Landen die een kwart van de wereldbevolking herbergen, worden geconfronteerd met een steeds urgenter gevaar: het water raakt op. Naast slecht watermanagement, speelt klimaatverandering een rol.
Keuze uit het archief
Spanje, Portugal en andere Zuid-Europese landen zuchten deze week onder historisch hoge temperaturen. Naast de uitzonderlijke hitte, worden al deze landen geraakt door aanhoudende droogte. Ook op andere continenten, van Afrika tot Zuid-Amerika, is dit een probleem. In 2021 keek The New York Times naar de onderliggende redenen.
Van India tot Iran tot Botswana – volgens de laatste gegevens van het World Resources Institute hebben zeventien landen over de hele wereld op dit moment te maken met extreem hoge waterstress, wat wil zeggen dat ze bijna al het water verbruiken waarover ze beschikken.
Veel van die landen zijn altijd al droge gebieden geweest; sommige verkwisten het water dat ze hebben, andere zijn te afhankelijk van het grondwater dat ze eigenlijk zouden moeten aanvullen en bewaren om droge tijden door te komen.
In die landen liggen diverse grote, dorstige steden die onlangs te kampen hebben gehad met acute tekorten, zoals São Paulo in Brazilië, Chennai in India en Kaapstad in Zuid-Afrika, dat in 2018 op een haar na ontsnapte aan ‘dag nul’ – de dag waarop alle stuwmeren droog zouden komen te staan.
‘Waarschijnlijk zullen we in de toekomst geconfronteerd worden met meer van die nuldagen,’ zei Betsy Otto, hoofd van het mondiale waterprogramma van het World Resources Institute. ‘Veel plaatsen ter wereld laten een alarmerend beeld zien.’
De klimaatverandering draagt bij aan het risico. Naarmate de regenval grilliger wordt, kunnen we minder op de watervoorraad vertrouwen. Tegelijkertijd wordt het overdag warmer en verdampt er meer water uit reservoirs, terwijl de vraag ernaar stijgt.
Waterstress: een kwart van de mensheid heeft er last van
Plekken waar problemen met water zijn, worden soms getroffen door twee uitersten. Een jaar nadat er in São Paulo bijna geen water meer uit de kraan kwam, werd de stad getroffen door overstromingen. Chennai leed vier jaar geleden onder een watersnood waarbij doden vielen; nu zijn de reservoirs bijna leeg.
Op dit moment staan 33 steden met meer dan 3 miljoen inwoners en een gezamenlijke bevolking van meer dan 255 miljoen extreem veel waterproblemen te wachten
Mexico-Stad pompt zo snel grondwater op dat de stad letterlijk aan het zinken is. Dhaka, in Bangladesh, is dermate afhankelijk van het grondwater, voor zowel haar inwoners als de water opslokkende kledingfabrieken, dat er nu water uit grondlagen van tientallen meters diep wordt opgepompt. De dorstige bevolking van Chennai, die jarenlang gebruik maakte van het grondwater, merkt nu dat het op is. Door heel India en Pakistan tappen boeren grondlagen af om gewassen als katoen en rijst, die veel water nodig hebben, te verbouwen.
Onderzoekers van het World Resources Institute kwamen tot de conclusie dat op dit moment 33 steden met meer dan 3 miljoen inwoners en een gezamenlijke bevolking van meer dan 255 miljoen extreem veel waterproblemen te wachten staan. Dat kan kwalijke gevolgen hebben voor de openbare gezondheid en maatschappelijke onrust veroorzaken.
Men verwacht dat het aantal steden in deze categorie tegen 2030 gestegen zal zijn tot 45, waardoor bijna 470 miljoen mensen getroffen zullen worden.
Waterrantsoen
Er staat veel op het spel voor plekken die te kampen hebben met water-tekorten. Als een stad of een land bijna al het beschikbare water gebruikt, kan een lange, droge periode catastrofaal zijn. Na een droogte van drie jaar werd Kaapstad in 2018 gedwongen om buitengewone maatregelen te nemen en het beetje water dat nog in de reservoirs zat te rantsoeneren.
Die acute crisis maakte het chronische probleem alleen maar zichtbaarder. De vier miljoen inwoners van Kaapstad wedijveren met de boeren om de beperkte waterbronnen. Dat is ook het geval in Los Angeles. De meest recente droogte is daar nu geëindigd. Maar de watervoorziening houdt geen gelijke tred met de al maar toenemende vraag, en het feit dat de bewoners een voorliefde hebben voor privézwembaden helpt ook niet mee.
In Bangalore hebben de paar jaar waarin weinig regen viel uitgewezen hoe slecht de stad zijn water beheert. De vele meren die er vroeger lagen en de gebieden eromheen zijn nu volgestort met afval dan wel volgebouwd. Ze kunnen niet langer fungeren als bassins voor regenwater. En dus moet de stad telkens verder weg water oppompen voor de 8,4 miljoen inwoners, en een groot deel daarvan wordt onderweg verspild.
Toch kan er veel gedaan worden om het watermanagement te verbeteren. Allereerst kunnen de lekken in het waterdistributiesysteem gedicht worden. Afvalwater kan gerecycled worden. Regen kan worden opgevangen en bewaard voor droge tijden. Meren en moerassen kunnen worden schoongemaakt en oude putten weer in gebruik genomen. En boeren kunnen overstappen van gewassen die veel water nodig hebben, zoals rijst, op minder dorstige, zoals gierst.
‘Water is een lokaal probleem waarvoor lokale oplossingen gevonden moeten worden,’ zei Priyanka Jamwal, die verbonden is aan de Ashoka Trust for Research in Ecology and the Environment in Bangalore.
Waar een groot deel van de wereld stil ligt, is het succes van het videoplatform YouTube sinds het begin van de pandemie vertienvoudigd, meldt CNN. Voor het nieuwe jaar koos het platform de slogan: ‘Geef iedereen een stem en toon die aan de rest van wereld.’ Dit is hoe Alex Okosi, directeur van YouTube voor opkomende landen, het gevoel van het initiatief #YouTubeBlackVoicessamenvatte in Okay Africa.
Het platform heeft besloten om YouTubers van het Afrikaanse continent te steunen door een fonds van honderd miljoen dollar op te richten waarmee ze twintig kanalen met creatieve en originele content kunnen belonen. Het platform ziet Afrika als een veelbelovende markt en is van plan om de komende jaren meer dan 500 YouTubers financieel te ondersteunen.
#YouTubeBlackVoices zou vooral zijn bedoeld om de inhoud die door Afrikaanse YouTubers is gemaakt, te democratiseren. Het aanbod is daarom breed en bevat ook politieke onderwerpen. Zo reflecteert Akah Bants, een acteur in opleiding, op de Nigeriaanse samenleving, en biedt hij aan zijn 42.000 abonnees bijvoorbeeld de ruimte voor een debat over vaccinatie tegen Covid-19 in Nigeria.
Het nucleaire programma van Pyongyang
Volgens een jaarverslag van VN-experts, dat maandag aan de Veiligheidsraad is voorgelegd, heeft Noord-Korea vorig jaar ‘splijtstof geproduceerd, kerncentrales onderhouden en zijn ballistische raketinfrastructuur verbeterd’, terwijl het op zoek was naar materialen en technologieën om uit het buitenland aan te schaffen. Volgens dit document zouden Pyongyang en Teheran in 2020 ook de samenwerking hebben hervat bij de ontwikkeling van langeafstandsraketten.
‘Noord-Korea en Iran, vaak aan de rand van de internationale diplomatie, onderhouden al lang geheime en wederzijds voordelige betrekkingen’, schrijft Bloomberg. Het rapport werd enkele weken nadat Joe Biden aantrad als president van de VS doorgestuurd naar de VN-commissie die toezicht hield op de sancties die aan Noord-Korea werden opgelegd.
Een woordvoerster van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zei maandag dat de regering-Biden voornemens is een nieuwe aanpak met Pyongyang te bepalen, en ook met bondgenoten opnieuw zal kijken naar manieren om druk uit te oefenen.
Colombia biedt bescherming aan Venezolaanse migranten
Bogota zal een ‘tijdelijke beschermingsstatus’ creëren voor migranten zonder papieren die het land binnenkomen om de crisis in het naburige Venezuela te ontvluchten, kondigde de Colombiaanse president Iván Duque maandag aan. Colombia is de belangrijkste bestemming voor Venezolaanse vluchtelingen: ongeveer 1,7 miljoen Venezolanen trokken erheen, van wie meer dan de helft (56 procent) zonder papieren.
Venezolanen krijgen gedurende tien jaar een tijdelijke beschermingsstatus, waarin ze een verblijfsvisum kunnen aanvragen, licht het Colombiaanse dagblad El Tiempotoe. De aankondiging komt nadat president Duque in december zware kritiek kreeg te verduren vanwege zijn voornemen om migranten zonder papieren uit te sluiten van de massale vaccinatiecampagne tegen het coronavirus, die in Colombia op 20 februari van start gaat. De president heeft zich sindsdien teruggetrokken en besloten internationale hulp te vragen voor het vaccineren van deze illegale migranten.
Chinese popster zingt over huiselijk geweld
Het nieuwste nummer van de Chinese popster Tan Weiwei gaat niet over liefde of relaties, maar richt zich op vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld, schrijft The New York Times in een portret. ‘Ken mijn naam en onthoud hem. Wanneer kunnen we een einde maken aan de tragedie?’ zingt ze zingt in haar nummer Xiao Juan, de Chinese equivalent van Jane Doe, gegeven aan onbekende of niet-geïdentificeerde vrouwelijke slachtoffers van misdrijven.
Still van Bilibili.
Sinds het in december uitkwam, heeft het nummer weerklank gevonden bij miljoenen vrouwen in China. Op een videowebsite die populair is bij jonge Chinese internetgebruikers, Bilibili, is de video van het lied meer dan 1,1 miljoen keer bekeken.
Hoewel China in 2015 een wet tegen huiselijk geweld heeft aangenomen, wordt deze niet goed gehandhaafd. Dat geldt vooral voor kleinere steden en landelijke gebieden. Volgens Beijing Equality, een vrouwenrechtengroep, berichtten Chinese media sinds de wet in 2016 werd aangenomen over de dood van meer dan 900 vrouwen die door hun partners zijn vermoord, maar ligt werkelijke aantal waarschijnlijk veel hoger.
Tan Weiwei, ook wel bekend als Sitar Tan, is een van de weinige muzikanten die het taboe-onderwerp in China aansnijdt – en geen enkele andere Chinese muzikant doet dat zo direct en met zo veel weerklank. De autoriteiten in China hebben hard opgetreden tegen het feminisme en de #MeToo-beweging, en cultureel gezien wordt het niet gepast geacht om openlijk over deze kwesties te spreken, die door Chinezen worden beschouwd als ‘gezinsaangelegenheid’. Het is in de Chinese popcultuur niet gebruikelijk dat musici kritiek uiten op sociale kwesties.
Volgens een recente studie van ILO, de Internationale Arbeidsorganisatie van de VN, ging vorig jaar door de coronapandemie 8,8 procent van de mondiale arbeidsuren verloren, vergeleken met het vierde kwartaal van 2019. Dat komt neer op 255 miljoen voltijdbanen, ‘ongeveer vier keer het aantal dat verloren ging tijdens de wereldwijde financiële crisis van 2009’, schrijft The Japan Times.
Insectenzwermen in aantocht
Miljarden cicades, die lange tijd onder de grond hebben geleefd, zullen dit jaar in grote delen van het oosten van de VS opduiken in enorme zwermen, begeleid door luide paringsroepen. Deze zogenoemde periodieke cicades verblijven zo’n zeventien jaar onder de grond als nimfen en zuigen vloeistoffen uit de wortels van planten om te groeien. Als ze volwassen zijn komen ze massaal tevoorschijn.
De laatste keer dat dit gebeurde, in onder meer New York, Ohio, Illinois en Georgia, was in 2004. De zwermen cicades zullen verschijnen zodra de temperaturen hoog genoeg zijn en naar verwachting is dat midden mei. ‘Ze kunnen zich met miljoenen verzamelen in parken, bossen en woonwijken en lijken echt overal te zijn’, aldus Gary Parsons, een entomoloog aan de Michigan State University, geciteerd door The Guardian.
Volgens Parsons zijn de cicades niet schadelijk voor mensen, maar als huisdieren ze eten kunnen ze ziek worden. Waarschijnlijk is de lange ondergrondse ontwikkeling een overlevingsstrategie en biedt de massale gesynchroniseerde verschijning bescherming tegen natuurlijke vijanden.
Volgens een artikel uit Nature dat we eerder deels publiceerden, is de zwerm aan krekels goed voor het milieu.
De China Strategy Group (CSG), een groep van invloedrijke Amerikaanse tech-professionals en beleidsonderzoekers onder leiding van voormalig Google-CEO Eric Schmidt, heeft een rapport gepubliceerd waarin Washington wordt opgeroepen de ‘asymmetrische concurrentie’ met China aan te pakken op het gebied van technologie.
‘Het technologische leiderschap van Amerika is fundamenteel voor zijn veiligheid, welvaart en democratische manier van leven. Maar dit cruciale voordeel loopt gevaar, nu China de Verenigde Staten op kritieke gebieden aan het inhalen is’, aldus het CSG-rapport, waarover South China Morning Post berichtte. ‘Dringende beleidsoplossingen zijn nodig om de Amerikaanse concurrentiepositie te verbeteren en de cruciale technologische voordelen van de VS te behouden.’
Volgens het rapport hanteert China afwijkende spelregels, waardoor de Chinese industrie kan profiteren van ‘bedrijfsspionage, onvrijwillige surveillance en de vage scheidslijn tussen de publieke en private sector’.
CSG werd vorig jaar juli opgericht om ‘problemen rond het concurrentievermogen van de VS met China op het gebied van technologie’ aan te pakken.
Iran blokkeert Signal
De Iraanse regering heeft de berichtenapp Signal geblokkeerd nadat Iraniërs er massaal accounts hebben aangemaakt. Gebruikers stapten in groten getale over van WhatsApp naar Signal uit bezorgdheid over hun privacy, nadat WhatsApp een nieuw privacy-beleid aankondigde. Dat nieuwe beleid roept vragen op over de manier waarop WhatsApp met gebruikersdata zal omgaan.
Signal wordt daarentegen door velen beschouwd als veilig, door de manier waarop de app communicatie codeert. Sinds maandag kunnen Iraniërs echter niet meer communiceren via Signal.
‘Iraniërs hebben recht op privacy. We geven niet op’
Op Twitter liet Signal weten dat het probeert om ‘de censuur van Iran’ heen te werken. ‘Aanmeldingen voor Signal konden niet worden tegengehouden en daarom heeft de Iraanse censuur nu al het verkeer met Signal stopgezet’, aldus het bedrijf. ‘Maar Iraniërs hebben recht op privacy. We geven niet op.’
Met de blokkering van Signal zijn WhatsApp en Instagram, beiden eigendom van Facebook, nu de enige grote toegankelijke sociale media platforms in Iran, meldt Al Jazeera.
Pompidou vier jaar dicht
De verbouwing en renovatie van het Centre Pompidou in Parijs zal zo’n €200 miljoen gaan kosten. Het postmoderne, kleurige bouwwerk van Renzo Piano en Richard Rogers uit 1977, dat scherp contrasteert met de omringende klassieke Parijse architectuur, gaat in 2023 voor vier jaar dicht voor de grootste opknapbeurt sinds 1997.
