als sinds 2007 een gedicht van de week, in totaal bedraagt het archief meer dan zevenhonderd. Soms een klassieker, soms modern, maar altijd vergezeld van een heldere uiteenzetting die de kern van het gedicht openbaart en handvatten biedt bij het lezen. Een aanrader van redacteur Joep Harmsen.

    Een de beste analyses van Rumens is die van het gedicht ‘Song’ van de Amerikaanse dichter Peter Grizzy. Waarin ze ons door dit ambigue gedicht leidt aan de hand van de vragen die opkomen bij het lezen ervan.

    Wilt u al die mooie dichtregels ergens bewaren? Maak dan een commonplace book, oftewel een citatenboek. The New York Times legt uit hoe u dat digitaal kunt doen.

    ‘Het overnemen van je favoriete regels uit andermans werk in je eigen notitieboekje met aantekeningen was een geliefde en veel beoefende bezigheid in het Europa van de Renaissance, en de praktijk kan worden teruggevoerd tot de Romeinse tijd’, schrijft de NYT. Met alle technieken en apps die er tegenwoordig zijn, is het nu nog makkelijker geworden.

  • Waarom deze classicus klaar is met de Klassieken

    Waarom deze classicus klaar is met de Klassieken

    De Amerikaanse classicus Dan-el Padilla Peralta is niet de eerste, maar momenteel wellicht wel de meest uitgesproken criticaster van het nog steeds zeer breed gedragen idee dat de klassieke wereld van de Grieken en Romeinen een ‘zuivere’, witte wereld was, die het fundament legde voor onze ‘superieure’, witte westerse civilisatie. Dit idee, dat in extreemrechtse kringen gretig wordt omhelsd, is aan grondige revisie toe, vindt Peralta. Wat hem betreft gaat de studie van de Klassieken volledig op de schop.

    De 36-jarige Dan-el Padilla Peralta, een immigrant afkomstig uit de Dominicaanse Republiek, is als zwarte man een witte raaf in de doorgaans roomwitte wereld van de klassieke wetenschap. Maar hij is niet zomaar een verdwaalde in het academische klassieke bolwerk: hij is professor aan de prestigieuze universiteit van Princeton en een autoriteit op het gebied van de Romeinse geschiedenis. Rachel Poser, plaatsvervangend hoofdredacteur van Harper’s Magazine, die vaak schrijft over de relatie tussen verleden en heden, schreef zijn verhaal op als longread voor The New York Times.

    Extreemrechts

    Lang bewierookt als de studie naar de grondslagen van de westerse beschaving, aldus Poser, probeert de klassieke wetenschap momenteel zijn ‘elitaire’ reputatie van zich af te schudden, evenals de notie dat het een domein is van voornamelijk witte mannen. ‘Die poging kreeg onlangs nieuwe urgentie, want de Klassieken worden omarmd door aanhangers van extreemrechts, die de oude Grieken en Romeinen beschouwen als de grondleggers van de zogenaamde witte cultuur. Relschoppers in Charlottesville, Virginia, droegen vlaggen met het symbool van de Romeinse staat; online reactionairen nemen klassieke namen als pseudoniem; de wit-racistische website Stormfront toont een afbeelding van het Parthenon naast de slogan “Elke maand is een witte-geschiedenismaand.”’

    Padilla spreekt sinds een aantal jaren openlijk over de schade die classici hebben aangericht in de twee millennia sinds de oudheid, door de Klassieken als rechtvaardiging te gebruiken voor slavernij, rassenwetenschap, kolonialisme, nazisme en andere twintigste-eeuwse vormen van fascisme. De wetenschap van de Klassieken was een discipline waaromheen de moderne westerse universiteit groeide, en Padilla gelooft dat daarmee racisme is gezaaid in het hoger onderwijs.

    Mythen over de Oudheid

    In de afgelopen jaren hebben gelijkgestemde classici zich verenigd om schadelijke mythen over de Oudheid aan te pakken, schrijft Poser. ‘Op sociale media, in tijdschriftartikelen en blogposts leggen ze uit dat, in tegenstelling tot rechtse propaganda, de Grieken en Romeinen zichzelf niet als ‘wit’ beschouwden, en dat hun marmeren sculpturen, waarvan de bleke huid sinds de achttiende eeuw is gefetisjeerd, in de oudheid vaak beschilderd waren. Ze wijzen erop dat in Athene, bejubeld als de geboorteplaats van de democratie in de vijfde eeuw voor Christus, deelname aan de politiek was beperkt tot mannelijke burgers; dat duizenden slaven werkten en stierven in zilvermijnen ten zuiden van de stad, en dat de regels dicteerden dat vrouwen uit de hogere klasse het huis niet mochten verlaten tenzij ze gesluierd waren en vergezeld werden door een mannelijk familielid. Ze hebben aangetoond dat het concept van de westerse beschaving een eufemisme werd voor ‘witte beschaving’ in de geschriften van mannen als Lothrop Stoddard, eugeneticus en lid van de Ku Klux Klan. Sommige classici zijn tot het inzicht gekomen dat hun vakgebied deel uitmaakt van het schavot van witte suprematie, maar ze beginnen daarin ook kansen te zien.’ Omdat de Klassieken een rol speelden bij de constructie van de witte mythe, kan de discipline misschien ook een rol spelen bij de ontmanteling ervan.

    Witte suprematie

    Volgens Poser is Padilla ‘compromisloos’ in zijn visie op de medeplichtigheid van classici aan systemisch onrecht, ‘zelfs volgens de normen van sommige van zijn bondgenoten. Hij betitelt het vakgebied als ‘gelijke delen vampier en kannibaal’, als een gevaarlijke kracht die is gebruikt om te moorden, tot slaaf te maken en te onderwerpen. ‘Hij zegt niet zeker te weten of het vakgebied een toekomst verdient,’ aldus Denis Feeney, een Latinist aan Princeton. Padilla gelooft dat de Klassieke wetenschap zo verweven is met witte suprematie dat ze er onafscheidelijk van is.

