Het geweld tussen Israël en Hamas is niet onoplosbaar, meent Haaretz. Maar dan moet de regering van Israël wel een nieuwe weg inslaan. Die klampt zich nog altijd vast aan de fictie van een eenvoudig juridisch probleem en een ‘lokaal conflict’.
In Oost-Jeruzalem zijn de Palestijnse betogingen en de huidige botsingen met de Israëlische politie het resultaat van tientallen jaren spanningen en juridische gevechten over het lot van Sheikh Jarrah, een kleine Arabische wijk in het noorden van de Oude Stad, waar de bewoners met uitzetting worden bedreigd door een groep Joodse kolonisten.
Om te begrijpen wat er op het spel staat moeten we teruggaan in de geschiedenis. In 1876, tijdens de Ottomaanse periode en vóór de opkomst van de zionistische beweging in 1897, kochten de religieuze besturen van de Sefardische en Asjkenazische Joden in Jeruzalem een lapje grond in Sheikh Jarrah, in de buurt van de tombe van Shimon Hatsadiq (Simon II de Rechtvaardige), een Joodse hogepriester uit de Oudheid. Daar werd een kleine Joodse wijk gesticht.
Toen in 1948 de oorlog uitbrak, moesten tienduizenden burgers hun huis ontvluchten
Toen in 1948 de oorlog uitbrak, moesten tienduizenden burgers hun huis ontvluchten, en aan het eind van de onafhankelijkheidsoorlog deelde een Israëlisch-Jordaanse bestandslijn de stad in tweeën. De overgrote meerderheid van de vluchtelingen bestond uit Arabieren (vijfentwintigduizend zielen) die hun have en goed moesten verlaten omdat die voortaan ten westen van de groene lijn waren gesitueerd, in het Israëlische gedeelte, terwijl een kleine Joodse minderheid (zeventienhonderd zielen) haar bezittingen in het Jordaanse gedeelte ten oosten van de bestandslijn moest achterlaten, voornamelijk in de historisch Joodse wijk van de Oude Stad.
Na de oorlog van 1948 nam het Israëlische parlement een wet aan die Joodse vluchtelingen recht gaf op een vergoeding ter waarde van de goederen die ze in Oost-Jeruzalem hadden moeten achterlaten. Evenzo lieten Jordanië en de Verenigde Naties in 1956 achtentwintig huizen in de wijk Sheikh Jarrah bouwen voor Palestijnse vluchtelingenfamilies.
Terugeisen
Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 veroverde en annexeerde Israël de Oude Stad en West-Jeruzalem. Sinds de hereniging stipuleert de Israëlische wet dat de Joden het recht hebben bezittingen terug te eisen die tussen 1948 en 1967 in Oost-Jeruzalem zijn achtergelaten. Dezelfde wet bepaalt expliciet dat het omgekeerde niet geldt voor de Arabieren die hun door Israël gevorderde en genationaliseerde bezittingen in West-Jeruzalem hebben moeten achterlaten.
In Sheikh Jarrah bleef alles ondanks de Israëlische verovering van Oost-Jeruzalem lange tijd bij het oude, totdat de extreemrechtse kolonisten er in het begin van de jaren 2000 aanspraak op gingen maken.
In die tijd hadden de religieuze besturen van de Sefardische en Asjkenazische Joden in Jeruzalem, na een tijdlang hun eigendomsrechten te hebben uitgeoefend, die rechten overgedragen aan het Israëlische vastgoedbedrijf Nahalat Shimon (Erfenis van Simon), een filiaal van Nahalat Shimon International, een maatschappij die geregistreerd staat in de Amerikaanse staat Delaware. Omdat Delaware bekendstaat om zijn volstrekt ondoorzichtige wetgeving, is niet te achterhalen wie de aandeelhouders zijn van het moederbedrijf.
Sinds 2003 is Nahalat Shimon verwikkeld in een juridische strijd die niet alleen tot doel heeft de afstammelingen van de Palestijnse vluchtelingen uit hun huizen in Sheikh Jarrah te verdrijven, maar ook om de hele wijk plat te gooien en er tweehonderd woningen voor Joodse families voor in de plaats te bouwen.
Tot dusver was het vastgoedbedrijf erin geslaagd vier Arabische families uit hun huis te laten zetten. Maar momenteel worden, ingevolge een vonnis van het Israëlische hooggerechtshof (dat overigens gezien het politieke klimaat zijn zitting van 10 mei heeft verdaagd), driehonderd bewoners van dertien panden met uitzetting bedreigd ten gunste van Joodse kolonisten.
Zeker 30 procent van het onroerend goed in Oost-Jeruzalem behoort aan Arabieren toe
Deze dreiging verklaart de recente protesten van Palestijnen in zowel Oost-Jeruzalem als in de door Israël bezette gebieden en het buitenland. Door zich te beroepen op de eigendomsrechten van fysieke en morele Israëlisch-Joodse rechtspersonen op goederen die sinds zeven decennia in het bezit zijn van Palestijnen in Oost-Jeruzalem, heeft het gerecht een doos van Pandora geopend: volgens de meest voorzichtige schattingen behoorde voor de oorlog van 1948 30 procent van het onroerend goed in Oost-Jeruzalem aan Arabieren toe.
Natuurlijk sluit de Israëlische wet iedere wederkerigheid voor Arabische eigenaars uit, maar het geval-Sheikh Jarrah zou de oude Palestijnse eigendomsaanspraken op hele wijken in Oost-Jeruzalem weleens nieuw leven kunnen inblazen en zelfs tot acties bij het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen leiden.
Toch zou deze tijdbom met een klein beetje politieke moed van de kant van Israël onklaar kunnen worden gemaakt.
In 2010 hebben twee onderzoekers van het Jerusalem Institute for Policy Research, Yitzhak Reiter en Lior Lehrs, een eenvoudige oplossing voorgesteld: de grond onteigenen die op papier aan Nahalat Shimon toebehoort. Sinds 1967 heeft de Israëlische staat in Oost-Jeruzalem duizenden hectares grond van Palestijnse eigenaars onteigend om er een enorme strook Israëlische wijken te bouwen. Dus waarom zou diezelfde staat nu niet een kleine uitzondering kunnen maken door een onteigeningsprocedure van maar enkele hectares te starten, maar ditmaal ten bate van enkele honderden Palestijnen in Oost-Jeruzalem in ruil voor een schadeloosstelling voor vastgoedbedrijf Nahalat Shimon.
