De meeste patiënten wonen in minder welvarende landen
Zonder voldoende maatregelen en financiering zou het aantal nieuwe kankergevallen wereldwijd de komende 25 jaar met ongeveer 61 procent kunnen toenemen tot 30,5 miljoen en zou het jaarlijkse aantal sterfgevallen met bijna 75 procent kunnen stijgen tot 18,5 miljoen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Zo luidt de conclusie van een nieuwe evaluatie die is gepubliceerd in The Lancet en is uitgevoerd in het kader van Global Burden of Disease, een onderzoeksprogramma dat de dodelijkheid en schadelijke gevolgen van ernstige ziektes en de risicofactoren onder verschillende bevolkingsgroepen onderzoekt.
De onderzoekers roepen op tot meer preventie en behandeling, met name in minder welvarende landen. De meerderheid van de patiënten woont momenteel in landen met een laag of gemiddeld inkomen.
De staf van Joe Biden maakte zondag bekend dat de voormalige Amerikaanse president lijdt aan een agressieve vorm van prostaatkanker en botmetastasen. De 82-jarige Democraat, die samen met zijn familie behandelingsopties aan het evalueren is, had vorige week ‘aanvullende tests ondergaan na de ontdekking van een prostaatknobbel’, aldus NPR. De diagnose werd vrijdag gesteld en de kanker zou niveau negen hebben op een schaal die loopt tot tien. ‘Hoewel dit een agressievere vorm van de ziekte is, lijkt de kanker hormoonafhankelijk te zijn, waardoor de ziekte effectief kan worden behandeld’, aldus het kantoor van de voormalige president.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onder Amerikaanse mannen is ‘prostaatkanker een van de belangrijkste doodsoorzaken door kanker en de meest voorkomende vorm van kanker, na niet-melanome huidkanker’, aldus NPR. In een bericht op zijn sociale netwerk Truth schrijft president Donald Trump dat hij en zijn vrouw Melania ‘bedroefd’ zijn door het nieuws en wenst hij ‘Joe een volledig en spoedig herstel’ toe. De voormalige president Barack Obama zei in een reactie dat zijn oud-vicepresident zou vechten ‘met de vastberadenheid en elegantie die hem kenmerken’.
Ze kondigde het nieuws aan in een online bericht en video
De Britse prinses Kate heeft aangekondigd dat ze klaar is met haar chemotherapiebehandeling. De prinses van Wales uitte maandag haar opluchting in een bericht op sociale media, zes maanden nadat ze onthulde dat ze kanker had. Tevens plaatste ze een video online waarin ze terugblikt op de afgelopen tijd en vertelt dat ze geleerd heeft te genieten van de kleine dingen in het leven.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Sean Coughlan, de correspondent van de BBC voor het koningshuis, beschreef de korte, ‘aandoenlijke’ en ‘zeer ontroerende’ video, waarin ze te zien is naast prins William en hun kinderen, als een ‘radicaal andere’ benadering dan die het koningshuis normaliter kiest. ‘Een hemelsbreed verschil’ met de afstandelijke en gortdroge persberichten of televisieverklaringen van vroeger, aldus Coughlan.
De koning zal voorlopig niet in het openbaar verschijnen
Bij de Britse koning Charles III is kanker vastgesteld. Dat schrijft de BBC. Hij zal voorlopig alle openbare evenementen vermijden en persoonlijke contacten tot een minimum te beperken, zo maakte Buckingham Palace maandag bekend.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De verklaring specificeerde niet waar en in welk stadium de kanker werd aangetroffen. Buckingham Palace benadrukte wel dat Charles geen prostaatkanker had. ‘Zijne Majesteit is vandaag begonnen met een schema van reguliere behandelingen, gedurende welke tijd hij door artsen is geadviseerd om publieke taken uit te stellen’, zo valt te lezen.
Er zijn geen verdere details bekend over zijn behandeling of prognose, aldus een woordvoerder van het paleis, maar de koning keerde maandag terug naar Londen om te beginnen met poliklinische zorg.
Steeds meer jonge mensen krijgen de diagnose kanker. Wetenschappers weten niet zeker waarom. ‘Dit zijn mensen die gewoon door zouden moeten kunnen gaan met hun leven… carrière maken, kinderen krijgen.’
Paddy Scott kreeg in 2017 hevige buikpijnen, maar de mogelijkheid van kanker kwam niet bij hem op. De Britse expeditiefotograaf en filmmaker, die zich voor zijn werk vaak in barre en gevaarlijke omstandigheden begaf, was pas vierendertig jaar oud en trots op zijn fysieke conditie.
Zijn huisarts verwees hem door naar het ziekenhuis voor een darmscopie. Vervolgens vroeg de arts die het onderzoek uitvoerde of hij mee wilde doen aan een proef met een nieuwe bloedtest om tumoren op te sporen. Die uitnodiging vond hij vreemd. ‘Ik herinner me dat ik dacht: Ik zal wel tot een soort “controlegroep” behoren die geen tumoren heeft,’ zegt Scott. Later kreeg hij het vreselijke nieuws dat hij darmkanker in een vergevorderd stadium had, die was uitgezaaid naar zijn lever.
De ervaring van Scott is geen uitzondering meer. In de afgelopen dertig jaar is het aantal gevallen van ‘kanker op jonge leeftijd’ bij mensen onder de vijftig sterk toegenomen. De toename is zo groot dat vooraanstaande epidemiologen voorstellen het een epidemie te noemen.
Analyse door Financial Times van gegevens van het Institute for Health Metrics and Evaluation van de University of Washington School of Medicine laat zien dat in de afgelopen drie decennia het aantal gevallen van kanker in de G20-groep van geïndustrialiseerde landen voor 25- tot 29-jarigen sneller is gestegen dan voor elke andere leeftijdsgroep. De stijging bedroeg 22 procent tussen 1990 en 2019. De cijfers voor 20- tot 34-jarigen in deze landen liggen nu op het hoogste niveau in dertig jaar. Daarentegen is het aantal gevallen in oudere leeftijdsgroepen – boven de 75 – gedaald ten opzichte van de piek rond 2005.
Gedurende meer dan zes jaar van slopende behandelingen – met dank aan de door de Britse belastingbetaler gefinancierde NHS (National Health Service) – zag Scott deze verandering met eigen ogen. ‘Ik was altijd bekend op de afdeling, omdat ik de jongste was. Maar laatst zat ik bij de chemo met een man die ik schatte op eind twintig. Het lijkt erop dat de ziekte dramatisch toeneemt bij jongere mensen,’ zegt hij.
Zorgwekkend
Onderzoekers hebben geen definitieve verklaring waarom mensen in de bloei van hun leven duidelijk kwetsbaarder lijken te zijn voor de ziekte dan hun leeftijdsgenoten in eerdere generaties.
Zij denken dat er misschien aanwijzingen te ontdekken zijn in de soorten kanker die jongeren treffen. Onder 15- tot 39-jarigen is het aantal gevallen van darmkanker in de G20-landen tussen 1990 en 2019 met zeventig procent toegenomen, vergeleken met een toename van 24 procent onder alle vormen van kanker, zo blijkt uit het onderzoek van Financial Times.
Uit een analyse van de American Cancer Society op basis van nationale gegevens over de incidentie (het aantal voorkomende gevallen) van kanker en sterfte eraan blijkt dat dit jaar 13 procent van de gevallen van darmkanker en 7 procent van de sterfgevallen zich zullen voordoen bij mensen onder de vijftig jaar.
Michelle Mitchell, CEO van Cancer Research UK (CRUK), zegt dat leeftijd nog steeds de grootste voorspeller is van het risico op kanker: ongeveer 90 procent van alle kankersoorten treft 50-plussers en de helft 75-plussers. Maar de toename in jongere leeftijdsgroepen is niettemin ‘een belangrijke verandering die we willen begrijpen’. CRUK is een gezamenlijk onderzoeksinitiatief gestart met het Amerikaanse National Cancer Institute (NCI) om meer te weten te komen over de oorzaken van kanker op jonge leeftijd.
De trend heeft economische, klinische en sociale gevolgen. Voor oncologen in de frontlinie wordt de toename van dergelijke gevallen een onontkoombaar en zorgwekkend aspect van hun werk. Shahnawaz Rasheed, de chirurg die verantwoordelijk is voor de behandeling van Scott in de Royal Marsden, een gerenommeerd oncologisch ziekenhuis in Londen, herinnert zich dat hij een paar jaar geleden in een periode van twee weken vier vrouwen van onder de veertig opereerde. Een andere recente patiënt was een superfitte, internationale sporter van in de dertig.
Diagnoses bij jongvolwassenen komen hard aan bij artsen zoals Rasheed. Het maakt zijn vastberadenheid om antwoorden te vinden alleen maar groter. ‘Dit zijn mensen die gewoon door zouden moeten kunnen gaan met hun leven… carrière maken, kinderen krijgen,’ zegt hij. ‘Het breekt mijn hart.’
Mensen die in de jaren zestig werden geboren, behoorden tot de eerste generatie die van jongs af aan werd blootgesteld aan gemoderniseerde voeding
Wetenschappers die op zoek zijn naar inzichten raken er steeds meer van overtuigd dat de veranderingen in voeding en levensstijl die halverwege de vorige eeuw begonnen, op zijn minst een deel van de oorzaak zijn.
Frank Sinicrope, oncoloog en gastro-enteroloog (gespecialiseerd in maag- en darmaandoeningen) aan de Mayo Clinic in de Verenigde Staten, verdiept zich in het bijzonder in darmkanker op jonge leeftijd. Hij zegt dat de incidentie van de ziekte duidelijk is toegenomen onder mensen die in of na de jaren zestig geboren zijn. De toename van jongere mensen die de laatste jaren bij hem komen voor behandeling is ‘behoorlijk alarmerend’, zegt hij.
De voeding en de levensstijl waaraan kinderen op jonge leeftijd worden blootgesteld, spelen waarschijnlijk een rol bij de toename, zegt hij. Hij wijst erop dat obesitas bij kinderen ‘de afgelopen dertig jaar steeds vaker voorkomt en steeds problematischer is geworden’. Er is echter geen enkele factor die dit verklaart, voegt hij eraan toe.
Terwijl ze onderzoeken of er een verband is met voeding, richten onderzoekers zich op de mogelijkheid dat veranderingen in het microbioom – de pakweg honderd biljoen microben die in ons leven, voornamelijk in de darmen – de vatbaarheid voor kanker vergroten. Aangenomen wordt dat het microbioom een sleutelrol speelt in de algehele gezondheid, waaronder de spijsvertering en het immuunsysteem, maar ook bescherming biedt tegen bacteriën die ziekten veroorzaken en helpt bij de productie van cruciale vitaminen.
Er wordt aangenomen dat de consumptie van voedsel met veel verzadigd vet en suiker de samenstelling van het microbioom zodanig kan veranderen dat het de gezondheid schaadt. Hoewel deze veranderingen mensen van alle leeftijden treffen, vinden onderzoekers het opvallend dat het aantal gevallen van kanker op jonge leeftijd rond 1990 begon te stijgen. Mensen die in de jaren zestig werden geboren, behoorden tot de eerste generatie die van jongs af aan werd blootgesteld aan gemoderniseerde voeding, alsmede aan veranderingen in levensstijl en de omgeving die in de jaren vijftig de norm werden in de wereld waar meer geld voorhanden was.
