Tag: jongeren

  • Thaise jongeren laten zich niet langer het zwijgen opleggen

    Thaise jongeren laten zich niet langer het zwijgen opleggen

    De generatie Thaise jongeren die geboren is in de jaren negentig pikt het autoritaire en conservatieve systeem niet langer. Ze uitten massaal hun onvrede, online én offline.

    Dossier De straat op

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder op 30 april in nummer 197 van 360 Magazine.

    De sfeer in het holle, donkere pakhuis aan een druk verkeerspunt in Bangkok was geladen, het was een zondagavond en het begon al te schemeren. Het publiek scandeerde slogans tegen de gevestigde orde in reactie op de provocerende hiphop op het podium: het nummer Prathet Ku Mee (‘Wat mijn land te bieden heeft’) van hoofdact Rap Against Dictatorship (RAD). Het nummer, een woedende aanklacht tegen de Thaise overheid, is het lijflied geworden van jongeren die de buik vol hebben van jarenlange politieke en economische chaos.

    In de tekst wordt de hoofdstad een ‘killing field’ genoemd en het aan de leiband van de junta lopende parlement een ‘speeltuin voor militairen’. De bijbehorende clip, online sinds oktober 2018, werd in de eerste week ruim 17 miljoen keer bekeken. Inmiddels gaat het om ruim 77 miljoen views. Nutthapong ‘Liberate P’ Srimuong, een van de voormannen van RAD, schudt zijn hoofd uit ongeloof over het succes van het nummer. ‘We hadden nooit gedacht dat we de jonge Thai zo zouden raken,’ vertelt hij na afloop van het concert. ‘Als je de social media volgt, voel je hun frustratie. En wij geven die een stem.’

    Het succes van Prathet Ku Mee staat symbool voor de groeiende ontevredenheid onder jonge Thai, die zijn opgegroeid in een tijdperk van permanente crisis. Wie in de jaren negentig in Thailand werd geboren, heeft de nasleep van de financiële crisis in Azië meegemaakt, twee staatsgrepen en ingrijpende grondwetshervormingen, terwijl het land sinds het leger in 2014 aan de macht kwam wordt overspoeld door een golf van autoritarisme en conservatisme. In plaats van zich stil te houden, verheffen Thaise jongeren nu hun stem, op internet en bij evenementen, zoals het optreden van RAD. ‘Als je niet openlijk kritiek uit, loop je uit de pas; het is tegenwoordig cool onder jonge Thai om verontwaardigd, boos en gefrustreerd te zijn over wat er in het land gebeurt,’ zegt Kan Yuenyong, directeur van Siam Intelligence Unit, een denktank uit Bangkok.

    Het kost de regering, met aan het hoofd de voormalig coupleider, generaal Prayuth Chan-ocha, moeite de onvrede te beteugelen. Daarom gebruikt ze klassieke autoritaire tactieken, zoals het illegaal verklaren van een politieke jongerenpartij en het optuigen van een inlichtingendienst die uitingen van onvrede nauwlettend in de gaten houdt. Maar waar vorige generaties zich lieten intimideren, gaat het deze keer anders, aldus Kan. ‘Na jaren te hebben gezwegen, staan de jonge generaties nu op een keerpunt.’

    Toenemende rebellie

    Onlangs verliet Chotiros Naksut op een vrijdagavond haar kantoor in Pathumwan, het zakendistrict van Bangkok. Ze droeg een T-shirt met daarop in koeienletters ‘Fuck Prayuth and if you like Prayuth fuck you too’. Zulke openlijke provocaties zijn niet zonder risico. De door Prayuth geleide junta en de gekozen regering bedienen zich van autoritaire middelen om aan de macht te blijven. Politieke activiteiten en openbare bijeenkomsten zijn aan banden gelegd. Critici worden ter ‘correctie’ van hun denkbeelden naar legerkampen afgevoerd. Social media worden gecensureerd en burgers die er kritische opmerkingen achterlaten worden aangeklaagd wegens poging tot opruiing. Democratisch gezinde activisten worden op klaarlichte dag aangevallen. De aanvallers ontlopen meestal hun straf, waardoor een sfeer van wetteloosheid ontstaat.

    Chotiros is vrienden kwijtgeraakt vanwege haar politieke opvattingen en is constant op haar hoede voor woedende reacties. ‘In het begin was ik bang en moest ik me verweren tegen figuren die me discrimineerden vanwege mijn sekse en omdat ik me uitspreek over seksualiteit,’ zegt ze, terwijl ze haar paars gekleurde lokken naar achteren veegt. ‘Maar nu niet meer. Grove taal maakt duidelijk dat we ons ergeren aan de toestand van ons land.’

    Haar eigen politieke bewustwording begon toen de junta aan de macht kwam. Chotiros, 28 jaar, zegt dat ze zich al op de middelbare school kwaad maakte over Thailands conservatieve genderbeleid. ‘Ik wilde aan de kaak stellen dat meisjes in onze maatschappij hun mond moeten houden over seks, politiek en godsdienst.’ Ze kwam in verzet door erotische fictie te schrijven, door seks te gebruiken als manier om maatschappelijke en culturele thema’s te verkennen. Haar debuut, de verhalenbundel Black Cherry, verscheen vorig jaar april in Thailand. Sindsdien is het aantal mensen dat haar op Facebook volgt gestegen tot ruim 21.000. Chotiros: ‘We moeten de conservatieve cultuur en het beeld dat de autoriteiten van Thailand voorspiegelen ter discussie stellen: dat het een land is van glimlachende, blije mensen. Dat is zowel een mythe als door het Thaise ministerie van Toerisme bedreven propaganda.’

    Jongeren zoeken nieuwe manieren om te protesteren

    Steeds meer jonge Thai nemen hun toevlucht tot provocaties, ondanks het gevaar van repercussies. ‘Ze nemen een risico door openlijk alles te bekritiseren wat hun toekomst in de weg staat,’ zegt Orapin Yingyongpathana, hoofdredacteur van The Momentum, een van de voornaamste Thaistalige digitale nieuwsplatforms. ‘Ze vinden dat Thailand vastloopt.’

    Dat geldt in elk geval voor de economie. De groei van het Thaise bruto binnenlands product, die de afgelopen jaren ondanks de politieke beroering relatief stabiel bleef, begint te haperen. In 2019 groeide de economie met slechts 2,5 procent. Dit jaar wordt een krimp verwacht, omdat de toerismesector wordt getroffen door de uitbraak van het coronavirus. Van 2009 tot 2019 nam de schuld per huishouden volgens de centrale bank van Thailand toe van 377.100 tot 552.500 baht (12.000 tot 17.600 dollar). De totale schuld bedraagt nu bijna 80 procent van het bbp.
    Tegelijkertijd vindt de hoger opgeleide stedelijke bevolking moeilijk werk.

    Volgens het Thailand Development Research Institute (TDRI), een gezaghebbende denktank, bedraagt de werkloosheid onder jonge Thai met een diploma of bacheloropleiding (7,3 tot 9,5 procent van de beroepsbevolking), respectievelijk 4,7 en 17,2 procent. ‘Ik verwacht dat die verder stijgt zolang de economische groei blijft dalen,’ zegt Yongyuth Chalamwong, onderzoeksdirecteur personeelsbeleid van TDRI. Berichten over aannamestops, minder orders en een dip in de consumentenbestedingen zorgen voor spanningen onder pas afgestudeerden die de arbeidsmarkt op willen.

    De 23-jarige Aomthip Kerdplanant, die in zijn laatste jaar aan de Chulalongkorn-universiteit in Bangkok zit en protesten tegen de luchtvervuiling
    in de stad heeft geleid, verwoordt de toenemende wanhoop. ‘We zeggen weleens dat we zijn geboren tijdens de financiële crisis en nu moeten
    solliciteren tijdens een economische crisis,’ aldus Aomthip. ‘We raken gestresst van die uitzichtloze toestand.’

    Maar die wanhoop levert wel creatieve manieren van demonstreren op. Half januari kwamen bijna veertienduizend mensen bijeen in een park in het noorden van Bangkok voor de 6 kilometer lange ‘Run Against Dictatorship’. Prathet Ku Mee schetterde uit speakers en veel hardlopers maakten met drie vingers het gebaar dat sinds de coup van 2014 geldt als teken van protest. ‘De afgelopen zes jaar werden geregeerd door angst. De mensen zijn bang geworden om op de traditionele manier te demonstreren. Daarom verzonnen we iets creatiefs voor wie niet bang is om kritiek te uiten,’ zegt Nutta Mahattana, een van de organisatoren van de loop. ‘We werden overweldigd door reacties van jongeren die nieuwe manieren zoeken om te laten merken dat ze genoeg hebben van het regime.’

    ‘Ik ben hier om te protesteren tegen de hypocriete politiek van Prayuth en de militairen die hem steunen,’ zei een deelnemer van in de twintig die in de technologiesector van Bangkok werkt. ‘De mensen hier weten dat de macht altijd uitvalt in het voordeel van één partij en onze hoop de grond in boort.’

    Achter deze evenementen in de echte wereld wordt de massa online gemobiliseerd. Thailand heeft met 57 miljoen internetgebruikers en 51 miljoen socialmediagebruikers een hoogwaardige digitale infrastructuur, blijkt uit cijfers van We Are Social, een mondiaal socialmediabedrijf. De Thaise antiautoritaire beweging heeft eigen influencers die actief zijn op social media, onder wie Khai Maew. Deze cartoonist, die werkt onder een schuilnaam, uploadt wekelijks minstens drie politieke spotprenten op zijn Facebookpagina met meer dan een half miljoen volgers. Vaak neemt hij Prayuth op de hak, die hij steevast afbeeldt met een hitlersnorretje. ‘Ik teken om de onderdrukking aan de kaak te stellen, niet om me erbij neer te leggen,’ zegt hij in een interview per e-mail. ‘Mijn belangrijkste thema’s zijn mensenrechten, vrijheid, corruptie en cliëntelisme.’

    Screen Shot 2021 04 14 at 7.44.25 PM

    Het toenemende ressentiment baart de Thaise overheid zorgen. Ze bedient zich van juridische middelen en aanpassingen van de grondwet om haar macht te verstevigen. Maar door met harde hand te regeren lijkt ze haar greep op de middenklasse te verspelen. ‘Vooral daarom komen mensen massaal in verzet,’ zegt James Buchanan, die aan de City University in Hongkong onderzoek doet naar maatschappelijke bewegingen in Thailand. ‘De afgelopen tien jaar heeft de gevestigde macht zo duidelijk laten blijken dat ze zich misdraagt dat jongeren uit de middenklasse het niet meer pikken.’

    De steun van Thaise jongeren – en de toorn van de overheid – richt zich op de Future Forward Party (FFP), die in maart 2018 werd opgericht en een jaar later meedeed aan de verkiezingen. De partij, geleid door de 41-jarige mediagenieke miljardair Thanathorn Juangroongruangkit, deed haar best om in de smaak te vallen bij jonge kiezers. Ze streefde naar grondwetshervorming, een einde aan de Thaise oligarchieën en een minder groot, minder machtig leger. Vooral het voorstel om een einde te maken aan de militaire dienstplicht voor mannen van boven de 21 vond veel weerklank.

    De FFP herschreef ook de regels van het politieke spel. In plaats van te vertrouwen op vrijwilligers die langs de deur gaan om stemmen te werven en op netwerken van begunstigers – van oudsher manieren om stemmen te trekken tijdens Thaise verkiezingen – stopte de FFP haar geld in campagnes op social media, waarmee ze zich richtte op stedelijke gebieden en universiteitssteden. ‘We proberen de kracht van onlineplatforms maximaal uit te buiten. Veel “futuristas” hebben ons daarbij geholpen door ons te hashtaggen en onze content te delen,’ zegt Pannika Wanich, woordvoerder van de partij, in een interview. ‘In steden hebben de mensen liever niet dat er iemand aan de deur komt en staan ze meer open voor nieuwe politieke partijen.’

    Het militaire establishment, dat de verkiezingen hoopte te gebruiken om zijn positie in het hart van de politiek te verstevigen, maakte zich niet druk om de aanpak van de FFP. Volgens bronnen binnen de Thaise militaire inlichtingendienst gaf het leger de onlinecampagne van de nieuwe partij weinig kans. Ze schatten op grond van peilingen dat die tien tot twintig zetels zou opleveren. ‘De FFP gebruikte geen traditionele wervingsmethoden en we hebben er nooit naast gezeten met onze voorspellingen,’ aldus een bron. ‘Dus was de uitslag een complete verrassing. De jonge kiezers die de FFP steunden bewezen ons ongelijk en het werd duidelijk hoe groot de impact van social media op de Thaise politiek is.’ De FFP won 81 van de 500 parlementszetels, werd de op twee na grootste partij en al tijdens haar eerste verkiezingen een geduchte politieke tegenstander.

    Thanathorn schrijft die aardverschuiving toe aan de vormende jaren van de jonge Thai. Die werden geboren in de nasleep van de ‘Tom Yam Kung’-crisis van 1997 – genoemd naar het intens hete, populaire nationale gerecht – die de Thaise economie deed krimpen. In de kwakkelende jaren daarna was het een komen en gaan van protestbewegingen en waren de jongeren getuige van bloedige confrontaties tussen demonstranten en het leger. Sindsdien zagen ze dat de uitslag van twee verkiezingen door het leger ongedaan werden gemaakt. ‘Dus als je nu in het laatste jaar van je studie zit, begin je te begrijpen dat er iets goed mis is in je land,’ zegt Thanathorn. ‘Nog belangrijker is het als je beseft dat wat je op school en tijdens je studie leert niet strookt met de werkelijkheid.’

    Het succes van de FFP leidde tot verzet onder de ultraconservatieven, die manieren bedachten om de legitimiteit van de partij in twijfel te trekken. In november verloor Thanathorn zijn parlementszetel, nadat de rechtbank hem schuldig had verklaard aan overtreding van de regel dat deelnemers aan de verkiezingen geen belang in mediabedrijven mogen hebben.

    Thanathorn zei dat hij zijn aandeel in V-Luck Media had verkocht voordat zijn campagne begon, maar volgens de rechtbank ontbrak het aan bewijs dat hij het bedrijf had overgedragen. De partij zelf voorkwam ternauwernood dat ze in januari werd ontbonden, nadat een rechtbank had geoordeeld dat ze de monarchie niet had ondermijnd, zoals werd beweerd.

    In totaal spanden bondgenoten van de ultraconservatieven ruim 25 rechtszaken tegen de FFP aan. Eind februari ging het mis, toen het Constitutionele Hof oordeelde dat Thanathorn voorafgaand aan de verkiezingen in maart 191 miljoen baht zou hebben ontvangen. De partij werd ontbonden. Van tevoren had Thanathorn gezegd: ‘Als ze ons ontbinden, gooien ze deur naar een vreedzame democratische overgang in het slot, wat gevaarlijk is. Thailand zal dan geen politieke rust kennen.’

    Een andere tactiek van de veiligheidsdiensten is beproefde autoritaire middelen in de strijd te gooien om de ziel van de Thaise jeugd voor zich te winnen. De binnenlandse veiligheidsdienst (ISOC), die ten tijde van de Koude Oorlog werd opgericht om op communisten te jagen, heeft onder Prayuth weer aan gezag gewonnen. De dienst roept jongeren op zich aan te sluiten bij patriottische organisaties die de monarchie en het boeddhisme als grondslag van de Thaise identiteit beschouwen.

    ‘Elke ISOC-afdeling moet haar doel halen: een x-aantal mensen ronselen voor trainingen,’ zegt Puangthong Pawakapan, een Thaise politicoloog en auteur van het binnenkort te verschijnen Infiltrating the Society: The Thai Military’s Internal Security Affairs (‘Infiltreren in de samenleving: de binnenlandse veiligheidsdienst van het Thaise leger’). Een groot deel van het budget van de veiligheidsdienst gaat op aan monarchistisch-nationalistische programma’s, zegt ze. ‘Die mogen ze inrichten zoals ze willen, bijvoorbeeld een eendaags programma voor een man of honderd of een lezing van een paar uur voor een gehoor van drieduizend deelnemers.’