Vernieuwende oplossing
Ter onderbouwing van hun voorstel citeren Reiter en Lehrs een niet-bindende uitspraak die in 1999 is gedaan door Menachem Mazuz, destijds viceprocureur-generaal. Ten aanzien van een zaak die sterk leek op die in Sheikh Jarrah achtte Mazuz het ‘ondenkbaar dat de Israëlische regering haar onteigeningen kan motiveren door verwijzing naar het nationaal belang (van Israël), maar niet overweegt hetzelfde te doen omwille van de vrede en diplomatie’.
Volgens de twee Israëlische onderzoekers zou zo’n moedige en vernieuwende oplossing louter voordelen met zich meebrengen voor de Hebreeuwse staat. Om te beginnen zouden op korte termijn de huidige spanningen worden bedwongen en zou er snel een eind komen aan de gewelddadigheden. Ten tweede zou Israël minder moeite hebben om zijn positie inzake de kwestie Jeruzalem te verdedigen tegenover de internationale gemeenschap. Ten derde zou het dossier Jeruzalem op een constructievere manier worden behandeld door het ICC. En ten vierde zouden de Palestijnse argumenten om het dossier te heropenen van de Arabische goederen die na 1948 in West-Jeruzalem zijn achtergelaten worden verzwakt.
Al Jazeera maakte een documentaire over een Palestijnse familie die haar huis in Jeruzalem werd uitgezet.
Maar de regering klampt zich nog altijd vast aan de fictie van een eenvoudig juridisch probleem en een lokaal conflict, terwijl de Palestijnen steeds beter in staat zijn aan te tonen dat de handen van de Israëlische justitie zijn gebonden door een in wezen discriminerende wetgeving. Als om hun gelijk te geven brengt de Israëlische staat sinds enkele weken een enorme politiemacht op de been, die niet alleen de Palestijnse betogingen op een gewelddadige manier onderdrukt, maar ook aan de kant van de Israëlische kolonisten staat.
Er bestaat een eenvoudige, evenwichtige en rechtvaardige oplossing voor het probleem Sheikh Jarrah. Maar die vergt een politieke moed waaraan het de Israëlische leiders tot nu toe ontbreekt.
Volgens joodse en islamitische organisaties stelt het Europese Hof dierenwelzijn boven vrijheid van religie. Wat is er tien jaar later over van de Arabische Lente? Inheemse Mexicanen komen in opstand tegen de ‘Maya-trein’ en in Spanje mogen ongeneeslijk zieken nu hulp vragen bij het beëindigen van hun leven.
‘Historisch besluit’
Gisteren (17 december) stemde een meerderheid van het Spaanse Congres (vergelijkbaar met de Tweede Kamer) voor een nieuwe wet die euthanasie mogelijk moet maken in geval van ernstige en ongeneeslijke ziekte of ernstige, chronische en invaliderende ziekte. De euthanasieaanvraag zal moeten worden goedgekeurd door twee verschillende artsen – waarvan er één specialist is in de betreffende ziekte – en zal vervolgens moeten worden voorgelegd aan een evaluatiecommissie van de regionale volksgezondheidsautoriteit.
Als de wet – zoals verwacht – wordt goedgekeurd door de Senaat dan ‘zal het in de eerste weken van volgend jaar legaal zijn in Spanje voor een ongeneeslijk ziek persoon om hulp te vragen bij het beëindigen van zijn leven’, schrijft El País. Het dagblad noemt het besluit ‘historisch’. Door de nieuwe euthanasiewet krijgt ‘Spanje opnieuw een voortrekkersrol toebedeeld op het gebied van de sociale verworvenheden’, meldt de krant trots in een redactioneel commentaar.
‘Eindelijk het recht om waardig te sterven’, kopt de digitale krant El Confidencial. De conservatieve krant ABC is daarentegen minder verheugd met het besluit en oordeelt: ‘De staat speelt voor god.’ Het commentaar van de krant is in lijn met de conservatieve Partido Popular en het rechtse Vox, die beide tegenstemden. ‘Sterven en doden zijn geen individuele rechten, en nog minder in een samenleving met zoveel vooruitgang en beschikbare ondersteuning als de onze’, aldus ABC.
De Arabische Lente 10 jaar later
De Arabische lente begon tien jaar geleden, reden genoeg voor de wereldpers om terug te kijken op wat de opstanden in de Arabische wereld het afgelopen decennium teweeg hebben gebracht.
Op 17 december 2010 stak de Tunesische straatverkoper Mohamed Bouazizi zichzelf in brand in de stad Sidi Bouzid. ‘Een eenzame daad van protest die een golf van antiautoritaire opstanden in de hele regio veroorzaakte’, aldus Middle East Eye. Mohamed Bouazizi stierf op 4 januari 2011, maar niet voordat zijn daad viraal ging, schrijft Al Jazeera. De demonstraties maakten een einde aan het 23-jarige bewind van de autoritaire president Zine El Abidine Ben Ali, de eerste leider van een Arabisch land die door protest moest aftreden.
De gebeurtenis inspireerde tot een golf van opstanden in de Arabische wereld, waardoor mensen de straat op gingen om te protesteren tegen autoritarisme, corruptie en armoede. De Arabische Lente, zoals die opstanden gingen heten, werd grotendeels neergeslagen door contrarevolutionaire staatstroepen die wanhopig de status quo probeerden te handhaven, aldus Middle East Eye. Behalve in Tunesië leidde het tot machtswisselingen in Egypte en Libië, en een burgeroorlogen die nog altijd woeden in Libië, Syrië en Jemen.
Voor veel mensen in de Arabische wereld is hun leven verslechtend na de Arabische Lente
Voor veel mensen in de Arabische wereld is hun leven verslechtend na de Arabische Lente, schrijft The Guardian naar aanleiding van een peiling onder acht landen. Toch heeft een meerderheid van de respondenten in Soedan, Tunesië, Algerije, Irak en Egypte geen spijt van de protesten.
In Syrië, Jemen en Libië heeft een meerderheid wel spijt. In die landen is ook een ruime meerderheid van mening dat ze slechter af zijn dan tien jaar geleden. Dat is niet gek, aangezien de landen in puin liggen na burgeroorlogen en buitenlandse interventies, aldus het Britse dagbad.