‘Bacteriële vingerafdruk’
Kanker ontwikkelt zich vaak in de loop van tientallen jaren. Mensen kunnen jarenlang een langzaam groeiende tumor hebben. Dus voor twintigers, dertigers en veertigers die gediagnosticeerd worden ‘kan een deel van de blootstelling aan risicofactoren hebben plaatsgevonden toen ze nog een baby waren – of zelfs in de baarmoeder’, zegt professor Shuji Ogino. Hij is epidemioloog aan de Harvard TH Chan School of Public Health die deel uitmaakt van het CRUK/NCI-onderzoek.
Het feit dat de grootste toename in kanker bij jongeren zich voordoet in maagdarmvarianten – dikke darm, de slokdarm, de maag, alvleesklier, galwegen, lever en galblaas – ondersteunt de hypothese dat er een verband is met voeding.
Sommige andere kankersoorten die steeds vaker bij jongere mensen voorkomen, zoals borstkanker, nierkanker, baarmoederkanker en de bloedkanker myeloom, worden mogelijk beïnvloed door zowel obesitas als door de conditie van het microbioom, ook al is er geen duidelijk verband met het spijsverteringsstelsel, aldus Ogino. Daarnaast kunnen antibioticagebruik en medicijnen in het algemeen het microbioom van een individu beïnvloeden; dit wordt ook wel de ‘bacteriële vingerafdruk’ genoemd.
Ogino wijst erop dat in de tweede helft van de twintigste eeuw het aantal beschikbare medicijnen voor de behandeling van verschillende aandoeningen aanzienlijk is toegenomen. Nieuwe medicijnen tegen obesitas zijn een recent voorbeeld. ‘Maar het blijft onbekend wat ze allemaal op de lange termijn voor effect zullen hebben,’ zegt Ogino.
Het verband met het microbioom is nog steeds indirect, benadrukt hij. Hij wijst op andere veranderingen die zich ook vanaf de jaren vijftig hebben voorgedaan: een levensstijl met minder beweging, veranderingen in slaappatronen en herhaalde blootstelling aan fel licht ’s nachts, waardoor het slaapritme en de stofwisseling beïnvloed worden. ‘Al deze veranderingen vinden gelijktijdig plaats, dus het is moeilijk om een schuldige aan te wijzen. Er zijn waarschijnlijk meerdere boosdoeners,’ zegt hij.
Een groter gezin – wat meestal leidt tot een langere periode van borstvoeding – en voor het eerst bevallen op jonge leeftijd zijn factoren waarvan bekend is dat ze bescherming bieden tegen borstkanker
De toename van het aantal gevallen in rijke westerse landen lijkt inmiddels een late, maar duidelijke weerklank te vinden in armere landen waar deze maatschappelijke veranderingen tientallen jaren later plaatsvonden. Het onderzoek van Financial Times toont aan dat het aantal kankergevallen onder 15- tot 39-jarigen tussen 1990 en 2019 aanzienlijk sneller steeg in landen met een gematigder inkomen, zoals Brazilië, Rusland, China en Zuid-Afrika (inclusief India ook wel de BRICS-landen genoemd), dan in landen met een hoog inkomen: het gaat om 53 versus 19 procent.
Valerie McCormack is epidemioloog en bestudeert ziektepatronen bij kanker in landen met lage en middeninkomens, waar vooral infectieziekten lange tijd voor de grootste gezondheidslast zorgden. Ze suggereert dat er in de BRICS- en andere ontwikkelingslanden een aantal factoren is dat de percentages van niet-overdraagbare ziekten, waaronder kanker, zou kunnen verhogen. Vrouwen in deze landen krijgen over het algemeen minder en op latere leeftijd kinderen, wat betekent dat ze gedurende een kortere periode van hun leven borstvoeding geven in vergelijking met vorige generaties. Een groter gezin – wat meestal leidt tot een langere periode van borstvoeding – en voor het eerst bevallen op jonge leeftijd zijn factoren waarvan bekend is dat ze bescherming bieden tegen borstkanker.
‘Deze veranderingen hebben veel voordelen voor vrouwen, maar ze zorgen wel voor een groter risico op borstkanker,’ zegt McCormack, die plaatsvervangend hoofd epidemiologie omgeving en levensstijl bij het International Agency for Research on Cancer, onderdeel van de World Health Organization. Ook de toename van roken en alcoholgebruik in sommige ontwikkelingslanden, vooral bij mannen, ‘verkleint de kloof in kankerrisico’ tussen rijke en armere landen, terwijl het gebruik van meer westerse voeding, obesitas en minder lichaamsbeweging een rol speelt bij de toename van het aantal gevallen van kanker in de dikke darm, voegt McCormack eraan toe.
Maar, waarschuwt ze; ‘Hoewel deze epidemiologische veranderingen en veranderingen in levensstijl zullen bijdragen aan stijgende percentages van specifieke kankersoorten’, is het onwaarschijnlijk dat ze het volledige verhaal vertellen. ‘Sommige stijgingen zijn zo recent dat er nog geen onderzoek is gedaan om alle mogelijke factoren precies vast te stellen,’ zegt ze.
Maatschappelijke gevolgen
De toename van kanker op jonge leeftijd is niet alleen een probleem voor de gezondheidszorg, het is ook een probleem voor economieën. Volgens onderzoekers lopen degenen die de ziekte overleven een groter risico op langdurige aandoeningen als onvruchtbaarheid, hart- en vaatziekten en secundaire kankers. Hierdoor kan de gezondheidszorg in de toekomst duurder uitvallen.
Simiao Chen is hoofd van de onderzoekseenheid voor volksgezondheid en economie aan het Heidelberg Institute of Global Health en adjunct-professor aan het Beijing Union Medical College. Ze leidde een team dat eerder dit jaar berekende dat de geschatte wereldwijde kosten van kanker van 2020 tot 2050 25,2 biljoen dollar zouden bedragen op basis van stabiel gebleven prijzen uit 2017. De onderzoekers concludeerden dat dit ‘overeenkomt met een jaarlijkse druk van 0,55 procent op het wereldwijde bruto binnenlands product’.
‘Als kanker op jongere leeftijd de trend is, dan zal de economische last veel groter worden omdat we mensen verliezen in de beroepsbevolking die bijdragen aan economische groei,’ aldus Chen. Overlevenden van kanker krijgen misschien niet hun eerdere productiviteitsniveau terug, zegt ze. ‘Dus dat zal zowel de kwantiteit als de kwaliteit van arbeid verminderen.’
Omdat kanker op jonge leeftijd steeds vaker voorkomt, vinden sommige artsen dat de leeftijd waarop mensen in aanmerking komen voor screening moet worden verlaagd. Nu vinden dat soort preventieve onderzoeken veelal pas vanaf beduidend latere leeftijd plaats.
In Engeland krijgen patiënten bijvoorbeeld testen voor darmkanker toegestuurd wanneer ze zestig worden. Vorige maand stelde de Amerikaanse Preventive Services Task Force, een onafhankelijk orgaan dat bestaat uit nationale deskundigen, voor om de leeftijd voor borstscreening te verlagen naar veertig jaar. In 2021 stelde dezelfde groep dat darmscreening zou moeten beginnen bij vijfenveertig jaar.
Aangezien zorgstelsels overal ter wereld worstelen met een tekort aan medische middelen – dat nog is verergerd door de coronapandemie – kan het moeilijker zijn om overheden te overtuigen om fondsen vrij te maken voor noodzakelijke uitgaven. Een ‘nationale dialoog’ over prioriteiten kan nodig zijn, gezien het stijgende aantal mensen onder de vijftig dat kanker krijgt, zegt Rasheed, de chirurg van de Royal Marsden.
‘Jongere mensen zijn soms langs vijf of zes artsen geweest voordat ze worden doorverwezen’
Sommige wetenschappers zeggen verschillen te hebben ontdekt in de moleculaire structuur van kankers bij jongere mensen, wat wijst op een mogelijke behoefte aan specifieke behandelingen voor deze groep. Tomotaka Ugai, docent aan de Harvard Medical School die het onderzoek leidde naar de toename van kanker op jonge leeftijd dat in 2021 de internationale aandacht vestigde op deze trend, zegt dat voor veel kankersoorten als borstkanker, dikkedarmkanker, baarmoederkanker, multipel myeloom, alvleesklierkanker en prostaatkanker ‘op jonge leeftijd agressievere klinische kenmerken hebben’.
Een verwante vraag is of de oorzaken van kanker op jonge leeftijd anders zijn dan die van gevallen die op oudere leeftijd worden gediagnosticeerd. ‘We nemen aan dat veel risicofactoren tussen gevallen van kanker op jonge en latere leeftijd overlappen, maar we weten niet of ze volledig overeenkomen. Er is dus meer onderzoek vereist,’ zegt Ugai.
Sommige artsen zijn van mening dat aandacht voor het feit dat kankers bij jongere mensen vaak al een verder gevorderd stadium hebben bereikt voordat ze worden gediagnosticeerd, net zo belangrijk is. Ze geloven dat artsen alert moeten zijn op kanker bij twintigers of dertigers, omdat deze gevallen niet langer als uitzonderlijk moeten worden beschouwd.
Rasheed geeft regelmatig lezingen aan huisartsen over het belang van het vroegtijdig herkennen van indicaties van kanker. Hij zegt dat studies hebben aangetoond dat jongere mensen ‘soms langs vijf of zes artsen zijn geweest voordat ze worden doorverwezen voor specialistisch onderzoek, diagnose en behandeling’. Dezelfde symptomen bij iemand die dertig jaar ouder is zouden waarschijnlijk onmiddellijk alarmbellen hebben doen rinkelen. De vertraagde diagnose kan ook duiden op een gebrek aan bewustzijn onder jongere mensen over symptomen waar ze op moeten letten, suggereert hij.
‘Ik heb veel horrorverhalen gehoord en gezien over jongere mensen die, tegen de tijd dat ze in het ziekenhuis belanden, een behoorlijk vergevorderde of uitgezaaide ziekte hebben. Misschien was er een kans geweest om de kanker eerder te vinden en te behandelen,’ zegt hij.
Scott herinnert zich dat, nadat zijn huisarts hem had doorverwezen naar een ziekenhuis in het centrum van Londen voor onderzoeken, ‘ze blijkbaar te horen kreeg: “Dit is niet dringend, hij is vierendertig, hij verkeert duidelijk in zeer goede gezondheid.” Maar de huisarts bleef aandringen en uiteindelijk kreeg ze me er toch tussen.’
Epidemiologische ijsberg
De vraag die onderzoekers en artsen bezighoudt, is of de toename van het aantal gevallen in de afgelopen decennia het topje is van een veel grotere epidemiologische ijsberg. In hun onderzoeksartikel waarschuwen Ugai en zijn collega-onderzoekers voor de mogelijkheid dat kinderen, adolescenten en jonge volwassenen gedurende hun hele leven een hoger risico op kanker hebben dan oudere generaties.
En misschien stopt het niet bij kanker. Dezelfde risicofactoren kunnen hen kwetsbaarder maken voor aandoeningen zoals diabetes en darmontsteking, aldus de wetenschappers. Dat zou een blijvend hogere chronische ziektelast in de toekomst betekenen, tenzij er actie wordt ondernomen om gezondere manieren van leven en eten te stimuleren en de voedselproductie en -distributie te hervormen.
Terwijl roken, een belangrijke oorzaak van kanker, de afgelopen decennia in veel delen van de wereld is afgenomen, zijn obesitas, lichamelijke inactiviteit en andere risicofactoren toegenomen, merkt Ugai op. ‘Er is dus een wisselwerking, maar het blijft speculeren of het aantal gevallen van kanker op jonge leeftijd in de nabije toekomst zal blijven toenemen,’ zegt hij.
