In het Amerikaanse Charlottesville leidde een demonstratie tegen een standbeeld van de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tot een geweldsexplosie. En de vraag: wat moeten we met dit soort monumenten? Volgens (kunst)historicus Holland Cotter is het het beste ze in musea te bewaren. ‘Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten.’
Dit is een zomer van herhalingen. De cultuuroorlogen zijn terug. Evenals de burgerrechtenbeweging. En de Burgeroorlog. Op 12 augustus deden die zich allemaal gelden in Charlottesville, Virginia, toen een demonstratie tegen de voorgenomen verwijdering uit een stadspark van een standbeeld van generaal Robert E. Lee, een generaal van het zuidelijke leger, tot een geweldsexplosie leidde. Twee groepen demonstranten kwamen samen en gingen met elkaar op de vuist: een bataljon blanke nationalisten, neonazi’s en Ku Klux Klan-aanhangers enerzijds, en een groep tegendemonstranten, van wie sommigen met Black Lives Matter-borden liepen.
Vervolgens was er een tweede uitbarsting, nu op internet, toen president Donald J. Trump zich er, na een betekenisvolle stilte, vanaf maakte door beide partijen de schuld te geven van al het geweld. (‘Hoe zit het dan met het geweld van alt-links?’) Hij plaatste Robert E. Lee op één lijn met George Washington. Hij roemde de ‘schoonheid’ van het standbeeld van Lee en betreurde het verlies van andere standbeelden van geconfedereerden.
Het is waar dat ook andere standbeelden gevaar lopen. Door de gebeurtenissen in Charlottesville en door de opmerkingen van de president, is er een zekere bewustwording op gang gekomen, een roep om alle standbeelden die herinneringen oproepen aan de Burgeroorlog weg te halen – of er juist voor te vechten. Er dient zich een verhitte ideologische strijd aan. Voor de demonstrerende blank-nationalisten is Lee een held, en symboliseert zijn standbeeld de blanke overheersing die, in een Amerika dat gestaag van kleur verandert, terrein verliest.
Voor de raciaal gemengde contraprotestanten is hetzelfde standbeeld een herinnering aan de tijd dat de Zuidelijke Staten het land in tweeën wilde verdelen teneinde de zwarten als slaven te kunnen houden.
Het gaat er niet bepaald netjes aan toe – de strijd kan niet worden beslecht met een opgestoken of naar beneden gekeerd duimpje. De standbeelden die het slachtoffer worden van deze strijd kunnen geheel verloren gaan, mogelijk voorgoed. De dag na de protesten gaan er beelden rond van demonstranten in Durham, North Carolina, waar een bronzen beeld van een Zuidelijke soldaat van zijn sokkel wordt getrokken. In Baltimore worden die woensdag, in het holst van de nacht, vier monumentale beelden die verwijzen naar de geconfedereerden in bestelwagens geladen en weggereden.
Overal in het land klinkt de roep om dergelijke acties – in Annapolis, Maryland; in Jacksonville, Florida; in Memphis; in Washington; in New York, waar burgemeester Bill de Blasio opdracht heeft gegeven om alle ‘symbolen van haat’ in de stad in kaart te brengen. (Eentje was snel gevonden: een muur in de subway van Times Square, met tegeltjes die, daar waren de onderzoekers het al snel over eens, het patroon van de vlag van de Zuidelijke Staten vormden.)
Niets nieuws
Het vernielen van standbeelden uit sociale, politieke of religieuze motieven is niets nieuws. In het oude Egypte was het gebruikelijk dat de farao afbeeldingen van voorgangers schond of voor andere doeleinden gebruikte. In Noord-Europa werd tijdens de protestantse reformatie kunst uit katholieke kerken gehaald. De nazi’s zuiverden Europa van ‘ontaarde’ moderne schilderkunst. Mao Zedong scheurde, in zijn ‘Vier Oude Dingen’-campagne, klassieke landschappen aan flarden.
Van recenter datum zijn de reusachtige Boeddha’s van Bamyan in Afghanistan, die de taliban in 2001 heeft opgeblazen. De beelden hiervan zijn de hele wereld over gegaan. Datzelfde geldt voor de opnamen van twee jaar later, van het reusachtige beeld van Saddam Hoessein dat in Bagdad omver werd getrokken. Eerder dit jaar heeft een Engelse kunstenares, Hannah Black, de curatoren van de Whitney Biënnale verzocht om een schilderij te verwijderen – een schilderij van een blanke kunstenares, Dana Schutz, waarop de tot martelaar uitgegroeide Emmett Till staat afgebeeld [een veertienjarige Afro-Amerikaanse jongen die in 1955 werd gelyncht in Mississippi nadat een blanke vrouw aanstoot aan hen nam].
In principe lijkt het me heel gezond om beelden van geconfedereerde nationalisten in kaart te brengen en weg te halen. De burger in mij – die, net als elke Amerikaan dagelijks getuige is van racisme, het virus dat door ons land waart – is verheugd over de mogelijkheid om bepaalde sporen van de geschiedenis van ons land uit te wissen. De kunsthistoricus in mij is verheugd daarmee te kunnen afrekenen, maar om een andere reden.
In tegenstelling tot president Trump kan ik weinig schoonheid ontwaren in het standbeeld van Robert E. Lee, met zijn gladde, neoklassieke nietszeggendheid. In Lee zelf zie ik een verrader die oorlog voerde tegen de Verenigde Staten, in een strijd voor een systeem van slavernij dat niet valt te verdedigen.
Ook zie ik een werk dat niet helemaal is wat het lijkt, een reliek uit de Burgeroorlog. Zoals geldt voor veel militaire monumenten van de geconfedereerden, dateert ook dit standbeeld van ver na de oorlog – uit 1924 om precies te zijn, en het is vervaardigd in New York, voor het grootste deel door Henry Merwin Shrady, die met name bekend is geworden door zijn standbeeld van Ulysses S. Grant dat voor het United States Capitol in Washington staat. Na Shrady’s dood is het standbeeld voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Leo Lentelli.
In de decennia tussen 1890 en 1920 namen dit soort opdrachten een hoge vlucht. In die jaren na de wederopbouw kwam de politieke macht weer in handen van blanke zuiderlingen, en kwam de Lost Cause-beweging op. Die laatste verwijst naar een collectieve fantasie van een geïdealiseerde antebellumwereld waarin de behandeling van slaven dermate zachtaardig was dat dit onmogelijk een belangrijke factor kon zijn geweest voor het uitbreken van de Burgeroorlog.
Om kort te gaan: het Charlottesville-Lee-standbeeld heeft veel minder van doen met het gedenken van zowel een held als een cultuur die weliswaar verloren is gegaan maar niet vergeten, dan met gevoelens van weemoed die worden aangewend om de werkelijkheid te verzachten van een heden waarin heimelijk van alles broeit. Het zal geen verbazing wekken dat in de jaren waarin dit beeld het licht zag, een sterke toename was te zien van blank-nationalistisch activisme en racistisch geweld.
Musea zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen
Het is belangrijk om het conceptuele mechanisme van een dergelijk beeld te doorgronden: hoe het door middel van stijl en bedrog boodschappen uitzendt die door verschillende soorten publiek op verschillende manieren kunnen worden gelezen. En die boodschappen worden heel duidelijk, en gevaarlijk, verspreid in het heden. De gewelddadige verdediging van het Lee-standbeeld in Charlottesville bewijst dat eens te meer en maakt ook dat ik, als historicus, die beelden wil behouden in plaats van ze te vernietigen.
Zoals gezegd zijn mijn redenen pragmatisch. Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten. Het moet bewaard blijven voor het openbaar ministerie. In het geval van dit soort beelden is de officier van justitie de geschiedenis en kan het proces lang duren, tot ver in de toekomst voortslepen, en kunnen talloze getuigen worden opgeroepen. Men moet waken voor een overhaast oordeel en drastische beslissingen.
Dus wat te doen met deze beelden, die nu evenzeer symbool staan voor racisme als de vlag van de Geconfedereerden? Een conservator zou kunnen zeggen: voorzie ze van een toelichting en behoud ze binnen de bedoelde context. Maar waar het mij om gaat is die context veranderen, de magie doorbreken, het stof van een vals soort nostalgie eraf kloppen, onszelf wakker schudden. Bovendien, als je de beelden verplaatst, kan er iets anders voor terugkomen, kun je nieuwe verhalen introduceren.
En waar moeten ze dan naartoe? Naar al bestaande of nog te bouwen musea, in of buiten de stad. Daar kunnen ze in zekere zin worden bewaard, toegankelijk maar onder gecontroleerde omstandigheden, en kunnen ze worden getoond als de propaganda die ze zijn. Om dat mogelijk te maken zullen musea afstand moeten doen van hun vermeende ideologische neutraliteit. Ze zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen.
Oefenterrein
Onze encyclopedische musea, zoals het Met, zijn reusachtige pakhuizen vol voorwerpen van over de hele wereld die zijn bedoeld om precies dat te doen wat de beelden van de Geconfedereerden beoogden: om een ideologische boodschap uit te dragen, met ethische beelden die we stuitend zouden kunnen vinden als we in staat zouden zijn de visuele symbolen te duiden – de taal die taal overstijgt. We moeten leren symbolen te lezen met wijd open ogen, in onze eigen politieke realiteit van vandaag de dag, in een tijd van razendsnelle tweets en elektronische afleiding.
Musea kunnen fungeren als oefenterrein voor een dergelijke manier van lezen, maar om echt effectief te zijn zullen ze eerst moeten onderkennen dat ze in historisch opzicht niet alleen een hall of fame zijn, maar ook een hall of shame.
In reactie op de voorgenomen verwijdering van het standbeeld in Charlottesville, en andere standbeelden, twitterde president Trump: ‘Robert E. Lee, Stonewall Jackson – wie is de volgende? Jefferson? Washington? Zo dom! Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar je kunt er wel van leren.’
Mis. Je kunt de geschiedenis wel veranderen, omdat je je kijk op de geschiedenis kunt veranderen. Die ligt nooit vast, al willen de Lost Cause-gedachte en de hedendaagse blank-nationalisten ons anders doen geloven. Door te graven naar beelden en woorden in dat wat we het verleden noemen, hebben wetenschappers het verleden veranderd, de cycli in kaart gebracht, er nieuwe informatie aan ontleend. Wat wij kunnen doen is bewijsmateriaal vergaren, of we er blij mee zijn of niet, en dat doorgeven.
Auteur: Holland Cotter
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Na de Duitse hereniging ging het een tijdlang bergafwaarts met Leipzig. Maar inmiddels beleeft de duizend jaar oude stad een opmerkelijke renaissance en steekt ze zelfs Berlijn naar de kroon.
Vaak is het zo dat een droom lange tijd in stilte groeit, voor hij in het volle licht treedt. In Leipzig ging dat anders – daar brak die droom met een oerkreet naar buiten, de oerkreet van tienduizenden dolgelukkige voetbalfans die de sensatie vierden met gejuich en gezang. Een oerkreet die oversloeg op een hele stad.
