In Londen zijn onlangs enkele anti-Joodse aanslagen gepleegd
De Metropolitan Police, de politie van Londen, kondigde woensdag de oprichting aan van een ‘Community Protection Unit’ bestaande uit ongeveer honderd agenten, na een aantal antisemitische aanslagen in de Britse hoofdstad, meldt Sky News. Deze eenheid ‘zal zorgen voor een meer zichtbare, op inlichtingen gebaseerde en gecoördineerde aanwezigheid, gericht op de bescherming van Joodse gemeenschappen in heel Londen’, aldus de politie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Hoofdcommissaris Mark Rowley, die vorige week werd uitgejouwd tijdens een bezoek aan een gebied waar twee Joodse mannen waren neergestoken, verklaarde dat dit ‘een belangrijke stap is in het versterken van onze reactie op de voortdurende bedreigingen waarmee de Joodse gemeenschap wordt geconfronteerd’.
De tentoonstelling schildert Israëliërs af als bloeddorstig
Een naar verluidt antisemitische kunsttentoonstelling van de kunstenaar Matthew Collings is geannuleerd door de locatie waar de tentoonstelling van 16 tot en met 24 mei plaats zou vinden, de Delta House Gallery in Wandsworth. De tentoonstelling werd afgeblazen na een klacht van de lobbygroep UK Lawyers for Israel, schrijft The Jewish Chronicle.
Op een van de werken van Collings zou te zien zijn hoe veilingmeesters van Sotheby’s, een veilinghuis in handen van een Israëliër, een baby levend opeten. Andere aanstootgevende afbeeldingen in de tentoonstelling waren onder meer hakenkruizen in combinatie met de davidster, Britse politici die door Israël betaald worden en lachende IDF-soldaten die boven plassen bloed en schedels staan.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Een bijzonder opvallend werk toonde een naakte Benjamin Netanyahu met bloed dat uit zijn mond spuit en suggereerde dat hij anderen ‘hypnotiseerde’ om hen over te halen Iran binnen te vallen. De tekeningen waren vorige maand al tentoongesteld in een galerie in Margate, wat tot grote opschudding leidde.
In een reactie op negatieve recensies zei Collings onder meer: ‘Ik zie dat mijn tekeningen door rechtse figuren worden bekritiseerd omdat ze haatdragend zouden zijn. Dit doen ze om de aandacht af te leiden van hun werkelijke doel. Ik wil dat Israël stopt met mensen vermoorden (…) De realiteit is dat kinderen sterven. Gezinnen sterven. Mannen en vrouwen sterven. En niemand durft er iets van te zeggen vanwege deze valse aantijging van antisemitisme.’
Collings heeft ook berichten gedeeld die Hamas openlijk verdedigen. Zo deelde hij in oktober een bericht waarin stond dat de auteur geen ‘Hamas-apologeet’ was, omdat de groep ‘nergens excuses voor hoeft aan te bieden’.
De dader is een 35-jarige Brit van Syrische afkomst
Bij een terroristische aanslag die donderdag voor een synagoge in Manchester werd gepleegd op de joodse gemeenschap die Jom Kippoer (Grote Verzoendag) vierde, zijn twee doden en drie gewonden gevallen. ‘De dader is door de politie geïdentificeerd als Jihad Al-Shamie, een 35-jarige Brit van Syrische afkomst’, meldt de BBC.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Al-Shamie werd door de politie neergeschoten nadat hij met zijn auto op mensen was ingereden die zich voor de synagoge van Heaton Park, ten noorden van Manchester, hadden verzameld, en hen met een mes had aangevallen. De politie heeft drie arrestaties verricht: ‘twee mannen van rond de dertig en een vrouw van rond de zestig’, die ervan worden verdacht ‘terroristische daden te hebben gepleegd, voorbereid en aangemoedigd’, voegt het Britse medium toe.
Het schilderij werd in de oorlog van een Jood gestolen
Patricia Kadgien, de dochter van Friedrich Gustav Kadgien, bekend als Adolf Hitlers ‘financiële tovenaar’, wordt ervan beschuldigd het schilderij Portret van een dame bij haar echtgenoot te hebben verstopt. Dit 18e-eeuwse schilderij van de Italiaanse kunstenaar Giuseppe Ghislandi werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gestolen van een Joodse galeriehouder en waarschijnlijk door haar vader naar Argentinië gesmokkeld, merkt Clarín op.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Patricia Kadgien mag het land zes maanden niet verlaten. Het schilderij ter waarde van 50.000 dollar werd door een Nederlandse krant opgemerkt op een foto van een vastgoedadvertentie voor het huis van het echtpaar in Mar del Plata. Maar het schilderij was verdwenen toen de lokale politie het huis doorzocht. Het was de advocaat van het echtpaar die het aan de autoriteiten overhandigde.
Door Palestina te erkennen beloont Macron terreur, aldus de premier
De ‘gespannen’ relaties tussen Benjamin Netanyahu en Emmanuel Macron zijn ‘nog verder verslechterd’, zo meldt Politico. In een brief aan de Franse president beschuldigt de Israëlische premier hem ervan antisemitisme aan te wakkeren met zijn besluit om de staat Palestina te erkennen, ‘waardoor hun ruzie nog verder wordt aangewakkerd’.
Benjamin Netanyahu verwijst naar de antisemitische incidenten die de afgelopen maanden in Frankrijk hebben plaatsgevonden en probeert deze in verband te brengen met het beleid van Emmanuel Macron ten aanzien van Palestina. Hij verklaart: ‘Uw oproep tot een Palestijnse staat gooit olie op het vuur van het antisemitisme.’ ‘Dit is geen diplomatie, dit is verzoeningspolitiek. Dit beloont het terrorisme van Hamas, versterkt de weigering van Hamas om de gijzelaars vrij te laten, is een aanmoediging voor degenen die Franse Joden bedreigen en voedt de Jodenhaat die momenteel in uw straten heerst’, vervolgt hij.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
In zijn ‘stevige brief’ aan de Franse president, zoals The Jerusalem Post hem omschrijft, stelt Benjamin Netanyahu ‘het standpunt van Emmanuel Macron tegenover dat van de Amerikaanse president Donald Trump’, die hij prijst om zijn strijd tegen antisemitisme. ‘Zoals president Trump heeft aangetoond, kan en moet antisemitisme worden bestreden’, schrijft de Israëlische leider.
De ‘berisping’ van Benjamin Netanyahu lokte ‘een strijdlustige reactie uit Parijs’ uit, merkt The Times of Israel op. Deze analyse ‘is onjuist, verwerpelijk en zal niet onbeantwoord blijven’, antwoordde het Franse presidentschap, waarbij het aangaf dat het staatshoofd een formeel schriftelijk antwoord zou geven aan de Israëlische regeringsleider. Frankrijk ‘beschermt en zal altijd zijn landgenoten van joodse afkomst beschermen’, verzekerde het Elysée.
Emmanuel Macron had op 24 juli aangekondigd dat Frankrijk de staat Palestina officieel zou erkennen tijdens de Algemene Vergadering van de VN in september, wat hem al ‘een scherpe berisping’ van Israël had opgeleverd, aldus Politico. Het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië volgden kort daarna, ‘maar met bepaalde voorbehouden’.
Maandag 27 januari was het tachtig jaar geleden dat het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau door het Rode Leger werd bevrijd. Ongeveer vijftig voormalige kampgevangenen verzamelden zich maandag voor de ingang van het voormalige nazikamp, samen met koning Karel III, de Franse president Emmanuel Macron en tientallen andere wereldleiders.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Vandaag zijn we getuige van een enorme toename van antisemitisme, en het was juist antisemitisme dat leidde tot de Holocaust,’ waarschuwde Marian Turski, een 98-jarige overlevende, terwijl hij de plechtigheden opende voor een van de veewagens die werden gebruikt om slachtoffers te vervoeren naar het vernietigingskamp. De voorzitter van het World Jewish Congress, Ronald Lauder, benadrukte dat Auschwitz en de Hamas-aanval op Israël op 7 oktober 2023 beide werden geïnspireerd door ‘eeuwenoude Jodenhaat’.
‘De lessen van Auschwitz lijken nu te zijn verdampt,’ aldus een column in het Duitse tijdschrift Der Spiegel. ‘De politiek lijkt machteloos: (…) er worden in Duitsland nieuwe posten voor “commissarissen voor antisemitismebestrijding” gecreëerd, maar dit stelt niemand in de Joodse gemeenschap gerust. Integendeel, hoe meer van dit soort berichten er zijn, hoe duidelijker de onderliggende boodschap is: we hebben een enorm probleem,’ merkt de columnist op. Desondanks is ‘opgeven geen optie’, concludeert hij.
De dienstplicht van ultraorthodoxe Joden ligt zeer gevoelig
Het doel van deze oproepen voor tweeëndertig maanden verplichte militaire dienst voor mannen is om de ’rekruteringsdoelen te halen‘, aldus het leger, op een moment dat de strijdkrachten onder druk staan na meer dan een jaar oorlog in Gaza.
De dienstplicht van ultraorthodoxe Joden is een zeer gevoelige kwestie in het land: deze geestelijken, die ongeveer 14 procent van de Joodse bevolking van Israël uitmaken, zijn vrijgesteld van de dienstplicht omdat ze zich wijden aan het bestuderen van de heilige teksten van het Jodendom.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Deze regel werd ingevoerd bij de oprichting van de staat in 1948. Maar in juni maakte het Hooggerechtshof een einde aan deze regel. De terughoudendheid van de ultraorthodoxen ten opzichte van militaire dienst heeft deels te maken met de angst dat het hen zal verhinderen hun religie te beoefenen, legt Israel Hayom uit.
’De huidige strategie van het Israëlische leger is erop gericht om deze opvattingen te bestrijden door middel van een dialoog met religieuze leiders en door het creëren van infrastructuren die zijn aangepast aan de religieuze gebruiken van deze gemeenschap,‘ aldus de nieuwssite.
Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – gaf zich jarenlang uit voor jood en Holocaustoverlevende, totdat zijn bedrog aan het licht kwam. Dit geval staat niet op zichzelf: in Duitsland gebeurt het geregeld dat mensen de joodse identiteit aannemen. Welke redenen zitten daarachter?
De voorzitter van de joodse gemeente in Pinneberg is een gerespecteerd man. Hij staat voor een open, hervormd jodendom; keer op keer neemt hij aanstoot aan zijn orthodoxe geloofsbroeders. Hij streeft naar een interreligieuze dialoog en spreekt vaak en graag op oecumenische evenementen. Wolfgang Seibert, zoals deze drukbezette gemeenschapsleider heet, is een bruggenbouwer. En zo iemand doet het goed in Duitsland.