    Tijdens een congres in 2019 was Padilla panellid van het onderdeel ‘De toekomst van de Klassieken’. Tijdens het vragenrondje na Padilla’s toespraak, betoogde Mary Frances Williams, een classica uit Californië: ‘We moeten opkomen voor ons vakgebied.’ Volgens haar is het absoluut noodzakelijk om te staan voor de Klassieken als de politieke, literaire en filosofische basis van de Europese en Amerikaanse cultuur: ‘Het is westerse beschaving. Het doet ertoe omdat het over het Westen gaat.’ De Klassieken hebben ons immers de begrippen vrijheid, gelijkheid en democratie gegeven, aldus Williams.

    Padilla had een dergelijke reactie verwacht en antwoordde: ‘Dit is wat ik te zeggen heb over de visie op de Klassieken die je schetst. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik hoop dat het veld dat je hebt geschetst sterft, en dat dat zo snel mogelijk gebeurt.’ Die opmerking kwam niet zomaar uit de lucht vallen.

    Athene van de Nieuwe Wereld

    In zijn vroege jeugd noemden Padilla’s ouders Santo Domingo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek, trots het ‘Athene van de Nieuwe Wereld’, een cultureel en educatief centrum. Dat idee werd gevoed door Rafael Trujillo, de dictator die het land regeerde van 1930 tot hij werd vermoord in 1961. Net als andere twintigste-eeuwse fascisten zag Trujillo zichzelf en zijn volk als erfgenamen van een grootse Europese traditie die zijn oorsprong vond in Griekenland en Rome. In een toespraak uit 1932 prees hij het oude Griekenland als de ‘meesteres van schoonheid, eeuwig weergegeven in de onberispelijke witheid van haar marmer’. Trujillo’s verering van witheid stond centraal in zijn boodschap. Door een beroep te doen op de klassieke erfenis, kon hij de inwoners van buurland Haïti wegzetten als inferieur, want hun huidskleur was donkerder. Dit leidde in 1937 tot een moorddadig hoogtepunt met het Parsley-bloedbad, ofwel El Corte (‘het snijden’) in het Spaans, waarbij Dominicaanse troepen volgens sommige schattingen zeker dertigduizend Haïtianen en zwarte Dominicanen vermoordden.

    Padilla’s familie sprak niet veel over hun leven onder de dictatuur. Ze leefden in wat Padilla beschrijft als ‘verlammende armoede’, maar genoten door hun lichtere huidskleur een zekere mate van privilege in de Dominicaanse samenleving. Ze woonden generaties lang in Pimentel, een stad in de buurt van het bergachtige noordoosten waar tot slaaf gemaakte Afrikanen in de zestiende en zeventiende eeuw marrongemeenschappen hadden gesticht.

    Net als hun tegenhangers in de Verenigde Staten gaven slavenhouders in de Dominicaanse Republiek hun slaven soms klassieke namen als bewijs van hun ‘beschavingsideaal’. Daarom is de verstrengeling van de Klassieken met het slavernijverleden vandaag de dag nog steeds terug te vinden in de namen van veel Dominicanen. ‘Waarom zijn er Dominicanen die Themístocles heten?’ vroeg Padilla zich af als kind. ‘Waarom is Aristides de tweede naam van honkballer Manny Ramirez?’ De tweede naam van dictator Trujillo was Leónidas, naar de Spartaanse koning die met driehonderd van zijn soldaten martelaar werd in Thermopylae. Leónidas is inmiddels een icoon van extreemrechts geworden.

    Immigranten

    Toen Padilla vier was, vloog het gezin naar New York omdat zijn moeder medische zorg nodig had vanwege zwangerschapscomplicaties. Maar nadat zijn broer, Yando, was geboren, besloot het gezin te blijven. Ze verhuisden naar de Bronx en hoopten stilletjes hun immigratiestatus te kunnen normaliseren, hetgeen hen al hun spaargeld kostte. Zonder papieren was het moeilijk om vast werk te vinden. Zijn vader ging terug naar de Dominicaanse Republiek en de rest van het gezin belandde in een daklozenopvang.

    In zijn memoires Undocumented uit 2015 omschreef Padilla de opvang als uiterst goor. Een plek van rust was voor hem de kleine bibliotheek. Sinds hun vertrek uit de Dominicaanse Republiek was hij nieuwsgierig geworden naar de Dominicaanse geschiedenis, maar hij kon in de bibliotheek geen boeken vinden over het Caribisch gebied. Wat hij wel vond, was een boekje met de titel Hoe mensen leefden in het oude Griekenland en Rome.

    ‘De westerse beschaving is ontstaan uit de vereniging van vroege Griekse wijsheid en het sterk georganiseerde juridische denken van het vroege Rome’, zo begon het boek. ‘Het Griekse geloof in iemands vermogen om zijn verstand te gebruiken, in combinatie met het Romeinse geloof in militaire kracht, leidde tot een resultaat dat tot ons is gekomen als erfenis, als een geschenk uit het verleden.’ Dertig jaar later kan Padilla die openingszinnen nog steeds opdreunen. Hij nam het leerboek mee naar de kamer die hij deelde met zijn moeder en broer en bracht het nooit meer terug naar de bibliotheek.

    De familie verhuisde naar een opvangcentrum in Bushwick. In 1994 trof Jeff Cowen, een fotograaf die daar kunstlessen gaf, de negenjarige Padilla aan, weggedoken in een hoekje met een biografie over Napoleon. ‘Terwijl de kinderen na de lunch rondrenden als gekken, zat in de hoek een jongen met dat enorme boek,’ aldus Cowen. ‘Hij stond op en schudde mijn hand als een kleine heer, sprekend alsof hij een soort Ivy League-professor was.’ Cowen was verbouwereerd. ‘Binnen vijf minuten was het duidelijk dat deze jongen de beste opleiding verdiende die hij kon krijgen. Het voelde als een verantwoordelijkheid.’

    Princeton

    Cowen werd mentor van Padilla en later ook zijn peetvader. Hij bracht boeken en puzzels mee, ging rolschaatsen in Central Park met Padilla en Yando en hielp Padilla uiteindelijk met de aanmelding voor Collegiate, een New Yorkse particuliere school voor de elite. Padilla werd toegelaten met een volledige beurs en raakte er bevangen door de emotionele kracht van klassieke teksten in het Latijn en Grieks, door de Griekse filosofie, en door de vurigheid en actie van het epos.