    James Bond-afdeling

    Het militaire establishment bewandelt ook nieuwe wegen en heeft zelfs een Facebookpagina opgetuigd – ‘ISOC007’, in veiligheidskringen gekscherend de ‘James Bond-afdeling’ genoemd – om ‘inlichtingen’ van burgers te verzamelen. De door het leger geleide controletak ‘Ro.Dor.Cyber’ luistert duizenden studenten af ‘om onpatriottische onlineactiviteiten in de gaten te houden’, aldus een hooggeplaatste bron uit legerkringen. Daarnaast heeft de overheid een ministerieel ‘crisiscentrum’ ingericht om ‘nepnieuws’ te volgen. Tot slot probeert ze onlineactiviteiten af te schilderen als een gevaar voor de nationale veiligheid. ‘Social media zijn machtiger dan de wapens van het leger,’ waarschuwde opperbevelhebber generaal Apirat Kongsompong vorig jaar april in een toespraak.

    Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Thaise militaire regering met oude tactieken de nieuwe problemen zal kunnen oplossen, want traditionele machtsmiddelen boeten aan kracht in. ‘Jongeren willen een andere relatie tot de Thaise politiek, met een nieuwe generatie leiders die rechtstreeks in contact staat met jonge kiezers,’ zegt Penchan Phoborisut, een Thaise communicatiewetenschapper van de California State University in Fullerton. Online durven jongeren zelfs het koningshuis uit te dagen, iets wat lange tijd taboe was. Twitteraars stellen openlijk het afsluiten van wegen en vakantiecomplexen voor de koninklijke huishouding ter discussie, ondanks eventuele zware gevangenisstraffen wegens majesteitsschennis.

    Eind 2019 liet de overheid merken dat ze zich bewust was van het veranderende culturele tij toen ze een veiligheidsplan publiceerde. ‘De nieuwe generaties hebben geen band meer met het koningshuis, want ze zijn zich er niet goed van bewust dat de monarchie de ziel vormt van het land,’ aldus het plan, dat afkomstig was van de Raad voor de Nationale Veiligheid. Volgens een ingewijde staat het militaire establishment, dat maatschappelijke en politieke tegenstellingen – conservatief tegenover hervormingsgezind, arme kiezers tegenover extreem rijke – uitbuit
    om de Thaise democratie in zijn greep te houden, voor een onmogelijke uitdaging. ‘Het wordt geconfronteerd met een nieuwe scheidslijn in de Thaise politiek: die tussen de generaties,’ aldus de bron. ‘De politieke scheidslijn loopt niet langer tussen stad en dorp of tussen hoofdstad en provincie, maar wordt gevormd door social media. En de jongere generatie is die slag aan het winnen.’

    Chotiros verwacht dat de generatiekloof steeds dieper zal worden als de heersende klasse zich doof houdt voor de woede van de Thaise jeugd. ‘We willen eerlijke antwoorden op de vraag waarom dit land in het slop is geraakt,’ zegt ze. ‘Door het handelen van de machthebbers is het de afgelopen tien jaar de verkeerde kant op gegaan. Onze generatie laat dat niet stilzwijgend aan zich voorbijgaan.’

  • Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur | Podemos verlaat regering

    Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur | Podemos verlaat regering

    Hoofd Podemos vertrekt uit de regering

    Na de afgelopen jaren het politieke leven in Spanje op zijn kop te hebben gezet, sloeg Pablo Iglesias maandag de regeringsdeur dichtschrijft El País. Zijn plan is om te gaan deelnemen aan de regionale verkiezingen op 4 mei in Madrid. De leider van radicaal links en vicepresident van de Spaanse regering deelde dit mee aan de socialistische premier Pedro Sánchez.

    Iglesias, oprichter en nummer één van Podemos sinds de oprichting in 2014, gaf aan dat de huidige minister van Arbeid, Yolanda Díaz, hem zou vervangen als vicepresident van de regering en als kandidaat tijdens de volgende parlementsverkiezingen, gepland voor 2023.

    Zijn besluit komt iets meer dan een jaar na de vorming van de eerste coalitieregering in het land sinds het einde van de dictatuur van Franco. ‘Deze beslissing zal ingrijpende gevolgen hebben voor de politiek van Madrid en Spanje, niet alleen voor Podemos, maar voor alle partijen’, meent La Vanguardia.

    ‘Hij speelt hoog spel: Of hij wordt president van Madrid, of hij zal de politiek moeten verlaten’

    Volgens El Periódico vormt de beslissing van Iglesias een ‘risicovolle operatie die zal bijdragen aan een verdere polarisering van de Madrileense politiek, die al was aangewakkerd door de trumpistische standpunten van Isabel Díaz Ayuso. Ayuso, leider van de rechtse Volkspartij, verzocht vorige week samen met de liberale Ciudadanos-partij om vervroegde verkiezingen. Zij toonde zich dan ook ‘verheugd dat ze nu eindelijk in de topman van Podemos een geschikte kandidaat had gevonden om tegen te strijden’, aldus het Catalaanse ochtendblad, dat ‘een giftige verkiezingscampagne’ voorspelt ‘met populistische uitbarstingen aan beide kanten’.

    Volgens dagblad ABC is dit een ‘wanhopige poging om Podemos te redden van een ondergang’, aangezien de partij in de huidige formatie weinig voor elkaar heeft gekregen. Iglesias speelt hiermee hoog spel, aldus El Periódico; ‘Of hij wordt president van Madrid, of hij zal de politiek moeten verlaten’.


    Bolsonaro vervangt opnieuw de minister van Volksgezondheid

     De Braziliaanse president kondigde maandag aan dat hij generaal Eduardo Pazuello zou vervangen, die zojuist de bestelling van 138 miljoen doses had aangekondigd om een ​​nog te traag verlopende vaccinatiecampagne te versnellen. Zonder enige medische ervaring was hij aangesteld als interim-minister bij het ministerie van Volksgezondheid na het aftreden van oncoloog Nelson Teich midden mei, die net als zijn voorganger Luiz Henrique Mandetta kritiek leverde op de door Bolsonaro voorgestelde aanpak van de pandemie.

    ‘Het feit dat iemand sterren op zijn epauletten draagt, is geen garantie voor bekwaamheid (…). Generaals verliezen oorlogen. Pazuello verloor de zijne’, schrijft een columnist in O Globo,

    Pazuello wordt vervangen door Marcelo Queiroga, voorzitter van de Braziliaanse Vereniging voor Cardiologie. De benoeming van laatstgenoemde komt terwijl de epidemie in Brazilië blijft verslechteren. Ziekenhuizen zitten bijna aan hun maximale capaciteit en de afgelopen week werden dagelijks meer dan tweeduizend sterfgevallen geregistreerd.


    Mannelijke slachtoffers van seksueel geweld krijgen in Japan geen steun

    In 2017 werd in Japan de term ‘slachtoffer van verkrachting’ verbreedt tot mannen. Asahi Shimbun publiceerde een enquête onder mannen die seksueel geweld hebben ondergaan, om te kijken of zij zich inderdaad gesteund voelden.

    Hieruit kwam naar boven dat in een samenleving waar vrouwelijke slachtoffers al worstelen om toegang te krijgen tot de nodige hulp, het geweld dat mannen ondergaan taboe is, met als gevolg dat mannelijke slachtoffer vaak in isolement leven. ‘Omdat ik een man ben, wilden mensen nooit geloven dat ik slachtoffer was. Mijn hele leven heb ik deze vernedering alleen ondergaan’, zegt bijvoorbeeld een man van in de veertig, die op zijn dertiende herhaaldelijk werd verkracht door een studievriend.

    Een dertigtal psychiaters en psychotherapeuten weigerde hem te behandelen, met het argument dat ze weinig kennis hebben van mannelijke slachtoffers. Een van hen zei letterlijk: ‘Vergeet het maar. Ik zou je hebben behandeld als je een vrouw was, maar dat ben je niet.’

    Takehito Kurono, die groepstherapie organiseert voor mannelijke slachtoffers, onderstreept dat stereotypen over mannen het mannen vaak moeilijk maken om de ondersteuning te bieden die ze nodig hebben. ‘Volgens het cliché moeten ze sterk en zelfs ongevoelig zijn.’

    Overweldigd

    Momenteel is de ondersteuning die lokale autoriteiten bieden, vaak gericht voor vrouwen, al grotendeels ontoereikend, schrijft de krant. De 48 afdelingen van het land tellen nu minimaal één opvangcentrum voor slachtoffers van seksueel geweld. Of daar mannen terecht kunnen, verschilt per instelling. De centra zouden al ‘overweldigd’ zijn door het aantal vrouwelijke slachtoffers. ‘Om voor mannen te zorgen, zou je een speciale spreekkamer en een gespecialiseerde arts nodig hebben’, zegt een medewerker van een van de centra.

    ‘Betere steun voorkomt dat slachtoffers wegzinken in eenzaamheid. We hebben een grotere mobilisatie nodig vanuit de politiek’, verklaart Nobuki Yamaguchi, een psychotherapeut gespecialiseerd in de zorg voor mannen.


    Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur

    De vele meldingen tijdens de pandemie van jongeren met psychische klachten leidt tot een wereldwijde crisis die onmiddellijke aandacht vereist, volgens een nonprofitorganisatie die bijna vijftigduizend mensen in acht landen ondervroeg en een uitgebreid overzicht gaf van de impact van de pandemie op de geestelijke gezondheid, schrijft The New York Times.

    Meer dan een op de vier respondenten gaf aan te kampen met of het risico te lopen op klinische aandoeningen, en dat aantal steeg tot bijna een op de twee voor de leeftijd van achttien tot vierentwintig jaar, aldus het rapport, dat werd vrijgegeven door Sapien Labs, een Amerikaanse nonprofitorganisatie die zich toelegt op begrip van de menselijke geest.

    Het rapport, gebaseerd op gegevens verzameld uit een online, anonieme enquête waarvan de bevindingen maandag werden gepubliceerd, richtte zich op Australië, Groot-Brittannië, Canada, India, Nieuw-Zeeland, Singapore, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Veertig procent van de respondenten in de leeftijd van achttien tot vierentwintig jaar gaf aan zich verdrietig, somber of moedeloos te voelen en last te hebben van ongewenste, vreemde en obsessieve gedachten.

    Het rapport dringt er bij regeringen op aan zich te richten op beleid voor de gehele bevolking, in plaats van de huidige individuele benadering

    ‘De pandemie heeft de trends die er al waren, verergerd’, zegt dr. Tara Thiagarajan, oprichter en hoofdwetenschapper van Sapien Labs. ‘Vooral sociaal isolement heeft een grotere impact gehad op jonge mensen, en velen van hen over de rand geduwd.’

    Andere studies hebben aangetoond dat de pandemie een onevenredig grote invloed heeft gehad op de geestelijke gezondheid van jongeren, vrouwen en mensen van kleur.

    Preventie

    Geestelijke gezondheidsdeskundigen waarschuwden al eerder voor de langetermijneffecten van de pandemie, waaronder waarschijnlijk een economische recessie en de psychologische gevolgen van langdurig sociaal isolement.

    De auteurs van het rapport, dr. Thiagarajan en Jennifer Newson, drongen er bij regeringen op aan zich te concentreren op beleid op het gebied van geestelijke gezondheid voor de gehele bevolking, in plaats van op individuele benaderingen, die nu vaak de voorkeur genieten.

    ‘Hoewel in de geestelijke gezondheidszorg de focus lag op zelfzorg via apps, therapie en andere programma’s, kunnen sociaal en economisch beleid en institutionele cultuur een grote rol spelen bij het verzachten van onze huidige geestelijke gezondheidscrisis en de preventie van toekomstige crises’, aldus het rapport.

  • Tien jaar na de Arabische Lente snakt de jeugd naar perspectief

    Tien jaar na de Arabische Lente snakt de jeugd naar perspectief

    In 2010 en de jaren die volgden spoelde er een veelbelovende portestgolf over de Arabische wereld. Nog altijd is de regio instabiel, en snakt de jongere generatie naar een (normaal) leven.

    De afgelopen tien jaar zijn er in de Arabische wereld dingen gebeurd die normaal gesproken goed zijn voor een eeuw geschiedenis. Revoluties, contrarevoluties, regimes die in de afgrond storten, regimes die hun land in de afgrond storten, burgeroorlogen die buiten hun oevers treden, staten binnen de staat die de gevestigde orde aan het wankelen brengen, oude machten die een comeback maken, nieuwe machten die de door hun voorgangers achtergelaten buit proberen binnen te halen, allianties die worden gesmeed, allianties die uiteenvallen. En alles gebeurt tegelijkertijd, nergens lijkt nog sprake te zijn van een stevig fundament, elke overtuiging wordt getart en elke toekomstvoorspelling is riskant. Tunesië, Egypte, Soedan, Libië, Algerije, Syrië, Irak, Bahrein, Jemen, Saoedi-Arabië, Libanon, noem maar op: bijna geen enkel Arabisch land heeft zich kunnen onttrekken aan deze versnelling van de geschiedenis, die vele vormen kende en dus ook uiteenlopende gevolgen heeft gehad.

    Het begon allemaal op 17 december 2010 met de wanhoopsdaad van Mohammad Bouazizi, een Tunesische groente-en-fruitverkoper die zichzelf in brand stak. Aangezien de gevolgen van de diepgaande omwenteling nog lang niet zijn uitgewoed, is een weloverwogen terugblik onmogelijk en kunnen we dus ook nog geen verstrekkende conclusies trekken. Hoe zal de Arabische wereld eruitzien als dit hoofdstuk eenmaal is afgesloten? Welke scheuringen zullen zich hebben voorgedaan, welke ontwikkelingen blijken duurzaam te zijn, nadat de regio decennialang in een diepe sluimer leek te verkeren? Niemand die het weet. En toch horen we al jaren die aanzwellende deun dat de Arabische Lente – de term zelf geeft al permanent aanleiding tot discussie – niets anders was dan een grootse luchtspiegeling. 

    MO GettyImages 464984333 2
    Aanhangers van de Egyptische minister van Defensie Fattah al-Sisi verzamelen zich in januari 2014 op een zwaar beveiligd Tahrirplein in Caïro om de derde verjaardag van de opstand te vieren. – © Ed Giles / Getty Images)

    Voor die stelling is natuurlijk ook wel wat te zeggen. De Arabische Lente brak in de knop. Syrië, Irak en Jemen liggen aan flarden, Palestina bestaat niet meer, Libië wordt verscheurd, Egypte kachelt achteruit, Libanon loopt schipbreuk – hoeveel opgestapeld leed kan het grote Arabische lichaam verdragen voordat het de geest geeft? De poging van de islamisten om terrein terug te winnen, het totalitaire project van de jihadisten, de wedijver van de oude magnaten, het cynisme van het Westen, maar – en dat vooral – de verpletterende onderdrukking van de bevolking door lokale tirannen en hun bondgenoten, met alle denkbare en ondenkbare middelen: ze hebben de regio in een lange winter gedompeld, grotesker en uitzichtlozer nog dan de vorige.

    Geopolitieke twisten

    Bijna alle landen in de Arabische wereld zuchten onder een politieke én een economische crisis, met daarbovenop nog eens geopolitieke twisten die de existentiële problemen waarmee deze landen al te kampen hebben verergeren en elke mogelijkheid om uit de crisis te komen afhankelijk maken van onverenigbare interne en externe factoren. Het is dus heel begrijpelijk dat in de hoofden van veel mensen de beloften van de Lente ver weg lijken. Zeker, de meeste revoluties zijn mislukt en de levensomstandigheden zijn de afgelopen tien jaar door de bank genomen verslechterd. Zelfs in Tunesië, dat als het enige succes van deze revolutionaire golf wordt aangewezen, lijken veel mensen terug te verlangen naar een tijd dat openbaar debat onmogelijk was en individuele rechten met voeten werden getreden maar orde en stabiliteit min of meer gewaarborgd leken.