Al jaren is Seibert, met zijn uitgesproken joodse perspectief, een vaste gast in talkshows en wordt hij voor kranten geïnterviewd. Politici en andere beleidsmakers maken hem het hof. In 2017 ontvangt hij de Mensenrechtenprijs van Pro Asyl [de grootste pro-immigrantenorganisatie in Duitsland] en ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag in datzelfde jaar viert een aantal protestantse dominees zijn inspanningen met een ‘Liber amicorum voor Wolfgang Seibert’.
Tot in de herfst van 2018 het doek valt. Seibert blijkt helemaal niet joods, maar een fraudeur met meerdere veroordelingen op zijn naam. Een team van Der Spiegel ontdekte dat Seibert protestants is gedoopt en tijdens een verblijf in de gevangenis al eens een valse identiteit aannam. Die vijftien jaar als hoofd van de joodse gemeente in Pinneberg was slechts de laatste gedaanteverandering van deze oplichter.
Wilkomirski-syndroom
Seibert is geen opzichzelfstaand geval. Experts gaan ervan uit dat duizenden mensen in Duitsland doen alsof ze joods zijn. Het fenomeen komt zo vaak voor dat het een naam heeft gekregen: het Wilkomirski-syndroom. Het verwijst naar het verzinnen of vervalsen van joodse slachtoffer- of vervolgingsverhalen na de Holocaust, genoemd naar Binjamin Wilkomirski – eigenlijk Bruno Dössekker – die in de jaren negentig zijn concentratiekamp-autobiografie Bruchstücke publiceerde. Verzonnen, zo bleek.
Het recentste geval dat voor opschudding zorgde, is journalist Fabian Wolff. Jarenlang liet hij zich op grond van zijn uitgesproken joodse perspectief in de Duitse media nadrukkelijk kritisch uit over de staat Israël. Een vals perspectief, zo bleek later.
Waarom wenden zo veel bedriegers in Duitsland een joodse identiteit voor? Uitgerekend in het land waar tachtig jaar geleden gruwelijke misdaden tegen het jodendom werden gepleegd? Wat verwachten deze mensen – en wat zegt het ons over het land en zijn herinneringscultuur?
Dat mensen in Duitsland doen alsof ze joden zijn, is een fenomeen dat zich vooral na de Holocaust is gaan voordoen. De archieven van de joodse gemeenschap van Berlijn documenteren op indrukwekkende wijze hoe vele tientallen Duitsers na de Shoah plotseling hun vermeende joodse identiteit ontdekten – zowel daders uit de nazitijd als volkomen normale mensen.
Destijds gebeurde dat vooral om cynisch pragmatische redenen. Sommige daders hoopten dat hun sterke verhalen tot straffeloosheid zouden leiden, anderen hoopten er hun voordeel mee te doen. En misschien wilden sommigen ook hun geweten sussen. ‘Natuurlijk is het prettiger om niet te hoeven verwerken hoe het eigen volk de genocide op zes miljoen joden mogelijk heeft gemaakt,’ schreef auteur Philipp Peyman Engel onlangs in de Jüdische Allgemeine. Met een joodse identiteit wordt ‘wij Duitsers’ al snel ‘de Duitsers’. Maar wat is dan de verklaring voor de latere gevallen?
Claas-Hinrich Lammers is hoofdarts en medisch directeur van de afdeling voor affectieve stoornissen, acute psychiatrie en psychose van de Asklepios-kliniek Hamburg-Nord. Hij is onder andere gespecialiseerd in de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Als psychiater sprak hij al honderden bedriegers en chronische leugenaars.
‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen’
‘Je moet er voorzichtig mee zijn om dergelijk gedrag direct als ziekte te bestempelen,’ zegt Lammers aan de telefoon. ‘Niet iedereen met een storing is even gestoord.’ Veel bedriegers zijn uitgesproken narcisten, en daarvan zijn er volgens Lammers nogal wat in onze samenleving. Maar die zijn niet allemaal per se ziek.
‘Narcisten proberen op alle mogelijke manieren op te vallen,’ zegt Lammers. ‘Ze passen hun opvattingen gemakkelijk aan, als ze er maar hun voordeel mee kunnen doen en het aandacht oplevert.’ Hoe dat voordeel eruitziet verschilt per individu. ‘Voor sommigen gaat het om roem en eer, om een prominente positie,’ zegt Lammers. ‘Voor anderen is het geld en macht.’
Opvallend is dat sommige prominente gevallen in één aspect op elkaar lijken: de nep-joden hebben zichzelf herhaaldelijk op publieke posities gemanoeuvreerd om zich luid en duidelijk te bemoeien met het publieke discours.
Peter Loth bijvoorbeeld, die valselijk beweerde geboren te zijn in concentratiekamp Stutthof, verscheen na het einde van de oorlog als medeaanklager in een proces tegen de voormalige kampbewaker Bruno Dey. Tijdens zijn getuigenis stond Loth op, omhelsde Dey en vergaf hem. Een foto daarvan ging de hele wereld rond.
Otto Uthgenannt beweerde dat hij concentratiekamp Buchenwald had overleefd en dat zijn ouders en zus daar waren vermoord. In werkelijkheid kwam Uthgenannt uit een protestantse familie die nooit is vervolgd. Desondanks gaf hij als ‘getuige uit die tijd’ jarenlang lezingen.
Wolfgang Seibert en Fabian Wolff namen ook uitgesproken posities in. De eerste als twistzieke vertegenwoordiger van een zogenaamd modern jodendom, de tweede als criticus van de vermeend onrechtvaardige staat Israël.
‘Geen bedrieger zonder iemand die zich laat bedriegen,’ zegt psychiater Lammers. Wil je dat een verzonnen identiteit werkt, dan moeten er andere mensen zijn die het plaatje compleet maken. ‘De vraag is waarom Duitsland dit nodig lijkt te hebben.’
‘Mensen die een joodse identiteit bedenken, vervullen een behoefte,’ zegt Barbara Steiner. De historicus en judaïst bestudeert al jaren Duitsers die christelijk zijn opgegroeid en zich op een bepaald moment in hun leven bekeren tot het jodendom – of dat nu een echte bekering of bedrog is.
Innerlijk conflict
Voor Steiner zijn verzonnen joodse biografieën een uitdrukking van een diepgeworteld onbehagen over het Duitse verleden. ‘Door deze identiteit aan te nemen, lossen ze een innerlijk conflict op,’ zegt ze aan de telefoon. ‘Ze kunnen er niet mee overweg afstammelingen van daders te zijn.’
Dat geldt echter niet alleen voor enkele individuen, zegt Steiner, maar voor de meerderheid van de Duitse maatschappij. ‘Niet alleen de afstammelingen van overlevenden van de Holocaust hebben te kampen met een emotioneel zwaar beladen erfenis. De nakomelingen van de daders hebben er ook mee te maken, maar bij hen is die het gevolg van falen en vaak genoeg komt daar ook nog antisemitisme bij kijken,’ zegt de historicus. ‘Als bedriegers dan een rol spelen die erbij past, door zich verzoenend of juist kritisch op te stellen, dan wordt dat maar al te gemakkelijk geaccepteerd.’
Peter Loth speelde bijvoorbeeld zo’n rol in de naoorlogse jaren. Door zijn vermeende kwelgeest te vergeven, gaf hij een even schadelijk als welkom signaal af: alles is weer goed.
‘Voor mij tonen de vele verzonnen joodse identiteiten aan dat Duitsland nog wat in te halen heeft in de verwerking van het nationaalsocialisme,’ zegt Steiner. De Bondsrepubliek heeft weliswaar geweldige initiatieven ondernomen en monumenten opgericht, maar in de individuele familiegeschiedenissen ontbreekt het nog steeds aan een gevoel van schuld. ‘Ik denk dat er vaak geen echt schuldbewustzijn was of is.’
Walter Rothschild ziet dat anders. Volgens de Brit, die zo’n 25 jaar als rabbijn voor verschillende joodse gemeenschappen in Duitsland heeft gewerkt, is de herdenkingscultuur in Duitsland eerder positief te duiden. Hij ziet in brede lagen van de bevolking een verlangen naar wiedergutmachung. Bedriegers die zich voordoen als joden zijn extreme gevallen, meent Rothschild.
Maar ook hij wordt in zijn praktijk steeds weer met het fenomeen geconfronteerd. Hij is immers degene die bepaalt wie als jood wordt geaccepteerd in de gemeenschap en wie niet. ‘Er zitten opvallend vaak mensen voor me die zo graag joods willen zijn dat ze ergens in hun stamboom een overgrootmoeder proberen op te graven met een joods klinkende naam,’ zegt hij. ‘Dat verbaast me elke keer weer, vooral omdat het zo vaak voorkomt.’
‘Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht’
Op de vraag waarom dit zo is, heeft Rothschild ook geen bevredigend antwoord. ‘Misschien schamen ze zich,’ zegt hij, ‘of is hun eigen identiteit niet goed genoeg. Als jood in Duitsland worden ze iets exotisch of speciaals, hun positie krijgt gewicht.’
Deze ‘exotisering’, vervolgt Rothschild, is een product van de Duitse samenleving zelf. Sinds de Shoah wordt in dit land vooral gesproken over ‘wij Duitsers’ en ‘de joden’, ook als de intentie positief is. ‘Toch zijn veel joden hier ook Duitsers, net als de anderen,’ zegt de rabbijn. Die speciale positie kan uiteindelijk bijzonder aantrekkelijk zijn voor bedriegers.
‘Als je op zoek bent naar speciale aandacht, is het de vraag of er iets voorhanden is om dat verlangen te bevredigen,’ zegt psychiater Lammers. ‘Maar de meeste mensen hebben daar de juiste talenten niet voor, dus gaan ze op zoek naar een identiteit die hen speciaal maakt.’
Maar wat maakt dit alles dan zo problematisch? Rabbijn Rothschild denkt even na. ‘Het probleem is niet zozeer wat deze mensen over zichzelf denken – iedereen wil wel Batman of Superman zijn,’ zegt hij. ‘Het wordt pas lastig wanneer ze vanuit hun positie als vermeende jood dingen beweren over het joodse leven of over Israël.’
Barbara Steiner ziet dat net zo. ‘Zo ontstaan er vervormde beelden, ideeën over het jodendom die niet echt zijn, maar een cliché,’ zegt ze. ‘En als die eenmaal de wereld in zijn gestuurd, kunnen ze niet zo gemakkelijk weer worden opgeruimd.’
Het kan ook onderdeel zijn van een groter probleem, zoals Steiner zegt. Want het beeld dat die mensen met een valse identiteit creëren, is sinds de naoorlogse periode met het telkens oplevende antisemitisme meeveranderd. ‘In het begin waren het nog overlevingsverhalen, die tot vergeving leidden,’ zegt ze. ‘Maar recenter, ook met de toenemende antisemitische tendensen in onze samenleving, gaat het om mensen die Israël en het jodendom op het beledigende af bekritiseren.’