    Daarna werd hij met een volledige studiebeurs aangenomen op Princeton, waar hij vaak de enige zwarte was tijdens cursussen Latijn en Grieks. ‘In de tijd dat ik me als student verloor in de Klassieken, was eenzaamheid het moeilijkste’, aldus Padilla. Toen het tijd werd om een hoofdvak te kiezen, kwam het krachtigste verzet tegen zijn keuze van zijn goede vrienden, van wie velen ook immigranten waren, of kinderen van immigranten. Ze stelden Padilla vragen die hij niet kon beantwoorden. Waarom dit wittengedoe? Hoe helpt dit ons?

    Padilla meende dat hij bepaalde keuzes niet moesten schuwen enkel omdat de buitenwereld vond dat ze niet voor zwarte en bruine mensen waren. Maar hij merkte dat hij niet helemaal tevreden was met zijn eigen argumenten. De vraag over het nut van de Klassieken was niet triviaal. Zou hij een opleiding Latijn en Grieks kunnen doen en er iets bevrijdends van kunnen maken? ‘Die urgente vraag vergezelde me door het begin van mijn studie en daarna’, zo zegt Padilla.

    Padilla studeerde in 2006 als een van de besten af aan Princeton en behaalde daarna een masterdiploma aan Oxford en een doctoraat aan Stanford. In die tijd probeerden steeds meer wetenschappers niet alleen de elite te begrijpen die de Griekse en Latijnse literatuur hadden geschreven, maar ook de mensen uit de oudheid zonder stem: vrouwen, de lagere klassen, slaven en immigranten. Leergangen over gender en ras in de oudheid werden gemeengoed en bleken populair, maar het was nog onduidelijk of ze blijvend hun stempel zouden drukken. 

    ‘Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan’

    Classicus Ian Morris, adviseur van Padilla aan Stanford, zegt daarover: ‘Er zijn classici die zeggen: “Ja, we zijn het eens met uw kritiek. Maar laten we nu maar weer precies gaan doen wat we altijd hebben gedaan.” Er zijn ook tal van classici die weigeren om de rol van hun vakgebied in het ‘witwassen’ van de oudheid te erkennen. ‘Classici zien zichzelf over het algemeen als liberaal’, aldus Joel Christensen, professor Griekse literatuur aan de Brandeis University. ‘Maar ze kunnen dat alleen volhouden doordat ze meestal niet omgaan met mensen die dat liberalisme en de betekenis ervan bevragen.’

    Slavernij

    Denkend aan de geschiedenis van zijn eigen familie, raakte Padilla geïnteresseerd in Romeinse slavernij. Decennialang richtte onderzoek zich op het gegeven dat slaven vrij konden worden en dat dat veel vaker voorkwam in Rome dan in andere samenlevingen met slavenhouders. Maar er waren talloze slaven die geen kans maakten, vooral degenen die op het veld of in de mijnen werkten, ver weg van de machtscentra.

    ‘Er zijn zoveel getuigenissen van hoe diep vernederend slavernij was,’ vertelt Padilla in het interview met Poser. Slaven in het oude Rome konden worden gemarteld en gekruisigd; gedwongen tot een huwelijk; aan elkaar geketend in werkploegen; gedwongen om met gladiatoren of wilde dieren te vechten; naakt tentoongesteld worden op markten met borden om hun nek die hun leeftijd, karakter en gezondheid aan potentiële kopers vermeldden.

    Eigenaren konden hun voorhoofd laten tatoeëren zodat na een vluchtpoging zouden worden herkend. In graven van slaven hebben archeologen metalen kragen gevonden die om de nek van skeletten waren geklonken, zoals een ijzeren ring met een bronzen plaatje, nu in het Museo Nazionale in Rome. Daarop staat de tekst: ‘Ik ben weggelopen. Als je me terugbrengt naar mijn meester Zoninus, ontvang je een gouden munt.’

    In 2015 begon Padilla als postdoctoraal onderzoeker bij de Columbia Society of Fellows. Classici vergoelijkten niet langer de slavernij in de oudheid, maar velen betwijfelden wel of de werelden van slaven konden worden gereconstrueerd, omdat ooggetuigenverslagen over slavernij de eeuwen niet hadden overleefd. Dat bevredigde Padilla niet. In 2017 publiceerde hij een artikel in het tijdschrift Classical Antiquity, waarin hij bewijsmateriaal uit de oudheid en van de slaventransporten over de Atlantische Oceaan met elkaar vergelijkt om een meer samenhangend beeld te krijgen van het religieuze leven van de Romeinse slaven.

    Donald Trump

    Rond de tijd dat Padilla aan dat artikel werkte, maakte Donald Trump tijdens zijn presidentscampagne zijn eerste opmerkingen over Mexicaanse ‘criminelen, drugsdealers, verkrachters’ die de VS binnenkwamen. Padilla, die twintig jaar lang met een onzekere immigratiestatus had geleefd, had net een Green Card aangevraagd. Nu zag hij alt-rechtse figuren zoals Richard Spencer, die fantaseerde over het creëren van een ‘blanke etno-staat op het Noord-Amerikaanse continent’ die ‘een reconstructie van het Romeinse Rijk’ moest worden.

    Spencer groeide uit tot nationale bekendheid. Als reactie op het toenemende anti-immigrantengevoel in Europa en de VS, schreef Mary Beard, misschien wel de beroemdste classica ter wereld, in The Wall Street Journal dat de Romeinen ‘verbaasd zouden zijn over onze moderne problemen met migratie en asiel’, omdat hun rijk immers was gebaseerd op ‘principes van incorporatie en van het vrije verkeer van mensen’.

    Padilla raakte gefrustreerd door de manier waarop wetenschappers probeerden de trumpiaanse retoriek te bestrijden. Hij schreef een essay voor Eidolon waarin hij duidelijk maakt dat in Rome, net als in de VS, lofzangen op multiculturalisme samengaan met haat tegen buitenlanders. Padilla betoogt ook dat het signaleren van onwaarheden over de oudheid, hoewel belangrijk, niet voldoende is.