    Lees ook ‘Wat is er tien jaar later over van de Arabische Lente’ van 18 december 2020:

    Voor veel mensen in de Arabische wereld is hun leven verslechtend na de Arabische Lente, schrijft The Guardian naar aanleiding van een peiling onder acht landen. Toch heeft een meerderheid van de respondenten in Soedan, Tunesië, Algerije, Irak en Egypte geen spijt van de protesten.

    De lokale bevolking ziet oorlog, buitenlandse inmenging of alleen al de economische crisis als de uitkomst van haar verlangen naar verandering. De Arabieren waren niet rijp voor democratie, is het idee: de politieke experimenten tijdens de Arabische Lente zijn immers mislukt en met name in Egypte is de autocratie in haar grofste vorm teruggekeerd. Veel Arabieren zijn daar zelf van overtuigd. Schreef de beroemde Franse socioloog en filosoof Raymond Aron al niet: ‘Mannen schrijven geschiedenis, zelfs als ze die geschiedenis niet kennen’?

    De gevolgen van deze diepgaande omwenteling zijn nog lang niet uitgewoed

    Andermaal openbaart zich hier een pijnlijk gebrek aan historisch perspectief. Oorzaak en gevolg, kwaal en remedie, worden door elkaar gehaald. De economische crisis ging aan de revoluties vooraf, ook al werd die verergerd door die revoluties; het was een van de belangrijkste redenen dat de verarmde onderklasse en de liberale burgerij de handen ineensloegen. Dat de opstand op een politieke mislukking uitdraaide mag nauwelijks een verrassing heten, en juist daarom mogen we de geschiedenis niet van achteren naar voren lezen. Kon van de Arabische burgers worden verwacht dat ze zich zouden gedragen als voorbeeldige Zweedse democraten, na decennia van politieke stagnatie en brute onderdrukking van iedere kritiek op de gevestigde orde, van staatsterreur en zwijgplicht? Moesten ze een bewijs van democratische geschiktheid afgeven door de wreedheden van de contrarevolutionairen vreedzaam te ondergaan?

    Obstakels

    De Arabische revolutionaire bewegingen hebben op verschillende niveaus met tal van obstakels te maken gehad – ook binnen deze bewegingen zelf, waar het gemeenschappelijke verzet tegen het bewind aanzienlijke verschillen maskeerde. Ze moesten leren omgaan met deze pluraliteit, die zo’n beetje voor het eerst politiek tot uitdrukking kwam. In hun strijd om de macht moesten deze bewegingen het opnemen tegen of onderhandelen met de veiligheidsdiensten om hun doel te bereiken. Uiteindelijk werden de Arabische opstanden op geopolitiek niveau gegijzeld door kwesties die de revolutionairen boven het hoofd stegen en werden ze het voertuig of het slachtoffer van imperialistische projecten.

    Wat dat betreft spreekt vooral het Syrische drama boekdelen. Een revolutie heeft weinig kans van slagen als het politieke ontwaken moet opboksen tegen een barbaars regime dat in zijn aard geen duimbreed toegeeft, en tegen de onwelkome bemoeienis van Russen, Iraniërs en Turken. 

    De Arabieren waren niet rijp voor democratie, is het idee

    De balans van de afgelopen tien jaar is misschien niet rooskleurig, maar draagt wel de kiem in zich van ingrijpende sociale veranderingen, met name bij de jongere generatie, die meer dan de helft van de bevolking 
    uitmaakt.

    Het was nooit de bedoeling van de Arabische revoluties om een nieuwe mens uit te vinden. Het waren – en het zijn nog steeds – ‘revoluties van normaliteit’, zoals de Franse historicus Henry Laurens het schetst. Ze worden gedreven door een verlangen om te breken met de vorige generatie en een moderne staat op te bouwen waarin het individu waardig kan leven. De Arabische Lente heeft veel teweeggebracht en we staan nog maar aan het begin van de afwikkeling ervan. De tweede golf die in 2018 over Libanon, Algerije, Irak en Soedan spoelde, is hiervan het beste bewijs. Zelfs in landen waaraan die golf geheel of grotendeels voorbij is gegaan, zoals de oliemonarchieën op het Arabisch schiereiland, zijn er maatschappelijke veranderingen zichtbaar die binnen enkele jaren tot een kookpunt kunnen leiden.

    Diverse krachten hebben zich de afgelopen tien jaar gemanifesteerd. Het geopolitieke aspect staat nu centraal, behalve misschien in de Maghreb, en dat speelt plaatselijke dictators in de kaart. Maar het is dwaasheid om aan te nemen dat deze situatie zal standhouden. Het is onzin om ervan uit te gaan dat de Arabische jongeren die van de vrijheid hebben geproefd en nu alleen maar willen emigreren, het juk van failliete dictaturen zullen blijven verdragen, zonder enig uitzicht op een aanvaardbare toekomst. Het zal jaren duren, misschien zelfs decennia, maar geen enkel regime, geen enkel geopolitiek project mag in staat worden geacht om tot in lengte van dagen weerstand te bieden aan dit onstuitbare verlangen van de Arabische volkeren naar (een normaal) leven. 

  • Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Onze weerzin tegen verveling zit diep. 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen dient zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toe dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Joe Fassler legt uit waarom dat onterecht is.

    Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Reader #19

    Laat even alles uit uw handen vallen en probeer te bedenken wanneer u zich voor het laatst hebt verveeld. En dan heb ik het niet over ‘telefoonverveling’ – de lusteloosheid van generatie Z als gevolg van een overdaad aan digitale input – maar over echte verveling, een gevoel van lusteloosheid door een gebrek aan prikkels. Wanneer hebt u voor het laatst toegegeven aan dat gevoel van lusteloosheid dat zich aandient na een tijdje niksen?

    Het zou me niets verbazen als u het niet meer weet. Verveling is de gesel van ons moderne bestaan en de machtige motor van het Amerikaanse consumentisme draait op volle toeren om het uit te bannen. We laten onze boodschappen en onze kleren thuis bezorgen en platforms als TaskRabbit en Seamless beloven ons te verlossen van alledaagse klusjes zoals de boodschappen, het in elkaar zetten van meubels, lekker uitgebreid koken in het weekend of zelfs het ophalen van een afhaalmaaltijd.

    Podcasts bestrijden de verveling wanneer we ’s ochtends naar ons werk rijden of wanneer we na het eten aan de afwas staan. ’s Avonds kijken we naar series die onophoudelijk doorgaan, waardoor het moment van bezinning na de aftiteling voor eeuwig uitblijft.

    En dan is er natuurlijk nog de mobiele telefoon. Op wachtkamers over de hele wereld staren mensen met gebogen hoofd naar een schermpje. De telefoon, die ons toegang biedt tot alles waar we maar in geïnteresseerd zijn, heeft voorgoed afgerekend met verveling – met ons mobieltje bestrijden we de innerlijke rusteloosheid die ooit kenmerkend was voor ons mens-zijn. Ook al zijn we gestrest, of afwezig, of overwerkt, ook al hebben we last van branderige ogen of hersenmist – we vervelen ons geen moment meer. Anno 2019 is dat nergens meer voor nodig.

    ‘Acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum’

    Waarschijnlijk is dat geen goede ontwikkeling. Uit recent onderzoek is gebleken dat verveling verrassend positieve effecten heeft, die verband houden met verbeelding en creativiteit. Het blijkt dat al onze inspanningen om verveling uit te bannen ons leven er niet beter op hebben gemaakt. Sterker nog, er wordt ons iets waardevols afgenomen. 

    Voordat we het gaan hebben over de waarde van verveling, is er nog iets anders om in gedachten te houden: verveling is niet van alle tijden. Natuurlijk is er altijd wel iets vergelijkbaars geweest. Maar de manier waarop we ons verhouden tot dat gevoel is in de loop der eeuwen radicaal veranderd, net als onze opvatting over de implicaties ervan.

    In Boredom: The Literary History of a State of Mind, stelt wetenschapper Patricia Meyer Spacks dat het gevoel van verveling van vandaag de dag pas is opgekomen in de achttiende eeuw: ‘Het was een nieuw begrip’, schrijft ze, ‘of misschien zelfs wel een geheel nieuwe ervaring.’ Middeleeuwse denkers schreven over acedia, een woord dat ze hadden geleend van de oude Grieken en dat de benaming was voor een van de zeven hoofdzonden, namelijk luiheid. Net als andere begrippen uit de oudheid, zoals melancholie en lusteloosheid, werd acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum.

    Onze moderne verveling verschilt op twee belangrijke punten van acedia. Ten eerste is het zeer situatiegebonden. Verveling komt meestal van buiten, niet van binnenuit; we vervelen ons wanneer de omstandigheden saai zijn. Ten tweede wordt het niet langer beschouwd als een karaktereigenschap noch als een ernstige zonde tegenover God, maar als iets relatief onbeduidends. Ja, het kan overweldigend zijn, maar verveling is ook grillig, vluchtig. Het is een gevoel dat ook weer kan verdwijnen.

    Spacks komt met verschillende verklaringen voor dit veranderende perspectief, van de afnemende invloed van het geloof tot het toegenomen individualisme – dat laatste heeft het benoemen van diverse gevoelsschakeringen in de hand gewerkt. 

    Maar ze wijst er ook op dat er een correlatie bestaat tussen de definitie van het begrip verveling en de opkomst van de roman als literair genre, een historisch gegeven dat vermoedelijk niet toevallig is: beide hangen samen met de opkomst van het fenomeen ‘vrije tijd’. Zoals Spacks het ziet waren werk en vrije tijd vóór de Industriële Revolutie meer met elkaar vervlochten, waren werk en spel één in de dagelijkse strijd om het hoofd boven water te houden. (Een voorbeeld hiervan is de worksong, het arbeidslied.) Maar naarmate de achturige werkdag zijn intrede deed, ontstond er meer en meer een scheiding tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’. 

    Bestrijding

    In die periode duikt ook voor het eerst het woord ‘verveling’ op. Halverwege de negentiende eeuw kwam je het ineens overal tegen, in krantenartikelen en in romans van Charles Dickens, als verklaring voor de indolentie van de armen en de lethargie van de rijken. Halverwege de twintigste eeuw werd het in brede kring gezien als een onlosmakelijk deel van het bestaan. ‘Life, friends, is boring. / We must not say so’ (Het leven is saai, vrienden. / Laten we het niet zeggen’) schreef de dichter John Berryman in zijn bundel 77 Dream Songs (1964), die hem de Pulitzer-prijs opleverde. Acedia werd gezien als een interne tekortkoming, maar verveling was iets van buitenaf – een natuurlijk fenomeen dat de maatschappij als geheel zo goed mogelijk probeerde in te dammen en te verhullen, maar dat evengoed overal op de loer lag.

    Naarmate deze opvatting van verveling terrein won, zien we een toename van middelen om verveling te bestrijden. Spacks beschrijft de ongekende variëteit aan vermaaksmogelijkheden die hun intrede deden in het Europa van de achttiende eeuw – van circussen en dierentuinen tot toneelopvoeringen – en waaruit uiteindelijk variétévoorstellingen en films voortkwamen.

    Werk was ook een remedie. In De menselijke conditie schrijft Hannah Arendt dat werk ooit werd gerechtvaardigd vanuit de gedachte dat het contemplatie mogelijk maakte. De Industriële Revolutie zette alles op zijn kop: in toenemende mate werden mensen beoordeeld op de veronderstelde waarde van hun werk. Het onvermijdelijke gevolg hiervan was een devaluatie van de tijd waarin niet werd gewerkt – waar nu smalend de term ‘niksen’ voor kon worden gebruikt.

    Vandaag de dag heeft die houding groteske vormen aangenomen, culminerend in de zogeheten hustle culture, waarin van gretige jongeren lijkt te worden verwacht dat ze bereid zijn hun slaap te offeren op het altaar van productiviteit en zich maar al te graag door hun baas laten uitbuiten. Die houding spreekt ook uit de slogans die overal opduiken op de muren bij WeWork: ‘Thank God It’s Monday’ en ‘Never stop getting better’. Wie niet bezig is, bestaat niet.

    Maar misschien is het wel een goed idee om eens wat meer te lummelen – en wie weet juichen de opperheren voor wie we werken dat zelfs toe. Want verveling speelt een cruciale en vaak onderschatte rol bij creativiteit, inspiratie en innovatie – onvervangbare waarden, waar zelfs alle ambitie van de wereld niet tegenop kan.

    Leer- en ervaringsdeskundige Cindy Foley over de voordelen van verveling.

    Verveling mag dan een universeel fenomeen zijn, toch wordt er pas sinds heel kort wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. In een artikel uit 2012 in Perspectives on Psychological Science werd aangetoond dat er zelfs geen klinische definitie is van verveling, al kwamen de auteurs wel met een voorzet: ‘Het aversie opwekkende gevoel een bevredigende activiteit te willen ontplooien, maar daar niet toe in staat te zijn.’

    Die definitie zal ongetwijfeld nog worden bijgesteld naarmate er meer onderzoek wordt gedaan naar wat verveling precies is en wat de gevolgen ervan zijn. Maar de eerste onderzoeken wijzen uit dat verveling op ingrijpende en onverwachte wijze ons gedrag én ons probleemoplossend vermogen kan sturen.

    Wetenschappers die de waarde van verveling willen onderzoeken, zullen maar al te vaak deelnemers dwingen uitzonderlijk monotone handelingen te verrichten. Hoe zou u het vinden om een half uur lang nummers uit een telefoonboek voor te lezen of eindeloos naar een repeterende screensaver te kijken, of met één hand rode en groene bonen uit een grote bak op kleur te moeten sorteren? Dit zijn de taakjes die onderzoekers hadden bedacht voor hun proefpersonen in twee studies uit 2014 en een studie uit 2019.

    Deze onderzoeken leverden alle drie dezelfde uitkomst op: de mensen die het saaie taakje hadden moeten uitvoeren gaven in vergelijking met een controlegroep blijk van een grotere inventiviteit bij een volgende oefening, die meer creativiteit vergde. De telefoonboekmensen kwamen met interessantere antwoorden toen hen werd gevraagd nieuwe toepassingen te bedenken voor plastic bekertjes. De mensen die naar de screensaver hadden gekeken kwamen met originelere antwoorden bij een woordassociatiespelletje. En de bonensorteerders blonken uit in het verzinnen van smoesjes om te verklaren waarom ze te laat waren gekomen op een vergadering. De boodschap lijkt duidelijk: verveling doet ergens binnen in ons een mentaal vuur ontbranden.

    Deze tendens is diep geworteld, zo zeer zelfs dat hij niet lijkt niet te zijn voorbehouden aan de mens. Neem bijvoorbeeld de grijze roodstaartpapegaai, een vogel die er heel goed is om kleuren en aantallen te benoemen, maar die steeds wildere en bizarre antwoorden geeft als de puzzels te makkelijk worden, of als ze te veel op elkaar gaan lijken – met andere woorden, als hij zich gaat vervelen.

    Hoewel wetenschappers nog geen duidelijk evolutionair doel hebben gevonden voor verveling, lijken de voordelen onmiskenbaar: verveling zet ons ertoe aan nieuw terrein te verkennen en te zoeken naar een nieuwe aanpak wanneer er te veel sleur in ons werk of onze situatie sluipt. Dan gaan we onderzoeken, variëren, innoveren.

    De romanschrijver

    Het is makkelijker gezegd dan gedaan om je voordeel te doen met deze kennis. Maar onze weerzin tegen verveling zit diep: uit een onderzoek in Science uit 2014 bleek dat 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toedienen dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Als we de keuze hebben, geven we de voorkeur aan een prikkel, zelfs als het pijn doet, boven een moment van stille overpeinzing.

