De politieke chaos rond de Brexit houdt aan in Groot-Brittannië. De huiskrant van de Tories is van mening dat parlementariërs met een oplossing moeten komen – en als ze dat niet kunnen, is het tijd voor nieuwe verkiezingen.
We verkeren in een uitzichtloze constitutionele crisis. Het referendum van 2016 heeft krachten losgemaakt die lastig te bedwingen zijn. De wil van het volk heeft die van de volksvertegenwoordiging overstemd en het parlement weet nu niet goed hoe het daarmee om moet gaan. Dat dilemma is verscherpt door verkiezingen waarin de regeringspartij haar meerderheid verloor, zodat premier May de Brexit die zij zelf voor ogen had, niet meer door het Lagerhuis kan krijgen. De vraag is nu hoe we uit deze janboel kunnen komen, zonder ons staatsbestel helemaal op de helling te zetten.
Sommige staatsrechtgeleerden menen dat het antwoord een nieuw referendum is. Volgens hen kan deze impasse alleen worden doorbroken door het volk opnieuw te raadplegen. Zo schreef hoogleraar Vernon Bogdanor van de Universiteit van Oxford onlangs dat ‘het dilemma dat het volk heeft opgeworpen met de uitkomst van het referendum in 2016 en de verkiezingen van 2017, alleen door het volk kan worden opgelost met een nieuw referendum’. De People’s Vote-campagne voor zo’n referendum heeft deze zomer aan kracht gewonnen, terwijl tegelijkertijd de angst groeit dat Mays Brexit-plan, hoe dat er ook uit zal zien, dit najaar nooit een parlementaire meerderheid zal krijgen. Voor een ‘no deal’ is ook geen steun, en in dat geval zou May zich genoopt zien af te treden, omdat ze dan de centrale taak van haar regering niet heeft weten te volbrengen.
Is een tweede referendum dan de enige uitweg? Velen zijn er fel op tegen: het volk heeft zich toch al uitgesproken? Moeten we de Britse stemmers naar de stembus blijven sturen totdat de ‘juiste’ uitslag er een keer uitrolt, zoals in Ierland en Denemarken? Ja, zeggen de voorstanders van een nieuw referendum: nu we aan den lijve hebben ondervonden hoe gruwelijk het allemaal is, en aan de rand van de afgrond hebben gestaan, laat het volk nu nog maar een keer zeggen wat het wil. Hierbij moet worden aangetekend dat Nigel Farage en andere Leave-aanhangers vooraf een tweede referendum eisten als het eerste met een kleine marge zou worden beslist – omdat zij toen nog dachten dat ze zouden verliezen. Juist het Remain-kamp zei destijds heel stellig ‘eruit is eruit’, omdat het overtuigd was van zijn overwinning. Die rollen zijn nu omgedraaid.
Is een tweede referendum dan de enige uitweg? Velen zijn er fel op tegen: het volk heeft zich toch al uitgesproken? Moeten we de Britse stemmers naar de stembus blijven sturen totdat de ‘juiste’ uitslag er een keer uitrolt, zoals in Ierland en Denemarken? Ja, zeggen de voorstanders van een nieuw referendum: nu we aan den lijve hebben ondervonden hoe gruwelijk het allemaal is, en aan de rand van de afgrond hebben gestaan, laat het volk nu nog maar een keer zeggen wat het wil. Hierbij moet worden aangetekend dat Nigel Farage en andere Leave-aanhangers vooraf een tweede referendum eisten als het eerste met een kleine marge zou worden beslist – omdat zij toen nog dachten dat ze zouden verliezen. Juist het Remain-kamp zei destijds heel stellig ‘eruit is eruit’, omdat het overtuigd was van zijn overwinning. Die rollen zijn nu omgedraaid.
Het referendum van 1975
Veel voorstanders van een nieuw referendum waren bovendien blij toen [ondernemer] Gina Miller via de rechter afdwong dat de premier toestemming moest vragen aan het parlement om artikel 50 in gang te zetten. Toch willen zij die beslissingsbevoegdheid nu weer afnemen van het parlement en teruggeven aan het volk. Als het eerste referendum democratisch was, zeggen ze, zou een tweede referendum dat ook zijn.
Al is het natuurlijk geen tweede referendum dat ze willen, maar een derde. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen het referendum van 1975 al zijn vergeten of denken dat het ging over de vraag of we tot de gemeenschappelijke markt moesten toetreden: het ging over de vraag of we erin moesten blijven. Het parlement had twee jaar daarvoor al bij wet tot toetreding besloten. Het referendum van 1975 was de eerste landelijke volksraadpleging in het Verenigd Koninkrijk en daarmee een belangrijke breuk met de geschiedenis en soevereiniteit van het parlement. Dat is ook de reden waarom de Conservatieven er destijds tegen waren. In een toespraak in het Lagerhuis in april 1975 stelde Margaret Thatcher de vraag wat er precies werd bedoeld met ‘overtuigende steun van het volk’.
1. Voorstanders in 1975 van wat de Brexit is gaan heten. 2. Het referendum van 1975 was de eerste landelijke volksraadpleging in het VK en daarmee een belangrijke breuk met de geschiedenis en soevereiniteit van het parlement. 3. Premier Harold Wilson in g
En ze vroeg zich af wat men wilde: ‘Referenda voor elke belangrijke nieuwe wet? Dan hadden we nu geen antidiscriminatiewet, was alle immigratie stopgezet, was abortus nog steeds verboden en zou de doodstraf nog worden uitgevoerd. Ik verwacht dat we die kant opgaan als we dit eerste referendum houden zonder stil te staan bij de betekenis van de eis dat elke wet overtuigende steun vergt, wat normaliter wordt opgevat als de steun van het Huis.’
Het was de bedoeling dat het referendum van 1975 eenmalig zou zijn. Als we referenda blijven houden, wordt het moeilijk om niet af te glijden naar directe democratie. Zoals Thatcher zei: waarom dan geen referenda voor andere kwesties waarbij de mening van het parlement niet in de pas loopt met die van de meerderheid van het volk? Moeten politieke kwesties voortaan worden beslist met een telefoonstemming, zoals bij Strictly Come Dancing? Sommige mensen vinden dat misschien een aantrekkelijk idee. Ik niet.
Parlementaire machteloosheid later dit jaar zal de roep om een nieuw referendum versterken. Bij Labour ligt het idee sinds het laatste partijcongres op tafel, al blijft de partij er tegenstrijdige signalen over afgeven. Brexit-woordvoerder Keir Starmer week af van de officiële partijlijn door met zoveel woorden te zeggen dat de keuze om in de EU te blijven aan het volk moet worden voorgelegd.
Voorstanders van een referendum die beweren dat ze het Brexit-besluit respecteren, dat ze alleen maar willen dat het volk over de inhoud van de Brexit-deal mag stemmen, moeten erkennen dat ze eigenlijk de uitkomst van het eerste referendum willen terugdraaien. Ze willen het debat over EU-lidmaatschap heropenen. De gedachte dat dit een eind zal maken aan de ontstane verdeeldheid, slaat natuurlijk nergens op.
Dit behoort een parlementaire democratie te zijn, geen veredelde spelshow
Een nieuw referendum biedt geen enkel soelaas voor onze staatsrechtelijke crisis, integendeel: als het de uitkomst van het eerste referendum terugdraait, zou dat een ramp zijn voor ons staatsbestel, onze representatieve democratie en het gezag van ons parlement. Het zou grote woede wekken bij miljoenen Leave-kiezers. En we hoeven maar naar het gehakketak op Labours partijcongres te kijken om te beseffen hoe moeilijk het alleen al zou worden om overeenstemming te bereiken over welke vraag nu precies aan het volk moet worden voorgelegd.
Zelden is er in de Britse geschiedenis zo veel onzekerheid geweest over hoe de nabije politiek toekomst eruitziet. Maar het zou van slappe knieën getuigen om het besluit daarover nu weer aan het volk te laten. De parlementariërs moeten dit oplossen. En als het huidige parlement daartoe niet in staat is, moeten er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. Mensen die zeggen dat dit de EU-kwestie niet zal oplossen, bedoelen eigenlijk dat het de Brexit niet zal terugdraaien. Maar dat besluit is nu eenmaal genomen en ook een nieuwe regering zal zich verplicht zien de EU te verlaten. Labours woordvoerder van Financiën John McDonnell en vakbondsleider Len McCluskey zeiden dat ook op het partijcongres. Als Labour de Brexit echt wil terugdraaien, moet de partij dat expliciet in haar verkiezingsprogramma zetten en proberen daarmee een meerderheid in het parlement te winnen om dat te bereiken. Veel succes daarmee. Maar zo hoort het in dit land wel te gaan. Dit behoort een parlementaire democratie te zijn, geen veredelde spelshow. Onze flirt met het referendum is uitgelopen op een regelrechte ramp. Laten we nooit meer een referendum houden.
Het schandaal rond de vergiftigde Russische ex-spion Sergej Skripal heeft de verhoudingen tussen Rusland en het Westen nog meer op scherp gezet.
Over en weer werd een ongekend aantal diplomaten uitgezet. Daarmee herleeft een oude strijd tussen de Russische en Britse geheime diensten. Deze volgt op de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. De spionnen zijn dus terug, maar ze zijn niet meer hetzelfde als in de tijd van John le Carré.
Waarom speelt de oorlog tussen de veiligheidsdiensten zich juist op Britse bodem af? Dat is de schuld van de Engelsen, aldus de Russische site InoSMI. ‘Zij zijn gijzelaars geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.’
De opeenvolging van raadselachtige sterfgevallen van Russische vluchtelingen die zich al enkele jaren voordoet in Londen stelt ons eens temeer voor de vraag: waarom vindt deze massale liquidatie van overlopers eigenlijk plaats op de Britse eilanden? In andere westerse landen komt het niet voor. Waarom heeft de grootste kolonie van Kremlin-tegenstanders zich juist in Groot-Brittannië gevestigd, en waarom heeft de oorlog tussen Russische en Britse spionnen zich na het eind van de Sovjet-Unie en de Koude Oorlog voortgezet? Het antwoord is een mengeling van historische, psychologische en geopolitieke factoren. Er zijn veel boeken over het onderwerp geschreven, maar ik wil enkele belangrijke punten onderstrepen. Zonder die punten is het onmogelijk de zaak-Skripal te begrijpen, of de zaak-Litvinenko*, of andere ‘markante momenten’ in deze eindeloze spionagekroniek.
Engeland is bij uitstek het land van de spionage. Al in de elizabethaanse tijd brachten zijn geïsoleerde ligging en zijn beperkte natuurlijke hulpbronnen Londen ertoe van spionage en diplomatie de belangrijkste instrumenten te maken om zijn wereldhegemonie veilig te stellen. Sir Francis Welshingham richtte op bevel van Elizabeth I een geheime dienst van de kroon op en wist daarmee talrijke samenzweringen te verijdelen, zowel binnenlands als internationaal. De beroemde toneelschrijver en dichter Christopher Marlowe behoorde tot zijn informanten. Jonathan Swift, auteur van Gullivers reizen, en Daniel Defoe, schepper van Robinson Crusoe, waren allebei aan de inlichtingendienst verbonden.
De eeuw daarna mengde Engeland zich met zijn diplomatie en spionage in het Europese politieke spel en hanteerde daarbij met succes het ‘verdeel-en-heers’-principe. Om Frankrijk de wereldhegemonie te betwisten maakten de Engelsen Napoleon naar hartenlust het leven zuur door het financieren van complotten, coalities en ten slotte de opstand in de Vendée. De beroemde Britse tv-serie Sharpe laat zien hoe de Engelsen actief het Spaanse verzet steunden in gebieden die door de troepen van Napoleon waren bezet.
Kolonel Lawrence (van Arabië), ook een agent van de Britse inlichtingendienst, maakte zijn opwachting in de spionagegeschiedenis door de enorme inspanningen die hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog getroostte om het Ottomaanse Rijk te vernietigen door middel van steun aan de Arabische opstand op het Arabisch-Palestijnse Schiereiland. De ‘Britse route’ leidde ook naar Rusland, inclusief de deelname van de Engelsen aan de moord op keizer Paul I en Grigori Raspoetin.