Ventilatie- en verwarmingsinstallaties moeten worden gemoderniseerd en stukken asbest verwijderd, schrijft Le Figaro uit Parijs. Volgens de Franse minister van Cultuur, Roselyne Bachelot, zou de renovatie niet alleen langer duren maar ook duurder uitvallen als het museum tijdens de renovatie open zou blijven.
Na de opening eind jaren zeventig baarde het Centre Pompidou opzien omdat de felgekleurde waterleidingen en het ventilatiesysteem aan de buitenkant van het gebouw zijn bevestigd, evenals de buisroltrap. Net als alle andere musea en culturele attracties in Parijs was het Centre Pompidou vanwege corona gesloten van maart tot juni vorig jaar. In oktober werd het museum opnieuw gesloten.
Dreun voor Spaans toerisme
Cijfers over 2020 die nu beschikbaar zijn, bevestigen wat al werd verwacht: de coronacrisis heeft desastreus huisgehouden in de toerismesector van Spanje. De inkomsten daalden in 2020 met meer dan 75 procent. Minder dan 20 miljoen buitenlandse bezoekers bezochten Spanje vorig jaar en zij gaven minder dan €20 miljard uit. In 2019 telde Spanje 83,5 miljoen bezoekers, die bijna €92 miljard spendeerden, bericht El País.
De ineenstorting van de sector is ongekend; volgens officiële gegevens is het ruim een halve eeuw geleden dat er zo weinig toeristen naar Spanje kwamen. Uitzicht op herstel is er voorlopig nog niet, want mobiliteit tussen landen blijft voorlopig minimaal.
Onrust in Tunesië
Honderden anti-regeringsdemonstranten stonden deze week tegenover de oproerpolitie buiten het Tunesische parlement, terwijl de regering binnen aankondigde het kabinet te wijzigen om de groeiende onrust te beteugelen.
Tunesië kampt met een grote politieke en economische crisis die wordt verergerd door de coronapandemie, meldt Al Araby. Woedende demonstranten beschuldigen de politieke klasse ervan geobsedeerd te zijn door een strijd om de macht, terwijl er geen aandacht is voor het lijden van de bevolking.
Premier Hichem Mechichi liet weten met de aanstelling van elf nieuwe ministers voor Binnenlandse Zaken, Justitie, Volksgezondheid en andere belangrijke portefeuilles, een ‘effectiever’ team te willen creëren dat hervormingen kan doorvoeren.
‘Een van de donkerste dagen in de geschiedenis van de VS’
‘6 januari 2021 zal worden herinnerd als een van de donkerste dagen in de geschiedenis van de VS’, aldus Washington Post-verslaggever Dan Balz. Honderden aanhangers van Donald Trump bezetten gisteren (6 januari) het Congres, de tempel van de Amerikaanse democratie, en onderbraken de bijeenkomst die de overwinning van Joe Biden moest bevestigen.
De 35-jarige voormalige luchtmachtmilitair Ashli Babbitt werd neergeschoten toen ze samen met andere Trump-aanhangers het gebouw probeerden binnen te dringen. Ze stierf kort daarna aan haar verwondingen.
Soldaten van de Nationale Garde moesten de rust herstellen. Twitter en Facebook hebben ongekende maatregelen genomen tegen Donald Trump door zijn accounts tijdelijk te blokkeren, daarbij verwijzend naar ernstige schendingen van hun regels.
Kort na de invasie door de demonstranten, riep de president zijn aanhangers in een filmpje op om terug naar huis te keren, waarbij hij verklaarde dat hij ‘van hen hield’ en herhaalde dat de verkiezing van 3 november van hem was gestolen. Woensdagavond besloten de vertegenwoordigers van het Amerikaanse Congres om de bijeenkomst te hervatten.
‘Ongeschikt’
Volgens CNN hebben leden van de regering de mogelijkheid geopperd om de Republikeinse president zelfs vóór 20 januari, de datum van zijn officiële vertrek, te ontslaan door hem ‘ongeschikt’ te verklaren om zijn functie uit te oefenen. Zij doen hiervoor een beroep op het 25ste Amendement van de Amerikaanse Grondwet.
In redactionele bijdragen van verschillende Amerikaanse kranten wordt openlijk gepleit voor het vertrek van de miljardair. ‘De president heeft zijn aanhangers tot geweld aangezet (…), hij moet ter verantwoording worden geroepen door middel van afzettingsprocedures of strafrechtelijke vervolging’, aldus The New York Times. ‘Is het na vier jaar van leugens, blindheid en wetteloosheid een wonder dat Donald Trump probeerde zijn aanhangers aan te zetten tot een staatsgreep?’vraagt columnist Robin Abcarian zich af in een bericht op de website van Los Angeles Times.
Democraten krijgen controle over de Senaat
Na Raphael Warnocks overwinning op dinsdag won Jon Ossoff de tweede senaatszetel met een voorsprong van bijna 25.000 stemmen op de zittende Republikeinse senator David Perdue, een marge van 0,56%, op 98% van de getelde stemmen, aldus NBC en ABC. Er werd reikhalzend uitgekeken naar dit resultaat, dat werd overschaduwd door gebeurtenissen in Washington.
‘De overwinning van de twee Democraten zal belangrijke gevolgen hebben voor de verkozen president Joe Biden, omdat hij niet gedwongen zal zijn het land te leiden met een Republikeinse Senaat en tijdens de eerste jaren van zijn ambtstermijn niet zal hoeven onderhandelen met de leider van de meerderheid, Mitch McConnell,’ merkt Politico op. Dankzij de resultaten van de senaatsverkiezingen van 5 januari hebben de Democraten nu behalve in het Huis van Afgevaardigden ook de meerderheid in het Congres.
Voormalig bankier van Goldman Sachs wordt voorzitter van de BBC
Richard Sharp is gekozen om de Britse publieke radio- en televisiegroep BBC vanaf februari te leiden, zei de Britse regering woensdag. Volgens de Evening Standard heeft de ‘64-jarige multimiljonair nauwe banden met de Conservatieve Partij’. Hij was al lange tijd donateur en schonk de omroep volgens het dagblad ‘meer dan 416.000 pond’ [bijna 460.000 euro].
Richard Sharp gaat volgens de krant een turbulente tijd tegemoet, waarin het behouden van de licence fee na 2027 ter discussie staat, die momenteel £157,50 per jaar bedraagt (£53 voor zwart-wit-tv-toestellen) en dient om ‘onpartijdige, hoogwaardige en onderscheidende’ inhoud te garanderen die alle doelgroepen ‘informeert, onderwijst en vermaakt’, en waarin betaalplatforms als Netflix voor hevige concurrentie zorgen.
Amazon investeert $ 2 miljard in betaalbare woningen
De groep van Jeff Bezos kondigde woensdag de oprichting aan van een fonds om ongeveer 20.000 appartementen te bouwen of onderhouden rond verschillende vestigingen in de Verenigde Staten, waaronder Washington, Arlington, Virginia en Nashville in Tennessee, meldt de Seattle Times. Net als andere techreuzen wordt Amazon er vaak van beschuldigd bij te dragen aan de gentrificatie van de steden waar het bedrijf actief is, door werknemers met een hoog inkomen aan te trekken die de huurprijzen opdrijven.
Bronzen buste van Soleimani controversieel
Een groot standbeeld van de generaal die vorig jaar door de Verenigde Staten is vermoord, werd dinsdag opgericht door de gemeente Ghobeiry, vlak bij de luchthaven van Beiroet, in een bolwerk van de pro-Iraanse sjiitische beweging Hezbollah. De plaatsing van deze buste is bedoeld om de rol te herdenken die de generaal speelde in de oorlogen van Libanon tegen Israël. Volgens de Middle East Monitor veroorzaakte de actie een golf van kritiek op sociale media, waarbij veel Libanezen de groeiende invloed van Iran op hun land veroordeelden.
China verzet zich tegen Trumps bevel om Alipay en WeChat Pay te verbieden
Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zich ondubbelzinnig uitgelaten over een bevel van de vertrekkende Amerikaanse president Donald Trump dat acht Chinese betalingsplatforms verbiedt, waaronder Alipay van Ant Group Co.Ltd. En WeChat Pay van Tencent, schrijft Chinese nieuwssite Caixin.
‘Als een gangster die steelt en tegelijkertijd zelf om bescherming vraagt tegen diefstal’
Woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Hua Chunying, bestempelde het bevel tijdens een persconferentie op woensdag als ‘gepest tussen bedrijven’ en ‘hegemonie’ en noemde het ‘hypocriet’ om nationale veiligheidsredenen voor te wenden die het verbod zouden rechtvaardigen.
‘Met zijn technische capaciteiten monitort de VS zijn eigen mensen en mensen van over de hele wereld en steelt het op grote schaal gegevens, ook van zijn bondgenoten’, beweerde Hua, volgens staatstelevisiedienst CCTV. ‘En ondertussen beschuldigt het andere landen zonder grondige reden’, aldus Hua. ‘Als een gangster die steelt en tegelijkertijd zelf om bescherming vraagt tegen diefstal.’
Irans wet tegen seksueel geweld en intimidatie van vrouwen
Na een decennium van beraadslaging keurde de Iraanse regering zondag een wetsvoorstel goed dat geweld en seksueel wangedrag tegen vrouwen strafbaar stelt en straffen voor daders specificeert, schrijft The New York Times.
Het besluit om door te gaan met het wetsvoorstel – dat, indien goedgekeurd, de eerste wet in zijn soort zal zijn in het Iraanse wetboek van strafrecht – komt in de nasleep van een baanbrekende #MeToo-beweging en schokkende berichten over eerwraak die de bevolking in hun greep hebben gehouden.
Het wetsvoorstel, dat is aangenomen door het kabinet, moet nu worden goedgekeurd door het conservatieve parlement van het land.
Grote stap voorwaarts
Volgens Iraanse rechtenactivisten en advocaten betekent dit een grote stap voorwaarts en weerspiegelen de ontwikkelingen de veranderende dynamiek binnen de Iraanse samenleving.
Het graf van de 14-jarige Romina Ashrafi die door haar vader in haar slaap werd onthoofd.
Eerder dit jaar werd een wet aangenomen die al tien jaar vastliep en kinderen moet beschermen tegen geweld. De directe aanleiding was de onthoofding van de veertienjarige Romina Ashrafi door haar vader, omdat ze met haar vriendje was weggelopen. Het incident trok nationale aandacht omdat de vader een advocaat had geraadpleegd en het misdrijf pleegde in de wetenschap dat hij maximaal 10 jaar gevangenisstraf zou krijgen, aldus de Iraanse nieuwssite Radio Farda.
Leila Rahimi, een in Teheran gevestigde advocaat die pro bono #MeToo-zaken vertegenwoordigde, zegt dat het nieuwe wetsvoorstel op zijn minst vrouwen die naar voren komen met hun verhaal zal helpen juridische stappen te ondernemen. Rahimi geeft aan dat het aantal vrouwen dat contact met haar opneemt met #MeToo-zaken sinds augustus gestaag is toegenomen.
De moord op generaal Qassem Soleimani zal ingrijpende gevolgen hebben voor de Amerikaanse, Iraakse en Iraanse politiek, aldus hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi. Toch acht hij de kans klein dat het tot een escalatie van het conflict in het Midden-Oosten zal leiden.
Keuze uit het archief
Bij een dubbele bomaanslag werden woensdag meer dan 103 mensen gedood in de Iraanse stad Kerman. Het bloedbad vond plaats tijdens de herdenking van de dood van de Iraanse militair leider Qassem Soleimani, die op 3 januari 2020 werd vermoord door een Amerikaanse aanval in Bagdad. Een dag later eiste Islamitische Staat de aanslag op.
In dit artikel, dat enkele dagen na zijn dood gepubliceerd werd, bespreekt hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi welke rol Qassem Soleimani speelde in Iran en de impact van zijn moord op het conflict in het Midden-Oosten, dat recent weer tot een kookpunt is gekomen.
Generaal Soleimani (1957-2020) was al 22 jaar commandant van de geduchte Quds-brigade van de Revolutionaire Garde en daarmee de belangrijkste militaire leider van de Islamitische Republiek Iran.
De man die tot de Iraanse Revolutie van 1979 de kost had verdiend als metselaar en medewerker van het gemeentelijke waterbedrijf, bewees vervolgens zijn moed in de oorlog met Irak en groeide daarna uit tot de meest gevreesde Iraanse generaal van de afgelopen vijftig jaar. In 2005 noemde de opperste leider ayatollah Khamenei hem een ‘levende martelaar’, en hij wordt gezien als het brein achter belangrijke militaire overwinningen van Iran en zijn bondgenoten in Irak, Syrië en elders.
Soleimani had in Iran de status van een superheld, en was voor de Amerikaanse strijdkrachten in Irak een belangrijk doelwit. Zijn liquidatie wordt een complicerende factor in de Iraakse politiek. Als vergelding voor de aanslag op hem en op Abu Mahdi al-Muhandis, plaatsvervangend commandant van Hashd al-Shaabi [de overkoepelende organisatie van sjiitische volksmilities], gaan sjiitische milities ongetwijfeld meer aanvallen op de Amerikaanse strijdkrachten uitvoeren. Vanuit de bevolking en de politiek zal de druk op het parlement toenemen om bij wet te eisen dat de Amerikaanse strijdkrachten zich terugtrekken. Zelfs de ayatollahs Sistani en Moqtada al-Sadr, twee sjiitische geestelijken die tegen Iraanse inmenging zijn, staan nu onder druk om deze aanslag te veroordelen.
Interim-premier Adil Abdul-Mahdi zal waarschijnlijk het veld moeten ruimen voor een meer pro-Iraanse politicus. De demonstranten die tegen de corruptie betogen, zullen merken dat hun protesten overschaduwd worden door de repercussies van Soleimani’s liquidatie en de onontkoombare dynamiek van de Amerikaans-Iraanse rivaliteit in Irak.
Martelaar
Als militaire operatie is de actie van de VS zonder meer geslaagd, maar de politieke consequenties zien er minder rooskleurig uit. Er doemen grote vragen op: hoe zal de VS omgaan met woedende menigtes? Hoe zal het reageren op de in heel de islamitische wereld te verwachten golf van aanvallen op zijn strijdkrachten, instellingen en belangen? Is Trumps regering straks gedwongen nog meer troepen naar de regio te sturen, in een verkiezingsjaar? De Amerikanen hebben een ernstige inschattingsfout gemaakt door de complexiteit van de Iraakse politiek te reduceren tot het probleem van Iraanse inmenging. Ze hebben misschien een of twee grote vijanden uit de weg geruimd, maar daarmee Iran een grote politieke overwinning in Irak op een presenteerblaadje gegeven.
De aanslag op Soleimani heeft ook gevolgen voor Iran. De dood van een man met zo veel kennis van de militaire verhoudingen in de regio en zo’n goede band met veel militieleiders in Iran, Irak en Syrië is een groot verlies. De martelaar Soleimani zal door de Iraanse staat worden bewierookt op een wijze die niet meer gezien is sinds de dood van ayatollah Khomeini. Velen zullen daarbij even vergeten dat Soleimani een van de 24 commandanten van de Revolutionaire Garde was die in 1999 in een dreigende brief eisten dat de hervormingsgezinde president Khatami harder optrad tegen studentenprotesten. En zijn dood zal ook het nieuws over de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties vorige maand naar de achtergrond drukken. Bovendien zal het regime in Irak nu meer maximalistische doelen nastreven. En indachtig het gezegde dat wraak een gerecht is dat je het best koud serveert, zullen ze zelf een tijdstip bepalen om de dood van Soleimani te wreken.
