Tag: holocaust

  • Duitsland: veiling met Holocaustspullen geannuleerd na ophef

    Duitsland: veiling met Holocaustspullen geannuleerd na ophef

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » COP30: tienduizenden marcheren om druk uit te oefenen op onderhandelaars

    » Trump spoort Huis van Afgevaardigden aan Epstein-dossier openbaar te maken

    De veilingstukken omvatten met name concentratiekampbrieven

    De Poolse minister van Buitenlandse Zaken meldde zondag dat een ‘aanstootgevende’ veiling van Holocaustartefacten in Duitsland is geannuleerd. Hij gaf daarbij informatie door van zijn Duitse ambtgenoot, na klachten van Holocaust-overlevenden. Radosław Sikorski deed de uitspraken op X en zei dat hij en de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Johann Wadephul ‘het erover eens waren dat een dergelijk schandaal moet worden voorkomen’. De Poolse topdiplomaat bedankte Wadephul voor de informatie dat de veiling was geannuleerd, aldus The Guardian.

    Een groep Holocaustoverlevenden had eerder het Duitse veilinghuis Felzmann opgeroepen om de veiling van maandag van honderden Holocaustartefacten te annuleren. De verzameling van meer dan zeshonderd veilingstukken omvatte brieven van gevangenen uit Duitse concentratiekampen aan hun geliefden thuis, Gestapo-indexkaarten en andere documenten van de daders, meldde het Duitse persbureau dpa.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Voor slachtoffers van de nazivervolging en overlevenden van de Holocaust is deze veiling een cynische en schaamteloze onderneming die hen verontwaardigd en sprakeloos achterlaat’, aldus Christoph Heubner, uitvoerend vicevoorzitter van het Internationaal Auschwitz Comité, een in Berlijn gevestigde groep, zaterdag. ‘Hun geschiedenis en het lijden van allen die door de nazi’s zijn vervolgd en vermoord, worden uitgebuit voor commercieel gewin’, voegde hij eraan toe.

    Het comité zei dat de namen van personen in veel van de documenten herkenbaar waren. Heubner zei dat dergelijke documenten ‘behoren tot de families van de slachtoffers. Ze zouden in musea of ​​herdenkingstentoonstellingen moeten worden tentoongesteld en niet tot louter handelswaar moeten worden gedegradeerd’. ‘Wij dringen er bij de verantwoordelijken bij veilinghuis Felzmann op aan om zich fatsoenlijk te gedragen en de veiling te annuleren,’ concludeerde Heubner.

  • Wereld herdenkt bevrijding Auschwitz, dit jaar tachtig jaar geleden

    Wereld herdenkt bevrijding Auschwitz, dit jaar tachtig jaar geleden

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » DRC: gevechten in Goma leiden tot 17 doden en bijna 370 gewonden

    » VS: Trump ontslaat aanklagers die betrokken waren bij strafzaak tegen hem

    Overlevenden waarschuwen voor antisemitisme

    Maandag 27 januari was het tachtig jaar geleden dat het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau door het Rode Leger werd bevrijd. Ongeveer vijftig voormalige kampgevangenen verzamelden zich maandag voor de ingang van het voormalige nazikamp, samen met koning Karel III, de Franse president Emmanuel Macron en tientallen andere wereldleiders.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Vandaag zijn we getuige van een enorme toename van antisemitisme, en het was juist antisemitisme dat leidde tot de Holocaust,’ waarschuwde Marian Turski, een 98-jarige overlevende, terwijl hij de plechtigheden opende voor een van de veewagens die werden gebruikt om slachtoffers te vervoeren naar het vernietigingskamp. De voorzitter van het World Jewish Congress, Ronald Lauder, benadrukte dat Auschwitz en de Hamas-aanval op Israël op 7 oktober 2023 beide werden geïnspireerd door ‘eeuwenoude Jodenhaat’.

    ‘De lessen van Auschwitz lijken nu te zijn verdampt,’ aldus een column in het Duitse tijdschrift Der Spiegel. ‘De politiek lijkt machteloos: (…) er worden in Duitsland nieuwe posten voor “commissarissen voor antisemitismebestrijding” gecreëerd, maar dit stelt niemand in de Joodse gemeenschap gerust. Integendeel, hoe meer van dit soort berichten er zijn, hoe duidelijker de onderliggende boodschap is: we hebben een enorm probleem,’ merkt de columnist op. Desondanks is ‘opgeven geen optie’, concludeert hij.

  • Het Wilkomirski-syndroom: waarom zo veel Duitsers doen alsof ze joods zijn

    Het Wilkomirski-syndroom: waarom zo veel Duitsers doen alsof ze joods zijn

    Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – gaf zich jarenlang uit voor jood en Holocaustoverlevende, totdat zijn bedrog aan het licht kwam. Dit geval staat niet op zichzelf: in Duitsland gebeurt het geregeld dat mensen de joodse identiteit aannemen. Welke redenen zitten daarachter?

    De voorzitter van de joodse gemeente in Pinneberg is een gerespecteerd man. Hij staat voor een open, hervormd jodendom; keer op keer neemt hij aanstoot aan zijn orthodoxe geloofsbroeders. Hij streeft naar een interreligieuze dialoog en spreekt vaak en graag op oecumenische evenementen. Wolfgang Seibert, zoals deze drukbezette gemeenschapsleider heet, is een bruggenbouwer. En zo iemand doet het goed in Duitsland.

    Al jaren is Seibert, met zijn uitgesproken joodse perspectief, een vaste gast in talkshows en wordt hij voor kranten geïnterviewd. Politici en andere beleidsmakers maken hem het hof. In 2017 ontvangt hij de Mensenrechtenprijs van Pro Asyl [de grootste pro-immigrantenorganisatie in Duitsland] en ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag in datzelfde jaar viert een aantal protestantse dominees zijn inspanningen met een ‘Liber amicorum voor Wolfgang Seibert’.

    Tot in de herfst van 2018 het doek valt. Seibert blijkt helemaal niet joods, maar een fraudeur met meerdere veroordelingen op zijn naam. Een team van Der Spiegel ontdekte dat Seibert protestants is gedoopt en tijdens een verblijf in de gevangenis al eens een valse identiteit aannam. Die vijftien jaar als hoofd van de joodse gemeente in Pinneberg was slechts de laatste gedaanteverandering van deze oplichter.

    Wilkomirski-syndroom

    Seibert is geen opzichzelfstaand geval. Experts gaan ervan uit dat duizenden mensen in Duitsland doen alsof ze joods zijn. Het fenomeen komt zo vaak voor dat het een naam heeft gekregen: het Wilkomirski-syndroom. Het verwijst naar het verzinnen of vervalsen van joodse slachtoffer- of vervolgingsverhalen na de Holocaust, genoemd naar Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – die in de jaren negentig zijn concentratiekamp-autobiografie Bruchstücke publiceerde. Verzonnen, zo bleek.

    Het recentste geval dat voor opschudding zorgde, is journalist Fabian Wolff. Jarenlang liet hij zich op grond van zijn uitgesproken joodse perspectief in de Duitse media nadrukkelijk kritisch uit over de staat Israël. Een vals perspectief, zo bleek later.

    Waarom wenden zo veel bedriegers in Duitsland een joodse identiteit voor? Uitgerekend in het land waar tachtig jaar geleden gruwelijke misdaden tegen het jodendom werden gepleegd? Wat verwachten deze mensen – en wat zegt het ons over het land en zijn herinneringscultuur?

    Dat mensen in Duitsland doen alsof ze joden zijn, is een fenomeen dat zich vooral na de Holocaust is gaan voordoen. De archieven van de joodse gemeenschap van Berlijn documenteren op indrukwekkende wijze hoe vele tientallen Duitsers na de Shoah plotseling hun vermeende joodse identiteit ontdekten – zowel daders uit de nazitijd als volkomen normale mensen.

    Destijds gebeurde dat vooral om cynisch pragmatische redenen. Sommige daders hoopten dat hun sterke verhalen tot straffeloosheid zouden leiden, anderen hoopten er hun voordeel mee te doen. En misschien wilden sommigen ook hun geweten sussen. ‘Natuurlijk is het prettiger om niet te hoeven verwerken hoe het eigen volk de genocide op zes miljoen joden mogelijk heeft gemaakt,’ schreef auteur Philipp Peyman Engel onlangs in de Jüdische Allgemeine. Met een joodse identiteit wordt ‘wij Duitsers’ al snel ‘de Duitsers’. Maar wat is dan de verklaring voor de latere gevallen?

    Claas-Hinrich Lammers is hoofdarts en medisch directeur van de afdeling voor affectieve stoornissen, acute psychiatrie en psychose van de Asklepios-kliniek Hamburg-Nord. Hij is onder andere gespecialiseerd in de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Als psychiater sprak hij al honderden bedriegers en chronische leugenaars.

    ‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen’

    ‘Je moet er voorzichtig mee zijn om dergelijk gedrag direct als ziekte te bestempelen,’ zegt Lammers aan de telefoon. ‘Niet iedereen met een storing is even gestoord.’ Veel bedriegers zijn uitgesproken narcisten, en daarvan zijn er volgens Lammers nogal wat in onze samenleving. Maar die zijn niet allemaal per se ziek.

    ‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen,’ zegt Lammers. ‘Ze passen hun opvattingen gemakkelijk aan, als ze er maar hun voordeel mee kunnen doen en het aandacht oplevert.’ Hoe dat voordeel eruitziet verschilt per individu. ‘Voor sommigen gaat het om roem en eer, om een prominente positie,’ zegt Lammers. ‘Voor anderen is het geld en macht.’ 

    Opvallend is dat sommige prominente gevallen in één aspect op elkaar lijken: de nep-joden hebben zichzelf herhaaldelijk op publieke posities gemanoeuvreerd om zich luid en duidelijk te bemoeien met het publieke discours.

    Peter Loth bijvoorbeeld, die valselijk beweerde geboren te zijn in concentratiekamp Stutthof, verscheen na het einde van de oorlog als medeaanklager in een proces tegen de voormalige kampbewaker Bruno Dey. Tijdens zijn getuigenis stond Loth op, omhelsde Dey en vergaf hem. Een foto daarvan ging de hele wereld rond. 

    Otto Uthgenannt beweerde dat hij concentratiekamp Buchenwald had overleefd en dat zijn ouders en zus daar waren vermoord. In werkelijkheid kwam Uthgenannt uit een protestantse familie die nooit is vervolgd. Desondanks gaf hij als ‘getuige uit die tijd’ jarenlang lezingen.

    Wolfgang Seibert en Fabian Wolff namen ook uitgesproken posities in. De eerste als twistzieke vertegenwoordiger van een zogenaamd modern jodendom, de tweede als criticus van de vermeend onrechtvaardige staat Israël. 

    ‘Geen bedrieger zonder iemand die zich laat bedriegen,’ zegt psychiater Lammers. Wil je dat een verzonnen identiteit werkt, dan moeten er andere mensen zijn die het plaatje compleet maken. ‘De vraag is waarom Duitsland dit nodig lijkt te hebben.’

    ‘Mensen die een joodse identiteit bedenken, vervullen een behoefte,’ zegt Barbara Steiner. De historicus en judaïst bestudeert al jaren Duitsers die christelijk zijn opgegroeid en zich op een bepaald moment in hun leven bekeren tot het jodendom – of dat nu een echte bekering of bedrog is.

    Innerlijk conflict

    Voor Steiner zijn verzonnen joodse biografieën een uitdrukking van een diepgeworteld onbehagen over het Duitse verleden. ‘Door deze identiteit aan te nemen, lossen ze een innerlijk conflict op,’ zegt ze aan de telefoon. ‘Ze kunnen er niet mee overweg afstammelingen van daders te zijn.’

    Dat geldt echter niet alleen voor enkele individuen, zegt Steiner, maar voor de meerderheid van de Duitse maatschappij. ‘Niet alleen de afstammelingen van overlevenden van de Holocaust hebben te kampen met een emotioneel zwaar beladen erfenis. De nakomelingen van de daders hebben er ook mee te maken, maar bij hen is die het gevolg van falen en vaak genoeg komt daar ook nog antisemitisme bij kijken,’ zegt de historicus. ‘Als bedriegers dan een rol spelen die erbij past, door zich verzoenend of juist kritisch op te stellen, dan wordt dat maar al te gemakkelijk geaccepteerd.’

    Peter Loth speelde bijvoorbeeld zo’n rol in de naoorlogse jaren. Door zijn vermeende kwelgeest te vergeven, gaf hij een even schadelijk als welkom signaal af: alles is weer goed. 

    ‘Voor mij tonen de vele verzonnen joodse identiteiten aan dat Duitsland nog wat in te halen heeft in de verwerking van het nationaalsocialisme,’ zegt Steiner. De Bondsrepubliek heeft weliswaar geweldige initiatieven ondernomen en monumenten opgericht, maar in de individuele familiegeschiedenissen ontbreekt het nog steeds aan een gevoel van schuld. ‘Ik denk dat er vaak geen echt schuldbewustzijn was of is.’

    Walter Rothschild ziet dat anders. Volgens de Brit, die zo’n 25 jaar als rabbijn voor verschillende joodse gemeenschappen in Duitsland heeft gewerkt, is de herdenkingscultuur in Duitsland eerder positief te duiden. Hij ziet in brede lagen van de bevolking een verlangen naar wiedergutmachung. Bedriegers die zich voordoen als joden zijn extreme gevallen, meent Rothschild.

    Maar ook hij wordt in zijn praktijk steeds weer met het fenomeen geconfronteerd. Hij is immers degene die bepaalt wie als jood wordt geaccepteerd in de gemeenschap en wie niet. ‘Er zitten opvallend vaak mensen voor me die zo graag joods willen zijn dat ze ergens in hun stamboom een overgrootmoeder proberen op te graven met een joods klinkende naam,’ zegt hij. ‘Dat verbaast me elke keer weer, vooral omdat het zo vaak voorkomt.’

    ‘Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht’

    Op de vraag waarom dit zo is, heeft Rothschild ook geen bevredigend antwoord. ‘Misschien schamen ze zich,’ zegt hij, ‘of is hun eigen identiteit niet goed genoeg. Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht.’

    Deze ‘exotisering’, vervolgt Rothschild, is een product van de Duitse samenleving zelf. Sinds de Shoah wordt in dit land vooral gesproken over ‘wij Duitsers’ en ‘de joden’, ook als de intentie positief is. ‘Toch zijn veel joden hier ook Duitsers, net als de anderen,’ zegt de rabbijn. Die speciale positie kan uiteindelijk bijzonder aantrekkelijk zijn voor bedriegers.

    ‘Als je op zoek bent naar speciale aandacht, is het de vraag of er iets voorhanden is om dat verlangen te bevredigen,’ zegt psychiater Lammers. ‘Maar de meeste mensen hebben daar de juiste talenten niet voor, dus gaan ze op zoek naar een identiteit die hen speciaal maakt.’

    Maar wat maakt dit alles dan zo problematisch? Rabbijn Rothschild denkt even na. ‘Het probleem is niet zozeer wat deze mensen over zichzelf denken – iedereen wil wel Batman of Superman zijn,’ zegt hij. ‘Het wordt pas lastig wanneer ze vanuit hun positie als vermeende jood dingen beweren over het joodse leven of over Israël.’ 

    Barbara Steiner ziet dat net zo. ‘Zo ontstaan er vervormde beelden, ideeën over het jodendom die niet echt zijn, maar een cliché,’ zegt ze. ‘En als die eenmaal de wereld in zijn gestuurd, kunnen ze niet zo gemakkelijk weer worden opgeruimd.’

    Het kan ook onderdeel zijn van een groter probleem, zoals Steiner zegt. Want het beeld dat die mensen met een valse identiteit creëren, is sinds de naoorlogse periode met het telkens oplevende antisemitisme meeveranderd. ‘In het begin waren het nog overlevingsverhalen, die tot vergeving leidden,’ zegt ze. ‘Maar recenter, ook met de toenemende antisemitische tendensen in onze samenleving, gaat het om mensen die Israël en het jodendom op het beledigende af bekritiseren.’

    Lees ook:

  • Helden zonder hoop: het verhaal van de Joodse opstand in het getto van Warschau

    Helden zonder hoop: het verhaal van de Joodse opstand in het getto van Warschau

    Tachtig jaar geleden, op 19 april 1943, begon de opstand in het getto van Warschau, een van de beroemdste daden van Joods verzet tegen de Holocaust. De strijders wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden lieten zich niet zonder verzet vermoorden.

    Keuze uit het archief

    De wereld herdacht vorige week maandag de bevrijding van Auschwitz, die dit jaar tachtig jaar geleden plaatsvond. Het kamp staat algemeen bekend als hét symbool van de holocaust. Miljoenen Joden werden als schapen, vaak nietsvermoedend, naar de slachtbank geleid. Toch waren er ook Joden die liever strijdend ten onder gingen, ook al wisten ze dat hun lot bezegeld was. Dit artikel van FAZ uit 2023, geschreven door hoogleraar Holocaust- en Joodse Studies Stephan Lehnstaedt, vertelt het heroïsche epos van de Opstand van Warschau.

    Het zou voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg geen mooie dag worden. Nochtans was het in Warschau prachtig warm lenteweer, en in de parken stond alles in bloei. Maar hij had werk te doen, wat voor de SS- en politieleider betekende dat hij Joden naar het vernietigingskamp Treblinka moest deporteren. Die dag, 19 april 1943, zou het einde van het getto van Warschau inluiden. De Duitse vernietigingsmachinerie was geoefend, de logistiek efficiënt en de benodigde mankracht relatief klein. Op deze actie had de SS zich bijzonder goed voorbereid en zich van extra manschappen verzekerd, zodat alles soepel zou verlopen.