Een van de belangrijkste principes van de Britse politiek is altijd het opvangen van alle dissidenten geweest die ‘in verzet tegen de tirannie’ waren gekomen, en in bredere zin alle mensen die de wetten van hun land waren ontvlucht. Het Verenigd Koninkrijk werd het toevluchtsoord voor duizenden ‘dissidenten’ uit alle landen, van de Franse vrijdenker Voltaire halverwege de achttiende eeuw en Karl Marx halverwege de negentiende tot leden van islamistische groeperingen anno nu. De overlopers van de USSR en Rusland vormen een aparte categorie binnen dit keurkorps: men treft er de voormalige KGB-kolonel Oleg Gordievsky aan, de Tsjetsjeense ‘krijgsheer’ Ahmed Zakajev en vele anderen.
De Britse gastvrijheid stoelt op koele berekening: door het opvangen van vluchtelingen beschikt Londen over een doeltreffend middel om druk uit te oefenen op de betrokken landen en die te chanteren bij politieke onderhandelingen. Er is ook een materieel belang: mannen met twijfelachtige fortuinen uit alle hoeken van de wereld, en in de eerste plaats Rusland, nemen in allerijl de wijk naar Engeland en vullen daar de belastingpot. De spionnen leveren informatie, de belastingvluchtelingen brengen hun kapitaal mee en die voordelen wegen op tegen eventuele diplomatieke geschillen. De woordvoerder van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken, Maria Zakharova, herinnerde er onlangs aan dat Rusland op uitlevering door Engeland wacht van minstens veertig aangeklaagde Russische staatsburgers.
Laten we ook de mentaliteit van de Britse leidende klasse niet vergeten. Spionage als internationale sport beantwoordde aan de ‘voorliefde voor gevaar’ die werd gecultiveerd door de Engelse gentlemen, zodat de inlichtingendienst loten van de beste aristocratische stammen kon inlijven. Waar andere culturen zich eerder terughoudend opstelden tegenover het beroep van spion, is het in Engeland altijd omgeven geweest met een aureool van noblesse en een zekere romantiek. Iets wat je terugvindt in de literatuur, de film en de volkscultuur. Alleen al in de twintigste eeuw waren tal van beroemde schrijvers verbonden aan de Britse inlichtingendienst: William Somerset Maugham, Graham Greene, Anthony Burgess, Ian Fleming, John le Carré, Frederick Forsyth en Arhur Koestler.
Niet voor niets wordt Engeland als het vaderland van de spionagethriller beschouwd. Geen enkele andere cultuur heeft het spionagethema zo uitgebreid en minutieus onderzocht. De lijst is eindeloos, dus laten we ons beperken tot enkele meesterwerken zoals The 39 Steps van Alfred Hitchcock (1939), The Third Man (1949), The Spy Who Came in from the Cold (1965) en The Ipcress File (1965), om nog maar te zwijgen van de eeuwige James Bond-serie (From Russia with Love etc.) en ten slotte de kaskraker Kingsman: The Secret Service (2014). De liefde van de Britten voor spionage laat zich verklaren door het feit dat ze het nut ervan inzien en zich ervan bedienen voor politieke doeleinden.
Omdat deze ‘kunst’ zo hoog in aanzien stond, heeft de Engelse politieke elite de regels en risico’s ervan tot aan het vorige decennium geaccepteerd. Bij de zaak-Litvinenko, en meer nog bij de zaak-Skripal, lijken de gentlemen hun legendarische koelbloedigheid te zijn verloren. Rusland en alles wat daarmee te maken heeft is hun duidelijk een doorn in het oog. Vandaar dat de spionage gepaard gaat met russofobie. De combinatie van deze twee tradities, spionage en russofobie, verklaart voor een groot deel deze confrontatie die al decennia duurt en het gebruikelijke inlichtingenkader al lange tijd overstijgt.
De russofobie begon in Frankrijk en Engeland na de napoleontische oorlogen, toen Rusland een invloedrijke mogendheid werd op het continent. In de jaren 1830, met de Poolse opstanden tegen het Russische Keizerrijk, kreeg de Europese russofobie duidelijk vorm. Daarbij speelde echter niet zozeer solidariteit met de Polen als wel de wil om Rusland te verzwakken. De betrekkingen tussen Engeland en Rusland kwamen nog meer onder druk te staan door de ‘Oosterse Kwestie’ en de bestemming van de Bosporus en de Dardanellen, die leidde tot de Krimoorlog (1853-1856) en wat ‘het Grote Spel’ werd genoemd, de geopolitieke confrontatie (met inzet van inlichtingendiensten en diplomatie) tussen het Verenigd Koninkrijk en Rusland in de tweede helft van de negentiende eeuw.
Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt
In de jaren 1855-1865 publiceerden Alexander Herzen en Nikolaj Ogarev, onder het welwillende toeziend oog van de Britse autoriteiten, in Londen de eerste tegen de regering gerichte Russische tijdschriften die een beslissende invloed hadden op de liberale Russische intelligentsia. In het begin van de twintigste eeuw werd Engeland een van de belangrijkste toevluchtsoorden voor Russische dissidenten, met name revolutionaire socialisten, mensjewieken en bolsjewieken. In Londen werden het historische tweede en vijfde congres (1903 en 1907) van de Russische sociaaldemocraten gehouden, waar Lenin aan deelnam en waar het bolsjewisme als beweging werd geïnstitutionaliseerd. Het vijfde congres werd grotendeels gefinancierd door Britse industriëlen die sympathiseerden met de Russische Revolutie.
Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt. Denk alleen maar aan de Lockhart-affaire (1918), de operatie Trust en Sidney Reilly (1925); de laatste had in Engeland de bijnaam ‘spionnenkoning’ en inspireerde Ian Fleming tot het personage James Bond. Ook de Vijf van Cambridge leven voort in de geschiedenis, de legendarische superagenten, onder wie de beroemde Kim Philby, die in de jaren dertig van de vorige eeuw door de Sovjet-Unie werden gerekruteerd. De concurrentie tussen de diensten werd vooral levendig tijdens de Koude Oorlog, die duurde van 1946 tot 1991. De namen van de ‘helden’ en verraders van deze oorlog zijn welbekend. Vooral de Profumo-affaire, vernoemd naar de Britse minister van Defensie, zorgde voor sensatie en leidde tot het aftreden van de laatste in 1963. Het verhaal van escortgirl Christine Keeler, die zowel een verhouding had met Profumo als met Yevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst, hield de Britten in de ban als een spannend spionnenspel. In 1971 vond de grootste uitzetting van Sovjetdiplomaten uit de geschiedenis plaats, waarbij 105 agenten Londen moesten verlaten.
Christine Keeler had zowel een verhouding met Britse minister van Defensie Profumo als met Jevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst.
Na de val van de USSR bleek de adempauze van korte duur: vanaf eind jaren negentig barstte de strijd tussen de inlichtingendiensten weer in volle hevigheid los. Londen werd het toevluchtsoord voor Russische oligarchen, economische criminelen, overgelopen spionnen en allerlei andere tegenstanders van Moskou. De beroemdste van hen, oligarch Boris Berezovski, stierf in 2013 onder nooit opgehelderde omstandigheden. De Russische oppositie in Londen, naar hartenlust uitgebuit door de Britse inlichtingendiensten, is echter voor een groot deel oncontroleerbaar geworden en handelt volgens haar eigen regels. Dat is precies de reden voor een hele reeks onverklaarbare aanslagen die de competentie en de logica van de klassieke inlichtingendiensten te boven gaan en waarschijnlijk het belang dienen van derden. De politieke schade van deze afschrikkingsexecuties is enorm. Het is duidelijk dat de Britten gijzelaars zijn geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.
Engeland heeft voortdurend geklaagd over en aanstoot genomen aan de dood van Russische overlopers, omdat het zelf de regels van dit spel heeft geschreven waarin de internationale oorlog van de geheime diensten zich precies op haar eigen bodem voltrekt. En dan gaat het niet alleen om de Russische diaspora, maar ook om de islamisten die politiek asiel hebben gekregen dankzij steun van de plaatselijke geheime diensten en die momenteel oncontroleerbaar zijn geworden en tal van terroristische aanslagen plegen op het grondgebied van hun gastheren.
Aleksandr Litvinenko, KGB-agent tussen 1988 en 1999, stierf in 2006 in Londen aan een poloniumvergiftiging.
Op 4 maart 2018 werden de voormalige Russische dubbelspion Sergej Skripal en zijn dochter bewusteloos aangetroffen op een bankje in de Engelse stad Salisbury. Al heel snel bevestigden de Britse autoriteiten dat ze waren vergiftigd met novitsjok, een in Rusland geproduceerd zenuwgas. Omdat deze moordaanslag als een chemische aanslag op zijn grondgebied werd beschouwd, zette Londen drieëntwintig Russische diplomaten uit, waarna de Verenigde Staten en diverse Europese landen er op hun beurt ook meer dan honderd uitzetten. Moskou reageerde met dezelfde maatregel.
Moskou is van mening dat er geen enkel bewijs is geleverd voor zijn verantwoordelijkheid voor de aanslag en spreekt van een westerse provocatie om Rusland te demoniseren en te isoleren. Terwijl de twee slachtoffers van Salisbury aan de beterende hand zijn, heeft de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens op 18 april verklaard dat haar laboratoria niet hebben kunnen vaststellen door welk land of welk laboratorium de giftige stof is geproduceerd, aldus het Russische dagblad Gazeta.ru. Maar de Britse vertegenwoordiger van de organisatie laat geen enkele ruimte voor twijfel: ‘Wij zijn van mening dat alleen Rusland over de technische mogelijkheden, de praktische ervaring en de motivatie beschikt om deze operatie uit te voeren.’
InoSMI is een informatiesite die zich specialiseert in de Russische vertaling van artikelen uit de buitenlandse pers. Inderdaad, net als 360. De naam is een samentrekking van twee Russische woorden die ‘buitenlandse media’ betekenen. ‘Alles wat het waard is om vertaald te worden,’ luidt hun slogan. Naast redacteuren en vertalers telt de redactie ook auteurs van oorspronkelijke artikelen in het Russisch.
Een halfjaar na de moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia zijn de opdrachtgevers nog altijd niet gepakt. Niet verwonderlijk, vindt men op het eiland: het kan bijna iedereen geweest zijn.
Op een zaterdagavond in januari trekken naar schatting 110.000 mensen – meer dan een kwart van de bevolking – naar Valletta, de kleine parel van een hoofdstad, om te vieren dat de stad zichzelf een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa 2018 mag noemen. ‘De nationale trots bereikt een historisch hoogtepunt,’ aldus premier Joseph Muscat.
Het doet er niet toe dat de stad deze eer moet delen met Leeuwarden, een provinciestad in Nederland. Het doet er niet toe dat landen bij toerbeurt aan bod komen. Het doet er niet toe dat veel van het culturele aanbod die avond gerecycled is. Het doet er niet toe dat de trots verdampte toen mensen soms wel drie uur moesten wachten op de bus naar huis. En het doet er niet toe dat het amper drie maanden geleden was dat het eiland werd opgeschrikt door de ernstigste vorm van reputatieschade ooit: de spectaculaire moord, met een autobom, op de prominentste journaliste van het eiland, Daphne Caruana Galizia.
Cliëntelisme
Dat paste niet in het plaatje van Muscat. Malta beleeft bijzondere tijden. Het is het kleinste land in de EU, zowel qua bevolking als qua grondgebied (kleiner dan de provincie Utrecht). Het is ook (veruit) de dichtstbevolkte lidstaat en de bevolking groeit nog steeds. Het eiland verandert bovendien het snelst binnen de EU.
In 1964 werd Malta onafhankelijk van Groot-Brittannië. De charmes van het eiland waren, uh, niet echt verfijnd te noemen: de hotels waren excentriek, de stranden vuil, de Katholieke Kerk deelde de lakens nog uit, de keuken was beïnvloed door de Royal Navy. Maar het klimaat was betrouwbaar; de mensen innemend, vindingrijk en veerkrachtig, zoals ze hadden bewezen in de oorlog. En zoals de plaatselijke uitdrukking luidt: il-maltin jafu idawru lira – Maltezers kunnen geld verdienen.