Voor jonge mensen zoals Scott, die voorheen gezond en fit waren, kan kanker de ultieme tegenslag zijn, een gevoel van botte pech. Maar Scott probeert om te gaan met zijn diagnose en verzet zich tegen de vraag ‘Waarom ik?’ Hij is begonnen met een master milieubeleid en -politiek en werd elf maanden geleden vader toen zijn partner Hen beviel van hun zoon Osprey.
Maar het is onvermijdelijk om na te denken over hoe het ook had kunnen zijn. ‘Ik heb tien jaar geprobeerd om door te breken in het maken van natuurfilms. En net toen ik met de behandeling tegen kanker begon, kreeg ik aanbiedingen die ik moest afslaan. Ik kan het niet helpen dat ik soms denk: Hoe had mijn leven eruitgezien als dit allemaal niet was gebeurd?’
Ons dieet bestaat voor een steeds groter gedeelte uit ultrabewerkte producten. Dat is niet bepaald goed voor de gezondheid. Maar voor veel mensen is ‘echt eten’ onbetaalbaar. Volgens de Britse arts infectieziekten Chris van Tulleken ligt hier een taak voor de overheid.
Het lijkt misschien raar, maar toch is het echt zo: wereldwijd is niet langer tabak, maar voedsel de belangrijkste oorzaak van een vroegtijdige dood. Jaarlijks sterven in de Verenigde Staten meer mensen aan ziekten die zijn veroorzaakt door slechte voeding dan er soldaten zijn gesneuveld in alle Amerikaanse oorlogen bij elkaar. In het Verenigd Koninkrijk is de situatie al net zo ernstig.
Volgens officiële bronnen zijn de gezondheidseffecten van voedsel direct gerelateerd aan de voedingswaarde ervan, dus de hoeveelheid vet, zout, suiker en vezels die het bevat. In het huidige systeem is het aan de consument om de uitgebreide informatie op de verpakking te lezen en op basis van de aanbevolen hoeveelheden te beslissen wat een geschikte portie is. Als je kinderen hebt, moet je die hoeveelheden ook voor hen kunnen inschatten. Voor de meeste mensen is dat vrijwel onmogelijk – maar zelfs als je precies zou kunnen berekenen hoeveel vet, zout en suiker je per hap binnenkrijgt, zou je nog steeds voorbijgaan aan een cruciale factor: in hoeverre het voedsel bewerkt is.
Bewerkt voedsel
Misschien klinkt dit je allemaal bekend in de oren, want mensen maken zich al lange tijd zorgen over ‘bewerkt voedsel’. Toch is dat niet altijd een duidelijk begrip geweest: we bewerken immers al honderdduizenden jaren voedsel. Het menselijk dieet is uitgevonden door huishoudelijk deskundigen, voornamelijk vrouwen, die planten en dieren bewerkten door ze te malen, schudden en stampen; of die ze transformeerden door ze te fermenteren en te verwarmen, waarna ze ze pekelden, rookten en droogden om ze te conserveren. Voedselbewerking heeft bijna elk onderdeel van het menselijk lichaam beïnvloed: van alle dieren met onze omvang hebben wij de kortste darmen, omdat we de darmfunctie deels hebben uitbesteed aan onze keuken. We zijn de enige diersoort die zijn voedsel moet bewerken om te overleven. Voedselbewerking is dus prima.
Maar iets meer dan tien jaar geleden stuitte een groep wetenschappers op een paradox in de gegevens van Braziliaanse voedingsonderzoeken. Obesitas was uitgegroeid van een zeldzame kwaal tot het grootste volksgezondheidsprobleem van het land, terwijl mensen minder olie en suiker kochten dan voorheen. Wel aten ze meer industrieel bewerkt voedsel: koekjes, geëmulgeerd brood, snoepgoed enzovoort. Het team ontwikkelde een definitie die onderscheid maakt tussen enerzijds traditionele levensmiddelen, al dan niet bewerkt, en anderzijds industrieel bewerkte producten, die ze ultra processed foods [ultrabewerkt voedsel] noemden, kortweg UPF’s.
De volledige definitie is pagina’s lang, omdat er zo veel verschillende producten onder vallen. Maar als je wilt weten of iets een UPF is, is een goede vuistregel dat het veelal in plastic is verpakt en een ingrediënt bevat dat je niet in een doorsneekeuken aantreft. Dankzij de uitgewerkte definitie kon de hypothese van het Braziliaanse team – dat UPF’s de oorzaak zijn van gezondheidsproblemen – worden getest. Er zijn inmiddels honderden wetenschappelijke onderzoeken die UPF’s op overtuigende wijze in verband brengen met gewichtstoename, beroertes, hartaanvallen, kanker, diabetes type 2, een hoge bloeddruk, leververvetting, chronische darmontsteking, depressie, dementie en een vroegtijdige dood.
Volproppen met UPF’s
UPF’s zijn in het Verenigd Koninkrijk goed voor zo’n 60 procent van de calorieën die we binnenkrijgen, en dat cijfer ligt voor jongeren nog hoger. Onze Britse eetcultuur draait inmiddels zodanig om UPF’s dat we onze kinderen ermee volproppen. Veel UPF’s staan al bekend als ‘junkfood’, maar het traditionele beeld dat daarbij hoort – patat, chips, frisdrank – moet worden bijgesteld. Supermarktbrood, ontbijtgranen, verpakte snacks, bewerkte vleesproducten en diepvriesmaaltijden vallen er eigenlijk ook allemaal onder. En pas op: veel UPF’s worden op de markt gebracht als producten die gezond en voedzaam zijn, of die je zelfs kunnen helpen afvallen.
Additieven en textuur
Onderzoek toont nu aan dat UPF’s niet alleen schadelijk zijn omdat ze zout, vet, suikerrijk en vezelarm zijn; het simpele feit dat ze bewerkt zijn, is de boosdoener. Als je goed naar de ingrediënten kijkt, zul je zien dat de meeste UPF’s zijn gemaakt van basisgewassen zoals maïs of soja, die zijn gereduceerd tot hun meest elementaire moleculen (eiwitisolaten, geraffineerde oliën en gemodificeerde koolhydraten). Deze worden vervolgens opnieuw samengevoegd en voorzien van additieven, om het voedsel in elke gewenste vorm of textuur te kunnen produceren.
De manipulatie van de textuur van het voedsel is een belangrijk deel van het probleem. UPF’s zijn vaak erg zacht en droog. Met behulp van gommen en oliën wordt vochtigheid nagebootst, maar het watergehalte is laag zodat de producten lang houdbaar blijven. Dat zorgt ervoor dat ze een zeer hoge energiedichtheid hebben, wat er, in combinatie met de zachte textuur, voor zorgt dat je (te) snel eet. De systemen die ons lichaam in de loop van miljoenen jaren heeft ontwikkeld om een vol gevoel te signaleren, kunnen dat niet bijhouden. Er zijn veel mogelijke verklaringen voor de schade die UPF’s veroorzaken.
Stofwisseling
Fruit en groenten zijn bijvoorbeeld complex: ze bevatten tienduizenden fytochemicaliën, moleculen die essentieel zijn voor gezonde voeding. In UPF’s is het aantal fytochemicaliën drastisch verminderd. En veel van de gebruikte additieven (zoals emulgatoren, smaakversterkers en zoetstoffen) hebben directe ongewenste effecten op onze stofwisseling en ons microbioom. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit allemaal fascinerend. Achterhalen wat UPF’s precies zo schadelijk maakt is belangrijk. Maar voor de volksgezondheid is het nuttiger om je af te vragen waarom ze überhaupt in de schappen liggen. Culinair deskundigen in de prehistorie vonden voedselproducten uit om hun gezin en hun omgeving te voeden.
Een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst
Ultrabewerkt voedsel daarentegen is onderdeel van een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst. Hierdoor persen we werkelijk elk verhandelbaar ingrediënt uit dingen die niet eens voor menselijke consumptie worden verbouwd: soja-eiwitisolaat, maïssiroop en gemodificeerd zetmeel zijn allemaal afkomstig van gewassen die op grote schaal worden verbouwd om dieren te voeden. Ons voedsel ondergaat decennialange cycli van productontwikkeling en -marketing; om de producten onweerstaanbaar te maken laten producenten ze steeds meer bewerkingsprocessen doorlopen en voegen ze steeds meer ingrediënten toe. Onderzoek wijst uit dat sommige UPF’s voor veel mensen, waaronder ikzelf, even verslavend zijn als sigaretten en andere drugs.
Multinationals
Voedsel dat is ontwikkeld door multinationals die uit zijn op winst doet iets anders met ons lichaam dan een maaltijd die is bereid door iemand die van ons houdt. Dat is misschien niet verrassend, maar het heeft lang geduurd voordat we het met zekerheid konden aantonen. Inmiddels raken onafhankelijke wetenschappers van toonaangevende instellingen zoals University College London, waar ik werk, er steeds meer van overtuigd dat ultra-processing een belangrijke motor is van de gezondheidsproblemen waaraan zo veel mensen lijden.
Echt voedsel
Dus wat moeten we doen? Nationale voedingsadviezen moeten niet alleen waarschuwen tegen zout, vet en suiker, maar ook tegen UPF’s. Dat lijkt een kleine stap, maar die is van cruciaal belang. Vervolgens moeten we voorzichtig te werk gaan. Voor veel mensen zijn UPF’s het enige betaalbare voedsel dat beschikbaar is. Beleidsveranderingen moeten voorkomen dat de kansarme groepen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen ervan verder worden gestigmatiseerd. Het zou enorm helpen om de marketing van deze producten, vooral aan kinderen, te beperken. En we moeten ervoor zorgen dat alles wat in instellingen zoals scholen, ziekenhuizen en gevangenissen wordt geserveerd echt voedsel is. Uiteindelijk zullen we, net als bij tabaksproducten, moeten inzien dat een waarschuwing op de verpakking noodzakelijk is. En er zijn bredere inzichten die we in acht moeten nemen. We weten dat mensen die het kunnen betalen ook daadwerkelijk gezonder eten. Als we de gevolgen van UPF’s – gewichtstoename, diabetes en hartaanvallen – willen beperken, moeten we de oorzaken aanpakken waardoor ze voor veel mensen de enige optie zijn: armoede en ongelijkheid.
Wat de aanhoudende geruchten over de gezondheid van de Russische president ons wel en niet vertellen over de toekomst van het land. ‘De dood van Poetin zal waarschijnlijk geen van de problemen die het Westen met Rusland heeft oplossen.’
Vladimir Poetin is stervende aan bloedkanker. Of schildklierkanker. Of misschien maagkanker. Nee, het is parkinson. Hij heeft dementie. Hij verliest zijn zicht. Zijn ledematen ‘trillen oncontroleerbaar’. De Russische president lijdt dagelijks aan uiteenlopende ziekten, afhankelijk van welke nieuwszenders je gelooft. Of misschien, zoals verschillende Britse tabloids onlangs suggereerden, is hij zelfs al dood.
Een niet nader genoemde bron bij de Britse geheime inlichtingendienst MI6 aanhalend, meldde de Daily Star op 28 mei dat Poetin ‘erg ziek’ was, mogelijk ‘al dood’, en dat het Kremlin dubbelgangers gebruikte om zijn overlijden te maskeren. Om niet achter te blijven, kwam The Sunday Mirror de volgende dag met eigen, volledig ongestaafde beweringen onder de kop ‘Volgens MI6-chefs is Vladimir Poetin mogelijk al dood en heeft een dubbelganger zijn plaats ingenomen’.