    Maar de twee colonnes die in de vroege ochtend vanuit het zuiden de toegangspoorten tot de Nalewki- en Zamenhofstraat binnengingen, kwamen niet ver: ze waren nog maar net op het plein achter de poort aangekomen, of ze werden vanuit de omliggende huizen beschoten en bekogeld met handgranaten en molotovcocktails. In de Nalewkistraat hielden de Duitsers bijna twee uur stand voordat ze zich ongeorganiseerd terugtrokken en hun doden moesten achterlaten. In de Zamenhofstraat werd een van hun twee tanks in brand gestoken, zodat ze het getto al na een half uur halsoverkop verlieten.

    Sammern-Frankenegg werd dezelfde dag nog vervangen door Jürgen Stroop. Eigenlijk was Stroop al eerder aangewezen om de actie in het getto te leiden, maar door communicatieproblemen had hij vertraging opgelopen. De nieuwe SS- en politieleider liet zijn mannen ’s middags opnieuw aantreden in de Nalewkistraat, en daarnaast kwam er een opmars vanuit het noorden naar het Muranowskiplein. Met dezelfde afloop. Onder zwaar vuur moesten de SS’ers het getto verlaten. Op die dag konden ze niemand deporteren, maar hadden ze wel twaalf eigen doden te betreuren.

    Besef

    Zo begon de opstand in het getto van Warschau, die de geschiedenis zou ingaan als de beroemdste daad van Joods verzet tegen de Holocaust. Tot 16 mei 1943 voerden de Duitsers regelmatig felle gevechten met de opstandelingen, totdat Stroop uiteindelijk in zijn rapport aan Berlijn de beruchte zin noteerde: ‘Er bestaat geen Joodse woonwijk meer in Warschau!’

    Op die bewuste dag in april werd de SS verrast door de felheid van het verzet. Toen de bezetter in de zomer van 1942 begon met de deportaties naar Treblinka en daar in ruim anderhalve maand tijd zo’n 350.000 mensen vermoordde, waren de bewoners van het getto niet in staat tot gecoördineerde verdediging. In het getto woonden nog steeds bijna 60.000 mensen. Ongeveer de helft daarvan had een werkkaart en werd gedoogd door de Duitsers, de anderen waren er illegaal en leefden in permanente angst voor de volgende arrestatiegolf.

    De deportaties hadden aangetoond dat de Duitsers niet geïnteresseerd waren in een economische exploitatie van het getto. Veel bewoners hadden de honger, ellende en epidemieën kunnen doorstaan in de hoop dat de oorlog een keer voorbij zou zijn en ze bevrijd zouden worden. Maar nu drong tot ze door dat de moorden door de Einsatzgruppen en de vergassingen die sinds voorjaar 1942 in het kader van de Aktion Reinhardt waren begonnen, zonder uitzondering voor alle Joden golden; het was slechts een kwestie van tijd voordat ook de laatsten in de vernietigingskampen zouden sterven.

    Dit besef was een langzaam proces. Inmiddels weten we dat zes miljoen mensen zijn omgekomen in de Holocaust en zijn we gewend om het nationaalsocialistische moordprogramma te zien als onderdeel van de Tweede Wereldoorlog. Maar dat is een ahistorische veronderstelling, want zelfs de nazileiders gingen er tot ver in 1941 van uit dat zij de Joden alleen maar uit hun machtssfeer zouden deporteren – naar de Sovjet-Unie of naar Madagaskar bijvoorbeeld. Pas met de aanval op het rijk van Stalin raakte die gedachte volledig achterhaald. De uitroeiing, eerst met kogels en later door vergassing, bleek een gestaag escalerende, vaak geïmproviseerde moordorgie zonder gedetailleerd masterplan te zijn.

    In het getto van Warschau kregen ze wel informatie. Er had zich een groep rond de historicus Emanuel Ringelblum gevormd die systematisch informatie verzamelde, archiveerde en verspreidde. Toegegeven, het is onmenselijk om te beseffen dat je lot onvermijdelijk is. Maar voorlopig leek de situatie in Warschau onder controle: een tyfusepidemie met bijna 90.000 doden, die sinds de zomer van 1941 had gewoed, leek overwonnen. Tegelijkertijd draaiden de werkplaatsen van het getto op volle toeren, en ze leverden zelfs genoeg op om de weinige levensmiddelen te kunnen betalen die door de Duitsers waren toegestaan.

    Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn

    De berichten over massamoorden in het Oosten waren zeker verontrustend – maar ook ver weg. Bovendien was er geen alternatief: verzet tegen de bezetter zou gelijkstaan aan zelfmoord, en massaal op de vlucht slaan was volkomen onrealistisch; het was zelfs als individu al vrijwel onmogelijk om te kunnen overleven in de vijandige wereld aan de ‘Arische kant’ buiten de gettomuren. Toen de treinen naar Treblinka begonnen te vertrekken, kwam het er dus op neer een schuilplaats of – tegen betaling – een werkvergunning te regelen om op het ‘overslagpunt’ niet aan boord van een van de transporten te hoeven gaan.

    Hoop, verdringing en het overleven van dag tot dag beheersten het getto van Warschau tot aan de herfst van 1942. De enkelen die eerder hadden gepleit voor actieve verzetsdaden en die soms hardhandig tot de orde werden geroepen, waren in korte tijd de morele leiders geworden. Dat het zo niet verder kon, daar was iedereen het wel over eens. Maar terwijl de oudere activisten van de vooroorlogse partijen en bewegingen een vlucht wilden organiseren van tenminste de culturele en sociale elite, verwierpen de jongere dit voorstel met klem: er moest geen onderscheid worden gemaakt wanneer een heel volk met vernietiging werd bedreigd. 

    De jeugdorganisaties, op de eerste plaats die van Haschomer Hazair, Dror en Akiba, verenigden zich in juli 1942 tot de Joodse Strijdersorganisatie (Żydowska Organizacja Bojowa, ŻOB) – een naam waarin het streven al besloten lag. Al in september drongen de eerste leden aan op een onmiddellijke staking tegen de Duitsers, terwijl anderen, waaronder de belangrijkste leiders, ervoor pleitten om eerst grondige voorbereidingen te treffen.

    Veel tijd was er niet. Op 18 januari 1943 keerde de SS terug naar het getto om bewoners bijeen te drijven voor deportatie. De ondergrondse had dit niet verwacht, maar reageerde toch. Losse groepen van de Strijdersorganisatie, voornamelijk uit de gelederen van Haschomer Hazair onder leiding van Mordechai Anielewicz, meldden zich vrijwillig aan voor deportatie – en openden vervolgens het vuur op de mannen van Sammern-Frankenegg. Dit was geen gecoördineerde verzetsactie, maar ze creëerde wel genoeg chaos om de Duitsers te verrassen en hen te dwingen zich te reorganiseren. In de volgende vier dagen waren er herhaaldelijk afzonderlijke vuurgevechten, ook met andere groepen van de ŻOB. Toch slaagde de SS erin om meer dan vijfduizend mensen te deporteren naar Treblinka. Het plan was om er achtduizend te deporteren.

    Bittere les

    Voor de Joodse Strijdersorganisatie was dit dus gedeeltelijk een succes, maar ook een bittere les. Veel strijders, waaronder vrouwen, die op gelijke voet streden met de mannen, stierven door toedoen van de zwaarbewapende Duitsers – bij wie er ook twaalf sneuvelden en ongeveer vijftig gewond raakten. Dit was van doorslaggevend belang voor de legitimering van het verzet, want het versterkte de reputatie van de ŻOB en toonde aan dat die in staat was de bezetter het hoofd te bieden. Bovendien: omdat veel inwoners van het getto gehoor hadden gegeven aan oproep om onder te duiken, had de ŻOB bewezen leiding te kunnen geven.

    Mordechai Anielewicz ontsnapte ternauwernood aan de Duitse kogels. Zijn daadkrachtige en spontane optreden maakte hem tot held en droeg eraan bij dat de andere groepen hem tot hun opperbevelhebber kozen. Dat was vooral een symbolische functie, want ook in april handelden de groepen zelfstandig, als losse verzetscellen, en veel minder in termen van gecoördineerde actie. 

    Anielewicz had zelfs aanzien verworven bij de Polen, wat het gemakkelijker maakte om overeenstemming te bereiken met hun belangrijkste verzetsorganisatie, de Armia Krajowa. In de daaropvolgende weken ontving de verzetsbeweging 90 pistolen, 600 handgranaten, 15 kilo explosieven, een licht machinegeweer en materiaal om molotovcocktails te maken. Toch was het eerder een symbolisch teken van steun voor de vervolgde Joden, want het nationale Poolse verzet beschikte op dat moment alleen al in haar magazijnen in Warschau over een veel groter arsenaal. Alleen de socialistische ondergrondse – die weliswaar lang niet zo invloedrijk en goed uitgerust was als de Armia Krajowa – had echte sympathie voor de gettostrijders.

    Mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende?

    Maar eerst moest er lering worden getrokken uit de bloedige botsing met de SS. Sommige lessen waren duidelijk: om snel te kunnen reageren was het van optimaal belang om mobiele gevechtsgroepen zo decentraal mogelijk te stationeren en ervoor te zorgen dat ze hun eigen wapendepots zo dicht mogelijk in de buurt hadden. Een concentratie van alle strijders in één zone moest worden vermeden, maar de communicatielijnen tussen de afzonderlijke eenheden moesten wel worden verbeterd. Het was ook belangrijk om het getto te beveiligen tegen collaborateurs, want er hadden al verschillende keren arrestaties plaatsgevonden vanwege aanklachten.