Inheems verzet tegen ‘Maya-trein’
Het is het prestigeproject van de Mexicaanse president Andres Manuel López Obrador: 1500 kilometer spoor door de Mexicaanse staat Yucatán, de wieg van de millennia-oude Maya-cultuur. Het treintraject heet dan ook ‘La tren maya’, de Maya-trein, en moet een grote lus vormen langs de belangrijkste archeologische vindplaatsen met Maya-ruïnes om zo een impuls aan het toerisme te geven.
Maar de treinverbinding stuit op woede van de erfgenamen van de Maya’s. ‘De oorlog tegen de Maya-trein is begonnen’, aldus Post Opinión, de Spaanstalig opiniesectie van The Washington Post. Verschillende inheemse groepen hebben zich verenigd in hun verzet en hekelen de schade die het project aan het milieu, de natuur en hun manier van leven toebrengt.
Op 7 december heeft de rechtbank in Campeche, Yucatán, in het voordeel van de inheemse collectieven beslist en de bouwwerkzaamheden aan het tweede deel van het spoor opgeschort, meldt La Jornada.
‘We willen niet het nieuwe Cancún worden, waar alle mangroves zijn verdwenen. Er is hier nog steeds bos’, zegt Genomelín López tegen El País. López is Chontal, een van de vele etnische Maya-groepen in de regio.
Hoewel de regering heeft verzekerd dat het project geen gevolgen zal hebben voor het milieu, vooral omdat er gebruik zal worden gemaakt van bestaande spoorwegen, zijn veel bewoners in de regio onder andere bezorgd over de watervoorraden, die in gevaar zouden kunnen komen door de stedelijke ontwikkeling en onvoldoende afvalwaterzuivering, aldus El País.
‘Dierenwelzijn boven vrijheid van religie’
Gisteren (17 december) deed het Europese Hof in Brussel uitspraak over het verbod op onverdoofd slachten dat de Vlaamse regioregering in 2019 instelde. Het hof vonniste dat overheden het recht hebben om zo’n verbod in te stellen: ‘Het hof concludeert dat de maatregelen in het decreet een eerlijk evenwicht mogelijk maken tussen het belang dat wordt gehecht aan dierenwelzijn en de vrijheid van joodse en islamitische gelovigen om hun geloof te belijden’, citeert Al Jazeera de uitspraak.
Joodse en islamitische organisaties in Vlaanderen en de rest van de wereld reageren verontwaardigd op de uitspraak. Deze ‘stelt dierenwelzijn boven vrijheid van religie’, schrijft The Times of Israël. ‘Vanochtend werden joden opnieuw gedegradeerd tot tweede klas burgers in Europa’, aldus het commentaar.
Velen verwachtten dat het verbod verworpen zou worden. Een juridisch adviseur van het hof had in september nog verklaard dat een verbod op kosjer en halal slachten in strijd was met het recht op vrijheid van godsdienst, aldus The Times of Israël. Maar volgens het hof betreft het verbod op onverdoofd slachten maar een klein onderdeel van het rituele proces, en niet de religieuze praktijk in het algemeen, meldt Deutsche Welle.
Over de Tweede Wereldoorlog leek alles wel zo’n beetje uitgeplozen. Toch ontdekte Die Zeit een goedbewaard geheim: in een militair kamp aan de Amerikaanse oostkust verhoorden Duitse Joden de moordenaars van hun familie. In plaats van hen te folteren, gingen ze samen schaken en winkelen.
Keuze uit het archief
Net na de oorlog werden drie Duits-Joodse vrienden woonachtig in de Verenigde Staten aangesteld om Duitse krijgsgevangen te verhoren, nazi’s. Peter Weiss, Henry Kolm en Arno Mayer doen decennia later hun verhaal aan de Duitse krant Die Zeit. Tijdens de ondervragingen zetten ze hun gevoelens van haat en wraak opzij en proberen ze juist met vriendelijkheid de waarheid boven tafel te krijgen. Een bijna onmenselijke prestatie als je bedenkt dat diezelfde nazi’s veel van hun familieleden hebben vermoord.
De drie vrienden trekken hun uniformen aan en stappen vanuit de barak aan de Amerikaanse oostkust de aangenaam warme ochtendzon in. Ze hebben geen idee dat ze nog diezelfde dag tegenover nazi’s zullen staan.
Als Amerikaanse soldaten verheugen ze zich op dit moment. Ze hebben er maandenlang voor getraind. Als Europese vluchtelingen jubelen ze vanbinnen. Het waren immers de nazi’s die hen uit hun vaderland verdreven. En als Duitse Joden is er niets dat ze heviger verlangen. Ze haten de nazi’s om hun antisemitisme, om hun beestachtige bruutheid.
De drie jongemannen waren enthousiast over het nieuws dat de Verenigde Staten zich mengden in de oorlog tegen het Duitse Rijk. Nauwelijks meerderjarig, meldden ze zich aan bij het Amerikaanse leger, waar ze elkaar leerden kennen. Peter Weiss, de intellectueel die Kant las en Machiavelli. Arno Mayer, de provocateur die nooit om een kwinkslag verlegen zat. En Henry Kolm, de knutselaar die als kind al wetenschappelijke tijdschriften las.
Ze zaten nog in de basisopleiding toen het Amerikaanse leger de stranden van Normandië veroverde. Kregen een speciale training van de militaire geheime dienst terwijl hun kameraden de Rijn overstaken. En oefenden verhoormethoden tijdens de laatste dagen van Hitler. Vlak voordat de drie hun opleiding afrondden in de bossen van de Amerikaanse staat Maryland, bereikte hun het bericht van de capitulatie. De oorlog in Europa was voorbij, en zij, de drie vrienden, waren hem misgelopen.
Als ze dus op die ochtend van de 9e juni 1945 een legerbus instappen, weten ze niet dat het oorlogsgeweld, dat tot in alle uithoeken van de planeet voelbaar is geweest, hen alsnog zal bereiken. De bus rijdt
richting de hoofdstad Washington, en stopt voor een gebouw dat de jonge soldaten met verbazing bekijken. Een vijfhoekig blok beton, het grootste gebouw ter wereld, hoofdkwartier van de grootste strijdmacht van de wereld. Een uur wachten ze op de parkeerplaats. Dan krijgen ze het bevel over te stappen in een tweede bus, die er heel anders uitziet dan de eerste.