De geruchten over Poetins aftakeling verspreidden zich zo snel en zo wijd dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov zich genoodzaakt zag ze te ontkennen tijdens een interview met de Franse televisiezender TF1. ‘President Vladimir Poetin verschijnt dagelijks in het openbaar,’ zei Lavrov volgens het Russische persbureau TASS. ‘Je kunt hem op tv-schermen zien, zijn toespraken lezen of beluisteren. Ik denk niet dat een verstandig mens tekenen van een ziekte of een kwaal bij deze man zal waarnemen.’
Geen enkel bewijs
Voor alle duidelijkheid: er is geen enkel bewijs dat Poetin ernstig ziek zou zijn. En nog minder dat hij dood is. De naamloze bronnen die in deze artikelen worden geciteerd leveren geen definitief bewijs, wat misschien niet verrassend is gezien de geheimzinnigheid waarmee de gezondheid en veiligheid van de president is omgeven. Ze baseren zich grotendeels op geruchten die de ronde doen binnen inlichtingendiensten en op kremlinologie; een oude praktijk uit het Sovjet-tijdperk die inhoudt dat analisten, bij gebrek aan betrouwbare informatie, de openbare optredens van de leider onderwerpen aan minutieus onderzoek, op zoek naar tekenen van fysiek verval of aanwijzingen over wie al dan niet uit de gratie is.
De tot dusver meest overtuigende berichtgeving over wat er eventueel schort aan de gezondheid van Poetin is afkomstig van het onafhankelijke Russische medium Proekt, dat aan de hand van uitgelekte reisdocumenten heeft aangetoond dat Poetin op zijn minst onder streng medisch toezicht staat. Volgens een op 1 april gepubliceerd onderzoek werd hij de afgelopen jaren op reizen naar zijn residentie aan de Zwarte Zee vaak vergezeld door een team van topartsen, waaronder een oncologisch chirurg en twee KNO-artsen, wat volgens Proekt wijst op een behandeling voor schildklierkanker. Poetins woordvoerder Dmitri Peskov deed die beweringen af als ‘verzinsels en onwaarheden’.
Misschien is hij gewoon een ouder wordende despoot met een slecht humeur en een slechte rug
Andere vermeende bewijzen voor het naderende overlijden van de negenenzestigjarige zijn op zijn best indirect en berusten op subjectieve analyse van videobeelden die volgens sommige waarnemers tonen dat de president een tremor probeert te verbergen of grimassen maakt vanwege pijn. Zo werd een ontmoeting met minister van Defensie Sergej Sjojgoe, die op 21 april op televisie werd uitgezonden, bijzonder nauwlettend geanalyseerd omdat Poetin tijdens de twaalf minuten durende bijeenkomst achteroverleunde in zijn stoel en de tafel voor hem vastgreep. Dat leidde tot speculaties dat hij iets probeerde te verbergen, zoals een trillende hand of onwillekeurige bewegingen als gevolg van de ziekte van Parkinson.
Anonieme bronnen van westerse inlichtingendiensten wezen op zijn ‘asgrauwe en opgeblazen’ gezicht tijdens recente optredens en zagen in zijn ‘steeds grilliger gedrag’ een teken dat hij een steroïdenbehandeling voor kanker ondergaat, of een degeneratieve neurologische aandoening. Ook zijn besluit om een wollen deken over zijn knieën te trekken toen hij op 9 mei naar de parade voor de Dag van de Overwinning op het Rode Plein in Moskou keek, wordt gezien als bewijs van zijn snelle aftakeling. Zoals The Sun meldde: ‘Een door kanker geteisterde Poetin bekijkt militaire parade met wollen DEKEN over zijn benen, terwijl geruchten de ronde doen over de gezondheid van de tiran’.
Misschien is het allemaal waar en beleeft de Russische leider zijn laatste dagen. Maar misschien is hij gewoon een ouder wordende despoot met een slecht humeur en een slechte rug die het soms koud heeft.
Onweerstaanbare clickbait
Het is gemakkelijk te begrijpen waarom de geruchten over de gezondheid van Poetin zo veel aandacht krijgen. Het is onweerstaanbare clickbait. Wie wil niet lezen hoe lang hij volgens zijn artsen nog heeft en hoe dit zijn obsessie met zijn plek in de geschiedenis verklaart en zijn anderszins onverklaarbare aanval op Oekraïne? Overigens komt het ergens ook door de president en zijn propagandisten zelf, gezien de nadruk die ze tijdens zijn eerste jaren legden op zijn vermeende fysieke kracht. Dat deden ze door foto’s te ensceneren waarop hij met ontbloot bovenlijf paardrijdt en in een Siberisch meer zwemt, bedoeld om –na de schuifelende, vaak dronken verschijning van voorganger Boris Jeltsin – zijn geschiktheid voor het ambt te bewijzen.
De onverzadigbare belangstelling voor de vermeende kwalen van de Russische leider komt ongetwijfeld ook deels voort uit de wens dat er een einde komt aan zijn steeds repressievere bewind en de verwoestende oorlog in Oekraïne. In plaats van een lang, bloedig conflict dat nog vele jaren kan voortduren, is het verleidelijk te geloven dat de aanstichter ervan gewoon zou kunnen verdwijnen, waarna meer redelijk denkende lieden de Russische troepen terugroepen en het zinloze geweld is afgelopen.
Dat veronderstelt wel dat wie na Poetin komt, redelijker zal zijn, minder paranoïde over de plaats van Rusland in de wereld en ook maar iets geeft om de democratie of de rechtsstaat. Er is echter geen enkele reden om hiervan uit te gaan.
Het is zelfs heel goed mogelijk dat Poetins opvolger nog autocratischer is dan hijzelf
Als Poetin overlijdt moet volgens de Russische grondwet premier Michail Misjoestin het roer overnemen als waarnemend president, waarna binnen drie maanden nieuwe verkiezingen worden gehouden. Misjoestin is een onopvallende technocraat met weinig politieke ervaring. Hoewel zijn middelmatigheid door sommigen in de elite van het regime mogelijk als pluspunt wordt gezien, aangezien ze verwachten dat hij als loyale stroman zal doen wat hem gezegd wordt (zoals door zijn vroege geldschieters ook over Poetin werd gedacht), is hij hoogst waarschijnlijk geen serieuze kandidaat.
Het is zelfs heel goed mogelijk dat Poetins opvolger nog autocratischer is dan hijzelf. Tot de belangrijkste kandidaten binnen zijn kring behoren waarschijnlijk de secretaris van de veiligheidsraad, Nikolaj Patroesjev, die door de wetenschapper Mark Galeotti is beschreven als ‘havik der haviken’ en ‘de gevaarlijkste man van Rusland’ vanwege zijn nationalistische, antiwesterse standpunten; en Aleksandr Bortnikov, hoofd van de Russische Federale Veiligheidsdienst (FSB), een van de opvolgers van de vroegere staatsveiligheidsdienst KGB. Met andere woorden: de dood van Poetin zal waarschijnlijk geen van de problemen die het Westen met Rusland heeft oplossen.
Maar Poetin is sterfelijk, en hoewel de laatste geruchten over zijn dood misschien sterk overdreven zijn, kunnen aanhoudende speculaties over zijn gezondheid hem toch schaden. Zulke geruchten kunnen er gaandeweg voor zorgen dat hij als ‘de man van gisteren’ wordt gezien. En hoewel niemand de eerste wil zijn die de opvolgingskwestie in het openbaar aan de orde stelt, zullen zijn bondgenoten en vijanden – en degenen in beide kampen die op zijn baan azen – zich zodra blijkt dat hij ziek is in allerlei bochten wringen om hem te mogen vervangen.
EU wil grootschalig verbod op ziekmakende chemicaliën
Duizenden potentieel schadelijke chemische stoffen zouden binnenkort in Europa verboden kunnen worden op grond van nieuwe beperkingen, bericht The Guardian. Het Europees Milieubureau (EEB) heeft het over ’s werelds ‘grootste verbod op giftige chemische stoffen ooit’.
Eerder dit jaar verklaarden wetenschappers dat de chemische verontreiniging een ‘planetaire grens’ had overschreden, wat de ineenstorting van wereldwijde ecosystemen als gevolg zou kunnen hebben. Schadelijke chemische stoffen zouden walvissoorten op de rand van uitsterven brengen. Ook zoude deze stoffen de oorzaak zijn van de dalende menselijke vruchtbaarheidscijfers en 2 miljoen sterfgevallen per jaar.
Het is voor het eerst dat een plan zich richt op hele klassen van chemische stoffen
In de maandag gepubliceerde ‘routekaart’ van de EU wordt gebruikgemaakt van bestaande wetten om giftige stoffen te verbieden die in verband worden gebracht met kanker, hormonale verstoring, reprotoxische aandoeningen, zwaarlijvigheid, diabetes en andere ziekten.
Het is voor het eerst dat een plan zich richt op hele klassen van chemische stoffen, aldus The Guardian. Stoffen die op de lijst staan voor een verbod zijn bijvoorbeeld alle vlamvertragers, bisfenolen, PVC-plastics, giftige chemicaliën in luiers voor eenmalig gebruik en PFAS, die ook wel ‘forever chemicals’ worden genoemd vanwege de lange tijd die ze nodig hebben om op natuurlijke wijze af te breken.
Honden kunnen kanker, parkinson, malaria en andere aandoeningen die veranderingen in de lichaamsgeur veroorzaken ruiken. Ze kunnen zelfs corona ruiken. Het zou enorme gevolgen voor de volksgezondheid hebben om het reukvermogen van honden in een draagbare, toegankelijke vorm te hebben, zodat ziekten in een vroeg stadium gesignaleerd kunnen worden, aldus Vox. Een smartphone kan al horen, zien en voelen, maar nog niet ruiken.
Het zal niet lang duren voordat het zover is, denkt Andreas Mershin, onderzoeker en uitvinder aan het MIT. ‘Ik denk dat het nog ongeveer vijf jaar zal duren om geurdetectie in een telefoon te krijgen. Dan heb ik het over miljoenen telefoons.’ De privacy-implicaties zijn niet gering, maar het voordeel lijkt duidelijk: een robotneus in zakformaat kan immers levensreddend zijn. ‘Ieder van ons kan een moedervlek hebben die kwaadaardig wordt’, zegt Mershin. ‘Als je zes maanden wacht, wordt dat soms een doodvonnis.’ Maar met een telefoon die een geurverandering waarneemt, word je mogelijk eerder gewaarschuwd.
Bijna elf jaar na de kernramp in Fukushima komt een nieuwe gevoelige kwestie aan de oppervlakte. Op 19 januari meldde de krant Tokyo Shimbun dat zes mensen tussen de zeventien en zevenentwintig jaar die ten tijde van het ongeluk in het gebied woonden, van plan zijn een rechtszaak aan te spannen tegen Tepco, de elektriciteitsexploitant en beheerder van de locatie.
De jongvolwassenen lijden of hebben geleden aan schildklierkanker en eisen een financiële schadevergoeding van 616 miljoen yen (4,7 miljoen euro) van het bedrijf, dat verantwoordelijk wordt geacht voor hun ziekte. ‘Volgens hun advocaten is dit de eerste keer dat mensen die als kind kanker hebben gekregen, een rechtszaak tegen Tepco hebben aangespannen’, aldus de krant.