    Om dat te voorkomen moest een taboe worden doorbroken: mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende? Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn. Marek Edelman zei uiteindelijk over het strategisch doden van andere Joden: het kon noodzakelijk zijn – niet om te voorkomen dat anderen zouden sterven, maar om überhaupt een opstand uit te kunnen voeren. Zijn woorden wogen des te zwaarder omdat Edelman een overtuigd humanist was. Dat bleef hij ook na de oorlog, zelfs toen de Volksrepubliek Polen hem als lid van Solidarność gevangenzette. Tot zijn dood in 2009 was hij een gerespecteerde stem van de rede.

    Het verzet had financiële middelen nodig. In de nacht van 29 op 30 januari 1943 plunderde de ŻOB daarom de kas van de Judenrat van Warschau. Na een tip van Marceli Ranicki – in Duitsland bekend als [de literatuurcriticus] Marcel Reich-Ranicki – die destijds voor de Judenrat werkte, vervalsten zij de handtekening van de Judenrat-voorzitter en meldden ze zich om twee uur ’s nachts bij de kassier. Leden van de ondergrondse, gekleed in de uniformen van Joodse politieagenten uit het getto, vertelden de kassier dat de Gestapo geld nodig had. Zo ontving het verzet 150.000 zloty en zag het zijn reputatie verder groeien, vooral omdat de Judenrat de Gestapo informeerde maar er vervolgens niets gebeurde.

    Er was dus al veel in gang gezet in het belang van de ŻOB. Maar een zegevierende opstand tegen de Duitse militaire en vernietigingsmachinerie was nog steeds uitgesloten. De materiële situatie van de opstandelingen was hopeloos, en uiteindelijk was het slechts een kwestie van tijd tot de SS ook de laatste Joden zou deporteren. In principe had de Strijdersorganisatie geen andere optie. Weliswaar was er altijd verzet geweest in kleine getto’s in de bezette Sovjet-Unie, maar daar konden de overlevenden naar de omringende bossen vluchten en proberen zich aan te sluiten bij eenheden van de partizanen. Een vriendelijk ontvangst was echter niet gegarandeerd en de omstandigheden bleven ook na de vlucht levensbedreigend.

    De ondergrondse van het getto van Warschau stond voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet

    Voor meer dan 50.000 Joodse inwoners van Warschau was zo’n ontsnapping een illusie – in de omgeving waren geen uitgestrekte bossen en een massale ontsnapping was absoluut niet realistisch. Zelfs kleine groepen gewapende strijders die dat vanuit andere getto’s in Polen hadden geprobeerd, werden vaak verraden en vervolgens weggevaagd door de Duitsers. Substantiële hulp uit Polen was niet te verwachten, ook al werd er – net als in West-Europa – wel samengewerkt om kinderen te redden. De ondergrondse van het getto van Warschau stond dus voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet. Maar afwachten of kleine speldenprikken uitdelen, zoals partizanen en nationale groepen deden – uiteenlopend van het Franse verzet tot de Armia Krajowa – was met de Holocaust in volle gang geen optie.

    De Strijdersorganisatie wist maar al te goed dat haar situatie hopeloos was – net zoals die van alle Joden trouwens. Ze had goed door wat het Duitse plan was en dat het vaststond dat het Europese Jodendom van de aardbodem moest verdwijnen. Met het oog hierop wilde Warschau op zijn minst een bewijs van Joodse eer achterlaten. ‘Misschien omdat de bewuste keuze tussen leven en dood de laatste kans is voor iemand om zijn waardigheid te behouden,’ in de woorden van Marek Edelman. Het ging de leden van de ŻOB om een bewuste beslissing over hun levenseinde. Ze wilden de strijd met de Duitsers aangaan, ook al was die hopeloos. Ze wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden zouden zich niet zonder verzet laten vermoorden. De strijd om het getto van Warschau moest een baken worden voor de levenswil van zijn inwoners.

    Bunkers

    De opstand was niet gepland als een collectieve zelfmoord, maar alle strijders wisten dat ze konden omkomen. Dat was hun keuze. Er was geen wroeging tegenover degenen die zich niet bij hen wilden of konden aansluiten, bijvoorbeeld omdat zij voor hun gezin en kinderen moesten zorgen.

    De beschuldiging dat de Joden zich als lammeren naar de slachtbank hebben laten leiden, komt niet voort uit het discours van die tijd, maar hoort eerder thuis in extreemrechts naoorlogs revisionisme. Tijdens de oorlog werd deze uitdrukking anders gebruikt en omgezet in een positieve oproep om de wapens op te nemen. Het verzet wist heel goed dat andere inwoners van het getto bepaald niet zonder eer waren of zich uit lethargie vrijwillig hadden laten deporteren. Edelman zei na de bevrijding: ‘Deze mensen gingen rustig en waardig. Het is verschrikkelijk om zo rustig je dood tegemoet te gaan. Dat is veel moeilijker dan schieten. Het is veel gemakkelijker om al schietend te sterven.’

    De ŻOB zag zichzelf als de elite van het getto van Warschau. Ze bestond slechts uit ongeveer driehonderdvijftig strijders, plus nog een paar helpers. Ze wilde ook geen massaorganisatie worden. Kleine losse groepen waren bereid te helpen tijdens de confrontatie met de Duitsers, maar het merendeel van de gettobewoners was op zichzelf aangewezen. Geconfronteerd met de dreiging van een volgende deportatiegolf, bereidden ze wanhopig schuilplaatsen voor, bij voorkeur ondergronds, bevoorraad en met meerdere ingangen. Ze verwachtten dat ze in deze bunkers, waarvan er ongeveer zeshonderd waren, enkele weken zouden moeten verblijven, totdat de beproeving voorbij was.

    Poolse steun bleef meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen

    In feite zouden de gevechten vele dagen duren, want de ŻOB was goed geïnformeerd en bevond zich naar omstandigheden in een optimale positie. Zo kon ze op 20 april zelfs de zeer symbolische Joodse vlaggen met de davidster verdedigen die op het Muranowskiplein wapperden. Op het terrein van de werkplaatsen in het getto, die fysiek gescheiden waren van het hoofdgetto, leden de Duitsers een zware nederlaag toen een enorme explosie hun opmars tot staan bracht en vele levens eiste. Ze reageerden met grootschalig gebruik van vlammenwerpers en zelfs met luchtbombardementen, waardoor het hele gebied in brand kwam te staan.

    De opstandelingen kregen weinig hulp van buitenaf. Weliswaar slaagde een eenheid van het Poolse communistische verzet onder leiding van de Joodse strijder Niuta Tajtelbaum erin een van de Duitse mitrailleursnesten uit te schakelen die het getto beschoten, maar verder bleef Poolse steun meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen.

    Op de vijfde dag moest het verzet het Muranowskiplein ontruimen. De Duitsers haalden de vlaggen weg en veranderden hun aanpak. In plaats van in colonnes – die vanuit huizen in een hinderlaag konden worden gelokt en beschoten – rukten ze nu op in enkele pelotons. Omdat veel van de Joodse strijders al waren gevallen en de levenden weinig munitie over hadden, gebruikte ook de ŻOB een nieuwe tactiek: ze trokken zich terug in de bunkers en verlieten deze alleen om vanuit hinderlagen te kunnen toeslaan. De laatste grote slag met de Duitsers werd op 27 april geleverd, toen enkele honderden mensen die gedeporteerd zouden worden, werden bevrijd.

    Geen optie

    Tegen eind april was echt verzet geen optie meer. De eerste strijders zouden nu moeten proberen door de riolen naar de ‘Arische kant’ te vluchten om daar te overleven en eventueel steun te vinden. Maar die was er nog steeds niet. En dus kamde de SS huis na huis uit en stichtte opzettelijk brand om verscholen Joden de straat op te drijven, naar de deportatietreinen. Omdat de plafonds meestal van hout waren, veranderde het getto in één brandend inferno.

    Degenen die in bunkers zaten, verging het weinig beter. Begin mei hadden de Duitsers de meeste grotere schuilplaatsen al ontruimd en op 7 mei vonden ze ook de commandobunker van de ŻOB in de Milastraat 18. Daar verbleven ongeveer vijfhonderd mensen. De meesten van hen stierven toen Stroop een dag later gas naar binnen liet pompen. Onder de doden waren ongeveer honderdtwintig leden van de Strijdersorganisatie, onder wie hun leider Mordechai Anielewicz.

    Op 16 mei liet Stroop de Grote Synagoge opblazen en verklaarde hij dat de opstand was onderdrukt. Het had minstens vijftienhonderd man bijna een maand gekost om te zegevieren na felle huis-aan-huisgevechten met Joodse strijders die in de minderheid waren, volstrekt onvoldoende uitgerust, militair onervaren en verzwakt door hun lange tijd in het getto. Officieel bevestigde de SS- en politieleider zestien eigen doden en vijfentachtig gewonden; de werkelijke aantallen liggen waarschijnlijk minstens een factor tien hoger.