Jaarlijkse mars leidt opnieuw tot schermutselingen
Ongeveer 50.000 Israëliërs verzamelden zich donderdag in Jeruzalem voor de jaarlijkse vlaggenmars op Jom Jeroesjalajiem, oftewel Jeruzalemdag. ‘De politie was de hele dag in touw om schermutselingen tussen Joden, Arabieren en journalisten op te breken’, schrijft The Jerusalem Post.
‘De mars volgde zijn traditionele route, beginnend vanuit het stadscentrum (…) en splitste daarna in tweeën, waarbij de mannen verder liepen door de Damascuspoort en de Moslimwijk en de vrouwen door de Jaffapoort gingen, waarna de twee groepen weer samenkwamen’, aldus de krant. Journalisten die verslag deden van de vlaggenmars werden donderdagmiddag bij de Damascuspoort aangevallen door de rechtse betogers die aan de mars deelnamen, waarbij ‘de deelnemers hen uitscholden en met verschillende voorwerpen sloegen’, aldus het artikel.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Een aantal betogers met Israëlische vlaggen begaf zich in de aanloop naar de vlaggenmars naar de Damascuspoort, waar schermutselingen plaatsvonden tussen Joden, Arabieren en de politie. Ook op andere plaatsen in de Moslimwijk van de Oude Stad werden schermutselingen tussen Joden en Arabieren gemeld.
Tijdens Jom Jeroesjalajiem wordt gevierd dat Oost-Jeruzalem inclusief de Oude Stad na de Zesdaagse Oorlog van 1967 in Israëlische handen viel. Elk jaar vinden tijdens de mars gevechten plaatst als de nationalistische Joodse deelnemers door het Palestijnse deel van het oude stadscentrum trekken.
Tachtig jaar geleden, op 19 april 1943, begon de opstand in het getto van Warschau, een van de beroemdste daden van Joods verzet tegen de Holocaust. De strijders wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden lieten zich niet zonder verzet vermoorden.
Keuze uit het archief
De wereld herdacht vorige week maandag de bevrijding van Auschwitz, die dit jaar tachtig jaar geleden plaatsvond. Het kamp staat algemeen bekend als hét symbool van de holocaust. Miljoenen Joden werden als schapen, vaak nietsvermoedend, naar de slachtbank geleid. Toch waren er ook Joden die liever strijdend ten onder gingen, ook al wisten ze dat hun lot bezegeld was. Dit artikel van FAZ uit 2023, geschreven door hoogleraar Holocaust- en Joodse Studies Stephan Lehnstaedt, vertelt het heroïsche epos van de Opstand van Warschau.
Het zou voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg geen mooie dag worden. Nochtans was het in Warschau prachtig warm lenteweer, en in de parken stond alles in bloei. Maar hij had werk te doen, wat voor de SS- en politieleider betekende dat hij Joden naar het vernietigingskamp Treblinka moest deporteren. Die dag, 19 april 1943, zou het einde van het getto van Warschau inluiden. De Duitse vernietigingsmachinerie was geoefend, de logistiek efficiënt en de benodigde mankracht relatief klein. Op deze actie had de SS zich bijzonder goed voorbereid en zich van extra manschappen verzekerd, zodat alles soepel zou verlopen.
Maar de twee colonnes die in de vroege ochtend vanuit het zuiden de toegangspoorten tot de Nalewki- en Zamenhofstraat binnengingen, kwamen niet ver: ze waren nog maar net op het plein achter de poort aangekomen, of ze werden vanuit de omliggende huizen beschoten en bekogeld met handgranaten en molotovcocktails. In de Nalewkistraat hielden de Duitsers bijna twee uur stand voordat ze zich ongeorganiseerd terugtrokken en hun doden moesten achterlaten. In de Zamenhofstraat werd een van hun twee tanks in brand gestoken, zodat ze het getto al na een half uur halsoverkop verlieten.
Sammern-Frankenegg werd dezelfde dag nog vervangen door Jürgen Stroop. Eigenlijk was Stroop al eerder aangewezen om de actie in het getto te leiden, maar door communicatieproblemen had hij vertraging opgelopen. De nieuwe SS- en politieleider liet zijn mannen ’s middags opnieuw aantreden in de Nalewkistraat, en daarnaast kwam er een opmars vanuit het noorden naar het Muranowskiplein. Met dezelfde afloop. Onder zwaar vuur moesten de SS’ers het getto verlaten. Op die dag konden ze niemand deporteren, maar hadden ze wel twaalf eigen doden te betreuren.
Besef
Zo begon de opstand in het getto van Warschau, die de geschiedenis zou ingaan als de beroemdste daad van Joods verzet tegen de Holocaust. Tot 16 mei 1943 voerden de Duitsers regelmatig felle gevechten met de opstandelingen, totdat Stroop uiteindelijk in zijn rapport aan Berlijn de beruchte zin noteerde: ‘Er bestaat geen Joodse woonwijk meer in Warschau!’
Op die bewuste dag in april werd de SS verrast door de felheid van het verzet. Toen de bezetter in de zomer van 1942 begon met de deportaties naar Treblinka en daar in ruim anderhalve maand tijd zo’n 350.000 mensen vermoordde, waren de bewoners van het getto niet in staat tot gecoördineerde verdediging. In het getto woonden nog steeds bijna 60.000 mensen. Ongeveer de helft daarvan had een werkkaart en werd gedoogd door de Duitsers, de anderen waren er illegaal en leefden in permanente angst voor de volgende arrestatiegolf.
De deportaties hadden aangetoond dat de Duitsers niet geïnteresseerd waren in een economische exploitatie van het getto. Veel bewoners hadden de honger, ellende en epidemieën kunnen doorstaan in de hoop dat de oorlog een keer voorbij zou zijn en ze bevrijd zouden worden. Maar nu drong tot ze door dat de moorden door de Einsatzgruppen en de vergassingen die sinds voorjaar 1942 in het kader van de Aktion Reinhardt waren begonnen, zonder uitzondering voor alle Joden golden; het was slechts een kwestie van tijd voordat ook de laatsten in de vernietigingskampen zouden sterven.
Dit besef was een langzaam proces. Inmiddels weten we dat zes miljoen mensen zijn omgekomen in de Holocaust en zijn we gewend om het nationaalsocialistische moordprogramma te zien als onderdeel van de Tweede Wereldoorlog. Maar dat is een ahistorische veronderstelling, want zelfs de nazileiders gingen er tot ver in 1941 van uit dat zij de Joden alleen maar uit hun machtssfeer zouden deporteren – naar de Sovjet-Unie of naar Madagaskar bijvoorbeeld. Pas met de aanval op het rijk van Stalin raakte die gedachte volledig achterhaald. De uitroeiing, eerst met kogels en later door vergassing, bleek een gestaag escalerende, vaak geïmproviseerde moordorgie zonder gedetailleerd masterplan te zijn.
In het getto van Warschau kregen ze wel informatie. Er had zich een groep rond de historicus Emanuel Ringelblum gevormd die systematisch informatie verzamelde, archiveerde en verspreidde. Toegegeven, het is onmenselijk om te beseffen dat je lot onvermijdelijk is. Maar voorlopig leek de situatie in Warschau onder controle: een tyfusepidemie met bijna 90.000 doden, die sinds de zomer van 1941 had gewoed, leek overwonnen. Tegelijkertijd draaiden de werkplaatsen van het getto op volle toeren, en ze leverden zelfs genoeg op om de weinige levensmiddelen te kunnen betalen die door de Duitsers waren toegestaan.
Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn
De berichten over massamoorden in het Oosten waren zeker verontrustend – maar ook ver weg. Bovendien was er geen alternatief: verzet tegen de bezetter zou gelijkstaan aan zelfmoord, en massaal op de vlucht slaan was volkomen onrealistisch; het was zelfs als individu al vrijwel onmogelijk om te kunnen overleven in de vijandige wereld aan de ‘Arische kant’ buiten de gettomuren. Toen de treinen naar Treblinka begonnen te vertrekken, kwam het er dus op neer een schuilplaats of – tegen betaling – een werkvergunning te regelen om op het ‘overslagpunt’ niet aan boord van een van de transporten te hoeven gaan.
Hoop, verdringing en het overleven van dag tot dag beheersten het getto van Warschau tot aan de herfst van 1942. De enkelen die eerder hadden gepleit voor actieve verzetsdaden en die soms hardhandig tot de orde werden geroepen, waren in korte tijd de morele leiders geworden. Dat het zo niet verder kon, daar was iedereen het wel over eens. Maar terwijl de oudere activisten van de vooroorlogse partijen en bewegingen een vlucht wilden organiseren van tenminste de culturele en sociale elite, verwierpen de jongere dit voorstel met klem: er moest geen onderscheid worden gemaakt wanneer een heel volk met vernietiging werd bedreigd.
De jeugdorganisaties, op de eerste plaats die van Haschomer Hazair, Dror en Akiba, verenigden zich in juli 1942 tot de Joodse Strijdersorganisatie (Żydowska Organizacja Bojowa, ŻOB) – een naam waarin het streven al besloten lag. Al in september drongen de eerste leden aan op een onmiddellijke staking tegen de Duitsers, terwijl anderen, waaronder de belangrijkste leiders, ervoor pleitten om eerst grondige voorbereidingen te treffen.
Veel tijd was er niet. Op 18 januari 1943 keerde de SS terug naar het getto om bewoners bijeen te drijven voor deportatie. De ondergrondse had dit niet verwacht, maar reageerde toch. Losse groepen van de Strijdersorganisatie, voornamelijk uit de gelederen van Haschomer Hazair onder leiding van Mordechai Anielewicz, meldden zich vrijwillig aan voor deportatie – en openden vervolgens het vuur op de mannen van Sammern-Frankenegg. Dit was geen gecoördineerde verzetsactie, maar ze creëerde wel genoeg chaos om de Duitsers te verrassen en hen te dwingen zich te reorganiseren. In de volgende vier dagen waren er herhaaldelijk afzonderlijke vuurgevechten, ook met andere groepen van de ŻOB. Toch slaagde de SS erin om meer dan vijfduizend mensen te deporteren naar Treblinka. Het plan was om er achtduizend te deporteren.
Bittere les
Voor de Joodse Strijdersorganisatie was dit dus gedeeltelijk een succes, maar ook een bittere les. Veel strijders, waaronder vrouwen, die op gelijke voet streden met de mannen, stierven door toedoen van de zwaarbewapende Duitsers – bij wie er ook twaalf sneuvelden en ongeveer vijftig gewond raakten. Dit was van doorslaggevend belang voor de legitimering van het verzet, want het versterkte de reputatie van de ŻOB en toonde aan dat die in staat was de bezetter het hoofd te bieden. Bovendien: omdat veel inwoners van het getto gehoor hadden gegeven aan oproep om onder te duiken, had de ŻOB bewezen leiding te kunnen geven.