Het was op een avond, laat in de zomer van 2016, dat Naby Keita in het stadion van RB Leipzig na 89 zenuwslopende minuten de bal achter de doelman van Borussia Dortmund in het net joeg. Bierbekers vlogen door de lucht, fans vielen elkaar in de armen, iedereen ging uit zijn dak – Leipzig deed weer mee.
1-0 tegen de nummer twee van Duitsland, het was de eerste zege in de Bundesliga voor de pas gepromoveerde ploeg waar heel veel Duitse voetbalfans op neerkijken. Tot dan toe was het een kwestie geweest van willen en de beurs trekken. Red Bull koopt een club, en die wordt door iedereen gehaat. Leipzig trotseerde die haat, stad en club vonden elkaar, bijna elke thuiswedstrijd was al weken van tevoren uitverkocht. Maar de avond waarop Naby Keita de Borussen versloeg, was het echte moment waarop de haters de mond werd gesnoerd. Het was de dag waarop ze in Leipzig openlijk begonnen te dromen.
Negen maanden later is die droom werkelijkheid geworden. RB – de twee letters staan voor RasenBallsport (balsport op gras), maar natuurlijk ook voor sponsor Red Bull – eindigt in de competitie op de tweede plaats, voor Borussia Dortmund; het hoeft alleen het oppermachtige Bayern voor zich te dulden.
Wanneer de ploeg in de laatste thuiswedstrijd uiteindelijk met 4-5 het onderspit delft tegen de landskampioen uit München, maakt de frustratie al snel plaats voor trots. Deze club, dweept burgemeester Burkhard Jung, ‘staat symbool voor de opleving van een totale stad’.
De neergang van Leipzig werd ingezet ten tijde van de DDR en bereikte haar dieptepunt bij de Duitse hereniging, toen hele reeksen fabrieken gesloten moesten worden. Nu laat de stad deze neergang niet alleen achter zich, maar zit ze weer in de lift, met een ongelooflijke dynamiek – en niet alleen in de Bundesliga. Jung heeft gelijk: RB is geen doekje voor het bloeden, maar staat symbool voor die bloei.
Het zijn figuren zoals Naby Keita waardoor de mensen worden meegesleept. Aanvankelijk had hij zich in Leipzig eenzaam gevoeld, zo vertelt de 22-jarige middenvelder, die het voetbal leerde in de straten van de Guineese hoofdstad Conakry. Tegenwoordig is er vaak een hele entourage om de speler heen, vrienden en familie. Vooral dankzij maman, zijn moeder, voelt hij zich in Leipzig inmiddels thuis. Maar heel goed kent hij zijn nieuwe vaderstad nog niet. Daarvoor ontbreekt het hem aan tijd.
Ook andere sterren houden van de stad. Ze hebben gehoord dat het er anders moet zijn dan elders in het oosten van Duitsland. In Berlijn of Hamburg hoor je vaak zeggen: ‘Als ik op een andere plek in Duitsland zou moeten wonen, dan alleen in Leipzig.’ Sommigen doen dat ook. Nog maar kort geleden kocht Elyas M’Barek, het tieneridool uit Fack Ju Göhte [een populaire Duitse filmkomedie uit 2013], die eigenlijk in München woont en vaak in Berlijn is, een villa aan de zuidkant van het centrum.
Wel bijzonder: deze stad is niet klein te krijgen. Er steekt in haar iets dat steeds weer de kop opsteekt, naar de top, de wereld in. Die kwaliteit wekte niet alleen bewondering, maar ook jaloezie en nijd. De altijd felle Maarten Luther trok in de vroege jaren veertig van de zestiende eeuw al van leer tegen ‘hoererij en woeker’ in de jaarbeursstad. Ook de zich als edelman voordoende August Maurer die brieven schreef over Leipzig im Taumel (Leipzig in roes), stelde het zedenverval aan de kaak. ‘Zo veel lage schepsels en verdorven meisjes kan men alleen aantreffen tijdens de Leipziger jaarbeurs’, schreef hij aan het eind van de achttiende eeuw.
In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide
Maar met de start van de eenentwintigste eeuw begon de hype. Toen ontdekte The New York Times Leipzig als ‘the better Berlin’, tenminste voor jonge creatievelingen. Ook de Britse Guardian zag een stad ‘better than the capital’. Al gauw prezen alle lokale kranten ‘Hypezig’ de hemel in.
Wie zich afvraagt wat deze stad heeft wat andere steden niet hebben, moet misschien maar eens een blik werpen op de menukaarten en de namen van nieuwe horecagelegenheden. Ook hieruit spreekt de geest van de stad. Königsberger Klopse (een Oost-Pruisische specialiteit) en ook de nodige gerechten met curry. Bier van hier en rum van ver, dat alles overgoten met een zoet smakend restje communistische saus.
‘Subbotnik’ heet een restaurant, genoemd naar de extra werkdag die de arbeiders in de Sovjet-Unie aan hun Partij moesten schenken. ‘Werk 2’ luidt de naam van een cultuurcentrum in het stadsdeel Connewitz. De grote fabriekspoort roept beelden op van de proletarische massa’s die hier ooit onderdoor liepen. Wie de DDR heeft meegemaakt, zal het zich zeker kunnen herinneren.
Dat is het: de heimat, maar ook de wereld. In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide.
Iemand die zich hierdoor aangetrokken voelde, is Lizette Ardelean. Het is het oeroude verhaal van het zoeken naar de juiste plek om te wonen – een plek die schittert, die een belofte betekent. Ardelean is twintig als ze het Roemeense Oradea inruilt voor Leipzig.
Drie jaar geleden is dat nu en ze belandt meteen in de legendarische katoenspinnerij van Plagwitz, een gigantische fabriek die een plek voor de kunsten werd. Galeries, ateliers van bekende schilders en tweemaal per jaar de zogeheten spinnerijrondgang. Dan trekt half Leipzig door haar wereldberoemde kunstfabriek en mengt de lokale bevolking zich tussen verzamelaars en kenners die van over de hele wereld komen. Bij de allereerste rondgang, zo vertellen de Leipzigers elkaar, zouden alle parkeerplekken voor privéjets op de luchthaven bezet zijn geweest.
Ardelean woont een tijdje met een kunstenaarsechtpaar in hun loft in de spinnerij. ‘Een mooie tijd,’ zo herinnert ze zich. Ze krijgt van hen een fiets en in haar eerste zomer in Leipzig doet ze daarmee wat iedereen hier doet: de stad verkennen, overdag en ’s nachts. En ook de vele meren buiten de stad.
Aan het eind van die eerste zomer begint ze met bloggen en zet ze een magazine op dat ze Effusive noemt. Nog altijd verwondert ze zich over het gemak waarmee zij als buitenlandse journaliste hier voet aan de grond kon krijgen. De mooie tijd in de spinnerij ligt achter haar; ze woont nu in het duidelijk minder hippe Altlindenau.
Die wijk heeft twee gezichten, vertelt ze. Overdag is het er rustig, je ziet veel vriendelijke gezichten en treft er winkels aan die zo Oost-Duits aandoen dat sommige toeristen denken dat deze speciaal voor hen zijn ingericht. Maar het is gewoon nooit gestopt – de lampen, de behangsels, de ragouts en dat typische DDR-softijs, het is er allemaal gewoon nog. Maar wanneer de zon onder is, toont de wijk zich van zijn minder vriendelijke kant – dan slaan de bierglazen tegen de stoep en trekt de wijk nachtbrakers en zwervers aan.
Goedkope huren, goedkoop bier
Hier wonen studenten, creatievelingen, jonge gezinnen. Bij Subbotnik kost een biertje 1,80 euro. Goedkope huren, goedkoop bier – voor veel studenten twee goede redenen om naar Leipzig te komen. Maar ook hier is verandering merkbaar, stijgen de huren en dus trekken veel mensen weer weg.
Maar dat geldt niet voor Lara Rüter. Voor nog geen 1000 euro kan zij in Eutritzsch leven, een stadsdeel in het noorden van Leipzig. Voor een metropool zoals Berlijn zou zoiets onvoorstelbaar zijn. De 26-jarige vrouw studeert aan het Duitse Instituut voor Literatuur. Ze is geboren in Hannover en belandde via Hildesheim en Berlijn in Leipzig. ‘Hier is mijn thuis,’ zegt ze over haar tweede vaderstad.
Het instituut waarvan de oorsprong teruggaat op het jaar 1955, is vergeleken bij de eerbiedwaardige bakens van Leipziger cultuur zoals het Gewandhaus (concertgebouw) en het koor van de Thomaskerk (waarvoor Johann Sebastian Bach als cantor werkte) bepaald jong. Afgestudeerd aan het instituut zijn onder meer Clemens Meyer en Juli Zeh [allebei succesvolle Duitse romanschrijvers].
Ook blogster Ardelean wil studeren. Fotografie, aan de Hogeschool voor Grafiek en Boekkunst, een van de oudste openbare kunstacademies van Duitsland. Berlijn is haar te groot, zegt ze. In Leipzig maak je gemakkelijker vrienden. Leipzig is het Berlijn voor de lafaards, zeggen spotters.
De Leipzigers – ook de nieuwe – ergeren zich over al die vergelijkingen met Berlijn. Voor een traditiebewuste Saks is Berlijn een parvenu: als grote stad nog geen honderdvijftig jaar oud. Vergelijk dat eens met Leipzig, dat in haar duizendjarige geschiedenis al vaak in een heel andere divisie speelde. De stad beschikt over een aanzienlijk niveau en ligt ‘een paar flinke mijlen boven de cultuurzeespiegel Berlijn’, schreef de grote journalist Joseph Roth in een reisrapportage uit 1922. ‘Leipzig is de literaire graanschuur van de Duitse landen. Vanuit hier gaan lectuur en lexicon de wereld over. Met name deze stad maakte van het Duitse Rijk het land van de meeste geletterden.’
Maar ook in recentere tijden heeft Leipzig goede redenen voor een solide zelfbewustzijn tegenover de hoofdstad. In de herfst van 1989, toen de maandagse demonstraties aanzwollen en uiteindelijk tienduizenden Wir sind das Volk roepend over de ringweg rond de binnenstad trokken, was het Leipzig dat als Heldenstadt gevierd werd. en niet Berlijn, waar de SED-elites erin slaagden het protest min of meer in de hand te houden.
En zo staat niet Berlijn maar juist Leipzig voor de vrijheidsrevolutie van 1989. Rebels was de stad altijd al. In 1965 gingen bij de zogenaamde Beatkrawalle honderden de straat op om te protesteren tegen het verbod op beatmuziek – maar liefst 54 van de 58 officieel geregistreerde bands in de stad werden toen verboden.