    ‘Ik ben niet geïnteresseerd in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’

    De uitleg dat er nooit een almachtig, leliewit Romeins Rijk heeft bestaan, zal witte nationalisten niet doen stoppen met hun hunkering naar die mythe. Het is niet de taak van classici om ‘de schreeuwers aan te wijzen’, zei hij op een panel van 2017. ‘De positie innemen van leraar, van de gekwalificeerde classicus die dingen weet en op fouten wijst, is niet voldoende.’ Het ontmantelen van machtsstructuren die de klassieke traditie gebruiken als ondersteuning, vereist meer dan alleen het toetsen van feiten; het vereist een geheel nieuw verhaal over de oudheid, en over wie we nu zijn.

    Om dat verhaal te vinden, pleit Padilla voor hervormingen die ‘de canon doen exploderen’ en die ‘het vakgebied tot in de details herzien’, inclusief het volledig afschaffen van het label ‘Klassieken’. ‘Sommige studenten en collega’s hebben me verteld dat dit ofwel te deprimerend is, ofwel op een bepaalde manier bedreigend. Mijn enige antwoord is dat ik niet geïnteresseerd ben in sloop omwille van de sloop. Ik wil iets bouwen’, zegt Padilla.

    Hij werd doelwit van rechtse woede vanwege de verzengende taal die hij bezigt en, volgens velen, vanwege het lichaam dat hij bewoont. Hij kreeg racistische mails. ‘Wellicht past Afrikaanse Studies beter bij je als je niet kunt leven met de realiteit van hoe geavanceerd Europeanen waren’, schreef iemand. De extreemrechtse site Breitbart van Steve Bannon publiceerde een verhaal waarin Padilla wordt beschuldigd van het ‘vermoorden’ van de Klassieken. ‘Als er één leergebied was dat gegarandeerd nooit zou worden gekaapt door de krachten van onwetendheid, politieke correctheid, identiteitspolitiek, sociale rechtvaardigheid en domheid, zou je denken dat het de Klassieken waren’, aldus de site. Maar nee hoor: ‘Welkom, barbaren! De poorten van Rome staan wagenwijd open!’

    De Verlichting

    Hoe de Oudheid centraal kwam te staan in het Amerikaanse intellectuele leven, is een verhaal dat niet in de oudheid begint, en ook niet in de Renaissance, maar tijdens de Verlichting. De Klassieken zoals we die nu kennen, zijn een creatie van de achttiende en negentiende eeuw. In die periode, toen de Europese universiteiten zich bevrijdden van de controle van de kerk, bood de studie van Griekenland en Rome het continent een nieuw, seculier wordingsverhaal. Griekse en Latijnse geschriften tastten het morele gezag van de Bijbel aan en dat gaf ze een bevrijdende kracht. Denkers als Diderot en Hume ontleenden ideeën over vrijheid aan klassieke teksten, waarin ze verklaringen over politieke en persoonlijke vrijheden vonden.

    Een van de meest invloedrijke teksten werd de rede van Perikles bij de graven van de Atheense oorlogsslachtoffers in 431 v.Chr., opgetekend door Thucydides. Daarin prijst de staatsman zijn ‘glorieuze’ stad voor het garanderen van ‘gelijke gerechtigheid voor iedereen’. ‘Onze regering bootst onze buren niet na’, aldus Perikles, ‘maar fungeert juist als een voorbeeld voor hen. Het is juist dat we een democratie worden genoemd, want het bestuur is in handen van velen en niet van enkelen.’

    De bewondering voor de Oudheid nam grillige, manische vormen aan. Mannen kleedden zich in Romeinse toga’s om in het openbaar te spreken, ondertekenden hun brieven met de namen van beroemde Romeinen en vulden handleidingen, preken en schoolboeken met lessen van de Klassieken. Johann Joachim Winckelmann, een Duitse antiquair uit de achttiende eeuw, verzekerde zijn landgenoten dat ‘de enige manier waarop we groot kunnen worden, of zelfs onnavolgbaar indien mogelijk, is door de Grieken te imiteren.’

    Winckelmann, die wel de ‘vader van de kunstgeschiedenis’ wordt genoemd, vond dat de Griekse marmeren beeldhouwkunst het toppunt van menselijk kunnen was, onovertroffen door enige andere samenleving, oud of modern. Hij schreef dat de ‘nobele eenvoud en stille grootsheid’ van de Atheense kunst de ‘vrijheid’ weerspiegelde van de cultuur die haar voortbracht. Die verstrengeling van artistieke en morele waarden zou Over de esthetiek van Hegel beïnvloeden en zou ook terugkeren in de poëzie van de romantici. Zo schreef Keats in ‘Ode aan een Griekse vaas’: ‘Schoonheid is waarheid, waarheid schoon, dit is al wat gij op aarde weet, en hoeft te weten.’

    Hiërarchie

    Historici benadrukken dat dergelijke ideeën niet los kunnen worden gezien van de vertogen over nationalisme, colorisme en vooruitgang, die vorm kregen tijdens de koloniale periode, toen Europeanen in contact kwamen met andere volkeren en hun tradities. ‘Hoe witter het lichaam, hoe mooier het is’, schreef Winckelmann. Terwijl Renaissance-geleerden gefascineerd waren door de veelheid aan culturen in de antieke wereld, creëerden Verlichtingsdenkers juist een hiërarchie, met bovenaan Griekenland en Rome, gecodeerd als wit en de rest daaronder.

    ‘Die uitsluiting was de kern van de Klassieken als project’, volgens Paul Kosmin, Harvard-professor in oude geschiedenis. De overtuiging van Aristoteles dat sommige mensen ‘van nature’ slaven waren, werd gretig omarmd in het Amerikaanse Zuiden van vóór de Burgeroorlog, om het houden van slaven te verdedigen tegenover de kritiek van de voorstanders van afschaffing.

    De Klassieken zien zoals Padilla ze ziet, betekent dat die spiegel gebroken moet worden. Het betekent dat we de klassieke erfenis moeten afwijzen als een van de schadelijkste verhalen die we onszelf hebben verteld. Voor Padilla verdient de wetenschap van de Klassieken het alleen om te overleven als ze ‘een plek van polemiek’ kan worden voor de gemeenschappen die er in het verleden door zijn gekleineerd. Mocht dat niet lukken dan zijn Padilla en anderen bereid om het vakgebied op te geven.

    Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika

    ’Ik zou het helemaal opdoeken’, stelt Walter Scheidel, een andere voormalige adviseur van Padilla aan Stanford. ‘Ik denk niet dat het als academisch vakgebied zou moeten bestaan.’ Een mogelijke manier zou zijn de faculteiten op te heffen en onderdelen toe te wijzen aan afdelingen geschiedenis, archeologie en taal.