Betekent dit alles dat we onherroepelijk op een oorlog afstevenen? Niet per se. Een escalerende oorlog in het Midden-Oosten is wel het laatste wat Trump in een verkiezingsjaar kan gebruiken. En de Iraanse machthebbers zijn ook slim genoeg om te beseffen dat ze geen oorlog kunnen voeren met een lege schatkist en een bevolking die zich steeds meer van hen afkeert. Bovendien willen ze, met al hun retoriek over de martelaar Soleimani, hun politieke voordeel in Irak niet verspelen. De oven van het Midden-Oosten is dus flink opgestookt, maar het staat nog niet vast dat hij ook op ontploffen staat.
Voor Liana Aghajanian vormden de in goudfolie verpakte chocoladebolletjes in de jaren tachtig en negentig hét symbool van het goede leven in de VS. Dit gevoel bleek universeel onder immigranten.
Voor mij en vele andere immigranten is leven in Amerika nauw verbonden met Ferrero Rocher. Ik kwam aan het einde van de jaren tachtig met mijn ouders vanuit het Midden-Oosten naar de Verenigde Staten. We waren Iraans-Armeense vluchtelingen die na de oorlog tussen Irak en Iran een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Zoals zoveel andere immigrantengezinnen omarmden we onwennig onze nieuwe, vreemde Amerikaanse identiteit terwijl we ons vastklampten aan de oude, die ons duizenden jaren lang van een bestaan had verzekerd.
Naast de Amerikaanse dollar en de Iraanse toman was Ferrero Rocher het derde wettige betaalmiddel dat voor mij heilig en reëel was. De in goudfolie verpakte zoete lekkernij was een glanzend bolletje waarin tussen laagjes chocoladevulling en stukjes hazelnoot de pijn, de vreugde en de dromen van immigranten schuilgingen. Het was een verholen handdruk, een teken van respect en goede smaak. Het was een symbool van het ‘goede leven’, iets wat als geen andere eetwaar stond voor sociaaleconomische aspiraties.
De meeste Amerikanen kennen Ferrero Rocher tegenwoordig van Nutella, maar lang voordat die hazelnootcrème als ingrediënt in bijna elk recept voor een hip dessert voorkwam, was de uitwisseling van een doosje Ferrero Rocher (met 48 stuks erin als je geluk had) een geheime, universele taal onder immigranten uit de jaren tachtig en negentig. Die was in zwang in de o zo gastvrije cultuur van je familie: je ging nooit zonder lege handen bij iemand langs, zelfs al waren het onbekenden. En nam je Ferrero Rocher mee, dan wisten je gastheren zeker dat ze met jou op goud gestuit waren. Ook stond de lekkernij steevast op tafel bij immigranten thuis, waar ze werd gepresenteerd ter ere van de gasten.
Bij schrijfster Tasbeeh Herwees en haar Libisch-Amerikaanse familie hadden ze dankzij haar moeder altijd Ferrero Rocher in huis, maar was het een soort verboden vrucht die was voorbehouden aan bezoekers. ‘Het was het soort chocola dat ze altijd ergens verstopte,’ zegt ze. ‘Ze werd hels als we aan haar voorraad Ferrero Rocher kwamen.’ Herwees groeide in het Californische Culver City op in een appartementencomplex waar alleen maar Libisch-Amerikaanse gezinnen woonden, allemaal met een schaaltje Ferrero Rocher op tafel voor de gasten. Ze associeerde het chocoladesnoepje met de Libische cultuur, want ze hadden het alleen bij haar thuis, op Libisch-Amerikaanse bruiloften en in Libië zelf. ‘Ik had een tante die altijd een Ferrero Rocher tevoorschijn toverde wanneer ik bij haar langsging. Ik kon ervan op aan dat ze ze in huis had,’ zegt ze. ‘Daardoor werd ze een van mijn favoriete tantes. Voor mij had het iets decadents. Zelfs wanneer ik er nu een eet, heeft het nog iets speciaals.’
De hevige emotionele reactie die dit ene chocolaatje bij immigrantengezinnen opriep was universeel. Hun leven was doortrokken van oorlog, geweld, politieke onrust en sociaaleconomische ongelijkheid. Terwijl hun wereld veranderde, was Ferrero Rocher een constante factor, een toegankelijke brug tussen heden en verleden. Inmiddels is het een nostalgische herinnering aan wat het voor immigrantenkinderen zoals ik betekende om in Amerika op te groeien.
Ook al zit er goudfolie om het snoepje, de maker was van eenvoudige komaf. (Niettemin bleek het vermogen van de erfgenamen van het Ferrero-Rocher-imperium uiteindelijk meer dan 20 miljard dollar waard.) Toen aartsvader Pietro Ferrero tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banketbakkerszaak dreef, waren ingrediënten als chocola schaars. Vandaar dat hij ter compensatie hazelnoten toevoegde. Het smeersel dat hij uitvond heette eerst SuperCrema voordat het begin jaren zestig werd omgedoopt tot Nutella, een combinatie van het woord voor ‘noot’ en het Italiaanse achtervoegsel waarmee iets zoets wordt aangeduid, ella.
Ferrero Rocher kwam in 1982 in Europa op de markt. Een variant met kokosnoot en amandel, Raffaello, volgde acht jaar later. Pietro’s zoon Michele, die de eer toekomt dat hij het buitenste chocoladelaagje toevoegde, was een vrome katholiek die elk jaar een pelgrimage naar het Franse heiligdom Lourdes ondernam. Toen hij op Valentijnsdag 2015 op negentachtigjarige leeftijd overleed, werd bekend dat zijn inspiratie voor Ferrero Rocher de Roc de Massabielle was geweest, een bolvormige grot in Lourdes waar de maagd Maria zou zijn verschenen aan de heilige Bernadette, een veertienjarige boerenmeisje dat hout aan het sprokkelen was.
Het is dus niet zo vreemd dat het eten van een Ferrero Rocher een welhaast religieuze ervaring is. Onder de chocola en de stukjes hazelnoot zit een dun, krokant korstje, met daar weer onder een klodder romige, Nutella-achtige chocola. In het midden bevindt zich één hele hazelnoot, als het beeld van de Notre Dame van Lourdes in de grot waar Maria aan Bernadette verscheen.
Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep
Maar hoe kon een religieus geïnspireerd Italiaans snoepje zo geliefd worden onder Amerikaanse immigranten? Zoals zo vaak heeft het antwoord alles te maken met marketing. Terwijl andere fabrikanten van chocoladesnoepjes, bijvoorbeeld Godiva, zich in luxueuze winkelcentra positioneerden, was Ferrero Rocher overal te vinden in etnische supermarkten die het snoepje importeerden, en uiteindelijk ook in goedkope Amerikaanse drogistenketens als CVS en Rite Aid. Het had meer glans en was duurder dan Whitman’s en Russell Stover en het had dat exotische vleugje Europese verfijning, waardoor het op slag een betaalbaar luxeartikel werd. ‘Het lekkerste chocolaatje ooit!’ aldus Amerikaanse advertenties voor Ferrero Rocher, en we konden er geen genoeg van krijgen. Het werkte. Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep.
In een poging de internationale chocolademarkt te domineren bouwde Ferrero Rocher fabrieken en productiecentra in Oost-Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. De lekkernij drong door tot het onderbewustzijn van Roemenen, Indiërs, Armeniërs, Libanezen, Chinezen, Nigerianen en vele anderen die zich door de aura van het geïmporteerde luxeartikel aangesproken voelden. In Hongkong, waar het chocolaatje bekendstaat als ‘goudzand’, vertegenwoordigde het van meet af aan een bepaalde sociale status. Zakenlieden uit Hongkong brachten het als geschenk mee naar het vasteland van China, vooral met Chinees Nieuwjaar. ‘De Hongkongse cadeautraditie en -gebruiken werden gretig overgenomen, vooral door de 80 miljoen Chinezen in Guangdong, en zo ontstond de band tussen Ferrero Rocher en de Chinese geschenktraditie,’ schreef Lawrence L. Allen in Chocolate Fortunes: The Battle for the Hearts, Minds, and Wallets of China’s Consumers. Chinese handelsbeperkingen hielden Ferrero Rocher eerst nog buiten de deur. Toen het snoepgoed in 2007 ten slotte toch voet aan de grond kreeg, waren er al nepversies in omloop. Een populaire was volgens Allen Fretate Relish, een andere Tressore Dore, dat in 2008 gedwongen werd de productie te staken en het Italiaanse bedrijf een schadevergoeding van 43.000 dollar moest betalen.
Alice Chung, van wie de ouders vlak voor haar geboorte in 1984 vanuit Hongkong naar de VS emigreerden, herinnert zich het in ‘goud verpakte chocolaatje’ als een essentieel onderdeel van haar kindertijd. Ze weet nog dat haar ouders grote partijen bij Costco en Price Club insloegen. Niet alleen hadden ze altijd Ferrero Rochers in huis – en verstopten ze die zelfs omdat ze zo gewild waren –, ze namen ze ook in hun koffer mee naar China, tot groot genoegen van hun familie. ‘De verpakking is simpel, maar feit is dat we op goud belust zijn,’ zegt ze. ‘Het staat voor de voorspoed en de rijkdom die we anderen toewensen.’
De liefde voor Ferrero Rocher is zo groot dat het snoepje zelfs als smeergeld wordt gebruikt. Een Ferrero-Rocher-liefhebber die halverwege de jaren negentig in Oekraïne woonde en anoniem wenst te blijven, vertelde dat hij als tolk uitstapjes en vervoer begon te regelen voor wie steden als Kiev en Charkov wilde bezoeken. Toen hij een keer op zeer korte termijn een verzoek voor zo’n reisje kreeg, waar speciale reserveringen voor nodig waren die niet alleen duurder bleken, maar ook uitsluitend weggelegd voor de hogere kringen, verzon hij een list. ‘Ik wilde best meer betalen, maar nam ook een bos bloemen of een doosje Rafaello’s of Ferrero’s mee naar het reisbureau, want die waren in Oekraïne helemaal je van het. De medewerkers waren diep onder de indruk,’ zegt hij. ‘De meesten zijn vrouwen die vaak overwerken zonder daarvoor betaald te krijgen, want de economie van Oekraïne is een zootje. Chocolaatjes en wat extra geld was beter dan extra geld zonder chocolaatjes. Het heeft diverse malen gewerkt.’
Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.
Of we nu wel of geen Ferrero Rochers kregen of weggaven, ik vond altijd wel een manier om er een te jatten van een tafel vol zelfgebakken taart, dadels, noten en overvloedige hoeveelheden van de stroperige koffie die overal in het Midden-Oosten wordt gedronken. Dan at ik hem heel langzaam op, een eindeloos proces, wat iemand mogelijk op het idee bracht dat ik ondervoed was. Ik at me door elk laagje van het gouden ei heen totdat ik bij de hazelnoot in het midden was aanbeland. Ik wilde dat het eeuwig duurde, maar dat is nooit gebeurd. Als ik geen geduld had, slokte ik hem in één hap op, wat evenveel voldoening gaf. Daarna pulkte ik de stickertjes met ‘Ferrero Rocher’ in gouden letters van het doosje en plakte ze op mijn kleren, als een naambadge.
De aantrekkingskracht was alleen niet zo universeel als ik dacht, en waarschijnlijk geeft niets de minachting voor Ferrero Rocher beter weer dan de uitzinnige reactie op de beruchte reclame die bekendstaat als ‘het ambassadeursfeestje’ en die in 1993 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk werd vertoond. Hij vervulde het klassenbewuste Britse publiek, dat zich lang voor de Brexit al niet erg Europees voelde, met afschuw. De commercial, met beroerde nasynchronisatie en de gezwollen achtergrondmuziek van een Italiaanse soap, speelt zich af op de receptie in een anonieme Europese ambassadeursresidentie. Een plichtgetrouwe butler loopt door de zaal met een berg Ferrero Rochers op een dienblad en palmt de zwijmelende internationale gasten in, onder wie een Française: ‘Monsieur, wiz zis Rocher you are really spoiling us!’
Met één iconisch zinnetje werden het chocolaatje én de merkpositionering op verrukkelijke wijze belachelijk gemaakt en voor eeuwig opgestoten in de Britse popcultuur. Achttien jaar geleden sprak William Cook in een artikel over de commercial in de New Statesman van de ‘eeuwige spagaat tussen de mythe van het ambassadeleven en de realiteit van de winkel op de hoek’. De boodschap van hang naar luxe en goede smaak was in de ogen van sommigen juist smakeloos. ‘Britse kijkers maken zich vaak vrolijk óver buitenlanders, niet mét buitenlanders,’ schreef Cook.
Kapitalistisch spel
Tientallen jaren later is de reclame-die-zo-slecht-was-dat-hij-weer-goed-werd en die compleet over the top is grappiger dan ooit. Maar juist die spanning tussen mythe en werkelijkheid sprak immigranten zo aan: wat fantastisch dat je je een luxeartikel kon permitteren met daaraan de herinnering dat je het al je hele leven met je familie deelde. Misschien was het gewoon niet te bevatten voor mensen die nooit door een verhuizing waren gedwongen hun in de loop van generaties gevormde welvaart en cultuur vaarwel te zeggen.
Ferrero Rocher speelde in op die relatie, bijvoorbeeld door het product in verband te brengen met het hindoeïstische lichtjesfeest Divali. ‘Waarom hebben we het zo speciaal gemaakt?’ zegt de voice-over van een in India uitgezonden commercial. ‘Omdat we weten hoe speciaal het is om met Divali bij je dierbaren te zijn.’ Het was een geniale zet in het wereldwijde kapitalistische spel, precies wat mijn familie nodig had toen we destijds de enorme veranderingen in ons leven doormaakten die ons thuisgevoel langzaam uitholden.
Tegenwoordig is de Ferrero Group niet alleen doorgedrongen tot de Amerikaanse markt, hij neemt die ook over. Eerder dit jaar kocht het bedrijf voedingsconcern Nestlé voor een slordige 2,8 miljard dollar nadat het eerder al Fannie May Confections voor 115 miljoen dollar had overgenomen, evenals gomproducent Ferrara Candy Company. Het afgelopen jaar noteerde de Ferrero Group volgens het vakblad voor de snoepindustrie Confectionary News een wereldwijde omzet van 12,96 miljard dollar. In de VS is Ferrero Rocher volgens marketingdirecteur Shalini Stansberry van Ferrero Premium Chocolates USA het op drie na grootste chocolademerk.
In een tijd vol jarennegentignostalgie en met een hevig Amerikaans immigratiedebat speelt Ferrero Rocher nog net zo’n grote rol in mijn leven als toen ik opgroeide. Ik koop de chocolaatjes nog altijd en neem ze nog steeds mee wanneer ik bij iemand op bezoek ga, zoals mijn ouders dat deden. Ik mag graag denken dat de Amerikaanse immigrantenbevolking Ferrero Rocher aan zijn succes in dat land heeft geholpen, zoals het ons ook ooit van dienst is geweest.