Toen Siegfried Bülow aan het begin van de jaren negentig in het weekend terugkeerde naar zijn flat in Chemnitz en vanaf zijn balkon op de elfde verdieping uitkeek over het Ertsgebergte, dacht hij dat het hem gelukt was. De in 1952 geboren Saks had al tijdens de DDR carrière gemaakt. Na een opleiding tot instrumentmaker studeerde hij machinebouw en schopte het tot directeur van de Chemnitzer Motorenwerke.
Toen later het Volkswagenconcern het bedrijf overnam, bood deze autofabrikant ook Bülow een baan aan. Hoewel automan Bülow nu moest pendelen tussen Chemnitz en Wolfsburg, was hij toch tevreden. Heel wat van zijn collega’s werkten in bedrijven van de Treuhandanstalt (het agentschap dat na de hereniging van Duitsland Oost-Duitse ondernemingen privatiseerde) en wisten niet wat de toekomst zou brengen. Anderen konden niet meekomen in het kapitalistische systeem en raakten werkloos. Bülow daarentegen was een gewild man. Op een dag in 1999 ging zijn telefoon, en een man aan de lijn vroeg: ‘Een groot autobedrijf wil in het oosten, bij u in de buurt, een fabriek bouwen. Hebt u belangstelling?’
Bülow had belangstelling. Wat hij aanvankelijk niet wist, was dat de headhunter het over Porsche had. Porsche! Een schitterend merk dat voor passie staat, een autobouwer die in heel de wereld uiterst winstgevend is. Uitgerekend voor dit concern moest Bülow, ooit verantwoordelijk voor de montage van de Barkas, het logge DDR-bestelbusje, een nieuw productiebedrijf opbouwen. In februari 2000 werd in een maisveld vlak bij de luchthaven van Leipzig de eerste steen voor de nieuwe fabriek gelegd, die in augustus 2002 feestelijk werd geopend. Het was een tijd waarin alles mogelijk leek. ‘De stemming was euforisch,’ herinnert Bülow zich. Een baan bij Porsche Leipzig GmbH, zoals de firma heet, was een lot uit de loterij.
Later zou de vestiging een keerpunt blijken te zijn in de economische geschiedenis van de stad. Vlak voor de arbeiders- en boerenrepubliek ten onderging, kende de Leipziger industrie nog meer dan honderdduizend arbeidsplaatsen. Veel daarvan waren allang niet meer concurrerend.
Toen de muur viel en het kapitalisme zijn intrek nam, ging het pijlsnel bergafwaarts. Er bleven nog geen negenduizend banen over, veel te weinig om de stad van een half miljoen inwoners te onderhouden.
Toen kwam Porsche – en daarna algauw ook BMW. Alleen al de autofabrikanten schiepen meer dan tienduizend banen. Beide fabrieken liggen maar 13 kilometer van elkaar vandaan. Langs de A14, aan de noordrand van de stad, rijgen de bedrijven zich als parels aaneen. Amazon heeft een groot logistiek centrum gebouwd en pakketdienst DHL heeft de luchthaven uitgebouwd tot het op vier na grootste vrachtvliegveld van Europa.
Sinds 1991 was het werkloosheidspercentage in Leipzig nog nooit zo laag, momenteel ligt het op 7,7 procent. Ter vergelijking: in 2002 lag het rond de 20 procent. Tussen 2010 en 2015 liet de jaarbeursstad een groei zien van ruim 17 procent op een aantal van bijna 250.000 werknemers. Daarmee staat Leipzig in Duitsland bovenaan, nog voor München.
Ook vanwege de werkgelegenheid komen elk jaar duizenden mensen naar de stad. In de afgelopen vijf jaar kwamen er 62.000 nieuwe inwoners bij – een groei die geen enkele andere grote Duitse stad kan laten zien. En waarmee niemand had gerekend.
In 2005 werd aan de Humboldtuniversiteit van Berlijn nog een proefschrift verdedigd over ‘gemeentepolitiek in krimpsteden’. Daarin werd Leipzig vergeleken met Duisburg, beide steden werden als een extreem voorbeeld van demografische neergang beschreven. En dat klopte ook: met haar inwonertal was Leipzig in 1998 afgegleden naar plaats vijftien. Maar vervolgens haalde de Saksische metropool eerst Dresden in, toen Neurenberg en daarna Duisburg, Hannover en Bremen. Vaststaat dat de stad binnenkort ook Essen en Dortmund achter zich zal laten. Daarmee is het de op zeven na grootste stad van het land. Momenteel telt Leipzig bijna 584.000 inwoners; voor het jaar 2030 rekent men op het stadhuis op 722.000.
In plaats van krimpen is het dus groeien wat de klok slaat. Overal ontstaan nieuwe stadswijkjes, zoals vlak naast het centraal station, aan de Lindenauer Hafen of bij de Bayerischer Bahnhof. Leipzig beleeft op dit moment een nieuwe Gründerzeit (de tijd van grote economische opbloei in Duitsland na de stichting van het keizerrijk in 1871).
Na de orkestrepetitie, als niemand kijkt, maakt de Letse dirigent Andris Nelsons een radslag. Niet zo perfect als bij een ballerina, maar toch een prima radslag; zijn zwarte overhemd glipt daarbij een stukje uit zijn zwarte broek. Soms draagt Nelsons onder zijn zwarte overhemd een wit T-shirt, dan komt het wit achter zijn openstaande boord tevoorschijn en heeft hij wel iets weg van een geestelijke.
In zekere zin, zegt Nelsons, is een dirigent ook missionaris, bemiddelaar tussen twee werelden, die van de orkestleden en die van het publiek. Met name in Leipzig, de stad met zo’n unieke muzikale traditie, werkt dat goed. De betrekkelijk geringe omvang van de stad, heel compact ook, is voor hem als kunstenaar perfect. ‘Hier kan ik veel mensen bereiken.’ Ook op het leven hier verheugt hij zich al.
In het komende seizoen, waarin het Gewandhausorchester zijn 275e verjaardag viert, zal Nelsons Riccardo Chailly opvolgen als dirigent. Daarmee treedt hij toe tot een traditie die bepaald glanst van grote namen – van Felix Mendelssohn Bartholdy en Wilhem Furtwängler tot Kurt Masur. Een traditie die een minder van zijn missie overtuigde man de moed in de schoenen zou doen zinken.
Nelsons gaat er enthousiast aan staan. Het is natuurlijk ook prestigieus, zo geeft hij toe, om hier te mogen werken. Hij is in 1978 geboren in de Sovjet-Unie, maar wel in het nooit helemaal door Sovjet-Rusland gevormde Riga. En ja, tot op zekere hoogte doet Leipzig, dat ooit achter het IJzeren Gordijn lag, hem denken aan zijn vaderland.
Sinds drie jaar is hij chef-dirigent van het Boston Symphony Orchestra – daar hing al enigszins een Leipzig-achtige geur. Want de Symphony Hall in Boston werd ooit gemodelleerd naar het oude concertgebouw van de jaarbeursstad. Nelsons zal zowel in Boston als in Leipzig dirigeren – en slaat zo een heel eigen Atlantische brug tussen evenbeeld en voorbeeld. Wanneer hij die avond voor een uitverkochte zaal zijn orkest aanvuurt en intoomt, en zelf tot het uiterste gaat, danst hij er zelfs iets bij.
Gentrificering en misdaad
Leipzig danst, Leipzig bloeit. Voorbij zijn de tijden waarin de stad in de Berlijnse kranten met advertenties als ‘Kom naar Leipzig, wij hebben ruimte’ naar inwoners hengelde. In de stad met haar kolossale huizen, hoge plafonds en ooit voordelige huren, wordt het krapper en duurder. Er gebeurt wat er altijd in zo’n situatie gebeurt. Sommige kunstenaars trekken een wijk verder oostwaarts, naar Leipzig-Neustadt, naar de beruchte Eisenbahnstraße.
Het is een wedloop – ook investeerders slapen niet. Ze zien in een van de laatste nog niet gegentrificeerde wijken uit de Gründerzeit een goudmijn, ondanks de criminaliteitscijfers die er hoger zijn dan waar ook in het land.
Leipzig lijkt inderdaad een bijzondere aantrekkingskracht uit te oefenen op criminelen. De stad staat op plaats twee, niet alleen in de Bundesliga, maar ook in de ranking van gevaarlijkste Duitse steden. Vorig jaar kende de stad op elke 100.000 inwoners 15.811 misdrijven. Meer dan in Hannover (15.764 delicten), meer zelfs dan in Frankfurt am Main (15.671), jarenlang in Duitsland het bolwerk van criminaliteit. Alleen Berlijn doet het met 16.161 delicten nog slechter.
Leipzig, zo zeggen cynici, is allang het kleine Chicago van de Bondsrepubliek. De bijna 89.000 misdrijven in 2016 betekenden een stijging van 20 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Vooral de cijfers van eigendomsdelicten, diefstallen en woninginbraken vliegen omhoog. Met name de drugsscene zorgt voor problemen. Leipzig ligt in het centrum van drugsstromen in het midden van Duitsland, zegt een woordvoerder.
De stad is ook altijd weer een politiek slachtveld. Links tegen rechts. Links tegen de staat. Rechts tegen de staat. Eind 2015 escaleerde de situatie bij een demonstratie van neonazi’s, toen meer dan tweeduizend linkse tegendemonstranten hevig slag leverden met de politie. Tientallen agenten raakten daarbij gewond.
Duizenden spoelen zingen, honderden wolkammachines ratelen in de stoffige, verstikkende lucht, een oorverdovend lawaai. Grote, oude industrie – de Leipziger katoenspinnerij, de grootste in zijn soort op het Europese continent. Hier werkten in 1989 nog bijna 1700 mensen, in meerderheid vrouwen. Een van de jonge vrouwen was Katrin Heichel, en soms maakt het leven merkwaardige capriolen, soms lukt zelfs een synchroonsprong. De sprong vanuit een huishoudschort naar het cultuurbezeten heden, ze hebben hem beide synchroon uitgevoerd: de oude spinnerij die een kunstfabriek werd en de jonge vrouw die er werd opgeleid tot vakarbeider textiel en die later schilderes werd. ‘Ik droomde er tijdens mijn werk altijd al van dat op deze plek ooit cultuur geschapen en gestimuleerd zou worden,’ zegt ze.
Nu is Heichel 45. Ze staat in haar atelier, naar eigen zeggen een van de laatste vrijplaatsen in het centrum van Leipzig. Ze is in deze stad geboren en groeide op in de burgerlijke wijk Gohlis. Ten tijde van de DDR was Leipzig een grauwe stad, vertelt ze, in het zuiden werd bruinkool ontgonnen. Ze moest voortijdig van school, naar eigen zeggen ongewild: te eigenzinnig en onaangepast. Naast Heichels ateliergemeenschap moet nu een kinderdagverblijf verrijzen. ‘Daarvoor worden veel oude bomen gerooid,’ zegt ze boos. De schilderes is een van die Leipzigers met een donkerbruin vermoeden dat het binnenkort wel eens voorbij zou kunnen zijn met de postsocialistische coolness van de stad – met de vreedzame co-existentie van vroeger en nu, met goedkope ateliers en nostalgie met een knipoog.