Peter Weiss: De ruiten waren met triplex dichtgetimmerd. Alleen de chauffeur vooraan kon naar buiten kijken. We stopten bij een kamp. Er stond geen bord, alleen een slagboom en een man van de militaire
politie. Iemand vroeg hem: ‘Hoe heet het hier?’ Hij zei alleen maar: ‘Nothing.’ Een naamloze plek.
Henry Kolm: Ze zeiden tegen ons: dit kamp is hoogst geheim. Praat er met niemand over.
Arno Mayer: Het was volkomen krankzinnig. Jullie lezers denken waarschijnlijk: die Mayer heeft ze niet meer allemaal op een rijtje, maar zoiets kun je niet verzinnen.
Decennialang lag hun verhaal verborgen in stoffige kisten in het Amerikaanse Nationale Archief.
Honderdduizend bladzijden akten, sommige getypt, vele met de hand geschreven, in kriebelig handschrift. Op elke bladzijde het stempel secret. Geheim. Pas een paar jaar geleden gaf het leger de documenten vrij, aanvankelijk onopgemerkt door
de media. Nu kan men de akten inzien, in een stad
in Maryland die College Park heet.
Lang zwegen de mannen over hun missie, zoals
het leger hen had opgedragen – ook tegenover hun vrouwen en kinderen. Maar nu, eindelijk, spreken de weinigen die nog in leven zijn, onder wie Arno Mayer en Peter Weiss, beiden negentig jaar oud. Henry Kolm stierf in 2010, hij liet autobiografische notities achter en een zes uur durend interview met een
historicus, waaruit hier geciteerd wordt.
Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt in het bijzonder voor Duitsers
Die Zeit heeft zes veteranen van dit geheime project opgespoord. Daarnaast is dit artikel gebaseerd op een twintigtal gesprekken die wetenschappers gevoerd hebben met intussen gestorven soldaten, plus een dagboek en documenten uit het archief. Dat alles samen vormt een tot dusver onbekend hoofdstuk van de Tweede Wereldoorlog – dat van het ‘naamloze kamp’, of, zoals de veteranen het noemen: Eleven Forty-Two.
Zo luidt het officiële adres van het geheime kamp, een paar mijl ten zuiden van Washington: P.O.Box 1142, postbus 1142.
Wie nu naar de plek rijdt waar destijds dit kamp was, stuit op een park met een keurig gemaaid grasveld. Tussen 1942 en 1946, zo blijkt uit foto’s en plattegronden, stonden er houten barakken waar nu een parkeerterrein is. Twee met prikkeldraad omheinde rijen cellen waar nu jongelui softbal spelen en wandelaars in een openbaar toiletgebouwtje verdwijnen. Verborgen in het plafond van de cellen had het leger microfoons geïnstalleerd, zo groot als kerkklokken. Ook dat is op foto’s te zien. Het hele kamp was voorzien van een kabelnetwerk. Men zou de gevangenen niet alleen verhoren, zo was het idee. Men zou ze ook afluisteren als ze na het verhoor in de cellen met hun medegevangenen praatten. Daarvoor hadden de Amerikanen vooral één ding nodig: veel personeel dat perfect Duits sprak: Hoogduits, Berlijns, Saksisch, Badisch, Beiers, Oostenrijks.
Peter Weiss: Tijdens mijn artillerietraining werd ik bij de kolonel geroepen. Hij zei: ‘Ik heb gehoord dat je Duits spreekt?’ – ‘Yes, sir.’ – ‘Zeg eens iets.’ – ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem…’ – ‘Oké, genoeg. Ik heb een job voor je.’
Het Amerikaanse leger doorzoekt alle eenheden naar soldaten die Duits spreken. Ze vinden Peter Weiss, geboren in Wenen; Henry Kolm, ook geboren in Wenen; Arno Mayer, geboren in Luxemburg. En enkele tientallen anderen, gevlucht uit alle hoeken van het Groot-Duitse Rijk. Ze zijn pas sinds kort Amerikaans staatsburger. En het zijn bijna allemaal Joden.
In de idylle van de Amerikaanse oostkust, vredig en groen, ver weg van het gebulder van de oorlog, werd de verhouding van macht en onmacht omgekeerd. De almachtige nazi’s, vertegenwoordigers van het regime dat miljoenen Joden vermoord had, waren opeens uitgeleverd aan hen, de jonge Joodse mannen. Alsof iemand hier het verhaal van de volmaakte wraak schreef. 3451 gevangenen. 3451 doelwitten om neer te schieten, af te ranselen, te kwellen.
Maar juist dat hebben de instructeurs de jonge Amerikaans-Duitse soldaten verboden. In de weken voordat Arno Mayer, Henry Kolm en Peter Weiss naar Eleven Forty-Two komen, zijn ze gedrild in verhoortechnieken. De instructeurs hebben hun geleerd hoe je de vijand informatie ontlokt: Niet dreigen! Niet slaan! Niet folteren!
Dat vonden de rekruten vreemd. Moesten ze, geconfronteerd met de grootste misdadigers, vriendelijk tegen ze zijn? Hun belangrijkste instructeur is een verhoorspecialist die Sanford Griffith heet. Al in de Eerste Wereldoorlog heeft hij Duitse gevangenen verhoord. En zoals scherpschutters technieken ontwikkelen om mensen te doden op honderd meter afstand, zo heeft hij methoden uitgedacht om mensen die tegenover hem zitten aan het praten te krijgen. Belangrijkste regel: vriendelijk zijn. Niet alleen omdat dit past in het volkenrecht, zoals het in de Geneefse Conventie van 1929 is vastgelegd, en opgenomen in het militaire instructieboek van de U.S. Army, bladzij 33, punt 45. Maar vooral omdat het werkt.
Griffith heeft hierover een opstel geschreven dat hij uitdeelt aan de soldaten. Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt in het bijzonder voor Duitsers. Die hebben een schoolmeesterneiging. ‘Duitse krijgsgevangenen zullen proberen ons de les te lezen,’ aldus Griffith. Dus moest je bij het verhoor de rol van de domme leerling spelen.