Liana Aghajanian is een Armeens-Amerikaanse journalist. Ze is gespecialiseerd in narratieve journalistiek en internationale verslaggeving. Aghajanian werd geboren in Iran, en groeide op in Los Angeles.
De vriendschap tussen Emmanuel Macron en Donald Trump lijkt bizar, maar de twee hebben meer gemeen dan je zou denken, betoogt columnist Roger Cohen.
Het is verleidelijk te zeggen dat je je geen onwaarschijnlijker vriendschap kunt voorstellen dan die tussen Emmanuel Macron en Donald Trump, maar dan ga je wel aan de feiten voorbij.
Natuurlijk, ze zijn het over maar heel weinig eens. Niet over Iran. Niet over de handel. Niet over de Europese Unie. Niet over of je kritiek moet hebben op Vladimir Poetin. Niet over het belang van waardigheid, of waarheid, of de Verlichting.
Toch hoor ik dat ze elkaar voortdurend spreken. Trump volgt Macrons arbeidsmarkthervormingen en belt om hem de feliciteren. Het eerste staatsbezoek onder zijn regering zal dat van Macron zijn, volgende maand in Washington [het bezoek vond intussen plaats], een bijzondere eer voor een ‘great guy’. De Franse president is Trumps beste vriend in Europa, en misschien ook daarbuiten. Met de Britse premier Theresa May ging het mis. En met de Duitse bondskanselier Angela Merkel werd het ook niets. Trump-Macron is het enige trans-Atlantische scharnier dat niet knarst.
Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding
Echt verrassend is dat niet. Beide mannen zijn uit het niets gekomen, buitenbeentjes die tot het hoogste ambt van hun land zijn verheven door een golf van afschuw over de gangbare politiek. Ze zijn, elk op hun eigen manier, een historische toevalligheid, op het schild gehesen tijdens de overgang naar een nieuw tijdperk. Een verlangen naar ontwrichting bracht deze twee ontwrichters voort.
Beiden rekenden af met het politieke establishment door het politieke midden weg te vagen of in te lijven. Beiden begrepen dat stemmers zowel verveeld als boos waren, wantrouwig tegenover de liberale consensus, woedend vanwege de alles verslindende globalisering, verlangend naar grandeur, snakkend naar onomwonden taal in plaats van de plichtmatige waarschuwingen van deskundigen.
Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding. Hij is streng over immigratie omdat hij weet dat zijn overleving daarvan afhangt. Het toneel van Trump is dat van de zigzaggende bullebak, van onophoudelijk en vaak nietszeggend lawaai. Voor beide mannen zijn beweeglijkheid en actie van levensbelang.
De gaullistische pompositeit, vermeden door Macrons voorganger, is terug van weggeweest. Als die nodig is om het racistische Front National te verslaan, schuw haar dan niet. Macron vierde zijn overwinning vorig jaar met een toespraak tot het Franse volk vanuit het Louvre, verwelkomde Poetin in Versailles en keerde dit jaar terug naar het paleis van de Zonnekoning voor een ‘Choose France’-top met ceo’s van over de hele wereld om een slordige drie miljard aan buitenlandse investeringen uit te bazuinen.
‘Het is niet “Make France Great Again”, maar het lijkt er veel op,’ zei een Franse vriend.
Macrons viering van 14 juli, de nationale feestdag – compleet met gardisten te paard, troepen, tanks en gevechtsvliegtuigen – maakte zo’n indruk op zijn speciale gast, Donald Trump, dat deze nu zijn eigen versie wil met veel luchtmachtvertoon (maar sans tanks) op Veterans Day, de Amerikaanse viering van het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Belachelijk? Als je bedenkt dat Trump zich gewoonlijk met haviken omringt, lijkt deze vriendschap me zo belangrijk dat ik bereid ben veel te slikken.
Of liever gezegd, mogelijkerwijs belangrijk. We moeten nog maar zien wat Macron uit deze vriendschap kan peuren. We weten niet of dat iets aardigs zal zijn of iets nuttigs. De band heeft Trump er niet van weerhouden het klimaatakkoord vaarwel te zeggen of Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israël. De jury is er nog niet uit.
Trump heeft de Europese Unie uitgezonderd van importheffingen op staal en aluminium, iets waarop de Fransen sterk hadden aangedrongen. ‘Als we over één kam worden geschoren met China zou dat een groot probleem zijn,’ vertrouwde een hoge Franse ambtenaar me toe voordat Trump zijn beslissing nam.
Iran
Volgende kwestie: Iran. Als Macron het ergste niet kan voorkomen, namelijk dat Trump op 12 mei besluit het nucleaire akkoord te torpederen door de sancties niet langer op te schorten, dan zijn alle kansen verkeken. Het akkoord, dat op het nippertje voorkwam dat Iran zijn nucleaire programma voor militaire doeleinden zou gebruiken, werkt. De Fransen zijn vastbesloten het van kracht te laten blijven.
Gebeurt dat niet, dan zal de confrontatie tussen sjiieten en soennieten in het Midden-Oosten verergeren, zal Iran in allerijl een bom ontwikkelen en zal Saoedi-Arabië niet ver achterblijven. Het non-proliferatieverdrag zou dan zo goed als zinloos worden.
De voortekenen zijn niet zo goed. Mike Pompeo, de door Trump voorgedragen nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, is een havik wat Iran betreft. John Bolton, de nieuwe nationale veiligheidsadviseur, wil het nucleaire akkoord opzeggen en het Iraanse regime ten val brengen – en dat is nog maar het begin. Totale vernietiging dreigt. De uitdaging voor Macron – en Europa – om te voorkomen dat de kwestie-Iran uit de hand loopt, is alleen maar groter geworden.
Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse
Terwijl het gedrag van Trump alleen maar grilliger wordt, een trend die de komende maanden nog zal verergeren door het onderzoek naar Russische bemoeienis met zijn uitverkiezing, biedt de vriendschap met Macron enige garantie tegen het ergste. Anders dan Trump weet de Franse president wat hij wil en is hij in staat een coherente strategie te hanteren.
Hij is ook een bastion tegen de destructieve neigingen van Trump: diens gedweep met etnisch nationalisme en de steeds autoritairder wordende Poetin en Xi Jinping, de afkalving van de rechtsstaat, handelsoorlogen, de militarisering van het buitenlands beleid en de ondermijning van de Europese Unie.
Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse. Dat is het verschil. Veel hangt af van wat deze vriendschap oplevert.
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Cruciale rol in Syrië
In een interview dat hij op 15 april gaf aan de Franse BFMTV, RMC en Mediapart rechtvaardigde Emmanuel Macron de raketaanvallen op Syrië door te wijzen op de rol van Frankrijk in dit deel van de wereld. ‘Hij wilde daarmee zijn leiderschap in de kwestie-Syrië benadrukken, hoewel de Franse deelname aan de operatie in zijn eigen land werd bekritiseerd’, schrijft The Wall Street Journal. In feite, vervolgt de Amerikaanse krant, betreurt de oppositie het ‘dat Frankrijk bezig is zijn onafhankelijkheid kwijt te raken door de VS en het Verenigd Koninkrijk te volgen’.
Door incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer, draagt de islamitische republiek bij aan de ernstige waterschaarste, stelt deze journalist uit Iraaks Koerdistan.
De helft van de Iraanse steden kampt met een gebrek aan water. In honderden steden en dorpen, met name in het midden en zuiden van het land, hebben de inwoners last van een droge keel. De hoofdstad Teheran inbegrepen, waar vier dammen de nood moeten lenigen.
De situatie is zelfs zo ernstig dat er volksverhuizingen van een nog niet eerder in de geschiedenis van het land vertoonde omvang worden verwacht. De Iraanse gezagsdragers winden er geen doekjes meer om: ze zijn bang dat tientallen miljoenen mensen zich in krioelende sloppenwijken aan de randen van de grote stedelijke centra zullen vestigen, of dat er een massaemigratie op gang komt. Beide gebeurtenissen kunnen leiden tot interne en regionale conflicten.
In de provincie Oermia, in het noordwesten van het land, zijn inmiddels zo veel putten geslagen – vijftigduizend – dat het Oermiameer is uitgeput. Er is niet meer dan een vijver van over en het lijkt hetzelfde lot te zijn beschoren als het Aralmeer, het grote zoutwatermeer dat gedeeld werd door de voormalige Sovjetrepublieken Oezbekistan (in het noorden) en Kazachstan (in het zuiden), en in de jaren zestig verdween door de beslissingen van het Sovjetregime.
Geen geheim
Lange tijd werden degenen die zich bekommerden om het milieu ervan beschuldigd dat ze buitenlandse belangen dienden, maar tegenwoordig valt de publieke opinie niet meer te misleiden. De waarheid openbaart zich in het volle daglicht, en toont de incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer pijnlijk aan.
Teheran maakt er geen geheim van dat zijn beleid er in de toekomst op gericht zal zijn om zo veel mogelijk water in het land te houden. Dat wil zeggen: om waterlopen zo goed mogelijk te benutten voordat ze de grenzen van het land bereiken, of om ze om te leiden naar door droogte getroffen gebieden. Dit zette de viceminister van Buitenlandse Zaken, Abbas Araghchi, onlangs uiteen op een conferentie over water(diplomatie) in Teheran. Probleem is dat een dergelijk beleid stroomafwaarts gelegen landen berooft van het water waar ze recht op hebben. Een en ander is bovendien in strijd met het internationaal recht inzake het delen van waterbronnen. En het werkt politieke, economische en ecologische crises in de hand, in plaats van dat ze de kans hierop vermindert.
De Karoun, een van de grootste rivieren in Iran (en de enige die, gedeeltelijk, bevaarbaar is), is een perfecte illustratie van wat er aan de hand is. Niet alleen zijn er tal van dammen in gebouwd, ook is een deel van het water omgeleid naar de rivier Zayandeh, in de provincie Isfahan, in het midden van het land. Sindsdien is de Karoen tot een beekje verworden, wat heeft geleid tot verzilting van de landbouwgrond in de regio Khoezistan, tegen de Iraakse grens.
Feitelijk kopieert Iran het beleid van de voormalige Sovjet-Unie in Centraal-Azië in de jaren zestig. Moskou had destijds de Amu Darya en Syr Darya, zijrivieren van het Aralmeer in Kazachstan, naar Oezbekistan omgeleid, met het doel er de katoenproductie te vergroten. Oezbekistan werd de grootste katoenproducent ter wereld, maar betaalde een zware prijs: het verloor een vierde van een van de grootste meren ter wereld. De omleidingen die Iran al enige jaren geleden heeft aangelegd in internationale rivieren zoals de Sirwan, de Kleine Zab [twee zijrivieren van de Tigris], de Karoen en andere waterlopen, leiden niet alleen tot een verzilting van de bodem, ze beroven stroomafwaarts gelegen landen ook van hun deel van het water.
Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen
Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten en het met tientallen miljarden dollars ondersteunen van organisaties en politieke en militaire bewegingen in de regio, dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen. Dat is er ook de oorzaak van dat het land zich nu ziet geplaatst voor zo’n catastrofale situatie van verwoestijning, verlies van landbouwgrond en schaarste aan drinkwater.
Daar komen de overconsumptie en verspilling van water in de landbouw nog eens bij, die winsten op de korte termijn opleveren, maar schadelijke gevolgen hebben voor de lange termijn.
Overigens verklaarde Rahim Safaoui, adviseur militaire zaken van opperste leider Ali Khamenei, tijdens de eerdergenoemde persconferentie dat de landbouw niet langer negentig procent van de waterbronnen kan verbruiken.
Voorlopig gaat Iran echter door met de bouw van dammen en omleidingen van waterlopen op zijn grondgebied, wat bijzonder nadelig is voor Irak, dat aan de benedenstroom van alle Iraanse rivieren ligt. Tegelijkertijd bekritiseert Iran de bouw door Afghanistan van dammen, vooral de Kamal Khan-dam in de rivier de Helmand (de langste rivier in Afghanistan). Deze kan namelijk het debiet ervan verminderen in de provincie Sistan en Beloetsjistan, in het zuidoosten van Iran, met mogelijk grotere sociale spanningen tot gevolg in een regio die nu al een wankele economie heeft.
Khaled Sulaiman
De website Daraj (‘Trap’) werd in 2017 in Beiroet opgericht en richt zich op alternatieve informatie. De redactie bestaat uit professionele journalisten uit Libanon en andere Arabische landen. Met zijn rubrieken onderscheidt de site zich van traditionele Arabische media. Onderzoek en reportage staan centraal. Bovendien zijn veel onderwerpen bij andere media in de regio ondergeschoven kindjes: burgerrechten, gender, homoseksualiteit.
Eind januari veroverden rebellen van de Zuidelijke Overgangsraad de havenstad Aden op het regeringsleger. Reden voor de Amerikaanse site The Hill om de belangrijkste spelers en oorzaken van het conflict nog eens op een rij te zetten.
Als Washington Jemen ter sprake brengt gaat het meestal over toenemende hongersnood, die ten minste voor een deel is te wijten aan onnauwkeurige Saoedische bombardementen op pro-Iraanse Houthi’s. Het werkelijke, verborgen verhaal betreft de beschamende Saoedische militaire incompetentie en het reële gevaar dat het conflict zich uitbreidt, met Iran als lachende derde.
Sinds de oorlog in maart 2015 begon, heeft de door Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) geleide alliantie geprobeerd de internationaal erkende regering van president Abd-Rabbu Mansour Hadi, die in ballingschap in Riyad leeft, weer in het zadel te helpen. Geholpen door Colombiaanse huurlingen veroverden VAE-troepen in snel tempo de zuidelijke havenstad Aden. De Houthi’s wisten echter de controle over de hoofdstad Sanaa te behouden. Ze deden dat samen met troepen die loyaal waren aan ex-president Ali Abdullah Saleh. De Houthi’s komen uit de streek rond de noordelijke stad Sanaa. Het gebied dat ze nu beheersen beslaat weliswaar slechts 20 procent van Jemens oppervlak, maar 80 procent van de 28 miljoen inwoners woont er.
Langs de noordgrens van Jemen wisten de Saoedische strijdkrachten alleen een stukje nabij de Rode Zee te veroveren. De militaire realiteit is in feite omgekeerd: de Houthi’s beheersen een kilometersdiepe strook Saoedisch land, ten oosten van de stad Jizan en verder oostwaarts in de richting van Najran. Het gaat om zo’n 150 vierkante kilometer, mogelijk meer. Of het land daadwerkelijk ‘bezet’ kan worden genoemd is niet helemaal duidelijk: af en toe weet het Saoedische leger erin door te dringen, maar in ieder geval gebruiken de Houthi’s het gebied als basis voor aanvallen op Saoedische militaire posities en grenssteden.
De wijze waarop diplomaten lucht geven aan hun mening over de prestaties van het Saoedische leger zijn, tja, niet erg diplomatiek. Adjectieven als ‘slecht’, ‘afschuwelijk’ en ‘ontstellend’ zijn niet van de lucht en hebben zowel betrekking op het leger in het algemeen als op de speciale strijdkrachten en de luchtmacht. Ergerniswekkend, zo beoordelen de westerse bondgenoten van Saoedi-Arabië, de Verenigde Staten inbegrepen, de situatie op het slagveld, en ze willen de patstelling doorbreken.