De Maltese politiek is fascinerend: altijd rauw, soms gewelddadig. De Arbeiderspartij en de christendemocratenachtige Nationalisten konden rekenen op een soort stammentrouw: meer Feyenoord-Ajax dan links tegen rechts. En vriendendiensten horen er op zo’n klein eiland bij, vooral omdat de meeste banen overheidsbanen zijn. Dat werd nog versterkt door de enkelvoudige overdraagbare stem (‘single transferable vote’), die de concurrentie tussen de kandidaten van dezelfde partij bevordert. Je wordt verkozen als je iedereen kent. ‘Er is altijd cliëntelisme geweest. Arme mensen die druk uitoefenen op politici om een baan te krijgen of een promotie,’ aldus Henry Frendo, professor moderne geschiedenis aan de universiteit van Malta.
‘Het is een ongelukkig systeem voor ons,’ zegt Arnold Cassola, oprichter van de Groene Partij op Malta, die niet zozeer in de verdrukking is geraakt als wel is verstikt. ‘En voor het land, zou ik zeggen. Politici kunnen baantjes vergeven. Ze kunnen het voetbalteam sponsoren, een klarinet doneren aan de plaatselijke muziekband of geld geven voor het dorpsfeest.’
Maar als een kandidaat wint, is hij de baas (‘the winner takes it all’). De premier benoemt iedereen, van de opperrechter, de politiecommissaris tot de schouwburgdirecteur. Loyaliteit is essentieel, competentie optioneel. ‘Het enige verschil met de middeleeuwen is dat we de vrouwen van de tegenpartij niet meer verkrachten,’ zegt Cassola.
Joseph Muscat werd partijleider van de Arbeiderspartij in 2008, toen hij 34 was. ‘Hij was erg modern, erg capabel, erg charismatisch,’ volgens Christian Peregin, redacteur van website Lovin Malta. Hij was voor de scheiding, homorechten, een minder strenge censuur, allemaal gebieden waar de paus vroeger de dienst uitmaakte. Uiteindelijk omarmde Muscat ook de EU waartoe Malta in 2004 was toegetreden ondanks nukkige bezwaren van de Arbeiderspartij, die toen in de oppositie zat. Het land profiteerde, maar de Nationalisten niet: in 2013 behaalde Muscat een grote overwinning. ‘De vorige regering was vermoeid en werd beschouwd als corrupt,’ zei Peregin. ‘Muscat had energie. En hij gaf die energie door aan zijn regering.’
“De regering is niet pro-business. Zij ís business”
Net als zijn Britse evenknie, Tony Blair, moest Muscat afrekenen met de angst dat de Arbeiderspartij het kapitaal zou afschrikken. Maar in tegenstelling tot Blair benoemde hij een zakenman als stafchef: Keith Schembri. ‘Dat is een van de redenen dat deze regering presteert,’ aldus Victor Vella, redacteur van de krant It-Torca, die eigendom is van de vakbond. ‘Er zitten mensen in die dingen voor elkaar kunnen krijgen.’ Dat verklaart nog niet waarom Schembri, die multimiljonair is, dat werk zou willen doen. ‘De regering is niet pro-business,’ zegt priester Joe Borg, ‘zij ís business.’
En de goede tijden hielden maar aan. Het toerisme groeide, omdat Malta een streepje voor had op de ‘gevaren’ van de Noord-Afrikaanse kusten. Onlinegokbedrijven bleven toestromen, tientallen. En dan die alleszeggende term ‘financiële diensten’. In de omvlaggingsbusiness – waarin voorschriften worden ontdoken door rederijen die hun koopvaardijschepen in het buitenland registreren – staat Malta op de zesde plaats, met bijna 90 miljoen registerton, vlak achter de wereldleiders Panama en Liberia. Het eiland ligt niet offshore in overdrachtelijke zin. Het maakt deel uit van de EU, dus is alles, ook de lage vennootschapsbelasting, transparant en legaal. Schijnbaar.
Toch brengen de tweetalige plaatselijke kranten elke dag sappige verhalen over corruptie die verder gaan dan voetbalclubs of klarinetten. Maar wat er ook aan het licht wordt gebracht, de Maltezers lijken er hun schouders over op te halen. Behalve dan over het feit dat Malta’s meest vasthoudende journaliste is vermoord.
De buitenlandse pers heeft Daphne Caruana Galizia onmiddellijk heilig verklaard, wat begrijpelijk was. In Malta waren zelfs haar aanhangers genuanceerder. De laatste tijd hield Daphne (altijd gewoon Daphne) haar eigen onmisbare blog bij, Running Commentary. Dit was erg jammer, want ze zou enorm veel baat gehad hebben bij een goede redacteur. Haar laatste bijdrage staat nog steeds op de site. Hij geeft blijk van een ijzingwekkende scherpzinnigheid: ‘Overal waar je kijkt zitten schurken. De situatie is hopeloos.’ Maar de kop luidt: ‘Die schurk Schembri was vandaag in de rechtbank te beweren dat hij geen schurk was.’ Wat een indruk geeft van haar ongebreideldheid.
Er zijn drie mannen gearresteerd op verdenking van de moord op Daphne, met overtuigende bewijzen. Maar iedereen weet dat het huurmoordenaars waren. Door wie ze betaald werden is niet duidelijk, voor een deel omdat het iedereen geweest had kunnen zijn.
Wat we wel weten is dat zowel Schembri als Konrad Mizzi, de meest invloedrijke minister van Muscat, enkele dagen na de verkiezingsoverwinning van de Arbeiderspartij in 2013 Panamese bedrijven hebben opgericht. Een derde account kon, volgens Daphne, in verband worden gebracht met Muscats echtgenote. Afgelopen zomer besloot een furieuze Muscat dat de bevolking maar moest stemmen over zijn eerlijkheid en schreef hij vervroegde verkiezingen uit. Hij won en zijn meerderheid was vrijwel ongewijzigd. En hij zou morgen weer winnen: Daphne was niet de enige die vond dat de nieuwe oppositieleider waardeloos is – die de staat bovendien nog duizenden euro aan achterstallige belastingen verschuldigd is.
Streng tegen het VK
Incompetentie, of erger, is nog steeds wijdverbreid in het politieapparaat. En God is ook niet meer almachtig. De Maltese kerk ontsnapte ternauwernood aan schandalen over seksueel misbruik, maar nog maar de helft van de mensen woont de mis bij, en niet zoals vroeger bijna iedereen.
Begin 2017, toen Muscat afstevende op zijn herverkiezing, maakte hij goede sier met het EU-voorzitterschap dat Malta toen bij toerbeurt bekleedde – net zoals Valletta nu Culturele Hoofdstad van Europa is. In die hoedanigheid was hij bijzonder streng tegen het VK. Daarbij dringen twee gedachten zich op. De eerste was dat hij geen keus had: een voormalige Britse kolonie kon zich amper toegeeflijk tonen als het om de Brexit ging. De andere was dat hij een reden had om kwaad te zijn. Malta’s succes is gebaseerd op het gebruik van differentiële belastingen om bedrijven aan te trekken. Dat zou in het gedrang komen door de lang gekoesterde Frans-Duitse droom van belastingharmonisering. Wie was de grootste tegenstander van dat idee? Juist, het VK, dat er straks niet meer zal zijn om bezwaren te uiten.
En er zijn andere dreigingen. Een delegatie van het Europees Parlement was gechoqueerd door de manier waarop Malta de moord op Daphne behandelt. De agressieve verkoop van paspoorten uit de Schengenzone aan mensen met een dubieus inkomen wekt ook onrust in Brussel en Straatsburg. En er is een groeiend gevoel dat Malta de kluit belazert. In het VK kennen ze maar één artikel van het Verdrag van Lissabon, en dat is artikel 50. Elders worden steeds meer mensen zich bewust van een andere verdragsbepaling, namelijk artikel 7, op grond waarvan de rechten van het EU-lidmaatschap kunnen worden opgeschort. Polen en Hongarije zijn vanzelfsprekend doelwit, maar Malta wordt ook zenuwachtig. En het heeft daartoe alle reden. Als je de veerboot neemt van Sliema naar Valletta zie je de basiliek boven de borstwering uittorenen, een van Europa’s prachtige panorama’s. Maar als je terugkeert naar het nieuwe Sliema zie je een goedkope versie van Dubai of Singapore dat gebouwd wordt op een krakkemikkige fundering. De trots van Muscat kan voor een diepe val komen.
New Statesman
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 34.000
Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.
Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’
Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.
Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.
Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.
De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen
Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.
Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.
En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.
Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.
Meerduidig en complex
Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.
Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.
Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.
Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.
Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.
Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.
Paradox
Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.
Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.
In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.
Tegenstanders van de Brexit voorspelden ‘koopspijt’ als Groot-Brittannië in een recessie zou belanden. Maar die bleef uit, schrijft Larry Elliott. En de meeste mensen gingen gewoon door met hun leven.
We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: het moment waarop je thuiskomt en beseft dat je die nieuwe trui helemaal niet wilde hebben en hem eigenlijk ook niet kon betalen. Dat heet koopspijt, en het was een idee dat de tegenstanders van een Brexit troost gaf toen ze probeerden bij te komen van de schok na het referendum over de Britse lidmaatschap van de Europese Unie in juni 2016.
Wat de Brexit betreft betekende koopspijt dat mensen die vóór het vertrek uit de EU hadden gestemd daar snel spijt van zouden krijgen omdat de economie onmiddellijk in een diepe recessie zou geraken, zoals het ministerie van Financiën in de aanloop naar het referendum had voorspeld. Project Angst was eigenlijk Project Realiteit, werd gezegd, en het zou niet lang duren eer de voorstanders van Brexit zouden aandringen op een kans om zich alsnog te bedenken.
Er waren ongetwijfeld mensen die, ondanks de onmiskenbare zwakke plekken in het Europese project, oprecht dachten dat er nooit iets goeds zou kunnen voortkomen uit een Brexit, en dat vooral de armen en kwetsbaren die vóór een vertrek hadden gestemd, het meest zouden lijden onder de onvermijdelijk geachte funeste gevolgen. Maar die koopspijt-theorie had een snobistische en hatelijke ondertoon, namelijk dat het plebs te stom was om te beseffen waar het vóór stemde.
Geen armageddon
Toch was de kans altijd klein dat er om die redenen een tweede referendum gehouden zou worden, en dat is ook niet gebeurd. We zijn nu anderhalf jaar verder en er zijn weinig tekenen te bespeuren van koopspijt. Dat komt gedeeltelijk doordat mensen om complexe redenen voor blijven of vertrekken stemden. Het referendum heeft nooit alleen om de economie gedraaid, en achteraf gezien was het een strategische blunder van de voorstanders van het lidmaatschap van de EU om het alleen te hebben over de consequenties van de uitslag voor het bruto binnenlands product en de huizenprijzen.
Een andere reden waarom er geen koopspijt is ontstaan, is dat het land – of liever gezegd: dat deel van het land (verreweg het grootste) dat niet geobsedeerd is door de Brexit – gewoon is doorgegaan met wat het altijd deed. Er zijn Brexit-fanatici, er zijn anti-Brexit-fanatici, en daartussenin zijn er miljoenen mensen die in juni 2016 om een beslissing werd gevraagd, die beslissing hebben genomen, en nu verwachten dat de democratie weer zijn loop heeft. Ze denken niet meer aan de Brexit, net zoals ze tussen twee verkiezingen in ook niet aan de politiek denken.
De koopspijt-strategie vereiste dat het Verenigd Koninkrijk in een recessie zou storten, maar daar is het land niet eens bij in de buurt gekomen. De economie was slap – vooral in vergelijking met die van andere grote, ontwikkelde landen – maar om koopspijt te genereren zou die sterk hebben moeten krimpen en hadden de werkloosheidscijfers omhoog moeten schieten. Met een equivalent van 2009 – toen de economie met meer dan 4 procent kromp – zou dat wellicht gebeurd zijn. Maar in plaats daarvan groeit de economie maar iets minder hard dan op de lange termijn was voorspeld en is de werkloosheid sinds 42 jaar niet meer zo laag geweest. Het uitblijven van een economisch armageddon heeft alleen het gebrek aan vertrouwen in deskundige voorspellers vergroot.