‘Een van deze eisers heeft al vier operaties ondergaan, terwijl bij een andere eiser de kanker naar zijn longen is uitgezaaid’
Bij vier van de zes eisers, die in 2011 tussen de zes en zestien jaar oud waren, is reeds hun gehele schildklier verwijderd nadat de kanker was teruggekeerd. Volgens de journalist ondergaan zij momenteel radiotherapie of zullen ze dat binnenkort doen. ‘Een van deze eisers heeft al vier operaties ondergaan, terwijl bij een andere eiser de kanker naar zijn longen is uitgezaaid.’ Volgens de krant zullen zij op 27 januari hun klacht indienen bij de districtsrechtbank van Tokio.
De erven van Henrietta Lacks hebben een farmaceutisch bedrijf aangeklaagd voor het verkopen van cellen die artsen van het Johns Hopkins-ziekenhuis in 1951 bij haar afnamen. Op basis van die cellen werden tal van medicijnen ontwikkeld die miljoenen aan winst opleverden, zonder dat de familie Lacks hierin meedeelde.
Op 23 juni 2010 schreef Joanna Moorhead in The Guardian: ‘Henrietta Lacks, een eenendertigjarige moeder van vijf kinderen, stierf op 4 oktober 1951 aan baarmoederhalskanker. Hoewel haar ziekte een tragedie was voor haar familie, was het op een bepaalde manier een wonder voor de wereld van medisch onderzoek, en sterker nog, voor ieder van ons op deze aardbol.’
Een wonder inderdaad, omdat de cellen van Lacks, die uit haar tumor werden gehaald terwijl ze een operatie onderging, in de jaren na haar dood verantwoordelijk zijn geweest voor enkele van de belangrijkste medische sprongen voorwaarts in de geschiedenis. Het poliovaccin, chemotherapie, klonen, het in kaart brengen van genen en ivf: het zijn slechts enkele mijlpalen in de gezondheidszorg, die te danken zijn aan het leven en de dood van de jonge moeder.
De cellen van Lacks, die bekend staan als HeLa, naar de eerste twee letters van haar voor- en achternaam, vormden de eerste onsterfelijke menselijke cellijn in de geschiedenis. Wetenschappers in het ziekenhuis waar ze stierf, het Johns Hopkins in Baltimore, probeerden al jaren een continu reproducerende cellijn te produceren, maar dat mislukte steeds omdat het niet lukte de cellen in leven te houden. De cellen van Lacks waren de eerste die aansloegen, en waarmee een constant reproducerende lijn van cellen kon worden geproduceerd die letterlijk onsterfelijk zijn.
Syfilis
Gewone cellen die uit een menselijk lichaam worden gehaald en in een laboratorium worden bewaard, hebben een beperkte levensduur; maar een onsterfelijke cellijn wordt op zo’n manier gekweekt dat de cellen zich onbeperkt kunnen vermenigvuldigen. Waarom precies de cellen van Lacks gereproduceerd konden worden, terwijl die van honderden andere patiënten niet overleefden, is onduidelijk. het vermoeden is dat er verband bestaat met de hevigheid van haar tumor, die virulenter leek te zijn geworden doordat ze ook aan syfilis leed.
Toen duidelijk werd dat de HeLa-cellen zich zouden blijven voortplanten, werden ineens allerlei onderzoeken en experimenten mogelijk. Om te beginnen betekende de beschikbaarheid van levende cellen buiten het menselijk lichaam dat artsen celdeling konden waarnemen en ook konden zien hoe virussen zich in de cellen gedroegen. Bovendien was het mogelijk om de cellen bloot te stellen aan omstandigheden die niet ethisch zouden zijn geweest als ze zich in een menselijk lichaam bevonden; artsen konden ze bijvoorbeeld bombarderen met kankerverwekkende stoffen om de resultaten te bestuderen. Dat gebeurde dan ook.
Sinds 1951 zijn HeLa-cellen blootgesteld aan eindeloze toxines, infecties en bestralingen en zijn er talloze medicijnen op getest. En dat alles heeft geleid tot honderden, zo niet duizenden nieuwe inzichten en heeft zo bijgedragen aan de manier waarop de geneeskunde zich in de tweede helft van de twintigste eeuw en het eerste decennium van deze eeuw kon ontwikkelen.
‘De lerares wist alleen dat ze zwart was en dat ze in 1951 was overleden aan baarmoederhalskanker’
Decennialang werden HeLa-cellen routinematig gebruikt in laboratoria over de hele wereld en werden ze geprezen als cruciaal voor doorbraak na doorbraak, maar niemand leek stil te staan bij de persoon erachter. Totdat, zevenendertig jaar na de dood van Lacks, een zestienjarig schoolmeisje genaamd Rebecca Skloot in een biologieles haar lerares hoorde uitleggen hoe kanker begint, en dat de kennis over dat proces was verworven door het bestuderen van HeLa-cellen op kweek. Die cellen, zei de leraar, waren afkomstig van een vrouw genaamd Henrietta Lacks.
Toen de les voorbij was, liepen de andere studenten al weg, maar Skloot bleef rondhangen. ‘Ik vroeg mijn lerares: wie was deze vrouw Henrietta Lacks? Waar kwam ze vandaan? Had ze kinderen? Maar de lerares wist alleen dat ze zwart was en dat ze in 1951 was overleden aan baarmoederhalskanker.’
Nadat ze biologische wetenschappen had gestudeerd, wijdde Skloot zich aan wat zij de ‘onsterfelijkheid’ van Lacks noemt, en aan het achterhalen van de waarheid achter de HeLa-cellen. Het resulteerde in het boek The Immortal Life of Henrietta Lacks, dat een van de bestverkochte nieuwe boeken van 2010 werd en vervolgens meer dan zes jaar op de bestsellerlijst van The New York Times stond en uiteindelijk op nummer 1 belandde. Het boek werd in 2017 verfilmd voor HBO, met Rose Byrne als Skloot en Oprah Winfrey als Deborah, de dochter van Lacks.
‘Henrietta’s cellen zijn afgenomen zonder haar medeweten en zonder haar toestemming’
Wat Skloot ontdekte was dat terwijl de cellen van Lacks het aanzien van de moderne geneeskunde veranderden, haar man en kinderen er niet alleen niets van wisten maar ook zelf geen adequate gezondheidszorg kregen. ‘Waar mensen het meest van schrikken, is dat Henrietta’s cellen zijn afgenomen zonder haar medeweten en zonder haar toestemming’, aldus Skloot. ‘Maar dat is de standaardpraktijk, zowel in het VK als in de VS. Als je vóór de operatie een algemeen toestemmingsformulier ondertekent, kunnen eventuele verwijderde cellen later voor onderzoek worden gebruikt en hoeven artsen dit niet te laten weten.’
‘Het algemene standpunt van de medische wetenschap is dat cellen die van een individu zijn afgenomen en voor onderzoek worden gebruikt, ten goede komen aan het algemeen welzijn, en dat het oké is om ze te gebruiken. Maar het verhaal van Lacks laat zien dat dat niet zo is, in ieder geval niet in Amerika. Want Henrietta’s cellen werden gebruikt om medische behandelingen te ontwikkelen, maar die behandelingen waren alleen bereikbaar voor mensen die een zorgverzekering konden betalen. Verarmde gezinnen, zoals de familie Lacks, waren precies de gezinnen die dat niet konden.’
Rechtszaak
Tot overmaat van ramp maakten de cellen van Lacks farmaceutische bedrijven ook nog eens rijk. Meer specifiek verkochten celbanken en biotechbedrijven flesjes met haar cellen: de gangbare prijs voor een tube HeLa-cellen was in 2010 ongeveer 260 dollar. Geen cent van de winst die haar cellen hadden helpen genereren, ging naar haar nabestaanden. Terwijl de cellen van hun moeder wereldwijd wetenschappelijke bekendheid verwierven, was voor de familie Lacks geen fortuin weggelegd.
Tot zover The Guardian in 2010. Mogelijk komt er nu een wending in het verhaal dat zo tragisch verliep voor de familie Lacks: nabestaanden hebben het farmaceutische bedrijf Thermo Fisher Scientific aangeklaagd. Ze beschuldigen het bedrijf ervan cellen van Lacks te hebben verkocht die artsen van het Johns Hopkins-ziekenhuis in 1951 zonder haar medeweten of toestemming hebben afgenomen, aldus een recent artikel The Guardian.
‘De HeLa-cellijn is de eerste lijn van menselijke cellen die met succes werd gekloond’ en die sindsdien voortdurend is gebruikt ‘voor onderzoek dat bijna elk domein van de geneeskunde heeft beïnvloed’, aldus de advocaten van de nabestaanden in een persbericht.
Thermo Fisher Scientific, uit Waltham, Massachusetts, heeft willens en wetens weefsel in massa geproduceerd en verkocht, dat door artsen in het ziekenhuis van Lacks was afgenomen binnen ‘een raciaal onrechtvaardig medisch systeem’, aldus de federale aanklacht.
Volgens de aanklacht jaagde een groep witte artsen van Johns Hopkins in de jaren vijftig op zwarte vrouwen met baarmoederhalskanker
De rechtbank van Baltimore wordt gevraagd om Thermo Fisher Scientific te gelasten ‘het volledige bedrag van de nettowinst die is verkregen door de HeLa-cellijn te commercialiseren over te maken naar de erven Henrietta Lacks’. Daarnaast wordt verlangd dat het Thermo Fisher Scientific permanent wordt verboden om de HeLa-cellijn te gebruiken zonder toestemming van de nabestaanden. Op zijn website zegt het bedrijf dat het jaarlijks ongeveer 35 miljard dollar aan inkomsten genereert.
Volgens de aanklacht jaagde een groep witte artsen van het Johns Hopkins-ziekenhuis in de jaren vijftig op zwarte vrouwen met baarmoederhalskanker, waarbij weefselmonsters uit hun baarmoederhals werden weggesneden zonder medeweten of toestemming.
‘De uitbuiting van Henrietta Lacks vertegenwoordigt helaas de gemeenschappelijke strijd die zwarte mensen door de geschiedenis heen hebben meegemaakt’, aldus de aanklacht. ‘Zwart lijden heeft geleid tot enorme medische vooruitgang en winsten, zonder eerlijke compensatie of erkenning.’
Een van de advocaten van de familie is Ben Crump, een in Florida gevestigde burgerrechtenadvocaat die de afgelopen jaren nationaal bekendheid kreeg als vertegenwoordiger van de families van Trayvon Martin, Michael Brown, Breonna Taylor en George Floyd, de zwarte mensen wier dood door toedoen van politie en burgerwachten nieuw leven inblies in een nationale beweging voor politiehervorming en raciale rechtvaardigheid.
Het Johns Hopkins-ziekenhuis zegt dat het zijn omgang met Lacks en haar familie na meer dan vijftig jaar en na de publicatie van het boek van Rebecca Skloot in 2010 met andere ogen bekijkt.
‘Op verschillende momenten in de afgelopen decennia hadden we als Johns Hopkins meer kunnen doen en moeten doen om de familie van Henrietta Lacks te informeren en samen te werken uit respect voor hun privacy en hun persoonlijke belangen’, zo meldt het Johns Hopkins-ziekenhuis op zijn website.