Henry Kolm: Arno en ik werden zogeheten moraalofficieren. Het was onze taak belangrijke gevangenen te verhoren zonder dat ze het merkten. We moesten met ze schaken of tafeltennissen. Een van mijn eerste ‘klanten’ was nazipropagandist Kurt Hesse. Die zei eens tegen mij: ‘Jouw land, Oostenrijk, is prachtig.’ Hij had mijn accent herkend. Hij vertelde dat hij eens vakantie gevierd had aan een bergmeer op de Turracher Höhe, in een plaatsje dat zo afgelegen was dat ik het in geen geval zou kennen. Maar toevallig was ik daar eens geweest, er waren maar twee hotels. Dus ik vroeg: ‘O, was je in de Sieglerhof of in het Seehotel?’ Vanaf dat moment dacht hij dat ik alles over hem wist. God, wat heb ik daarvan genoten!
Belangrijke gevangenen als Hesse wonen niet in de cellenblokken, maar in houten huizen in het bos, met meerdere kamers, een keuken en een bad. De Amerikanen noemen het ‘villa’s’. Op de veranda staan stoelen, zodat de nazi’s in de zon kunnen zitten. De strategie van het vleien, paaien, verstrikken leidt tot surreële scènes: jongensachtige, Joodse Amerikanen, van wie velen zich nog Duits voelen, geanimeerd in gesprek met officieren van de Wehrmacht. Op zomerdagen zwemmen ze in het zwembad. ’s Avonds gaan ze naar de kampbioscoop.
Peter Weiss: Het zag eruit als een vakantiekamp.
Anders dan zijn beide vrienden is Weiss geen moraalofficier; zijn werkplek is een centraal gelegen barak, waarin de onderaardse afluisterkabels samenkomen. Weiss zit aan een tafel en luistert met zijn koptelefoon. Voor hem staat een bandrecorder. Weiss kan van cel naar cel, van hut naar hut schakelen. Hoort hij iets interessants, dan neemt hij het op.
De afluisterprotocollen die Weiss en zijn collega’s opstellen, zullen zeventig jaar later een inkijkje geven in het dagelijks leven van Duitse frontsoldaten. De gevangenen spreken over nachten doorzakken, over vrouwen, over de oorlog en oorlogsmisdaden.
‘S.: Dat was in de herfst van 1941. De hele Joodse bevolking van een stad werd in een massamoord doodgeschoten.
P.: Heb je dat gezien?
S.: Ik niet. Maar twee mannen van mijn peloton. Die hebben zelf mee geschoten. Dat is onweerlegbaar. Daar was ook geen Jood meer te vinden. Dat is door de SS uitgevoerd.
P.: Hoeveel?
S.: Ze hadden het toen over achthonderd. Naar schatting. Dat zei een korporaal tegen me. Die zei uit zichzelf: Daar had ik graag aan meegedaan. Een oude nazi. Terwijl de anderen allemaal zeiden dat het een rotstreek was. Alleen daarom al, dat is niet gelogen.’
Geen haat
Peter Weiss: Wij vermoedden alleen maar dat
sommige familieleden in de kampen gestorven waren. Had ik toen al geweten dat mijn grootvader vergast was, dan had ik dit werk misschien niet
kunnen doen.
Arno Mayer: Soms had ik een gevoel alsof ik moest kotsen, omdat ik vriendelijk tegen deze types moest zijn. Ik vroeg me af: wat hebben die in de oorlog gedaan? Ik haatte de Duitsers met elke vezel van mijn lijf. Maar ons was bevolen dat we die haat moesten onderdrukken.
Soms verzetten soldaten in Eleven Forty-Two zich tegen hun instructies. Maar het is geen haat of wraak die ze de grenzen laat overschrijden, maar
de wens om belangrijke informatie los te krijgen.
Zo pogen officieren een gevangene aan de praat te krijgen door hem te injecteren met cocaïne. Een andere keer proberen ze het met hypnose. Beide pogingen mislukken. Een poging om een gevangene dronken te voeren eindigt ermee dat de verhoorofficieren zo dronken worden dat het verhoor moet worden afgebroken. Maar iets anders lukt wel.
Henry Kolm: Wij hadden zo’n SS-type dat ondanks alle vriendelijkheid niet wilde praten. Op een bepaald moment waren we het zat, en zeiden tegen hem: Dan geven we je aan de Russen. We brachten hem naar een ruimte waarin een van onze kameraden wachtte: Alex. Hij sprak net zo goed Russisch als wij Duits, en droeg een Sovjetuniform. Alex zei: ‘Oké, je wilt niet praten. Dan vergassen we je.’ Hij sloot de deur en liet met een ventilator stof door een ventilatiegat blazen. Toen begon de nazi te praten.
Maar deze pogingen om uitspraken af te dwingen zijn zeldzaam, net als zwijgzame gevangenen. De strategie van de gespeelde vriendelijkheid werkt.
De Duitsers leveren de Amerikanen de gewenste inlichtingen. De Tweede Wereldoorlog werd op vele plaatsen gewonnen. Eleven Forty-Two, zo weten we nu, was er een van. Gedurende de oorlog tekenen Duitse gevangenen voor hun verhoorders kaarten van wapenfabrieken, en schetsen ze constructietekeningen van wapensystemen. De Amerikanen krijgen gegevens over hoe diep de Duitse onderzeeërs duiken en over de precieze locatie van een Hamburgse scheepswerf, die ze vervolgens vernietigen. Nu, in juni 1945, gaat het niet meer om militaire geheimen; de Wehrmacht is verslagen. Nu gaat het om het
achterhalen van oorlogsmisdaden.
En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven
Peter Weiss: Iedereen probeerde ons wijs te maken dat hij geen echte nazi was. Sommigen geloofde ik. Dan lag ik ’s nachts wakker en pijnigde mijn hersens af: heb ik me laten beetnemen?
En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven.
Peter Weiss: Af en toe ontstond er sympathie tussen sommigen van hen en sommigen van ons.
Sympathie met de moordenaars? Een andere veteraan van Eleven Forty-Two, die twee jaar lang in het kamp diende, zegt over een van de gevangen Duitsers in alle ernst: ‘Hij was een van de goede nazi’s.’
Goede nazi’s. Het zijn twee woorden die in volstrekte tegenspraak met elkaar lijken. Woorden die bewijzen dat de strategie van de vriendelijkheid niet alleen de Duitse gevangenen veranderde, die steeds praatgrager werden. Ze veranderde ook de Amerikaanse soldaten, die door al hun afschuw en hun haat heen opeens niet alleen monsters voor zich zagen, maar mensen, in al hun complexiteit, met alle tegenstrijdigheden.