De eerste helft van 2017 was na het referendum de meest hachelijke periode voor de economie. De inflatie steeg snel vanwege de devaluatie van het pond na de keus voor een Brexit, maar zelfs toen was de groei gemiddeld nog 0,3 procent per kwartaal. Sindsdien gaat het weer iets beter, en nu de factoren die inflatie in de hand werken minder actief zijn, blijft dat in 2018 waarschijnlijk zo doorgaan. De verwachtingen voor de mondiale economie zijn naar boven bijgesteld, en dat is een steun voor Britse exporteurs van productiegoederen en diensten. Het enthousiasme op de beurzen kan voor een deel doorgeprikt worden, maar we kunnen er zeker van zijn dat 2018 niet weer een 2009 zal worden. Het tij van de mondiale economie is rondom het tijdstip van het Brexit-referendum gekeerd, en die opleving zal nog wel even standhouden.
Er zijn een paar redenen voor die veranderde stemming. Langdurige stimulering in de vorm van een ongekend lage rente en de vergroting van de geldvoorraad, die bekendstaat als ‘kwantitatieve verruiming’, is een van de factoren. Een andere is de verbeterde financiële positie van de banken.
Een derde factor is het natuurlijke ritme van de conjunctuur, hetgeen betekent dat zelfs behoedzame bedrijven moeten gaan investeren omdat hun bestaande apparatuur het begeeft of verouderd is. Om al die redenen ontstond er weer een vechtersmentaliteit. Bedrijven die overeind waren gebleven tijdens de Grote Recessie zagen dat de dingen eerder beter dan slechter gingen. Ze waren het zat om te zeuren.
Dat betekent niet dat de wereld als door een wonder veranderd is en dat alle problemen die ons de afgelopen tien jaar achtervolgden plotseling zijn verdwenen. Verre van dat. Die grote structurele problemen – het aangaan van te grote schulden om de consumptie te bevorderen, de tien jaar waarin de productiviteit niet is gegroeid, de toegenomen inkomensongelijkheid – zijn niet verdwenen en worden alleen maar verhuld door een krachtige, conjuncturele opleving. Een periode van solide groei schept een gunstiger klimaat waarin enkele van die zwakke punten kunnen worden verbeterd. Het staat nog te bezien of die kans wordt benut.
Dat geldt vooral voor Groot-Brittannië, waar de bedroevende productiviteit hét grote probleem van de afgelopen tien jaar is geweest. Als de groei in productie per hoofd van de bevolking sinds 2008 was doorgegaan in de richting van vóór de recessie, dan zou de levensstandaard inmiddels met 20 procent zijn gestegen. Zelfs volgens de meest pessimistische voorspellingen voor de invloed van de Brexit op de lange termijn wordt niet verwacht dat die even kostbaar zal zijn.
De verdedigers hebben er zo lang op gehamerd hoe vreselijk de Brexit zal uitpakken, dat ze vergeten zijn oplossingen te bedenken
Dat brengt ons bij het laatste probleem van de koopspijt-theorie: de verdedigers hebben er zo lang op gehamerd hoe vreselijk de Brexit zal uitpakken, dat ze vergeten zijn oplossingen te bedenken om iets te doen aan de redenen waaróm mensen tegen het EU-lidmaatschap stemden: lage lonen, onzekerheid over hun baan, het gevoel dat er niet naar hen werd geluisterd. Voorstanders van het EU-lidmaatschap grepen zich vast aan elke flard negatief nieuws over de economie – hoe onbeduidend ook – in de hoop dat het tot een ommezwaai zou leiden. Maar ze waren niet in staat om met een plan te komen dat de structurele, economische problemen van Groot-Brittannië zou oplossen, problemen die er al voor 23 juni 2016 waren en die zullen blijven bestaan, of het resultaat van het referendum nu wel of niet alsnog zou worden verworpen.
Het voortdurend blijven benadrukken van de negatieve gevolgen van de Brexit, zonder met oplossingen te komen voor het chronische tekort op de betalingsbalans van Groot-Brittannië, de noord-zuidkloof en het vertrouwen op de door schulden in stand gehouden groei, heeft de indruk gewekt dat sommige ‘blijvers’ een stevige recessie zouden verwelkomen omdat die de kiezers tot bezinning zou brengen.
Maar die blijvers winnen er niets bij als ze het slechte economische nieuws overdrijven. Misschien zou het beter zijn als ze erop wijzen dat de eurozone in 2017 de verwachtingen van de mondiale economie nog overtrof, en dat Mario Draghi als president van de Europese Centrale Bank de aangeboren gebreken van de euro geweldig wist weg te moffelen. De economie van het Verenigd Koninkrijk zal het in 2018 beter doen dan werd verwacht. Dat zulks deels het resultaat is van een sterkere eurozone, is een van die tegenstrijdigheden van het leven.
Auteur: Larry Elliott
Vertaler: Tineke Funhoff
Larry Elliott is economieredacteur van The Guardian.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Yanis Varoufakis is bepaald geen fan van de huidige EU, die hij een mislukte federatie noemt. Maar als Groot-Brittannië de unie verlaat, opent dat volgens de voormalige Griekse minister van Financiën de deur voor xenofoben, nationalisten en tegenstanders van democratische soevereiniteit.
Het allereerste Duitse woord dat ik leerde was ‘Siemens’. Dat stond als logo op onze robuuste koelkast uit de jaren vijftig, onze wasmachine, onze stofzuiger – op bijna ieder apparaat in mijn ouderlijk huis in Athene. De reden voor die specifieke trouw aan dat Duitse merk was mijn oom Panayiotis. Een germanofiele elektro-ingenieur, die vanaf halverwege de jaren vijftig tot eind jaren zeventig directeur was van Siemens in Griekenland.
In de vroege ochtend van 21 april 1967 rolden op bevel van vier legerkolonels tanks door de straten van Athene en andere grote steden, en was ons land al snel gehuld in een dikke mist van neofascistische treurnis. Dat was de dag waarop de wereld van mijn oom instortte. Anders dan mijn vader, die eind jaren veertig met enkele jaren concentratiekamp had geboet voor zijn linkse ideeën, was Panayiotis wat tegenwoordig een neoliberaal wordt genoemd. Fanatiek anticommunistisch, wantrouwend ten opzichte van de sociaaldemocratie, had hij de Amerikaanse interventie gesteund in de Griekse burgeroorlog in 1946. Met zijn politieke ideeën en zijn positie als directeur van Siemens Griekenland behoorde hij tot de naoorlogse heersende klasse in Griekenland. Toen troepen van de staatsveiligheidsdienst of hun stromannen linkse demonstranten in elkaar sloegen en zelfs een briljant parlementslid, Grigoris Lambrakis, vermoordden, keurde hij dat schoorvoetend goed, onaangenaam maar noodzakelijk.
De grote invloed van de Amerikaanse veiligheidsdiensten in de Griekse politiek in 1965 vond Panayiotis een aanvaardbare ruil: Griekenland had enige soevereiniteit aan westerse mogendheden overgedragen in ruil voor de bescherming tegen de dreiging van het Oostblok dat aan Griekenlands noordgrens lag. Op die grauwe dag in april werd zijn leven op zijn kop gezet. Hij kon simpelweg niet verdragen dat ‘zijn’ mensen het parlement ontbonden, de grondwet opschortten en potentiële dissidenten (inclusief rechtse democraten) interneerden in voetbalstadions, politiebureaus en concentratiekampen.
Ondergronds
Dat leidde bij hem tot een razendsnelle, bijna komisch aandoende radicalisering. Enkele maanden nadat de kolonels de macht hadden gegrepen, sloot hij zich aan bij een ondergrondse beweging, Democratische Verdediging, die voornamelijk bestond uit liberalen uit de elite zoals hij – hoogleraren, advocaten en zelfs een toekomstig premier. Ze plaatsten bommen in Athene, waarbij ze ervoor zorgden dat er geen slachtoffers vielen, om te laten zien dat de kolonels niet alles onder controle hadden.
Enkele jaren leek Panayiotis – zelfs voor zijn eigen moeder – een van de vele intellectuelen die zich gedeisd hielden, zich niet met anderen bemoeiden. Niemand wist van zijn dubbelleven.
Ik herinner me nog steeds het krakende geluid van een radio, verborgen onder een rode deken in het midden van de woonkamer. Iedere avond, om een uur of negen, kropen mijn vader en moeder samen onder de deken – en na de gedempte jingle waarmee het programma begon, gevolgd door de stem van de Duitse omroeper, reisde mijn zesjarige fantasie van Athene naar Midden-Europa. Deutsche Welle, de Duitse internationale radiozender, werd de dierbaarste bondgenoot van mijn ouders tegen de staatspropaganda: een venster op het democratische Europa.
De reden voor die rode deken was de chagrijnige oude buurman Gregoris, van wie bekend was dat hij banden had met de geheime politie en graag mijn vader bespioneerde. Hoe vreemd het nu ook mag klinken, het luisteren naar de Deutsche Welle kwam op de lange lijst te staan van activiteiten waarop straffen stonden, die varieerden van intimidatie tot marteling. Nadat mijn ouders Gregoris hadden betrapt toen die in onze achtertuin rondsloop, namen ze geen enkel risico meer.
Enkele jaren later kregen we via de Deutsche Welle te horen waar Panayiotis en zijn collega’s mee bezig waren geweest: er werd bekendgemaakt dat ze allemaal waren gearresteerd. Al een paar uur nadat een lid van de Democratische Verdediging bij toeval was opgepakt, werd de rest van de beweging ook opgerold. De politie hoefde alleen maar de agenda van de eerste man te lezen, want daarin stonden alle namen en adressen van zijn kameraden. Martelingen, de krijgsraad en lange gevangenisstraffen – in sommige gevallen de doodstraf – volgden.
Een jaar nadat Panayiotis was opgepakt, versoepelde de militaire politie die hem vasthield zijn isolatieregime, door toe te staan dat ik als tienjarige één keer per week bij hem op bezoek mocht. Onze toch al sterke band werd hechter door de gesprekken die we daar voerden als jongens onder elkaar, en die hem wat afleiding bezorgden. Hij vertelde me over apparaten die ik nog nooit had gezien (computers noemde hij ze), vroeg naar de nieuwste films, beschreef zijn lievelingsauto’s. In afwachting van mijn bezoekjes bouwde hij met lucifers en ander materiaal dat hij van de bewakers mocht hebben modelvliegtuigjes voor mij. Vaak had hij daarin een boodschap voor mijn tante verborgen, of voor mijn moeder, en soms zelfs voor zijn collega’s bij Siemens. Lange tijd na zijn dood vond ik op zolder bij mijn ouders nog een lucifermodel van een Stuka-duikbommenwerper. En daar stond het, een enkel woord gericht tot niemand in het bijzonder: kyriarchia. Soevereiniteit.
Bezoek aan Berlijn
Het was bijna vijftig jaar na die avonden onder de rode deken dat ik in februari 2015 als Griekse minister van Financiën mijn eerste officiële bezoek aan Berlijn bracht. Mijn eerste bezoekadres was het ministerie van Financiën, voor een ontmoeting met de legendarische dr. Wolfgang Schäuble. Voor hem en zijn paladijnen was ik een lastpak. Onze linkse regering was gekozen op een programma dat, op zijn zachtst gezegd, niet zo goed paste in kanselier Merkels plannen om de eurozone op orde te houden. Ons succes was inderdaad een nachtmerrie voor Berlijn. Als wij erin zouden slagen er een nieuwe overeenkomst uit te slepen om de eindeloze recessie te stoppen die ons land in haar greep hield, zou die Griekse linkse ‘ziekte’ zich natuurlijk gaan verspreiden.
Toen ik van Berlijns luchthaven Tegel dichter bij het oude hoofdkwartier van Goerings ministerie van Luchtvaart kwam – waar nu het ministerie van Financiën zetelt – vroeg ik me af of mijn gastheer zich zou kunnen voorstellen dat mijn hoofd vol zat met jeugdherinneringen waarin Duitsland een belangrijke vriend was. Eenmaal in het gebouw werden mijn assistenten en ik snel in een grote lift geleid. De lift kwam uit op een lange kille gang aan het einde waarvan de belangrijke man zat te wachten in zijn rolstoel. Mijn uitgestoken hand negeerde hij, en hij ging me resoluut voor zijn kantoor in. Hoewel mijn relatie met Schäuble in de loop der maanden hartelijker werd, stond die geweigerde hand symbool voor wat er mis is met Europa. Het was het symbolische bewijs dat Europa enorm was veranderd in de halve eeuw die sinds de tijd van de rode deken was verstreken.