Mordechai Anielewicz ontsnapte ternauwernood aan de Duitse kogels. Zijn daadkrachtige en spontane optreden maakte hem tot held en droeg eraan bij dat de andere groepen hem tot hun opperbevelhebber kozen. Dat was vooral een symbolische functie, want ook in april handelden de groepen zelfstandig, als losse verzetscellen, en veel minder in termen van gecoördineerde actie.
Anielewicz had zelfs aanzien verworven bij de Polen, wat het gemakkelijker maakte om overeenstemming te bereiken met hun belangrijkste verzetsorganisatie, de Armia Krajowa. In de daaropvolgende weken ontving de verzetsbeweging 90 pistolen, 600 handgranaten, 15 kilo explosieven, een licht machinegeweer en materiaal om molotovcocktails te maken. Toch was het eerder een symbolisch teken van steun voor de vervolgde Joden, want het nationale Poolse verzet beschikte op dat moment alleen al in haar magazijnen in Warschau over een veel groter arsenaal. Alleen de socialistische ondergrondse – die weliswaar lang niet zo invloedrijk en goed uitgerust was als de Armia Krajowa – had echte sympathie voor de gettostrijders.
Mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende?
Maar eerst moest er lering worden getrokken uit de bloedige botsing met de SS. Sommige lessen waren duidelijk: om snel te kunnen reageren was het van optimaal belang om mobiele gevechtsgroepen zo decentraal mogelijk te stationeren en ervoor te zorgen dat ze hun eigen wapendepots zo dicht mogelijk in de buurt hadden. Een concentratie van alle strijders in één zone moest worden vermeden, maar de communicatielijnen tussen de afzonderlijke eenheden moesten wel worden verbeterd. Het was ook belangrijk om het getto te beveiligen tegen collaborateurs, want er hadden al verschillende keren arrestaties plaatsgevonden vanwege aanklachten.
Om dat te voorkomen moest een taboe worden doorbroken: mochten Joden andere Joden doden als dat een hoger doel diende? Het doel van het verzet was niet om elk leven te redden en kon dat ook niet zijn. Marek Edelman zei uiteindelijk over het strategisch doden van andere Joden: het kon noodzakelijk zijn – niet om te voorkomen dat anderen zouden sterven, maar om überhaupt een opstand uit te kunnen voeren. Zijn woorden wogen des te zwaarder omdat Edelman een overtuigd humanist was. Dat bleef hij ook na de oorlog, zelfs toen de Volksrepubliek Polen hem als lid van Solidarność gevangenzette. Tot zijn dood in 2009 was hij een gerespecteerde stem van de rede.
Het verzet had financiële middelen nodig. In de nacht van 29 op 30 januari 1943 plunderde de ŻOB daarom de kas van de Judenrat van Warschau. Na een tip van Marceli Ranicki – in Duitsland bekend als [de literatuurcriticus] Marcel Reich-Ranicki – die destijds voor de Judenrat werkte, vervalsten zij de handtekening van de Judenrat-voorzitter en meldden ze zich om twee uur ’s nachts bij de kassier. Leden van de ondergrondse, gekleed in de uniformen van Joodse politieagenten uit het getto, vertelden de kassier dat de Gestapo geld nodig had. Zo ontving het verzet 150.000 zloty en zag het zijn reputatie verder groeien, vooral omdat de Judenrat de Gestapo informeerde maar er vervolgens niets gebeurde.
Er was dus al veel in gang gezet in het belang van de ŻOB. Maar een zegevierende opstand tegen de Duitse militaire en vernietigingsmachinerie was nog steeds uitgesloten. De materiële situatie van de opstandelingen was hopeloos, en uiteindelijk was het slechts een kwestie van tijd tot de SS ook de laatste Joden zou deporteren. In principe had de Strijdersorganisatie geen andere optie. Weliswaar was er altijd verzet geweest in kleine getto’s in de bezette Sovjet-Unie, maar daar konden de overlevenden naar de omringende bossen vluchten en proberen zich aan te sluiten bij eenheden van de partizanen. Een vriendelijk ontvangst was echter niet gegarandeerd en de omstandigheden bleven ook na de vlucht levensbedreigend.
De ondergrondse van het getto van Warschau stond voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet
Voor meer dan 50.000 Joodse inwoners van Warschau was zo’n ontsnapping een illusie – in de omgeving waren geen uitgestrekte bossen en een massale ontsnapping was absoluut niet realistisch. Zelfs kleine groepen gewapende strijders die dat vanuit andere getto’s in Polen hadden geprobeerd, werden vaak verraden en vervolgens weggevaagd door de Duitsers. Substantiële hulp uit Polen was niet te verwachten, ook al werd er – net als in West-Europa – wel samengewerkt om kinderen te redden. De ondergrondse van het getto van Warschau stond dus voor het fundamentele dilemma van elk Joods verzet: acties met kans op succes waren er niet. Maar afwachten of kleine speldenprikken uitdelen, zoals partizanen en nationale groepen deden – uiteenlopend van het Franse verzet tot de Armia Krajowa – was met de Holocaust in volle gang geen optie.
De Strijdersorganisatie wist maar al te goed dat haar situatie hopeloos was – net zoals die van alle Joden trouwens. Ze had goed door wat het Duitse plan was en dat het vaststond dat het Europese Jodendom van de aardbodem moest verdwijnen. Met het oog hierop wilde Warschau op zijn minst een bewijs van Joodse eer achterlaten. ‘Misschien omdat de bewuste keuze tussen leven en dood de laatste kans is voor iemand om zijn waardigheid te behouden,’ in de woorden van Marek Edelman. Het ging de leden van de ŻOB om een bewuste beslissing over hun levenseinde. Ze wilden de strijd met de Duitsers aangaan, ook al was die hopeloos. Ze wilden een signaal afgeven aan de wereld: Joden zouden zich niet zonder verzet laten vermoorden. De strijd om het getto van Warschau moest een baken worden voor de levenswil van zijn inwoners.
Bunkers
De opstand was niet gepland als een collectieve zelfmoord, maar alle strijders wisten dat ze konden omkomen. Dat was hun keuze. Er was geen wroeging tegenover degenen die zich niet bij hen wilden of konden aansluiten, bijvoorbeeld omdat zij voor hun gezin en kinderen moesten zorgen.
De beschuldiging dat de Joden zich als lammeren naar de slachtbank hebben laten leiden, komt niet voort uit het discours van die tijd, maar hoort eerder thuis in extreemrechts naoorlogs revisionisme. Tijdens de oorlog werd deze uitdrukking anders gebruikt en omgezet in een positieve oproep om de wapens op te nemen. Het verzet wist heel goed dat andere inwoners van het getto bepaald niet zonder eer waren of zich uit lethargie vrijwillig hadden laten deporteren. Edelman zei na de bevrijding: ‘Deze mensen gingen rustig en waardig. Het is verschrikkelijk om zo rustig je dood tegemoet te gaan. Dat is veel moeilijker dan schieten. Het is veel gemakkelijker om al schietend te sterven.’
De ŻOB zag zichzelf als de elite van het getto van Warschau. Ze bestond slechts uit ongeveer driehonderdvijftig strijders, plus nog een paar helpers. Ze wilde ook geen massaorganisatie worden. Kleine losse groepen waren bereid te helpen tijdens de confrontatie met de Duitsers, maar het merendeel van de gettobewoners was op zichzelf aangewezen. Geconfronteerd met de dreiging van een volgende deportatiegolf, bereidden ze wanhopig schuilplaatsen voor, bij voorkeur ondergronds, bevoorraad en met meerdere ingangen. Ze verwachtten dat ze in deze bunkers, waarvan er ongeveer zeshonderd waren, enkele weken zouden moeten verblijven, totdat de beproeving voorbij was.
Poolse steun bleef meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen
In feite zouden de gevechten vele dagen duren, want de ŻOB was goed geïnformeerd en bevond zich naar omstandigheden in een optimale positie. Zo kon ze op 20 april zelfs de zeer symbolische Joodse vlaggen met de davidster verdedigen die op het Muranowskiplein wapperden. Op het terrein van de werkplaatsen in het getto, die fysiek gescheiden waren van het hoofdgetto, leden de Duitsers een zware nederlaag toen een enorme explosie hun opmars tot staan bracht en vele levens eiste. Ze reageerden met grootschalig gebruik van vlammenwerpers en zelfs met luchtbombardementen, waardoor het hele gebied in brand kwam te staan.
De opstandelingen kregen weinig hulp van buitenaf. Weliswaar slaagde een eenheid van het Poolse communistische verzet onder leiding van de Joodse strijder Niuta Tajtelbaum erin een van de Duitse mitrailleursnesten uit te schakelen die het getto beschoten, maar verder bleef Poolse steun meestal beperkt tot woorden en de levering van een enkel klein wapen.
Op de vijfde dag moest het verzet het Muranowskiplein ontruimen. De Duitsers haalden de vlaggen weg en veranderden hun aanpak. In plaats van in colonnes – die vanuit huizen in een hinderlaag konden worden gelokt en beschoten – rukten ze nu op in enkele pelotons. Omdat veel van de Joodse strijders al waren gevallen en de levenden weinig munitie over hadden, gebruikte ook de ŻOB een nieuwe tactiek: ze trokken zich terug in de bunkers en verlieten deze alleen om vanuit hinderlagen te kunnen toeslaan. De laatste grote slag met de Duitsers werd op 27 april geleverd, toen enkele honderden mensen die gedeporteerd zouden worden, werden bevrijd.
Geen optie
Tegen eind april was echt verzet geen optie meer. De eerste strijders zouden nu moeten proberen door de riolen naar de ‘Arische kant’ te vluchten om daar te overleven en eventueel steun te vinden. Maar die was er nog steeds niet. En dus kamde de SS huis na huis uit en stichtte opzettelijk brand om verscholen Joden de straat op te drijven, naar de deportatietreinen. Omdat de plafonds meestal van hout waren, veranderde het getto in één brandend inferno.
Degenen die in bunkers zaten, verging het weinig beter. Begin mei hadden de Duitsers de meeste grotere schuilplaatsen al ontruimd en op 7 mei vonden ze ook de commandobunker van de ŻOB in de Milastraat 18. Daar verbleven ongeveer vijfhonderd mensen. De meesten van hen stierven toen Stroop een dag later gas naar binnen liet pompen. Onder de doden waren ongeveer honderdtwintig leden van de Strijdersorganisatie, onder wie hun leider Mordechai Anielewicz.
Op 16 mei liet Stroop de Grote Synagoge opblazen en verklaarde hij dat de opstand was onderdrukt. Het had minstens vijftienhonderd man bijna een maand gekost om te zegevieren na felle huis-aan-huisgevechten met Joodse strijders die in de minderheid waren, volstrekt onvoldoende uitgerust, militair onervaren en verzwakt door hun lange tijd in het getto. Officieel bevestigde de SS- en politieleider zestien eigen doden en vijfentachtig gewonden; de werkelijke aantallen liggen waarschijnlijk minstens een factor tien hoger.