De liefde voor haar vaderstad heeft min of meer plaatsgemaakt voor woede, zegt Heichel. De stad is gewoon te gladjes geworden. Te perfect, te gehypet.
Leipzig groeit niet alleen door zijn immigranten, ook de babyboom gaat onverminderd door. Sinds 2014 worden er meer mensen geboren dan er overlijden. In combinatie met de trek van vooral jonge volwassenen naar de stad leidt dit ertoe dat de gemiddelde leeftijd van de bevolking daalt. Leipzig is een jonge stad.
Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.
De Israëlische auteur Yuval Noah Harari kreeg na het immense succes van zijn boek Sapiens de status van een wijsgeer ‘die van alle markten thuis is’. Voor The Observer beantwoordde hij morele vragen van lezers en enkele bekende persoonlijkheden.
In zijn ontbijtprogramma op de BBC-radio las presentator Chris Evans de eerste bladzijden voor van Sapiens, het boek van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Als je bedenkt dat een radiopubliek op dat tijdstip in de ochtend meestal niet bepaald zit te wachten op intellectuele uitdagingen, was dat een ongebruikelijke actie. Maar, zei Evans; ‘Dit is de meest verbijsterende eerste bladzijde van een boek ooit.’
Dj’s willen nogal eens schromelijk overdrijven, maar daar was deze keer geen sprake van. De ondertitel van het boek verwijst naar het beroemde werk van Stephen Hawking en luidt: A brief History of Human Kind (Een kleine geschiedenis van de mensheid). In helder, aanstekelijk proza geeft Harari op die eerste bladzijde een sterk ingedikte geschiedenis van het heelal, gevolgd door een samenvatting van wat hij eigenlijk wil zeggen in dit boek: hoe de cognitieve revolutie, de agrarische revolutie en de wetenschappelijke revolutie de mens en zijn medeorganismen hebben beïnvloed.
Dit is zo’n boek waarvan je onontkoombaar het gevoel krijgt dat je slimmer bent geworden als je het uit hebt. In de kern wil het boek duidelijk maken hoe het kwam dat homo sapiens de meest succesvolle menselijke soort werd, die zelfs rivalen als de neanderthalers wist te verdringen: dat kwam door ons vermogen om te geloven in verzonnen verhalen en die met elkaar te delen. Religies, naties, geld, zegt Harari, zijn allemaal door mensen verzonnen verhalen, en die hebben grootschalige samenwerking en organisatie mogelijk gemaakt.
Naar zijn beste vermogen
Harari (41) is opgegroeid in een seculier Joods gezin in Haifa. Hij studeerde geschiedenis aan de universiteit van Jeruzalem en is gepromoveerd in Oxford. Hij is veganist, mediteert dagelijks twee uur en gaat vaak lang op retraite. Dat helpt hem, zegt hij zelf, om zich te concentreren op de dingen die er echt toe doen. Hij woont met zijn echtgenoot op een mosjav, een landbouwcoöperatie even buiten Jeruzalem. Zijn homoseksualiteit heeft hem geholpen om vraagtekens te plaatsen bij vaststaande meningen, zegt hij. ‘Je moet niets zomaar voor waar aannemen, ook al gelooft iedereen het.’
Harari is een geboren verteller en heeft altijd wel een veelzeggende anekdote of gedenkwaardige gelijkenis paraat. Daardoor is het verleidelijk om hem niet zozeer te zien als een historicus, maar eerder als een wijsgeer die van alle markten thuis is. The Observer vroeg enkele bekende persoonlijkheden en lezers om vragen aan Harari te stellen, en een selectie daarvan vind je op deze pagina’s. Veel vragen waren moreel of ethisch van aard, en gingen eerder over wat er gedaan zou moeten worden dan over wat er gebeurd is. Maar kennelijk is Harari gewend aan die rol en vindt hij het prima om die vragen naar zijn beste vermogen te beantwoorden. Als historicus van het verre verleden en van de nabije toekomst heeft hij een eigen, geheel nieuwe discipline uitgevonden. Dat is een unieke prestatie van deze man met zijn indrukwekkend veelzijdige geest.
Yuval Noah Harari, wiens nieuwe boek Homo Deus ook alweer de schappen uit vliegt.
Helen Czerski, arts:
De globalisering gaat razendsnel. Zal er in de toekomst één wereldwijde cultuur zijn of zullen we sommige, opzettelijk kunstmatige tribale groepen handhaven?
‘Ik weet niet zeker of het opzettelijk zal zijn, maar ik denk wel dat we waarschijnlijk maar één stelsel zullen hebben en in die zin dus maar één beschaving. In zeker opzicht is dat nu al zo. Over de hele wereld is het politieke stelsel van de staat ruwweg hetzelfde. Over de hele wereld is het kapitalisme het overheersende economische model en over de hele wereld is de wetenschappelijke methode of wereldvisie de basis van waaruit mensen de natuur, ziekte, biologie, natuurkunde, enzovoort verklaren. Er zijn geen fundamentele beschavingsverschillen meer.’
Lucy Prebble, toneelschrijver:
Wat is de grootste misvatting van de mens over zichzelf?
‘Misschien is dat het idee dat we door meer macht te krijgen over de wereld, over het milieu, onszelf gelukkiger kunnen maken en tevredener met ons leven zullen zijn. Gezien over duizenden jaren hebben we inmiddels enorme macht over de wereld, en toch zijn mensen zo te zien tegenwoordig niet aantoonbaar tevredener dan in het Stenen Tijdperk.’
Online gepost door TheWashingtonPlace:
Kan het gebeuren dat de ecologische achteruitgang de technologische vooruitgang zal stoppen?
‘Ik denk juist het tegenovergestelde – dat de druk om technologische vooruitgang te boeken groter wordt, niet kleiner naarmate de ecologische crisis toeneemt. Ik denk dat de ecologische crisis in de eenentwintigste eeuw eenzelfde rol zal vervullen als de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw, wanneer het gaat om het versnellen van de technologische vooruitgang.
Zolang alles goed gaat, zullen mensen heel terughoudend zijn om bij mensen te experimenteren met genetische manipulatie of om kunstmatige intelligentie de macht geven over wapensystemen. Maar als er een ernstige crisis optreedt, bijvoorbeeld veroorzaakt door ecologische achteruitgang, dan zullen mensen zich toch laten verleiden om allerlei risicovolle, veelbelovende technologieën uit te proberen, in de hoop het probleem op te lossen. Dan krijg je zoiets als het Manhattanproject [ontwikkeling van de atoomboom] in de Tweede Wereldoorlog.’
Andrew Solomon, schrijver:
Welke rol speelt moraliteit in een toekomstige wereld van kunstmatige intelligentie, kunstmatig leven en onsterfelijkheid? Zal een verlangen om het goede en juiste te doen nog steeds een groot deel van onze soort motiveren?
‘Ik denk dat moraliteit belangrijker is dan ooit. Naarmate we meer macht krijgen, wordt de vraag wat we daarmee doen steeds wezenlijker en het is nu bijna zover dat we echt goddelijke macht tot scheppen en vernietigen bezitten. De toekomst van het hele ecologische systeem en de toekomst van alles wat leeft ligt nu werkelijk in onze handen. Wat je daarmee doet is een ethische vraag, en ook een wetenschappelijke. Dus om een voorbeeld te geven: wat gebeurt er als verscheidene voetgangers voor een zelfrijdende auto springen en die moet beslissen of hij een stuk of vijf voetgangers zal doodrijden of zal uitwijken, zodat zijn eigenaar omkomt? De technici die zelfrijdende auto’s maken moeten een antwoord vinden op deze vraag. Dus ik zie geen reden om te denken dat AI of biotechniek de moraliteit minder relevant zullen maken dan die vroeger was.’
Matt Haig, schrijver:
Wij zijn het enige dier dat is geobsedeerd door vooruitgang. Moeten we proberen de toekomst niet langer te zien als een toekomst van onvermijdelijke technologische vooruitgang, maar een ander soort futurisme scheppen?
‘Je kunt de technologische vooruitgang niet zomaar stopzetten. Stel dat een land het onderzoek naar kunstmatige intelligentie stopt, dan zullen andere landen daar toch mee doorgaan. De echte vraag is: wat doen we met die technologie? Je kunt een en dezelfde technologie voor heel verschillende maatschappelijke en politieke doelen gebruiken. Als we naar de twintigste eeuw kijken, zien we dat we met dezelfde technologie van elektriciteit en treinen een communistische dictatuur of een liberale democratie konden creëren. Hetzelfde geldt voor kunstmatige intelligentie en biotechniek. Dus ik denk dat mensen zich niet zouden moeten richten op de vraag hoe je de technologische vooruitgang kunt stopzetten, want dat is onmogelijk. De vraag zou moeten zijn wat voor soort gebruik je moet maken van de nieuwe technologie. En we hebben nog steeds heel wat macht om die keuzes te beïnvloeden.’
Sarah Shubinsky, lezeres:
Zullen mensen altijd manieren vinden om elkaar te haten of neig je meer naar het idee dat de samenleving veel minder gewelddadig is dan vroeger en dat die trend zich zal voortzetten?
‘We leven nu in de meest vreedzame tijd uit de geschiedenis. Er is natuurlijk nog steeds geweld – ik woon in het Midden-Oosten, dus ik weet dat maar al te goed. Maar in vergelijking met vroeger tijden is er minder geweld dan ooit. Tegenwoordig sterven meer mensen aan te veel eten dan door menselijk geweld, en dat is werkelijk een fantastisch succes. Hoe het in de toekomst zal zijn kunnen we niet weten, maar er zijn ontwikkelingen die erop wijzen dat deze trend blijvend is. Om te beginnen is er de dreiging van een kernoorlog, die misschien wel de belangrijkste reden vormt voor het afnemen van oorlogen sinds 1945, en die dreiging bestaat nog steeds. En ten tweede is er de verandering in de aard van de economie: die is overgegaan van een op materie gebaseerde economie naar een op kennis gebaseerde economie.
Nu is het belangrijkste economische bezit kennis, en het is heel moeilijk om kennis te veroveren door middel van geweld
In het verleden waren de belangrijkste goederen van de economie materieel – dingen als graanvelden en goudmijnen en slaven. Dus oorlog had zin, want je kon jezelf verrijken door oorlog te voeren tegen je buren. Nu is het belangrijkste economische bezit kennis, en het is heel moeilijk om kennis te veroveren door middel van geweld. De meeste grote conflicten in de wereld van vandaag spelen zich nog steeds af in gebieden als het Midden-Oosten, waar de belangrijkste bron van welvaart materieel is – olie en gas.’