Voor mijn ouders was de Deutsche Welle een venster op democratisch Europa
Een week na mijn ontmoeting in Berlijn ontmoetten Schäuble en ik elkaar opnieuw, maar nu aan de lange rechthoekige tafel van de Eurogroep, het beleidsbepalende orgaan van de eurozone waarin de ministers van Financiën zitting hadden, plus de vertegenwoordigers van de trojka – de ECB, de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds. Toen ik namens onze regering had gepleit voor een wezenlijke heronderhandeling over het zogenaamde ‘Griekse economische programma’, dat voornamelijk door de trojka was bedacht, verbijsterde dr. Schäuble me met een reactie die iedere democraat de rillingen op de rug zou moeten bezorgen: ‘Verkiezingen mogen niet het economische programma van een staat veranderen!’
Tijdens een pauze in die tien uur durende vergadering, waarin ik mijn uiterste best had gedaan om enige economische soevereiniteit terug te winnen voor mijn murw gebeukte parlement en ons lijdende volk, probeerde een andere minister van Financiën me te troosten: ‘Yanis, je moet begrijpen dat geen enkel land tegenwoordig nog soeverein is. Vooral niet zo’n klein en bankroet land als het jouwe.’ Die redenering is waarschijnlijk de verderfelijkste denkfout die het publieke debat in onze moderne liberale democratieën heeft vergiftigd. Het betekent in feite dat soevereiniteit passé is, behalve voor de VS, China of misschien Poetins Rusland. In dat geval kun je net zo goed je land weggeven aan een transnationale statenbond waarin je eigen parlement klakkeloos de besluiten van de bond goedkeurt. Het interessante is dat dit argument niet alleen geldt voor kleine bankroete landen als Griekenland, gevangen in een slecht ontworpen eurozone. Diezelfde giftige wijsheid wordt tegenwoordig verkondigd in Engeland – waarschijnlijk als doorslaggevend argument om in de EU te blijven.
Het probleem ontstaat zodra het onderscheid tussen soevereiniteit en macht vervaagt. Soevereiniteit gaat over wie rechtmatig besluiten neemt namens het volk, terwijl macht het vermogen is om die besluiten op te leggen aan de wereld eromheen. IJsland is een heel klein land; maar de bewering dat IJslands soevereiniteit een illusie is omdat het land te klein is om die macht te hebben, is net zoiets als de bewering dat een arm iemand zonder politieke invloed net zo goed zijn stemrecht kan opgeven.
Om het iets anders te formuleren: kleine soevereine staten zoals IJsland kunnen keuzes maken binnen de bredere beperkingen die de natuur en de rest van de mensheid voor hen hebben gecreëerd. Hoe beperkt die keuzes ook zijn, de burgers van IJsland behouden de absolute autoriteit om hun gekozen vertegenwoordigers verantwoording af te laten leggen voor de beslissingen die ze hebben genomen (binnen de externe beperkingen van het land), en om ieder stuk wetgeving in te trekken waar die vertegenwoordigers in het verleden toe hebben besloten.
Een statenbond zoals de EU kan natuurlijk tot onderling gunstige afspraken komen, zoals een militair defensief verbond tegen een gemeenschappelijke vijand, samenwerking tussen nationale politiediensten, open grenzen, de instelling van een vrijhandelszone. Maar zo’n bond kan nooit legitiem de soevereiniteit van een van de lidstaten opheffen of terzijde schuiven op basis van de beperkte macht die het toebedeeld heeft gekregen van de soevereine staten die overeen zijn gekomen in zo’n bond te participeren. Daar zou tegen ingebracht kunnen worden dat de EU over onberispelijke democratische geloofsbrieven beschikt. De Europese Raad bestaat uit de regeringsleiders, de Eurogroep uit de ministers van Financiën van de eurozone. Al die vertegenwoordigers zijn natuurlijk democratisch gekozen. Verder is er ook nog het gekozen Europese Parlement. Maar die redenering laat zien hoe diep de Europese waardering van de grondbeginselen van de liberale democratie is gezonken. Ook hierbij begaat men de cruciale vergissing om politieke autoriteit te verwarren met macht.
Een parlement is soeverein – ook al betreft het geen machtig land – als het de uitvoerende macht kan ontslaan. Dat is in de EU niet mogelijk. Hoewel de leden van de Europese Raad en de Eurogroep van ministers van Financiën gekozen politici zijn, die in theorie verantwoording schuldig zijn aan hun nationale parlement, hoeven de Europese Raad en de Eurogroep zelf geen verantwoording af te leggen aan welk parlement dan ook, dus aan geen enkele kiezer in de EU.
De Eurogroep, waar voor Europa de belangrijkste economische beslissingen worden genomen, is een orgaan dat zelfs niet eens bestaat in de Europese wetgeving, dat geen notulen bijhoudt van zijn procedures en hecht aan de vertrouwelijkheid van het overleg. Het orgaan handelt, om met Thucydides te spreken, op basis van het motto ‘de sterken doen wat hun goeddunkt en de zwakken moeten daaronder lijden’. Het is een structuur die is ontworpen om iedere soevereiniteit die wordt ontleend aan de burgers van Europa uit te sluiten.
Ik heb Schäuble een keer voorgehouden dat wij, als de gekozen vertegenwoordigers van een continent in crisis, niet kunnen buigen voor niet-gekozen bureaucraten; we hebben de plicht om overeenstemming te bereiken. Hij antwoordde dat het naar zijn mening het belangrijkste is dat we de bestaande ‘regels’ respecteren. En omdat die regels alleen kunnen worden uitgevoerd door technocraten, moest ik met hen gaan praten. Telkens als ik probeerde de regels ter discussie te stellen die duidelijk niet uitgevoerd konden worden, was steevast de reactie: ‘Maar het zijn de regels!’
Corruptie
Er is een reden dat ik dit artikel begon met het verhaal van mijn oom Panayiotis. Dat komt door een vraag die me door een journalist werd gesteld tijdens de persconferentie na mijn eerste ontmoeting met dr. Schäuble, over een schandaal dat enkele jaren daarvoor was losgebarsten, toen uit een Amerikaans onderzoek bleek dat een zekere Michalis Christoforakos, een opvolger van mijn oom bij Siemens, Griekse politici omkocht om voor Siemens overheidscontracten binnen te halen. Toen de Griekse justitie de zaak begon te onderzoeken, verdween de man meteen naar Duitsland, waar de rechter zijn uitlevering voorkwam.
‘Minister,’ zei de journalist, ‘hebt u druk uitgeoefend op uw Duitse collega dr. Schäuble om Christoforakos uit te leveren aan Griekenland ter ondersteuning van het Griekse anticorruptiebeleid?’ ‘Ik ben ervan overtuigd,’ antwoordde ik, ‘dat de Duitse overheid het belang ervan inziet om onze gekwelde staat bij te staan in de strijd tegen corruptie. Ik vertrouw erop dat mijn collega’s in Duitsland het belang ervan inzien dat er nergens in Europa met twee maten wordt gemeten.’ Enigszins aangeslagen mompelde Schäuble dat zijn ministerie daar niet over ging.
In het vliegtuig terug naar Athene dwaalde ik in gedachten af naar eind jaren zeventig. Nadat hij uit de gevangenis was vrijgelaten, keerde Panayiotis terug aan het roer van Siemens Griekenland. Hij was gelukkig in die baan, vertelde hij steeds, en trots op zijn werk. Totdat hij niet meer trots was en woedend ontslag nam. Ik weet nog dat ik vroeg waarom. Hij vertelde dat hij door zijn superieuren in Duitsland onder druk werd gezet om smeergeld te betalen aan Griekse politici en er zo voor te zorgen dat Siemens zijn dominante positie in Griekenland kon behouden.
Moeten we het uiteenvallen van onze mislukte confederatie versnellen? Nee!
In het noorden van Europa heerst de ontroerende opvatting dat Europa bestaat uit mieren en sprinkhanen – alle vlijtige mieren leven in het noorden, terwijl de spilzieke sprinkhanen zich op geheimzinnige wijze in het zuiden hebben verzameld. De werkelijkheid is veel genuanceerder. Een machtig corruptienetwerk heeft zich over al onze landen verspreid – en de instorting van het democratische controlesysteem, deels te wijten aan onze afnemende soevereiniteit, heeft mede ertoe bijgedragen dat dat netwerk aan ons gezicht was onttrokken.
Als de legitieme politieke autoriteit zich terugtrekt, leidt dat tot bruut geweld, apathie en demonisering van de zwakkeren. Eind juni 2015 had de ECB onze banken gesloten, was onze regering verdeeld, diende ik mijn ontslag in als minister en capituleerde mijn premier voor de trojka. Met de verplettering van de Atheense lente werd het al gewonde Griekenland een ernstige klap toegediend. Het was ook de nederlaag van het idee van een verenigd, humanistisch, democratisch Europa.
Onze unie valt uiteen. Moeten we het uiteenvallen van een mislukte confederatie versnellen? Als je, zoals ik, van mening bent dat zelfs kleine landen hun soevereiniteit kunnen behouden, houdt dat dan in dat een Brexit het logische gevolg is? Mijn antwoord is een nadrukkelijk ‘Nee!’ Als Engeland en Griekenland niet al in de EU zaten, zouden ze er zeker buiten moeten blijven. Maar als je er eenmaal in zit, is het van cruciaal belang om je te realiseren welke consequenties een vertrek heeft. Of je het nu leuk vindt of niet, we zijn ingebed in de Europese Unie, die verschrikkelijk instabiel is geworden en al uiteenvalt als een klein, noodlijdend land als Griekenland vertrekt, laat staan een belangrijke economie als Engeland. Moeten de Grieken of de Britten zich daar zorgen over maken? Ja, want in de maalstroom die op een uiteenvallen van die frustrerende federatie volgt zullen we allemaal verzwolgen worden – een postmoderne herhaling van de jaren dertig.
Het is een grote vergissing om te veronderstellen – of je nu voor- of tegenstander van een vertrek uit de EU bent – dat die EU ‘ver van ons bed’ ligt. Een vertrek van Engeland uit de EU ondermijnt het voortbestaan van de unie. Griekenland en Engeland hebben dezelfde drie opties. De eerste twee zijn inwilliging van de eisen van Brussel of vertrek, beide even rampzalig. Beide leiden tot dezelfde dystopische toekomst: een Europa dat alleen geschikt is voor hen die gedijen in tijden van een grote depressie – de xenofoben, de ultranationalisten, de tegenstanders van democratische soevereiniteit. Alleen de derde optie blijft nog over: in de EU blijven om een grensoverschrijdend verbond van democraten te vormen, wat Europa in de jaren dertig niet is gelukt, maar wat onze generatie nu moet proberen, om te voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt.
Is dat niet een utopie? Natuurlijk! Maar niet meer dan het idee dat de huidige EU ten onder zal gaan aan zijn antidemocratische hybris en de flagrante incompetentie die wordt aangewakkerd omdat er geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Of het idee dat de Britse of Griekse democratie weer tot leven gewekt kan worden in de boezem van een natiestaat waarvan de soevereiniteit nooit hersteld zal worden binnen een door Brussel gecontroleerde markt. Net zoals in het begin van de jaren dertig kunnen Engeland en Griekenland niet uit Europa ontsnappen door een mentale of wetgevende muur op te richten om zich achter te verstoppen. Of we verenigen ons om te democratiseren, of we lijden onder de consequenties van een pan-Europese nachtmerrie.