    En tegenwoordig is er aan prikkels geen gebrek. Als het leven je bestookt met eindeloze berichtjes, meldingen en alerts, dan wordt verveling – van de intense, lusteloze soort – steeds onbereikbaarder.

    We hebben zelfs zo’n weerzin ontwikkeld tegen verveling dat we bijna moeten leren hoe we het weer kunnen toelaten in ons leven – en wat we daarbij te winnen hebben. Daarvoor kunnen we goed te rade gaan bij ’s werelds voornaamste experts op het gebied van lummelen, mensen die zich meer vervelen dan wie ook: romanschrijvers.

    Sinds 2013 heb ik meer dan 150 schrijvers geïnterviewd voor mijn column ‘By Heart’ in The Atlantic, een reeks gesprekken over artistieke invloeden en creatieve uitdagingen die de basis vormden voor mijn boek Light the Dark: Writers on Creativity, Inspiration, and the Artistic Process. Wat me tijdens die vele interviews duidelijk werd, is dat schrijvers heel bewust situaties opzoeken waarin ze zich langdurig en intens vervelen. Uit die verstilling – die velen van ons uit alle macht op afstand proberen te houden, al is het met een elektrische schok – komen ideeën voort. Zonder verstilling zouden velen van hen hun werk niet kunnen doen.

    Schrijvers zijn duursporters als het om verveling gaat, en de strategieën waarover ze mij in de loop der jaren hebben verteld zijn heel verschillend en zeer persoonlijk. David Mitchell heeft de Apple-homepage geïnstalleerd als startscherm, zodat hij bij het openen van zijn browser niet wordt afgeleid door allerlei interessants. Celeste Ng schrijft voornamelijk ’s nachts en ’s ochtends vroeg, als de stroom e-mails en andere vormen van afleiding enigszins is opgedroogd. Moshin Hamid heeft de gewoonte om tot de verbeelding sprekende wandelingen te maken – een kleine tien kilometer, elke dag opnieuw, puur om ruimte in zijn hoofd te creëren en zijn gedachten te laten dwalen. En Jonathan Franzen zorgt dat hij niet te veel tijd op internet doorbrengt zodat er tijd overblijft voor introspectie.

    ‘Ik moet zorgen dat ik echt bij mezelf kan blijven,’ zei hij tegen me. ‘Bij mijn kern, waar daar ontspruit mijn werk. Als ik daar te ver vandaan raak, word ik de zoveelste die van alles verkondigt en herhaalt wat er al is. ‘Als schrijver probeer ik aandacht te besteden aan dingen waar mensen zich niet van bewust zijn.’

    Om het anders te formuleren: Verveling gaat om het ontwikkelen van de kracht om in je eentje in de kamer te blijven zitten waar niets gebeurt, om verstilling te verkiezen boven een elektrische schok. Want dan gaat de geest vanzelf op zoek naar ongewonere, wildere mogelijkheden – en dat is het moment waarop we in staat zijn tot dingen waar we zelf nog wel eens van konden opkijken. 

    ‘Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn’

    Geïnspireerd door deze schrijvers heb ik mijn eigen manieren ontwikkeld om in een dergelijke toestand te geraken. Voor The Paris Review heb ik een stuk geschreven over een routine die ben gaan koesteren: elke avond voor het slapengaan zet ik de router uit, zodat ik ’s ochtends niet wordt verleid door het felle, verveling-verdrijvende licht van mailtjes, Twitter en het nieuws.

    ’s Ochtends probeer ik altijd te schrijven, maar zelfs als ik uiteindelijk niet veel verder kom dan wat op mijn gitaar spelen of in een dichtbundel bladeren, levert het me een helderheid op die de hele dag bij me blijft. Ik probeer altijd prioriteit te geven aan die productieve verstilling en ik ga het steeds meer missen als ik er geen tijd voor uittrek om de tijd te doden.

    Maar verveling zal altijd weer de kop opsteken. Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn. En zodra je verveling gaat zien als iets om te koesteren, zie je overal nieuwe mogelijkheden: doe die oortjes uit als je gaat rennen en luister naar je ademhaling. Laat in de trein je telefoon gewoon in je tas zitten en laat je blik over de gezichten van je medereizigers glijden. De geest heeft een zekere verstilling nodig om zich tegen te verzetten. Het kan je veel opleveren, als je het de kans geeft.

  • Niet commanderen maar praten

    Niet commanderen maar praten

    In Nigeria eist een jeugdige protestbeweging dat er een einde komt aan het brute optreden van de overheid. Ook Nobelprijswinnaar Wole Soyinka roept op tot het terugtrekken van het leger en – ook al is het daar bedroevend laat voor – tot verzoenende dialoog.

    Toen ik half oktober terugkeerde van verplichtingen in het buitenland, wachtte mij een prachtig geschenk in de vorm van een protestbeweging: een soms boze, soms betoverende en ontroerende, soms luidruchtige beweging, met zonder meer stevige verwachtingen, maar altijd dynamisch, visionair en goed georganiseerd. Ze eiste dat er een einde zou komen aan het brute optreden van veiligheidsdiensten, en dan met name dat van de beruchte politie-eenheid Special Anti-Robbery Squad (SARS). Natuurlijk staat SARS voor het parasitaire karakter van het bewind in al zijn vertakkingen, dat zagen we ook, hoewel uiteraard niet letterlijk, aan het karakter van de eerste formele reactie van de vicepresident.

    De beweging bestaat uit leden van de Nigeriaanse orde van advocaten, feministische groeperingen, technocraten, studenten, hoge geestelijken, industriële organisaties en kunstenaars: schrijvers, filmmakers, acteurs, muzikanten. De energie, creativiteit en vastberadenheid van deze onmiskenbaar jeugdige beweging verspreidden zich door middel van indrukwekkende strategieën over het hele land. Sommige betogingen ademden de sfeer van festivals als Woodstock, andere van de gelehesjesprotesten of de verzetsgolven van Lech Walesa’s Solidariteitsbeweging, of, nog dichterbij, recenter en relevanter: van de stug aanhoudende protesten in Mali, waar ons eigen land een belangrijke rol speelde in het oplossen van de spanningen.

    Zoals ik op zaterdag 17 oktober bij de viering van het tienjarige bestaan van Freedom Park [in Lagos] in mijn ‘boodschap aan de jeugd’ al zei, laten deze jongeren vers bloed door oude aderen stromen. Inderdaad: wat een geluk om te leven, om te zien dat jongeren eindelijk hun toekomst in eigen handen beginnen te nemen.

    tosin james DC03k6PqyHc unsplash
    Vooral jongeren gaan in Nigeria de straat op om een einde te eisen aan het staatsgeweld. – © Tosin James / Unsplash

    Complete omslag

    Maar – en klinkt dit niet bekend? – plotseling, bijna van de ene op de andere dag, voltrok zich een complete omslag. Veiligheidsdiensten – welke afdeling precies is nog niet duidelijk – voerden zware jongens aan om het verzet te breken. Er zijn beelden van, ze zijn op grote schaal gedeeld: een stoet van blinkende auto’s met afgedekte nummerborden die rondreed om criminelen en ander tuig op te pikken en in de buurt van de vreedzame protesten af te zetten, om die te verstoren. Deze huurlingen staken geparkeerde voertuigen van betogers in brand en gingen de demonstrerende jongeren te lijf met knuppels en machetes. Ze bestormden ten minste één gevangenis en lieten gevangenen vrij. Achteraf is vastgesteld dat een aantal van deze vandalen gerekruteerde gevangenen waren, die vermoedelijk niet alleen contant maar ook in natura zijn betaald.

    We zijn weer terug bij het geweld van Abacha, een groteske reprise!

    Wat begon met hier en daar wat gewonden, culmineerde gisteravond, dinsdag 20 oktober, in Lekki [een buitenwijk van Lagos] in een dodelijke schietpartij met een nog onbekend aantal slachtoffers. Door deze kwaadaardige tussenkomst veranderde het protest in één klap op rampzalige wijze van karakter. Voor het eerst raakte het in de greep van ongebreidelde woede en nihilisme. Georganiseerde strijdlust maakte plaats voor wraakzuchtige, alzijdige haat. In delen van de hoofdstad Abuja volgde een reeks brandstichtingen. Onder andere de bekende Apo-markt – waarvan de naam herinneringen oproept aan de brute moord door SARS op zes jongeren, beter bekend als de Apo Six – ging in vlammen op.

    Déjà vu

    Terwijl het geweld redeloos om zich heen greep, ging ik gisteren op weg naar Abeokuta, mijn geboortegrond. Na het passeren van acht of negen door betogers opgeworpen wegversperringen moest ik uiteindelijk noodgedwongen terugkeren. Het was één groot déjà vu: de opstanden in de voormalige Westelijke Regio van Nigeria, de anti-Abachabeweging [tegen Sani Abacha, president en dictator van Nigeria van 1993 tot 1998] et cetera.

    Maar de mislukte poging had me wel in staat gesteld de stemming en de transformatie van de beweging te peilen. Ik was beter voorbereid. Ik stelde de reis uit tot de volgende dag, dat wil zeggen: tot vandaag. In de tussenliggende acht à tien uur hebben de spanningen een kookpunt bereikt. In Lekki, waar de meeste vreedzame demonstraties plaatsvonden, openden soldaten het vuur op ongewapende betogers, waarbij een onbekend aantal slachtoffers viel. Bij één zo’n buitenrechtelijke executie raakte een Nigeriaanse vlag letterlijk in onschuldig bloed gedrenkt. Een filmopname hiervan is viraal gegaan. Ik heb telefonisch gesproken met ooggetuigen.

    Een van hen, een bekende Nigeriaan, vertelde op tv wat hij met eigen ogen heeft gezien. De regering moet ophouden dit land te beledigen met nukkige ontkenningen.

    Zoals gepland hernam ik bij het krieken van de dag de reis naar mijn geboortestad Abeokuta, waarbij ik opnieuw op vele – dit keer een twaalf- tot vijftiental – wegversperringen stuitte, die steevast het tafereel waren van kolkende woede. Het was een schril contrast met de inclusiviteit van de protesterende ‘familie met een gemeenschappelijk doel’ uit de begindagen. De hartverwarmende bonding en het solidariteitsgevoel waren vervlogen. Bij de wegversperring vlak voor het regeringsgebouw waren de betogers het weerbarstigst. Uiteindelijk werd ik gedwongen tot een offerande voor de ‘rite de passage’ – ik voelde het al aankomen: ik moest uit de auto stappen en hen toespreken. Dat deed ik. Ze hadden geen idee wat er in mijn hoofd omging: dit kan niet waar zijn! We zijn weer terug bij het geweld van Abacha, een groteske reprise!

    Legeringrijpen

    Het is van groot belang dat de regering te horen krijgt dat het leger SARS inmiddels heeft verdrongen als grootste boosdoener. Uit mijn rondvraag tot dusver blijkt dat de gouverneur van Lagos de hulp van het leger niet had ingeroepen en niet had geklaagd over een ‘verstoring van de openbare orde’. Niettemin heeft het leger gekozen  voor een autoritaire ingreep en daarmee een welhaast ongeneeslijke wond toegebracht aan de nationale psyche.

    Uiteraard moest ik bij aankomst in Abeokuta, mijn geboortestad, weer een wegversperring passeren. Dat verliep soepeltjes. Ik had het zien aankomen, en ik ben ervan overtuigd dat er ondertussen alweer nieuwe wegversperringen zijn opgeworpen.

    Het is pathetisch en fantasieloos om, zoals sommigen, te beweren dat het voortdurende protest schadelijk is voor de economie et cetera. De coronacrisis hakt al ruim acht maanden in op de Nigeriaanse economie – voor wat die waard is. Maar het is uiteraard een stuk lastiger om corona met een spervuur aan kogels te bedwingen; mensenlevens zijn een makkelijker doelwit. Als bewijs van de overwinning kun je zelfs pronken met trofeeën, zoals de met bloed doordrenkte Nigeriaanse vlag waarmee een van de slachtoffers liep te zwaaien toen hij werd vermoord.

    Gouverneurs van de betrokken gebieden kunnen onmiddellijk iets ondernemen: eisen dat de soldaten zich terugtrekken. Met spoed bijeenkomsten met inwoners beleggen; 24-uurs-uitgaansverboden zijn niet de oplossing. De zorg voor de veiligheid van de bevolking overnemen met alle middelen die je kunt verzinnen. Ervoor zorgen dat de lokale gemeenschappen zelf de macht krijgen om op te treden, om de infiltratie van tuig en het inhalige, fnuikende opportunisme aan banden te leggen.

    We voelen mee met de nabestaanden en roepen deelstaatregeringen op om materiële verliezen, waar dan ook, te compenseren. Wil het genezingsproces in gang kunnen worden gezet – als we in elk geval mogen aannemen dat dit het uiteindelijke streven is – dan moet het leger excuses aanbieden, niet alleen aan het land maar aan de hele wereld. De feiten spreken voor zich: jullie, het leger, hebben het vuur geopend op ongewapende burgers.

    Er moet een compensatieregeling komen en de garantie dat dergelijke misstanden niet nog eens zullen plaatsvinden. Pas daarna kunnen zowel de regering als de veiligheidsdiensten een betekenisvolle, zij het bedroevend late dialoog met de samenleving aangaan. Niet commanderen, praten!
     

  • Talk to the Hoodie

    Talk to the Hoodie

    De Amerikaanse sweater met capuchon is al langer het uniform van de tegencultuur. Maar verschijnt Mark Zuckerberg of Trayvon Martin erin, dan heeft de hoody weer een andere politieke zeggingskracht.

    Een doodgewone katoenen stof, soms met wat polyester erdoorheen, een eenvoudige snit met weinig naden, en eventueel als enig opvallend detail een buidelzak of ritssluiting. Er is weinig luxueus of protserigs aan de sweater met capuchon, ook wel hoody: het goedkope kledingstuk dat populair is bij alle seksen en maatschappelijke klassen.

    Op het eerste gezicht lijkt het een basic kledingstuk, dat nauwelijks opvalt omdat iedereen erin loopt. Maar aan het lijf van Mohamed Ali, Mark Zuckerberg of Trayvon Martin heeft de hoody opeens een complexe betekenis gekregen – zo niet een radicale politieke zeggingskracht.

    Sweatshirts werden in de jaren twintig en dertig aan de Amerikaanse oostkust gedragen door magazijnbedienden in de immense loodsen in New York, als bescherming tegen de bijtende kou in de winter. Eerst werden ze populair in de sportwereld: een sweater houdt je warm, is comfortabel en je kunt er vrij in bewegen.

    Later werd het sweatshirt algauw opgepikt door de Ivy League-universiteiten, bolwerken van de amateursport. Leden van hun prestigieuze roei- en footballteams gingen sweatshirts met ronde hals en later ook hoody’s dragen. Op deze sweatshirts werden in grote letters de namen van de universiteiten, teams of studentencorpsen gedrukt, zodat de drager zich ermee kon onderscheiden. De preppy look van de sportieve elitestudenten aan de Amerikaanse oostkust groeide uit tot een onvervalste Amerikaanse esthetiek, en zo bevond het van oorsprong proletarische sweatshirt zich ineens in 
betere kringen.

    Tegenwoordig loopt zowel de elitejeugd als de arbeidersklasse erin en daarmee is het sweatshirt als verbindend element in de Amerikaanse cultuur nu even belangrijk geworden als het volkslied. Mark Zuckerberg, die zich graag associeert met de ambitieuze, innovatieve startupondernemers van Silicon Valley en Wall Street-maatpakken van 15.000 dollar verafschuwt, heeft dat goed begrepen.

    Schoolhoofd Kenneth Crowley van de East High School in Denver, Colorado, poseert met zo'n 100 leerlingen in hoody's, ter nagedachtenis aan Trayvon Martin. – © Getty Images
    Schoolhoofd Kenneth Crowley van de East High School in Denver, Colorado, poseert met zo’n 100 leerlingen in hoody’s, ter nagedachtenis aan Trayvon Martin. – © Getty Images

    Tegelijkertijd heeft de hoody echter ook een ander maatschappelijk domein bereikt: dat van de grootsteedse tegencultuur. Eerst adopteerden de skaters aan de westkust het in de jaren zeventig als 
must-have, in de jaren tachtig volgden de graffitikunstenaars en rappers aan de oostkust.