Een gelegenheid daartoe scheen zich in december voor te doen, toen de alliantie van Houthi’s en Saleh uit elkaar viel en Saleh een paar dagen later werd gedood in een hinderlaag. Er waren echter ook allerlei andere verwikkelingen. Saoedi-Arabië en de VAE lijken anders te denken over het nut om president Hadi te blijven steunen. Onlangs vormden Zuid- Jemenitische activisten in Aden een ‘Zuidelijke Overgangsraad’, die zwoer de regering-Hadi omver te werpen. Het initiatief genoot op zijn minst de impliciete steun van de VAE, maar een Saoedische functionaris noemde het meteen ‘onaanvaardbaar’.
De rol van Iran is onopvallend maar significant. In Teheran lijkt er iemand aan de knoppen te zitten die de spanning weet op te voeren zonder een directe Saoedisch-Iraanse confrontatie uit te lokken. Er zijn raketten ingezet tegen Amerikaanse marineschepen in de strategische waterweg Bab al Mandab, die de Indische Oceaan met de Rode Zee verbindt; een Saoedisch fregat werd zwaar beschadigd door een dronespeedboot. Beide acties zijn aan Iran toe te schrijven.
Het werkelijke verhaal betreft de beschamende Saoedische militaire incompetentie
In november kwam een Jemenitische raket, waarvan het bereik door Iraanse ingenieurs was vergroot, neer bij het belangrijkste vliegveld van Riyad, op ruim 800 km van Houthi-grondgebied; de maand daarop werd een andere raket afgevuurd op een koninklijk paleis in de Saoedische hoofdstad. Eveneens in december zouden de Houthi’s naar eigen zeggen een raket hebben afgeschoten op een kerncentrale in aanbouw nabij Abu Dhabi, de hoofdstad van de VAE. VAE-functionarissen lachten dit bericht weg. Westerse collega’s namen het daarentegen wél serieus en zeiden dat de Houthi’s aardig op weg waren een reële bedreiging te vormen voor de VAE.
Een ogenschijnlijk zijdelingse, maar in werkelijkheid centrale speler is Oman, dat zowel aan Saoedi-Arabië en de VAE als aan Jemen grenst. Het is aannemelijk dat dit land als doorvoerroute dient voor Iraanse militaire technologie, bestemd voor Houthi-troepen. Het is tevens zeer wel mogelijk dat de zieke sultan Qaboes van Oman dit opzettelijk toelaat. De 77-jarige vorst stoort zich naar verluidt aan wat hij beschouwt als een dwaze interventie van Saoedi-Arabië en de Emiraten in Jemen. Riyad en Abu Dhabi zien op hun beurt de hulp die de sultan in de jaren zeventig van Perzische troepen kreeg om rebellen te verslaan, als een precedent van Teherans onwelkome bemoeienissen op het Arabische schiereiland.
De aan kanker lijdende sultan Qaboes, die volgens ten minste één inlichtingendienst 2019 niet zal halen, is waarschijnlijk ook ontstemd over de recente aflevering van Saoedische militaire voertuigen in de Jemenitische haven van Nishtun. Dit zou een opmaat kunnen vormen tot uitvoering van het al lang sluimerende Saoedische voornemen een corridor te creëren tussen Jemen en Oman, om zo directe toegang te verkrijgen tot de Indische Oceaan. In het verleden zorgde Oman voor informele diplomatieke contacten tussen de Houthi’s en Riyad, een functie die zou moeten worden gereactiveerd.
Vermoorde onschuld
Ondertussen blijft Iran de vermoorde onschuld spelen. In de Financial Times van 22 januari pleitte de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Mohammad Javad Zarif ervoor een forum op te zetten voor regionale dialoog in de Perzische Golf. ‘Onze uitnodiging tot dialoog bestaat al jaren en blijft openstaan. We kijken uit naar de dag dat onze buren deze aanvaarden en hun bondgenoten – in Europa en elders in het westen – hen daarin aanmoedigen.’
Vrijwel zeker onbedoeld zullen deze woorden Washington in staat stellen Riyad over te halen te luisteren naar Amerikaans advies over Jemen.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.
MUZIEK | Opdat wij niet vergeten
Dik in de zestig maar niet minder enthousiast
Dik in de zestig zijn ze en hun grootste hits scoorden ze in de jaren tachtig. Maar dat weerhoudt The Simple Minds er niet van om de draad weer op te pakken. Kevin Cooper schrijft voor UK Music Reviews dat een onbekende Zwitser de bandleden in ruil ‘voor een hoop geld en twee Toblerone-repen’ wist over te halen om een akoestisch album op te nemen met hun bekendste liedjes.
Vorige zomer, veertig jaar na de oprichting, verscheen de plaat, gevolgd door een wereldtournee. Volgens Andrew Baillie in The West Australian heeft de stem van bandleider Jim Kerr niets aan kracht ingeboet en is zijn ‘maatje’ Charlie Burchill nog altijd een van de beste gitaristen van zijn generatie: ‘Decennia later is hun enthousiasme er niet minder op geworden. Kerr had zelfs iets ondeugends in zijn optreden. Met een gewaagd salsadansje zette hij iedereen op het verkeerde been. Net als de oudere oom op een bruiloftsfeest.’
Hannah Francis vond in The Sydney Herald dat The Simple Minds een ‘solide en energieke show’ gaven. Al kan de band in het vervolg de achtergrondzangeressen beter thuis laten: ‘Gehuld in korte jurkjes en visnetten versterkten ze de indruk dat ze niet vanwege hun zangkwaliteiten op het podium stonden.’
Fiona Shepherd was verrast door de akoestische nummers tijdens het concert in Glasgow, schrijft ze in The Scotsman: ‘Hoewel de epische kracht van hun muziek onvermijdelijk wordt ondermijnd, blijft de spirit van de band intact. Ontdaan van elektronische bombast klinken ze nu eens droefgeestig, dan weer met iets te veel galm.’
Maar bij ‘Don’t You (Forget About Me)’, een van de allergrootste hits, maakte dat volgens Shepherd niets uit omdat de zaal het refrein massaal meebrulde. Naar eigen zeggen kost het Kerr steeds meer moeite om het nummer aan te kondigen: ‘Op mijn leeftijd zijn die woorden toch een beetje tricky.’
DS
FILM | Zesjarige aan zelfkant van de samenleving
Intelligent, zonder pretenties en nergens neerbuigend
Hoewel de onderliggende thematiek niet vrolijk stemt, is The Florida Project lang geen deprimerende film. Daar zijn de beelden te kleurrijk en sprankelend voor. Bovendien kiest regisseur Sean Baker nadrukkelijk voor het onbevangen perspectief van een zesjarig meisje. Zo krijgt de kijker impliciet maar daardoor des te genadelozer het failliet van de sociale zekerheid in de VS voorgeschoteld. Waar haar omgeving dagelijks worstelt met geldproblemen, dakloosheid of verslaving, probeert de jonge hoofdpersoon Moonee aan de zonnige kant van het bestaan te blijven.
Plaats van handeling in The Florida Project is een shabby motel op steenworp afstand van Disney World, Orlando. Daar haalt Moonee met haar vriendinnetjes kattenkwaad uit terwijl haar veel te jonge moeder Halley, die ergens in haar puberteit is blijven steken en het liefst elke voorbijganger op haar middelvinger trakteert, zich minstens zo onverantwoord gedraagt. Alleen motelmanager Bobby (William Dafoe, alom getipt als Oscarwinnaar) kan hen nog enigszins in het gareel houden.
De film viel de afgelopen maanden een juichende ontvangst in de Engelstalige pers ten deel. Zo schaart Donald Clarke van The Irish Times de film onder de beste speelfilms die ooit over de kindertijd zijn gemaakt: ‘In de traditie van Ingmar Bergmans Fanny & Alexander en Richard Linklaters’ Boyhood.’
Leigh Paatsch schrijft in de Australische krant The Herald Sun over ‘een van de beste films uit 2017. Meesterlijk, prachtig en hartverscheurend. Juist omdat het zonder pretenties is gemaakt’.
Volgens filmcriticus David Sims van het Amerikaanse maandblad The Atlantic biedt de film een ‘intelligente, nergens neerbuigende kijk op het leven aan de absolute onderkant van de maatschappij’. Sims roemt de manier waarop Baker met een grotendeels onervaren cast te werk is gegaan. ‘Daar komt bij dat Dafoe de beste rol uit zijn loopbaan speelt. Hij geeft zijn personage een authentieke laag waardoor hij diep-empathisch overkomt.’
Ook Ann Hornaday is zeer te spreken over Dafoes rol, maar in The Washington Post plaatst ze ook kritische kanttekeningen. Ze vindt dat Baker zijn onervaren acteurs overmatig heeft geregisseerd en veel te vaak over de top laat spelen. ‘De film komt gevaarlijk dicht in de buurt van de “geësthetiseerde armoede-porno” waar eerder The Beasts of the Southern Wild en American Honey van waren doortrokken.’
*_The Florida Project,_ Ned. première IFFR, vanaf 8 febr. in de bioscoop *
Surreëel meesterwerk van de vader van de Iraanse literatuur
Ooit was Iran het land waar elke taxichauffeur een gedicht voor je kon declameren en waar frasen van grote Perzische schrijvers de taal van alledag doorvlochten. Maar sinds de in 2005 aangetreden regering-Ahmadinejad erop toeziet dat boeken niet in tegenspraak zijn met de islam, is van die voorliefde voor literatuur nog weinig over, schrijft Saeed Kamali Dehghan in The Guardian. Werken van grote schrijvers als Dostojevski, Faulkner en Woolf zijn moeilijk te verkrijgen en ook namen als Dan Brown en Woody Allen belandden op de zwarte lijst.
Hetzelfde lot onderging de Perzische klassieker Boof-e Koor (De blinde uil) van Sadegh Hedayat (1903-1951), volgens The Guardian ‘een van de meest fascinerende en meeslepende Iraanse romans die er zijn’. In het boek stelt Hedayat onder meer het gebrek aan meritocratie in zijn geboorteland aan de kaak: ‘Teneinde de mensen in het gareel te kunnen houden, moeten zij hongerig, behoeftig, ongeletterd en bijgelovig worden gehouden.’
Volgens Porochista Khakpour, de Iraans-Amerikaanse auteur die een introductie schreef bij de Engelse vertaling, werd het boek om andere redenen verboden. ‘Als je dit boek leest, pleeg je zelfmoord’, gaf haar bezorgde vader uiteindelijk als reden nadat hij lange tijd geheimzinnig over het boek had gezwegen – wat Khakpours nieuwsgierigheid uiteraard enkel prikkelde. Sinds ze het toch in handen kreeg, is ze niet meer gestopt met lezen, schrijft ze op boekensite The Rumpus: ‘Het vraagt om herlezing na herlezing (…) met zijn ondoorgrondelijke symbolisme, verwrongen psychologie en onwereldse thematiek.’ Ze ziet Hedayat als de vader van de Iraanse literatuur, die zijn tijd met onderwerpen als dierenleed en de status van de vrouw in een door mannen gedomineerde maatschappij ver vooruit was.
De roman biedt een inkijk in de psyche van een gestoorde man, een ‘gepijnigde, afgezonderde misantroop die aan hallucinaties leidt’, aldus Bloomsbury; ‘zijn onwerkelijke verhaal is gelaagd, vicieus, gedreven door zijn eigen krankzinnige logica en onderbroken door macabere, surrealistische episodes als de ontdekking van een verminkt lichaam’. Surrealist André Breton was dan ook groot bewonderaar van Hedayats werk; ‘Als er zoiets bestaat als een meesterwerk, dan is dit het’, verkondigt hij in Le Medium.
De angst van Khakpours vader kwam voort uit Hedayats grote belangstelling voor de dood, die terugkomt in zijn werk. De publicatie van Boof-e Koor in 1941 bracht een golf zelfmoorden op gang, en zelf maakte de auteur nadat hij van een langdurig verblijf in Parijs was teruggekeerd naar zijn eigen land tien jaar later een einde aan zijn leven.
(LW)
De blinde uil, vertaald door Gert J.J. de Vries, uitgeverij Jurgen Maas
Jared Kushner, Mohammed bin Salman en Benjamin Netanyahu voeren iets in hun schild. En dat zou heel goed een plan kunnen zijn om Iran in de houdgreep te nemen.
Er lijkt in Washington een algemene consensus te heersen dat de zuivering door de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman onder prinsen en zakenlieden – waarbij ook de rijkste van hen, de magnaat en prins Al-Waleed bin Talal, de dans niet ontsprong – is ingegeven door een brandende wens zijn macht te consolideren, nog voordat zijn vader, koning Salman, van het toneel verdwijnt. Hij lijkt een moderne Adonia, die zichzelf tot koning liet kronen terwijl zijn vader, koning David, nog leefde. Net als Adonia heeft Mohammed bin Salman enkele machtige vijanden gemaakt. Een belangrijk verschil met de bijbelse figuur is wel dat Mohammed bin Salman de steun van zijn vader geniet en iedereen heeft weten te arresteren die hem in zijn opmars zou kunnen stuiten.
Jared Kushner, schoonzoon en topadviseur van de Amerikaanse president Donald Trump, was kort geleden weer in Riyad. Het was zijn derde bezoek aan Saoedi-Arabië sinds Trumps aantreden. Opnieuw ontmoette hij de kroonprins, met wie hij een nauwe persoonlijke band lijkt te hebben opgebouwd. Het is niet verrassend dat Trump de recente ontwikkelingen in Riyad heeft toegejuicht. De Amerikaanse president en de jonge Saoedische troonopvolger delen immers een afkeer van Iran.
1. Benjamin Netanyahu, ziet Kushner graag komen; 2. Jared Kushner, bezocht Riyad al drie keer; 3. Mohammed bin Salman, ‘een moderne Adonia’.
Over Donald Trump wordt beweerd dat hij de geloofwaardigheid van de VS bij zijn bondgenoten heeft ondermijnd. Dat geldt mogelijk voor Europa en voor delen van Azië, maar niet voor Japan en India, en al helemaal niet voor het Midden-Oosten. De spanningen met Turkije en Egypte vinden voornamelijk hun oorsprong in het Amerikaanse Congres, niet in het Witte Huis. De betrekkingen met Israël zijn beter dan ze zijn geweest sinds de dag dat de vorige president Barack Obama aantrad. Hetzelfde kan worden gezegd van de Amerikaanse relaties met zowel Saoedi-Arabië als de Verenigde Arabische Emiraten en trouwens ook met Bahrein en Marokko. Wat hen bindt is een afkeer van Iran, waarvan het streven naar instabiliteit in de hele regio een financiële impuls heeft gekregen door het zogeheten Joint Comprehensive Plan of Action – ofwel de nucleaire deal met Iran.
Het is de vraag of kroonprins Mohammed bin Salman een echte hervormer is. Zijn staat van dienst op dat punt is niet eenduidig. Maar hij is vastbesloten paal en perk te stellen aan de uitbreiding van de Iraanse invloed, die nu echt de vorm aanneemt van de sjiitische sikkel waar koning Abdullah II van Jordanië meer dan een decennium geleden al voor waarschuwde. De kroonprins is ervan doordrongen dat de ergste nachtmerrie van zijn land langzaam werkelijkheid begint te worden: Iran steunt de Houthi-rebellen in het zuiden en domineert het noordelijke buurland Irak. Het veroorzaakt instabiliteit in Bahrein en zou voor hetzelfde kunnen zorgen in de Oostelijke provincie van Saoedi-Arabië waar een sjiitische meerderheid woont. En alsof dat nog niet erg genoeg is, heeft Iran vaste voet aan de grond gekregen in Damascus en Beiroet. Het is met name om die reden dat de Saoedi’s hun bondgenoot Saad Hariri, de Libanese premier, hebben gedwongen zijn ambt neer te leggen tijdens een bezoek aan het koninkrijk.