De Griekse econoom Yanis Varoufakis (55) stond als minister van Financiën zes maanden in het middelpunt van de eurocrisis. Onlangs verscheen bij uitgeverij De Geus zijn boek Hoe Europa de stabiliteit in de wereld bedreigt.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
‘Ik zou ook wel graag eens de draai om de oren zien die Brussel krijgt als de uitslag van het Britse referendum de heer Juncker, mevrouw Merkel en… de heer Cameron niet zou bevallen,’ zei Yanis Varoufakis onlangs in een interview met de Britse krant The Guardian. De econoom Varoufakis (Athene, 1961), gespecialiseerd in speltheorieën, werd in januari 2015 minister van Financiën in Griekenland. Maar zes maanden later nam hij alweer ontslag, nadat het hem niet was gelukt om tot een akkoord te komen met de Europese Commissie, de ECB en het IMF over de verlenging van de programma’s voor de herfinanciering van de Griekse schulden.
Ondanks zijn hevige kritiek op de Europese instellingen richtte hij in februari 2016 de Democracy in Europe Movement 2025 (DiEM25) op, met het devies: ‘Of de Europese Unie democratiseert, of zij gaat ten onder.’ ‘Ons criterium is een pan-Europese democratische beweging,’ zei hij in het interview in The Guardian. ‘Zo niet, dan keren we terug naar een postmoderne versie van de jaren dertig.’
KRANTENCITATEN
Daily Mail, 4 februari
‘Wie spreekt er namens Engeland?’ vraagt de tabloid zich af, die doorgaans fel gekant is tegen de Europese Unie. De krant toont zich vooral verontrust over ‘de tsunami van migranten’ in de toekomst. Het nieuwe akkoord dat premier Cameron namens het Verenigd Koninkrijk met Brussel heeft bereikt om de Britten gerust te stellen ‘verandert daar helemaal niets aan’.
New Statesman, 26 februari 2015
‘Boris slaat terug’: de Londense burgemeester is niet alleen een formidabele troef voor de pro-Brexit-campagne, maar ‘hij plaatst zich ook op de eerste rij om het voorzitterschap van de Conservatieve Partij over te nemen zodra Cameron zou aftreden’, meent het weekblad.
The Spectator, 27 februari
‘Brexit ontketend’, kopt het Britse weekblad, dat voorziet dat ‘het referendum over de Europese Unie zich tegen Mister Cameron zal keren en hem te pakken zal nemen’.
The Sun, 9 maart
‘De koningin steunt een Brexit’, verheugt de conservatieve tabloid zich, een fervent voorstander van het Britse vertrek uit de Europese Unie. De krant verwijst naar een gesprek dat de vorstin zou hebben gehad met de pro-Europese voormalige vicepremier Nick Clegg, waarin zij zou hebben gezegd: ‘Ik begrijp Europa niet’, daaraan toevoegend dat de unie zich ‘in de verkeerde richting’ beweegt.
The Times, 22 april
‘Keer de Europese Unie de rug niet toe, zegt Obama tegen Groot-Brittannië.’ Tijdens zijn bezoek aan Londen op 22 april houdt de Amerikaanse president een pro-Europese toespraak, die de voorstanders van een Brexit in het verkeerde keelgat schiet.
Volgens de charismatische burgemeester van Londen, Boris Johnson, moet Groot-Brittannië de EU vaarwel zeggen. In essentie is de kwestie simpel, schrijft hij: Brussel wil een echte federale unie, de meeste Britten niet.
Ik ben Europeaan. Ik heb jaren in Brussel gewoond. Ik ben erg op die oude stad gesteld. Het ergert me dus dat we Europa – bron van de grootste en rijkste cultuur ter wereld, waaraan Groot-Brittannië altijd zal blijven bijdragen – voortdurend verwarren met het politieke project van de Europese Unie. Daarom wil ik benadrukken dat het helemaal geen blijk van anti-Europese gevoelens of xenofobie hoeft te zijn om op 23 juni voor een vertrek uit de EU te stemmen. Want wat we vooral niet moeten vergeten: niet ons land, maar de Europese Unie is veranderd. Het is 28 jaar geleden dat ik in deze krant begon te schrijven over de Europese Gemeenschap (zoals we het toen noemden). Sindsdien is het project zo enorm gegroeid dat het bijna onherkenbaar is veranderd – een beetje zoals de reusachtige nieuwe Euro-paleizen van glas en staal die tegenwoordig boven de kasseienstraatjes in het hart van de Belgische hoofdstad uittorenen.
Gekwalificeerde meerderheid
In 1989 zag ik in Brussel goedbedoelende ambtenaren (onder wie veel Britten) die hun best deden handelsbelemmeringen weg te nemen, met behulp van de nieuwe – ook door Margaret Thatcher goedgekeurde – procedure van besluitvorming ‘met een gekwalificeerde meerderheid’. Het harmoniseren van regelgeving kreeg soms lachwekkende trekjes. Ik vertelde de lezers over eurocondooms en de felle oorlog tegen Britse chips met garnalencocktailsmaak. Toen kreeg je de Duitse hereniging en de paniekerige poging van Delors, Kohl en Mitterand om Duitsland aan Europa ‘vast te klinken’ met behulp van de euro. En sindsdien is het tempo van de integratie onverminderd hoog gebleven. Er kwamen steeds meer lidstaten bij en de regels voor de gekwalificeerde meerderheid werden zodanig opgerekt dat Groot-Brittannië steeds vaker aan het kortste eind zal trekken. Na het Verdrag van Maastricht kregen we ook nog de verdragen van Amsterdam, Nice en Lissabon, die de macht van de EU stapje voor stapje uitbreidden en in Brussel concentreerden. Volgens de bibliotheek van het Lagerhuis is zo’n 15 tot 20 procent van de Britse wetgeving nu afkomstig van de EU.
We zijn getuige van een langzaam proces van onzichtbare juridische kolonisatie
Daarbij moet je beseffen dat dit heel speciale wetgeving is: wetten die je niet kunt tegenhouden of terugdraaien, omdat alleen de EU zelf ze kan intrekken. En hoeveel EU-wetten dacht je dat de Commissie, met al haar programma’s om de Europese bureaucratie te stroomlijnen, al heeft ingetrokken? Niet één. De EU-wetgeving is als een raderwerk dat onverbiddelijk doordraait. We zijn getuige van een langzaam proces van onzichtbare juridische kolonisatie, waarbij de EU doordringt in alle terreinen van het overheidsbeleid. En vervolgens – en dat is het hele punt – heeft de EU over elk onderwerp dat het aansnijdt ook het laatste woord. Een van de basisvoorwaarden van ons lidmaatschap is namelijk dat alle geschillen met de EU moeten worden gearbitreerd door het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. Daar hebben we in 1972 zelf mee ingestemd.
Destijds zag het Hof vooral toe op de vrije en eerlijke handel in de interne markt, maar dat is nu wel anders. Volgens het Verdrag van Lissabon moet het Hof waken over de rechten die zijn vastgelegd in de 55 artikelen van het ‘Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie’. En dat omvat specifieke zaken als het recht om een school op te richten, het recht om overal in de EU ‘een vrijelijk gekozen beroep uit te oefenen’ en het recht om een bedrijfje te beginnen.
Dat is niet wat wij gewoonlijk onder grondrechten verstaan, en je kunt je ook niet voorstellen dat dit te handhaven is. Tony Blair maakte ons indertijd wijs dat hij niet aan dat handvest gebonden was. Maar dat bleek juridisch niet houdbaar, en onder Britse juristen heerst grote bezorgdheid over de activistische opstelling van het Europese Hof. Hoe meer de EU doet, hoe minder ruimte er overblijft voor nationale besluitvorming. Sommige EU-regels klinken alleen maar belachelijk, zoals de regel dat je geen theezakjes mag recyclen of kinderen van onder de acht geen ballonnen mag laten opblazen, of dat stofzuigers niet te veel vermogen mogen hebben. Maar soms kun je er ook woedend om worden, zoals toen ik in 2013 merkte dat het onmogelijk was om vrachtwagencabines te voorzien van betere zijruiten, waardoor ze minder fietsers zouden aanrijden. Die regelgeving kon alleen op Europees niveau worden ingevoerd, en de Fransen wilden dat niet.
Soms ziet het volk dat hun eigen gekozen politici volledig machteloos staan, zoals in het immigratievraagstuk. Dat maakt mensen woedend. Niet zozeer de immigrantenstroom als het feit dat we er geen vat op hebben. Dat is wat het verlies van soevereiniteit betekent: dat we niet langer in staat zijn om de mensen die ons leven regeren bij de volgende verkiezingen de laan uit te sturen. Mensen voelen die macht uit hun handen glippen en ik weet zeker dat dit bijdraagt aan de algehele apathie en afkeer van de politiek, aan de gedachte dat politici ‘één pot nat’ zijn en niets klaarmaken, aan de opkomst van extremistische partijen.
Democratie is belangrijk, en ik vind het verontrustend dat de Grieken in feite wordt gedicteerd hoe ze hun geld moeten besteden, terwijl hun bevolking het al zo moeilijk heeft. En nu wil de EU nog verder gaan. In Brussel circuleert het zogenaamde ‘Rapport van de Vijf Voorzitters’, waarin de hoofden van de verschillende Europese instellingen schetsen hoe de euro volgens hen gered moet worden. Het komt allemaal neer op verdergaande integratie: een sociale unie, een politieke unie, een begrotingsunie. In een tijd waarin Brussel zou moeten decentraliseren, trekt het steeds meer macht naar zich toe, en ook Groot-Brittannië zal dat gaan merken.
David Cameron heeft zijn uiterste best gedaan, en hij heeft al meer bereikt dan velen hadden verwacht. Er wordt gezegd dat het streven naar een ‘ever closer union’ (‘steeds hechter verbond’) niet langer zal gelden voor Groot-Brittannië, er wordt gepraat over bescherming van de niet-eurolanden tegen de eurolanden en over de noodzaak van deregulering om onze concurrentiekracht te behouden. Er komt een uitstekende nieuwe wet om de soevereiniteit van ons parlement te bekrachtigen en zo een rem te zetten op de federalistische dromen van het Hof en de Commissie. Allemaal heel goed en terecht, maar het brengt de machine niet tot staan. Hooguit strooi je zo wat zand in het raderwerk.
Er is maar één manier om de veranderingen te bereiken die we nodig hebben, en dat is stemmen voor een vertrek uit de EU. Want de geschiedenis wijst uit dat de EU pas echt luistert als een volk keihard nee zegt. En het fundamentele probleem blijft gewoon: zij hebben een ideaal dat wij niet delen. Zij streven naar een echte federale unie, e pluribus unum, en de meeste Britten willen dat niet.
Risico’s
Het is tijd om te proberen tot een nieuwe verstandhouding te komen, waarin we ons bevrijden van de meeste van die supranationale elementen. We zullen de komende weken veel horen over alle risico’s die dat met zich meebrengt: gevaren voor de economie, voor de City, enzovoort. En je mag die risico’s niet wegwuiven, maar ik denk dat ze schromelijk overdreven worden. We hebben zulke verhalen eerder gehoord, toen we besloten niet mee te doen aan de euro, en toen bleek het omgekeerde het geval.
Ik begrijp wel dat het besluit om met de EU in haar huidige vorm te breken tot nieuwe spanningen kan leiden in de unie tussen Engeland en Schotland. Anderzijds: alle cijfers die ik heb gezien wijzen erop dat de Schotten grofweg hetzelfde zullen stemmen als de Engelsen. Er wordt ons ook voorgehouden dat een Brexit president Poetin nog brutaler zal maken. Maar ik heb de indruk dat vooral de lijdzame opstelling van het Westen in Syrië hem zo brutaal maakt.
Bovenal wordt er beweerd dat we, alle democratische tekortkomingen van de unie ten spijt, in de EU toch beter af zijn omdat we er dan ‘invloed’ op houden. Dat argument overtuigt me steeds minder. Slechts 4 procent van de leden van de Commissie is Brits, terwijl wij 12 procent van de bevolking van de EU uitmaken. Ik zie niet in waarom de Commissie beter op de hoogte zou zijn van de behoeften van het Britse bedrijfsleven dan de horden ambtenaren van onze eigen ministeries voor Handel en Investeringen en voor het Bedrijfsleven en Innovatie.