    Maar veel classicisten pleiten voor zachtere benaderingen om het vakgebied te hervormen, door vooral grenzen te verleggen. Instituten als Howard en Emory hebben de Klassieken nu geïntegreerd in Oude Mediterrane wetenschap, waarbij wordt gekeken naar Egypte, Anatolië, de Levant en Noord-Afrika. Het idee is het hiërarchische denken van de Verlichting te verlaten en terug te gaan naar het Renaissancemodel van de oude wereld als een plaats van diversiteit en vermenging. ‘Er is een interessanter verhaal te vertellen over de geschiedenis van wat wij het Westen noemen, zonder specifieke culturen erin te bejubelen’, meent Josephine Quinn, hoogleraar Oude Geschiedenis aan Oxford. ‘Het lijkt mij dat de cruciale aanjager in de geschiedenis altijd de relatie tussen mensen, tussen culturen is.’ Classicus Ian Morris stelt het wat botter. ‘De Klassieken is een Euro-Amerikaanse stichtingsmythe. Willen we die echt?’

    Molon labe

    Op 6 januari zette Padilla de televisie aan, enkele minuten nadat de ramen van het Capitool waren ingeslagen. In de menigte zag hij een man met een Griekse helm met daarop TRUMP 2020 in wit geschilderd. Hij zag een man in een T-shirt met daarop een steenarend op een fasces, symbolen van de Romeinse wet en bestuur, onder het logo 6MWE, ofwel ‘Six Million Wasn’t Enough’, een verwijzing naar het aantal vermoorde Joden in de Holocaust. Hij zag vlaggen met daarop de zin geborduurd die Leónidas zou hebben uitgesproken toen de Perzische koning hem beval zijn wapens neer te leggen: ‘Molon labe’, klassiek Grieks voor ‘Kom ze maar halen’. Het is de slogan geworden van Amerikaanse wapenrechtenactivisten. Afgevaardigde Marjorie Taylor Greene, een net gekozen Republikein uit Georgia die berichten om democraten te vermoorden ondersteunde op sociale media, droeg een week na de bestorming van het Capitool een masker met diezelfde zin erop, toen ze tegen impeachment van Trump stemde in het Huis van Afgevaardigden.

    Padilla vermoedt dat hij op een dag afscheid zal moeten nemen van de Klassieken en de academische wereld om harder te kunnen vechten voor de veranderingen die hij in de wereld wil zien. Hij heeft zelfs overwogen de politiek in te gaan.

    ‘Als kind had ik nooit gedacht dat de positie die ik nu bekleed haalbaar was,’ zegt hij. ‘Maar het gegeven dat dit een klein wonder is, doet niets af aan mijn diepere overtuiging dat dit ook tijdelijk is.’

    ‘Dan-el Padilla heeft veel mensen geprikkeld’, meent Rebecca Futo Kennedy, professor Klassieke Studies aan de Denison University. Joel Christensen, de professor Griekse literatuur aan Brandeis University, vindt het zijn ‘morele, ethische en intellectuele verantwoordelijkheid’ om de Klassieken te onderwijzen op een manier die de racistische geschiedenis blootlegt. ‘Anders doen we gewoon mee aan propaganda.’ Hij begrijpt de angst van veel classici om het verhaal van hun levenswerk te moeten herschrijven. Maar, zegt hij, ‘die toekomst komt er, met of zonder Dan-el’.

    Naschrift

    Padilla en de classici die hem steunen liggen al langer onder vuur. Niet alleen van extreemrechts maar ook van het meer behoudende deel van de classici. Ook op dit artikel volgde weldra kritiek. Slechts drie dagen na de publicatie in The New York Times, reageerde blogger Andrew Sullivan op The Weekly Dish met een artikel onder de kop ‘De Ondraaglijke witheid van de Klassieken’. De ondertitel is veelzeggend: ‘De woke beweren dat de studie van het oude Griekenland en Rome weggegooid moet worden’.

  • Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Heropening 
van een ‘gedekoloniseerd’ museum

    Westerse musea van Parijs tot Leiden worstelen met hun omstreden koloniale collecties. Wat moest het AfricaMuseum in Tervuren bijvoorbeeld doen met het ‘Afrikaanse dorp’, compleet met strooien hutten en opgezette dieren?

    Toen hij probeerde het Belgische Africa-
Museum te moderniseren, zat de directeur van het instituut, Guido Gryseels, met een delicaat probleem: wat te doen met de menselijke dierentuin? Als het museum deze maand weer 
opengaat, na een verbouwing van vijftien jaar, moet het een nieuw verhaal vertellen over Belgiës nalatenschap in Congo. Niet eenvoudig om dat goed te doen. Want het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, zoals het officieel heet, speelt een centrale rol in de bloedige koloniale bezetting.

    Het museum is gebouwd door koning Leopold II, 
met geld afkomstig van de exploitatie van de rubberplantages in Congo-Vrijstaat, dat hij aanvankelijk bestuurde als privéleengoed. Het begon in 1897 met een tijdelijke tentoonstelling die bedoeld was om de regering over te halen het bestuur van de kolonie 
(en haar schulden) over te nemen. Zo’n 1,3 miljoen Belgen, eenderde van de toenmalige bevolking, kwamen de menselijke dierentuin bekijken die de koning had opgezet op zijn landgoed in Tervuren, even buiten Brussel: een kopie van een ‘Afrikaans dorp’, compleet met strooien hutten, opgezette dieren en 267 mensen die voor de gelegenheid uit de Congo waren geïmporteerd.

    De grote belangstelling voor de tentoonstelling droeg ertoe bij dat België in 1908 het beheer over de kolonie overnam, waarna 
het museum een permanent instituut werd ter 
verering van het koloniale project – een periode uit de geschiedenis die gekenmerkt werd door dwang-
arbeid, massamoorden en stelselmatige verminking. Het aantal doden dat tijdens die bezetting is gevallen, loopt naar schatting op tot 10 miljoen.