Tot hoe ver zal Washington, of beter gezegd het Witte Huis, de Saoedi’s steunen wanneer de confrontatie met Iran een kookpunt bereikt?
Mohammed bin Salman heeft al dan niet een bezoek gebracht aan Tel Aviv, waar het Israëlische ministerie van Defensie is gevestigd. Maar ook als hij dat niet heeft gedaan, lijdt het geen twijfel dat hij zijn zegen heeft gegeven aan steeds nauwere banden met de Israëliërs, die de Iraanse dreiging precies zo bezien als hij. En de kroonprins is niet de enige met wie Jared Kushner sprak: Trump heeft zijn schoonzoon de algehele supervisie gegeven over het vredesproces tussen Israël en de Arabieren, en hij is naar verluidt een graag geziene gast in het kantoor van premier Benjamin Netanyahu.
Heeft Kushner, vanwege zijn functie, inzage gekregen in de plannen van kroonprins Mohammed bin Salman? En heeft Kushner toen zijn schoonvader bijgepraat? En zo ja, tot hoe ver zal Washington, of beter gezegd het Witte Huis, de Saoedi’s steunen wanneer de confrontatie met Iran een kookpunt bereikt? Of zal Israël als afstandsbediening van Trump optreden? Met deze president, deze kroonprins en deze premier van Israël is alles mogelijk.
Foreign Policy
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
Al een eeuw strijden de Koerden in Irak voor zelfbestuur. Het referendum dat de Iraaks-Koerdische regering voor 25 september heeft uitgeschreven, biedt een unieke kans.
Sinds de ontmanteling van de Koerdische provincie van het Ottomaanse rijk (als gevolg van de Britse bezetting van het gebied aan het einde van de Eerste Wereldoorlog), haken de Koerden in Irak naar onafhankelijkheid, in welke vorm dan ook. Aanvankelijk, aan het begin van de jaren twintig, richtten Europees georiënteerde nationalisten zich tot de Britse hoeders van het Iraakse mandaatgebied, met wie ze een wisselvallige relatie hadden. Onder auspiciën van de ‘koning van Koerdistan’, Mahmud Al-Hafid Barzanji, verzochten ze op de ‘lijst van nog te bevrijden volken’ te worden geplaatst. Ze wilden hiermee voorkomen dat ze weer onder Turks bewind zouden worden geplaatst.
Nadat in 1932 de onafhankelijkheid van Irak was uitgeroepen – dat een Koerdische provincie kreeg – kwam de Koerdische nationalistische beweging voortdurend in botsing met de heersers in Bagdad. Achtereenvolgens waren dat de Hasjemitische dynastie (1932-1958), de nationalistische Iraakse leider Abdelkarim Al-Qassem (1958-1963) die Irak uitriep tot ‘eeuwige republiek’, en een reeks Baath-regimes: de gebroeders Abdelsalam en Abderrahman Aref (1963-1968), het duo Ahmed Hassan Al-Bakr en diens ‘secondant’ Saddam Hoessein (1968-1979), en tenslotte Saddam Hoessein zelf (1979-2003).
De Amerikaanse invasie van Irak en de val van Saddam Hoessein in 2003 betekenden voor de Koerden dat ze niet meer voor een herstel van de tirannie van Bagdad hoefden te vrezen. Ze hadden al een autonoom gebied in Noord-Irak bevochten nadat de Amerikanen het bewind van Saddam in de nasleep van de Eerste Golfoorlog in 1991 vleugellam hadden gemaakt.
Nu is de Iraaks-Koerdische regering vastbesloten de nationalistische ambities volledig te verwezenlijken door op 25 september een referendum over onafhankelijkheid uit te schrijven. Er wordt openlijk van ‘afscheiding’ gesproken, een kortgeleden nog brandgevaarlijke term die tegenstanders van de Koerden gebruikten om hun autonomie in een kwaad daglicht te stellen.
De situatie in de regio is weinig rooskleurig, maar dat komt de door schade en schande wijs geworden Koerden niet slecht uit. Zij weten immers dat hun omstandigheden verbeteren wanneer de vier staten waarover zij zijn uitgewaaierd (Irak, Iran, Syrië, Turkije) het zwaar te verduren krijgen. Alle spanningen tussen deze landen vormen voor de Koerden evenzovele bressen waarin zij zich kunnen nestelen.
Mede dankzij het in 2006 ingestelde Iraakse federale systeem hebben de lokale autoriteiten van Erbil economische en politieke banden gesmeed met hun buurlanden, in het bijzonder met Iran en Turkije. Dit bewijst dat ze veel pragmatischer zijn dan uit hun nationalistische discours blijkt.
Niet aan de grote klok
Turkije en Iran hangen hun relatie met de Koerden in Irak liever niet aan de grote klok. Deze laatsten geven nu echter signalen af dat zij zich aan de kant van hetzij Ankara, hetzij Teheran zullen scharen, afhankelijk van de vraag welke partij het beste de Koerdische belangen dient. Daarom mijdt zowel Ankara als Teheran op dit moment meer dan ooit een confrontatie met de Iraakse Koerden. Want daarmee zou de ene regionale grootmacht de Koerden in de armen van de ander kunnen drijven, met ernstige economische en politieke schade als gevolg.
De centrale regering in Bagdad is in dit politieke spel nog het minst te benijden, verzwakt als zij is door sektarische verdeeldheid, een neergaande economische situatie en een nog altijd haperende dagelijkse water- en stroomvoorziening. Bagdad – met zijn door sjiieten gedomineerde regering – wordt dermate door de eigen problemen in beslag genomen dat het zich van de rest van de Arabische wereld dreigt te vervreemden. Hierdoor is het minder in staat weerstand te bieden aan het Koerdische streven naar onafhankelijkheid. Het centrale Iraakse gezag is niet bij machte de Koerden zijn wil op te leggen. Het kan al helemaal geen oorlog tegen ze voeren, aangezien het Iraakse leger steeds verder uit elkaar valt. Blijft over: verbale agitatie.
Overigens blijven de Koerden er heilig van overtuigd dat de Amerikanen het laatste woord zullen hebben, naast in mindere mate de Europeanen en de Russen
Iraaks Koerdistan heeft zelf ook problemen, maar die zijn minder ernstig. Een optimistische visie luidt dat de onafhankelijkheid, die eventueel op het referendum volgt, een oplossing voor die problemen kan zijn. Salarissen zouden makkelijker kunnen worden betaald, en de spanningen tussen de regerende Koerdische Democratische Partij (KDP) en oppositiegroepen verminderen er wellicht door. Ook zou onafhankelijkheid een gunstig effect kunnen hebben op een transparant beheer van publieke gelden en op sociale gerechtigheid. Pessimisten vrezen juist dat de onafhankelijkheid vooral de huidige politieke elite ten goede zal komen en dat een nieuw Koerdistan meer zal lijken op Zuid-Soedan dan op een rechtsstaat en een baken van democratie. In dat scenario dient het referendum er alleen maar toe om de problemen te verdoezelen door nationalistische sentimenten op te poken.
Hoe dan ook, voor een overweldigende meerderheid van de Koerden is dit referendum een unieke kans. De regionale Koerdische regering heeft daarom haar uiterste best gedaan haar betrekkingen met Arabische landen, met name de Golfstaten, op te poetsen. Dit om zo veel mogelijk steun voor de Koerdische onafhankelijkheid te verwerven. Toch blijven vooral Iran en Turkije sceptisch: ze zijn beducht voor het effect van die onafhankelijkheid op hun eigen Koerdische minderheden.
Overigens blijven de Koerden er heilig van overtuigd dat de Amerikanen het laatste woord zullen hebben, naast in mindere mate de Europeanen en de Russen. Het Koerdische leiderschap zou het ook wel uit het hoofd hebben gelaten dit referendum te organiseren als het daarvoor geen groen licht van de wereldmachten had gekregen. Sinds 1991 hebben de Koerden geleerd zelfvoorzienend te zijn en rekening te houden met de duistere wetmatigheden die de internationale politiek dicteren.
Evenzeer hebben zij een instinct ontwikkeld om de kansen te grijpen die de omstandigheden bieden. Op die manier zouden ze een einde kunnen maken aan de illusie van de ‘eeuwige’ republiek die de vroegere nationalistische Iraakse president Abdelkarim Al-Qassem koesterde.
Of Koerdistan wordt nu onafhankelijk, of het wordt dat nooit meer: dat is de opvatting in de regio.
‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.
Iran heeft een ambitieuze jonge elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie van het land.
Kon je het raam maar open gooien. De lucht is benauwd in de Iraanse hoofdstad, de straten zitten verstopt met oude rammelkasten. Hier en daar een hybride Lexus of een SUV van Duitse makelij die verbazend schadevrij door de drukte heen slalommen en toch de indruk wekken van een onbeholpen protest van de seculiere vooruitgang tegen de muffe lucht in het land van de religieuze deugdpolitie.
In dit ronkende tumult, dat overdag veertien miljoen mensen omvat en ’s avonds, wanneer de forenzen weg zijn, inkrimpt tot acht miljoen, is alles voortdurend in beweging. Olie en gas, dat hoor en ruik je op elk straathoek, vormen de brandstof voor deze moloch. Zonder de fossiele energie was het organisme Iran allang uitgedroogd, daarin onderscheidt het zich niet van de buurlanden in het Midden-Oosten. 68 soorten mineralen en waardevolle metalen, koper, zink, ijzer, maar vooral de grootste gasreserves van de wereld en de op drie na grootste oliereserves, de grootste markt voor voertuigen in Voor-Azië, maar geopolitiek gezien toch ook een doodzieke patiënt.
In isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed
Iran was en is een land in isolement. Het conflict over atoomenergie en de jarenlange sancties tegen het land in de regeringsperiode van de Iraanse populist Mahmoud Ahmadinedjad hebben, tot het nucleaire verdrag met de ‘5+1 staten’ van twee jaar geleden, een politieke puinhoop achtergelaten die tot enige tijd geleden in elk geval op het gebied van de wetenschappen misschien alleen vergelijkbaar is met wat overtuigde pessimisten voorspellen voor de aartsvijand, de Verenigde Staten: isolationisme tot aan internationale marginalisering toe.
Maar uitgerekend Iran, deze streng geïsoleerde chronische patiënt met zijn autoritair-religieuze bovenbouw, lijkt na de eerste aarzelende opening nu een supermagneet te worden voor een westers wetenschappelijk establishment. Er wordt wederzijds contact gezocht en afgetast. Zoals de Robert Bosch-Stiftung, die we bij hun aftastpogingen aan enkele van de grootste universiteiten van Teheran vergezelden. De Iraanse ‘onderzoekskracht’ waarvan de secretaris van de stichting, Joachim Rogall, vooral onder de indruk was, was tot dusver hoofdzakelijk opgevallen door de zeer getalenteerde studenten en ambitieuze doctorandi die hun heil vonden in Noord-Amerika.
Maar ook Europa is al jaren een bestemming: alleen al de Max-Planck-Gesellschaft biedt momenteel werk aan ongeveer tweehonderd overwegend jonge Iraniërs. Het academisch milieu wordt in het algemeen gekenmerkt door de vele jongeren en vrouwen. Al onder het regime van Ahmadinedjad verdubbelde het aantal studenten binnen zeven jaar tot bijna vierenhalf miljoen, het aandeel van de vrouwen is net iets minder dan de helft. De explosieve groei van de wetenschap aan honderden openbare, private en religieuze universiteiten is het resultaat van de drang tot zelfbehoud in een rijk, maar politiek geïsoleerd land. Deze heeft een ambitieuze jonge elite voortgebracht die onmogelijk in haar geheel naar het buitenland kon emigreren – een elite die hongert naar welvaart en vooruitgang. Wetenschap en techniek zijn voor hen het tegengif tegen de isolatie en de opening is de kans op vers bloed voor het zieke organisme.
‘Het venster gaat open’: met ongeveer deze woorden begroette Mahdi Jahangiri, een van de leidende figuren in de Iraanse Kamer van Koophandel en daar verantwoordelijk voor de hightechstrategie, de delegatie van de stichting. De Iraanse Kamer van Koophandel is het scharnier- en middelpunt geworden van een culturele en academische beweging die de weg naar buiten zoekt. De voortrekker daarvan is geen man, maar een vrouw: Ferial Mostofi. Een bekwame, doortastende zakenvrouw, een netwerkster die het wetenschappelijke potentieel wil benutten voor een economische ‘upgrade’ van het land: ‘Wij hebben het potentieel van een grote handelsnatie,’ zegt ze, en in de ‘strijd van de kennisgemeenschappen’ om de knapste koppen ziet ze haar land een vooraanstaande positie innemen. Als ze spreekt, klinkt dat oppervlakkig naar zelfpromotie, en ze springt even makkelijk om met statistieken en slogans over ‘investment service centers’, technologietransfers en ‘science & technology-parken’ als iedere westerse wetenschapsmanager. Maar ze weet ook: in isolement verliest het tegengif algauw zijn werking. Wat nodig is, is echt vers bloed: ‘Wij hebben buitenlandse investeringen en samenwerkingsverbanden nodig.’
De Robert Bosch Stiftung is echter niet naar Teheran gereisd om geld te brengen. ‘Wij dragen de naam van de firma Bosch, maar als onafhankelijke stichting kunnen we hooguit wegbereiders zijn, die dingen mogelijk maken,’ maakte Rogall duidelijk, nadat de ene jonge Iraanse ondernemer na de andere na afloop van zijn korte toespraak in de Kamer van Koophandel geïnformeerd had naar mogelijke directe investeringen uit Stuttgart. In drie jaar tijd is het aantal start-ups en spin-offs dat uit de kennispool van de Iraanse academies is voortgekomen gestegen van enkele tientallen tot meer dan drieduizend, en het aantal ‘science & technology-parken’ gegroeid tot bijna veertig. Overdracht van technologie geldt als de koninklijke weg naar welvaart, de universiteiten pronken met ondernemersstrategieën, maar men is vooral bang dat de technologische vooruitgang in het isolement op enig moment zal stagneren.
Het wetenschapspark van de Universiteit van Teheran bijvoorbeeld, met meer dan 55.000 studenten de grootste van het land, beslaat al meer dan een half miljoen vierkante meter ten noorden van de hoofdstad. Maar voor Mahmoud Nili Ahmadabadi, de eerste democratisch gekozen president van een Iraanse universiteit, is het eigenlijke doel niet de vergroting van het universiteitsterrein, maar een uitbreiding naar het buitenland: ‘Samenwerkingsverbanden met het buitenland bestaan tot dusver helaas alleen op papier.’ Dat geldt niet alleen voor projecten, maar ook voor de uitwisseling van academici: van de buitenlandse studenten aan de Teheran Universiteit komen de meesten uit de buurlanden, uit Afghanistan en Pakistan bijvoorbeeld. Slechts enkelen uit Europa of Noord-Amerika. Volgens de voorzitter van het ingenieurscollege, Nasser Soltain, kan men aan zijn universiteit de gevolgen zien van het jarenlange isolationisme: ‘Wij moeten eerst weer gewend raken aan echte samenwerking,’ zegt hij, en hij rekent daarbij op Europa. De studenten zouden in contacten met Amerikaanse of Canadese professoren tot dusver veel sneller antwoorden en toezeggingen gekregen hebben. ‘Maar onze eerste keus was eigenlijk Europa.’