De Tunesische regio Gabès, ooit een idyllisch gebied aan de Middellandse Zee, is gaandeweg geruïneerd sinds er in de jaren zeventig chemische industrie werd gevestigd. Het milieu op het land en in de zee is zwaar verontreinigd en bewoners kampen met gezondheidsklachten die uiteenlopen van ademhalingsproblemen tot kanker. Diezelfde bewoners eisen werk in de chemische fabrieken.
Abdellah Nouri is al ruim twee jaar niet meer op zee geweest. Bij de visser uit de stad Ghannouch in de Tunesische kustregio Gabès, werd in 2018 kanker vastgesteld en zijn ziekte en de behandeling ervan hebben hem aan huis gebonden. Nouri vist al op de Middellandse Zee sinds zijn zeventiende. Hij gelooft dat zijn gezondheidsproblemen worden veroorzaakt door vervuiling afkomstig van het nabijgelegen industriecomplex.
‘De industrie heeft mij, mijn gezondheid en mijn levensonderhoud vernietigd’, citeert de Tunesische journaliste Layli Foroudi Nouri in haar verslag over de desastreuze invloed van de chemische industrie op de regio Gabès aan de Tunesische Middellandse Zeekust.
‘Zittend op de grond in zijn woonkamer wijst hij [Nouri] in de richting van een grote fabriek van het staatsbedrijf Groupe Chimique Tunisien (GCT), die ruw fosfaatgesteente verwerkt. Imposante schoorstenen blazen enorme wolken de lucht in en jaarlijks loost de fabriek miljoenen tonnen giftig zwart slib in de zee.’
Fosfaatindustrie
Ooit was het Tunesische Gabès, een gebied van ruim 7000 vierkante kilometer met 400.000 inwoners aan de Middellandse Zee, beroemd om zijn overvloedige zeeleven, granaatappelbomen, hennaplanten en dadelpalmen. Een ideaal gebied om te ontwikkelen voor toerisme, maar mogelijke plannen daartoe gingen definitief in rook op toen de regering in de jaren zeventig besloot dat Gabès het belangrijkste centrum van de Tunesische fosfaatindustrie moest worden. Fosfaat is essentieel voor de productie van meststoffen en conserveringsmiddelen.
Een elektronisch display zou de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide en ammoniak in de lucht moeten aangeven, maar het ding is al jaren kapot
Industriële vervuiling door GCT heeft de kustgemeenschappen van Gabès verwoest. Bewoners kampen in hoge mate met luchtwegaandoeningen en kanker en de oogsten van lokale akkerbouwers zijn karig geworden. In Gabès, de hoofdstad van de provincie, zou een elektronisch display de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide en ammoniak in de lucht moeten aangeven, maar het ding is al jaren kapot.
Het bord is van GCT, met drie fabrieken de grootste vervuiler. Daarnaast zijn er in het gebied nog zo’n twintig zeer vervuilende particuliere fabrieken in bedrijf. Ze produceren onder meer aluminiumfluoride dat wordt gebruikt in metaalgieterijen, en fosfaatzout dat nodig is voor de productie van wasmiddelen en keramiek.
GCT verwerkt jaarlijks 3,5 miljoen ton ruw fosfaat uit fosfaatgesteente, dat zo’n 160 kilometer verderop wordt gedolven, in de heuvels van de Gafsa. Het fosfaat wordt vervolgens met containerschepen geëxporteerd naar tientallen landen over de hele wereld. De chemische industrie biedt werk aan bijna 5000 mensen, waarvan 2800 werkzaam bij GCT.
Hoewel het bedrijf dus voor broodnodige banen in het gebied zorgt, zijn de effecten van vervuiling desastreus. Het stuk strand tussen de stad Chott Salem en de industriële zone, die op minder dan anderhalve kilometer ligt, is bedekt met een dikke, zwarte laag fosforgips, een afvalproduct dat ontstaat tijdens de productie van fosforzuur. Uit een rapport van de Europese Unie uit 2018 blijkt dat GCT elk jaar ongeveer vijf miljoen ton daarvan in de Middellandse Zee dumpt.
Fosforgips is licht radioactief en bevat zowel uranium als radium. Volgens een overheidsstudie uit 2012 is de visvangst aan de kust tussen 1997 en 2006 met meer dan dertig procent gedaald als gevolg van het chemische afval. In het rapport wordt vastgesteld dat het mariene ecosysteem ‘ernstig is beschadigd en dat een situatie is ontstaan die nu volledig onomkeerbaar is’.
Ontmanteling
Nouri zegt dat de lokale vissers een dramatische inkomensdaling hebben gezien. ‘Sinds de jaren negentig is hier niets meer. Vroeger nam je op één dag bijna zeventig kilo inktvis mee naar huis’. Volgens hem is de gemiddelde dagvangst nu gedaald tot drie kilo. Hij verhuurt zijn kleine boot inmiddels aan een visser uit een andere stad en betaalt zijn behandelingen tegen kanker met donaties van zijn buren. Hij mist zijn oude leven. ‘Mijn hart ligt op zee. Ik ben er kapot van.’
Volgens natuurbeschermingsgroep BirdLife TunisiaAir heeft luchtverontreiniging gezorgd voor een afname van de vogelpopulatie. Onder de lokale bevolking circuleren geruchten over dalende vruchtbaarheidscijfers en frequente miskramen.
‘Een paar onderzoeken tonen aan dat er wat kleine problemen zijn, maar geen grote’
Ondertussen houdt Moez Haddad, de secretaris-generaal van GCT, tijdens een telefoongesprek vol dat er geen bewezen schadelijke gevolgen zijn van het dumpen van fosforgips in zee. ‘Een paar onderzoeken tonen aan dat er wat kleine problemen zijn, maar geen grote,’ beweert hij. Hij erkent wel dat GCT van plan is om in overeenstemming met internationale normen het dumpen ‘uit voorzorg’ te beëindigen. Gevraagd naar de hoge percentages kanker en ademhalingsproblemen bij inwoners in de regio Gabès, zegt hij dat ‘er geen officiële onderzoeken zijn die een oorzakelijk verband aantonen tussen gezondheidsproblemen en de effecten van Groupe Chimique Tunisien op het milieu.’
In 2017 beloofde de Tunesische regering om de bestaande GCT-fabrieken te ontmantelen en te verhuizen naar een nieuwe locatie, ver weg van de woonwijken. Ook het dumpen van fosforgips in zee zou stoppen. Daarna werd het stil.
Na de recente dood van vijf arbeiders bij een brand in een asfaltfabriek in de industriezone doen lokale milieuactivisten inmiddels opnieuw oproepen voor meer regelgeving en verhuizing van de fabrieken. ‘We zijn bang dat er van Gabès op een dag niets anders meer overblijft dan as’, zegt Haifa Bedoui, een activist van de lokale campagnegroep Stop Verontreiniging, tegen honderden mensen die zich hebben verzameld bij het kantoor van Mongi Thameur, de gouverneur van Gabès. Tijdens een bezoek na de brand erkende president Kais Saied de milieucrisis in de regio en beloofde hij een centrum voor kankerbehandeling voor de bewoners. De Tunesische regering zegt een onderzoek te zullen starten om de oorzaak van de brand vast te stellen.
Langdurige gezondheidsproblemen
De inwoners van Chott Salem en Ghannouch kunnen de vervuiling van de chemische fabrieken in hun huizen zien en ruiken. Traditionele huizen in de regio zijn gebouwd rond een open binnenplaats. Die gemeenschappelijke ruimte is bedoeld voor mensen om samen te komen en voor kinderen om te spelen. Nu zeggen ouders tegen hun zoons en dochters dat ze in hun slaapkamers moeten blijven.
In 2017 werden negen leerlingen van een basisschool in Bouchema, een stad op iets meer dan anderhalve kilometer afstand van de fabrieken, naar het ziekenhuis gebracht met verstikkingsverschijnselen nadat gassen waren vrijgekomen bij de verwerking van zwavelzuur en ammoniumnitraat. De plaatselijke gouverneur wuifde zorgen van de bewoners weg als louter ‘paniek’.
Dit terwijl lokale gezondheidswerkers patiënten behandelen die langdurige gezondheidsproblemen hebben die het gevolg lijken te zijn van de verontreiniging. Dr. Hamida Kwass, werkzaam op de afdeling Luchtwegaandoeningen van het regionale ziekenhuis Mohammed Ben Sassi in Gabès, zegt dat astma vooral voorkomt bij kinderen uit de stad Ghannouch. ‘De fabrieken staan bijna in hun huizen’, zegt ze.
Kwass wil een studie uitvoeren naar luchtverontreiniging en de effecten daarvan op inwoners. ‘Er zijn vervuilende deeltjes uit de chemische industrie waarvan bekend is dat ze verband houden met een toename van luchtwegaandoeningen. Ze veroorzaken ziekte of zijn een verergerende factor.’
Awatef Mansour, dertig, woont in Ghannouch en gaat elke maand ongeveer zes keer naar het regionale ziekenhuis. Haar drie kinderen van drie, zes en zeven jaar hebben allemaal astma. ‘Als de wind van richting verandert en uit de richting van het industrieterrein komt, hebben mijn kinderen ademhalingsproblemen.’ Ze merkte dat de gezondheidsproblemen van haar kinderen vorig jaar weg waren, toen ze met haar familie kort tijd in Zarzis woonde, een stad aan de kust op 130 kilometer afstand van de fabrieken. ‘Volgens de arts komen de allergieën door activiteiten op het bedrijventerrein.’
Gebrekkige informatie
Volgens Samir Aloulou, hoofd van de kankerafdeling van het Mohamed Ben Sassi-ziekenhuis, is de verspreiding van nasofaryngeale kanker schrikbarend hoog in Chott Salem en Ghannouch. Deze specifieke vorm van kanker, waar ook Nouri aan lijdt, tast het deel van de keel aan dat de achterkant van de neus met de mond verbindt. Aloulou is van mening dat het moeilijk is om een ‘honderprocentrelatie’ te leggen tussen de prevalentie van deze vorm van kanker en de chemische industrie. ‘Er is zeker verband tussen vervuiling en kanker, maar kanker heeft meerdere oorzaken. Behalve vervuiling spelen ook roken, voedsel en zwaarlijvigheid een rol’, zegt hij.
‘Er is een flagrant gebrek aan geloofwaardige informatie en data van de Tunesische autoriteiten’, aldus Mounir Majdoub, een econoom die meewerkte aan het EU-rapport uit 2018 over de luchtkwaliteit in de regio Gabès. Het rapport meldt dat verhoogde niveaus van deeltjes die gemakkelijk in de longen terecht kunnen komen verband houden met kanker en hart- en luchtweginfecties. ‘De conclusies van het rapport onthullen niet zozeer de daadwerkelijke gezondheidssituatie als gevolg van vervuiling, maar laten vooral zien dat er behoefte is aan gedegen studies’, zegt hij.
‘Soms houdt mijn knie er gewoon mee op. Als een auto zonder benzine’
Andere ziekten zijn gemakkelijker in verband te brengen met de chemische industrie. Rachid Ben Othman werkte vroeger als monteur voor Flourine Chemical Industries (ICF), een privébedrijf dat aluminiumfluoride produceert. Hij kan zijn elleboog maar gedeeltelijk krommen, verder buigen lukt hem niet. Hij lijdt aan fluorose, veroorzaakt door overmatige blootstelling aan fluor. ‘Het begon in mijn polsen en daarna in mijn ellebogen. Het is verkalking van de gewrichtsbanden. Soms houdt mijn knie er gewoon mee op. Als een auto zonder benzine’.