De foto’s die hij gebruikte om zijn verklaring te illustreren waren bijzonder effectief. Ze werden wereldwijd verspreid, vooral de foto van een jongetje dat geschrokken en met opgeheven armen naar de camera rent. Het is het perspectief van de dader die zijn eigen overwinning illustreert met propagandistische bedoelingen. Niet het Joodse verzet is te zien, maar het moment van de Duitse triomf. Dat is vertekenend, want de verzetsleden wilden natuurlijk geen aanwijzingen nalaten, noch met foto’s noch met documenten. Het ontbreken van hun perspectief heeft historisch onderzoek vaak onbedoeld beïnvloed.
Nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid
Ongeveer tachtig leden van de ŻOB overleefden de opstand, maar slechts een tiental overleefde het einde van de oorlog. Hoewel de chaos van die lente mogelijkheden had geboden voor enkele ontsnappingen, zou het nog anderhalf jaar van onderdrukkende bezetting duren, voordat de bevrijding een feit was. Daarin was sprake van een niet-aflatende vervolgingsterreur. En terwijl de Duitsers systematisch alle gebouwen op het terrein van het voormalige getto opbliezen en op het puin concentratiekamp Warschau inrichtten, was het verhaal van het Joodse verzet nog niet voorbij: nieuws over de opstand in het getto van Warschau had zich als een lopend vuurtje verspreid. De voorbeeldfunctie voor vele andere verzetsactiviteiten kan nauwelijks worden overschat.
Niet in de laatste plaats waren er de opstanden en massale ontsnappingen in de vernietigingskampen Treblinka en Sobibor in 1943, en de opstand van het Sonderkommando in Auschwitz-Birkenau in 1944. Ook voor de opstand van Warschau in 1944, waarbij veel ondergedoken Joden aan Poolse zijde vochten, was de opstand van 1943 een voorbeeld.
Al in 1946 werd in de Poolse hoofdstad een eerste kleine gedenksteen opgericht voor de Strijders van het getto, in 1948 gevolgd door het beroemde gedenkteken waarvoor Willy Brandt in 1970 knielde: de vervolgden waren de overwinnaars geworden.
Auteur Stephan Lehnstaedt is hoogleraar Holocauststudies en Joodse Studies aan het Touro College in Berlijn.
De Italiaanse regering heeft de financiering goedgekeurd voor een langverwacht Holocaustmuseum in Rome, bericht The Local. In de Italiaanse hoofdstad werden tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna tweeduizend Joden opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd. Een nationaal museum in de hoofdstad zal bijdragen ‘aan het levend houden van de herinnering aan de Holocaust’, aldus een regeringsverklaring, nadat ministers eerder deze maand instemden met de financiering van het project.
Volgens de Italiaanse minister van Cultuur Gennaro Sangiuliano wordt 10 miljoen euro apart gezet voor de bouw van het museum. Ruth Dureghello, hoofd van de Joodse gemeenschap van Rome, verwelkomde het nieuws maar riep wel op tot het vaststellen van ‘definitieve tijdschema’s’. Die oproep is niet zo verwonderlijk, want al sinds de jaren negentig wordt er gesproken over plannen voor de bouw van het museum. Volgens Luca Zevi, de architect die verantwoordelijk is voor het project, zou het museum binnen drie jaar klaar moeten zijn.
De vrouw werkte als secretaresse in een concentratiekamp
In de Duitse stad Itsehoe is een vrouw van 97 veroordeeld voor haar rol in de holocaust. Zij heeft een voorwaardelijke celstraf van twee jaar gekregen voor medeplichtigheid aan de moord op ruim tienduizend mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Deutsche Welle kan het proces de laatste zaak zijn waarin iemand terechtstaat voor misdaden gepleegd tijdens de oorlog.
Irmgard Furchner werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekamp Stuffhof in Polen. Joden en krijgsgevangenen van de nazi’s moesten daar dwangarbeid doen. Daarnaast waren er ook gaskamers in het kamp nabij Gdansk. Zeker 65.000 mensen vonden er de dood.
Furchner faciliteerde de situatie in het kamp door het invullen van papierwerk en het bijhouden van administratie. Ze werd veroordeeld volgens het jeugdrecht, omdat ze tussen 1943 en 1945, toen ze in het kamp werkte, tussen de 18 en 19 jaar oud was. In haar slotverklaring zei haar advocaat dat ze betreurt dat ze een rol in het kamp, zelfs al was het een administratieve.
In het hart van New York woont een gemeenschap van zeker honderdvijftigduizend chassidische joden. Zij kwamen na de holocaust vanuit Hongarije naar de VS en hebben niets van hun traditionele cultuur verloren.
De meest gemêleerde stad van Amerika is New York. Het meest gemêleerde stadsdeel van New York is Brooklyn. En de meest gemêleerde buurt van Brooklyn is Williamsburg. De welgestelde dertigers die vanuit Manhattan de wijk binnenstromen, hebben hoogstens een vaag idee dat een paar straten van hun favoriete restaurants met Michelinsterren en hun extreem geprijsde natuurwijnbars vandaan de gesloten wereld van de ultraorthodoxe chassidische joden schuilgaat.
Ongeveer ter hoogte van South 9th Street begin ik meestal te merken dat ik in een ander universum ben terechtgekomen. De mannen dragen zwarte jassen en hoeden, hebben baarden en peies [pijpenkrullen langs de slapen] en voeren gesprekken in het Jiddisch op klaptelefoons die afkomstig lijken uit de jaren negentig. De vrouwen dragen lange rokken en pruiken. Ze duwen bijna allemaal een kinderwagen voort en lopen met een schare kinderen door de drukke straten van Brooklyn. Dikwijls ben ik de enige in de omgeving die er zichtbaar niet thuishoort. Alle levensmiddelenwinkels, bakkers en restaurants zijn strikt koosjer, de meeste hebben Jiddische opschriften. Dit alles in hartje New York, op één metrohalte afstand van Manhattan.
In het kort
• De meeste Hongaarse chassidische joden werden tijdens de holocaust vermoord, maar de gemeenschap herrees in New York.
• Afgekeerd van de buitenwereld leven er honderdvijftigduizend chassidim met Hongaarse wortels in hartje Brooklyn.
• De traditionele gemeenschap heeft de Hongaarse invloeden in haar cultuur bewaard: gevulde kool evenzeer als Hongaarse volksliederen.
Telkens als ik een oudere man zie, stap ik op hem af en vraag ik hem iets – in het Hongaars. De meesten antwoorden, zonder enig teken van verrassing, in die charmante, weliswaar wat roestige volkstaal die je zelfs in Hongaarse dorpjes nog maar weinig hoort. Niet veel mensen weten dat een aanzienlijk deel van de chassidisch-joodse gemeenschap in Brooklyn oorspronkelijk afkomstig is uit Hongarije. Ik heb die buurt ontdekt toen ik in New York woonde. Sindsdien kom ik er regelmatig terug. Het is vooral aan mijn Hongaars-zijn te danken dat ik veel mensen in deze verder sterk naar binnen gekeerde gemeenschap heb kunnen leren kennen.
De geschiedenis van het chassidisme in Hongarije gaat terug tot het begin van de negentiende eeuw, toen deze ultraorthodoxe stroming, gebaseerd op de joodse mystiek (kabbala), populair werd in de kleine joodse gemeenschappen in het noordoostelijke deel van het toenmalige Hongarije. In tegenstelling tot de seculiere joden in de steden waren de chassidim tegen assimilatie: ze hielden vast aan hun oude gewoontes en vormden grote dynastieke gemeenschappen onder de strenge leiding van een charismatische leider (rebbe of tsaddik).
In 1944-’45 werd bijna de totale joodse bevolking van Hongarije uitgeroeid, met uitzondering van een deel van de joden in Boedapest. De meesten werden vermoord en het handjevol chassidische holocaust-overlevenden emigreerde naar Israël en naar de Verenigde Staten.
Grote dynastie
Vandaag de dag wonen honderdvijftigduizend chassidische joden van Hongaarse afkomst in de wijken Williamsburg en Borough Park in Brooklyn. De grootste dynastie draagt de naam Satmar, afkomstig van de voormalige Hongaarse stad Szatmárnémeti, nu Satu Mare in Roemenië, waar de legendarische rabbijn Joël Teitelbaum voor de oorlog een grote gemeente had opgebouwd. Teitelbaum was een van de weinigen die aan de deportatie wist te ontkomen doordat hij mee mocht met de Kastner-trein [vernoemd naar de Hongaars-joodse advocaat Rudolf Kastner, die tijdens de holocaust joden uit bezet Europa smokkelde].
In 1946 verhuisde hij naar New York, waar hij met enorme inspanning zijn gemeenschap nieuw leven inblies. Naast Satmar zijn er ook belangrijke andere chassidische dynastieën in Brooklyn die vernoemd zijn naar (voormalige) Hongaarse plaatsen, zoals Munkatch (Munkács, nu Mukatjsevo, Oekraïne), Popa (Pápa), Klausenburg (Kolozsvár, nu Cluj, in Roemenië), en er zijn ook kleinere gemeenschappen, zoals Kaliv (Nagykálló), Kerestir (Bodrogkeresztúr) en Liska (Olaszliszka).
‘Sommige van deze plaatsen zijn na de Eerste Wereldoorlog buiten de landgrenzen van Hongarije terechtgekomen, maar de joden daar hebben zichzelf altijd als Hongaars beschouwd,’ zegt Yosef Rapaport, een gerespecteerde chassidische leider in Borough Park. ‘Mijn moeder komt uit Mihályfalva (Roemeens: Boarta), mijn vader uit Halmi (Halmeu). Beide plaatsen hoorden toen al bij Roemenië, maar thuis spraken ze Hongaars. De meeste orthodoxe joden in Brooklyn spreken tot de dag van vandaag Jiddisch met een Hongaars accent.’
Al zijn de Hongaren in aantal het grootst, er bestaan ook Poolse, Russische en Oekraïense chassidische gemeenschappen in Brooklyn. Voor een buitenstaander lijken die allemaal op elkaar, maar er zijn veel kleine verschillen. ‘De Hongaren staan bekend om hun gastvrijheid. In een Hongaars chassidisch huishouden staat altijd vers bereid eten klaar, en in de Hongaarse synagogen is er gratis koffie in overvloed’, vertelt Alexander Rapaport, de zoon van Yosef, die de oprichter is van Masbia, een joodse organisatie voor voedselverdeling. ‘Hongaarse vrouwen kleden zich eleganter; ingehouden en overeenkomstig de chassidische regels, maar je kunt toch zien dat ze Hongaars zijn.’