    In deze subculturen wordt het kledingstuk vooral gewaardeerd omdat de drager er anoniem mee kan blijven. En uiteraard is ook de volkse, anti-elitaire connotatie ervan een pre. De hoody werd een signaal waarmee je kon laten zien dat je tot een subversieve subcultuur behoorde, en je kon er ook als dat nodig was je gezicht mee verbergen. Dat laatste was erg aantrekkelijk voor skaters die zich stiekem uitleefden in de lege zwembaden van de betere buurten van Californië, en voor graffitikunstenaars die ’s nachts in metroremises binnendrongen om treinen te 
verfraaien.

    Mettertijd, en dankzij de kracht van symboliek, 
groeide de hoody aan weerszijden van de Atlantische oceaan uit tot een embleem van de kansloze jeugd uit ‘kwetsbare’ buurten. En een maatschappelijk fenomeen: sinds 2007 is de hoody verboden in een winkelcentrum in het Engelse Kent, met als reden dat de drager ervan alleen maar slechte bedoelingen kan hebben.

    Universitair hoofddocent Frédéric Godart van de HEC in Parijs, specialist in de sociologie van de mode, vertelt dat de wens om anoniem te blijven een tweesnijdend zwaard kan worden. Nergens werd dat zo duidelijk als bij het tragische einde van de zwarte Amerikaanse tiener Trayvon Martin.

    De ongewapende 17-jarige werd op 26 februari 2012 in Sanford (Florida) gedood door George Zimmerman, op wie de jongen een verdachte indruk maakte louter en alleen omdat hij een zwarte hoody droeg. Godart: ‘Dat kan je niet los zien van de centrale plek die de hoody in de hiphopcultuur heeft. Je drukt ermee uit dat je je wilt afsluiten’, zowel van het geweld in de buurt als van de maatschappij die jou uitsluit.

    ‘Na de dood van Trayvon Martin groeide de hoody voor zwarte Amerikanen uit tot politiek symbool tegen het politiegeweld en de vooroordelen jegens mensen uit sommige bevolkingsgroepen, die automatisch als misdadig of gevaarlijk worden gezien’, zegt Godart. Van sociaal embleem, beschermend omhulsel en middel om anoniem te blijven, werd de hoody na Martins dood meer en meer een militant symbool van een bevolkingsgroep die niet alleen aan zijn lot werd overgelaten, maar ook tot doelwit werd bestempeld.

    Linkse activisten protesteren in Lille tegen de opening van de extreemrechtse privébar La Citadelle. – © Getty Images
    Linkse activisten protesteren in Lille tegen de opening van de extreemrechtse privébar La Citadelle. – © Getty Images

    Het is een van de eerste signalen die we naar anderen uitzenden. Onze kledingkeuzes lijken misschien triviaal, maar in werkelijkheid hebben ze veel betekenis. ‘Door een simpel T-shirt van een rockband aan te treken van niet meer dan twintig dollar, druk je al zo veel uit. Niet alleen geef je daarmee aan dat je deel uitmaakt van een bepaalde sociale klasse, van een culturele groep, maar je zegt ook welk soort mensen je leuk vindt, enzovoorts,’ vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia in de Verenigde Staten.

    Met elk van die signalen geef je, onbewust of niet, zonder woorden iets prijs over je identiteit. Denk maar aan het portret van Che Guevara dat zo vaak op T-shirts van tieners prijkt. Een kledingstuk kan ons op de sociale ladder situeren, maar ook een politiek statement zijn, zonder dat we eventuele slogans nu meteen in de praktijk willen brengen.

    Door de keuze voor een bepaalde stof, flanel, een snit, een sweater, of een merk, zoals Fred Perry, dat de laatste jaren een sterke politieke lading heeft gekregen, drukken we zo veel uit met onze stijl. Onze tweede huid is allesbehalve onschuldig.

    Het Zwarte Blok

    In het uniform van de militanten van het Zwarte Blok kreeg de capuchonsweater een nog radicalere ideologische betekenis. Het Zwarte Blok kwam in de jaren zeventig op in West-Duitsland. De naam staat voor een demonstratietactiek, waarbij groepen in het zwart geklede demonstranten met verhulde gezichten de confrontatie met de politie opzoeken.

    Beeldcultuuronderzoeker Maxime Boidy van de universiteit van Straatsburg vertelt hoe de hoody, nadat sportkleding ook in Europa een rage werd, in de 
uitrusting van het Zwarte Blok terechtkwam. Daar waren vooral praktische redenen voor. ‘De katoenen hoody is een stuk minder stevig dan de leren jasjes die de militanten hadden geadopteerd uit de punktraditie. Maar de capuchon beschermt de nek beter tegen klappen en bovendien biedt die bescherming tegen traangas en pepperspray.’

    Naast dit praktische en defensieve aspect speelt ook de symbolische lading mee: hij is zwart, de kleur van het Europese anarchisme. Onderzoeker Francis Dupuis-Déri van de universiteit van Montréal beschreef het Zwarte Blok ooit als ‘een reusachtige zwarte vlag van lichamen die bij demonstraties wordt uitgespreid’, maar Boidy benadrukt het verband tussen deze symbolische lading van kleding en politieke theorieën over zichtbaarheid.

    ‘De idee van anonimiteit gaat veel verder dan de simpele wens om de eigen identiteit niet prijs te geven’, zegt hij. ‘Ze weerspiegelt een veel algemenere, bijna filosofische opvatting van subjectiviteit, een wijdverspreide manier om dingen anders te zien.’ De massaal gedragen capuchonsweater geeft vorm aan die gedachte.
    De hoody is in de Amerikaanse cultuur even belangrijk geworden als het volkslied

    Boidy ziet dezelfde relatie tussen kledingstijl en 
politieke theorie in de manier waarop feministen 
en LGBT’ers anonimiteit gebruiken om hun punt te maken. ‘De stijl van het Zwarte Blok wordt meestal gezien als expliciet gewelddadig, een militair tenue als het ware. Maar door onder je kleding te verdwijnen en je gezicht te verhullen, verhul je ook je geslacht. Dan ben je niet meer herkenbaar als man 
of vrouw, omdat je een standaardsilhouet krijgt. Daarmee wijs je de identiteit af die de maatschappij je oplegt.’

    Een hoody, die tegenwoordig overigens ook wel wordt vervangen voor een zwarte K-Way [een sportief jack met rits], creëert zo een alternatief beeld van de samenleving door de individuen in die samenleving te onttrekken aan de codes van de heersende hokjes. Het is een even krachtige politieke boodschap als de naaktheid van de Femen-demonstranten, al gaat het in beide gevallen maar om een klein aantal, sterk geëngageerde personen.

    Hoewel, terwijl ik deze regels schrijf, zit tegenover mij aan tafel een jonge studente haar scheikundeopgaven te maken. Op haar pastelblauwe sweater met capuchon staat de waarschuwing: ‘Please don’t forget to wash your hands after killing your enemies’. (Denk eraan uw handen te wassen nadat u uw vijanden heeft gedood.) Zo groot is de macht van een trui die nog altijd uitersten in zich verenigt, van nonchalance en zeggingskracht tot onschuld en rebellie.

    Neo-nazi's, witte racisten en andere alt-rechtse groeperingen zijn in Charlottesville, Virginia, op weg naar het Emancipation Park voor de ‘Unite The Right’-rally, die later zou worden geannuleerd wegens rellen. – © Getty
    Neo-nazi’s, witte racisten en andere alt-rechtse groeperingen zijn in Charlottesville, Virginia, op weg naar het Emancipation Park voor de ‘Unite The Right’-rally, die later zou worden geannuleerd wegens rellen. – © Getty

    De nieuwe kleren van extreemrechts Polo’s en pantalons maken de nationalist

    Tijdens een besloten verkoop van kledingmerk Fred Perry in Parijs werd in juni 2013 de extreemlinkse actievoerder Clément Méric gedood. Er was ruzie ontstaan tussen twee rivaliserende groepen, skinheads en antifascisten, die beide hun look kwamen perfectioneren. Later werden twee van de drie betrokkenen bij een proces veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Uit dit proces kwam naar voren hoe absurd de trieste gebeurtenis was: Clément Méric zou nog in leven zijn geweest als twee groepen die in alles van elkaar verschillen behalve een voorkeur voor hetzelfde kledingmerk, niet allebei zo dolgraag een shirt van Fred Perry 
hadden willen kopen.

    Een Fred Perry-poloshirt met korte mouwen is een van de meest gewilde items in zowel de antifascistische als de extreemrechtse garderobe. ‘Als je teruggaat in de tijd zie je al dat Engelse mods [een culturele jongerenbeweging in Londen] in de jaren zestig veel prestige ontleenden aan het dragen van elitaire kleding, vooral tenniskleding van Fred Perry,’ legt universitair docent en onderzoeker Samuel Bouron van de universiteit Paris-Dauphine uit.

    ‘Uit die mod-cultuur kwam de skinheadbeweging voort, die eerst volstrekt apolitiek was. Later veranderde dat en splitste de beweging zich in twee kampen: de antifascistische redskins en de extreemrechtse boneheads. Hun politieke opvattingen zijn radicaal verschillend en je kunt ze niet over één kam scheren, maar voor beide groepen geldt dat ze zich door hun kleding willen laten gelden.’

    De extreemrechtse skins gaven het Fred Perry-poloshirt een speciale betekenis door er een nieuwe symboliek aan op te hangen, vertelt Cynthia Miller-Idriss, professor in de sociologie en specialist in extreemrechtse bewegingen van de American University in Washington. ‘Sommige modellen hebben op de kraag drie fijne lijntjes, zwart, rood en wit. Voor de skinheads stonden die voor een nazivlag. Ook aan het Fred Perry-logo, een laurierkroon op borsthoogte, gaven ze een andere interpretatie. De tekening en vorm deden hun denken aan een nazi-insigne.’

    ‘Hun uiterlijk past helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’

    De schare liefhebbers van het shirt heeft zich inmiddels vergroot en ook de Franse Identitaires [een Europese nationalistische beweging] hebben zich de Fred Perry-polo toegeëigend. ‘Zij hebben de extreemrechtse garderobe een update gegeven,’ zegt Samuel Bouron. ‘Ze hebben behouden wat ze elegant vonden, onder andere dit poloshirt, dat als bijkomend voordeel heeft dat het erg duur is. Maar omdat ze willen breken met alles wat aan de arbeidersklasse doet denken, hebben ze de bretels en de schoenen met de bolle neuzen van de skinheads weggedaan.

    Ook de haardracht is anders: in plaats van een kale kop hebben ze liever een modieus kapsel.’ De viriele reflex is echter nooit ver weg: de Identitaires houden ook zo van de Fred Perry-shirts omdat die meestal strakker zitten dan andere modellen en de mouw, die tot aan de biceps komt, de spierballen goed laat uitkomen.

    De Rudolf-spijkerbroek

    Aandacht voor kledingstijl trekt zich van landsgrenzen niets aan. Het nieuwe extreemrechts is zich, overal waar het voet aan de grond krijgt, scherp bewust van kledingcodes. In 2017 hielden veel demonstranten in Charlottesville zich strikt aan de instructies die ze van hun alt-rightleiders hadden ontvangen: toon vooral geen tatoeages en draag in plaats van een spijkerbroek liever een beige pantalon – een klassieker in de garderobe van de Amerikaanse familievader – met daarboven een wit overhemd of poloshirt. ‘Deze jongemannen waren allemaal ongeveer hetzelfde gekleed, wat erg verwarrend was. Hun uiterlijk paste helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’, vertelt Cynthia Miller-Idriss.

    De sociologe onderzocht ook de kleding van de opkomende extreemrechtse beweging in Duitsland. Deze groep houdt de kledingcodes veelal ambigu, om geen last te hebben van de strenge Duitse wetgeving tegen neonazistische symbolen. In haar boek The Extreme Gone Mainstream vertelt Miller-Idriss bijvoorbeeld dat sommige kledingmerken T-shirts verkopen met het woord ‘swastika’ erop, maar dan zonder klinkers. Iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt, maar 
wettelijk is het gewoon toegestaan.

    Op deze nichemarkt zijn allerlei kledingmerken actief, met namen als Thor 
Steinar, Ansgar Aryan en Phalanx Europa. Thor Steinar bracht de Rudolf-spijkerbroek op de markt, als ode aan de bekende nazi Rudolf Hess. Met deze – verder doodgewone – spijkerbroek kan 
de drager deel uitmaken van een, in zijn ogen, roemruchte geschiedenis. Phalanx Europa verkoopt T-shirts met obscure slogans, zoals ‘Versterk de grenzen, hijs de vlag, de vloedgolf komt’.

    ‘Op de website van het merk staat wat dit betekent: de vloedgolf zijn de migranten, en daar moeten we ons op voorbereiden,’ zegt Miller-Idriss. ‘Phalanx Europa probeert deze boodschap voor het grote publiek te verhullen, maar haar voor ingewijden volkomen helder te maken.’ En zo weeft zich een geheime genootschap in katoen, klaar om gewelddadige instincten en kuddegedrag aan te wakkeren.
    De hoody heeft ook de grootsteedse tegencultuur bereikt. – © Pexels
    De hoody heeft ook de grootsteedse tegencultuur bereikt. – © Pexels

    Hoe flanel weer hip werd

    Rond de eeuwwisseling werden twee types populair. Ze vertegenwoordigden een liberale utopie en de hoop dat klassentegenstellingen voortaan tot het verleden zouden gaan behoren. [Het ene werd bobo genoemd, een samentrekking van bourgeois en bohemian; het andere was de hipster.] Ze woonden in volkswijken, en adopteerden ook de kledingstijl van de arbeidersklasse.

    Zelf behoorden ze tot de ‘creatieve’ middenklasse. Ze presenteerden zichzelf als de bemiddelaars tussen de hogere en lagere klassen van de maatschappij. Hun project had zijn eigen esthetiek, waarin één stofje het bijzonder goed deed: flanel. ‘Voor de bobo staat ruwheid voor authenticiteit en deugd’, en daarom ‘draagt hij overhemden van flanel en niet van zijde’, legt de conservatieve columnist David Brooks van de New York Times uit in het boek Bobos in Paradise (2000), waarin hij de term bobo introduceerde. Hipsters, die iets later opkwamen, deelden met bobo’s deze voorkeur voor flanel. Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn.

    Flanel is sindsdien hip. In een beetje garderobe mag een ruitjeshemd tegenwoordig niet ontbreken. [Met bijbehorend snobisme.] Het online merk voor duurzame kleding Asphalte gaat bijvoorbeeld prat op de superieure kwaliteit van het flanel dat het voor zijn hemden gebruikt. Het flanel is gemaakt in Oostenrijk en ‘houdt de pure traditie van geweven wol in ere’, staat vol trots vermeld op de website.

    Deze hippe hang naar nostalgie past goed in een bredere tendens die sinds een jaar of tien in de mannenmode zichtbaar is. ‘De nieuwe kledingstijl voor mannen grijpt terug op ambacht. Kledingmerken leggen consumenten omstandig uit hoe elk element van het kledingstuk zorgvuldig geselecteerd is. Zo kan de klant met zijn kleding uitdrukken dat hij deel uitmaakt van een selecte groep die kwaliteit weet te waarderen.

    Tegelijkertijd schuilt er een subtiele 
kritiek in op de huidige tijd: de moderne man heeft liever een goed jasje dat niet snel uit de mode raakt dan eentje van een snit en stof die hij een seizoen later al niet meer kan dragen’, vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia.