Othman werd zich in 2000 voor het eerst bewust van het probleem. Zijn gewrichten waren zo stijf dat hij ze niet volledig kon strekken of buigen. Het werd moeilijker om te werken en uiteindelijk ook te moeilijk om nog handschoenen aan te trekken. Maar pas in 2011 werd fluorose daadwerkelijk gediagnosticeerd.
Hij zegt dat hij een van de weinige ICF-werknemers is die met succes een compensatie wist te eisen voor zijn handicap. Hij ontvangt nu 115 euro per maand en van zijn medische rekeningen wordt veertig procent voor hem betaald. Othman vermoedt dat sommige van zijn collega’s ook fluorose hebben. ‘Ze vertellen me over pijn in hun schouders, pijn hier en daar, verkalking. Ik ken de symptomen.’
Taboe-onderwerp
Behalve de inactiviteit van de overheid, laten ook organisaties die zouden moeten opkomen voor de veiligheid en het welzijn van werknemers het afweten. Leidinggevenden van de lokale afdeling van de Tunesische Algemene Vakbond (UGTT) zeggen het niet als hun taak te zien om zich uit te spreken over kwesties als volksgezondheid en vervuiling.
Tijdens een gesprek over de omstandigheden in de regio met twee leiders van de regionale vakbond in Gabès en een manager van een van de GCT-fabrieken, lacht de laatste zachtjes en zegt: ‘Dat is een taboe-onderwerp.’ Een van de vakbondsleiders laat weten dat hij niet over vervuiling wil praten omdat de fabrieken hebben gezorgd voor de ontwikkeling van de regio en werkgelegenheid bieden aan duizenden mensen.
Werkloosheid
Hoewel Tunesië lange tijd een van ’s werelds grootste fosfaatexporteurs is geweest, is de industrie de afgelopen jaren gekrompen als gevolg van politieke instabiliteit en door frequente protesten van werkloze jongeren die banen eisen in de fosfaatmijnen.
Volgens Habib Wahachi, adjunct-secretaris-generaal van de Gabès-afdeling van de UGTT, bedroeg de jaarproductie van Groupe Chimique Tunisien sinds de revolutie van 2010 gemiddeld minder dan een derde van wat het daarvoor was. Tunesië moest afgelopen oktober zelfs voor het eerst fosfaten importeren uit buurland Algerije.
GCT heeft sinds 2017 geen nieuwe medewerkers meer aangenomen in de regio. De werkloosheid in Tunesië bedraagt momenteel 17,4 procent. Maar in Gabès is in totaal 24 procent werkloos en van de jongeren zit de helft zonder werk.
Honderden jongeren uit Gabès blokkeerden van eind november tot december vorig jaar de industriezone in Ghannouch en het GCT-administratiegebouw in het stadscentrum van Gabès. Ze hekelden de vervuiling maar eisten tegelijkertijd banen in de fabrieken.
‘Geef me een baan zodat ik kan overleven. Wij zijn degenen die rechtstreeks door de verontreiniging worden getroffen’, stelde Youssef Hajej, een werkloze universitair afgestudeerde uit Ghannouch. Hij betoogde dat de GCT de lokale bevolking werk verschuldigd is ter compensatie van alle verwoestingen die het bedrijf heeft aangericht in de regio en de vernietiging van traditionele industrieën. ‘Ze vernietigen alles en het is dan ook normaal dat mensen hier vragen om daar in ieder geval een klein beetje van mee te kunnen profiteren.’
Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?
Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.
Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.
De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst en eindeloos veel andere etenswaren.
Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)
Typisch Brits voedsel
Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.
Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan de meeste in smerige, benauwde omstandigheden worden gehouden. Maar voor de rest van ons was het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)
Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.
Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.
Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe te voegen.
Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn
En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het ‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.
Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.
Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.
Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.
Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.
‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.
Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die er baat bij heeft dat wij denken dat er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.
Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.
In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door de versnelling van het productieproces de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.
Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.
Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.
Hersenkanker
Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.
In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.
Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’
Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.
Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’
Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.
Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.
In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend antwoord kregen, zouden die additieven binnen drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.
De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.
Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.
Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.
In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.
De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.
We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken
Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die al het lekkers in zich hadden opgezogen.
In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!
In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.
Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.
Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.
Het worstje
Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)
Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.
Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.
Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’
Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.
De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.
Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.
In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.
Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.
Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)
Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.
In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.
Arme consumenten
De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.
Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.
Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?
Eerst werd de Alaska-lupine nog verwelkomd als bedekker voor de geërodeerde grond. Maar nu is men de ‘kwaadaardige paarse indringer’ beu. De spanningen tussen voor- en tegenstanders lopen hoog op.
Twee jaar voordat Neil Armstrong de eerste stap op de maan zette, ging hij op zalm vissen in het noorden van IJsland. In een plaatselijk museum hangt een foto waarop hij in een rivier staat – maar het fotootje is zo klein dat ik aanvankelijk dacht dat het slechts een sfeerbeeld was, bedoeld om te laten zien hoe mensen in de jaren zestig hun vrije tijd doorbrachten. Met een flauwe glimlach houdt de 36-jarige Armstrong zijn hengel vast. Hij zou kunnen doorgaan voor een IJslander, ware het niet dat hij een honkbalpetje draagt, en een dure pilotenzonnebril. En vier lagen kleren.
Armstrong verkeerde destijds in het gezelschap van nog enkele toekomstige ruimtevaarders, die in trainingskampen in het binnenland van IJsland verbleven. Het was zomer en door het constante daglicht werd hun uiteindelijke doel aan het oog onttrokken. Midden in de hooglanden van IJsland had de NASA een tweede maanlandschap aangetroffen: geen vegetatie, geen leven, geen kleuren, geen oriëntatiepunten. In feite was het hele gebied één uitstrekte grindvlakte. De toekomstige astronauten maakten van de gelegenheid gebruik en formeerden twee teams voor een partijtje voetbal, om de spanningen van de dag kwijt te raken. Met grote stenen markeerden ze het doel. De dichtstbijzijnde boom was vele dagen lopen in noordoostelijke richting, naar de kust, over de Hólasandur, de zwarte zandwoestijn. En dan nog zou de boom in kwestie niet veel langer zijn geweest dan Armstrongs hengel, verweerd zoals alles op het door erosie geteisterde Noord-Atlantische eiland.
De term ‘maanlandschap’ wordt tegenwoordig veel gebruikt door toeristen die foto’s maken van de eindeloze IJslandse vlakten – gevormd door vulkaanuitbarstingen, bedekt met verschillende tinten lava. Op veel van die foto’s prijkt echter een opmerkelijk paarse indringer: de lupinus nootkatensis, ook wel de Alaska-lupine genoemd. Deze plant deed zijn intrede niet lang na de astronauten, en hij werd verwelkomd als een prima bedekker voor de geërodeerde grond. Maar geleidelijk keerde het experiment zich tegen het gebied en inmiddels wordt IJsland getekend door een permanente paarse vlek. Tegenwoordig wordt deze Alaska-lupine beschouwd als een invasieve plant, die niet alleen een bedreiging vormt voor de bestaande vegetatie maar ook voor het kale, vulkanische landschap dat geregeld wordt omschreven in termen waarin de bewoordingen doorklinken van Buzz Aldrin toen hij voor het eerst het maanlandschap aanschouwde: een desolate pracht.
Kleur van IJsland
Het ooit zo zwarte zand van de Hólasandur, waar de astronauten rondliepen, is momenteel een paarse vlakte. Met de klimaatverandering rukt de lupine op naar plekken die er tot dan toe van waren gevrijwaard door de koude temperaturen en de regenval. Sommige IJslanders zijn blij met deze paarse plant. De strijd om de kleur van IJsland heeft geleid tot een diepgaande discussie die een nieuwe vorm van identiteitspolitiek in de hand heeft gewerkt. De spanningen liepen hoog op toen afgelopen zomer enkele gemeenschappen in het oosten van IJsland – het zogenaamde maanlandschap – de bewoners opriepen de handen ineen te slaan teneinde IJslands alfaplant te verdrijven. Maar zelfs als we het er allemaal over eens zouden zijn dat de lupine een kwaadaardige indringer is die het veld moet ruimen, zouden we de plant dan ook echt weten uit te roeien?
De lupinus nootkatensis – die oorspronkelijk voorkwam in Alaska en Brits-Columbia – is een geslacht uit de vlinderbloemenfamilie, waartoe ook de peulvruchten behoren. Hij is een specialist in fotosynthese: lupine is gastheer van bepaalde bacteriën die stikstof uit de lucht halen en doorgeven via de okselknoppen. Wanneer je de aarde onder de lupine (of peulvruchten) omspit, komt de stikstof in de aarde terecht, wat dient als mest voor de planten die volgen. Het is een elegante oplossing om uitgeputte grond van voeding te voorzien.
De lupinus nootkatensis is ooit in een koffer in IJsland gearriveerd. De doelbewuste introductie van de plant in het IJslandse landschap is echter al zo’n duizend jaar geleden in gang gezet. Toen de eerste kolonisten hun Vikingschepen aanlegden, was tweederde van het eiland bedekt met groen en leefde er slechts één landzoogdier, de poolvos. De eerste mensen die zich op het eiland vestigden, hadden een scheepslading vee bij zich en namen hun agrarische manier van leven mee: ze kapten bomen en stookten het hout, zonder zich te realiseren dat de IJslandse bodem eerder uitgeput raakte en minder snel herstelde dan die van het Europese vasteland.
De kolonisten van toen zouden nauwelijks de kale kustlijn van nu herkennen, die de overheid nieuw leven heeft willen inblazen door in 1908 de National Forest Service op te richten. Tegen die tijd was IJsland in ecologisch opzicht ‘het zwaarst beschadigde land van Europa’, om de beroemde polyhistor en auteur Jared Diamond te citeren. Door winderosie werd het eiland, korrel voor korrel, de zee in geblazen. De verwoesting ging onverminderd voort en halverwege de twintigste eeuw, toen andere Europese landen druk bezig waren met de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog, brak de IJslandse Forest Service zich het hoofd over een heel andere vorm van verwoesting: de IJslanders hadden roofbouw gepleegd op hun eiland, ze hadden de berkenbossen gekapt en er was sprake van overbegrazing van het land. Van de oorspronkelijke vegetatie restte nog slechts 25 procent.
De Forest Service stuurde het hoofd, Hákon Bjarnason, naar Alaska, om daar drie maanden lang alle zaden van alle planten en bomen te verzamelen waarvan hij meende dat ze de natuur van IJsland een nieuwe impuls zouden kunnen geven. De dag dat hij huiswaarts keerde, 3 november 1945 – zoals uit het stempel in zijn paspoort blijkt – is de dag waarop de IJslandse lupinelegende een aanvang neemt.
De eerste drie decennia leeft de plant in de groene ruimten in de buurt van de hoofdstad Reykjavik. Árni Bragason, hoofd van de Soil Conservation Service of Iceland, zegt dat pas in 1976 actief lupinezaad werd verzameld en in het wild uitgestrooid, met de bedoeling de kwetsbare grond in het land een extra impuls te geven. De lupine deed het uitstekend en fungeerde als een soort mestfabriek. Het hele landschap kleurde roze zonder dat er veel kosten mee waren gemoeid en zonder dat er speciaal mensen voor hoefden te worden opgeleid: werkelijk iedereen kon de zaden verzamelen, die in een gat ter grootte van een schoenzool strooien en – abacadabra – geleidelijk zag je het landschap veranderen. Misschien wel voorgoed.