En in Eleven Forty-Two verandert nog iets anders. De interesse van de Amerikanen in de Duitse schuld duurt niet zo lang. Of preciezer: die wordt, eerst maar een beetje, dan steeds sterker, overvleugeld door de interesse in Duitse kennis, Duitse techniek, die nuttig kan zijn voor het volgende conflict, de volgende grote oorlog. Techniek zoals de Amerikanen die op de U-234 aantreffen. De bemanning van deze Duitse U-Boot heeft niets meegekregen over het einde van de oorlog. Als Duitsland capituleert, vaart de onderzeeër juist door de Atlantische Oceaan op weg naar Japan, van alle berichtgeving afgesneden. De Führer persoonlijk heeft de U-234 daarheen gestuurd, volgepakt met Duitse militaire techniek voor de Japanse bondgenoten. Ook een van Hitlers beste wetenschappers is aan boord, ingenieur Heinz Schlicke.
Als de kapitein van de U-234 het bericht van de capitulatie verneemt, verandert hij van koers. Hij stuurt aan op de Amerikaanse oostkust en geeft zich over aan een schip van de US Navy. De Amerikanen slepen de U-234 naar de haven van Portsmouth in New England.
Henry Kolm: Ze hadden iemand nodig die verstand had van techniek. Dus reed ik erheen. De U-234 lag in het dok. Onze mensen laadden de vracht uit met een kraan. Het was ongelofelijk: V2-motoren, kisten vol tekeningen en documenten, een gevechtsvliegtuig van het type Messerschmitt Me 262 in onderdelen, en een pallet met een soort tank erop. Later heb ik gehoord dat daarin 560 kilo uraniumoxide zat, de grondstof voor een atoombom. De Duitse wetenschap was de Amerikaanse indertijd jaren, en op sommige gebieden decennia vooruit. Ons geluk was dat er zelfs iemand aan boord was die die techniek begreep, dr. Heinz Schlicke. We brachten de crew naar Eleven Forty-Two.
Een van de gevangenen van 1142.
In die zomerdagen van 1945 rijdt bijna dagelijks een wagen het kamp uit, meestal tegen de middag, om uren later terug te keren. Erin zitten een Amerikaanse officier en steeds dezelfde gevangene: Heinz Schlicke. Vijftien kilometer naar het noorden, in het Pentagon, houdt Schlicke voordrachten over radar- of infraroodtechniek en geeft hij Amerikaanse officieren advies, aanvankelijk aarzelend, dan steeds vrijmoediger. Al snel ontstaat daaruit een nauwe samenwerking.
Zo ontstaat in de loop van het jaar 1945 in Eleven Forty-Two uit het verhoorprogramma een wervingsprogramma. Doel: nieuw personeel aanwerven voor het Amerikaanse leger. Vooral Duitse wetenschappers zijn bijzonder gewild, niet zelden zijn zij in hun discipline de meest toonaangevende in de wereld.
De belangrijkste onder hen is Wernher von Braun (bedenker van de V2, een voor die tijd revolutionaire ballistische raket).
Kort voor de Duitse capitulatie meldt Wernher von Braun zich in de Allgäu bij de Amerikanen. Hij treedt daar met veel zelfvertrouwen op. Iemand van het Amerikaanse leger zal over hem zeggen: ‘Hij behandelde onze soldaten met de minzame neerbuigendheid van een congreslid op werkbezoek.’
Von Braun weet dat hij iets te bieden heeft. Hij kan nieuwe raketten ontwikkelen voor de Amerikanen. Raketten die – destijds onvoorstelbaar – hele continenten en zeeën over kunnen vliegen.
In de Amerikaanse regering ontbrandt een strijd. De militaire geheime dienst wil Wernher von Braun en zijn wetenschappers naar Amerika halen en van hun kennis profiteren. Maar op het State Department is de boodschap: geen sprake van, ze moeten bestraft worden.
De militairen wachten de uitkomst van deze strijd niet af. In juni geven ze Wernher von Braun een arbeidscontract, buiten medeweten van grote delen van de Amerikaanse regering. Samen met 115 andere wetenschappers, onder wie zijn belangrijkste medewerkers, stapt Wernher von Braun een vliegtuig in.
Henry Kolm: Arno, Peter en ik kregen het bevel naar Boston te rijden en het Von Braun-gezelschap te ontvangen. Omdat alles zo geheim was, richtten we op een verlaten eiland in de haven een provisorisch steunpunt in. Niemand mocht deze lui zien, dat zou een reusachtig schandaal zijn geweest. Op het eiland stond een groot huis, waarin wij met die wetenschappers woonden. Wij noemden het ‘Huis van de Duitse Wetenschap’. Ze gaven lezingen; Von Braun sprak over zijn droom om naar de maan te vliegen. Op een keer zeiden ze tegen mij: ‘We hebben al zo lang geen Mendelssohn meer gehoord. Dat was verboden.’ Dus zorgde ik voor een grammofoonplaat. Later brachten we de wetenschappers naar Eleven Forty-Two.
Arno Mayer: Ik was Von Brauns moraalofficier. Gelukkig wist ik niet wat hij in de oorlog gedaan had. Maar niettemin had ik er geweldig de pest in deze types te moeten paaien. Achter mijn rug noemden de wetenschappers mij ‘mijn kleine Jodenjongen’. Een keer ben ik kwaad geworden, toen Von Braun zei: ‘Hitlers enige fout was dat hij de Joden vermoordde.’ Ik zei: ‘Als je nu in Rusland was, zou je zeggen dat zijn enige fout was dat hij de Sovjet-Unie binnenviel.’ Later werd ik berispt door mijn meerdere. Als ik dat nog eens deed, zou ik voor een militaire rechtbank komen.