    Tweed in de ban

    Tegenover deze herwaardering van flanel staat de verguizing van tweed. Franse katholieken die strijden voor bescherming van de seksuele moraal willen ervan af. Dat lieten ze al zien in hun demonstraties tegen geregistreerd partnerschap in 1999, in hun strijd tegen het homohuwelijk, in hun steun voor de kandidatuur van Christine Boutin voor de presidentsverkiezingen van 2002 en in de Life Parade van 2005.

    In 2013 gaf Frigide Barjot, een van de organisatoren van Manif pour Tous [de Franse katholieke progezinsbeweging die in 2012 spontaan ontstond in reactie op het voornemen van de Franse regering om het homohuwelijk in te voeren], zelfs strikte richtlijnen: geen tweed, geen ribfluwelen broeken, geen diademen, maar leer, jeans en push-upbeha’s. En vooral T-shirts in vrolijke kleuren.

    ‘Zelfs kleren als Barbour-waxjassen waren verboden. Niet zozeer omdat die voor conservatisme staan, maar omdat 
ze het moeilijk maken om de juiste boodschap te verkondigen door het stigma dat ze hebben gekregen’. vertelt Yann Raison du Cleuziou van de universiteit van Grenoble, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het militante katholicisme.
    Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn

    De organisatoren van Manif pour Tous deden hun uiterste best om een dresscode te verzinnen die niet stond voor het cliché van het provinciale katholieke gezin, dat graag zeilt en jaagt en daarom parka’s en andere outdoorkleding draagt. ‘Hun kledingcodes zijn op zich niet religieus, maar omdat het antiabortusactivisme in dat milieu sterk vertegenwoordigd is, associeer je die manier van kleden natuurlijk snel met katholicisme.

    Daarom kozen de organisatoren er juist voor om duidelijk te laten zien dat het doel waarvoor werd gestreden een zaak van iedereen was. Specifieke of onderscheidende kledingcodes dienden daarom te worden vermeden, om te laten zien dat 
de demonstranten uit alle gelederen van de samenleving kwamen,’ vertelt de politicoloog.

    Deze strategie heeft boven verwachting goed gewerkt. Een beetje te goed misschien. Tegenwoordig herkennen veel katholieke jongeren zich niet meer in de traditionele look. Eugénie Bastié, journalist voor Le Figaro en medeoprichter en hoofdredacteur van kwartaalblad Limite, dat wordt gezien als het tijdschrift voor ultraconservatieve katholieke jongeren, draagt een leren bikerjack. En dat is geen strategische keuze.

    Auteurs, resp.: Marion Dupont, Marc-Olivier Bherer

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan zijn naam (‘De Wereld’) onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.

  • Tunesiës verloren generatie

    Tunesiës verloren generatie

    Het gaat niet goed met de Tunesische jongeren, die in 2011 nog aan de basis stonden van de Arabische lente. Vijf jaar later lijkt hun droom van een betere toekomst vervlogen. Velen lijden aan apathie en depressie, of vertrekken naar het buitenland.

    Hoe komt het toch dat jonge Tunesiërs zo lamgeslagen zijn, zo apathisch, depressief, ongeïnteresseerd in wat er in hun land gebeurt? De alarmbellen hadden eind 2014 al moeten gaan rinkelen, door de krankzinnig lage opkomst onder jongeren bij de verkiezingen voor het presidentschap en het parlement. Zij bleven toen liever in de cafés hangen dan in de rij te gaan staan voor het stemlokaal. De vele partijen in Tunesië slagen er niet in om jongeren te motiveren voor een actieve rol in het politieke leven. Bij organisaties als de scouting, scholierenverenigingen en studentenbonden zijn bespottelijk weinig jonge mensen aangesloten. Hetzelfde geldt voor de burgerlijke organisaties.

    Dat is geen teken van gebrek aan liefde voor hun land of van verlies aan nationalistisch sentiment. De jonge Tunesiërs houden van hun land en zijn bereid de vlag ervan te verdedigen. Maar hun land geeft ze niet meer de kans om te dromen. Het is duidelijk dat dit te maken heeft met de jaren van ondeugdelijk onderwijs en onsamenhangende overheidsprogramma’s. Het is duidelijk dat de jaren van dictatuur en demagogie de magische band die een kind verbindt met zijn geboorteland hebben verbroken.

    Weggaan uit Tunesië is weggaan van alles wat me tegenstaat in mijn land. Het is mezelf bevrijden, want hier stik ik

    Jongeren willen weg, en niet alleen naar rijke landen. Sommigen hebben er helaas voor gekozen om naar Syrië, Irak of Libië te gaan en zich bij jihadistische groepen te voegen. De roep van het buitenland blijkt sterk. De meeste jongeren worden erdoor gehypnotiseerd en niemand weet hoe dat te verklaren is, of in te dammen.

    Eind november verdrong zich een menigte scholieren voor de ingang van Hotel Africa, waar een beurs over studeren in Canada plaatsvond. Ik vroeg een meisje waarom ze naar Canada wilde, terwijl er in Tunesië toch universiteiten genoeg zijn. Ze antwoordde: ‘Ik wil daarheen omdat ik genoeg heb van het leven hier. De smerigheid, het slechte onderwijs, het gebrek aan respect voor meisjes, de kwaliteit van leven. Ik wil erheen want ik weet zeker dat ik daar een diploma kan halen waarmee ik straks een baan kan vinden. Dan kan ik overal ter wereld werken. Weggaan uit Tunesië is weggaan van alles wat me tegenstaat in mijn land. Het is mezelf bevrijden, want hier stik ik!’ Andere jongeren mengden zich in het gesprek. Allemaal vertelden ze hoe verstikt ze zich voelden en hoe graag ze weg wilden.

    Naar het buitenland gaan, de band met je familie, je land verbreken, is een nieuw verschijnsel. In de periode 1960-1980 zijn generaties jonge Tunesiërs in Frankrijk of elders gaan studeren, maar de meesten kwamen terug om in Tunesië te gaan leven en werken. Sinds 1990 komen degenen die vertrokken zijn niet of nauwelijks meer terug. Waarom? Dit is geen puur economisch verschijnsel. Veel jongeren die dromen van een vertrek naar het buitenland, komen uit welgestelde families en kennen geen financieel gebrek.

    In werkelijkheid lijdt een aanzienlijk deel van de jonge Tunesiërs aan een vorm van depressie. Niet het type depressie waarvoor mensen bij de psychiater aankloppen, maar een kwaadaardiger vorm, die besluitvaardigheid verlamt, dromen blokkeert, de ziel niet vervult van triestheid maar van apathie, en waardoor tegelijkertijd de enige vreugde niet meer is om iets van jezelf te maken, maar om bij de groep te horen. Vertrekken is voor deze jongeren de enige hoop om hieruit te komen. Ver weg gaan. Naar een plek waar ze niet geconfronteerd worden met al die dingen die de oorzaak zijn van hun huidige wanhoop. De scholen die niet meer onderwijzen en waar je dus weinig leert; de smerige en lelijke straten waar verbaal geweld en onbeleefdheid van voorbijgangers samengaan; de niet-functionerende overheidsinstellingen waarbij alleen al de simpele stap om ernaartoe te gaan een oneindige moed vergt; het schandelijke gebrek aan plekken waar de jongere zich kan ontspannen en ontwikkelen, zonder de alomtegenwoordige blik van smokkelbendes of groepen extremisten die proberen de dienst uit te maken in de volkswijken.


    Seksualiteit is ook een probleem. De gemiddelde leeftijd om te trouwen ligt rond de dertig jaar en de sociale druk is zo groot, dat weinig jongeren een seksuele relatie kunnen hebben. De enige mogelijke sublimatie blijft zelfbevrediging bij de ononderbroken stroom onrealistische beelden, of vluchten in drugs of in een kille religiositeit.

    Maar vertrekken blijft verreweg de meest gedroomde weg om te ontsnappen uit de gevangenis zonder muren die dit land is geworden. Een manier om in afwachting daarvan de spanning te verkleinen is het café. Je hoeft maar door de straten van de Tunesische steden te lopen en je ziet het: talloze cafés, soms salon de thé genoemd, vol jonge en wat minder jonge mensen die er een groot deel van de dag en de nacht doorbrengen met roken, praten, flirten, leven.

    Bijna niemand leest een boek of een krant, sommigen zijn verdiept in hun smartphone of tablet, anderen zitten te kaarten, maar de meesten kletsen, discussiëren, verbeteren de wereld in elke zin en in alle talen. In de grote steden hebben velen zo te horen een universitaire studie achter de rug. Toch zijn er maar weinig die een vreemde taal goed beheersen of iets met hun handen kunnen. Vrijwel niemand heeft werkervaring, afgezien misschien van een paar weken in een callcenter. Bijna allemaal leven ze op kosten van hun ouders. Ze wachten tot de overheid iets voor hen doet, tot de dingen veranderen, maar ze wachten alleen maar.

    De tijd is een andere dimensie van hun ruimte geworden. Ze laten hem voorbijgaan, rustig, langzaam, sommigen versnellen hem een beetje door heimelijk een joint te roken, stiekem gekocht bij de dealer op de hoek. Elk café heeft zijn eigen clientèle, zijn eigen publiek. Hier zijn het rijken, daar mensen uit het zakenleven, elders studenten en scholieren. De allerarmsten hebben ook hun eigen plekken. De verschillende groepen gaan niet met elkaar om. In de theesalons en de chique cafés zijn vrouwen aanwezig, maar zodra je in de minder rijke voorsteden komt, zie je alleen nog mannelijke klanten. Een minderheid trekt aan het eind van de dag naar de bars die alcohol schenken, maar de grote meerderheid blijft de cafeïne trouw.

    In de cafés op het platteland zitten de verschillende leeftijden en sociale klassen door elkaar. Maar daar zul je geen vrouwen aantreffen, alleen mannen. Sommigen verkopen of kopen er iets, of onderhandelen, maar de rest praat, rookt, laat de tijd voorbijgaan en klaagt over de regen, het werk, de toekomst, de staat.

    Herfstbladeren

    Wie als buitenlander in Tunesië komt, kan alleen maar verbaasd staan over dit land waar zo’n groot deel van de bevolking – bijna 30 procent van de Tunesiërs is tussen de vijftien en dertig jaar – vastzit, stilstaat. Deze jongeren, die vaak een diploma bezitten en cultureel onderlegd zijn, hebben aan de basis gestaan van de revolutie van 14 januari 2011, de ‘Arabische lente’. En nu zijn ze toeschouwers van hun eigen toekomst geworden, herfstbladeren die door de wind in het rond worden geblazen en alleen bestaan om het bestaan.

    Hoe overwin je die depressieve toestand, die leidt tot stilstand, vluchten en soms zelfmoord? Wat is er nodig om de jongeren hun ambitie te laten terugvinden, het verlangen om te leven en iets op te bouwen in hun land? Hoe is deze vicieuze cirkel te doorbreken waarin Tunesië jaar na jaar wordt beroofd van zijn beste kinderen, die andere landen gaan dienen en verrijken? Hoe kunnen we, kortom, de sociale realiteit van de Tunesiërs veranderen? Tunesië is ziek en we kunnen alleen maar hopen dat degenen die het land willen genezen, allereerst de juiste diagnose stellen.

    Auteur: Sofiane Zribi

    Beeld bovenaan: © YouTube

    Leaders
    Tunesië | leaders.com.tn

    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.
  • Onrust in Hongkong is China’s schuld

    Onrust in Hongkong is China’s schuld

    Veel jongeren in Hongkong willen dat de stad zich losmaakt van China. En als Beijing volhardt in zijn onbuigzame houding, zal hun aantal alleen maar groeien, waarschuwt een Occupy-leider.

    De afgelopen maanden zijn er in onze stad diverse politieke organisaties opgericht door jonge mensen. Hun politieke streven – zelfbeschikking en onafhankelijkheid voor Hongkong – zou twintig jaar geleden waarschijnlijk als ondenkbaar zijn beschouwd. Hoewel de organisaties gericht zijn op de periode na 2047 en niet vragen om onmiddellijke zelfbeschikking of onafhankelijkheid, hebben ze in de ogen van Beijing al een grens overschreden.

    Zelfbeschikking en onafhankelijkheid verschillen fundamenteel van elkaar. Zelfbeschikking verwijst vaak naar 
een situatie waarin een bepaalde 
groep mensen die dezelfde culturele 
of etnische identiteit delen, het grondwettelijke recht opeisen om hun 
eigen overheidszaken te regelen en hun eigen besluiten te nemen over bepaalde kwesties. Ze willen dus 
eigenlijk autonomie en niet zozeer 
een onafhankelijke staat, dit in tegenstelling tot diegenen die volledige onafhankelijkheid eisen.

    Zelfbeschikking

    Zelfbeschikking is vaak het resultaat van een referendum, terwijl onafhankelijkheid door een referendum óf revolutie bereikt kan worden. Wat Hongkong betreft zijn mensen die voor zelfbeschikking zijn het niet per se eens met de pro-onafhankelijkheidsbeweging. Sommigen van hen zijn wellicht tegen het idee van afscheiding van China, vooral de gematigder kiezers, zoals velen in de middenklasse. Zij zien Hongkong nog steeds als deel van de Volksrepubliek China, maar zijn kwaad over Beijings constante inmenging in kwesties die Hongkong betreffen en China’s schending van het principe van ‘één land, twee systemen’; en dus zoeken ze een manier om onze autonomie te verdedigen die bekrachtigd is in de Basiswet, en om de zaken recht te zetten.

    Pro-onafhankelijkheidsorganisaties daarentegen vragen om de afscheiding van Hongkong van het vasteland en willen een zelfstandige stadstaat worden zoals Singapore. In dit artikel wil ik geen standpunt innemen over zelfbeschikking of onafhankelijkheid, en ook de haalbaarheid van die opties niet analyseren.

    Hoe harder Beijing hen aanpakt, hoe radicaler of zelfs gewelddadiger ze worden

    Ik wil alleen proberen te verklaren wat de oorzaak is van die plotselinge opkomst van pro-zelfbeschikkings- 
en pro-onafhankelijkheidsgevoelens 
in Hongkong. De snelle groei van dat sentiment heeft zijn wortels in de zogenoemde ‘Resolutie 831’, die op 31 augustus 2014 werd aangekondigd door het Permanente Comité van het Nationale Volkscongres, betreffende 
de regeling van de verkiezingen van Hongkongs topfunctionaris in 2017. 
De ontbinding van de daarna ontstane burgerlijkeongehoorzaamheidsbeweging Occupy Central heeft bijgedragen aan die gevoelens. Pas toen het Comité met ‘Resolutie 831’ kwam, begonnen veel mensen in Hongkong te beseffen dat Beijing niet van plan was ons enig algemeen stemrecht te gunnen. Erger nog, de democratisering van onze stad is voor onbepaalde tijd tot stilstand gekomen, nadat het verkiezingsvoorstel van de overheid vorig jaar werd verworpen in de Wetgevende Raad.

    Als gevolg daarvan raakten veel mensen teleurgesteld in ‘één land, twee systemen’ en geloofden 
ze niet langer dat de Basiswet ons echte democratie zou garanderen. Het waren dat bittere verraad, de desillusie, verontwaardiging, frustratie en onmacht en het ongeduld van het publiek over de huidige stand van zaken en de toekomst van de democratisering in onze stad die uiteindelijk hebben geleid tot het idee van zelfbeschikking en zelfs van afscheiding van China: als Beijing ons niet geeft wat we willen, waarom gaan we dan niet gewoon uit elkaar?

    Tien jaar geleden was het totaal ondenkbaar dat mainstreammedia de mogelijkheid bespraken dat Hongkong zijn eigen toekomst zou bepalen en zich zelfs, tegen de wil van Beijing in, onafhankelijk zou verklaren. Met andere woorden: die separatistische sentimenten in onze stad zijn ontstaan door Beijings onhandigheid en de weigering om ook maar een duimbreed toe te geven wat betreft de regeling voor 
de verkiezingen in 2017.