Het volk ziet dat hun eigen gekozen politici volledig machteloos staan. Dat maakt mensen woedend
Als we voor een Brexit kiezen, zal het inderdaad nodig zijn om in rap tempo een groot aantal handelsakkoorden te sluiten. Maar waarom zou dat niet kunnen? We zijn intussen zo afhankelijk geworden van moedertje Brussel dat we soms net kleine kinderen lijken die niet meer op eigen benen kunnen staan. Ooit bestierden we het grootste wereldrijk in de geschiedenis, met een eigen bevolking die nog veel kleiner was en een relatief miniem ambtenarenapparaat. Zijn we echt niet meer in staat om zelf handelsakkoorden te sluiten? We hebben een periode van minstens twee jaar waarin de bestaande verdragen van kracht blijven.
De echte risico’s liggen op het vlak van de algemene stemming in Europa en het prestige van het EU-project. Dat moeten we serieus nemen. We moeten bedenken dat de federalistische visie geen laaghartig idee was. Ze is uit nobele motieven geboren: de wens om de vrede in Europa te bewaren. De mensen aan het hoofd van de verschillende EU-instellingen, die wij zo graag met hoon overladen, zijn in mijn ervaring integere en verstandige ambtenaren. Ze hebben heel goede dingen gedaan. Ze hebben alleen een andere visie op hoe Europa moet functioneren. Als ons land voor een Brexit kiest, hoop ik dat ze dat beschouwen als een uitdaging – niet alleen om tot een nieuwe, harmonieuze relatie met Groot-Brittannië te komen, maar ook om iets van de concurrentiekracht te heroveren die het continent de afgelopen decennia heeft verloren.
Unieke kans
Wat er ook gebeurt, Groot-Brittannië moet zijn vrienden en bondgenoten blijven steunen. Maar wel zoals Winston Churchill het ooit schetste: betrokken, verbonden, maar niet in een groter geheel opgenomen; samen met Europa, maar niet als onderdeel ervan. We zijn al vijfhonderd jaar bezig om te voorkomen dat de machten van continentaal Europa zich tegen ons verenigen. Er is geen enkele reden waarom dat nu wel zou gebeuren, en alle reden voor vriendschappelijke betrekkingen.
We hebben de wereld zo veel te bieden aan ideeën en cultuur. Maar het waardevolste Britse exportproduct waar onze natie bekend om staat, wordt nu steeds vaker bedreigd: de parlementaire democratie, het systeem dat de macht aan het volk geeft. Dit is een unieke kans om te stemmen voor werkelijke verandering van de Britse relatie met Europa. Het is de enige kans die we ooit zullen krijgen om te laten zien dat we zelfbestuur belangrijk vinden. Als we besluiten in de EU te blijven, zal Brussel dat opvatten als groen licht voor meer federalisme en verdere uitholling van de democratie. In de loop van de komende weken zal de mening van mensen zoals ik er steeds minder toe doen, want het woord is straks aan de mensen die werkelijk soeverein zijn: het Britse volk. En als het om hun eigen soevereiniteit gaat, zal dat volk per definitie de juiste keuze maken.
Dit artikel verscheen op wat nu ‘Boris Day’ heet in de Britse media. Alle kranten openden die dag met het nieuws dat de populaire burgemeester van Londen campagne gaat voeren om de Britten uit de Europese Unie te halen. Sindsdien bestaat het kabinet uit twee kampen: dat van premier Cameron en dat van Johnson.
Boris Johnson (1964), de huidige burgemeester van Londen en lid van het Britse parlement voor de Conservatieven, wordt volgens de Britse pers de volgende Britse regeringsleider als hij de ‘extreem moeilijke’ gok wint die hij heeft genomen toen hij op 21 februari aankondigde dat hij campagne zou gaan voeren voor de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. De journalist en schrijver – en een tijdlang ook een graag geziene gast in Have I Got News for You?, het satirische tv-programma van de BBC – was van 1989 tot 1994 correspondent in Brussel voor The Daily Telegraph, voordat hij hoofdredacteur werd van het conservatieve weekblad The Spectator. Johnson staat bekend om zijn eruditie en zijn gevoel voor humor, die ook bleek uit zijn wekelijkse column in The Daily Telegraph. Hij heeft bovendien het – door de Britse pers al lang geleden onderkende – vermogen om ‘delen van het electoraat aan te spreken die voor andere conservatieve politici onbereikbaar zijn’, zelfs onder kiezers die traditioneel op Labour stemmen.
Zijn inzet voor de campagne voor een Brexit zou dus wel eens beslissend kunnen blijken. Hij zou zelfs zijn vriend en huidig premier David Cameron tot aftreden kunnen dwingen.
Tijdlijn
1957
Het Verenigd Koninkrijk wijst het Verdrag van Rome af waarmee zes landen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) oprichten. De ondertekenaars zijn Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Luxemburg.
1963
Charles de Gaulle blokkeert de toetreding van Groot-Brittannië tot de EEG. De Franse president verwijt Londen ‘een diepgewortelde vijandigheid’ ten aanzien van het (West-)Europese project. De Britse toetreding zal pas in 1973 haar beslag krijgen.
1975
In een referendum, gehouden op initiatief van premier Harold Wilson (Labour), spreken de Britten zich uit voor de handhaving van het lidmaatschap van de EEG.
1992
Ook Groot-Brittannië ondertekent het Verdrag van Maastricht, maar onder voorwaarden. Londen zal onder meer niet toetreden tot de eurozone, maar de eigen munt handhaven.
2011
Premier David Cameron raakt in conflict met ‘Brussel’ over een bankenbelasting die de City, het financiële hart van het Verenigd Koninkrijk, hard zou treffen.
2016
Op 23 juni gaan de Britten naar de stembus om de volgende vraag te beantwoorden: ‘Moet het Verenigd Koninkrijk lid blijven van de Europese Unie of uit de Unie treden?’
Vijf miljoen Britten halen inmiddels hun inkomen uit werk dat zij verdienen via onlineplatforms, een oprukkend economisch verschijnsel. Is die zogeheten deeleconomie een zegen of een vloek?
Het wordt wel de ‘deeleconomie’ genoemd en het is een steeds verfijnder en kennelijk zeer welkome toepassing van nieuwe technologieën op de arbeidsmarkt – om niet te zeggen op de economische groei. In een tijd waarin vaste salarissen nog altijd onder druk staan, weet de digitale technologie overal bezuinigingen te verwezenlijken, van autoverzekeringen tot taxiritjes. Door apps als Tinder zijn de kosten van de zoektocht naar een partner enorm afgenomen (in financieel opzicht, maar wellicht ook in emotioneel opzicht).
De deeleconomie is groter dan sommigen denken: rond de vijf miljoen Britten verdienen inmiddels op deze manier hun geld. Door op een Uber-taxi te rijden, of door via TaskRabbit huishoudelijke klussen te doen voor anderen, om maar twee voorbeelden te geven. Alleen al via Uber zijn meer dan dertigduizend chauffeurs aan het werk, die worden aangemerkt als zelfstandig ondernemend deelnemer – door het hele Verenigd Koninkrijk, in vijftien steden, met alleen al in Londen meer dan anderhalf miljoen geregistreerde klanten. Vorig jaar zomer werd de waarde van Uber geschat op zo’n 50 miljard dollar, waarmee het de meest waardevolle tech-start-up ter wereld is.
Uit een nieuw onderzoek, verricht door Ipsos Mori, is gebleken dat inmiddels meer dan vijf miljoen mensen betaald krijgen voor werk via onlineplatforms. Ook gaf meer dan 42 procent van de ondervraagden – hetgeen statistisch overeenkomt met meer dan 18,5 miljoen mensen – aan gebruik te maken van apps en internet om taxichauffeurs, aannemers, ontwerpers en accountants te benaderen. De mensen achter deze diensten, waarvan PricewaterhouseCoopers vorig jaar heeft gezegd dat ze in 2015 wel eens een economische waarde van 9 miljard pond zouden kunnen vertegenwoordigen, geven het begrip werk een geheel nieuwe invulling.
Het internet, dat al voor vele omwentelingen heeft gezorgd op sociaal en economisch vlak, kan nog veel meer veranderingen teweegbrengen op het gebied van betaalde arbeid. De Britse arbeidsmarkt, die nu al tot een van de meest flexibele in West-Europa behoort, lijkt de komende jaren een digitale revolutie te gaan doormaken. Dat is goeddeels een positieve ontwikkeling. Een van de kleine wonderen van de recente recessie was de veerkracht die de Britse arbeidsmarkt toonde. Terwijl de productie afnam, banken bezweken en de aandelenmarkten in een vrije val belandden, wisten meer mensen te ontsnappen aan de werkloosheid dan tijdens welke eerdere baisse ook.
Ook nu zien we dat de arbeidsmarkt wonderwel overeind blijft – hoewel er niets in de plaats is gekomen voor investeringen op lange termijn, zeker in de infrastructuur, teneinde deze gunstige toestand te consolideren en het productieniveau op te krikken, en daarmee ook de lonen en de levensstandaard.
Hoewel “deeleconomie” zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele “grijze economie”. En we weten allemaal wat dat inhoudt
Maar hoewel ‘deeleconomie’ zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele ‘grijze economie’. En we weten allemaal wat dat inhoudt. Meer informele betrekkingen in arbeidsrelaties betekent dat de schatkist broodnodige belastinginkomsten misloopt, de heffingsgrondslag wordt verkleind en de druk toeneemt op de belastingbetalers in het midden, die het toch al zo zwaar hebben. Wanneer de rijken eenvoudig het land kunnen verlaten of hun geld naar belastingparadijzen kunnen overhevelen, en de armen om te beginnen al te weinig geld hebben om belasting te betalen, dan komt de last van het vullen van de staatskas volledig neer op de middenklasse, die zich niet kan schuilhouden voor de belastingdienst.
Er kleven ook nog andere gevaren aan het vergroten van de informele sector. Het is lastiger om het arbeidsrecht te handhaven, en maatregelen zoals een minimumloon zijn moeilijker overeind te houden. De arbeidskrachten dragen zowel de nadelen als de voordelen van de flexibiliteit: geen inkomensbescherming als hun gezondheid het laat afweten, en geen enkel vangnet wanneer ze plotseling zonder werk komen te zitten.
Het betekent ook dat het voor vakbonden moeilijker, zo niet onmogelijk wordt om voet aan de grond te krijgen binnen deze nieuwe bedrijfstakken. Een van de meest ingrijpende aspecten die de veranderingen binnen de private sector de afgelopen decennia teweeg hebben gebracht, is dan ook de ondermijning van de positie van de vakbonden, wier kracht nu meer dan ooit is gebundeld in de publieke sector. Dat zou helemaal niet zo erg zijn volgens sommige mensen, die de mening zijn toegedaan dat vakbonden een negatieve uitwerking hebben op de werkgelegenheid, omdat ze hun leden uit de markt prijzen.
Retour
Feit blijft dat traditionele arbeidsverhoudingen, met werknemers en management, op hun retour zijn. De opkomst van de zelfstandigen, de mensen die parttime werken of op incidentele basis, versterkt deze trend.
Het is inmiddels vijftig jaar geleden dat de Britse productie- en werkgelegenheidscijfers een piek vertoonden. Heden ten dage zijn we een diensteneconomie, waarin het land per verdiende 10 pond niet meer dan 1 pond haalt uit zijn rol als werkplaats van de wereld, de rol die het in de victoriaanse tijd had. Er zijn minder grote werkplaatsen en minder banen voor het leven, en de groei van de service-economie lijkt onverminderd door te gaan, ondanks overheidsinspanningen om het belang van ‘de makers’ te benadrukken. Of we het nu leuk vinden of niet, door de digitalisering verandert onze manier van werken.
Opgericht 1986 in het Thatcher-tijdperk, politiek neutraal. De kleinste kwaliteitskrant van Engeland is sinds 2002 in handen van de Rus Alexander Lebdedev (eveneens eigenaar van The London Evening Standard) maar nog altijd onafhankelijk en en pro-Europees.
Bingo: dat is iets voor ouden van dagen, toch? Mis, in Engeland is een nieuwe generatie spelers opgestaan.