    De tijden veranderden, maar het museum bleef hetzelfde. Sinds de jaren zestig waren de uitstallingen nooit veranderd. Het museum was een symbool geworden van Belgiës verouderde en verheerlijkte versie van het koloniale verleden – en van zijn 
onvermogen om af te rekenen met de uitbuiting 
van de Congo. Aan directeur Gryseels de taak dat 
probleem op te lossen. Op een recent rondje door de nog halflege zalen van het museum wijst Gryseels naar de insignes van Leopold II – twee hoofdletters L, met de ruggen tegen elkaar – op het plafond van de grote hal van het oude gebouw. ‘Kijk, hij houdt je altijd in de gaten’, zegt hij.

    Beschavingsmissie

    Een koloniale nalatenschap aanpakken in een gebouw dat juist is opgericht om dat te verheerlijken, was een ‘enorme uitdaging’, vertelt Gryseels, die in 2001 startte als directeur en het jaar daarop plannen begon te maken voor de renovatie. ‘Alles in dat museum herinnert je aan dat koloniale verleden.’ Het paleisachtige gebouw geldt bovendien als 
monument, wat de veranderingen die Gryseels kon aanbrengen nogal beperkte.

    In een lichte, marmeren gang die twee galerijen met elkaar verbindt, gedenkt een muurschildering de zestienhonderd Belgische mannen die in de begintijd van de kolonie de dood vonden. Een aantal nog recent opgepoetste, gouden standbeelden, die in 
de muren van de voormalige ingang zijn geplaatst, bewieroken Belgiës ‘beschavingsmissie’ in de 
voormalige kolonie.

    Om de galerijen – met zalen gewijd aan biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen, taal en muziek, 
rituelen en ceremonieën, en kunsthistorie – te moderniseren heeft het museum omstreden woorden geschrapt, zoals ‘hut’, ‘oerwoud’, ‘pioniers’ en ‘ontdekt’. Elke nieuwe tekst werd onderworpen aan een gedegen en deskundige toetsing. Het museum onderzocht ook de nog niet vertelde verhalen en kamde de kolossale archieven uit om de verhalen achter anonieme Afrikaanse gezichten op talloze foto’s en videobeelden samen te voegen. Alles werd uit de kast gehaald om een compleet beeld te geven van Afrikanen in België, wier aanwezigheid in het land teruggaat tot de zestiende eeuw, iets wat grotendeels onbekend is gebleven bij het grote publiek.

    Wat betreft Leopolds menselijke dierentuin: de 
staf van het museum heeft de kinderen die speciaal daarvoor naar Brussel werden gebracht een naam kunnen geven. Ze hebben ook bewijsmateriaal 
ontdekt van kinderen van gemengd ras uit Congo, Burundi en Rwanda, die na de onafhankelijkheid 
in de jaren zestig naar België werden gestuurd. 
Velen van hen proberen nu nog steeds hun ouders 
op te sporen.

    Gryseels vertelt dat hij een poging heeft gedaan de prekoloniale Afrikaanse geschiedenis te beschrijven – ‘want veel Belgen denken dat Congo is ontdekt door (de Britse koloniaal Henry Morton) Stanley, 
terwijl het land in feite een lange, eigen geschiedenis heeft, ook op cultureel gebied’ – en het kolonialisme toe te lichten als wereldwijd fenomeen dat globalisering, slavenhandel en postkoloniaal Afrika omvat.

    Om te vermijden dat het verhaal alleen vanuit een blank perspectief werd verteld, heeft het museum advies gevraagd aan een groep experts op het gebied van de Afrikaanse diaspora. ‘Die groep had bijvoorbeeld grote bezwaren tegen de zalen waarin dieren werden tentoongesteld’, zegt Gryseels. ‘Ze zeiden: 
“Jij laat dieren zien alsof Europa de cultuur heeft 
en Afrika de natuur, en wij moeten onze natuur in stand houden opdat de blanken hun eigen milieu niet meer hoeven te beschermen.”’

    De grootste verandering is misschien wel de verschuiving in het eigen ideologische standpunt van het museum. ‘Wij zien onszelf als een forum voor debat. We veroordelen kolonialisme als systeem. 
Dat wordt nu zeer duidelijk gemaakt.’ Het nieuwe verhaal kon niet helemaal binnen de vier muren van het museum worden uitgedragen, zegt Gryseels, terwijl hij naar een nieuwe, nog lege zaal wijst waarin hedendaagse kunst van Afrikaanse en in de diaspora levende kunstenaars tentoongesteld zal worden. Het museum zal steunen op ‘nieuwe stemmen’ om werken te creëren die ‘een contrast vormen’ met de kolonialere aspecten ervan.

    In de grote hal, onder een serie standbeelden die Leopold II bewieroken omdat hij ‘licht bracht waar slechts duisternis heerste’, staat een moderne sculptuur van een reusachtig menselijk hoofd van de Congolese kunstenaar Aimé Mpane op de marmeren vloer te wachten om aan de muur bevestigd te worden. 
‘Er zijn nog steeds veel vraagtekens’, zegt Christine Bluard, die als kunsthistoricus meewerkte aan de renovatie. ‘Het idee is om het langzaamaan te voltooien, om aandacht te schenken aan de diaspora, om informatie te corrigeren en aan te vullen.’

    Het 
is een poging die (op zijn best) gemengde reacties heeft gekregen vanuit de diaspora zelf. Het museum is ‘bereid te luisteren naar wat we te zeggen hebben, maar we hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid’, zegt Mireille-Tsheusi Robert, activist en oprichter van de Afro-Belgische organisatie BAMKO. Zij noemt het feit dat het museum Afrikaanse kunstenaars en experts gebruikt een bewust geplande zet om het imago op te poetsen en internationale aandacht te genereren – wat niet zoveel verschilt 
van de menselijke dierentuin van Leopold II. ‘Als je mensen tentoonstelt, trek je meer bezoekers.’

    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
–  © Eric Lalmand / 
Belga Photo.
    Buste van Koning Leopold II tussen een olifant en een leeuw, met achter hem drie Afrikanen in inheems tenue. 
– © Eric Lalmand / 
Belga Photo.