De reden is eenvoudig: de meeste hoogbegaafde studenten en doctorandi die voor hun afstudeerprojecten naar Noord-Amerika zijn gegaan, zijn daar ook gebleven. De kans dat de begaafde jongeren weer terugkeren naar het land en meewerken aan de opbouw van Iran als wetenschapsnatie is duidelijk hoger na leerjaren in Europa.
Ambitie
Thomas Andersson, een Zweedse wetenschapper die onlangs een rapport heeft geschreven voor de Conferentie over Wereldhandel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, en die de weg naar Iran geëffend heeft voor de Bosch-Stiftung, is er zeker van: ‘Dit is de ideale tijd voor samenwerkingsverbanden met Europa.’ Het gaat beter, dat is duidelijk, maar zo ideaal is het toch ook weer niet, als je luistert naar jonge wetenschappers als de elektro-ingenieur Mahdi Pourfath, die vertelt over de moeilijkheid om middelen te verwerven voor Iraanse projecten: ‘Zolang we geen publicaties in Nature of Science kunnen overleggen, zijn wij oninteressant voor Europese geldschieters. En hier bijt de slang zich in de staart, want zonder die gelden kunnen we ook geen onderzoek afleveren dat voor zulke tijdschriften interessant is.’
Bij elke ontmoeting bespeur je de ambitie om daar absoluut iets aan te veranderen. Het is voor de Iraanse elites niet meer voldoende nummer 1 in het Midden-Oosten te zijn wat betreft citaties in wetenschappelijke publicaties. Ze presenteren voortdurend internationale rankings die allemaal de academische opkomst aantonen – een bewijs van het eigen potentieel, maar ook van de worteling in het internationale wetenschapsbedrijf. Dat blijkt het duidelijkst bij het bezoek aan de Sharif-universiteit. Een universiteit die Andersson karakteriseert als de ‘talentsmederij van Voor-Azië’. Nummer 38 op de internationale ranglijst van citaties, een plaatsje onder de zon. Daar staan ze niet voor niets. Elk jaar zijn er meer dan honderd jonge geslaagden van de middelbare school die een zeer selectieve test doen om toegelaten te worden tot de Sharif-universiteit. 97 procent valt uiteindelijk af, een derde van de besten zijn jonge vrouwen, ook al ligt het zwaartepunt op het terrein van de technische disciplines – ingenieurstechniek, wiskunde, tot en met nanotechnologie (of juist daarom). Bijna alle leidinggevende professoren hebben aan een Amerikaanse of Europese elite-universiteit gewerkt. Velen brachten enige tijd door in Max Planck-instituten, bijna allemaal hebben ze nog contacten. Dat komt de citatieranking ten goede, en daarmee ook het aanzien, dat stijgt.
Maar het is de president van de universiteit, Mahmoud Fotouhi, nog lang niet genoeg: ‘Wij willen studenten opleiden die bij ons carrière kunnen maken,’ zegt hij. De massieve toename van Iraanse doctoraal- en Ph.D.-diploma’s van minder dan 20.000 tot meer dan 73.000 in nog geen tien jaar is grotendeels terug te voeren op het stimuleren van elitevorming, zoals die aan de Sharif-universiteit al in de restrictieve periode van het Ahmadinedjad-regime werd bespoedigd.
‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis’
Toch zijn de leidende figuren in de wetenschap niet langer tevreden met academische successen alleen. Ze willen hogerop. Daarbij worden ze ook aangedreven door een geïmporteerde promotiedwang die niet alleen de geleerde zou kunnen vleien, maar ook de machtige conservatieven in het land – vaak genoeg de spelbrekers op het gebied van cultuur. Graag wordt het bericht geciteerd van het McKinsey Global Institute van juni vorig jaar, waarin sprake is van de ‘eenmiljarddollar-kans’ voor Iran. Bedoeld worden de groeiprognoses van het land tot het jaar 2035 – bij een jaarlijkse economische groei van zes procent.
Westerse bezoekers zijn minder verrast door dat getal dan door de conclusies die de Iraniërs eruit trekken. Die komen neer op een paradigmawisseling in de wetenschapspolitiek, als we de president van Sharif Fotouhi mogen geloven. Industriepartnerschappen tegen de klippen op. Met industriegelden, graag ook met zulke buitenlandse investeerders en intussen ook met Iraans durfkapitaal moet de weg worden vrijgemaakt voor het hightechland Iran. Men is van vijftig industrieprojecten aan de universiteit in 2010 in vijf jaar opgeklommen tot meer dan driehonderd. Aan de Sharif-universiteit heeft men daarvoor niet alleen een bijzondere plaats ingeruimd voor de klassieke technologieoverdracht, met alle marketing- en consultancybombarie die erbij hoort, ook een groep studenten, in meerderheid vrouwelijk, heeft zich blijkbaar een hoog aanzien verworven. Hun ‘Sharif-versneller’ moet partnerschappen en samenwerkingsverbanden bespoedigen, maar vooral goede ideeën stimuleren.
Nanotechnici
Elke start-up krijgt 20.000 dollar startkapitaal. Hoewel ze pas in 2014 begonnen zijn, hebben een paar van deze kleine ondernemingen het op de Iraanse markt gemaakt. Maar ze zijn niet allemaal zo succesvol als de afgestudeerden die de computeringenieur Hamid Rabiee presenteert: 500 publicaties en 20 technologiepatenten in vijf jaar, en daarbij 45 start-ups uit de ‘incubator’ met big data en cloudexperts, een eigen sociaal netwerk, een gezondheidscloud en spin-offbedrijven, waarvan de een of de ander jaarlijks tot 75 miljoen dollar omzet moet maken.
Die bekwaamheid in zaken brengt ook de Raad van Wachters in het geweer. Toen de Iraanse regering een paar jaar geleden het ‘nanocouncil’ oprichtte, een nationaal stimuleringsprogramma, dat onlangs gevolgd werd door een programma voor hersenonderzoek ter waarde van 10 miljoen dollar en al snel uitgebreid kon worden met een biotechprogramma, telde men in het land 10 nano-onderzoekers met acht publicaties per jaar. Nu, tien jaar later, heeft Iran naar men zegt 20.000 nanotechnici, verdient het geld met 400 nanobedrijven, exporteert het naar zeventig landen en is het in de internationale ranking van het nano-onderzoek gestegen naar de zesde plaats.
In het ministerie van Wetenschap heet het daarom officieel: ‘Wij lossen onze economische problemen nu op met kennis.’ Zulke signalen komen aan. Helga Novotny, medeoprichtster en voormalige presidente van de Europese Onderzoeksraad, een van de vurigste pleitbezorgers van een vrije uitwisseling van wetenschappelijk onderzoek, die met de delegatie van de Bosch Stiftung is meegereisd naar Iran, ziet daarin ondanks al het Amerikaanse isolationisme en ondanks de Brexit een teken voor de toekomst: ‘De tijd is rijp om de internationale samenwerkingsverbanden opnieuw vorm te geven.’ Een opening zonder mitsen en maren? Een commentaar daarop van de religieuze hardliners in het centrum van Teheran was niet te krijgen.
Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.
De Iraanse overheid lijkt de populaire thuisvideoserie Sharzhad minder streng te beoordelen dan staats-tv-programma’s. Dat opent wellicht perspectieven.
In de jaren tachtig bestond de belangrijkste vorm van thuisvermaak in Iran uit twee televisiekanalen en twee radiostations. Voor wie genoeg had van het kijken of luisteren naar nieuws over de aanhoudende oorlog met Irak en de westerse sancties, bestond er maar één bron van vermaak: oude films uit de tijd van de voormalige sjah Mohammad Reza Pahlavi. Ondanks het gevaar van een boete of gevangenisstraf bleven mensen naar gesmokkelde en verboden huurvideo’s kijken.
Het kijken naar thuisvideo’s is nog steeds een van de weinige manieren om aan het radio- en televisiemonopolie van de Islamitische Republiek te ontsnappen. En een daarvan, de particuliere geproduceerde en voornamelijk via supermarkten gedistribueerde televisieserie Shahrzad, heeft volgens velen de grenzen van de officiële censuur in Iran verlegd.
Voor alle duidelijkheid: Shahrzad is een plaatselijke, legale productie. De vergunning is verleend door het ministerie van Cultuur en Islamitische Geleide, dat opereert onder supervisie van president Hassan Rohani, en niet door de Iraanse staatszender IRIB.
Shahrzad is de liefdesgeschiedenis van twee studenten in een historische context. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de jaren vijftig, op het moment dat zich een van de belangrijkste gebeurtenissen in het Midden-Oosten in die tijd voltrok: de nationalisering van de Iraanse olie-industrie. De staatsgreep van 19 augustus 1953, waarbij de toenmalige premier Mohammad Mossaddeq werd afgezet, komt ook aan bod, en dat vergroot de interesse onder de Iraniërs eens te meer. Hoewel het verhaal zich ontrolt in het kader van de historische pogingen van de premier om de Iraanse olie-industrie te nationaliseren, geloven velen dat de serie alleen maar een excuus is om iets te bespreken wat van alle tijden is.
Maar de meeste verbazing wekt Shahrzad door heel iets anders. Enkele jaren geleden werd door het regime van de ayatollahs opdracht gegeven een peperdure televisieserie te maken ter ere van de zoveelste ‘verjaardag’ van de Pahlavi-dynastie, die tussen 1925 en 1979 als sjah over ‘Perzië’ heerste. De productie ervan neemt nu al jaren in beslag, en tot dusver heeft de Iraanse staatstelevisie nog maar een paar van de tachtig afleveringen van Het raadsel van de sjah uitgezonden. De serie probeert iedereen die banden had met het voormalige Iraanse staatshoofd af te schilderen als corrupt. Ondanks de miljoenen dollars die aan de productie zijn besteed, wordt Het raadsel van de sjah als een mislukking beschouwd.
Komedies en sommige sociale taboes zoals aids en buitenechtelijke verhoudingen werden door de Iraanse televisie niet vertoond. Dit was een gat in de markt voor particulier geproduceerde dvd’s
Mohammad Rezah Adineh, filmregisseur en voormalig manager van het Iraanse Instituut voor Visuele Media, gaf Al Monitor een inkijkje in de oorzaken van het steeds grotere succes van programma’s die door de particuliere sector worden geproduceerd: ‘Komedies en sommige sociale taboes zoals aids en buitenechtelijke verhoudingen werden door de Iraanse televisie niet vertoond. Dit was een gat in de markt voor particulier geproduceerde dvd’s. Iedereen stopte ze in het supermarktmandje, naast het brood en de melk.’
De titelsong van Shahrzad, die verwijst naar het huisarrest van oppositieleider Mir-Hossein Mousavi, en ook de liefdesgeschiedenis en het sociaal-politieke script, hebben allemaal bijgedragen aan het succes van de serie. Componist Behzad Raeisi zei tegen Al Monitor: ‘De oorspronkelijke versie van de titelsong was anders. De laatste versie werd herschreven in samenwerking met scenarioschrijver en regisseur Hassan Fathi. De verwijzingen naar het huisarrest en de hartproblemen van Mousavi zijn wellicht in die tijd aan de tekst van de titelsong toegevoegd.’
Conservatieve kritiek
Aanhangers van Mousavi hebben onlangs zelfs een muziekvideo gemaakt van de song. Maar veel conservatieven in Iran nemen aanstoot aan de toespelingen in de tekst. Conservatieve media hebben tot dusverre milde kritiek geuit op Shahrzad, die louter van technische en artistieke aard was. Toch gaan er geruchten dat degenen die achter Shahrzad zitten uiteindelijk problemen met de conservatieven zullen krijgen.
Filmproducent Gholamreza Mousavi leverde al kritiek met zijn bewering dat de miljarden riyal kostende thuisvideo’s niet rendabel zijn, en dat degenen die zonder artistieke achtergrond in zulke series investeren, dat doen om geld wit te wassen. Hadi Razavi, een van de twee investeerders in Shahrzad, heeft deze opmerkingen van tafel geveegd en gezegd dat hij zeker weet dat zijn serie een financieel succes zal worden.
Shahrzad heeft nog een belangrijke kant. Adineh, de filmregisseur, zei tegen Al Monitor: ‘Het feit dat het ministerie van Cultuur een ander beleid voert dan de staatstelevisie, dat het beoordelingsbeleid daar anders functioneert en dat de regering zich in sommige opzichten flexibel toont om steun te verwerven, zal misschien tot een gevarieerder aanbod leiden.’
Daarom toont journalist Panah Fahradbahman zich een pleitbezorger van een van de succesfactoren van Shahrzad: ‘Het feit dat deze media op een andere manier beoordeeld worden dan gebruikelijk bij de staatstelevisie, en dat men zich minder gevoelig toont voor thuisvideo’s dan in het geval van radio, televisie en bioscoopfilms, heeft ervoor gezorgd dat die producties een andere toon hebben, van dialogen en verhaallijnen tot de kleding van de acteurs.’
De meeste deskundigen benadrukken inderdaad dat de huidige jonge Iraanse samenleving behoefte heeft aan verschillende stemmen op het gebied van kunst en cultuur. Dat is misschien de reden dat een serie als Shahrzad succes heeft, terwijl andere kostbare, door de staat gesteunde televisieseries minder warm worden onthaald.
Al-Monitor
Verenigde Staten | website | al-monitor.com
Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington D.C. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.
Ondanks de internationale sancties wist Iran de afgelopen jaren een bloeiende game-industrie op te bouwen. Een op de vier inwoners speelt intussen games, die vaak verwijzen naar de rijke Perzische geschiedenis en mythologie. Nu de economische blokkades zijn opgeheven, zijn de verwachtingen in de sector hooggespannen.
‘De Israëliërs dreigen met militaire actie,’ zegt de Iraanse geestelijk leider, terwijl een glimmend witte raket klaarstaat om te worden gelanceerd. ‘Maar ik denk dat ze weten dat de Islamitische Republiek Iran hen met de grond gelijk zal maken wanneer ze ons ook maar één haar krenken.’ Eén laadscherm verder en de raket is in de lucht. De gamer moet het vernietigende witte wapentuig door de Israëlische havenstad Haifa leiden.
In de afgelopen jaren hebben ideologisch getinte games als Missile Strike en Attack on Tel-Aviv het nieuws gehaald en het beeld van Iran in het buitenland mede bepaald. Bronnen beweren dat ze zijn ontwikkeld om geld op te halen bij de conservatieve vleugel van het Iraanse establishment. Maar de ontwikkelaars zeggen dat ze alleen maar reageren op provocaties van Israël en de VS. ‘De reden dat we in deze game expliciet een aanval op Israël laten zien, is dat zij hetzelfde doen bij ons, bijvoorbeeld in Battlefield,’ zei Missile Strike-maker Mehdi Atash Jaam in 2015 tegen het Iraanse persbureau Fars. Hij verwees naar de gesimuleerde grondaanval op Teheran in Battlefield 3, een game die is ontwikkeld door het in Stockholm gevestigde DICE, maar op de markt wordt gebracht door het Californische Electronic Arts (EA).