    De foto’s die hij gebruikte om zijn verklaring te illustreren waren bijzonder effectief. Ze werden wereldwijd verspreid, vooral de foto van een jongetje dat geschrokken en met opgeheven armen naar de camera rent. Het is het perspectief van de dader die zijn eigen overwinning illustreert met propagandistische bedoelingen. Niet het Joodse verzet is te zien, maar het moment van de Duitse triomf. Dat is vertekenend, want de verzetsleden wilden natuurlijk geen aanwijzingen nalaten, noch met foto’s noch met documenten. Het ontbreken van hun perspectief heeft historisch onderzoek vaak onbedoeld beïnvloed.

    Nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid

    Ongeveer tachtig leden van de ŻOB overleefden de opstand, maar slechts een tiental overleefde het einde van de oorlog. Hoewel de chaos van die lente mogelijkheden had geboden voor enkele ontsnappingen, zou het nog anderhalf jaar van onderdrukkende bezetting duren, voordat de bevrijding een feit was. Daarin was sprake van een niet-aflatende vervolgingsterreur. En terwijl de Duitsers systematisch alle gebouwen op het terrein van het voormalige getto opbliezen en op het puin concentratiekamp Warschau inrichtten, was het verhaal van het Joodse verzet nog niet voorbij: nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid. De voorbeeldfunctie voor vele andere verzetsactiviteiten kan nauwelijks worden overschat.

    Niet in de laatste plaats waren er de opstanden en massale ontsnappingen in de vernietigingskampen Treblinka en Sobibor in 1943, en de opstand van het Sonderkommando in Auschwitz-Birkenau in 1944. Ook voor de opstand van Warschau in 1944, waarbij veel ondergedoken Joden aan Poolse zijde vochten, was de opstand van 1943 een voorbeeld.

    Al in 1946 werd in de Poolse hoofdstad een eerste kleine gedenksteen opgericht voor de Strijders van het getto, in 1948 gevolgd door het beroemde gedenkteken waarvoor Willy Brandt in 1970 knielde: de vervolgden waren de overwinnaars geworden.

    Auteur Stephan Lehnstaedt is hoogleraar Holocauststudies en Joodse Studies aan het Touro College in Berlijn.

  • Rome krijgt eindelijk een Holocaustmuseum

    Rome krijgt eindelijk een Holocaustmuseum

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Montenegro: veteraan Djukanovic verslagen in de presidentsverkiezingen

    » Middelbare school op afgelegen Japans eiland houdt diploma-uitreiking voor enige leerling

    Plannen liggen er al sinds de jaren negentig

    De Italiaanse regering heeft de financiering goedgekeurd voor een langverwacht Holocaustmuseum in Rome, bericht The Local. In de Italiaanse hoofdstad werden tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna tweeduizend Joden opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd. Een nationaal museum in de hoofdstad zal bijdragen ‘aan het levend houden van de herinnering aan de Holocaust’, aldus een regeringsverklaring, nadat ministers eerder deze maand instemden met de financiering van het project.

    Volgens de Italiaanse minister van Cultuur Gennaro Sangiuliano wordt 10 miljoen euro apart gezet voor de bouw van het museum. Ruth Dureghello, hoofd van de Joodse gemeenschap van Rome, verwelkomde het nieuws maar riep wel op tot het vaststellen van ‘definitieve tijdschema’s’. Die oproep is niet zo verwonderlijk, want al sinds de jaren negentig wordt er gesproken over plannen voor de bouw van het museum. Volgens Luca Zevi, de architect die verantwoordelijk is voor het project, zou het museum binnen drie jaar klaar moeten zijn.

    Lees ook:

  • Duizenden botresten uit nazitijdperk begraven in Berlijn

    Duizenden botresten uit nazitijdperk begraven in Berlijn

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israëlisch parlement neemt controversiële wet aan

    » EC-rapport: 46 procent van alle honing die Europa importeert is namaak

    Er zouden experimenten met de slachtoffers zijn gedaan

    Tijdens een ceremonie in Berlijn zijn duizenden botresten begraven op een begraafplaats. De botresten waren enkele jaren eerder aangetroffen tijdens werkzaamheden aan de campus van de Vrije Universiteit in Berlijn. Deskundigen vermoeden dat het gaat om botten van slachtoffers van experimenten van nazi’s, meldt Tagesspiegel.

    Wie de slachtoffers zijn en waar ze aan zijn overleden, wordt niet uitgezocht

    Op de plek waar tegenwoordig de Vrije Universiteit staat, was vroeger namelijk een onderzoeksinstituut van de Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft gevestigd. Wetenschappers aan dit instituut deden onderzoek naar rassenleer en rassenverbetering. Ze werkten onder meer samen met de kamparts van Auschwitz-Birkenau, Josef Mengele. Na de vondst is echter besloten niet uit te zoeken wie de slachtoffers zijn en waar ze aan zijn overleden.

    Belangenorganisaties van slachtoffers van de Holocaust hebben gezamenlijk ingestemd met een afsluitende ceremonie op een nabijgelegen begraafplaats waarbij de zestienduizend botresten in vijf kisten worden begraven. Vertegenwoordigers van deze groepen, autoriteiten van de universiteit en van de gemeente Berlijn waren donderdag aanwezig bij de ceremonie.

    Lees ook:

  • Rusland voor het eerst niet bij herdenking van bevrijding Auschwitz

    Rusland voor het eerst niet bij herdenking van bevrijding Auschwitz

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Tien doden bij Israëlische inval in vluchtelingenkamp

    » VS doden belangrijke IS-leider tijdens operatie in Somalië

    Het kamp werd 78 jaar geleden bevrijd door de Russen

    In verband met de inval van Oekraïne is de delegatie van de Russische Federatie dit jaar niet uitgenodigd voor de herdenking van de bevrijding van concentratiekamp Auschwitz, zo berichtte Gazeta Wyborcza afgelopen woensdag. Het is vandaag precies 78 jaar geleden dat het kamp bevrijd werd door – ironisch genoeg – de Russen.

    Deze jaarlijkse herdenkingen worden georganiseerd om de herinnering aan de overlevenden, de belangrijkste gasten van de herdenkingsceremonie, levend te houden. Behalve oud-gevangenen zijn ook de belangrijkste Poolse ambtsdragers en diplomatieke vertegenwoordigers uit het buitenland aanwezig.

    Het zal nog een lange tijd duren voordat Rusland weer op het internationale toneel terugkeert

    Normaliter zou Rusland ook uitgenodigd zijn en zou de Russische afgevaardigde tijdens het belangrijkste deel van de ceremonie een toespraak houden. Vanwege de oorlog in Oekraïne is dat dit jaar voor de eerste keer niet het geval. Volgens de directeur van het Auschwitzmuseum zal het nog een lange tijd duren voordat Rusland weer op het internationale toneel terugkeert.

    Op 27 januari 1945 werd Auschwitz-Birkenau door het Rode Leger bevrijd, dat enkele maanden vertraging had opgelopen doordat er in Warschau een opstand uitbrak. Daardoor kregen de nazi’s de kans om het kamp te evacueren en de documentatie te vernietigen. Uiteindelijk troffen de Sovjettroepen in het kamp nog zo’n zevenduizend gevangenen aan, alsook zeshonderd mensen die doodgeschoten of van uitputting gestorven waren. Dezen werden door het Poolse Rode Kruis een maand later in een massagraf vlakbij het kamp begraven.

    Lees ook:

  • Duitse vrouw van 97 veroordeeld voor rol in WOII

    Duitse vrouw van 97 veroordeeld voor rol in WOII

    » Taliban sluit universiteiten voor vrouwen

    » Opheffing coronamaatregelen China kan tot ramp leiden

    De vrouw werkte als secretaresse in een concentratiekamp

    In de Duitse stad Itsehoe is een vrouw van 97 veroordeeld voor haar rol in de holocaust. Zij heeft een voorwaardelijke celstraf van twee jaar gekregen voor medeplichtigheid aan de moord op ruim tienduizend mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Deutsche Welle kan het proces de laatste zaak zijn waarin iemand terechtstaat voor misdaden gepleegd tijdens de oorlog.

    Irmgard Furchner werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekamp Stuffhof in Polen. Joden en krijgsgevangenen van de nazi’s moesten daar dwangarbeid doen. Daarnaast waren er ook gaskamers in het kamp nabij Gdansk. Zeker 65.000 mensen vonden er de dood.

    Furchner faciliteerde de situatie in het kamp door het invullen van papierwerk en het bijhouden van administratie. Ze werd veroordeeld volgens het jeugdrecht, omdat ze tussen 1943 en 1945, toen ze in het kamp werkte, tussen de 18 en 19 jaar oud was. In haar slotverklaring zei haar advocaat dat ze betreurt dat ze een rol in het kamp, zelfs al was het een administratieve.