    Als Beijing zijn standpunt over Hongkongs stemrecht niet verzacht, denk ik dat er de komende tijd hoe langer hoe meer inwoners zullen worden aangetrokken door het idee van zelfbeschikking of zelfs van onafhankelijkheid. En hoe harder Beijing hen aanpakt, hoe radicaler 
of zelfs gewelddadiger ze worden, waardoor onze stad in een gevaarlijke cirkel van constante onderdrukking en verzet terecht zal komen.

    Auteur: Benny Tai
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Benny Tai is hoogleraar Rechten aan de Universiteit van Hongkong. Hij werd in 2013 bekend als initiatiefnemer van de Occupy Central-beweging, die streed voor vrije verkiezingen in de voormalige Britse kroonkolonie.

    Hong Kong Economic Journal
    Hongkong | dagblad | oplage 65.000

    Financiële en liberale krant voor de elite in Hongkong. Wil het Chinese equivalent van de Financial Times en The Wall Street Journal zijn, met gerenommeerde schrijvers.

    Activist Joshua Wong en leden van de nieuwe politieke partij Demosisto, die ijvert voor een referendum over de Hongkongse soevereiniteit. – © Vincent Yu / HH
    Activist Joshua Wong en leden van de nieuwe politieke partij Demosisto, die ijvert voor een referendum over de Hongkongse soevereiniteit. – © Vincent Yu / HH

    CONTEXT: Resolutie 831

    Volgend jaar kiezen de inwoners van Hongkong een nieuwe leider. Bij het vertrek van de Britten in 1997 werd overeengekomen dat Hongkong vijftig jaar lang een Speciale Bestuurlijke Regio zou blijven. De Chinees-Britse afspraken werden vastgelegd in een Basiswet, met als voornaamste beginsel: één land, twee systemen. Maar sindsdien is de druk van Beijing om Hongkong in het Chinese systeem te trekken steeds groter geworden. Zo werd in 2014 Resolutie 831 aangenomen, die Beijing stevige zeggenschap geeft in de kandidaatstelling voor de verkiezing van volgend jaar. Een groot deel van de zeven miljoen inwoners van Hongkong verzet zich sindsdien tegen de sluipende inlijving door Beijing, en eist meer autonomie.

  • Doorgeschoten politieke correctheid

    Doorgeschoten politieke correctheid

    Volgens de conservatieve Wall Street Journal zijn de studentenprotesten een bedreiging voor het recht op vrije meningsuiting.

    Het oproer aan Yale University en de Universiteit van Missouri zich heeft uitgebreid naar andere campussen, van Californië tot New Hampshire. De klachten van de studenten en hun roep om ‘een veilige plek’ [safe space] variëren, maar de kwaal is dezelfde: faculteiten en bestuurders die rassen- en genderdiversiteit boven alle andere waarden stellen, inclusief de vrijheid van meningsuiting.

    De rondgang begint bij Yale, waar het een paar weken geleden tot een uitbarsting kwam nadat een faculteitslid opperde dat het niet aan het bestuur was om uit te maken wat een passend kostuum voor Halloween is. In betere tijden zou ze op elk campusfeestje gratis bier hebben gekregen, maar dit keer leidde het tumult ertoe dat een student de socioloog van Yale uitschold omdat ze ‘gevoelloos’ zou zijn.

    De reactie? ‘Ik heb me nog nooit tegelijkertijd zo ontroerd, uitgedaagd en bemoedigd gevoeld door onze gemeenschap,’ schreef bestuursvoorzitter Peter Salovey van Yale in een brief aan de hele universiteit. Hij beloofde een centrum dat onderzoek zou doen naar ‘ras, 
etniciteit en andere aspecten van sociale identiteit’, meer aandacht voor deze onderwerpen, meer training in het onderkennen van racisme op wat ongetwijfeld een van de meest rassengevoelige plekken op aarde is. Salovey beloofde 50 miljoen dollar in te zetten voor diversificatie van zijn universiteit – en je kunt er donder op zeggen 
dat hij geen intellectuele diversificatie bedoelde.


    Het is ook hommeles in Missouri, waar studenten de bestuursvoorzitter wegjoegen vanwege beschuldigingen dat hij rassenincidenten op de campus niet adequaat zou hebben opgelost. Groepen studenten van naar schatting honderd andere universiteiten volgden hun voorbeeld, allemaal omdat er sprake zou zijn van systematische rassen‑
ongelijkheid. Een dieptepunt was de universiteit in Dartmouth, waar demon‑
stranten de bibliotheek bestormden 
en andere studenten voor racistische onderdrukkers uitmaakten omdat ze liever wilden studeren. Bestuursvoorzitter Phil Hanlon zou de oproerkraaiers moeten wegsturen wegens overtreding van de gedragscode van de universiteit en hen moeten vervangen door enkelen van de duizenden afgewezen gegadigden die de doelstellingen van een universiteit misschien wel onderschrijven.

    Studenten willen de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores

    Maar wel heel bont maakte Princeton University het. Daar drongen studenten het kantoor van de bestuursvoorzitter binnen en eisten dat de universiteit iedere verwijzing naar wijlen president Woodrow Wilson zou schrappen, omdat deze een racist was die de segregatie steunde. Wilson was bestuursvoorzitter van Princeton voordat hij opklom tot het Witte Huis. De huidige bestuursvoorzitter van Princeton, Christopher Eisgruber, beloofde naast andere concessies een discussie in gang te zetten over de nalatenschap van Wilson. Vroeger waren universiteiten trots op de prestaties van hun alumni, maar nu willen studenten de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores. Maar als men ziet op welk een gepolitiseerde manier Amerikaanse geschiedenis tegenwoordig wordt onderwezen, kan men dit vak misschien maar beter schrappen. Eisgruber moest zich schamen dat hij de kapers van zijn campus hun zin heeft gegeven.

    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images

    De voorbeelden zijn eindeloos, met een speciale oneervolle vermelding voor de Smith University: daar verhinderden studenten journalisten om verslag te doen van de demonstraties als ze niet op voorhand bereid waren dat ‘op een positieve manier’ te doen. ‘Journalisten en media die een neutraal standpunt innemen, schaden onze strijd,’ aldus een organisator tegenover een nieuwszender in Massachusetts.

    De capitulerende bestuursvoorzitters zeggen allen pal te staan voor ‘de vrije en open uitwisseling van ideeën’ – om Salovey van Yale te citeren. Misschien moet hij Orwell eens herlezen. De demonstranten en hun vrienden binnen de media zeggen dat bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting een tactiek is om hun het zwijgen op te leggen en de aandacht af te leiden van klachten over rassendiscriminatie. Maar juist dankzij een samenleving die vrijheid van meningsuiting garandeert, kan iedereen zijn klachten uiten. Er zijn maar weinig betere tactieken om 
mensen het zwijgen op te leggen dan een dreigende meute.

    De progressievelingen van na 1960 
die tegenwoordig de universiteiten besturen, roemden in hun hoogtij‑
dagen de vrijheid van meningsuiting, dus waarom doen ze dat ook nu dan niet? Wellicht omdat het opkomen 
voor het Eerste amendement op de Amerikaanse grondwet de erkenning inhoudt dat de westerse beschaving, die de luxe van het leven op de campus heeft voortgebracht, het verdedigen waard is.

    Vertaler: Peter Bergsma

    The Wall Street Journal
    VS | oplage 2.000.000

    Van Dow Jones & Co. Lezers zijn voor 60 procent topmanagers van gemiddeld 55 jaar, met een gemiddeld inkomen van $ 191.000.

    BEGRIPPENLIJST

    Safe space
    ‘De gedachte achter de safe spaces is dat iedereen, met welke identiteit dan ook, recht heeft op een tolerante omgeving om zich te kunnen gedragen naar eigen aard’, zo vat The Guardian het samen. Het idee 
is ontstaan in kringen van de 
LHBT-beweging. Het gaat erom 
alles te vermijden wat sommige leden van een gemeenschap zouden kunnen opvatten als gewelddadig, ook verbaal of symbolisch.

    Trigger Warnings
    Een waarschuwing vooraf die betrekking heeft op een gevoelig onderwerp, waarbij sommige 
leerlingen zich ongemakkelijk zouden kunnen gaan voelen, of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Het gaat soms 
om onschuldige zaken als het werkwoord ‘schenden’ in de betekenis van ‘een wet schenden’.

    Microagressie
    Elk gezegde, elke uitdrukking of verbale agressie, vaak herhaald, 
die een persoon of groep denigreert of omlaaghaalt.

    ‘Let op je woorden’
    In september wijdde The Atlantic het omslagverhaal aan de vrijheid van meningsuiting op de universiteit. In een lang artikel onderschreef het blad de stelling dat ‘politieke correctheid bezig is het onderwijs te ruïneren’. Volgens The Atlantic vragen studenten steeds vaker van de docenten om ‘microagressie’ ten koste van alles te vermijden. De docenten dienen vooraf te waarschuwen dat zij een gevoelig onderwerp gaan aansnijden waarbij studenten zich slecht op hun gemak zouden kunnen gaan voelen of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Volgens de schrijvers van het artikel – een sociaal psycholoog en een advocaat gespecialiseerd in onderwijs – is deze tendens om studenten overmatig in bescherming te nemen gevaarlijk. Jonge Amerikanen worden erdoor belemmerd een kritische geest te ontwikkelen en om te gaan met nieuwe ideeën.

  • Singles hebben geen haast, ouders wel

    Singles hebben geen haast, ouders wel

    Voor Chinese jongeren 
ligt de gemiddelde trouw‑
leeftijd tegenwoordig op 24 jaar. Daarom besluit de 23-jarige arbeiderszoon Zheping Huang zijn 
geluk te beproeven op 
een huwelijksmarkt.

    Shanghais zevende jaarlijkse ‘Liefdes- en huwelijksexpo’ werd dit jaar gehouden in het Aima Palace, in de noordoostelijke voorstad Baoshan – in het district waar ik woon. Het paleis en het omliggende park zijn ontworpen voor trouwceremonies in westerse stijl, maar op 31 oktober kwamen er meer dan vierduizend vrijgezel‑
len bijeen, op zoek naar hun wederhelft.

    Als 23-jarig enig kind uit een arbeidersgezin in Shanghai ben ik niet naarstig op zoek naar een vriendin. Maar tegenwoordig is het in China de norm om 
op jonge leeftijd te trouwen. Dat vinden mijn ouders ook. Sinds ik een baan heb, stellen ze zo nu en dan de indirecte vraag: ‘Heb je al een doel?’ Met ‘doel’ bedoelen ze vriendin – eentje met wie ik een stabiele en serieuze relatie heb en die ik mee naar huis kan nemen om Chinees Nieuwjaar te vieren.

    Mijn moeder heeft me niet gedwongen naar die huwelijksmarkt te gaan. Wel bracht ze tijdens elk telefoongesprek het onderwerp ter sprake: ‘Je kunt toch gewoon even gaan kijken?’ zei ze steeds. Dus daar stond ik dan, netjes gekleed, te kijken naar een groot mededelingen‑
bord, waarop ik mijn foto tussen 
honderden andere zag hangen, met daaronder de tekst:
    Naam: Huang
    Opleiding: Masterdiploma
    Geboortedatum: maart 1992
    Jaarsalaris: …

    Zoeken naar de ware op de ‘First Shanghai Marriage en Love Expo’ in Shanghai, die bezocht werd door 11,000 single mannen en vrouwen en 4,000 ouders. – © Getty Images
    Zoeken naar de ware op de ‘First Shanghai Marriage en Love Expo’ in Shanghai, die bezocht werd door 11,000 single mannen en vrouwen en 4,000 ouders. – © Getty Images

    Toen ik me online inschreef, had ik mijn jaarinkomen ingevuld – dat was een verplichte vraag, net als de vragen over je lengte, gewicht, sterrenbeeld 
en of je een eigen huis hebt of een auto. Maar ik had niet verwacht dat ze van iedere deelnemer een poster zouden ophangen waarop zijn of haar salaris voor iedere voorbijganger zichtbaar zou zijn.

    Volgens mijn eigen telling hingen er ongeveer tweeduizend mannen en tweeduizend vrouwen op die muur, maar op de bijeenkomst waren er meer vrouwen dan mannen. Terwijl ik die posters aan het lezen was, zag ik daar een meisje staan. Ze leek me tussen 
de twintig en dertig jaar, had lang, mooi geverfd bruin haar, en droeg een spijkerhemd en een zwarte legging, een beetje de Koreaanse stijl. We keken elkaar aan. Ze stapte op me af.

    ‘Hé, in welk jaar ben jij geboren?’ 
vroeg ze me in een Shanghais dialect. De manier waarop ze ‘hé’ zei, was niet erg beleefd. Voordat ze vervolgens meteen weer doorliep, zei ze: ‘Ik ben bijna een cyclus ouder dan jij.’ Een ‘cyclus’ betekent de cyclus van twaalf jaar van de Chinese dierenriem. Ze vond mij te jong voor een date, dus wilde ze geen seconde langer tijd aan mij verspillen.

    Ik wilde liever zelf een vriendin zoeken

    Hoe langer ik op de expo was, des te meer het me opviel dat iedereen (behalve ik dan misschien) zo efficiënt, gefocust en doelgericht bezig was, of het nu de mannen, de vrouwen, hun ouders of de huwelijksmakelaars van de veertig deelnemende bureaus waren. Terwijl ik door het paleis liep, vroegen verscheidene moeders mijn geboortejaar, maar zodra ik 1992 zei, liepen ze allemaal meteen weer door. Huwelijksmakelaars trokken me hun standje in om me in te schrijven als cliënt, en telkens als ik mijn persoonlijke informatie opschreef, waren ze onder de indruk – in elk geval deden 
ze alsof – van mijn lengte, mijn hukou (woonvergunning) voor Shanghai, 
mijn mastersopleiding en mijn jonge leeftijd. Maar ze waren allemaal teleurgesteld als ik op de vraag over het hebben van een eigen huis antwoordde dat mijn familie bij mijn trouwen een appartement voor mij zou kopen. Maar als troost zeiden ze dat ik nog erg jong was, dus dat het eigenlijk geen probleem was dat ik nog geen eigen huis had.

    132674241

    Eén huwelijksmakelaar bezwoer me dat ze me nooit kosten zou berekenen, zelfs al vond ik via haar bureau een date. Volgens haar varieerde het tarief voor een vrouw van een paar honderd tot enkele duizenden yuan, en het bureau hield vrouwen niet langer dan een half jaar in de portefeuille. Maar als man was ik een ‘kostbaar goed’, zei ze. Ze vertelde dat het cliëntenbestand van haar bureau een ongelijke man-vrouwverhouding kende: één man op de vier vrouwen.

    Dat lijkt misschien vreemd. Ten slotte is de verwachting dat er in China in 2020 24 miljoen meer mannen dan vrouwen zijn in de leeftijd tussen 20 
en 45 jaar. Een hoogleraar Economie heeft onlangs voorgesteld om toe te staan dat een vrouw met meer dan 
één man mag trouwen om die ongelijkheid enigszins weg te nemen. 
Maar in de grootste steden van China, en vooral onder de universitair geschoolde jongeren, lijkt eerder het omgekeerde het geval – daar is er een enorm overschot aan jonge vrouwen die willen trouwen.
    Volgens mij komt dat doordat de meeste Chinezen een huwelijk willen dat gelijkwaardig is in termen van bezit, opleiding en culturele achtergrond. Dat geldt met name voor Shanghai, dat, ondanks het feit dat het een zeer internationale stad is, de naam heeft weinig gastvrij te zijn voor ‘vreemdelingen’ uit andere delen van China.

    Het verlangen naar een gelijkwaardig huwelijk betekent dat er in de steden voor jonge vrouwen maar een beperkt reservoir aan geschikte mannen is, omdat vrouwen vaker hoger opgeleid zijn, een goede baan hebben en hun eigen smaak en hobby’s hebben. Tegelijkertijd staan vrouwen door de norm om jong te trouwen en door het sociale stigma dat aan ongetrouwde vrouwen van boven de rijpe leeftijd van 27 kleeft, onder grote druk om te trouwen en dit soort huwelijksmarkten te bezoeken.