    In een onlangs gepubliceerde open brief bekritiseerde Robert het verzoek van een staflid dat haar 
‘off the record’ had gevraagd om advies over hoe de samenwerking met de diaspora eruit moest zien. Ze beschuldigde het museum ervan Belgisch-Afrikaanse experts niet serieus genoeg te nemen om hen te betalen voor hun advies. Voor Laura Nsengiyumva, een Belgisch-Rwandese architect en promovendus, 
is de vernieuwing van het museum ‘hetzelfde oude verhaal van gemiste kansen’. Het plan om een zaal in te richten om het verhaal van de Afrikaanse diaspora te vertellen, kwam te laat in het renovatieproces en kreeg maar een ‘belachelijk klein’ budget, zegt Nsengiyumva, die was aangesteld als adviseur maar zich terugtrok toen ze het gevoel kreeg dat haar suggesties in de wind werden geslagen.

    Een apart voorstel voor een performance waarin ze een ijssculptuur van Leopold II zou laten smelten – dat werd afgewezen – was ‘een test om te kijken hoe ver ze wilden gaan’. 
‘Ik voelde me gecensureerd. Als excuus gaven ze dat dit een etnografisch instituut was dat geen ervaring heeft met het tonen van hedendaagse kunst. Maar eigenlijk is het hetzelfde koloniale gezichtspunt, want het museum staat vol met Afrikaanse kunst.’

    ‘Zolang er nog steeds koloniale standbeelden in onze straten staan, of zelfs zolang er nog geen monument voor de slachtoffers van de kolonisatie is opgericht, hebben we geen echte vooruitgang geboekt’, vindt Nsengiyumva. ‘Alleen nog maar piepkleine stapjes.’ De verschuiving in het aandachtspunt heeft ook mensen aan de andere kant van het ideologische spectrum tegen de haren in gestreken.

    Voor de 
Belgische anciens coloniaux – die elke vrijdagmiddag 
in het museum bijeenkomen – is het een verraad aan de nalatenschap van Leopold II en het resultaat van een door de Afrikaanse diaspora geleide poging om de geschiedenis van België ‘zwart te maken’. ‘Dat dit museum vandaag nog bestaat, komt door Leopold II’, zegt Paul Vannes, voorzitter van Mémoire du Congo, die zegt dat zijn organisatie ‘Belgen hun echte koloniale geschiedenis wil laten zien’. ‘Dankzij Leopold II is Brussel nu de hoofdstad van Europa. Hij heeft België een grotere presentie gegeven, een grotere natie gemaakt wat invloed betreft.’

    De groep ‘vertegenwoordigt een segment van de 
Belgische maatschappij dat nostalgisch terugkijkt en te oud is om zijn opvattingen te veranderen’, volgens kunsthistoricus Bluard. De groep is niet geraadpleegd over het renovatieproces. De ‘oude kolonialen’ vormen een kleine minderheid, maar hun trouw aan de mythe van Leopold II als humanitaire koning – een heerser die de slavernij heeft afgeschaft, wegen en scholen heeft aangelegd en Congo het christendom en de democratie heeft geschonken – past in een Belgisch nationaal verhaal dat moeilijk de kop ingedrukt kan worden.

    In hun jeugd hebben veel oudere Belgen meegemaakt dat hun plaatselijke kerk donaties en kleren verzamelde voor ‘goede werken’ in de Congo. Tegenwoordig kent ongeveer een op de drie Belgen iemand die gewoond of gewerkt heeft in de voormalige kolonie. Het is een onderwerp waarover door de politiek liever niet wordt gepraat en dat geen deel uitmaakt van het officiële leerplan op scholen.

    Om de machtsdynamiek te veranderen van een belangrijk openbaar instituut als het museum, dat voor ongeveer 80 procent door de overheid wordt gefinancierd, ‘heb je een lobby nodig’, zegt Adam Hochschild, schrijver van De geest van koning Leopold II, een geschiedenis van de Belgische bezetting van de Congo. ‘Geschiedenismusea weerspiegelen de machtsdynamiek in de maatschappij waarin ze bestaan’, zegt hij. ‘Geen enkel land gaat behoorlijk om met musea of openbare ruimten die van doen hebben met pijnlijke of moeilijke perioden uit het verleden, tenzij het daartoe gedwongen wordt.’

    Gedekoloniseerd

    Samen met De moord op Lumumba van Ludo De Witte, over de rol van België bij de aanslag op Congo’s eerste, democratisch gekozen leider, veroorzaakte Hochschilds boek in de late jaren negentig protesten die leidden tot een kort openbaar onderzoek naar 
de koloniale geschiedenis van het land. Maar over het algemeen wordt het onderwerp beschouwd als behorend tot ‘het verleden’.

    Afrikanen vormen de op twee na grootste niet-
Europese gemeenschap in België, maar ze hebben erg weinig politieke macht en nauwelijks enige 
vertegenwoordiging in het parlement, ondanks hun bovengemiddelde prestaties in het middelbaar onderwijs, zegt Ilke Adam, professor migratie en diversiteit aan de Vrije Universiteit Brussel. ‘In de laatste twee tot drie jaar zie je een paar zwarte 
stemmen verschijnen’, zegt Adam. ‘Het komt nu voornamelijk van een tweede generatie, een tweede golf van antiracisme. En het is nog maar héél recent. Op politiek niveau is er helemaal geen debat, daar is niets gebeurd. Mijn tienjarige dochter leert op school nog steeds dat Afrikanen in hutten wonen.’

    Gryseels zegt dat hij en anderen zich terdege bewust zijn van de gecompliceerde relatie van het museum met het verleden, en met het heden. ‘We proberen daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Ruim honderd jaar lang heeft het museum in wezen de boodschap 
uitgedragen dat blanken superieur zijn aan zwarten. Hele generaties kregen dat beeld van blanke 
superioriteit voorgeschoteld. Dat leidt natuurlijk 
tot een bepaalde houding in de samenleving, en dat erkennen we nu.’

    Wat het werk moeilijker maakt, is dat het museum zelf daar niet immuun voor is, zegt Bluard. ‘De mensen die hier werken, vormen een weerspiegeling van de Belgische maatschappij. Sommigen zijn gevoelig voor het onderwerp, anderen willen het gewoon niet erkennen. Het museum is een symbool, maar het is niet het enige dat gedekoloniseerd moet worden. Het gaat om de hele publieke ruimte.’