    Lees ook:

  • Anne Frank in het Perzisch: ‘Veel Iraniërs hebben geen idee van de Holocaust’

    Anne Frank in het Perzisch: ‘Veel Iraniërs hebben geen idee van de Holocaust’

    Om jonge Iraniërs te laten lezen over de Holocaust, en om antisemitische desinformatie tegen te gaan, zorgde filmmaker en journalist Maziar Bahari voor een Perzische vertaling van Het dagboek van Anne Frank. In stripvorm.

    De Iraans-Canadese journalist, filmmaker en activist Maziar Bahari zette zich al langer in om zijn landgenoten bewust te maken van wat er tijdens de Holocaust was gebeurd. Iraniërs die na de [islamitische] revolutie zijn geboren, hebben een verkeerde voorstelling van zaken; ze krijgen verkeerde, antisemitische informatie, zei hij tegen het Israëlische dagblad Haaretz. ‘Dat is alles wat ze horen.’ 

    Om tegenwicht aan die desinformatie te bieden werkte Bahari mee aan het Sarardi Project dat – samen met het U.S. Holocaust Memorial Museum – de Perzische vertaling van Anne Franks dagboek in stripvorm presenteerde op de Internationale Herdenkingsdag, afgelopen 27 januari. 

    Het project is in het leven geroepen om Iran bewust te maken van de Holocaust, door artikelen en video’s te verspreiden over de grotendeels onbekende rol van Iran als toevluchtsoord voor joden die in de Tweede Wereldoorlog voor de nazi’s waren gevlucht. Abdol Hossein Sarardi was een Iraanse diplomaat, die tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk consul in Parijs was. Ook wel bekend als de Schindler van Iran, omdat hij duizenden Joden aan een paspoort hielp. 

    cover

    Holocausteducatie

    Volgens Bahari is een  ‘Holocausteducatie’ broodnodig: ‘De ontkenning van de Holocaust moet worden tegengegaan en we moeten weerwoord bieden aan de antisemitische retoriek van de Iraanse regering.’ Zijn eerste film, The Voyage of the Saint Louis (1995), ging over het schip met joodse vluchtelingen dat in mei 1939 de toegang tot Cuba en de VS werd ontzegd en dat moest terugkeren naar Europa. Meer dan een kwart van de passagiers zou uiteindelijk omkomen. Vanaf 1988, toen Bahari naar Canada emigreerde, heeft de Holocaust hem niet meer losgelaten. Hij leerde dat ook in zijn adoptieland joden waren vervolgd: er waren quota voor joden op universiteiten en de meeste joodse vluchtelingen werden in Canada geweigerd. 

    Een historicus die als adviseur bij het project betrokken was, vertelde dat kinderen in Iran op de lagere school wel les krijgen over de Tweede Wereldoorlog, inclusief het naziregime, Hitler en de overwinning van de geallieerden, maar dat er met geen woord wordt gerept over joden. De Holocaust komt in het onderwijsmateriaal niet voor.

    Veel Iraniërs hebben er geen idee dat er destijds duizenden Joden naar Iran zijn gevlucht

    Het is belangrijk, benadrukt Bahari in al zijn werk, dat er kennis is van wat de Holocaust inhield. Veel Iraniërs hebben er geen idee van, ook niet dat er destijds duizenden joden naar Iran zijn gevlucht. Door wat hij zelf leerde over de genocide kon hij de tragedies in eigen land beter begrijpen, vooral sinds de islamitische revolutie en de machtsovername door Khomeini in 1979. ‘Dat wil ik doorgeven.’

    Bahari, ook een van de oprichters van het journalistieke platform IranWire, was dus de aangewezen persoon om te betrekken bij het Sarardi Project, schreef het dagblad Haaretz. Tot nog toe was de Holocaust niet eerder toegankelijk en interessant gemaakt voor jonge Iraniërs in Iran en de diaspora. De graphic novel van het dagboek van Anne Frank in het Perzisch veranderde de zaak. Het probleem is volgens Bahari dat de meeste Iraniërs, zelfs als ze Engels lezen, het moeilijk vinden om complexe kwesties zoals de Holocaust te begrijpen. In hun eigen taal, het Farsi of Perzisch, is dat veel makkelijker.

    Diplomaat Hossein Sardari, de naamgever van het project, verloor zijn pensioen en al zijn bezittingen aan de ayatollahs. Hij stierf in 1981 in armoede in Londen, waar hij na zijn pensionering was gaan wonen.

  • De tragische dood van blogger Sophie Hingst

    De tragische dood van blogger Sophie Hingst

    Sophie Hingst was een veelbelovende jonge Duitse vrouw woonachtig in Dublin met een succesvol, prijswinnend blog. Maar een artikel uit Der Spiegel onthulde dat achter de talentvolle schrijver een tragisch verhaal schuilging van pathologische leugens en psychische ziekte.

    Bijna zeven weken geleden ontmoette ik Sophie Hingst voor het eerst en voor het laatst, op een zoele zondagmiddag in Berlijn.

    Terwijl ik stond te wachten op het station tegenover de Wannsee, dook ze opeens achter me op, als een kat. Ze groette niet en haar bruine ogen, uilachtig achter een grote ronde bril, ontweken mijn blik. Haar gezicht was rood en haar lange haar, van oorsprong bruin maar nu grijzend en vaal bij de wortels, zat strak naar achteren in een staart.

    In zichzelf mompelend begon ze voor me uit te lopen. Ik volgde haar, probeerde wat over koetjes en kalfjes te praten en vroeg me af waar dit heen ging. Nu weet ik het eindelijk.
    Drie uur hebben we die dag gezeten, gewandeld en gepraat. De 31-jarige vertelde me over haar kindertijd in Oost-Duitsland, haar studies in Berlijn, Lyon, Los Angeles en Dublin, en haar liefde voor literatuur – vooral voor de literaire grootmeester Heinrich von Kleist.
    En ze legde uit hoe de week daarvoor het nieuwe thuis dat ze voor zichzelf in Ierland had opgebouwd, ondersteboven was gegooid door een artikel in het Duitse tijdschrift Der Spiegel.

    ‘Zo gaat het dus, als je levend wordt gevild,’ zei ze, terwijl we uit zaten te kijken over de kabbelende golven van rivier de Havel, die in de Wannsee uitstroomt. ‘Zo kan een tijdschrift iemand aan de schandpaal nagelen.’

    Holocaustslachtoffers

    Het echte verhaal is niet zo eenvoudig. Negen dagen eerder, op 31 mei, had ik vooraf bericht gekregen dat Der Spiegel de volgende dag een artikel zou brengen over een blogger met een doctoraat in de geschiedenis van Trinity College Dublin (TCD). Het blad beweerde dat Sophie 22 Holocaustslachtoffers had verzonnen, van wie velen familie van haar zouden zijn, en documenten ter herinnering aan hen had ingediend bij het Israëlische Holocaustmonument Yad Vashem.

    Der Spiegel -journalist Martin Doerry, die ik ooit kort had ontmoet, vertelde me aan de telefoon over de weken werk die hij had besteed aan het uitpluizen van Sophies blog Read On, my Dear, Read On. In dat blog, grotendeels journalistiek met literaire ambities, schreef een figuur die Sophie ‘Fräulein Read On’ noemde, over haar leven in Ierland en in Duitsland, maar ook over haar Joodse identiteit en familie. Een geregeld terugkerende figuur was haar geliefde oma, overlevende van Auschwitz, die jaarlijkse bijeenkomsten hield voor de bejaarde overlevenden. Ze beschreef hoe haar grootouders elk jaar op 9 november de Kristallnacht herdachten – de door de nazi’s georganiseerde pogrom in 1938 tegen Joden. Dan zetten ze de klokken stil en zaten ze in de invallende duisternis, zo schreef ze, te wachten op familieleden die nooit terugkwamen.

    Toen onderzoekers, en later lezers, haar aanspraken op aperte onjuistheden en twijfelachtige details in haar blog, wees Sophie hun vragen woedend van de hand, in één geval als ‘schandelijke laster’. Afgelopen december had een onderzoeker contact opgenomen met Der Spiegel en langzaam tekende zich een gecompliceerd verhaal af.

    Vanaf september 2013 had Sophie naar het Israëlische Yad Vashem-monument 22 ‘getuigenisbladen’ gestuurd, meestal met de hand ingevuld, waarin mensen werden beschreven die in de Holocaust waren omgekomen. De meeste mensen op de formulieren hadden Joods klinkende namen: Cohen, Rosenwasser, Zilberlicht – maar van de meeste waren er geen gegevens waaruit bleek dat ze ooit hadden bestaan.

    ‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord’

    Door de Yad Vashem-documenten te combineren met wat Sophie zelf in haar blog had geschreven, stelde Doerry haar omstreden en tegenstrijdige verhaal en gebrekkige familiestamboom samen. Zij beweerde dat veel familieleden van haar waren vermoord in Auschwitz en slechts een handjevol had overleefd, maar geen van hen werd vermeld in enig bevolkings- of Holocaustregister. En het handjevol dat nog leefde was niet joods, zoals zij beweerde, maar luthers.

    ‘Dit type bedrog is misschien niet per se een misdaad, maar het is toch schandelijk,’ schreef Doerry in Der Spiegel. ‘Het verzinnen van Holocaustslachtoffers is in wezen de spot drijven met al degenen die werkelijk door de nazi’s zijn gemarteld en vermoord.’