Restaurant Gottlieb’s
In tegenstelling tot in Williamsburg hebben in Borough Park niet alle chassidische joden Hongaarse wortels, maar onder de meer dan driehonderd kleine synagoges van de buurt heb ik wel gebedshuizen ontdekt met de naam van de Hongaarse plaatsen Sopron, Debrecen en Mád. De hoofdstraat van de wijk, 13th Avenue, heeft de naam van Raoul Wallenberg aangenomen om de Zweedse diplomaat te eren die in de Tweede Wereldoorlog tijdens zijn uitzending naar Boedapest het leven van duizenden Hongaarse joden redde. Veel van de overlevenden kwamen uiteindelijk hier terecht.
In Williamsburg ga ik meestal eerst naar familie-restaurant Gottlieb’s. Het is een druk koosjer eethuisje vol met in het zwart geklede joodse mannen met een hoed op. Het restaurant wordt geleid door Menashe Gottlieb, een ingehouden Satmarer van middelbare leeftijd met blonde peies. Menashes grootvader, Zoltán Gottlieb uit het Hongaarse Kisvárda, die na de Hongaarse opstand van 1956 naar de VS was gevlucht, richtte het restaurant op in 1962, omdat hij de smaken van thuis miste. Sinds de opening is er niet veel veranderd. De neonopschriften en de inrichting zijn origineel, en goulash, gevulde kool, pasta met kool (káposztás tészta), aardappelknoedels (nudli, ook bekend als sjlisjkes) en ‘paprika-aardappelen’ (paprikás krumpli) vormen nog steeds het aanbod, al worden er tegenwoordig ook koosjere Chinese gerechten geserveerd om te voldoen aan de vraag van de gasten.
Nu steeds meer oude mensen zijn over-leden, wordt er minder Hongaars gesproken in de straten van Brooklyn. ‘Vroeger werden er bij de kiosken Hongaarse kranten verkocht,’ vertelt Nathaniel Deutsch, hoogleraar aan de Universiteit van Californië, die een boek heeft geschreven over de geschiedenis van Williamsburg. De kinderen van de geëmigreerde Sat-marers spreken geen Hongaars meer, laat staan hun kleinkinderen, zoals Menashe. ‘Mijn generatie kent slechts enkele woorden,’ zegt hij.
Verschillende gasten komen om ons heen staan als ze horen waar we het over hebben. ‘Toen ik klein was, gingen mijn ouders op Hongaars over als ze niet wilden dat ik begreep wat ze zeiden,’ vertelt een jonge man. Dat het Hongaars als een soort geheimtaal van de volwassenen wordt gebruikt, heb ik gehoord van veel mensen.
Toch heeft ook de jonge generatie niet alle binding met het land van herkomst verloren. Iedereen kent bijvoorbeeld Hongaarse volklsiederen, waarvan Szól a akakas már het beroemdst is. ‘Dit is veel meer dan zomaar een liedje. Het is het nationale volkslied van de Hongaarse chassidische joden, een uiting van een emotioneel beladen verlangen naar Jeruzalem,’ zegt Yosef Rapaport. De oorsprong van het lied kan worden teruggeleid naar rebbe Izsák Eizik Taub uit Nagykálló, die in de negentiende eeuw het Hongaarse volksliedje aanvulde met een aantal Hebreeuwse regels over het Beloofde Land. Ik heb zelf gezien hoe mensen het met veel bezieling zongen.
Na de sjabbat
‘Kom maar terug op zondag, na de sjabbat zijn de gerechten vers gemaakt, en dan hebben ze de meeste keus,’ tipte een van de gasten me. Ik volg zijn advies op. Vroeg op de avond is er geen vrije tafel meer, er zit een gemengd publiek van stamgasten: chassidische joden van verschillende dynastieën, gewone orthodoxen en ook niet-religieuze joden. ‘Sommige mensen komen van ver, want ze missen het eten van hun grootmoeder,’ vertelt Menashe. David Rabinowicz, een luidruchtige klant van rond de zestig, hoort dat ik uit Hongarije kom en begint een lang verhaal over zijn voorouders die hij kan terugvoeren op de opperrabbijn van Sátoraljaújhely. Vervolgens draagt hij me op een mooie joods-Hongaarse vrouw voor hem te vinden.
Hongaarse chassidische vrouwen gaan er prat op dat ze elke avond vijf gangen op tafel zetten
De gevulde kool wordt gemaakt met rundergehakt, zonder zure room, om te voldoen aan de joodse spijswetten (kasjroet) die het combineren van etenswaren met melk en met vlees verbiedt, evenals uiteraard het eten van varkensvlees. Het is wat zoeter dan wat ik in Hongarije gewend ben, maar erg lekker. Hongaars eten is natuurlijk niet alleen bij Gottlieb’s te krijgen. De meeste bakkers in de buurt verkopen bijvoorbeeld túrós batyu, een met verse kaas gevuld zoet broodje, en kakaós csiga, een opgerold cacaobroodje. De lekkerste lecsó (groenteprutje van uien, tomaat en paprika), paprikás (goulash met room), rakott krumpli (ovengerecht met aardappels, ei en worst), gehaktballen, aranygaluska (zoetigheid van gistdeeg en walnoten) en flensjes worden thuis gemaakt. ‘Hongaarse chassidische vrouwen gaan er prat op dat ze elke avond een vijfgangenmaaltijd op tafel zetten,’ zegt Alexander Rapaport, ‘daarom gaan veel mensen niet naar restaurants. En als ze dat wel doen, eten ze liever iets anders, koosjer Chinees of Japans.’
De Hongaarse invloeden gaan verder dan taal en gastronomie. ‘Er zijn verschillende chassidische religieuze gebruiken die hun wortels hebben in Hongarije,’ vertelt Yosef. In de negentiende eeuw trokken veel chassidische joden uit Galicië naar Hongarije in de hoop op een beter leven, en ze werden sterk beïnvloed door de omstandigheden daar. Op dat moment waren in Hongarije de hervormingsgezinde zogeheten neologen in een strijd gewikkeld met hun behoudende geloofsgenoten, wat later inderdaad tot een schisma leidde. ‘De Hongaarse orthodoxen wezen elk streven naar hervormingen af,’ zegt Yosef. Dat beviel de chassidim heel goed, en ook nu nog gelden bij de Hongaarse chassidische groepen de strengste regels in Brooklyn.
Voor hen bestaat de zin van het leven uit het onophoudelijk bestuderen van de Tora
Het chassidisme is veel meer dan een religie, het is ook een levenswijze. De regels hebben betrekking op de kleinste details van het leven, vooral bij de Satmarers. Voor hen bestaat de zin van het leven uit het onophoudelijk bestuderen van de Tora en het stichten van grote gezinnen. De buitenwereld geldt voor hen als moreel verdorven, vol storende factoren en seksuele verleiding. Om die te vermijden worden jongens en meisjes van kleins af aan van elkaar gescheiden. Vrouwen mogen zich niet kleden op een manier die seksuele verlangens zou kunnen opwekken. Na hun huwelijk scheren vrouwen hun hoofd kaal en dragen ze een hoofddoek of een pruik.
Televisie is verboden, de meeste huishoudens hebben geen internet. Smartphones mogen alleen die mensen gebruiken die ze nodig hebben voor hun werk, en ze moeten er censuursoftware op hebben die verboden zaken zoals porno blokkeert. Zelforganiserende kringen en zogenaamde modesty committees controleren of iedereen zich aan de regels houdt. De leden van deze commissies struinen door de conservatieve buurten en disciplineren bijvoorbeeld vrouwen die zich opvallend kleden en controleren of mannen een bewijs bij zich hebben dat er een filter op hun telefoon is geïnstalleerd. Volgens de algemene opvatting voert de commissie de wil van de rebbe uit.
De jongens gaan naar een religieuze school (jesjiva), waar ze hun dagen doorbrengen met de interpretatie van de Talmoed, het wetboek van de joodse godsdienst en ethiek. Ze hebben weinig seculiere vakken, zo leren ze helemaal geen geschiedenis en nauwelijks wiskunde. Daardoor hebben scholieren geen idee wat er buiten hun besloten gemeenschap gebeurt. Ze hebben zo weinig contact met de buitenwereld dat velen van hen slecht Engels spreken, ook al wonen ze in de Verenigde Staten (op school en thuis is de voertaal Jiddisch).
Huishoudster
De meisjes worden opgeleid tot huishoudster, niet tot Tora-deskundige, dus zij zijn praktischer en spreken ook beter Engels. Dat komt bij pasgehuwden soms goed uit. ‘Toen ik op mijn twintigste aan het werk ging in het restaurant en facturen moest schrijven en e-mails moest beantwoorden, leerde mijn vrouw me de basis van de Engelse grammatica. Ik kon nog niet eens one, two, three goed opschrijven,’ vertelt Menashe.
Op hun achttiende, als ze klaar zijn met de jesjiva, trouwen de mannen. Het is de taak van de ouders om een partner te vinden voor hun kinderen. Het beoogde paar ontmoet elkaar hoogstens een of twee keer persoonlijk (terwijl de ouders in een belendende kamer wachten), voordat ze beslissen of er sprake is van wederzijdse sympathie. Zo ja, dan kunnen de voorbereidingen voor de bruiloft beginnen.
In het begin werkt de vrouw en ze ondersteunt haar man financieel, terwijl hij nog een paar jaar een Tora-opleiding voor volwassenen volgt. Na de geboorte van het eerste of het tweede kind doen de vrouwen meestal fulltime het huishouden en gaan de mannen werken. Een gemiddeld chassidisch gezin heeft zes tot acht kinderen: dat is de reden dat de gemeenschap, die in de holocaust bijna helemaal uitgeroeid is, weer zo groot is geworden. De 44-jarige Menashe heeft bijvoorbeeld negen kinderen en drie kleinkinderen. Meer dan de helft van de joodse kinderen in New York is tegenwoordig afkomstig uit een chassidisch gezin.
De gemeenschap doet haar best om de buitenwereld bij zich vandaan te houden
De chassidische wijk van Williamsburg doet me nog het meest denken aan een groot dorp. De gemeenschap doet haar best om de buitenwereld bij zich vandaan te houden. Woningadvertenties verschijnen uitsluitend op chassidische fora, dus buitenstaanders krijgen ze niet te zien. Maar daar zouden ze ook niet veel aan hebben, want de advertenties zijn in het Jiddisch opgesteld. De meeste bedrijven willen zich hier helemaal niet vestigen (producten van Starbucks of McDonald’s zijn voor de bewoners verboden). Aan weerszijden van de twee hoofdstraten van de wijk, Lee Avenue en Bedford Avenue, bevinden zich koosjere bakkers, winkeltjes met religieuze accessoires, pruikenmakers en interieurwinkels. Als ik het niet wist, zou ik niet bedenken dat ik in Amerika ben.