Lingerie
Op een zeker moment gaf mijn commandant mij een paar honderd dollar en stuurde mij met vier wetenschappers uit winkelen, Von Braun was er ook bij. Ze wilden hun vrouwen kerstpakketten sturen. Ik reed deze vier naziwetenschappers naar de grootste Joodse zaak van de stad, Lansburgh’s. Ze kochten cacao, suiker, koffie. Toen gingen ze naar de afdeling lingerie. Ik was negentien en had nog nooit damesondergoed gekocht. Ik zal het tafereel nooit vergeten: die vier figuren met hun leren jassen en Tiroler hoedjes op de afdeling lingerie. Toen de verkoopster met nylon slipjes aankwam, gooide Von Braun zijn handen in de lucht en zei: ‘O nee! Wollen onderbroeken met lange pijpen!’
Wernher von Brauns contract wordt verlengd. Hij werkt voor het leger, daarna voor de nieuw opgerichte NASA. Hij bouwt de raketten voor de maanlanding en raakt bevriend met John F. Kennedy. Hij sterft in 1977 als een Amerikaanse held. In totaal brengen de Amerikanen meer dan zestienhonderd Duitse wetenschappers het land in, onder wie oorlogsmisdadigers, artsen die op mensen experimenteerden en chemici die gifgassen voor de Wehrmacht ontwikkelden. Allemaal beginnen ze een nieuw leven in Amerika.
In de VS nemen de drie vrienden Henry Kolm, Arno Mayer en Peter Weiss in het jaar 1946 ontslag uit het leger. Weiss wordt een succesvolle advocaat, Mayer historicus, en Kolm fysicus aan het Massachusetts Institute for Technology in Boston. Ze blijven hun leven lang bevriend.
In het jaar 2007 treffen de veteranen van Eleven Forty-Two elkaar na meer dan zestig jaar voor het eerst weer op de plek waar ze destijds dienden. Mayer, Weiss en Kolm zitten voor een speciaal gebouwd podium in het park. Een legerofficier legt in een toespraak een verband tussen de Tweede Wereldoorlog en Irak. Als hij de veteranen op het podium roept voor een eerbetoon, blijft Arno Mayer zitten. Uit protest tegen de Amerikaanse verhoormethoden van tegenwoordig. Kort tevoren zijn de beelden uit de foltergevangenis van Abu Ghraib gepubliceerd.
Toen zijn broer werd doodgeschoten tijdens de tweede Palestijnse intifada, wilde Ali Abu Awwad wraak. Tegenwoordig is hij pacifist en gaat hij de dialoog aan met Joodse kolonisten. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren.’
Keuze uit het archief
Sinds vorige week zaterdag woedt het conflict tussen Israël en Palestina heviger dan ooit tevoren. De Palestijnse organisatie Hamas nam verschillende plaatsen in Israël onder vuur, doodde daarbij honderden burgers en nam nog eens honderden mensen gevangen. Als antwoord daarop begon Israël een groot bombardement op Gaza, waarbij eveneens honderden burgers werden gedood. De grote vraag die zich dan voordoet is: zal er ooit vrede tussen deze twee gebieden komen, en zo ja, hoe?
Hierop geeft pacifist Ali Abu Awwad in dit artikel van Christian Science Monitor uit 2015 antwoord. Volgens hem zouden geweldloosheid, solidariteit met elkaars leed en een open dialoog tussen de beide partijen een einde kunnen maken aan de Israëlische bezetting. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de individuele verantwoordelijkheid van iedere burger, ‘of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ aldus een van Awwads aanhangers.
We schrijven het jaar 2000 – de tweede Palestijnse intifada is net begonnen. Ali Abu Awwad zit in Saoedi-Arabië, waar hij herstellende is van een Israëlische drive-by shooting. Daar krijgt hij te horen dat zijn broer Youssef van dichtbij door een Israëlische soldaat door het hoofd is geschoten. ‘Hij heeft ons een zoon en een dochter nagelaten, en een enorme hoeveelheid verdriet, gemis en woede,’ zegt Abu Awwad. Een deel van hem hongert naar wraak. ‘Maar dan dringt zich de vraag op: Hoeveel mensen moet ik vermoorden? Hoeveel Israëli’s moeten er dood om deze pijn weg te nemen?’ Op dat moment neemt zijn moeder, een Palestijnse activiste die nauwe banden onderhoudt met Yasser Arafat, een opmerkelijk initiatief. Ze nodigt een aantal Israëli’s uit die hun kind zijn verloren. ‘Ik vond het een schok om een Israëli te zien huilen,’ zegt Abu Awwad, die als tiener tien jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn betrokkenheid bij de eerste Palestijnse Intifada. ‘Ik had geen benul dat Joden ook tranen hebben.’
Sindsdien is Abu Awwad een groot pleitbezorger van geweldloosheid als middel om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Hij heeft meer dan tien jaar samengewerkt met vredesorganisaties en hij is zelfs de wereld over gereisd met een Israëlische moeder wier zoon, een vredesactivist, door een Palestijnse sluipschutter om het leven is gebracht. Maar de afgelopen jaren is hij tot de conclusie gekomen dat de vrede niet zal worden gesloten door de Israëli’s die hun wortels hebben in Tel Aviv, een kosmopolitische stad ver van de gewapende strijd.
Veel vredesactivisten distantiëren zichzelf van de Israëli’s die de grenzen van vóór 1967 over zijn getrokken – de door de internationale gemeenschap erkende grens van de Israëlische soevereiniteit. Ze mijden de Westelijke Jordaanoever, waar sinds de Oslo-akkoorden van 1993 het aantal kolonisten is verdrievoudigd. Abu Awwad heeft daar begrip voor, en hij ziet ook wel dat de nederzettingen een Palestijnse staat in de weg staan, maar zelf heeft hij een andere kijk op de kwestie. ‘Er wonen meer dan zeshonderdduizend kolonisten in Oost-Jeruzalem en op de Westoever. Wie gaat er met al die mensen praten?’ vraagt hij, onder een geïmproviseerd zonnedak op het land van zijn familie, ergens tussen Bethlehem en Hebron, omgeven door nederzettingen. ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit. De wortel van het probleem zit hier, niet in Tel Aviv.’