    Een recent landelijk onderzoek laat zien dat 26 jaar de gemiddelde trouwleeftijd is in China. Meer dan 90 procent van de vrouwen in China is voor haar dertigste getrouwd. Voor de generatie van na 1990 (mijn generatie) ligt de gemiddelde leeftijd nog lager: 24 jaar.

    Rode tafels

    Het was niet zo dat ik niet wilde praten met de meisjes op de expo. Maar het was ongemakkelijk tussen al die mensen, met
ook nog eens de huwelijksmakelaars die zich met je gesprek bemoeiden omdat ze het liefst hadden dat de communicatie via hen verliep, of de ouders van het meisje die me waarschijnlijk wilde vragen waarom ik geen eigen huis had. Dus schreef ik me in voor iets wat ‘Vind de ware aan de rode tafels’ heette. Het was speciaal bedacht voor de Aziaat die te verlegen is om een gesprek aan te knopen met de andere sekse. In principe was het gewoon een soort lopende band. Vijf mannen en vijf vrouwen zaten om een tafel waarop een rood kleedje lag, en ze hadden zes minuten de tijd om met elkaar te praten. Dan verhuisden de vijf mannen met de klok mee naar de volgende tafel. Bij elkaar waren er tien tafels, dus iedere sessie duurde een uur. Dat was de officiële manier om een leuk, diepgaand, persoonlijk gesprek te voeren met iemand die je aardig leek.

    Toen honderd deelnemers, onder wie ik, waren gaan zitten, wees de gespreks
leider bij iedere tafel één persoon aan die zichzelf moest voorstellen. Eén meisje zei dat ze haar salaris niet in het openbaar wilde prijsgeven. ‘Niet zo terughoudend,’ zei de gespreksleider. ‘Anders vind je nooit iemand.’

    De gespreksleider herinnerde de mannen eraan dat hij twee dingen wilde horen: eigen huis en salaris. Een man van in de dertig, die werkte op het hoofdkantoor van de Bank van China, zei met valse bescheidenheid: ‘Ik verdien niet zo veel, iets tussen de 300.000 en 400.000 yuan [43.000-57.000 euro] per jaar.’

    In het uur dat erop volgde had ik een gesprek met een paar meisjes van ongeveer mijn leeftijd. Sommige gesprekken liepen wel aardig, andere heel stroef.


    Vier misses

    #1 Miss Xu, 1993, uit Yancheng, 
provincie Jiangsu

    Na langer dan een minuut ongemakkelijke stilte zat Xu nog steeds naar een brochure op tafel te staren, en ze leek niet van zins om met mij of die man naast haar te gaan praten. ‘Waarom ben je hierheen gekomen?’ vroeg ik om het ijs te breken. Toen vertelde ze dat ze moest van haar moeder en tante, die met haar meegekomen waren. Ik zei dat ik min of meer in dezelfde situatie zat. We spraken wat over waar we 
vandaan kwamen, de universiteit, en ons beroep (ik ben dat van haar alweer vergeten). Daarna was ik door mijn gespreksstof heen. Ze bleef geïnteresseerder in de brochure dan in mij. We werden vrienden van elkaar op WeChat. Ongeveer een uur na de sessie zag ik haar daar iets op posten: ‘Het was zo stom.’

    #2 Miss Xu, 1990, uit Shanghai

    Xu werkte bij de metro in Shanghai. Ze hield van films, winkelen en badminton. Haar werk bestond uit het opladen van vervoerskaarten van forenzen die hun kaart wilde opwaarderen, en ze had de supervisie over ‘dorpelingen’ die de metrostellen inspecteerden en repareerden. ‘Dorpelingen’ was een neerbuigend woord dat ze gebruikte voor mensen van buiten de stad die in Shanghai kwamen werken. Ze zei dat ze alleen wilde daten met iemand uit Shanghai. Ze sprak ook alleen maar in het Shanghaise dialect, ook al gaf ik antwoord in het Mandarijn, omdat ik dat passender vond voor een bijeenkomst met mensen uit het hele land. Een man uit het noorden van China wilde ook met ons praten, maar begreep ons niet. ‘Tjemig,’ zei hij, 
‘jullie komen allemaal uit Shanghai.’

    #3 Miss Fang, 1992, uit Shanghai

    Fang was net afgestudeerd en werkte nu als lerares biologie aan een vooraanstaande middelbare school in Shanghai. Eigenlijk had ze helemaal niet naar de expo willen komen, maar haar moeder had erop aangedrongen. Ik vertelde dat ik op de middelbare school biologie altijd heel leuk had gevonden en begon over een bepaald vraagstuk waarbij de genen van de ouders werden gegeven en je de kans moest berekenen dat hun kind dubbele oogleden zou krijgen. Dat vond ze 
interessant. Een verveelde oudere vrouw aan onze tafel, die kennelijk 
niemand van haar leeftijd had om mee te praten, zei dat we wel een stelletje leken.

    #4 Miss Ik-heb-niet-eens-haar-naam-gevraagd, 1990, uit Shanghai

    De reden dat ik niet eens haar naam vroeg – en zij ook niet de mijne – was dat ze alleen geïnteresseerd was in mannen die ‘minstens vier jaar ouder waren dan zij’. Ik vroeg haar waarom. Ze zei dat ze in recente relaties had ervaren dat mannen van mijn leeftijd te onvolwassen waren en te veel met zichzelf bezig.

    Gekscherend zei ze 
dat ik mijn geluk maar eens moest beproeven op een universiteitscampus.

    Na een uitputtend uur van rondetafelgesprekken verliet ik de bijeenkomst. Ik zocht nog even naar de biologielerares, maar ik kon haar niet vinden. Ik vond het wel welletjes allemaal. Maar één iemand stond me op te wachten, mevrouw Chen, de moeder van een 22-jarige dochter. Ze was al eerder op me afgestapt toen ik ergens een hapje stond te eten waar een 
wedstrijd liefdesliedjes zingen werd gehouden. Er was maar één man het podium op geklommen en hij zong verschrikkelijk vals. Niemand luisterde. In dat gesprek was ik al veel te weten gekomen over de dochter van mevrouw Chen. Ze was 22 jaar, afgestudeerd in computerkunde en werkte nu voor een jong bedrijf dat een Japanse game voor de smartphone ontwikkelde. Ze was heel gehoorzaam, zei mevrouw Chen, en was niet iemand voor losse contacten, zoals veel andere meisjes. De moeder liet me ook een selfie van haar dochter zien – die waarschijnlijk heel erg 
verfraaid was door Meitu Xiuxiu, een populaire fotoshop-app.

    Settelen

    Ik begrijp de wens van mijn ouders 
wel dat ik me moet gaan settelen. 
Zij trouwden toen ze dertig waren, 
en twee jaar later werd ik al geboren. Sommige vrienden van hen hebben 
al kleinkinderen. Ze gaan bijna met pensioen en stellen zich voor dat ze dan een appartement voor me kopen 
in Shanghai, dichtbij komen wonen 
en mijn toekomstige vrouw en mij 
helpen met het schoonmaken van 
het huis, iedere dag voor ons koken 
en helpen bij de opvoeding van ons kind (of misschien twee kinderen). 
Het gaat ze niet om een stamhouder, ze willen alleen graag dat drie 
generaties bij elkaar wonen, een genoegen dat al zoveel vijftigers in Chinese steden smaken.

    Maar toen ik thuiskwam vertelde ik mijn ouders niet over de dochter van mevrouw Chen. Ik zei alleen maar dat ik geen interessante meisjes had ontmoet. Ik wilde liever zelf een vriendin zoeken en zelf haar aantrekkelijke 
kanten ontdekken bij etentjes, in het café of bij vrienden, en niet gekoppeld worden bij een bijeenkomst waar wederzijdse ouders hun goedkeuring geven aan onze relatie op basis van op onze opleiding, hukou, huis en salaris. Als ik op eigen kracht niemand kan vinden, zal ik over enkele jaren misschien wel weer naar zo’n huwelijksmarkt gaan – als ik 26 ben of zo.

    Mevrouw Chen zei dat ze had rondgekeken maar geen mannen had gezien die haar geschikt leken voor haar dochter. Ze wilde graag meer van mij weten

    Mevrouw Chen zei dat ze had rondgekeken maar geen mannen had gezien die haar geschikt leken voor haar dochter. Ze wilde graag meer van mij weten. Maar eerst wilde ze nog een paar dingen controleren. Vond ik het bezwaarlijk dat haar dochter was afgestudeerd aan een hogeschool en niet aan een universiteit? Ik zei nee. Vonden mijn ouders of ik het bezwaarlijk dat haar dochter niet uit Shanghai kwam, maar uit Wuhan in Midden-China? Ik zei nee. Ten slotte vroeg ze hoe vaak ik terug zou komen naar Shanghai en waar ik in de toekomst zou gaan wonen. 
Ik zei dat ik dat niet wist. Dat hing af van mijn partner en mij.

    Ze leek tevreden. We wisselden telefoonnummers uit. Ik stelde voor om vrienden te worden met haar dochter op WeChat, maar ze wilde haar liever eerst zelf nog even spreken. En ik moest eerst ook maar met mijn ouders spreken, om er zeker van te zijn dat haar dochter en haar familie hun goedkeuring konden wegdragen. Ik vroeg mevrouw Chen waarom haar dochter niet zelf was gekomen. Ze zei dat haar dochter te verlegen was voor dit soort gelegenheden. ‘Kinderen hebben geen haast, maar hun ouders wel,’ zei ze.

    Auteur: Zheping Huang
    Vertaler: Paul Bruijn

    Foto boven: Wachten om naar binnen te gaan bij de ‘Ten Thousand People Matchmaking Fair’ in Shanghai. – © Getty Images

    Quartz
    VS | qz.com

    In 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit nieuwsportal willen inspelen op de nieuwe wereld na de financiële crisis.

  • Libanese jeugd pikt het niet langer

    Libanese jeugd pikt het niet langer

    In Libanon keren jongeren zich steeds feller tegen de maffiose politieke kaste, die zich niets aantrekt van wat het volk wil.

    In Libanon is het woord ‘politicus’ een belediging. Voor fatsoenlijke Libanezen, die geen vleiers en meelopers zijn, is een politieke functie synoniem met verwerpelijk gedrag, diefstal en criminaliteit. Het is weliswaar een kenmerk van populisme om je af te zetten tegen politici, maar de Libanese politici doen er dan ook alles aan om het volk zo ver te krijgen. Deze politici, die oorlogen en haatgevoelens steeds weer aanwakkeren, die oproepen tot sektarisme, die zich storten op het neoliberalisme, die iets heilig verklaren wat uiteindelijk altijd neerkomt op heiligverklaring van hun eigen persoon, wier positie berust op geld en ‘verzet’ [verwijzing naar het programma van Hezbollah] maar vooral op de hechte banden van hun gemeenschap, doen niets anders dan zichzelf in stand houden.
    Deze categorie politici is in de jaren negentig op maffiose wijze ontstaan, op grond van bloedbanden. Door de verdeling tussen de ‘families’ is er een politieke klasse ontstaan die verdeeld is in twee takken. De ene is opgericht door Ghazi Kanaan en Abdel-Halim Khaddam [twee Syriërs die in de jaren 1980-1990 belast waren met het dossier-Libanon], en de andere door Rustum Ghazaleh [hoofd Syrische inlichtingen in Libanon tot 2005]. 
De gemeenschappelijke aanpak van deze politieke klasse, die steeds ongevoeliger is voor de burgers wier levenstandaard inmiddels is gedaald tot de armoedegrens, bestaat erin hun aanhangers één of twee maal per jaar in Beiroet bijeen te roepen om hun leiders, die zich prinsen voelen, toe te juichen. Dit ritueel is gericht op instandhouding van de kudde als natuurlijke politieke praktijk. [Heel wat politici hebben hun zoon of schoonzoon benoemd tot opvolger].

    Het is lastig om woorden te vinden die negatief genoeg zijn om deze politici te beschrijven

    Ogen geopend

    Libanese politici zijn nooit het toonbeeld van rechtschapenheid geweest. Maar nooit eerder was de politieke klasse zo slecht dat ze het land als 
haar eigendom beschouwde, zoals 
de Romeinen de Middellandse Zee ‘Mare Nostrum’ noemden. Als ware calvinisten geloven deze politici dat God hen al voor hun geboorte heeft voorbestemd voor het paradijs, maar 
in tegenstelling tot de calvinisten bestaat hun religie uit verkwisting. Het is lastig om woorden te vinden die negatief genoeg zijn om deze politici 
te beschrijven. De tegen hen gerichte woede gaat elk vocabulaire te boven, vooral voor dat deel van de Libanezen dat lijnrecht tegenover hen staat. 
Duizenden mannen en vrouwen van 30 tot 40 jaar, met goede opleidingen en moderne opvattingen, die hebben gestudeerd aan de beste universiteiten, vaak in het Westen, laten zich gelden als individu en als fatsoenlijk burger en weigeren het hoofd te buigen voor een of andere machtige man of generaal. Zíj hadden eigenlijk de beleidsmakers van het land moeten zijn, maar vinden privileges, macht en corruptie op hun weg. Deze generatie heeft de wereld de ogen geopend over de grote verdeeldheid tussen twee Libanese kampen: het pro-Iraanse kamp geleid door Hezbollah, en het pro-Saoedi-Arabische kamp onder leiding van de Hariri-clan. Ze sloten zich aan bij het ene of het andere kamp en geloofden lang in hun respectieve slogans om uiteindelijk beide hevig gedesillusioneerd te raken. Het eerste kamp wilde hen als kanonnenvlees in Libanon of Syrië laten dienen [Hezbollah strijdt in Syrië aan de zijde van het Syrische regime], terwijl ze volgens het andere kamp gewoon de handelaren en zakenlui moesten verrijken. Voor deze mannen en vrouwen volstaan de geijkte leuzen niet meer om de ware aard van de Libanese politieke klasse te verhullen.

    Libanese demonstranten roepen slogans tegen de regering tijdens een recente protestbijeenkomst. 
© Marwan Tahah / Corbis
    Libanese demonstranten roepen slogans tegen de regering tijdens een recente protestbijeenkomst. 
© Marwan Tahah / Corbis
    De woede van de jongeren is niet alleen legitiem, het is zelfs hun plicht

    Het ‘verzet’ tegen Israël is geen reden meer om Hezbollah te steunen en de moord op Hariri [ex-premier van Libanon, gedood in 2005] volstaat niet meer om het optreden van het pro-Hariri-kamp te vergoelijken. De Syrische revolutie heeft aangetoond dat de portretten van Assad konden worden verscheurd en dat zijn standbeelden konden worden neergehaald. Dat is een inspiratiebron. De woede van de jongeren is niet alleen legitiem, het is zelfs hun plicht. Ze zullen ongetwijfeld vergissingen begaan, maar daartoe hebben ze het volste recht. En ieder van ons heeft het recht en de plicht hun fouten te bekritiseren, maar niet nu. Vandaag de dag zijn de krachten waartegen zij het moeten opnemen veel talrijker en machtiger dan zij, want die vormen een goed geoliede wereld vol privileges. Die krachten gaan proberen met repressie, met leugens, of met een combinatie daarvan, de Libanese leiders en hun duistere zaakjes wit te wassen, net zoals zwart geld wordt witgewassen. Ze zullen de aard van het probleem verdraaien door het te vervangen door de valse voorstelling van zaken waar we al jaren mee worstelen en die ons verplettert. De droom zou opnieuw kunnen stranden, maar ons hart gaat uit naar die jonge mensen die het opnemen tegen deze bende afgestompte hypocrieten. Of ze nu winnen of verliezen, of ze nu gelijk of ongelijk hebben.

    Hazem Saghieh