Tenminste één keer per jaar bezoekt elke chassied de rebbe. Vergeleken met een rabbijn – de leider van een niet-chassidische joodse gemeenschap – heeft een rebbe meestal veel meer macht en invloed. ‘Je moet hem zien zoals de paus bij de katholieken,’ zegt Menashe. Sommigen vragen hem om advies, anderen willen zijn zegen voor Jom Kipoer – Grote Verzoendag, de belangrijkste joodse feestdag – of voor de geboorte van een kind. In alledaagse religieuze kwesties, bijvoorbeeld wat te doen als tijdens het klaarmaken van vlees het mes in contact is gekomen met een melkproduct, wordt de plaatselijke Talmoed-deskundige om raad gevraagd. De Satmarers hebben op dit moment twee rebbes, Aaron en Zalman Teitelbaum, nadat de dynastie in de strijd om de opvolging na de dood van hun vader in 2006 in tweeën is gescheurd.
Het is echter niet zo dat chassidische mannen de hele dag in de synagoge zitten te bidden. ‘Joel Teitelbaum heeft zijn volgelingen nadrukkelijk opgedragen om werk te zoeken,’ zegt professor Deutsch. Aangezien ze geen seculiere opleiding hebben, vinden ze meestal een betrekking binnen de gemeenschap. Sommigen worden koosjer-opzichter of leraar in de jesjiva, maar de grootste werkgever is de woonsector. Er zijn veel projectontwikkelaars, hypotheekverstrekkers en bouwopzichters onder hen, maar loodgieter, elektricien en vrachtwagenchauffeur zijn ook veelvoorkomende beroepen. Vroeger bood het Diamond District van Manhattan emplooi aan een groot aantal chassidim, maar de diamantindustrie is al decennialang in verval. Voor degenen die in Manhattan werken is er een directe busverbinding, zodat de mannen niet worden blootgesteld aan de aanblik van ‘uitdagend’ geklede vrouwen in de New Yorkse metro.
Op een vrijdagavond sluit ik me aan bij de sjabbat-ceremonie van de Satmarers. De dienst wordt gehouden in de Biksad-synagoge, die zijn naam dankt aan de plaats Bikszád, nu het Roemeense Bixad. De eenvoudig ingerichte zaal zit stampvol met elegant geklede chassidische mannen van alle leeftijden, die met grote inleving heen en weer bewegend bidden en van tijd tot tijd in zingen uitbarsten. De getrouwde mannen dragen enorme ronde bonthoeden (sjtreimel).
Wantrouwen
In mijn normale kleren, met een geleend keppeltje op mijn hoofd en met mijn gladgeschoren gezicht moet ik een rare aanblik bieden, want de leden van de gemeente kijken me allemaal wantrouwig aan. Gelukkig arriveert Menashe, een beetje verlaat, en stelt iedereen gerust dat ik een kennis van hem ben uit Hongarije. Na de ceremonie verzamelt zich een kleine menigte om me heen en de mensen vragen me uit, onder meer over de koosjere restaurants van Boedapest (waarvan er overigens niet veel zijn).
Als Hongaar ben ik nergens zo enthousiast ontvangen als bij de joden van Williamsburg. Soms neem ik Amerikaanse kennissen mee naar die buurt en dan blijkt dat hun die speciale behandeling niet toekomt. Vanuit het standpunt van de chassidim is dat te begrijpen. Een beetje gechargeerd: in mij zien ze een vertegenwoordiger van hun land van herkomst, dat als bron van hun tradities geldt, en in een gewone Amerikaan een indringer uit de kwaadaardige buitenwereld.
De koosjere restaurants van Boedapest kennen ze omdat ze bijna allemaal in Hongarije zijn geweest om het graf van hun voorouders of de wonderrebbes te bezoeken. ‘In Hongaarse dorpjes waren er ook beroemde jesjiva’s of rabbijnen die wetenschappelijk werk deden. Die plaatsen betekenen veel meer voor ons dan mensen in Hongarije zich kunnen voorstellen. Wij leven in een parallelle werkelijkheid,’ zegt Yosef glimlachend.
Elk voorjaar reizen tienduizenden chassidim uit Brooklyn voor een paar dagen naar Bodrogkeresztúr. Ze maken de pelgrimstocht naar deze kleine plaats in de wijnstreek Tokaj om de legendarische Jesjaja Steiner eer te bewijzen bij zijn graf en er wenslijstjes achter te laten. Hij was een wonderrebbe die een vroom leven leidde. Hij verzorgde de zieken en de armen, zonder verschil te maken tussen joden en niet-joden. ‘Zelfs de gojim (niet-joden) kwamen hem om een zegen vragen,’ zegt Yosef. Als ik vraag waarom de volgelingen van andere dynastieën naar het graf van de rebbe in Bodrogkeresztúr gaan, antwoordt Yosef dat Jesjaja Steiner boven alle richtingen stond.
Een neef van Yosef, Dov Berish Weber, is een gepassioneerd onderzoeker van chassidische genealogie. Hij beschouwt het als zijn missie om een database samen te stellen van de grafstenen op de duizenden verlaten joodse begraafplaatsen in Hongarije, inclusief de gebieden die voor de Eerste Wereldoorlog bij Hongarije hoorden. De geïdentificeerde grafstenen worden door een non-profitorganisatie gerenoveerd, in samenwerking met de Hongaarse autoriteiten. De herstelwerkzaamheden betreffen meestal de hele begraafplaats. In de laatste jaren zijn dankzij hen de joodse begraafplaatsen van Makó, Kisvárda en Tokaj gerestaureerd, waarmee belangrijke cultuurschatten zijn gered.
Na de sjabbatdienst gaat Menashe op vrijdagavond naar huis voor een feestelijk avondmaal met zijn gezin. Ze zingen, drinken wijn en eten traditionele Oost-Europese joodse gerechten, bijvoorbeeld barches (gevlochten brood), gefilte fisj, matzeballensoep en appelcompote. De eetgewoonten van de chassidim worden steeds meer beïnvloed door die van de Sefardische joden (joden die tot 1492 op het Iberisch Schiereiland woonden en zich daarna verspreidden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten), dus steeds vaker verschijnen hummus, auberginecrème en andere gerechten uit het Midden-Oosten op hun menu. Op zaterdagochtend zit Menashe tweeënhalf uur in de synagoge te bidden. Als hij thuiskomt, staat de tafel al volgeladen: gekookte zalm of kabeljauw, eieren met uien en gehakte lever en het traditionele gerecht voor de sjabbat: sólet (cholent).
Op de sjabbat is het verplicht om warm te eten, maar het is verboden vuur te ontsteken en te koken, dus zetten de vrouwen de pot met sólet al op vrijdag in de oven, zodat het precies gaar is voor het middagmaal op zaterdag.
Over de regels die het werken op de sjabbat verbieden zijn veel clichés bekend, en het klopt dat de chassidim op de rustdag zelfs geen lamp aandoen (meestal is er een tijdsklok in hun woning geïnstalleerd). De precieze naleving van de regels kan evenwel tot serieuze discussies leiden. In Borough Park wordt bijvoorbeeld door een draad die om elektriciteitspalen wordt gespannen (eroev) het gebied afgebakend waar het op zaterdag is toegestaan om een kinderwagen voort te duwen en een gebedenboek te dragen. Dit maakt het leven makkelijker voor velen, in de eerste plaats voor vrouwen. De hardliners van Satmar zien hierin echter een ontheiliging van de sjabbat.
Ook het bestaan van de staat Israël verdeelt de chassidische gemeenschap sterk. De Satmarers en andere Hongaarse groepen veroordelen het zionisme ten scherpste, want in hun opvatting kan Israël pas na de komst van de Messias worden hersteld. Zolang blijven zij liever in ‘ballingschap’ in de Verenigde staten. De uit Rusland afkomstige en eveneens zeer invloedrijke Chabad-Lubavitch-dynastie staat veel welwillender tegenover Israël. Veel volgelingen menen ook dat de Messias al is gekomen, in de persoon van hun in 1994 overleden rebbe.
De twee groepen staan niet op goede voet met elkaar. Volgens de Satmarers probeert de Chabad-dynastie, die bekendstaat om haar wervingspraktijken, regelmatig leden van hun gemeenschap naar zich toe te lokken. (In Hongarije is het werk van Slomó Köves en zijn organisatie EMIH (Verenigde Hongaarse Joodse Congregatie) gelieerd aan de chassidische Chabad-beweging, die na de omwenteling in Hongarije is verschenen.)
De laatste tijd waren er verschillende films die de besloten wereld van de chassidische joden proberen te ontsluiten, waarvan de Netflix-miniserie Unorthodox de bekendste is. In de meer kritische films is te zien dat vrouwen in de gemeenschap op een vernederende manier worden behandeld: zij zijn ertoe veroordeeld om kaalgeschoren, in totale isolatie en in potsierlijke, ouderwetse kleren hun leven te wijden aan het opvoeden van hun kinderen. Ik heb ook geen chassidische vrouwen kunnen interviewen, want ze spreken met geen andere man dan hun eigen echtgenoot. Als ik toch eens enkele woorden kan wisselen met Menashes vrouw in het restaurant, stel ik haar vooral vragen over de situatie van vrouwen. Meestal antwoordt ze dat een huwelijk anders niet werkt, zoals je ook kunt zien aan het grote aantal scheidingen in de buitenwereld.
De politieke invloed van de rebbes is zeer groot
Behalve de onderdrukking van vrouwen is ook de politieke kracht van de chassidim een punt van kritiek. Aangezien de leden van de gemeenschap in de regel de aanwijzingen van de rebbe volgen, en dus ook dienovereenkomstig als eenheid hun stem uitbrengen, is de politieke invloed van de rebbes zeer groot. Senatoren, gouverneurs en lokale leiders in New York maken hun opwachting bij de Satmarer en andere rebbes om hun steun te krijgen. In ruil daarvoor geven ze grote hoeveelheden geld en doen ze allerlei concessies. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de chassidim eigen rechtbanken, politie en ambulancediensten hebben en dat de meest fundamentele wetten met betrekking tot seculier onderwijs niet gelden voor de jesjiva’s.
Vergevingsgezind
Mijn niet-religieuze joodse kennissen in New York vinden het gedrag van de chassidim gênant en ze lopen in een grote boog om hen heen. Als ik in Williamsburg ben, probeer ik niet te oordelen. Misschien ben ik ook wat vergevingsgezinder omdat het me ontroert dat die mensen aan de andere kant van de wereld nog Hongaars spreken of er trots op zijn ‘Hongaarse chassidim’ te zijn, terwijl ze juist door Hongarije hun geboortegrond moesten verlaten en een groot deel van hun familie hebben verloren.