Esther Rantzen, programmamaker:
Je hebt gezegd dat onze voorkeur om abstracte concepten zoals godsdienst, nationaliteit, et cetera te creëren, de kwaliteit is die sapiens onderscheidde van andere mensensoorten. Die concepten vormen ook de inspiratie voor oorlogen die onze ondergang kunnen betekenen. Is dat dan een kracht of een zwakte?
‘Als je het over macht hebt: het is duidelijk dat dit vermogen homo sapiens tot het machtigste dier ter wereld heeft gemaakt en ons nu de controle over de hele planeet heeft gegeven. Ethisch gezien, of dat goed of slecht was, dat is een veel gecompliceerdere vraag. Onze macht hangt af van collectieve hersenspinsels en het probleem is dat we niet goed onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid. Mensen vinden het heel moeilijk om te zien wat echt is en wat alleen een fictief verhaal in hun eigen hoofd, en dat veroorzaakt veel rampen, oorlogen en problemen. De beste test om te onderzoeken of iets werkelijk of fictief is, is de test van het lijden. Een natie kan niet lijden, kan geen pijn of angst voelen, heeft geen bewustzijn. Zelfs als de natie een oorlog verliest, dan zijn het de soldaten en de burgers die lijden, maar de natie zelf zal niet lijden. Zo kan ook een naamloze vennootschap niet lijden, net zo min als de euro: als deze entiteiten hun waarde verliezen, lijden ze niet. Al die dingen zijn fictie.
Als we dat onderscheid in gedachten houden, kan dat de manier waarop we met elkaar en met de andere dieren omgaan, verbeteren. Het is niet zo’n goed idee om het lijden van andere wezens te veroorzaken, alleen maar om verzonnen verhalen te dienen.’
Andrew Anthony: Maar die verzinsels inspireren ons vaak tot grote daden. Zouden we even gemotiveerd raken door de naakte werkelijkheid?
‘We hebben inderdaad bepaalde verzonnen verhalen nodig voor grootschalige samenlevingen. Dat is waar. Maar we moeten die verhalen wel zo gebruiken dat zij óns dienen, in plaats van dat ze ons tot slaaf maken. Je kunt het vergelijken met een voetbalwedstrijd. De spelregels zijn fictief, door mensen bedacht, nergens in de natuur zijn die spelregels vastgesteld. Zolang je niet vergeet dat dit gewoon regels zijn die door mensen zijn bedacht om jouw doel te dienen, kun je het spel spelen. Zet je de regels geheel en al overboord, omdat ze verzonnen zijn, dan kun je geen voetbalwedstrijd spelen.
Mijn aanbeveling is dus zeker niet dat mensen maar moeten ophouden met deze fictieve grootheden. Er kan geen grootschalige economie bestaan zonder geld. Maar je kunt geld op dezelfde manier gebruiken als voetbalspelregels en je blijven realiseren dat dit alleen maar door ons bedacht is. En zo is het ook met de natie. Er is in principe niets mis mee om loyale gevoelens tegenover de groep te koesteren. Maar vergeet je dat dit begrip door mensen is gecreëerd, dan kan het gebeuren dat je miljoenen mensen offert voor het belang van de natie, dus voor dat door mensen bedachte verhaal.’
AA: Je betoogt dat het humanisme een product van het kapitalisme is. Is het niet los te zien van elkaar?
‘De twee zijn nauw met elkaar verbonden, maar ik geloof wel dat ze los van elkaar kunnen bestaan. Ze kunnen in de eenentwintigste eeuw zeker elk een eigen kant op gaan. Een van de grote gevaren waarmee we te maken hebben is juist dat kapitalisme gescheiden raakt van het humanisme, met name het liberale humanisme. Regeringen over de hele wereld hebben de afgelopen decennia hun politiek en economie geliberaliseerd, niet omdat ze overtuigd waren van de ethische argumenten van het humanisme, maar omdat ze dachten dat het humanisme goed zou zijn voor de kapitalistische economie.
Nu bestaat het gevaar dat in de eenentwintigste eeuw het kapitalisme en het humanisme gescheiden worden, zodat er zeer goed werkende en geavanceerde economieën kunnen bestaan waarvoor het niet nodig is om het politieke systeem te liberaliseren of om te investeren in het onderwijs en het welzijn van de massa’s.’
Philippa Perry, schrijver en psychotherapeut:
Was de overgang van jager-verzamelaar naar agrariër een fout? En zo ja, hoe kunnen we er dan nu het beste van maken?
‘Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Vanuit het perspectief van de middenklassen in de rijke samenlevingen van vandaag, was het zeker een heel goed idee. Vanuit het perspectief van iemand in Bangladesh die twaalf uur per dag in een sweatshop werkt, was het een heel slecht idee.
Het is onmogelijk om de klok terug te draaien en acht miljard mensen weer te laten leven als jagers-verzamelaars. Dus de vraag is eigenlijk hoe we het beste kunnen maken van de situatie waarin we nu zitten, en hoe we kunnen voorkomen dat we de fouten van de agrarische revolutie opnieuw maken. Het gevaar bestaat dat in de nieuwe revolutie, die van kunstmatige intelligentie en biotechnologie, wederom alle macht en voordelen gemonopoliseerd worden door een kleine elite, zodat de meeste mensen uiteindelijk slechter af zijn dan voorheen.’
Jacy Reese, Lezer:
Je hebt gezegd dat het houden van dieren misschien wel de ergste misdaad in de geschiedenis is. Wat zou de maatschappij volgens jou kunnen doen om daar een eind aan te maken?
‘Onze beste kans ligt bij de zogenoemde cellulaire agricultuur, of schoon vlees, waarbij vlees wordt gekweekt uit cellen en niet uit dieren. Wil je een biefstuk, dan kweek je er gewoon een uit cellen – zo hoef je geen koe groot te brengen en die vervolgens te slachten voor de biefstuk. Dit klinkt misschien als sciencefiction, maar het is al een realiteit. Drie jaar geleden is de eerste hamburger gemaakt van cellen. Weliswaar kostte die tegen de 300.000 euro, maar zo gaat het altijd met nieuwe technologie. Nu, in 2017, is de prijs, voor zover ik weet, nog geen tien euro per hamburger. En met het juiste onderzoek en genoeg investeringen verwachten de ontwikkelaars dat ze er binnen tien jaar een kunnen maken die goedkoper is dan een hamburger van slachtvlees. Het duurt nog wel even voor je hem bij de supermarkt of bij McDonald’s zult vinden, maar ik denk dat het de enige mogelijke oplossing is. Als we vlees kunnen produceren uit cellen, heeft dat ook heel veel ecologische voordelen, want de enorme vervuiling die wordt veroorzaakt door intensieve veeteelt zal dan sterk worden verminderd.’
Bettany Hughes, historicus:
Betekent de term ‘de moderne geest’ iets voor jou en zo ja, wanneer is die moderne geest ontstaan en hoe ziet hij eruit?
‘We weten heel weinig over de geest. We begrijpen niet goed wat het is, wat de functies ervan zijn en hoe hij is ontstaan. Als miljoenen neuronen in de hersens elektrische ladingen opwekken in een bepaald patroon, hoe creëert dit dan een geestelijke ervaring, de subjectieve ervaring van liefde of woede of plezier? We hebben geen flauw idee. En omdat we maar zo weinig over de geest weten, kunnen we ook niet zeggen hoe en waarom hij is ontstaan. We nemen aan dat de mensen aan het eind van de steentijd die de grottekeningen in Lascaux en Altamira maakten, fundamenteel dezelfde geest hadden als wij nu. En we nemen ook aan dat neanderthalers een ander soort geest hadden, ook al waren hun hersens groter dan de onze. Maar het fijne ervan weten we op dit moment nog bij lange na niet.’
Online gepost door guneydas:
Is het anti-intellectualisme in het Westen in opkomst? En zo ja, is er een verband tussen de opkomst van het anti-intellectualisme en de neergang van het liberalisme?
‘Ik ben er niet zo zeker van dat het in opkomst is. Het is er natuurlijk, maar het is er altijd geweest en ik vraag me af of de situatie nu erger is dan in de jaren vijftig of dertig van de vorige eeuw, of in de negentiende eeuw of in de Middeleeuwen. Dus ja, het is zeker een zorg. En ik zou zeggen dat het niet zozeer anti-intellectualisme is als wel antiwetenschap. Want zelfs de meest fundamentalistische religieuze fanaten zijn intellectuelen. Zij hechten te veel belang aan het menselijk intellect. Een van de problemen met religieus fanatisme is dat het veel te veel belang hecht aan de scheppingen van het menselijk intellect en veel te weinig aan het empirische bewijs vanuit de wereld buiten ons.’
AA: Denk je dat de radicale islam niets meer is dan een van de laatste oprispingen van het premoderne tijdperk?
‘In de eenentwintigste eeuw wordt de mensheid geconfronteerd met een aantal heel moeilijke problemen, of dat nu de opwarming van de aarde is, de ongelijkheid in de wereld of de opkomst van technologieën als biotechniek en kunstmatige intelligentie, die alles zullen veranderen. Op die uitdagingen hebben we antwoorden nodig en ik heb tot nu toe vanuit de islam niets relevants gehoord op dat gebied. Dus daarom denk ik niet dat de radicale islam de samenleving van de eenentwintigste eeuw zal vormgeven. Hij blijft misschien wel bestaan en kan nog steeds een hoop narigheid en geweld veroorzaken, maar ik zie niet dat hij het pad dat de mensheid volgt gaat scheppen of vormgeven.’
Paul Barker, lezer:
Wat raad je het individu aan dat een goed leven wil leiden en wil bijdragen aan het welzijn van degenen die nog niet geboren zijn en van degenen die er al zijn?
‘Leer jezelf beter kennen, en realiseer je vooral wat je echt wilt in het leven. De technologie heeft namelijk de neiging om mensen hun doelen in het leven te dicteren, en dan dient de technologie niet langer om onze doelen te realiseren, maar worden wij de slaaf van wat de technologie wil bereiken. Het is heel moeilijk om te weten wat je echt wilt in het leven. Ik zeg niet dat dit gemakkelijk te doen is.’
AA: Als we de dood tot in het oneindige kunnen voorkomen, is het dan nog mogelijk om betekenis te geven, zonder ‘de donkere achterkant die een spiegel nodig heeft als we iets willen zien’, zoals Saul Bellow het noemde?
‘Ja, dat denk ik wel. Je krijgt te maken met andere problemen, als je de ouderdom overwint, maar gebrek aan betekenis zal denk ik geen groot probleem zijn. De nieuwe ideologieën van de afgelopen drie eeuwen trokken zich al niets meer aan van de dood, of tenminste, ze zagen de dood niet als iets wat betekenis gaf. De meeste vroegere culturen, vooral traditionele godsdiensten, hadden de dood nodig om de betekenis van het leven te verklaren. Zoals in het christendom – zonder de dood heeft het leven geen betekenis. De hele betekenis van het leven komt voort uit wat er met je gebeurt als je doodgaat. Is er geen dood, geen hemel, geen hel, dat heeft het christendom geen betekenis. Maar de afgelopen drie eeuwen hebben we de opkomst gezien van veel moderne ideologieën zoals het socialisme, het liberalisme, het feminisme, het communisme, die de dood helemaal niet nodig hebben om het leven betekenis te geven.’