    Dat was ook precies hoe Tomi Reichental het zag toen ik hem de dag voordat het verhaal in Der Spiegel verscheen, in Dublin belde om commentaar voor mijn eigen artikel. Reichental komt oorspronkelijk uit Tsjecho-Slowakije, overleefde het concentratiekamp Bergen-Belsen, maar is veel familieleden verloren. Hij heeft zijn latere jaren in zijn nieuwe vaderland gewijd aan het bezoeken van scholen, als levende getuige van de verschrikkingen van de Holocaust.
    ‘Mensen zoals ik zijn echt, maar dit schaadt ons,’ zei hij die vrijdagmiddag, de laatste dag van mei, tegen me, ‘omdat mensen onmiddellijk gaan denken: “Vertelt hij de waarheid?”’
    Terwijl ik die middag aan mijn artikel werkte, zag ik dat het blog snel van het internet verdween. Ik sloeg op wat ik kon en stuurde Sophie een e-mail om haar commentaar te vragen. Haar online antwoord: ‘Ik ontken alle beschuldigingen van Der Spiegel en zal juridische informatie inwinnen over die kwestie.’

    Laat op die avond besloot The Irish Times mijn stuk niet te plaatsen en ik stuurde haar opnieuw een e-mail met het voorstel om in plaats daarvan een afspraak te maken.
    Ook al hielden wij het verhaal vast, het deed al snel de ronde in Dublin. De website van de Russische propagandazender RT (Russia Today) wijdde er een item aan en studentenpublicaties van TCD hadden het verhaal te pakken gekregen. Uiteindelijk vertaalde Der Spiegel het artikel in zijn geheel in het Engels en maakte het beschikbaar op zijn website.

    © Yad Vashem / Unsplash
    © Yad Vashem / Unsplash

    Een paar dagen later zaten wij op een stoffige rivieroever en zei ze dat haar vertrouwde leven de afgelopen zes dagen in rook was opgegaan.

    Met verwijtende blik daagde ze me uit om haar vragen te stellen. Maar ik zei niets, in de hoop dat mijn zwijgen haar aan het praten zou brengen.

    Ze vertelde me over haar moeder, Rachel, een ‘gestoorde’ vrouw uit een Frans-Israëlische familie in de Languedoc, die voor Artsen zonder Grenzen werkte. Samen hadden ze de wereld over gereisd, tot Sophie zestien jaar was.

    ‘Toen vond ik mijn moeder in bad met een kogel in haar hoofd,’ zei de. ‘Mijn moeder heeft zich het leven benomen.’

    Haar vader was hertrouwd, zei ze, en ze was opgegroeid bij haar oma van vaderskant, Helga Brandl. Zij was een lutherse tandarts, maar Sophie hield vol dat ze Auschwitz-overlevende was met een getatoeëerd nummer op haar arm.

    Wat was het nummer, vroeg ik.

    Ze aarzelde even voor ze antwoordde: 6140.

    Onverwacht haalde ze een imitatieleren portefeuille uit haar zak, ritste die open en haalde er iets uit dat ze mij in de hand duwde. Ik vouwde een ster van gele stof open met ‘Jude’ in het midden: het soort gele ster dat alle Joden onder de Neurenberger wetten moesten dragen.
    ‘Deze ster en een kapotte bril waren het enige dat mijn oma nog bezat na Auschwitz,’ zei ze zacht. ‘Voel er maar aan en vraag me dan alsjeblieft nog eens of ik dingen verzin. Dat is wat je me aandoet, als je me dwingt dit te zeggen.’

    Ik voelde hoe ze naar me keek en op een reactie wachtte. Ik dacht eerst aan de Holocaust, daarna aan eBay. Maar ik hield mijn uitdrukking neutraal terwijl ik de ster aan haar teruggaf.

    ‘Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt’

    Al snel vertelde ze over haar confrontatie met Doerry van Der Spiegel drie weken eerder. Ze hadden afgesproken in het Merrion-hotel in Dublin om te praten over een kunstboek dat ze had geschreven. Doerry had van tevoren laten weten dat hij haar vragen zou stellen over haar blog en haar Joodse familie, maar zij had nadrukkelijk gezegd dat ze dat niet wilde.

    Tijdens hun gesprek had hij toch doorgezet, zei ze, en had hij haar vijf pagina’s gegeven met vragen over details en inconsequenties in haar blog. Na een uur was ze woedend uit het interview weggelopen.

    ‘Hij maakte er een soort detectiveverhaal van… het is zo sappig en hij doet het zo goed,’ zei ze tegen me. ‘Hij praatte tegen me als een premiejager, hij had helemaal geen vragen… hij wilde alleen maar een overzicht geven van zijn bevindingen. Het was als een soort tv-serie waarin de schuldige partij de bewijzen tegen zich onder de neus gewreven krijgt.

    Ze beschreef hoe ze zich in de hoek gedreven voelde door Der Spiegel: gedwongen na dat artikel om te bewijzen dat ze een Duitse Jood was – van de derde generatie na Auschwitz – door met haar oma’s ster uit de nazitijd te komen.

    Het volgende moment ontkende ze dat ze de Yad Vashem-documenten over haar omgekomen familieleden had ingediend, ook al waren die in haar handschrift ingevuld en had ze er beelden van op haar Twitterfeed gezet. Ze beweerde ook dat iemand zich voor haar uitgaf, dat ze een advocaat in de arm had genomen en een aanklacht bij de politie had ingediend.

    Verwarde vrouw

    Twee uur werd drie uur en ik merkte dat ik niet meer zozeer naar haar verhaal luisterde, maar meer naar haar lichaamstaal en andere signalen keek. Nu eens klonk ze als een speels meisje dan weer als een boze volwassene en vice versa, en tussendoor lachte ze zonder reden. Haar gezicht werd rood, daarna bleek. Haar handen fladderden als twee rusteloze vogels rond in haar schoot.

    Aan het eind van onze wandeling wist ik niets meer te zeggen, en ik besefte dat ik me op onbekend terrein bevond. Dit was geen krantenartikel. Dit was een zeer verwarde vrouw die hulp nodig had – en in de wetenschap dat we nu snel uiteen zouden gaan was ik bang dat ik misschien wel de laatste was die haar in leven zou zien.

    Bij het afscheid herhaalde ik een paar zinnen die een bevriende therapeut me had gegeven. Ik zei dat ik niet zeker wist wat er gebeurd was, wat het echte verhaal was, maar dat ik hoopte dat ze iemand had met wie ze hierover kon praten, en iemand bij wie ze vanavond kon zijn: een vriendin of haar familie. Ze zei dat ze die wel had en liep weg.

    Later belde ik ik twee mensen op. Eerst Cornelia Hingst, die in het Duitse telefoonboek stond als tandarts in Wittenberg. Toen ik naar Rachel Hingst vroeg, Sophies Joodse moeder, zuchtte ze hoorbaar. Er was geen Rachel, zei ze. Zij, Cornelia, was Sophies echte moeder en niet, zoals Sophie zei, haar stiefmoeder.

    ‘Mijn dochter heeft veel realiteiten en ik heb maar tot één daarvan toegang,’ zei ze. Ze vertelde over de jarenlange worsteling van haar dochter met geestesziekte, de therapieën die ze telkens weer had geprobeerd en de nieuwe stabiliteit die ze in Ierland had gevonden.
    Cornelia was bang dat de onthullingen slecht zouden vallen bij Sophies werkgever in Ierland, chipmaker Intel, en dat het verlies van haar baan Sophie nog verder uit haar evenwicht zou brengen. Ik drong er bij haar op aan dat ze contact opnam met haar dochter en haar in haar verwarde toestand niet alleen zou laten.

    ‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken’

    Daarna belde ik rabbi Zalman Lent in Dublin. Hij had geruchten over het verhaal gehoord, maar zei dat hij Sophie nooit had ontmoet, en haar ook niet herkende van gebiedsdiensten.
    ‘Het is een kleine gemeenschap, dus ik zou haar wel kennen als ze hier was geweest,’ zei hij.
    Mijn contact met Yad Vashem leverde een schriftelijke verklaring op waarin stond dat er bij het instituut in Jeruzalem 4,8 miljoen namen staan geregistreerd. Documenten zoals Sophie had ingediend ‘ondergaan een korte controleprocedure om basisgegevens na te trekken’, maar ‘die procedure is niet waterdicht en we zijn af en toe gewezen op onjuiste informatie.’

    ‘Wij gaan ervan uit dat de getuigenispagina’s te goeder trouw worden ingediend, en vragen om de handtekening van de indiener, die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de geleverde informatie,’ ging de verklaring verder. ‘De door Sophie Hingst ingediende formulieren zijn voor nader onderzoek overgedragen aan wetenschappers van Yad Vashem.’