Dus bedacht Abu Awwad dat hij, om rechten voor de Palestijnen te verwerven, op de Israëlische kolonisten af moet stappen. Wanneer dat verhaal eenmaal de ronde doet, zoekt Rabbi Hanan Schlesinger uit het nabijgelegen Alon Shvut contact met hem. Hoewel de rabbijn hier al tientallen jaren woont, is dit de eerste keer dat hij van een Palestijn hoort hoe het is om onder de Israëlische bezetting te leven. ‘Het was pijnlijk, het was ongemakkelijk, het was spannend en ik voelde me aangevallen,’ herinnert Schlesinger zich. ‘Maar hij was niet kwaad, hij was niet vervuld van woede en rancune. Hij vertelde me zijn levensverhaal.’ En door dat te doen brengt Abu Awwad een verandering teweeg in Schlesingers leven. De rabbijn zegt dat hem duidelijk is geworden dat hij zijn ogen heeft gesloten voor de realiteit waarin hij leeft. Hij gaat nog eens met Abu Awwad praten. En nog eens.
Ze krijgen gezelschap van Israëli’s uit het nabijgelegen Tekoa, waar wijlen Rabbi Menachem Froman woonde, die actief betrekkingen onderhield met Palestijnse leiders, onder wie Yasser Arafat, de legendarische strijder die was uitgegroeid tot president, en sjeik Ahmed Yassin, de oprichter van Hamas.
‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit’
Vorig jaar heeft de immer groeiende vredesbeweging een organisatie in het leven geroepen, Roots, die ervoor pleit dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Roots schaart zich niet achter één bepaalde politieke oplossing, maar onderschrijft waarden als respect en geweldloosheid, en Roots erkent dat beide partijen diepe banden met het land hebben.
Tot nog toe zijn er meer dan zesduizend mensen op bezoek geweest, onder wie zeshonderd Israëlische studenten die nog in dienst moeten. ‘Ik geloof dat dit de juiste manier is,’ zegt Gal Rosenberg, een student met rechtse denkbeelden, nadat hij Abu Awwad heeft horen spreken. ‘Dit is de droom.’ In juni heeft Abu Awwad, samen met Schlesinger, een tournee gemaakt door de Verenigde Staten. En zowel Roots als Froman spelen een prominente rol in A Third Way, een documentaire die dit najaar in roulatie gaat in de Verenigde Staten en West-Europa. ‘Hopelijk geeft de film het publiek een goed beeld van dit dialoogmodel en hopelijk verandert de film het beeld van de ander, dat over het algemeen vrij stereotiep is, hopelijk ontstaat er een meer menselijke visie,’ aldus regisseur Harvey Stein, die zegt dat hij vraagtekens is gaan plaatsen bij zijn eigen ‘linkse opvattingen’.
Hij hoopt na afloop van de voorvertoningen in gesprek te kunnen gaan met het publiek – een gesprek dat wellicht een afspiegeling zal zijn van de dilemma’s waarmee de personages worstelen. Momenteel zijn het vooral buitenlanders die bij Roots betrokken zijn. Zij lijken eerder bereid tot een gesprek dan de lokale bevolking, die dagelijks wordt geconfronteerd met spanningen, checkpoints en aanslagen.
Binnen de Palestijnse gemeenschap leeft veel verzet tegen een ‘normalisering’ van de betrekkingen met Israël, en dat strekt zich uit naar alles en iedereen die lijkt te berusten in de status quo. En aan Israëlische zijde heeft de steun voor een tweestatenoplossing een historisch dieptepunt bereikt tijdens de oorlog in Gaza van het afgelopen jaar. Er is ook een sterke zionistische beweging die van mening is dat het hele land aan de Joden toebehoort, in tegenstelling tot Froman, die van mening is dat de Joden aan het land toebehoren.
Krankzinnig
Abu Awwad zegt dat hij weet dat zijn idee ‘krankzinnig’ klinkt – net als de ideeën van Froman, die ooit, met gebedsriem en al, samen met sjeik Yassin in Gaza-Stad voor duizenden Hamas-aanhangers is verschenen. Stein heeft gefilmd dat de sjeik tegen mevrouw Froman zei dat haar man een groot hart had, maar dat hij zich met opzet naïef opstelde. ‘En dat is pas echt wijsheid… als je weet hoe je naïef moet zijn,’ luidden zijn woorden. Anderzijds zijn Froman en zijn medewerkers ook pragmatisch. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren – of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ zegt Shaul Judelman, een van Fromans leerlingen. Logistiek gezien is het nog niet zo eenvoudig om Israëli’s en Palestijnen bij elkaar te brengen op de Westoever, aangezien hun goeddeels de toegang tot het gebied van de ander is ontzegd.
‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft’
Het landgoed van Abu Awwad is een van de weinige plekken waar beide bevolkingsgroepen welkom zijn. Er is geen bordje, alleen een openstaand hek dat toegang biedt tot een schaduwrijke plek waar bezoekers een plastic bekertje water krijgen. Men zit in een kring, moet soms moeite doen elkaar te verstaan wanneer een briesje de piepende metalen deur naar Abu Awwads eenvoudige eenkamerwoning openblaast.
Een paar minuten verderop is de liftplaats waar afgelopen zomer drie Israëlische tieners zijn ontvoerd en vermoord, wat uiteindelijk is geëscaleerd in de Gaza-oorlog. De jesjieve-klasgenoten van twee van deze jongens zijn onlangs bij Roots geweest. Judelman is met zijn partner naar een Palestijnse school geweest. De plaatselijke Israëlische commandant is gekomen en heeft een paar uur gepraat met Abu Awwad, die kans zag hem een rol te laten vervullen in de oplossing. Schlesinger heeft Abu Awwad zijn woonkamer ter beschikking gesteld om met zijn buren te praten – twee keer zelfs. Hij heeft van verschillende kanten het verwijt gekregen dat hij een ‘terrorist’ binnen heeft gehaald, maar er zijn tientallen mensen komen luisteren. Na afloop zei een van hen: ‘Het is moeilijk om niet overtuigd te zijn.’
Een ander gesprek
‘Er is bijzonder weinig wederzijds begrip in dit conflict,’ zegt Judelman in de documentaire. ‘Maar dan ineens tref je iemand aan de andere kant die naar je heeft geluisterd, en kun je met hem praten op een manier waaruit blijkt dat hij begrijpt wat je hebt doorgemaakt. Dan krijg je een heel ander soort… gesprek.’ Abu Awwad is bescheiden over de resultaten van zijn werk tot nog toe en hij benadrukt dat geweldloosheid een middel is, geen doel op zich, en dat de rechten van de Palestijnen nog verworven moeten worden. ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Vroeger werd ik wakker met de gedachte: Was ik maar nooit geboren. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft,’ zegt hij.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.