Auteur: Andrew Anthony
Vertaler: Annemie de Vries
The Observer
Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000
Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.
Een stoel brengt op unieke wijze mode en functionaliteit samen. In de loop der jaren zijn ze niet per se ‘beter’ geworden. Maar hoe we willen zitten, en waar we op willen zitten, zegt veel over ons.
Daar stond ik dan, voor mijn interview met de architect Witold Rybczynski, over zijn nieuwe boek, een overzicht van de stoel en zijn vijfduizend jaar oude geschiedenis. Ik interviewde Rybczynski vanachter een stabureau. Vlak naast me stond een zeer gerieflijke bureaustoel met allerlei moderne snufjes, zoals een pneumatisch in hoogte verstelbaar zitvlak en kunststof armleuningen. Maar die stoel lonkte niet echt, misschien omdat de American Heart Association net mijn plezier in stoelen had vergald met het advies om minder te zitten en meer te bewegen, ter voorkoming van diabetes en hart- en vaatziekten. Ik vroeg Rybczynski of hij van mening was dat de stoel werd gedemoniseerd in het tijdperk van het stabureau en de zitbal.
Je bent hoe je zit
‘Ik geloof eigenlijk niet dat het tijdperk van het stabureau is aangebroken,’ antwoordt Rybczynski. ‘Volgens mij is het een trend die wel weer overwaait. Er zijn altijd mensen geweest die staand hebben gewerkt – Winston Churchill, Ernest Hemingway.’ (Ook het fiets- of loopbureau doet Rybczynski af als ‘malligheid’.) De gezondheidswaarschuwingen die tegenwoordig geregeld worden gegeven, zijn erop gericht om langdurig zitten af te wisselen met bewegen. De stoel op zich is niet echt het probleem.
Een van de redenen dat Rybczynski besloot om een boek te schrijven over de stoel, is dat de stoel op unieke wijze mode en functionaliteit samenbrengt. Rybczynski was ook getroffen door het feit dat stoelen, in tegenstelling tot wapens of communicatietechnologie, in de loop der jaren niet per se ‘beter’ worden. ‘Als je bijvoorbeeld plaatsneemt in een Windsorstoel is dat min of meer dezelfde stoel als die waar George Washington en Benjamin Franklin in hebben gezeten,’ zegt hij. ‘Er is niets anders uit die tijd, afgezien van de Amerikaanse grondwet, dat [in een dergelijke bruikbare vorm] intact is gebleven.’ Met andere woorden: de geschiedenis van de stoel is meer een culturele dan een evolutionaire ontwikkeling. ‘Hoe we willen zitten, en waar we op willen zitten, zegt veel over ons: onze normen en waarden, onze smaak, wat we belangrijk vinden’, schrijft Rybczynski in zijn boek, Now I Sit Me Down. Je bent hoe je zit.
‘Een oude stoel kan nu net zo goed dienstdoen als hij in het verleden heeft gedaan,’ zegt hij. ‘En dat is een essentieel verschil met de meeste, of in ieder geval met veel, vormen van technologie. Neem nou een smartphone, die verandert elk jaar weer. Over twintig jaar is een smartphone van nu een curiosum. Dan zal hij geen enkel functioneel doel meer hebben.’ (Natuurlijk is niet van alle zitmeubels de functionaliteit even tijdloos. Probeer je maar eens voor te stellen dat je een bord pasta eet terwijl je aanligt op een antiek Romeins bankje. Het scheelde dat rijke Romeinen bedienden hadden.)
Klismos, ca. 500 v Chr., Griekenland. Ontwerper: onbekend.
De eerste stoel die Rybczynski in geschiedkundige werken heeft aangetroffen is geen fysieke stoel, maar een beeldje van een stoel, afkomstig van een van de Cycladeneilanden in de Egeïsche Zee. Het wordt gedateerd in de periode 2800-2700 v.Chr. Het is een beeldje van iemand die harp speelt, gezeten op wat een typische keukenstoel lijkt te zijn, met een rechte rug en vier poten. Bij de oude Egyptenaren was zitten al uitgegroeid tot een statussymbool: iedereen zat op krukjes of op de grond, en stoelen met een rug of met armleuningen waren voorbehouden aan de elite.
In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond in Griekenland de klismos_, een stoel met gekromde poten en een gekromde rugleuning. Rybczynski omschrijft de klismos als ‘een van de mooiste stoelen ooit gemaakt’. In zijn boek stelt hij dat stoelen van ‘een vergelijkbare schoonheid als de klismos’ pas tweeduizend jaar later weer opdoken, in de ‘gouden eeuw’ van de stoel, de achttiende eeuw, een bloeitijd van creatief vakmanschap en wereldwijde handel, die sierlijk bewerkte voorwerpen voortbracht, zoals de Franse Louis XV-stoel en de Chinees-Engelse meubels met cabrioolpoten.
In de kunst van de oude Grieken ‘zit vrijwel iedereen op een klismosstoel. We zien vrouwen, mannen, goden, en mensen die duidelijk belangrijk zijn, musici, arbeiders,’ zegt Rybczynski. Het was een aangename, ‘democratische stoel’, geen troon. De klismos heeft ook iets geheimzinnigs: hij dook ineens uit het niets op, het ontwerp was volstrekt origineel, geen variatie op een thema uit het verleden. Vervolgens verdween hij weer enkele millennia uit beeld, om pas weer terug te keren als deel van het neoclassicisme van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw.
In de Middeleeuwen werd zitten weer een kwestie van status. (Door de hele geschiedenis heen zien we dat zitgewoonten schommelen tussen een democratische en een elitaire aangelegenheid. Vergelijk de stoelen uit de jaren zestig voor directeuren, leidinggevenden en secretaresses met de egalitaire Aeron-bureaustoel van vandaag de dag. De technische naam van de stoel die ik op mijn werk heb, luidt ‘Mesh-back Manager’s Chair’, maar deze stoel is bepaald niet voorbehouden aan managers.) De gewone man had meestal maar weinig meubels en zat op wat maar voorhanden was – een bankje, een ton, de vloer. Stoelen met een rugleuning en armleuningen waren slechts weggelegd voor heel belangrijke mensen. De zestiende-eeuwse Vlaamse schilder Pieter Bruegel de Oude heeft deze verhoudingen vastgelegd in zijn vele schilderijen van het boerenleven.
Meest gebruikte stoel ter wereld
De iconische stoelen van onze tijd zijn onder meer de luie televisiestoel, de ‘ergonomische werkstoel’ en niet te vergeten de stapelbare plastic stoel. Die laatste kan massaal worden vervaardigd en is zeer goedkoop, waardoor hij een razendsnelle opmars heeft gemaakt en is uitgegroeid tot de meest gebruikte stoel ter wereld. Deze stoelen zijn een voorbeeld van de homogeniserende gevolgen van de globalisering, maar volgens Rybczynski getuigen ze ook op subtiele wijze van lokale innovatie. Plastic stoelen worden zelden geïmporteerd; in plaats daarvan kopen fabrikanten in ontwikkelingslanden machines en mallen in het rijke Westen, en maken vervolgens stoelen ‘waarin lokale motieven zijn verwerkt. Dat kan de kleur van de stoel zijn. Vaak is de rugleuning versierd op een manier die je niet snel hier in The Home Depot zult aantreffen.’
De toekomst van de stoel, schrijft Rybczynski, zit misschien ergens tussen de ergonomische stoel en de stapelbare plastic stoel in – ‘ergens tussen een stoel die zich kan voegen naar een ongekende veelvormigheid aan lichamen en houdingen, en een goedkope stoel voor de grote massa’.
1) Chair of Reniseneb, ca. 1450 v. Chr., Egypte, 2) Middeleeuwse stoel, ca. 1480–1500, Noordwest-Europa, 3) Ashanti-stoel, 17e eeuw, Afrika, 4) Side chair, ca. 1763–64, Duitsland, Johann Michael Bauer, 5) Chippendale Chair, ca. 1772, VK, Thomas Chipp
Een van de meest opmerkelijke stellingen van Rybczynski is dat het allesbehalve natuurlijk, of logisch, is dat mensen op een stoel zitten, al gaat de stoel meer dan vijfduizend jaar terug. Er zijn twee soorten mensen binnen het bestek van Rybczynski’s onderzoek: mensen die op de grond zitten en mensen die op een stoel zitten. In Now I Sit Me Down gaat Rybczynski nader in op die tweedeling.
In een gezaghebbende studie naar de houdingen van de mens over de hele wereld (uit 1950) beschreef antropoloog Gordon W. Hewes maar liefst honderd gebruikelijke zithoudingen. ‘Minstens een kwart van de mensheid ontlast geregeld de voeten door te hurken, zowel in de vrije tijd als op het werk,’ stelde hij vast. De hurkzit geniet grote populariteit in Zuidoost-Azië, Afrika en Latijns-Amerika, maar de kleermakerszit is vrijwel net zo geliefd. Veel Aziaten koken, eten, werken en ontspannen in die houding. De zithouding die je veel ziet bij Japanners, Koreanen, Euraziaten en biddende moslims, is met de knieën op de grond en de billen op de hielen.
Rybczynski heeft geen duidelijke, consistente patronen kunnen ontdekken die verklaren waarom de wereld is opgedeeld in vloerzitters en stoelzitters. Je zou kunnen denken dat mensen in een koud, nat klimaat eerder geneigd zijn om op een stoel plaats te nemen teneinde de onaangename vloer te mijden. Maar de Japanners, die strenge winters kennen, zitten van oudsher op een matje op de vloer, terwijl de oude Egyptenaren, die in een warm, droog klimaat leefden, de opklapbare stoel zouden hebben uitgevonden.
Stoelzitten is ook niet per se cultuurgebonden; sommige nomadengroepen trekken rond met opklapbare meubels, anderen niet. Het hoeft ook niet per se te maken te hebben met economische of technologische vooruitgang; de welvarende Japanners waren zich er al langere tijd van bewust dat mensen in andere delen van de wereld op een stoel zaten – zij verkozen echter dat niet te doen. Sommige culturen, zoals de Chinese, hebben een ontwikkeling doorgemaakt van overwegend vloerzitten naar overwegend stoelzitten. In andere landen, zoals India, zie je beide vormen door elkaar lopen.
Wat Rybczynski wel heeft geconstateerd is dat het feit of je deel uitmaakt van een vloerzittende of een stoelzittende samenleving, bepalend is voor veel meer dan alleen je manier van zitten. Het kan invloed hebben op van alles, van je kleren tot de inrichting van je huis tot je spierontwikkeling, schrijft hij.