    Ik had me al tot twee vrienden gewend, een therapeut en een arts. Beiden waren er huiverig voor om op afstand een diagnose te stellen, maar ze zeiden allebei, onafhankelijk van elkaar, dat Sophie – op basis van haar verwarde verhaal maar ook van haar lichamelijke signalen – een psychische stoornis leek te hebben. Dat soort stoornissen waren uitstekend te behandelen, volgens de bevriende therapeut; hij zei ook dat het vaker voorkomt dat Duitsers beweren afkomstig te zijn uit een Joodse familie die onder de Holocaust heeft geleden. De drang om in deze context liever bij de slachtoffers te willen horen dan bij de daders had volgens hem vaak te maken met een ander trauma in iemands leven.

    Vijf dagen na mijn ontmoeting met Sophie ging ik naar Hamburg voor een afspraak met Doerry, de schrijver van het artikel in Der Spiegel. Lopend van het station naar het glazen gebouw van het tijdschrift, belde ik Reichental nog een keer.

    Ik beschreef hem de gejaagde vrouw die ik had ontmoet en vertelde over de kennelijke psychische problemen van Sophie. Met het oog hierop had ik besloten dat dit geen verhaal voor The Irish Times was. Kon hij zich daarin vinden?

    ‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Dat arme meisje heeft hulp nodig. Als het in de krant kwam zou het alleen maar nog meer pijn veroorzaken.’

    Falsificaties

    Een paar minuten later, onder het glazen dak van het café in het Hamburgse hoofdkwartier van Der Spiegel, legde Doerry uit waarom hij toch doorging met het verhaal.
    Vorig jaar oktober had Doerry eenzelfde geval aan de hand gehad van een man die zich presenteerde als hoofd van een Joodse gemeenschap in de buurt van Hamburg, ondanks het feit dat hij Duits protestant was. Doerry is ook de kleinzoon van een Holocaustslachtoffer. En afgelopen december heeft Der Spiegel moeten erkennen dat een van zijn topjournalisten ‘op grote schaal artikelen had gefalsifieerd.’

    In minstens veertien overtuigende artikelen had de 33-jarige Claas Reloitius personages, plaatsen en ontmoetingen gefingeerd. De volle omvang van het bedrog stortte het tijdschrift in een van de diepste crises uit zijn 72-jarige bestaan.

    Doerry is historicus en voormalig adjunct-hoofdredacteur van het blad, en er was hem veel aan gelegen om Sophie te laten ophouden, omdat die steeds verder ging met haar leugens. Ze was uitgeroepen tot blogger van het jaar 2017 voor haar online werk en had in 2018 in Dublin een prijs voor beste jonge schrijver van The Financial Times aanvaard met een toespraak waarin ze over haar ‘Joodse’ familie sprak. Eerdere pogingen om haar aan de tand te voelen waren op niets uitgelopen. Dus de manier waarop hij haar in Dublin had benaderd was bedoeld om haar met de feiten te confronteren.

    Cornelia, de moeder van Sophie Hingst, belde me een paar keer om te vertellen hoe het met haar dochter ging. Intel, haar Ierse werkgever was bereid geweest om haar in dienst te houden, op voorwaarde dat ze gesprekken aanging met een therapeut van het bedrijf. Haar dochter was gaan inzien dat ze hulp nodig had, zei ze, maar werd achtervolgd door haar reputatie online. Er was een Wikipedia-onderwerp op haar naam aangemaakt, waarin ze ‘blogger en bedrieger’ werd genoemd. Het artikel van Der Spiegel stond nog steeds online in het Duits en in het Engels, en die laatste versie was gratis beschikbaar.

    In Wittenberg zei Cornelia dat ze zich verheugde op een nieuw leven na haar pensionering van de tandartsenpraktijk.

    Vorige week belde Cornelia me, terwijl ze op vakantie was aan de Baltische kust, om te zeggen dat de politie contact met haar had opgenomen. Haar dochter was de dag daarvoor, woensdag 17 juli, dood aangetroffen in haar bed in Dublin. Cornelia nam meteen aan dat haar dochter zelfmoord had gepleegd. Dit is nog niet bevestigd door de lijkschouwing; volgens de politie zijn er geen aanwijzingen voor betrokkenheid van een derde partij.

    Getroubleerde geest

    Terwijl ik naar de stem van de moeder luisterde, die verstikt klonk van verwarring en verdriet, ging ik in gedachten terug naar de vrouw die ik zeven weken eerder had ontmoet: gejaagd en gekwetst, maar ook intelligent en zelfs humoristisch. Een getroebleerde geest en een getalenteerd schrijver, maar ook iemand die – weken van tevoren – Doerry had aangevallen omdat hij haar verzinsels over voorouders die Holocaust-overlevenden of -slachtoffers waren in twijfel trok.

    Voor het artikel verscheen en onder druk van haar moeder, had Sophie Doerry gebeld om haar verontschuldigingen aan te bieden. Ze had toegegeven dat ze fouten had gemaakt, maar hield vol dat ze alleen maar herhaalde wat ze van haar moeder had gehoord. In Der Spiegel suggereerde Doerry dat ze nu ‘probeerde haar overleden protestantse oma tot zondebok te maken’.

    Voor de publicatie van het artikel had Sophie een advocaat in de arm genomen; ze benadrukte dat haar schrijfsels literair van aard waren en een verklaring van dezelfde strekking verscheen op haar blog.

    Achteraf gezien lijkt het erop dat beide kanten – de Hingsts en Doerry – vonden dat de andere kant zich agressief opstelde. Cornelia beschuldigt Doerry ervan dat hij de persoon achter de feiten over het hoofd heeft gezien.

    Na haar dood gaf Doerry uitgebreid commentaar aan The Irish Times, maar hij wilde niet dat zijn opmerkingen werden gepubliceerd. In plaats daarvan dicteerde hij een eenregelige verklaring: ‘Der Spiegel geeft geen commentaar op het artikel en betreurt haar dood.’
    In Duitsland kreeg de familie Hingst kritiek omdat ze niet de verantwoordelijkheid had genomen om in te grijpen en te voorkomen dat Sophie Holocaustleugens verspreidde of andere artikelen scheef waarin ze beweerde dat ze een kliniek voor seksuele voorlichting had gesticht in een sloppenwijk van New Delhi.

    Cornelia houdt vol dat ze geen idee had hoe ver haar dochter was gegaan met haar bedrog, niet had geweten dat haar dochter die documenten bij Yad Vashem had ingediend of dat wat Sophie online schreef was doorgesijpeld naar haar dagelijks leven en haar publieke persoon.
    ‘Toen ik Sophie hier een keer naar vroeg, zei ze dat ze geen geheel was,’ vertelt Cornelia, ‘en dat ze uit heel veel stukken bestond.’

    ‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid’

    Cornelia en Doerry hadden allebei te maken met een complexe, verwarde persoon met veel gezichten die voor hen nooit tegelijk zichtbaar waren. Het tragische van dit verhaal is dat Sophie, de enige die haar motieven en haar stukken zou kunnen verklaren, nu dood is. Ze is op 31 juli begraven in haar geboortestad Wittenberg.

    Cornelia heeft de manier waarop Intel met haar dochter is omgegaan ‘voorbeeldig’ genoemd, omdat het bedrijf haar in dienst hield en zorgde dat ze bij een therapeut in behandeling ging. ‘De Ieren zijn de enigen die ons hebben gesteund,’ zei ze.

    Het bericht over Sophies dood was een grote schok voor haar vrienden en vroegere collega’s aan Trinity College en bij Intel. Vroegere TCD-collega’s treuren om een talentvolle en aardige persoon die vrijwilligerswerk deed voor het Ierse Rode Kruis.

    Aan het begin van onze wandeling vorige maand wilde Sophie per se dat we naar een lommerrijke plek gingen waar het Duitse literaire genie Heinrich von Kleist in november 1811 eerst zijn vriendin en daarna zichzelf doodschoot, en waar zij beiden nu begraven liggen. De schrijver was pas vierendertig toen hij stierf. Sophie was drie jaar jonger.

    De originele inscriptie, die door de nazi’s werd verwijderd omdat hij van een Joodse schrijver was, is gerestaureerd. Naast elkaar stonden we de tekst te lezen:

    ‘Hij leefde en zong en leed / in een vreugdeloze, zware tijd / hier zocht hij de dood / en vond onsterfelijkheid.’

    Het grootste deel van wat Sophie heeft geschreven is met haar verdwenen blog verloren gegaan. Als ik onze e-mailcorrespondentie doorlees, zie ik een vrouw die van woorden hield – ook al lieten die haar greep op de realiteit soms in de steek.

    ‘Ik ben een beetje jaloers op alle mensen die wisten wat ze wilden doen, die wisten dat woorden hen toebehoren,’ schreef ze. ‘Ik ben altijd alleen maar een hebzuchtige dief, hongerig naar woorden. En zoals jij en de rest van de wereld kunnen zien, is het niet goed afgelopen.’

    Auteur: Derek Scally
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Sophie Hingst

    The Irish Times
    Ierland | dagblad | oplage 61.000

    Gerenommeerde krant die in 1859 is opgericht door protestanten, maar onafhankelijk is in politiek en religieus opzicht. Staat bekend om de journalistieke kwaliteit, wint regelmatig prijzen. Vooral de zaterdagkrant is populair onder een breed publiek.