Het doet me denken aan dorpen in het oosten van Hongarije, waar voor de holocaust de orthodoxe joden de motor van de economie waren. Tokaj komt in me op, de wijnstreek die tot op de dag van vandaag niet hersteld is van het verlies van de joodse wijnhandelaren die de aszú, een sterke dessertwijn, exporteerden naar heel Europa en de VS. En de vele kleine dorpjes, gekenmerkt door diepe armoede, waar het percentage joden vroeger in de dubbele cijfers lag, maar waar nu alleen nog de begraafplaatsen buiten het dorp aan hen herinneren.
Elk jaar in mei vindt in Tunesië een uniek en buitengewoon evenement plaats. Het Noord-Afrikaanse land, waar zich de oudste synagoge van Afrika bevindt, viert dan zijn joodse wortels met de bedevaart van La Ghriba, waarbij verschillende religies samenkomen.
Zodra de veerboot de kust nadert, wacht je op Djerba een sereen welkom. Het eiland, voor Tunesiërs de historische thuishaven van de drie grote monotheïstische godsdiensten en de bestemming van een jaarlijkse joodse pelgrimstocht, wordt vaak het ‘eiland der dromen’ genoemd. Er zijn palmbomen zover het oog reikt en overal langs de soms nog rudimentaire wegen zie je Djerba’s kenmerkende huizen of ‘houche’, de kleurrijke kleine winkeltjes van het eiland. Mannen dragen er grijze jebbas-gewaden en vrouwen beskris, malhfas en dhallalas (traditionele strohoeden).
Dit decor wordt aangevuld met tal van ongeëvenaarde details, zoals de geur van de prachtige blauwe zee, de vissers en de her en der verspreid liggende boten, verkopers van boeketten jasmijn, groepjes oude mannen die dammen en vrouwen op motorfietsen. Op dit eiland kom je in aanraking met kleuren, tinten en vormen die soms eenvoudig en minimalistisch zijn, maar nooit saai.
Maar het zijn niet alleen de paradijselijke kusten en de onvergelijkbare zonsondergangen die dit eiland tot een unieke en mooie plek maken; het zijn vooral de mensen. Vandaar dat Djerba niet alleen wordt aanbeden door Tunesiërs, maar door talloze bezoekers van over de hele wereld. Hier zijn de bewoners er in de loop van de geschiedenis namelijk in geslaagd een vreedzame coëxistentie tussen de moslim-, christelijke en joodse gemeenschappen te behouden. En dat is uiterst zeldzaam – niet alleen voor de Arabische regio, ook voor de rest van de wereld.
Joden van Djerba
Vóór de oprichting van Israël in 1948 woonden er meer dan honderdduizend joden in Tunesië, maar met het verstrijken der jaren en na de Arabisch-Israëlische oorlog van 1967 zijn velen vertrokken. Toch herbergt het land een van de grootste joodse gemeenschappen in de MENA-regio [de regio Midden-Oosten en Noord-Afrika], van circa tweeduizend joden, waarvan zo‘n twaalfhonderd op Djerba wonen.
Nog altijd hebben joodse Tunesiërs een belangrijke plek in de samenleving van Djerba. Net als hun niet-joodse buren zijn ze vooral actief in de toerismesector van het eiland.
Djerba heeft één joodse school (Yeshiva), waar zowel seculier als religieus onderwijs wordt gegeven aan vijf- en zesjarigen evenals aan tieners. Als je door de klaslokalen loopt, hoor je de leerlingen discussiëren over verzen uit de Torah, waarbij ze afwisselend spreken in Tunesisch Arabisch en het Hebreeuws van de bijbelse teksten. Op een andere school op het eiland, de lagere school van Souani, krijgen islamitische en joodse leerlingen les in dezelfde klaslokalen. Ze hebben hetzelfde seculiere academische streven en geloven beide in een samenleving waarin verschillende religies harmonieus naast elkaar bestaan.
Ook niet-joodse Tunesiërs nemen deel aan bepaalde tradities van de synagoge
De joodse erfenis van Djerba en de religieuze diversiteit van Tunesië worden elk jaar tijdens de Ghriba-bedevaart getoond. Dit jaarlijkse evenement vond dit jaar plaats van 14 tot 22 mei. Tot de activiteiten behoorden onder andere een bezoek aan de synagoge, liefdadigheidsacties, gebedsdiensten en andere lokale tradities.
Ook niet-joodse Tunesiërs nemen deel aan bepaalde tradities van de synagoge. Lokale vrouwen en bezoekers brengen bijvoorbeeld eieren mee waarop de namen van jonge meisjes uit hun familie staan en laten die in de synagoge achter. Na afloop van de bedevaart worden de eieren teruggebracht naar de jonge meisjes, die ze opeten in de hoop dat hun huwelijkskansen daarmee verbeteren.
Als je naar de synagoge loopt, valt de beveiliging op. Honderden politieagenten, speciale eenheden en pantservoertuigen staan langs de weg en rond het bedevaartsoord opgesteld om een goed verloop van de festiviteiten te garanderen. Alvorens het terrein te betreden, moeten de bezoekers door een scanpoort en worden hun bezittingen grondig doorzocht.
Maar zodra je het veiligheidsapparaat voorbij bent, zie je honderden Tunesische vlaggen en het kenmerkende blauw en wit van de gebouwen.
Kleurrijke pelgrimage
Op de achtergrond klinkt muziek. Er hangt een feestelijke sfeer. Alle betrokkenen, van jong tot oud, hebben hun mooiste kleren aangetrokken. Onder de prachtige zon van een aprilmiddag komen groepen bezoekers bijeen in nette overhemden, kleurrijke jurken en op hoge hakken, hun passen versnellend om een goede plek te bemachtigen in de Oukala (een soort traditionele en goedkope hotels in populaire Tunesische wijken), waar muziek zal worden gemaakt.
‘Mijn moeder heeft nieuwe kleren voor me gekocht voor vandaag. Nu wacht ik op mijn vrienden. Ik heb er heel veel zin in!’ zegt de achtjarige Ishmail met brede lach. Hij is hier met zijn ouders en andere familieleden.
Aanwezigen die vooral gericht zijn op het religieuze aspect van het evenement, begeven zich rechtstreeks naar de synagoge. Ondanks de relatief kleine omvang is het interieur van het gebouw verbluffend mooi. Opvallend is de blauwe kleur van de aardewerken tegels die de vier muren tot aan het plafond bedekken. De ruimte krioelt van de mensen.
Onder de bogen en de eeuwige lampen zitten sommige aanwezigen de Torah te lezen, anderen steken kaarsen aan en spreken, discreet en met gesloten ogen, lang gekoesterde wensen uit.
‘Ik ben hier gekomen om dit ei neer te leggen in naam van mijn alleenstaande nichtje,’ vertelt de zeventigjarige Frans-Tunesische Eliana. ‘Ik weet dat ze er niet echt in gelooft, maar sinds ik klein was, kwam ik al naar deze synagoge en zag ik mijn moeder en mijn tantes dit doen. Het maakt deel uit van onze geschiedenis en onze identiteit, en zo houd ik het erfgoed in leven.’
Tragische aanslagen
Deze jaarlijkse bedevaart is niet alleen belangrijk voor de plaatselijke gemeenschap, maar voor het hele land, zowel in economisch opzicht, doordat de toeristische sector van het eiland nieuw leven wordt ingeblazen, als in politiek opzicht, omdat ze bijdraagt aan het behoud van de vreedzame en multiculturele identiteit van Tunesië. Het evenement wordt maanden van tevoren voorbereid, met medewerking van verschillende belanghebbenden, waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit alles om onaangename verrassingen te voorkomen.
In het recente verleden maakte Tunesië namelijk twee tragische aanslagen op de joodse gemeenschap van Djerba mee. De eerste was in 1985, toen een soldaat die belast was met de ordehandhaving het vuur opende in de synagoge van Ghriba, waardoor vijf mensen om het leven kwamen. In 2002 doodde een vijfentwintigjarige Frans-Tunesiër, die banden had met Al-Qaida, eenentwintig mensen.
Met deze incidenten in het achterhoofd doen de Tunesische autoriteiten er alles aan om het jaarlijkse evenement veilig te houden. Zo willen ze tevens het toerisme, de nationale economie en de reputatie van Tunesië in het buitenland opschroeven. Regeringsleider Najla Bouden, minister van Toerisme Mohamed Moez Belhassine, woonde dit jaar het begin van de pelgrimage bij, evenals gouverneur van Médenine Said Ben Zayed, de opperrabbijn van Tunesië Haïm Bittan en verschillende ambassadeurs en diplomaten uit landen als Frankrijk, België, Duitsland, Italië en de VS.
‘Djerba is een smeltkroes van beschavingen en een plek van vrede en tolerantie’
‘Djerba is een smeltkroes van beschavingen en een plek van vrede en tolerantie,’ zegt Bouden. Minister van Toerisme Belhassine noemt de bedevaart van La Ghriba een belangrijke gebeurtenis die de zomer en het toerismeseizoen inluidt en de mensen aanspoort tot vreedzaam samenleven, tolerantie en een open gemeenschap.
Hij voegt eraan toe dat dit belangrijke evenement, dat volgens hem ongeveer drieduizend bezoekers, vijftig journalisten en hoogwaardigheidsbekleders van veertien nationaliteiten bijeenbracht, niet alleen de gelegenheid biedt om het multiculturele aspect van het eiland te ontdekken, maar ook om je onder te dompelen in de talloze andere attracties van deze rijke bestemming.
De organisatoren van de pelgrimstocht, onder leiding van Perez Trabelsi (voorzitter van het joodse comité van Ghriba en leider van de joodse gemeenschap in Djerba), zijn van mening dat de opkomst dit jaar uitzonderlijk was en dat het evenement zich op verschillende niveaus onderscheidde. Voor hen was het, na twee jaar van pandemie, van cruciaal belang om in deze tumultueuze tijden vanuit Tunesië een boodschap van vrede en coëxistentie over de wereld te verspreiden.
Brieven met hulpverzoeken van joden staan nu online
De Heilige Stoel heeft donderdag duizenden archiefstukken online beschikbaar gesteld voor publiek. Het betreft onder andere aan de paus gerichte brieven van Europese joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog om hulp vroegen tegen de vervolging door de nazi’s. ‘Wanhopige verzoeken’, schrijft Il Fatto Quotidiano. In maart 2020 had het Vaticaan al de historische archieven van Pius XII opengesteld voor onderzoekers. Pius XII (paus van 1939 tot 1958) wordt door sommigen ervan beschuldigd te hebben gezwegen tijdens de uitroeiing van zes miljoen joden.
Deze nieuwe publicatie, op verzoek van paus Franciscus, zal de nakomelingen van de afzenders in staat stellen om ‘sporen van hun verwanten te vinden in elk deel van de wereld’, aldus aartsbisschop Paul Gallagher, secretaris voor Relaties met Staten, in een artikel gepubliceerd in L’Osservatore Romano, het dagblad van het Vaticaan.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.