Als je op een vloermat zit, ligt het voor de hand dat er een etiquette ontstaat waarbij je je schoeisel uittrekt voordat je naar binnen gaat. Het ligt ook meer voor de hand om sandalen of slippers te dragen in plaats van veterschoenen, en ruimvallende kleren waarin je gemakkelijk kunt hurken of je benen kunt kruisen. Vloerzitters hebben meestal geen al te hoge kasten – het is veel gemakkelijker om dingen op te bergen in kasten of laden die dicht bij de grond zijn. Wie op een matje zit zal ook eerder op een matje slapen, zoals stoelzitters eerder geneigd zullen zijn om in een bed te slapen.
In stoelzittende samenlevingen zal een verscheidenheid aan meubels worden ontworpen, zoals eettafels, kaptafels, salontafels, werktafels en bijzettafels. Op de vloer zitten is ook van invloed op de architectuur: op blote voeten of sokken door het huis lopen vraagt om gladde vloeren – geen splinters –, het liefst van warm hout in plaats van steen; plekken om te zitten zullen vermoedelijk zijn voorzien van zachte matten of geweven tapijten; hoge raamkozijnen en hoge plafonds lijken weinig aantrekkelijk.
Tot slot heeft de zithouding ook directe lichamelijke gevolgen. Door een leven lang zonder steun op de vloer te zitten ontwikkel je spieren die niet nodig zijn bij stoelzitten. Dat is de reden dat stoelzitters, die niet gewend zijn om in kleermakerszit te zitten, die houding al na korte tijd ongemakkelijk vinden. En omgekeerd. In India zie je geregeld mensen in de trein, of op een bankje in een wachtruimte, in kleermakerszit, omdat ze dat prettiger vinden dan met hun benen bungelend over de rand van de zitting.
Zoals Rybczynski aantoont, gaan de ontwikkelingen niet per se in de richting van de stoel, laat staan van de betere stoel. Wat de klismos en de Aeron-bureaustoel en het matje op de vloer met elkaar verbindt, is de menselijke behoefte om moede voeten rust te gunnen. Zeker na een lange dag achter een stabureau.
Auteur: Uri Friedman
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.
De kwaliteit van de studie politicologie in Libanon is beneden alle peil, klaagt een journalist van het dagblad As Safir. Dat komt doordat docenten hun colleges doorspekken met religieuze opvattingen. ‘Sommigen weigeren zelfs Marx en Engels te behandelen omdat ze atheïsten waren.’
Veel Libanese jongeren kiezen voor een studie politicologie. Helaas slaagt het merendeel voor zijn tentamens zonder over de vereiste kennis te beschikken of ook maar iets af te weten van methodologie. Hoe worden deze jonge mensen opgeleid die op een dag werkzaam zullen zijn als politicus, universitair onderzoeker of op het gebied van internationale betrekkingen?
Geconstateerd moet worden dat de politieke wetenschappen steeds meer politiek op zijn Libanees zijn geworden. Sommige docenten laten opzettelijk informatie achterwege die niet strookt met hun politieke overtuiging. Soms doorspekken ze hun colleges met religieuze opvattingen, zonder dat daar enige kritiek op komt.
Deze docenten vragen hun studenten bijvoorbeeld teksten te lezen waarin wordt uitgelegd dat ‘het economische project van de Europese Unie is mislukt omdat het niet het islamitische economische model heeft gevolgd’ of dat ‘de oplossing voor de wereldeconomie ligt in het overnemen van de economische regels van de gouden eeuw van de islam’.
‘Studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’’
Alle historische feiten worden op die manier verpulverd. De studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’. Dit alles wekt de indruk dat men colleges volgt over de persoonlijke opvattingen van deze of gene religieuze persoonlijkheid, waarbij een preek tot een verhandeling over economische theorie kan worden verheven. Daarmee wordt de studierichting politicologie een manier om het idee te verspreiden dat de islam een totaalsysteem is dat alle terreinen bestrijkt, niet in de laatste plaats dat van de politiek.
Omdat religie op de eerste plaats komt, worden de politieke theorieën van grote intellectuelen onder de mat geveegd. De studenten studeren vaak af zonder dat ze ooit van Marx en Engels hebben gehoord. Er zijn zelfs docenten die over deze twee filosofen weigeren te spreken omdat ze atheïsten waren. Een hoogleraar aan de Libanese universiteit weigerde college over Marx te geven omdat hij een ‘utopist’ zou zijn en achtte het voldoende als zijn studenten Deugdzame stad van Al-Farabi zouden lezen om het marxisme te doorgronden. Daarmee wordt Deugdzame stad het enige boek aan de hand waarvan de student geacht wordt de strekking van het communisme, de klassenstrijd en de kapitalistische uitbuiting te begrijpen.
Ook het politieke gedachtegoed van Michel Foucault wordt op een karikaturale manier samengevat en uiteindelijk aan onontkoombare morele opvattingen getoetst. Zelfs onderwerpen als de aanwezigheid van olie en aardgas in Libanon worden vanuit een bijzondere insteek behandeld. Als je sommige teksten mag geloven die op de universiteit circuleren, kunnen die alleen worden verdedigd [tegen veronderstelde Israëlische agressie] door de wapens van Hezbollah in te zetten.
Evenzeer kan men zich verbazen over leerstof waarin de ins en outs van de Libanese diaspora, met name in Afrika, tot racistische oprispingen leiden. Zo leren de studenten niet alleen dat de inwoners van Ivoorkust niet van de Libanezen houden die zich daar hebben gevestigd omdat ze hun banen inpikken, maar ook dat Libanese meisjes er de straat niet op durven uit vrees door jonge Ivorianen te worden lastiggevallen.
Persoonlijke opvattingen
Ten slotte zijn tijdens de tentamens de persoonlijke opvattingen van de docent van invloed op de antwoorden die de studenten geven. Ze zorgen er uitdrukkelijk voor dat ze de naam vermelden van de partij die hun docent aanhangt. En als ze het over leugenachtigheid in de Libanese politiek moeten hebben, zullen ze als voorbeeld een Libanese politicus gebruiken die tot het kamp van de tegenstanders van hun examinator behoort.
Het valt te betreuren dat op de Libanese universiteit het onderwijs in een belangrijk vak als politicologie zo weinig te maken heeft met wetenschap, en zelfs met politiek in de nobele zin van het woord, maar ontaardt in godsdienstlessen met een flinke vleug racisme en partijdigheid.
Eeuwenlang verbaasden Europeanen zich over de tolerantie van de moslimwereld voor homoseksualiteit. Hoe kan het dat de situatie tegenwoordig omgekeerd is?
Van 1826 tot 1831 woonde de Egyptische intellectueel Rifa’a al-Tahtawi in Parijs. Weer terug in Egypte schreef hij een boek over de Franse en Europese zeden en gewoonten. Het ging onder andere over het patriottisme van de Fransen, over hoe ze aten en zich vermaakten. En hij besteedde vooral veel aandacht aan iets wat in zijn ogen heel vreemd was: Europeanen hielden alleen van vrouwen.
Hij verbaasde zich erover dat Europeanen zich niet tot jonge jongens aangetrokken voelden en dat, in tegenstelling tot de dichters in zijn eigen land, ze beslist geen gedichten aan hun schoonheid wilden wijden, ‘en dat gaat zelfs zo ver dat de Franse taal het mannen niet toelaat om te schrijven “Ik ben verliefd geworden op een jongen”, want dat is een absoluut vergrijp tegen de goede zeden. Ze roeren het onderwerp nooit aan in hun werk. En ieder gesprek hierover is taboe.’
‘Sodomitische neigingen’
In deze tijd lijken de observaties van Rifa’a al-Tahtawi misschien vreemd. Maar destijds verfoeiden Europese geleerden de moslimwereld vanwege de daarin heersende tolerantie tegenover homoseksualiteit. Zoiets was in de christelijke wereld ondenkbaar. Britse reizigers verklaarden dat de ‘sodomitische neigingen’ uit de Griekse Oudheid schering en inslag waren in Egypte en de Oriënt.
Inderdaad was het in het Ottomaanse Rijk van de achttiende eeuw niet moeilijk om boeken over seksualiteit te vinden die vol stonden met prenten van seksuele relaties tussen mannen. Het systeem van patronage, waarop het Ottomaanse politieke systeem berustte, was grotendeels gebaseerd op homo-erotische relaties.
Maar sinds enkele decennia geldt juist de moslimwereld als bij uitstek homofoob. En dat beeld klopt: LHBT’s [lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders] moeten in moslimlanden vrezen voor hun leven. En de situatie wordt er alleen maar slechter op in ‘seculiere’ landen als Egypte en natuurlijk ook in gebieden die in handen van IS zijn, waar mannen die als homo bekendstaan een wrede dood te wachten staat.
Het bloedbad in Orlando is een angstaanjagend teken dat de homohaat binnen fundamentalistische moslimgroeperingen momenteel escaleert. Door deze tragedie zal het gevoel van onveiligheid toenemen binnen de LHBT-gemeenschap, die vrijwel overal in de wereld al blootstaat aan fysieke bedreigingen. Maar dit bloedbad zal ook de islamofobie binnen de LHBT-gemeenschap aanjagen, en dat is in Europa al te merken.
Rifa’a al Tahtawi.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het klopt dat homoseksualiteit volgens de Koran strikt verboden is, maar dat geldt net zo goed voor de Wajikra [Leviticus] of de Brief van Paulus aan de Romeinen. En ondanks het Koranverbod zijn liefdes en seksuele relaties tussen mannen in islamitische culturen lange tijd heel gangbaar geweest.
In de veertiende eeuw noteerde de Egyptische geschiedschrijver al-Maqrizi dat ‘onder de Mamelukse leiders de liefde tussen mannen zo gewoon was dat de courtisanes zich uit frustratie als mannen verkleedden’. Toch verdient de terminologie wel precisering. De premoderne Arabische samenlevingen waren niet tolerant tegenover ‘homoseksuelen’. Het begrip ‘homoseksualiteit’ is pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in Europa opgedoken en bestond helemaal niet in de Arabisch-islamitische culturen. Affectie voor jongens werd getolereerd, maar mannen moesten wel met vrouwen trouwen en het bed met ze delen.
Waarom wordt homoseksualiteit dan nu in de moslimwereld als iets zeer schandaligs gezien? Sommige intellectuelen wijten dit aan westers imperialisme. Een van de aanhangers van deze hypothese is Joseph Massad (universiteit van Columbia). Volgens hem is het de ‘Gay Internationale’, zoals hij die noemt, die de westerse homoseksuele identiteit opdringt aan de oosterlingen die tot nu toe erotische afspraakjes met mannen in de privésfeer nooit als onderdeel van hun identiteit zagen.