Toch zeggen veel Iraniërs die voor dit artikel zijn geïnterviewd dat ze nooit games als Missile Strike spelen. Een gamerecensent die niet met zijn naam in de krant wil omdat hij bang is voor represailles van de overheid, zegt dat deze opruiende games een verkeerd beeld schetsen van de opkomende Iraanse gamecommunity. ‘De gamers hier beschouwen die dingen niet eens als games,’ zegt hij.
Garshasp: The Monster Slayer is het eerste meesterstuk van de Iraanse game-industrie
De meeste Iraanse games hebben niets te maken met politiek en ideologie, hoewel het land waarin ze zijn gemaakt al decennialang in het nieuws is vanwege zijn kernprogramma, de oorlogen bij volmacht die het in het Midden-Oosten voerde, of de gijzeling van Amerikaanse ambassademedewerkers tijdens de Iraanse revolutie van 1979.
De internationale sancties die als gevolg hiervan werden afgekondigd, waren een harde klap voor de Iraanse gameontwikkelaars. Zij konden bijvoorbeeld geen licenties kopen van gameontwikkelingsplatforms. Omdat Iran werd buitengesloten van het internationale bankenstelsel, hadden de meeste Iraanse gamers geen creditcard en konden ze geen aankopen doen in de App Store of de Play Store. Grote namen in de game-industrie houden zich sinds 1979 ver van de Iraanse markt, ondanks de vraag naar succesvolle games als Call of Duty en Pro Evolution Soccer. Maar dit alles gaat wellicht veranderen nu een groot deel van de sancties is opgeheven.
Ahmad Ahmadi geldt als een soort ambassadeur van de Iraanse game-industrie. Hij is Chief Business Officer van Bonyad, een non-gouvernementele organisatie die die industrie subsidieert en reguleert. Een week voor de nucleaire deal, in juli 2015, toonde hij zich opgewonden over de mogelijkheden die zich aandienden. ‘Tot voor kort was Iran totaal onzichtbaar. Er was helemaal geen contact met de internationale gemeenschap. Als dat contact er wel komt, wordt Iran volgens mij een soort schateiland.’
Iran telt volgens Ahmadi ongeveer 18 miljoen gamers tussen de drie en veertig jaar oud. Daarmee is het ‘met afstand de grootste markt in het Midden-Oosten’, zegt hij. ‘Bijna een op de vier mensen in Iran gamet.’
Ahmadi begon zijn loopbaan in de luchtvaartindustrie en kwam geleidelijk in de technologiesector terecht. Toen er een baan bij Bonyad vrijkwam, werd hij getipt door een vriend. ‘Ik kende de game-industrie goed en had voor de lol een paar beurzen bezocht,’ zegt hij. Zo was hij in 1996 aanwezig op de eerste Tokyo Game Show, lang voordat Iran beschikte over iets wat zelfs maar in de verste verte leek op een game-industrie. En hoewel het sinds 1979 voor Iraniërs niet eenvoudig was om een Amerikaans visum te krijgen, bezocht Ahmadi de E3-beurs in Los Angeles [de grootste gamebeurs ter wereld].
‘In één maand zijn er in Iran vijf miljoen exemplaren van Pro Evolution Soccer verkocht,’ aldus Ahmadi. ‘Op computerbeurs Gamecom had ik het erover met een marketingmanager van EA. Hij wilde me niet geloven.’ Ahmadi is geïnteresseerd in deze grote spelers op de voetbalgamemarkt omdat hij een verkoopstrategie heeft bedacht voor partijen die tot de Iraanse markt willen toetreden. ‘Ze moeten rekenen op dezelfde inkomsten als in de VS, waar een exemplaar van FIFA voor 99 dollar [sic] wordt verkocht,’ zegt hij. ‘Maar als de sancties worden opgeheven en een bedrijf als EA hier vier miljoen exemplaren voor een tientje kan verkopen, is dat ook interessant, toch? Ook al bestaat er geen copyright in Iran, ik wil met dit soort partijen om de tafel om ze te vertellen dat ze hun games in Iran tegen een lokale prijs kunnen verkopen. Gamers kopen dan geen piratenversie, maar een origineel exemplaar, met alle bijbehorende opties.’ Tot die opties behoren bijvoorbeeld een versie in het Perzisch of de mogelijkheid om online te spelen.
De verkopen van piratenedities kelderen, de toekomst is aan onlinegames
Volgens iedereen die je het vraagt is Garshasp: The Monster Slayer het eerste meesterstuk van de Iraanse game-industrie. Het spel is ontwikkeld door studio Fanafzar Sharif met een budget van 350.000 euro – veel geld in Iran, waar de meeste games voor slechts een fractie van dat bedrag worden ontwikkeld. Het is een hack and slash-game, gebaseerd op de Perzische mythologie. In Iran werden er 300.000 exemplaren van verkocht, daarbuiten nog meer toen het spel via distributieplatform Steam werd verspreid. Buitenlandse recensenten noemden het een mindere kloon van het Amerikaanse God of War, maar de release van Garshasp in 2010 was het eerste duidelijke signaal van het bestaan van een Iraanse gamesector.
Omdat de Iraanse game-industrie destijds nog in de kinderschoenen stond, had men geen enkele ervaring met de ontwikkeling van grootschalige projecten als Garshasp. Vandaar dat Fanafzar Sharif de game pitchte bij Bonyad, dat in 2007 werd opgericht met steun van het Iraanse ministerie voor Cultuur en Islamitische Leiding. ‘Bonyad ontwikkelt zelf geen ideeën voor games,’ zegt productiemedewerker Mehrdad Ashtiani. ‘Maar als je een idee hebt en het wordt geaccepteerd, dan ondersteunen ze je financieel.’ Volgens Ashtiani werkt de organisatie aan verschillende projecten. ‘Sommige hebben succes, andere mislukken. Iraanse ontwikkelaars lopen tegen allerlei problemen aan, bijvoorbeeld het ontbreken van een wet op het auteursrecht. Ook staan Iraanse games in hetzelfde schap als de buitenlandse games waar ze mee moeten concurreren. Verder ontbreekt het aan een eerlijke prijsstelling voor Iraanse games.’
Het spel E.T. Armies bevat verwijzingen naar de oude stad Persepolis.
Het valt voor Iraanse games niet mee om het tegen buitenlandse concurrenten op te nemen als een keurig verpakte pirateneditie van Call of Duty: Black Ops 2 slechts 1,60 dollar kost, de standaardprijs voor een game in Iran. Het is een van Ashtiani’s grootste grieven en de reden waarom hij hoopt dat Iran op een dag auteursrechtwetgeving zal invoeren, al was het maar om de eigen industrie te beschermen.
Vooralsnog heeft Bonyad een unieke beleidsmaatregel doorgevoerd: het verstrekt holografische stickers aan Iraanse gameproducenten, waarmee deze elk exemplaar van hun buitenlandse piratengames moeten verzegelen voor ze over elektronicawinkels in het hele land worden verspreid. Het is zowel een vorm van censuur – ‘anti-islamitische’ games krijgen geen sticker – als een protectionistische maatregel die de ploeterende eigen ontwikkelaars ondersteunt.
De populairste platforms in Iran draaien op piraterijvriendelijke opslagmedia: cd’s en dvd’s. Handige computerfanaten die een broncode konden kraken en op een schijfje konden branden, werden ooit van het ene op het andere moment de leveranciers in een informele economie. Hun klanten waren niet alleen elektronicazaakjes, maar ook winkels waar veel gamers kwamen, zoals fitnesszaken en boekwinkels. Bedrijfjes die het best konden kraken, branden, verpakken en distribueren, groeiden uit tot de ‘gameproducenten’ van Iran.
AsreBazi is een van die bedrijven. Het behoort tot de grootste en oudste van Iran en drijft nog steeds vooral op illegale content. In hun ruim gesorteerde magazijn in Teheran vind je alles, van een versie van FIFA 2015 voor de PlayStation 1 tot Kinectimals voor de Xbox 360. Maar de laatste tijd kelderen zelfs de verkopen van piratenedities. AsreBazi’s omzet van games voor de pc is nog maar de helft van die van drie jaar geleden. Niet alleen hebben hogere internetsnelheden piratenedities onder ieders handbereik gebracht, ook kiezen Iraniërs dankzij de opkomst van de smartphone – meer dan de helft van de 80 miljoen inwoners van Iran bezit er een – steeds vaker voor mobiele games. ‘Het mobieltje en de tablet zijn in opkomst, naast onlinegames,’ zegt Amir Aliabadi, verkoopmedewerker bij AsreBazi. ‘Ik denk niet dat er over drie jaar nog fysieke games worden verkocht.’
Cafe Bazaar, een Iraanse Android-winkel die is opgericht in 2010, bevindt zich in de voorhoede van de markt voor mobiele games. Met meer dan 27 miljoen gebruikers en 55.000 apps, waarvan 8000 games, is dit het grootste digitale distributieplatform van Iran. Door de invoering van een tegoedsysteem heeft Cafe Bazaar eigenhandig freemiumgames mogelijk gemaakt [games waarvan de basisversie gratis is en die je kunt aanvullen met betaalde opties] in een land waar gebruikers online voor elke financiële transactie de gegevens van hun pinpas moeten invoeren. Twee van de meest verkochte titels van Bazaar voor de smartphone zijn Fruitcraft (meer dan 100.000 downloads) en Rooster Wars (800.000 geregistreerde gebruikers). Verschillende Europese gamebedrijven zijn in gesprek over de mogelijkheid de Android-versies van hun producten beschikbaar te maken voor de gebruikers van Bazaar. Een niet-officiële versie van Clash of Clans is al vier miljoen keer gedownload op het platform.
Popcultuur
De internationale sancties mogen dan de toegang van Iran tot de internationale markt hebben beperkt – satelliet-tv en ongecensureerd internet zijn officieel verboden, al zijn ze overal beschikbaar – ze hebben de instroom van de wereldwijde populaire cultuur nauwelijks kunnen verhinderen, laat staan die van de gamecultuur. Iran is een land waar de staatstelevisie het thema van de game God of War – en de muziek van Gustavo Santaolalla voor de game The Last of Us – gebruikt om kijkers aan te sporen tot nationale eenheid. En waar Battlefield 3, dat verboden is door de autoriteiten omdat het een invasie van Teheran laat zien, in elektronicawinkels wordt verkocht onder de codenaam ‘Zure Kers’.
Toen de Iraanse ontwikkelaar Raspina zijn game E.T. Armies presenteerde, een kunstig gemaakte kruising tussen Halo en Killzone, krabden de Iraanse spelers zich op het achterhoofd. ‘Dertig procent vroeg of het een buitenlandse game was,’ zegt Raspina-directeur Aria Esrafilian. ‘En ons antwoord was: “Nee, het is volledig Iraans.” Waarop zij vroegen: “Weet je zeker dat je niet gewoon een buitenlandse game hebt nagemaakt?”’
‘We hebben alles zelf aangeleerd,’ zegt Esrafilian, waarmee hij uitdrukking geeft aan een breed in Iran gedeeld sentiment. ‘Volgens mij heeft geen van onze ontwikkelaars ook maar één programmeercursus gevolgd, laat staan een cursus gamedesign.’ Net als een onbekend aantal Iraanse software-experts hebben de ontwikkelaars van Raspina hun kennis van het maken van games bijeengesprokkeld via onlinetutorials en discussieforums. Gaandeweg hebben ze het Engels opgepikt. Niemand krijgt betaald. En dus duurde het zes jaar om E.T. Armies te ontwikkelen.
De inval in Teheran in Battlefield 3.
Volgens ontwikkelaars heeft Iran geen behoefte aan deskundige programmeurs en ontwerpers, maar wel aan supervisie door projectmanagers, en aan buitenlandse producers en gamedesigners. Maar wat men tekortkomt op het gebied van gamedesign en management, compenseert men met de vormgeving. ‘Iraniërs hebben een rijke cultuur en geschiedenis, waaruit ze putten voor hun artistieke stijl,’ zegt Ahmad Ahmadi van Bonyad. ‘Dankzij deze erfenis kunnen ze iets unieks maken.’
Dat typisch Perzische bepaalt al heel lang de esthetiek van de Iraanse games. Het betoverde woud uit de game Khaleh Ghezi (‘Tante Ghezi’) vond zijn oorsprong in de tuinen van Perzië, terwijl de geschilderde huisjes op de achtergrond zijn ontleend aan traditionele landschappen uit de Perzische oudheid. Ook komen in het schietspel E.T. Armies buitenaardse ruïnes voor die, zoals een geoefend oog zal opvallen, subtiele architectonische verwijzingen naar de oude stad Persepolis bevatten.
Volgens gamejournalist Karimi Tar duikt de Perzische ondertoon zelfs op in de verhaallijn van de games. Als een van de oudste beschavingen ter wereld kan Iran, het vroegere Perzië, bogen op rijk historisch en mythologisch materiaal om inspiratie uit te putten. Het uit 1010 daterende Boek der koningen – algemeen beschouwd als een Perzisch literair meesterwerk – is van directe invloed op games als Garshasp, maar ook op schietspellen als Jonoun-e Siah (‘Zwarte gekte’) en Siavash (‘Legenden van Perzië’).
Khale Ghezi
‘Jonoun-e Siah is een fascinerend spel,’ aldus Karimi Tar. ‘Het draait om een schutter die is gebaseerd op Azhi Dahaka [‘Grote Slang’], een personage uit Het boek der koningen. Azhi Dahaka heeft twee slangen die aan zijn schouders ontspruiten, en die hij elke dag menselijke hersenen te eten moet geven. Daarnaast heb je twee goedhartige koks, die elke dag twee gevangenen selecteren. Ze laten er een op de vlucht slaan, in de hoop dat hij een leger op de been kan brengen dat op een dag sterk genoeg is om Azhi Dahaka te doden. De andere gevangene – de zwakste van de twee – wordt geofferd aan de slangen van Azhi Dahaka. Zo cool is de Iraanse mythologie.’
Dit is ook de reden dat E.T. Armies de postapocalyptische visioenen die vaak in westerse games worden uitgebeeld, van een Iraans tintje voorziet. ‘We zien de toekomst altijd via de beelden die Hollywood ons voorschotelt,’ zegt technisch directeur Mohammed Zehtabi. ‘Maar wat als de toekomst nu eens vanuit het perspectief van een Iraniër werd bezien?’
Polygon is een website voor videogames waarop nieuws, achtergronden, recensies en filmpjes zijn te vinden. De site werd twee jaar geleden gelanceerd en is eigendom
van onlineuitgeverij Vox Media, die de tijd rijp achtte voor een nieuwe vorm van gamejournalistiek, en het ontstaansproces vastlegde in de documentaire Press Reset: The Story of Polygon. Door aan serieuze journalistiek te doen en niet alleen te focussen op de games zelf maar ook veel aandacht te besteden aan de makers, fans en de wereld eromheen, onderscheidt Polygon zich van bekende concurrenten als Joystiq (waarvan een van de oprichters voorheen hoofdredacteur was), Kotaku en The Escapist. Daarnaast vinden de makers het belangrijk om op alle manieren in te spelen op de kenmerken van deze tijd: een gefragmenteerd publiek, een nieuwe vorm van adverteren, bijvoorbeeld door specifieke content te laten sponsoren, en voortdurende ontwikkelingen op technologisch gebied.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.