    Auteur: Esther King

    Politico
    België | dagblad | oplage 28.000

    Europese editie van de Amerikaanse onlinekrant met politieke actualiteiten, voornamelijk gericht op de Europese Unie en haar lidstaten. Een papieren versie wordt wekelijks verspreid in Europese hoofdsteden.

  • 2. Twee genieën van de orale literatuur

    2. Twee genieën van de orale literatuur

    Met hun kunst van het beledigen tonen Oxxxymiron en Slava KPSS zich 
waardige erfgenamen van de Romein Catullus. Ze slagen erin een stem te geven aan de woede en wanhoop van een groot deel van de Russische samenleving.

    Het moest ervan komen: de rap, een Afro-Amerikaanse muziekvorm, is het muzikale en literaire landschap van Rusland binnengedrongen en voor miljoenen mensen een manier geworden om uitdrukking te geven aan het hier en nu. Dat is niet in een dag gebeurd, maar in de loop van verschillende generaties. De nog levende rocksterren uit de jaren tachtig behoren inmiddels tot het establishment. Ze hebben de metamorfose ondergaan die onvermijdelijk is voor elke muzikant die uit de underground komt en succes heeft gekregen: dat succes was te groot om nog contact te houden met het grote publiek, dat in ellende is ondergedompeld. Net als vroeger heeft het grote publiek dagelijks te kampen met eindeloze moeilijkheden en voelt het niet alleen de noodzaak dat daarover gesproken wordt of geschreven op de sociale netwerken – het wil dat het wordt uitgeschreeuwd, dat zijn innerlijk lijden niet langer wordt toegedekt door de hypocrisie van de wereld. Het accepteert de televisiewerkelijkheid, maar zonder erin te geloven. Voor het grote publiek behoort de waarheid altijd de verdoemde dichters toe die hun toevlucht zoeken tot de undergroundcultuur, 
die ze voor geen geld zullen verlaten.

    Met de teksten die op 6 augustus door Miron Fjodorov en Vjatsjeslav Matsjnov werden gedebiteerd tijdens hun historische duel in club Versus in Sint-Petersburg werd de literaire vorm van het invectief weer van stal gehaald, die met opmerkelijke toewijding werd gepraktiseerd door de dichters van het oude Rome. Catullus, die overleed toen hij nog maar net dertig was, was waarschijnlijk een van de meesters van het genre. Het grootste deel van zijn oeuvre dat ons is nagelaten bestaat uit gedichten die uitermate grof zijn. Hij benadert in zijn teksten een maximum aan oraliteit. Zie bijvoorbeeld hoe hij zijn liefdesrivaal Furius beschimpt vanwege diens armoede: ‘Jij schijt nog geen tien keer per jaar, en wat je schijt is harder dan een boon of een kei, je zou het tussen je handen kunnen 
wrijven zonder ook maar een vinger 
te bevuilen.’

    Mettertijd is de vorm van het invectief alleen naar verhard. Uit de mond van Vjatjseslav Matsjnov, die zijn tegenstander diens langdurige verblijf in het buitenland wilde verwijten, klinkt het aldus: ‘Jij bent net generaal Vlassov, een smeerlap en een verrader. Je bent naar het andere kamp overgelopen zodra het nieuws uit Berlijn kwam.’
    [Generaal Andrej Vlassov van het Rode Leger had zich in 1942 bij Hitler 
aangesloten om in de gelederen van 
de Wehrmacht te strijden.] ‘Je hebt je makker sneller in de vuilnisbak gegooid dan een gangster zijn kebab. 
Ik zou je nooit mijn rug toevertrouwen, je bent net een dronken tatoeëerder.’ Onbeleefdheid is de kern van het invectief: ik zeg wat ik denk.

    Elk project waaraan hij zijn medewerking, zijn genialiteit verleent, heeft ongelooflijk veel succes. Elke muzikant die door Oxxxymiron wordt genoemd ziet zijn populariteit onmiddellijk stijgen

    Miron Fjodorov, alias Oxxxymiron, afgestudeerd in middeleeuwse literatuur in Oxford, is een van de sleutelfiguren van de Russische rap, ook al moest hij in deze opzienbarende battle het onderspit delven. Ziehier hoe Andrej Komarov, die een dissertatie over de rapper heeft geschreven, het verwoordt: ‘Oxxxymiron heeft een 
bijdrage geleverd aan de opkomst van de battle in Rusland. Tot deze recente battle leek hij de lat onbereikbaar hoog te hebben gelegd. Hij is de eerste Russische rapper die een album heeft uitgebracht dat niet uit onsamenhangende flarden bestaat, maar waarvan de muziek een continu verhaal vormt. Daarmee is Oxxxymiron, die eerder als tolk werkte, een van de markantste componisten van ons land geworden. Onder zijn invloed is de Russische rap veranderd, intelligenter geworden. Oxxxymiron heeft een weg gebaand die ook anderen op hun beurt hebben willen volgen. Hij creëert niet alleen maar muziek, hij geeft de subcultuur van een hele generatie vorm. Elk project waaraan hij zijn medewerking, zijn genialiteit verleent, heeft ongelooflijk veel succes. Elke muzikant die door Oxxxymiron wordt genoemd ziet zijn populariteit onmiddellijk stijgen. Hij is momenteel, gezien het aantal fans dat hij in Rusland en het buitenland heeft, de belangrijkste kwaliteitsvertolker van het genre. Door zijn persoonlijkheid en zijn oeuvre heeft Oxxxymiron laten zien dat de rap niet alleen maar muziek is van onnozelaars, maar een stap voorwaarts in de ontwikkeling van de orale literatuur. Juist om die reden is hij een volstrekt unieke en waardevolle vertegenwoordiger van deze cultuur.’

    De battle tussen Oxxxymiron en Slava KPSS (een van de pseudoniemen van Vjatsjeslav Matsjnov) betekent het startpunt van een nieuw tijdperk: de rappers zullen voortaan de aandacht trekken van de grote media. Daarmee komen ze in dezelfde fase als de rockers halverwege de jaren negentig. De hoogtijdagen van die laatsten hebben minstens tien jaar geduurd. Maar de gouden tijd van de rap zou weleens veel korter kunnen blijken. Het potentieel is niet hetzelfde, en de media zijn meedogenlozer geworden.

    Auteur: Vjatsjeslav Soerikov
    Vertaler: Peter Bergsma