Zaterdagavond, Camden in Noord-Londen: een enorme rij wachtenden bij een industrieel ogend gebouw in een zijstraatje. Modieuze jongelui, twintigers en een paar dertigers, allemaal in uitgaanskleding, vrolijk en opgeladen. Er staat nog een tweede, kleinere rij in tegengestelde richting: mensen op de gastenlijst. Een nachtclub? Daarvoor is het te vroeg op de avond, half acht nog maar. Zal wel een concert zijn. Wie speelt hier vanavond?
Iedereen. Ze spelen bingo.
Wat?!
Nou ja, Rebel Bingo dan: bingo voor de nieuwe generatie, bingo voor de eenentwintigste eeuw, met allerlei toeters en bellen. Maar toch onmiskenbaar bingo. Met getallen die worden omgeroepen, bingokaarten vol cijfers die je moet doorstrepen of markeren tot je een volle rij hebt, en mensen die ‘bingo!’ roepen. Maar straks meer over Rebel Bingo in Camden.
Eerst het traditionele bingo: dat zit al twintig jaar in het slop. Het heeft last van de staatsloterij, van krasloten (in feite een soort instantbingo), van het rookverbod (zo’n 60 procent van de bingospelers was roker, en de helft daarvan komt sinds de invoering van het rookverbod in 2007 niet meer opdagen), van de opkomst van onlinebingo en andere gokmogelijkheden op internet, en van de crisis.
‘De crisis heeft bingo geen goed gedaan,’ zegt Miles Baron, hoofd van de Bingo Association. ‘Veel van onze klanten komen uit een kwetsbare groep: vijftigers, vrouwen, arbeidersmilieu, om het maar zo te noemen.’ Twintig jaar geleden telde ons land nog 1200 commerciële bingoclubs. Kort voor de invoering van het rookverbod waren daar nog zo’n 600 van over, en nu nog maar 351. ‘We weten dat we zo’n 850.000 bezoekers per week krijgen,’ zegt Baron. ‘Dus dat is alles bij elkaar 44 miljoen per jaar. Dat klinkt alweer een stuk beter.’
Toen de belasting voor bingozalen in 2014 van twintig naar tien procent werd verlaagd, begon het tij te keren. ‘De daling vlakte bijna helemaal af. Net niet helemaal, er is nog een minieme krimp,’ zegt Baron. ‘De verrotting is gestopt, zogezegd, maar groei zit er nog niet in. We moeten nu gaan investeren. Toen de belasting werd verlaagd, moesten veel clubeigenaren eerst nog een inhaalslag maken: eindelijk eens het dak vervangen of de toiletten opknappen, dingen die erbij ingeschoten waren.’
Hypnotiserend
Op naar het Greyhound-winkelcentrum in Southend-on-Sea, Essex, zestig kilometer ten oosten van Camden. De vestiging van Mecca Bingo [een keten van bingopaleizen waar ‘nationaal bingo’ wordt gespeeld: een via onlineverbindingen gesynchroniseerd bingospel dat simultaan in meerdere zalen in het hele land wordt gespeeld, met grotere aantallen deelnemers en navenant grotere prijzen] heeft net een facelift gehad en lijkt goed te draaien. Op donderdagavond zitten er zo’n vierhonderd mensen in de felverlichte grijsbruine zaal, waar een plechtige stilte hangt. De gemiddelde leeftijd ligt rond de vijfenvijftig (en ’s middags nog een stuk hoger, zegt manager Peter). Vier vrouwen op iedere man. Want zoals Baron zegt: ‘Het is een familiegebeuren, echt iets voor moeder en dochter en aanverwanten. Bovendien denk ik dat vrouwen zich bij bingo veilig voelen, het is vrouwen onder elkaar en iedereen is lid van de bingoclub.’
De getallen worden omgeroepen door Fran. Vier-zeven, 47; twee-vier, 24; vijf-zes, 56… Het luisteren naar die litanie van getallen heeft iets hypnotiserends. Fran wisselt haar monotone dreun niet af met traditioneel bingojargon (zoals ‘twee kleine eendjes’ voor 22 en ‘twee dikke dames’ voor 88). Maar hé, niet in slaap vallen. Kop erbij houden. Het kost me zo al moeite genoeg om het bij te benen. Een volledige bingokaart bevat 162 vakjes: tegen de tijd dat ik het getal heb gevonden en gehighlight, heeft Fran het volgende al omgeroepen. Ik hobbel erachteraan. Misschien had ik beter voor een elektronische terminal kunnen kiezen, die de cijfers automatisch voor je invult. Maar dat haalt alle spanning () en lol () toch uit het spel?
‘Ik drink nooit wijn, ik wil geen getal missen’
Opletten dus. Was misschien toch niet zo snugger om vooraf nog even snel een halve liter bier achterover te slaan. De meeste deelnemers zitten aan de frisdrank of thee. ‘Ik drink nooit wijn, ik wil geen getal missen,’ zegt Nicola in de rij bij de bar in de pauze. Nu neemt ze wel een wijntje, om te vieren dat ze net vijfenzestig pond gewonnen heeft. Nicola (44) is hier met haar moeder Janet (68). Meestal komt haar dochter Gemma (24) ook mee, maar die moet vandaag op haar kind passen. ‘Het is hier gezellig, we maken veel vrienden,’ zegt Janet.
‘Het is echt een avondje uit,’ zegt Denise, een nieuwe vriendin in de rij. Ze komt elke maand wel een keer. ‘En als je wat wint, is dat mooi meegenomen.’ Ze heeft ooit duizend pond gewonnen, maar dat is alweer vijftien jaar geleden.
Aan mijn tafeltje helpen mijn buren Marie (58) en Jean (77), ook moeder en dochter, met het vinden van de juiste kaart. Ze leggen me uit hoe het allemaal werkt, de nationale bingo van Mecca Bingo en het Cashline-spel dat je in de pauze kunt spelen, en computerschermen op de tafels die verbonden zijn met andere bingozalen in het land. Ze komen hier elke week. ‘In de winter kom ik alleen omdat mama het per se wil,’ zegt Marie. ‘Ze is er echt aan verslaafd. Ze zou ontwenningsverschijnselen krijgen als we niet kwamen.’
Zodra het spel weer van start gaat, turen ze strak naar het papier en zeggen geen woord meer. Een diepe stilte daalt neer over de grote zaal. We horen alleen nog de getallen die Fran opdreunt, steeds gevolgd door zwak maar groeiend geroezemoes van hoopvolle verwachting, een enkele blije uitroep of teleurgestelde zucht, en hup, door naar het volgende getal.
Er zijn wel dingen aan mijn bingoavondje waar ik van geniet. Ik vind het leuk om kennis te maken met Nicola en Janet, met Denise en Marie en Jean. Ze zijn hartstikke aardig en hartelijk, maar dat rottige bingo fietst er steeds tussendoor, en dat is eigenlijk doodsaai.
Volgens manager Peter is bingo een van de beste activiteiten om je hartslag te doen stijgen: die spanning als je nog maar één getal verwijderd bent van bingo! Maar ik merk er niks van (misschien omdat ik nooit zo ver kom). Kunnen we niet gewoon snel kijken wie de winnende kaart in handen heeft en dan allemaal aan de wijn gaan?
Deze goedgevulde zaal in een badplaatsje in Essex is niet het enige teken dat het verval van ons nationale tijdverdrijf een halt is toegeroepen. Caledonian Investments, dat het vermogen beheert van de familie Cayzer, een van de rijkste families van het land, heeft in oktober voor 241 miljoen pond de 130 bingoclubs van Gala Bingo overgenomen (maar niet hun onlinebingo). Gala Coral, dat zelf weer wil fuseren met Ladbrokes, is de grootste bingo-organisator in het Verenigd Koninkrijk: 38 procent van de markt, 4000 werknemers, meer dan een miljoen actieve leden en 15 miljoen bezoekers per jaar. Winst vóór belastingen vorig jaar 33 miljoen pond. O, en in Southampton opent het dit jaar een gloednieuwe bingozaal die vijf miljoen heeft gekost. ‘Wat de gezondheid van het bingo betreft zou ik zeggen: de berichten over ons overlijden zijn zwaar overdreven,’ zegt Baron.
Wedergeboorte
Terug naar Camden, waar we inderdaad eerder getuige zijn van de wedergeboorte dan van het overlijden van het bingospel. Die lange rij wachtenden staat bij een vestiging van Mecca Bingo. Maar die is vanavond – niet met geweld, ben ik bang, maar met toestemming van Mecca – overgenomen door Rebel Bingo.
Voor het begin van de bingo (of de show, of wat het ook wordt, ik zal het snel genoeg merken) krijg ik in een kleedkamer de geschiedenis van Rebel Bingo te horen van een man die onder zijn keurig witte overhemd met vlinderdasje alleen een onderbroek draagt. (‘O mijn god, heb ik mijn broek niet bij me?’) Het is Freddie Sorenson (37), de tv-producer die samen met zijn vriend James Gordon verantwoordelijk is voor Rebel Bingo. Het begon allemaal in een parochiezaal in Farringdon, waar ze ‘een soort variétéavonden’ organiseerden. Toen ze op een dag bij het opruimen de oude bingoset van de parochiezaal vonden, leek het ze leuk om dat spel in hun feestjes te verwerken. ‘Dit is eigenlijk het uitvloeisel daarvan. We zijn min of meer per ongeluk ons eigen soort bingo begonnen. Toen we één keer zo’n bingoavond hadden georganiseerd, ging het een eigen leven leiden.’
Het nieuws verspreidde zich via vrienden, mond-tot-mondreclame en sociale media. Nu organiseren ze elke maand een bingoavond in Londen en af en toe ook eentje verder weg – in Schotland of New York bijvoorbeeld. En het is vanavond weer volle bak.
‘De eerste keer dat ik ooit bingo speelde, was op vakantie,’ zegt Dawn (27). ‘Dat was totaal anders. Dit is veel leuker, het is net een rave met bingo erbij. Heerlijk. Het is spannend, leuk, anders. En alle dingen die ze zeggen als ze de getallen omroepen: hilarisch!’ Zodra iemand bingo heeft, gaat de zaal uit zijn dak en wordt een confettikanon afgeschoten, alsof het om de winnaar van The X Factor gaat.
‘Ik vind het heerlijk, lekker keten,’ zegt Poppy (32), die hier met een groepje van tien vrienden is en net honderd flesjes Bulmerscider heeft gewonnen. ‘Vroeger speelde ik altijd traditioneel bingo in Catford. Maar dat doen we niet meer, we willen alleen nog dit. Rebel Bingo forever!’
Een tikje ironisch, een tikje zelfbewust, een tikje irritant. Heel stads, heel erg wit
Dan is het tijd voor de geldprijzen. ‘Geld maakt niet gelukkig, zeggen ze,’ roept Sorensen. ‘Maak dat P Fucking Diddy wijs!’ Het begint met vijf pond en loopt steeds verder op, van tien, twintig, vijftig tot vijfenzeventig (‘Ooit zo veel geld bij elkaar gezien?’). Tot slot wint Chris (33) uit Tottenham honderd pond. Er wordt hem een idioot grote cheque overhandigd. ‘Neem lekker mee naar de bank en roep aan het loket: Cash die motherfucker,’ brult Sorensen.
Hipsterbingo dus. Een tikje ironisch, een tikje zelfbewust, een tikje irritant. Heel stads, heel erg wit. Maar ook geinig. En leuk. Aan Janet en Jean in Essex zullen die drank en grove taal niet besteed zijn. Maar de bingowereld kan misschien wel iets van de rebellen leren als ze het verval definitief wil tegenhouden en weer volle zalen wil trekken: om te kunnen concurreren met internet moet je zorgen dat je meer te bieden hebt dan internet. Meer beleving, meer emotie, zou Sorensen zeggen.
Mijn eigen emoties maakt het nog niet echt los. Misschien dat een Jägerbom zou helpen. Of als ik eens wat zou winnen. Ook hier win ik niks, maar al verliezend vermaak ik me wel beter.
Auteur: Sam Wollaston
Vertaler: Frank Lekens
Het hier beschreven Engelse bingospel is meer verwant aan het in Zuid-Nederland nog populaire kienen. Wat wij in Nederland bingo noemen, is Amerikaans bingo: een spelvariant met andere regels dan de Engelse.
The Guardian Verenigd Koninkrijk | dagblad, oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.