Kortom, nationalistisch-islamitische bewegingen beschouwen homoseksualiteit als een westerse invloed en bestrijden ze om die reden. Als de Egyptische politie meer invallen doet op LHBT-feesten in Cairo, dan zijn die volgens Massad niet gericht tegen de seksuele praktijken daar, maar tegen de westerse homo-identiteit die geen ingang mag vinden.
De groeiende zichtbaarheid van de LHBT-gemeenschap roept ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie op die steeds gewelddadiger wordt
Veel Arabische homoseksuelen zien helemaal niets in deze redenering. In hun ogen idealiseren mensen als Massad de seksuele normen in de Arabische wereld van voor de ‘invasie’ van de westerse homoseksualiteit. Een voorbeeld hiervan komt van een Marokkaan die door professor Samir Ben-Layashi (universiteit van Tel Aviv) wordt geciteerd in een artikel dat in 2008 in Haaretz verscheen: ‘Het klopt dat het voor een Europese homo van in de zeventig niet moeilijk is om een relatie met een jongen uit Marrakesh te beginnen, maar zo’n jongen wordt niet per se als een gay gezien.’
Maar is dit alles relevant om de slachting in Orlando te duiden? Omar Mateen [de schutter in de homoclub in Orlando] was geboren en getogen in de Verenigde Staten. Verder kunnen we er niet omheen dat de groeiende zichtbaarheid in de publieke ruimte van de LHBT-gemeenschap ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie oproept die steeds gewelddadiger wordt, met name in Rusland, in sub-Saharaans Afrika, in Azië en in Oost-Europa. In de christelijke landen in sub-Saharaans Afrika wordt homoseksualiteit gehekeld als ‘anti-Afrikaans’ gedrag, opgelegd door de rijke noordelijke landen. Het lichaam van de homoseksuele mens, m/v, is een westers slagveld geworden.
Auteur: Ofri Ilani
Vertaler: Tess Visser
Auteur: Ofri Ilani
Beeld bovenaan: Homo-erotische foto uit de omgeving van Taormina, Sicilië, gemaakt in 1895 door Wilhelm von Gloeden.
Javier Marías, gelauwerd schrijver van deze tijd, is openlijk schatplichtig aan het werk van Shakespeare. Het ontmoedigt hem niet om ‘de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis’ binnen te stappen. Het is één grote inspiratiebron. El País vroeg hem naar zijn verhouding met de oude meester.
Ik ken talloze auteurs die in hun jonge jaren – toen ze misschien alleen nog maar lezers waren – de allergrootste schrijvers lazen en zich daarna nooit meer aan hun werk waagden. Deels begrijp ik dat: je wordt moedeloos, bang of zelfs gedeprimeerd als je de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis binnenstapt. ‘Als dit bestaat’, zeg je dan tegen jezelf (ik als eerste), ‘wat voor zin heeft het dan dat ik vellen volschrijf met mijn flauwekul? Zo’n grote hoogte of zoveel diepgang ligt niet alleen buiten mijn bereik, eigenlijk is het onnodig om hier nog een letter aan toe te voegen. Bijna alles is al gezegd, en ook nog eens op de best mogelijke manier.’
Dat verklaart waarom er schrijvers zijn die, om niet kopje onder te gaan en om de kracht te vinden om maanden of jaren achter de computer of schrijfmachine te gaan zitten, moeten doen alsof Cervantes, Dante, Proust, Faulkner, Montaigne, Conrad, Hölderin, Flaubert, James, Dickens, Baudelaire, Eliot, Melville, Rilke en ongetwijfeld nog vele anderen nooit hebben bestaan. Het laatste wat in hen opkomt, is hun teksten weer gaan lezen, althans niet als ze aan het werk zijn, want de gedachte die daar vaak uit voortvloeit is: Ik kan er beter het zwijgen toe doen en de overbelaste drukpersen niet met nog een literair werk opzadelen: er zijn er al te veel, en het overgrote deel is overbodig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook voor mijn werken geldt.
Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels
Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels; en gelooft u me, er is geen romanschrijver of dichter, behalve wanneer ze een enorm hoge dunk van zichzelf hebben – ze bestaan, echt waar –, die daar voor, tijdens of na het schrijven geen last van heeft.
Superioriteit
Met het oog op deze wijdverbreide schroom verbaast het misschien enigszins – wie weet hebben ze me daarom gevraagd om dit stuk te schrijven – dat ik, min of meer een schrijver van deze tijd, voortdurend in contact sta (‘in gesprek ben’ zou pretentieus klinken) met Shakespeare, de ontzagwekkendste van allemaal, zozeer zelfs dat ik hem vaak in mijn teksten citeer, parafraseer, bespreek. Ik heb veel aan hem te danken, zeven van mijn boektitels zijn Shakespeare-citaten of ‘bewerkte versies’ daarvan.
Niet dat die ontmoedigende bewondering me vreemd is, die angstaanjagende verbijstering die de allergrootste schrijvers bij je teweegbrengen, in wier nabijheid je je een illusionist of een ijdeltuit voelt. We leven in een tijd waarin ontzag voor je tijdgenoten haast niet voorkomt, want de oude, als ik me niet vergis middeleeuwse spreuk ‘iedereen is gelijk’ doet meer dan ooit opgeld. Welk gebied het ook betreft (met uitzondering van de sport), overal is het gebruikelijk om iemands ‘superioriteit’ niet te erkennen.
Het is nu nauwelijks voorstelbaar dat iemand zou reageren als de verteller in Der Untergeher van Thomas Bernard, die zijn pianistenloopbaan eraan geeft wanneer Glenn Gould zijn pad kruist, omdat hij beseft dat hij, hoe vakkundig hij ook zou worden, nimmer in de buurt zou komen van het talent en de virtuositeit van de Canadese vertolker. Een hedendaagse kunstenaar moet zijn bewondering voor zijn tijdgenoten de kop indrukken – of in elk geval verzwijgen –, en al helemaal wanneer het landgenoten betreft of wanneer ze in zijn taal schrijven. Het gaat zelfs zover dat we voor ons zelfbehoud ook onze doden in diskrediet moeten brengen – wat zijn ze irritant, wat zijn ze lastig, hoe klein maken ze ons, hoezeer benadrukken ze onze tekortkomingen en middelmatigheid –, of ze in elk geval negeren en uiteraard uit de weg gaan. Nogal wat auteurs verkondigen tegenwoordig dat ze nauwelijks iets hebben gelezen – ze vinden het de moeite niet – en dat film, televisie, stripboeken of videospelletjes hun enige referentiekader is. Het taaltalent dat je mogelijk hebt, is niet in het geding als je niet weet wat anderen met taal voor elkaar hebben gekregen.
Mysterie
Ik neem zonder meer aan dat in deze laffe, benepen wereld mijn houding anachronistisch is. Ik lees Shakespeare vaak omdat hij een vruchtbare bron voor me is, een schrijver die me prikkelt. In plaats van mij te ontmoedigen, nodigen zijn grootsheid en mysterie me uit om te schrijven, ze stimuleren me, geven me zelfs ideeën; de ideeën die hij alleen maar schetste en liet liggen, die hij slechts suggereerde of terloops formuleerde en besloot niet verder uit te denken of te onderzoeken. Ideeën die er niet met zoveel woorden staan en waarnaar je ‘op zoek moet gaan’. Daarom had ik het over mysterie: Shakespeare heeft, naast een hoop andere, één merkwaardige eigenschap: als je hem leest of naar hem luistert, begrijp je hem zonder al te veel inspanning, of anders dwingt de betovering waarmee hij ons omhult wel om verder te lezen. Maar kijk je nauwkeuriger of analyseer je de zinnen die je in eerste instantie meende te begrijpen, dan merk je dat je ze niet altijd begrijpt, dat ze raadselachtig zijn, dat ze meer betekenen dan ze zeggen, dat ze, behalve te zeggen wat ze zeggen, een nevel van betekenissen en mogelijkheden, resonanties en echo’s, ambiguïteiten en contradicties achterlaten; dat ze meer behelzen dan de woorden die er staan.
In mijn romans heb ik voorbeelden gegeven: ‘It is the cause, it is the cause, my soul’. Zo begint Othello zijn beroemde monoloog alvorens hij Desdemona om het leven brengt. De lezer of toeschouwer leest of hoort deze woorden keer op keer en begrijpt ze. Maar wat betekenen ze verdorie toch? Othello zegt niet ‘She is the cause’ of ‘This is the cause’, wat duidelijker en makkelijker te begrijpen is. Of wanneer Macbeth te horen krijgt dat Lady Macbeth dood is en hij murmelt: ‘She should have died hereafter’. Wat betekent die beroemde zin, als alles reddeloos verloren is en Macbeth meteen daarna zal sterven? Maar ook Lady Macbeth, haar handen besmeurd met het bloed van de door haar man vermoorde koning Duncan, draait zich om naar Duncan en zegt: ‘My hands are of your colour; but I shame to wear a heart so white’ Het is niet helemaal te begrijpen wat ‘white’ hier betekent: onschuldig en onbezoedeld, bleek en geschrokken, of bang? Hoe graag zij ook Macbeths lot wil delen door haar handen in bloed te drenken, feit is dat niet zij de moordenares is, of dat ze hoogstens tot moorden heeft aangesticht, aangezet of verleid. Alleen haar echtgenoot heeft zijn hart werkelijk bezoedeld.
Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen
Het zijn voorbeelden waar ik me vroeger van heb bediend. Maar er zijn nog honderden andere. ‘That I was as great as is my grief, or lesser than my name! Or that I could forget what I have been, or not remember what I must be now!’, zegt Richard II op het dieptepunt in zijn leven. Shakespeares verhalen zijn zelden origineel, zelden door hem bedacht. Dat bewijst maar weer eens hoe ondergeschikt plots zijn en hoe belangrijk vorm is. Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen. Hij wijst naar verborgen paden die hij niet grondig heeft verkend en verleidt ons daar op avontuur te gaan. Misschien is hij daarom de levendigste klassieke schrijver, die onophoudelijk wordt bewerkt en opgevoerd; die zweeft boven immense films en series als The Lord of the Rings, The Sopranos, The Godfather of Game of Thrones, of, minder prominent, House of Cards. Aan hem durven we ons wel te wagen. Niet alleen ik natuurlijk, al is er in mijn geval geen sprake van ook maar de minste verhulling. Of andere schrijvers het nu willen toegeven of niet: Shakespeare is en blijft de schrijver die het meest door onze aderen stroomt en de grootste inspirator is van ons gestamel.
Javier Marías (Madrid, 1951) geldt al jarenlang als serieuze kandidaat voor de Nobelprijs.
Zijn werk, vertaald in drieënveertig talen, is veelvuldig bekroond met nationale en internationale prijzen. Hij schreef onder meer Allerzielen, Een hart zo blank, De verliefden en Zo begint het slechte. Zijn drieluik Jouw gezicht morgen verschijnt in juni bij uitgeverij Meulenhoff.
Hij schrijft wekelijks een column voor El País.
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.