Pas na enkele tientallen jaren werd mij enigszins duidelijk wat deze paarse plant heeft gedaan met de psyche van mijn landgenoten. IJsland is verdeeld in twee kampen en de splijtzwam is de lupine.
Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen “slechte doorbloeding, Parkinson en kanker”, om maar een greep te doen
In 2006 posteerde ik me voor de ingang van een supermarktje in Selfoss, in het zuiden van IJsland, met een notitieblokje en een goedkope camera, die ik te leen had gekregen van een lokale krant, de Sunnlenska. Ik was op zoek naar mensen die hun mening wilden geven voor ‘De vraag van de dag’, een column waarin toevallige voorbijgangers wordt gevraagd zich uit te spreken over een heet hangijzer, een onderwerp waar ze gewoonlijk niet al te veel van afweten, waarna ze ook nog – na enige intellectuele gêne – op de foto worden gezet, voor bij het stukje.
Milieukwesties liggen altijd gevoelig – welk normaal mens gaat boodschappen doen om een gesprek te voeren over de vraag of de aarde al dan niet ten dode is opgeschreven? Maar die dag bleek ik een wel zeer gevoelige snaar te raken met een zo op het oog redelijk onschuldige vraag: hoe kijkt u aan tegen de lupinus nootkatensis?
Iedereen vond er het zijne van. Veel van de mensen die ik sprak hadden de lupine letterlijk zien oprukken. Wie aan het begin van de zomer over IJslands Route 1 rijdt, die alle kleine dorpjes en steden van het eiland met elkaar verbindt, heeft het gevoel dat hij over een weg rijdt die dwars door de lupinevelden is aangelegd, alsof de bloemen er eerder waren dan de weg. Dat is niet het geval. In de loop der jaren is het enthousiasme van de Forest Service overgeslagen op veel van de inwoners, die in het wilde weg zaden hebben meegenomen naar andere steden, andere valleien en zelfs naar enkele eilandjes voor de kust. Er is geen IJslander die zich níét heeft vergaapt aan de paarse vlakten. En velen zijn dol op de lupine.
De Facebookgroep Vinir lúpínunnar, ‘Vrienden van de lupine’, die momenteel zo’n 2800 leden telt, maakt duidelijk hoeveel steun er onder de IJslanders is voor de lupine. Sommige leden roemen de eigenschappen van de bloem als middel om de ontbossing te keren: bomen die in de buurt van lupine worden geplant, profiteren van de rijke grond. Zodra de bomen groot genoeg zijn, nemen ze het licht weg van de bloemen, die bijna een meter hoog kunnen worden. In het ideale geval zullen na zo’n 25 tot 30 jaar de lupines als vanzelf verdwijnen en is de grond vruchtbaar genoeg voor andere vegetatie. Sommige leden van de Facebookgroep zijn voorstander van de lupine vanwege de esthetische waarde. Ze posten filmpjes en foto’s, zonder er ook maar een moment bij stil te staan dat de plant niet inheems is.
De vrienden van de lupine zijn met name gecharmeerd van zogeheten ‘voor en na’-foto’s. En natuurlijk probeert men munt te slaan uit die geestdrift. Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen ‘slechte doorbloeding, Parkinson en kanker’, om maar een greep te doen.
De mensen bij de supermarkt die op mijn vraag ingingen, waren duidelijk in twee kampen te verdelen: pro en contra lupine. Het is volkomen zwart-wit. De meeste antwoorden waren echter lang en emotioneel geladen, allesbehalve objectief, noch wetenschappelijk onderbouwd.
Balanceeract
De eerste twee mensen vertelden verhalen over de magie van de lupine: dat hij erosie en afstuiving tegengaat en dat er dankzij lupine weer bomen kunnen worden geplant. De derde zei dat de lupine het uitzicht uit zijn zomerhuisje had verpest. De vierde beweerde in zijn vrije tijd lupinevelden leeg te ruimen maar durfde daar niet openlijk voor uit te komen. Vrijwel iedereen voorspelde twee verschillende toekomstscenario’s: een toekomst met lupine en een toekomst zonder lupine. Mijn vijfde respondent stak een lange tirade af, die ik zou willen terugbrengen tot een enkele vraag: ‘Waarom heeft niemand hier een stokje voor gestoken?’
Het is een balanceeract om IJsland weer groener te maken: we willen de natuur herstellen in de oude glorie, met onze op natuurlijke wijze ontstane vulkanische woestijnen, maar daarnaast moeten we de vegetatie herstellen die verloren is gegaan. De voor- en tegenstanders hebben allebei valide argumenten.
Ongeveer 0,4 procent van het oppervlak van het eiland is bedekt met lupine, als we afgaan op schattingen op grond van luchtfoto’s. Dat klinkt niet veel, maar in aanmerking genomen dat slechts 400 vierkante kilometer van het eiland bebost is, gaat het toch om een heleboel lupine. En terwijl de aangeplante bossen in 2085 naar verwachting 1,6 procent van het oppervlak zullen bedragen, zou het aandeel van de paarse bloemen wel eens in de dubbele cijfers kunnen komen, mede dankzij klimaatverandering en menselijke activiteit. ‘Exponentiële groei is de natuur van invasieve soorten,’ zegt botanist Pawel Wasowicz, de lupine-expert van het Iceland Institute of Natural History. Naar zijn inschatting zal de groeicurve ergens in de volgende twee decennia een spectaculaire piek vertonen.
Volgens het Institute of Natural History zijn maar weinig landen zo gevoelig voor het broeikaseffect als IJsland, aangezien invasieve soorten een ongekend groot vermogen hebben om de bestaande vegetatie te verdringen en op te rukken naar de hoger gelegen binnenlanden, waar het momenteel voor de meeste planten nog te koud en te nat is. Met andere woorden: dit op natuurlijke wijze ontstane maanlandschap zou kunnen verdwijnen. Als de klimaatverandering in dit tempo doorgaat, zou de lupine over dertig jaar een groot deel van het hoger gelegen land kunnen innemen, blijkt uit een onderzoek dat in 2013 is verschenen in het blad Flora. Hjörleifur Guttormsson, een 82-jarige naturalist en voormalig parlementslid, tevens een van de eerste tegenstanders van de plant, zegt: ‘Alles behalve de gletsjers is een mogelijke ondergrond voor lupine.’
‘We zijn op een keerpunt aangeland,’ beaamt Bragason van de Soil Conservation Service. ‘Het beste wat we nu kunnen doen, is proberen consensus te bereiken over waar we de plant willen toelaten. Dat is al moeilijk genoeg.’ Bragason is van mening dat de beschadigde kustgebieden het ideale terrein vormen voor de lupine, met bergen en rivieren als natuurlijke grenzen. Daar kunnen de positieve effecten zich aftekenen op zowel de korte als de lange termijn: het voorkomen van zandstormen en het creëren van een vruchtbare voedingsbodem voor herbebossing. Niet ver van de vulkaan de Hekla, waar door de veelvuldige uitbarstingen in de loop der jaren een immens berkenbos verloren is gegaan, heeft de Soil Conservation Service met behulp van de magische lupine delen van het bos nieuw leven weten in te blazen. Het zou veel tijdrovender en duurder zijn geweest om gebruik te maken van inheemse planten en bemesting.
Er zijn maar weinig regio’s die over de middelen beschikken om het landjepik van de lupine een halt toe te roepen. Met het uitroeien van de plant blijkt zo’n drie tot vijf jaar te zijn gemoeid. Wanneer ik lúpína drepa – ‘lupine doden’ – intik in mijn zoekmachine, kom ik terecht op diverse blogs waar het proces in allerlei militaristische termen wordt beschreven. De lupine blijkt vijanden te maken onder de bevolking zodra hij aangrenzende bessenvelden binnendringt. Gewapend met grastrimmers slaan de IJslanders de handen ineen om de indringers het hoofd te bieden. De gehanteerde methode is om de lupine aan het begin van de zomer te kortwieken, nog voordat de plant zaadjes heeft gemaakt, op een moment dat de wortels het snoeien vermoedelijk niet te boven zullen komen. Afgelopen zomer zijn in drie plaatsen in het oosten van IJsland grastrimmers uitgeleend aan alle vrijwilligers die wilden deelnemen aan de moordpartij. Het voornemen is om elk jaar een uitroeiactie te organiseren, net zo lang totdat ‘de plant is verdrongen, in ieder geval uit onze natuurgebieden’, aldus Anna Samúelsdóttir, hoofd van de milieudienst van de gemeente Fjardabyggd, die het voortouw heeft genomen bij deze vernietigingsexpeditie. Haar inspanningen hebben de landelijke pers gehaald, omdat dergelijke gecoördineerde acties, met een hoge participatiegraad, een nieuw fenomeen zijn in IJsland.
‘De mensen zien dat het lupinelandschap zich als een sneeuwbal uitbreidt,’ zegt Samúelsdóttir. Sterker nog, in de afgelopen vijftien jaar heeft de plant zich in delen van oostelijk IJsland vervijfendertigvoudigd, met name op plekken waar voorheen inheemse planten groeiden. ‘Als je in het midden van een lupineveld naar beneden kijkt, zie je de grond niet eens omdat het zo dicht begroeid is. Kraaiheibessen, blauwe bessen en blauwe bosbessen – allemaal verdwenen.’
Ondertussen wordt het initiatief van Samúelsdóttir op de Facebookpagina van de lupinelobby gezien als een regelrechte oorlogsverklaring. ‘Snoei maar lekker raak’, schrijft een van de leden, doelend op de guerrilla-achtige methoden die de lupineactivisten hanteren. ‘Ik ga daarna gewoon met een zak vol zaden naar diezelfde plek.’ Iemand anders oppert dat het streven van de oostelijke IJslanders om het land lupinevrij te maken, tekenend is voor hun xenofobie: men zou niets moeten hebben van alles wat afkomstig is uit het buitenland.
Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren
Van de twaalf mannen die tussen 1969 en 1972 voet op de maan hebben gezet, hebben er negen eerst de geologie van IJsland bestudeerd, vanuit de gedachte dat ze zo een beter beeld zouden krijgen van de geologie van de maan. NASA had ooit die parallel getrokken op grond van beelden die jaren eerder waren gemaakt vanuit een satelliet die in een baan om de aarde cirkelde: de hoogvlakten van de maan (van grote afstand zichtbaar als de lichtere delen van het oppervlak) deden sterk denken aan de desolate binnenlanden van IJsland. Op 24 juli 1969 landde de Apollo 11 weer op de aarde met aan boord een geologisch monster – een stukje maan. De gelijkenis met IJsland bleek oppervlakkig.
In 1945 keerde de Indiana Jones-achtige bosbeheerder Hákon Bjarnason terug van zijn onderzoekingen in Alaska. Hij was het vliegtuig nog niet uit of hij zei tegen een verslaggever dat IJsland met enige moeite zou kunnen gaan lijken op de kuststreek van Alaska, met hoge bomen en veel bessenstruiken. Het klimaat in beide landen vertoonde opmerkelijk veel overeenkomsten. Maar ook hier bleken de overeenkomsten uiteindelijk slechts oppervlakkig.
Achteraf gezien zijn de hooggespannen verwachtingen zeer begrijpelijk. In de jaren na 1945 kwamen we terecht in een technologische stroomversnelling. Het was een tijd waarin we meenden de natuur de baas te zijn, waarin we zelfs meenden de zwaartekracht te kunnen trotseren door mensen naar de maan te sturen. Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren.
Onlinetijdschrift dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de hele wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, Brits-Columbia. Hakai wordt gefinancierd door de Tula Foundation.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.